Ferdinand Huyck
by J. van Lennep · Dutch · Gutenberg #17706 · 1,269,344 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Ferdinand Huyck
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Ferdinand Huyck
Author: J. van Lennep
Release date: February 7, 2006 [eBook #17706]
Most recently updated: December 13, 2020
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/17706
Credits: Produced by Marc D'Hooghe.
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK FERDINAND HUYCK ***
Produced by Marc D'Hooghe.
FERDINAND HUYCK
Door
Mr. J. VAN LENNEP.
* * * * *
BRIEF VAN DEN HEER P. AAN DEN UITGEVER, TOT INLEIDING DIENENDE.
Amsterdam, den....
Ik weet niet, of gij van nabij bekend zijt geweest met de oude Juffrouw
Stauffacher, die nu ruim twaalf jaren geleden in den ouderdom van
ongeveer drieëntachtig jaren hier ter stede ontslapen is: zoo niet, acht
ik zulks uiterst jammer voor iemand als gij, die een liefhebber zijt van
onderzoek te doen naar min bekende bijzonderheden, het leven, het
karakter, of de lotgevallen betreffende van vermaarde personen; want zij
was een levend repertorium van dergelijke aardigheden. Ofschoon zelve,
voor zooverre mij bewust is, nooit eenige buitengewone avonturen
hebbende gehad, was zij, door de omstandigheden van haar levensloop, in
betrekking geweest met een groot aantal van die personaadjes, welke zich
in de vorige eeuw in verschillende opzichten vermaardheid hebben
verworven: velen hunner had zij zelfs van nabij gekend.
Quiconque a beaucoup vû
Peut avoir beaucoup retenu,
zegt La Fontaine; en zij had een uitmuntend geheugen. Zij was
tegenwoordig geweest, toen Voltaire in den schouwburg bekroond werd, en
had Lodewijk XV zien uitrijden met Madame Dubarry: zij had Necker zijn
financieel stelsel hooren ontwikkelen en den Graaf de Saint-Germain het
toilet beschrijven van de keizerin Helena en de inneming van Akkaron
door Richard Leeuwenhart. Er was, in Frankrijk vooral, bijna geen
adellijke familie, waarvan zij niet de vertakkingen en opvolging kende,
zoo goed en beter misschien dan die van haar eigen geslacht; (want ik
heb nooit kunnen uitvorschen, of zij van den medestichter der
Zwitsersche vrijheid al dan niet vermeende af te stammen) en zij ware in
staat geweest aan de Pseudo-Marquise de Créqui menige dwaling aan te
wijzen in de gedenkschriften, die op haar naam zijn uitgevent. Zij kende
ook al de kleine anecdoten, die omtrent de merkwaardige personen van het
Fransche hof te boek gesteld zijn; en menige daarbij, die niet gedrukt
staat, en welke zij onder vier oogen aan de uitverkorene vrienden met
zooveel bijzonderheden en locale kleur wist te vertellen, dat men aan de
echtheid daarvan niet dorst twijfelen, en dikwijls overtuigd bleef, dat
zij hetgeen zij mededeelde had bijgewoond of althans uit de eerste hand
vernomen. Wat onze Nederlandsche familiën betreft, hoewel zij ruim
vijftig jaren hier af en toe had doorgebracht, was zij daarmede wel eens
in de war: niet, dat men haar ooit op misslagen betrapte, wanneer het de
afkomst of vermaagschapping gold; maar zij was, gelijk zulks bij oude
lieden meer het geval is, op het laatst van haar leven altijd geneigd,
een geslacht te verspringen: zoodat zij mij en mijne tijdgenooten tot de
zonen onzer grootvaders en de broeders onzer tantes verhief, 't is waar,
dat een glimlach van hem, wien de misslag gold, doorgaans genoeg was, om
haar te herinneren, dat zij zich vergiste, en om tot rectificatie
aanleiding te geven.
Gij moet echter niet denken, dat zij geene andere verdiensten bezat als
die van veel gezien en opgemerkt te hebben:--hoewel ook deze minder
algemeen gevonden wordt dan men wel denken zoude. Zij paarde aan een
gezond oordeel veel _solide_ kennis, en was in de gelegenheid geweest,
daarvan voor haar zelve en voor anderen een nuttig gebruik te maken.
Ettelijke jonge dames uit onze aanzienlijkste huizen waren aan haar
onderwijs en leiding toevertrouwd geweest: en menig verdienstelijk
staatsman of geleerde, thans in hooge betrekking geplaatst, getuigt nog
heden van het nut, dat hij als jongeling uit haar omgang of lessen
getrokken heeft. En bij die verstandelijke gaven voegde zij,--in weêrwil
van haar vroegere bekendheid met vrijgeesten en filosofen, met
kwakzalvers en _roués_, in weêrwil zelfs van het zwak, dat haar was
bijgebleven voor verscheidene geschriften, die men thans uit de boekerij
eener vrouw verbannen zoude,--een vromen, godsdienstigen zin: en haar
werken zoowel als haar woorden getuigden, dat haar geloof vast was en op
een onwankelbaren grondslag gebouwd.
Haar karakter was vrolijk en opgeruimd: en tot haar einde toe bleef haar
het levendige, ja, ik zoû zeggen, het kinderlijke van een jong meisje
bij. Vandaar dat zij zich somtijds op een kluchtige wijze recht boos kon
maken: bij voorbeeld, wanneer zij iets gelezen of gehoord had, dat niet
strookte met hetgeen zij begreep en volhield waar te zijn: of wanneer
iemand een regel uit een dichtwerk verkeerd aanhaalde, of dien niet aan
den rechten maker toeschreef, of wel zijn onkunde aantoonde omtrent het
juiste getal kinderen, door Lodewijk XIV bij Mevrouw de Montespan
verwekt. Maar de lieden, op wie zij het voornamelijk geladen had, waren
onze hedendaagsche boekverkoopers, met hun flikkerende stereotypen, hun
miniatuur-uitgaven en hun compleete werken in een deel. Zij nam het zeer
kwalijk, dat men aan oude lieden, wier gezicht begon te verzwakken, en
die toch buiten lectuur weinig anderen troost konden vinden, juist die
eenige uitspanning zoo moeilijk maakte. Zij bleef dus de 4e edities
voorstaan: en, behalve den huisbijbel, kon men ook doorgaans op haar
tafel een Cats in dat formaat aantreffen, of wel de fraaiste en
duidelijkste uitgaven der Fransche puikdichters. Ook met onze
hedendaagsche muziek kon zij het maar niet vinden: zij haalde de
schouders op bij de roulades en fioritures, die tegenwoordig bij geen
aria ontbreken: en beweerde dat men alle lieflijkheid, alle gevoel had
verbannen en opgeöfferd aan de zucht om te schitteren en moeilijkheden
te overwinnen; terwijl daar-en-tegen, gelijk zij volhield, de muziek,
die men in hare jeugd maakte, tot het hart sprak en verstaanbaar was,
en tot bewijs van haar stelling gebeurde het wel eens, dat zij den
redetwist besloot door met een nog vaste en zuivere, hoewel verzwakte
stem, een aria uit _Blaise et Babet_ of _Les trois Fermiers_ te zingen,
of liedjes te neuriën, welke zij van haar grootmoeder gehoord had, en
die dus, behalve de overige verdiensten, ook die der nieuwheid
bezaten;--voor zooverre immers in de muziek hooge oudheid het nieuwste
is dat men hooren kan.
Haar huishouding bestond uit twee oude meiden en een kat: maar er was
geen papegaai, die de menschen met zijn dom gesnater in de rede viel;
noch kanarievogel, die alle conversatie met zijn schel gezang onmogelijk
maakte. Ik herinner mij echter, dat zij langen tijd een goudvink bezat,
die twee of drie van haar lievelingsdeuntjes floot; maar het was een
welopgevoede muziekant, die zich, even als alle verdienstelijke
virtuosen, niet hooren liet, tenzij hij eerst eenige malen daartoe was
aangespoord.
Wat de kat betreft, het was geen oude, dikke, logge, vetgemeste
pannelikker, zooals men die gewoonlijk bij bejaarde vrijsters plaatst,
die den dag doorbracht met op een kussen te slapen en met de lekkerste
beetjes gevoed werd; maar het was een jong vlug, geestig diertje, met
een glinsterende zwarte vacht, en een uitzicht, zoo schrander en
vernuftig als dat van den wijdberoemden kater _Murr_ kan geweest zijn:
en zijn meesteres bedierf hem volstrekt niet, maar behandelde hem gelijk
men een dartel spelend kind doet, aan hetwelk men gepaste toegevendheid
bewijst, doch dat men tevens in ontzag weet te houden. Het was een lust
om te zien, hoe aardig ons poesje uren lang met het kluwgaren van zijn
meesteres of met den rotting of de handschoenen van den bezoeker wist te
spelen en welk een pret het vond in dergelijke vermaken: hoe het over
den schoorsteenmantel, tusschen al de flacons, kopjes en vaasjes door,
heen en weder liep, zonder iets aan te raken, laat staan te beschadigen;
het zoû de kunstenaren, die op eieren danst, beschaamd hebben gemaakt.
Men kon dus met een gerust geweten, en zonder beschuldigd te worden van
zich aan vleierij over te geven, met de lofspraken instemmen, welke
Mejuffrouw Stauffacher aan haar lieveling gaf, en ook gaarne had, dat
er door anderen aan gegeven werden. Ik zal hier nog bijvoegen, dat poes
geen legaat heeft gehad: de goede juffrouw wist wel, dat het, ook na
haar dood en zoo lang haar beide oude getrouwe dienstmaagden leefden,
aan niets gebrek zoû hebben.
Maar gij zult mij vragen, wat u dit alles aangaat, en waarom ik u uwen
tijd ontroof, door u over de kunstjes van de poes mijner oude vriendin
te onderhouden? Ik zal er u openhartig de reden van zeggen: het is mij,
uit hetgeen ik zoo dagelijks lees, genoegzaam gebleken, dat het door
alle schrijvers van naam en gezag als een vereischte wordt aangemerkt,
nimmer terstond plomp weg met de deur in huis te vallen: maar eerst
eenige omschrijving en inleiding te bezigen, bestemd om de
nieuwsgierigheid te prikkelen en voorts ongeveer dezelfde dienst te
doen, welke de pastijtjes en _croquettes_ bewijzen wanneer zij het
gebraad voorafgaan.
Het voorbeeld dier doorluchtige schrijvers wilde ik volgen, en u daarom
met Mejuffrouw Stauffacher en haar _alentours_ bekend maken, alvorens ik
er toe overging om u het onderhoud te verhalen, hetwelk ik eens met haar
had en waaraan dit geschrijf zijn oorsprong verschuldigd is.
Het was op een voorjaars-achtermiddag: ik had, gelijk ik meermalen deed,
wanneer beroepsbezigheden mij in de stad hielden, het middagmaal bij
haar genomen en zat, in afwachting der koffie, tegen-over haar voor het
open raam een pijp te rooken, waartoe zij mij altijd aanspoorde, er
bijvoegende, dat de tabakslucht zulke aangename herinneringen bij haar
opwekte, dewijl zij dan aan haar vader dacht, die kapitein bij het
Regiment Waldeck was geweest, en die zooveel van rooken hield, dat hij
de pijp zelfs niet uit den mond nam, wanneer hij een schoon hemd
aantrok. De oude Juffrouw zat over mij, de een weinig van de jicht
gezwollen voeten op een met groen baai overtrokken bankje houdende,
en knorde van tijd tot tijd op de nieuwerwetsche filtreerkannen en de
koffie, die niet lekken wilde. De kat was op de tafel gesprongen en
vermaakte zich met den sleutelbos, die aan het tinnen koffietrommeltje
hing: een uitspanning, welke zij nu en dan staakte om naar buiten te
zien en aan de vogeltjes, die den pereboom voor het raam op en af
vlogen, een blik toe te werpen, die zoo veel aanduidde, als dat, indien
zij het fatsoenshalve niet liet, zij wel eens jacht op hen zoude willen
maken.
Wij hadden een poos stilzwijgend over elkander gezeten, in die
aangename, rustige gemoedsgesteldheid, welke zoo bevorderlijk is aan de
goede spijsvertering, en waarin men, zonder de hersens met eenig bepaald
onderwerp te vermoeien, de schakel der gedachten volgt, die zich van
zelve ongezocht in het brein ontwikkelen. Ik _recapituleerde_ bij mij
zelven hetgeen zij mij aan den disch had verteld, betreffende de
misslagen en logens voorkomende in zekere onlangs uitgekomene
gedenkschriften, welke ik haar geleend had, en die mij in de gelegenheid
hadden gesteld, opnieuw haar zaakkennis en geheugen op te merken.
"Weet gij, wat mij verwondert?" zeide ik eindelijk, uit mijn mijmering
ontwakende.
"Wat?--Dat ik niet liever de koffie kook, gelijk ik vroeger placht te
doen, dan een filtreerkan te gebruiken?--Gij hebt volkomen gelijk."
"Neen, lieve vriendin! Ik heb niets betreffende uw koffie aan te merken,
die reeds zulke aangename geuren begint te verspreiden, dat, naar mijn
overtuiging, het plechtig oogenblik van inschenken niet ver meer
verwijderd kan zijn; maar ik wilde u mijn bevreemding te kennen geven,
dat iemand, die zooveel gezien en gehoord heeft, waarvan wij ons niet
dan door valsche of gedeeltelijke opgaven een denkbeeld kunnen maken,
die zulk een uitmuntend geheugen heeft, en de pen bovendien zoo goed
te hanteeren weet als gij, er nimmer aan gedacht heeft, zelve eens
gedenkschriften te schrijven."
"In waarheid, mijn beste P....! ik heb in mijn vroegere betrekkingen wel
wat anders te doen gehad als memoriën te schrijven: en op mijn jaren
betaamt het eer, dat men zich met de toekomst, dan met het verledene
bezig houde."
"Nu ja!--Maar nu doet gij zulk een grooten sprong. Zoo gij op uw
vijftigste jaar begonnen waart, zoudt gij ruim den tijd hebben gehad,
eenige boekdeelen te vullen."
"Hoor! ik heb nooit verlangd, mij een naam te maken: en al wat ik begeer
is, na mijn dood vergeten te worden."
"Foei! Gij weet te goed, dat er menschen genoeg zullen zijn, bij wie gij
in gezegend aandenken zult blijven: en het zoû u zelfs leed doen te
denken, dat die u vergeten konnen."
"Kom! kom! gekheid! Gij weet wel, dat ik het in dien zin niet meen; maar
wil ik u eens zeggen, waarom het dwaas in mij zoû geweest zijn, als
schrijfster op te treden?--Zoo als gij mij nu kent, houdt gij er van,
mij te hooren keuvelen en somtijds misschien wat doorslaan: en later
als ik dood ben, zult gij, vertrouw ik, wel eens aan de oude Juffrouw
denken, als aan iemand, die nog al wat van den ouden tijd wist te
vertellen; en mogelijk gebeurt het, dat gij nu en dan aan dezen of
genen, die verkeerd onderricht is; toevoegt, hoe Juffrouw Stauffacher,
die het wel wist, dat verhaalde; maar zoo ik gedenkschriften had
uitgegeven, dan ware ik niet langer de oude Juffrouw meer, die men op
haar woord geloofde, maar een schrijfster; die elk het recht zoude
hebben met aanmerkingen en kritieken op 't lijf te vallen.--Spreek mij
niet tegen," vervolgde zij, ziende, dat ik het hoofd schudde, als
iemand, die niet overtuigd is: "ik weet het beter:--en dit ware niet
alles; maar ik zoû geen genoeglijk uur meer met u of mijn andere goede
vrienden hebben. Thans mag ik u nog de eene of andere anecdote
vertellen, die gij tien of meermalen gehoord hebt; maar waar gij de
beleefdheid hebt naar te luisteren, als of zij u geheel nieuw
voorkwam;--maar stond die eens gedrukt, dan zoû ik immers den mond niet
meer durven opendoen om over oude zaken te praten, uit vrees, dat iemand
mij op mijn boterham zoû geven: "ja! dat hebben wij gelezen bladz. 58
van het Eerste Deel." Neen! neen! dat niet. En dan is er nog iets: ik
heb met heel wat rare potentaten en stoethaspels omgegaan, en hen in hun
dagelijks bedrijf gezien: en ofschoon ik er géén kwaad in zie, over hen
te praten, en het zelfs gaarne doe, zoo heb ik er nooit van gehouden,
om datgene publiek te maken, wat tot het private leven van personen
behoort. Het komt mij altoos voor, dat noch Necker, noch Delille, noch
Madame Du Deffant, zich in mijne tegenwoordigheid zoo zouden hebben
uitgelaten als zij deden, wanneer zij vermoed hadden, dat ik hunne
gezegden later openbaar zoude maken. Er is iets heiligs, naar mijn
oordeel, in een gemeenzaam onderhoud: en daarvan mag geen misbruik
gemaakt worden."
"Dat ben ik niet met u eens. Beroemde mannen behooren tot de
nakomelingschap, en zij zijn er zelfs over 't geheel mede gestreeld,
wanneer men aan hetgeen zij gezegd of gesproken hebben waarde genoeg
hecht om het bekend te maken: zelfs dan, als het hun niet tot eer
verstrekt. Zij hebben allen een weinig van de ijdelheid van Herostratus
weg, en wanneer men slechts van hen spreekt, kan het hun minder schelen,
hoe."
"Ieder heeft zijne inzichten; maar ik heb mij niet geroepen geacht, om
iets te doen, waar mijn gevoel tegen opkwam."
"Dan is het jammer, dat gij geen roman geschreven hebt, waar gij uw
kennissen met verandering van naam, tijd, enz. in te pas had gebracht."
"Mijn lieve P.! gij vergeet, dat die kleine bijzonderheden, die thans
aan u en anderen belangrijk voorkomen, omdat zij belangrijke personen
betreffen, of wel omdat ik er zelve in gemoeid ben, al haar aardigheid
zouden missen, indien zij betrekking hadden op onbekenden. Er zijn zeer
weinige zoogenaamde vernuftige gezegden, zeer weinige merkwaardige
voorvallen, die hun waarde niet grootendeels ontleenen aan de namen,
die er mede gemoeid zijn. Zoû iemand zich b.v. de moeite ooit getroost
hebben om de zoutelooze kwinkslagen op te teekenen of na te schrijven,
die men aan Cicero toekent, indien gij of ik die gezegd hadden?--En
echter vinden wij die in al de schoolboeken.
"Ik beken gaarne, dat gij dagelijks betere dingen voortbrengt, dan al
wat wij van dien aard in de klassieke oudheid aantreffen: en juist
daarom verbeeld ik mij, dat gij, gebruik makende van de bouwstoffen die
gij hebt, een zeer onderhoudend boek zoudt hebben kunnen schrijven.
"'t Is mogelijk: ik heb het nooit beproefd: en in allen gevalle weet ik
niet, of het mij gelukt zoû zijn langs den door u aangewezen weg. Want
het is niet genoeg steen en kalk te hebben, men moet ook de bekwaamheid
bezitten van die aan-een te voegen, indien men er een huis van wil
bouwen: en al heb ik nog zulk een voorraad anecdoten en grappen, ik
diende een lijst te hebben om die in te plaatsen; want gij zoudt toch
niet begeeren, dat ik een boek schreef alleen om de menschen aan 't
lachen te maken: en er diende toch wel een zekere zedeleer bij te
komen."
"Hm!" zeide ik, glimlachende: "die zedeleer van de romans!"
"Ja! ik weet wel, dat men daar tegenwoordig niet meer om geeft: en dat
althans de Fransche boeken van dien aard zijn, dat men zich bijna
schaamt, die gelezen te hebben; nu--voor mijn part, ik lees ze niet:
ik hou mij bij 't oude."
"Er valt zeker niet veel op te roemen" zeide ik, mij vermakende met de
drift, waarmede zij sprak: "maar," vervolgde ik, haar willende plagen
door een van haar lievelingsschrijvers aan te vallen: "daar is Fielding,
met wien gij nog al ophebt: die is dan toch ook niet bij uitstek kiesch
in zijn tooneelen."
"Dat weet ik wel, en ik zoû u ook niet zeggen, dat gij _Tom Jones_ aan
uw dochter ter lezing moest geven; maar indien gij beweert, dat het boek
geen goede zedeleer heeft, dan zeg ik, dat gij het nooit met aandacht
gelezen hebt. Indien Fielding zijn held nu en dan laat struikelen, en
daardoor in de noodzakelijkheid vervalt van beschrijvingen te geven,
waar sommigen zich aan ergeren, dan dient hij zijn lezer later het
tegengift voor, door hem de rampzalige gevolgen aan te toonen, die
onvermijdelijk uit het inwilligen onzer verkeerde neigingen ontstaan:
daarom acht ik het boek zoo hoog, omdat het bestendig strekkende is,
om de groote en nooit genoeg herhaalde waarheid te verkondigen, dat het
kwade altijd zijn meester loont."
"Ziedaar een waarheid, lieve Juffrouw! die zoo oudbakken is, dat men er
aan begint te twijfelen: en, rechtuit gezegd, ik behoor onder die
twijfelaars; want wordt niet door de stelling, dat deugd en misdrijf
beide reeds hier op aarde vergolden worden, de leer der vergelding hier
namaals merkelijk verzwakt?--En leert ons eene, misschien ook wat
oudbakken, ondervinding niet, dat de booze dikwijls, ongestoord, de
rijkste zegeningen geniet, terwijl de brave in armoede en ellende zucht
en met allerlei tegenspoeden te kampen heeft?"
"Tot op zekere hoogte geef ik dit toe; maar ik verzoek u, wel op te
letten, dat ik geenszins beweerd heb, dat het goede zoowel als het kwade
hier beneden beloond of gestraft wordt in den zin, dien gij er aan
hecht:--verre van dien: dat geschiedt eerst in een volgend leven; maar
alleen, dat elke daad, die wij verrichten, haar natuurlijke,
onvermijdelijke gevolgen met zich brengt, die somtijds, wel is waar,
geheel anders zijn, dan men die zich voorstelt; maar die niet-te-min
leerzaam zijn en blijven voor den opmerkzamen beschouwer. Het moge den
booze--want ik wil uw redeneering eens volgen; ofschoon ik anders niet
houde van die peremptoire manier om de menschen in twee deelen te
scheiden, goeden en slechten;--ik heb nooit zulk een volslagen schelm
gekend, of hij had ook zijn goede zijde: en de beste mensch
daar-en-tegen zondigt ook nog dagelijks--het moge, zoo als ik zeide, den
booze welgaan: hij moge zelfs de stem van het geweten smoren ('t geen ik
ook al met geloof, want daar is poes; die kan ik het altijd aanzien als
zij gesnoept heeft, aan de schuwe en verlegene houding die zij dan
aanneemt: en zoo poes een conscientie heeft, dan heeft een mensch er een
_à plus forte raison_); maar het gedane kwaad zal niet-te-min gevolgen
hebben, die hem, soms na jaren en op 't onverwachtst, voor 't aangezicht
zullen springen en lastige oogenblikken bezorgen. Met het goede, dat men
verricht, is het, of liever, schijnt het niet volkomen zoo gelegen;
maar, behalve dat zich bij het beste dat wij verrichten altijd iets
menschelijks paart, en wij eigentlijk niets wezentlijks goeds kunnen
uitrichten, maar altijd, als onnutte dienstknechten, zeer achterlijk
blijven, zoo leert ons de ondervinding, dat men het goede om zich zelf
moet doen en niet om het loon, dat er uit voortkomt, en dat miskenning,
ondankbaarheid, terugzetting, enz. er menigmalen de gevolgen van zijn.
Nog meer: men kan wel dadelijk bepalen, en men doet het ook genoeg,
welke daad verkeerd is geweest; maar evenmin als men de drijfveeren
kent, welke iemand tot zondigen aangezet hebben en hem tot verschoning
kunnen strekken, evenmin kan men beöordeelen, of de ogenschijnlijk goede
daden altijd even zuiver in haar oorsprong zijn: en of die zoogenaamde
lijdende deugd haar tegenspoeden niet veelal aan zich zelve te wijten
heeft. Ik voor mij geloof niet aan die heel brave lieden, die tevens zoo
heel ellendig zijn: wanneer men hun geschiedenis wel kende, zoû men
dikwijls vinden dat de rampen, waarmede zij te worstelen hebben, haar
oorsprong hebben, in verkeerde, en vooral in domme streken, vroeger
gepleegd."
"Ik ben het in vele opzichten met u eens; maar ik bid u, zeg het niet
overluid; want wat werd er van het medelijden en van de liefdadigheid,
indien men zich gerechtigd achtte, elken behoeftige toe te voegen, dat
hij door eigen schuld ongelukkig ware?"
"Wel! mij dunkt, dat hij daardoor juist een dubbele aanspraak op ons
medelijden heeft."
"Ja; maar daar heeft hij weinig aan, zoo er de liefdadigheid niet bij
komt; doch--om tot ons onderwerp terug te keeren. Gij zoudt dus denken,
dat wanneer men haarklein iemands geschiedenis wist, men de bron der
wederwaardigheden, die hem treffen, altijd daarin zoû kunnen
terugvinden, even als men op een landkaart den oorsprong eener rivier
kan opsporen."
"Hou wat, gij keert mijn stelling om: en dat is mis. Even als de
oorsprong, dien gij zoekt, soms buiten de kaart gelegen zijn, even-zoo
kan de aanleiding van een ramp, die ons treft, van buiten komen; maar
ik heb beweerd, dat elke daad, die wij verrichten, tot de minste
onvoorzichtigheid toe, ons of onmiddellijk, of later, opbreekt, en dat
elke levensgeschiedenis, mids naar waarheid geschreven, ons daarvan
getuigenis geven zoude."
"Nu! ik zoû gaarne een zoodanige geschiedenis zien."
"Ik zoû gemakkelijk aan uw verlangen kunnen voldoen: wilt gij de
goedheid hebben, even aan de schel te trekken."
De meid kwam. "Fremmetje!" zeide Mejuffrouw Stauffacher, haar den
Sleutelring gevende: "ga eens op de boven-achterkamer. In de tweede kast
van het raam af, op de vijfde plank van onderen af, ligt een pakket, met
rood band omwonden: haal mij dat eens hier: maar denk er aan, de knippen
te sluiten, als gij de kast weer dicht-doet: en neem het koffiegoed maar
weg: Mijn Heer drinkt toch niet meer."
"Ziehier," vervolgde zij, toen zij het gevraagde uit de handen der
dienstmaagd bekomen had, "de geschiedenis, waar ik u van sprak. Hij, die
de hoofdpersoon er van uitmaakt, beging een kleine, zeer verschoonbare
onvoorzichtigheid, die voor hem een bron was van verdrietelijkheden en
ongenoegen: anderen, daarin voorkomende, begingen grootere dwaasheden;
en ook zij moesten er de gevolgen van dragen."
"En--de geschiedenis van de geschiedenis?"
"Gij weet, dat ik vroegere jaren eenigen tijd bij de familie A. als
gouvernante heb doorgebracht. Wij zagen dikwijls den Heer X., die aan
het hoofd stond van een bloeiend huis van negotie. Hij was daarbij een
groot minnaar en voorstander der letterkunde en hield er veel van, met
mij over de daartoe betrekkelijke onderwerpen te redeneeren. Eens dat
wij van romans spraken en ik mij ergerde over het onwaarschijnlijke der
meeste voorvallen, die ons in dat slag van werken worden opgedischt:
"_où trouvera-t-on le romanesque, si ce n'est dans les romans_," vroeg
hij lachende. "Ja!" zeide ik: "dat is even als de boef, die vroeg, waar
de valsche eeden toe dienden, als men ze niet gebruiken mocht?"--"Maar,"
vervolgde hij: "ik beweer, dat vele dingen, die ons in het dagelijksch
leven gebeuren, zoo vreemd, toevallig of zonderbaar zijn, dat zij, in
een roman vermeld, met den naam van onwaarschijnlijkheden zouden
bestempeld worden."
"_Le vrai peut quelquefois n'être pas vraisemblable_," zeide ik, maar
voegde er bij, dat het niet om een enkele onwaarschijnlijkheid, maar om
de opeenstapeling van onwaarschijnlijkheden was, dat ik de meeste romans
veroordeelde. "Nu!" zeide hij: "zoo ik op uw discretie staat kon maken,
zoû ik u een handschrift kunnen doen zien, eenige voorvallen behelzende,
die mijn eigen grootvader zijn overkomen, en waarin zoovele
toevalligheden en vreemde ontmoetingen voorkomen, als men die naauwlijks
in een roman zoû aantreffen."--Ik betuigde hem mijn verlangen om dat
handschrift te lezen: hij voldeed aan mijn wensen, en ik moest hem, na
de lezing, toestemmen, dat hij de waarheid gesproken had. Ik verzocht
hem afschrift er van te mogen nemen. "Daar heb ik niet tegen," zeide
hij: "op voorwaarde, dat gij het aan niemand laat lezen, althans in de
eerste veertig jaren niet; want er zijn te veel personen in gemoeid,
wier kinderen of kleinkinderen nog leven. Wat later gebeurt, kan mij
niet schelen: al wil men het uitgeven; want dan zullen de daarin
voorkomende portretten wel niet meer dan antiquiteiten zijn."
"Ik beloofde zulks en deed nog meer: ik veranderde al de namen, ten
einde niemand, die bij toeval het stuk in handen kreeg, zoû weten of het
waar, dan wel verzonnen ware. Nu zijn die veertig jaren om, en ik wil
niet, dat men het na mijn dood onder mijne papieren vinde: men mocht
eens denken, dat het eigen compositie ware. Neem het dus en handel er
meê naar welgevallen."
Ik aanvaardde met gretigheid het aangeboden geschenk, en las het, zoodra
ik te huis was, met belangstelling. Of echter de veranderingen, welke
het oorspronkelijke heeft ondergaan, zich alleen tot de namen bepaald
hebben, en of Mejuffrouw Stauffacher er niet hier en daar een weinig uit
haar eigen brein heeft tusschen gevoegd, wil ik niet beslissen. Het
laatste meen ik vooral daarom te moeten gelooven, omdat, schoon haar
naauwgezetheid zooverre is gegaan, dat zij alle jaartallen en _data_
heeft weggelaten, er hier en daar, bij toespelingen op bekende
gebeurtenissen, bij het schetsen van sommige zeden, gebruiken,
kleederdrachten enz., ja bij het doen van enkele aanhalingen, het een
of ander voorkomt, dat mij toescheen niet tot het tijdvak, waarin het
verhaalde voorvalt, maar iets vroeger of iets later te huis te behooren.
Ik had echter geene gelegenheid Mejuffrouw Stauffacher deswege nader te
onderhouden; daar ik haar niet weder alleen aantrof, en zij kort daarop,
tot bittere droefheid van haar vrienden, tot een beter leven werd
opgeroepen.
Ik was het geheele Handschrift vergeten, toen het mij, dezer dagen, bij
het opruimen van oude papieren onder de oogen kwam. Bij de herlezing
scheen het mij toe, dat wellicht diezelfde vreemde avonturen, met welker
lezing ik mij vermaakt had, ook bij anderen eenig belang zouden kunnen
wekken, en dat, na verloop van zoo vele jaren, geene zwarigheid meer
bestond, om de geschiedenis van den Heer Ferdinand Huyck (gelijk hij
door Mejuffrouw Stauffacher herdoopt is), wereldkundig te maken. Daar uw
naam echter meer dan de mijne in de letterkundige wereld bekend is, wend
ik mij tot u, met de vraag of gij de peetschap over het papieren kind
wilt op u nemen, overtuigd dat enz....
Uw vriend
P.
* * * * *
Dat ik aan het verlangen van mijn vriend voldeed, blijkt uit de
navolgende bladzijden. Ik beken echter, dat ik niet zoo volkomen gerust
ben omtrent de echtheid van het werk, als mijn vriend schijnt te zijn.
Ook heb ik Mejuffrouw Stauffacher niet zoo van nabij gekend als hij, en
durf dus niet beslissen, of haar waarheidsliefde zooverre ging, dat zij
nooit knollen voor citroenen verkocht: en somtijds rijst bij mij het
vermoeden op, of zij, ondanks haar betuigingen van het tegendeel, niet
eens in haar leven tot de verzoeking vervallen is van een roman te
schrijven en, hoewel huiverig om dien bij haar leven uit te geven,
echter heeft willen zorgen, dat hij na haar dood het licht zage. Wat
hiervan zij, ik geef het boek zoo als ik het ontvangen heb: en heb er
niets aan veranderd, zelfs de spelling niet; waaromtrent ik moet doen
opmerken, dat Mejuffrouw Stauffacher overal de klanklooze _e_ achter het
onbepalend lidwoord en veelal ook achter de _possessiva_ weglaat, tenzij
wanneer het eerste een telwoord wordt of wanneer de laatsten bijzonderen
nadruk vereischen. Zij schreef misschien niet volgens vaste regelen;
misschien meer dan zij zelve wist; maar zij volgde in allen gevalle haar
gehoor: en, voor zooverre men schrijven moet gelijk men spreekt, geef ik
haar daarin geen ongelijk.
DE UITGEVER.
* * * * *
EERSTE HOOFDSTUK.
WAARIN, ONDER MEER ANDERE WETENSWAARDIGE ZAKEN, HET PORTRET VAN DEN HELD
DEZER GESCHIEDENIS GEVONDEN WORDT.
Dikwijls, mijn kinderen! wanneer wij na afloop van den avond-disch een
naauwer kring om den haard sloten, en ik nog een laatste pijp stopte,
terwijl uw lieve grootmoeder, half wakend, half slapend, nieuwe hieltjes
aan de versletene kousjes der kleintjes breide, en een van u mij met een
vleiende stem toeriep: "och, grootvader! vertel ons nog eens wat van den
Carnaval te Venetiën, of van den Landgraaf van Hessen, of van de
Frankforter mis!" heb ik aan uw nieuwsgierigheid voldaan en u eenige der
belangrijkste episoden verteld van die reis, welke ik als jongeling door
Duitschland en Italiën deed: ja, zoo menigmalen hebt gij naar het
gepraat van den ouden man geluisterd, dat gij op het laatst mijn
ontmoetingen en wederwaardigheden zoo goed en beter kendet dan ik zelf,
en vaak, wanneer mijn door ouderdom eenigszins verzwakt geheugen te kort
schoot, mij de kleine bijzonderheden herinnerdet, welke tot aanvulling
mijns verhaals moesten strekken. Nimmer echter heeft een uwer mij
ondervraagd betreffende hetgeen mij na mijn terugkomst van die reize
overkomen is; waarschijnlijk omdat gij, wetende hoe kalm en gerust ik,
sedert mijn huwelijk, de dagen mijns levens in den schoot mijns
huisgezins gesleten heb, verondersteldet, dat ik, te huis komende, zoo
maar dadelijk een vrouw en een aanzienlijk vermogen gevonden had, en dat
geene zorg noch wederwaardigheid die dagen van kalmte was voorafgegaan.
Intusschen bedriegt gij u zeer: en het tijdvak, dat onmiddellijk op mijn
reis volgde, was het gewichtigste en, in zijn bijzonderheden, het
belangrijkste mijns levens. Dat ik er tot heden nimmer over gesproken
heb, en ik ook thans, in plaats van u de voorvallen, die daarin plaats
vonden, bij monde mede te deelen, die in geschrifte stel, ten einde gij
die na mijn dood zoudt kunnen te weten komen, moet gij niet aan een
dwaze gril toeschrijven: ik had daar een gezonde reden toe. De
gebeurtenissen, waarbij mij de omstandigheden een werkzame rol deden
spelen of wier invloed zoo krachtdadig op mijn volgenden levensloop
werkte, waren van dien aard, dat zij deels uw jeugdig verstand te boven
gingen, deels voor uw grootmoeder te droevige herinneringen opwekten:
ja, ik zou die geheel aan de vergetelheid opgeofferd hebben, ware het
niet, dat gij, naar ik mij voorstelde, bij het vorderen in jaren,
daaruit nutte les en leering zoudt kunnen trekken. Ik heb derhalve mijn
herinneringen, zooveel in mij was, bijeenverzameld, ten einde niets te
vergeten van hetgene in verband staat met de lotgevallen, welke de
navolgende bladen zullen behelzen. Ofschoon ik voor u schreef, en u
steeds gedurende mijn arbeid voor oogen had, heb ik, ter vermijding der
verwarring, welke door het gebruik der tweede persoon zoo licht ontstaan
kon in een verhaal, waarin zoovele samenspraken zijn ingelascht, dat
verhaal zoodanig ingericht, als schreef ik voor dat groote publiek,
jegens hetwelk men, uit eerbied, altijd de derde persoon moet bezigen,
en welks welwillendheid ik, (die niet weet hoe het t' avond of morgen
dit geschrijf onder de oogen krijgen kan) bij dezen inroep.
* * * * *
Het was in den zomer van het jaar 17.., dat ik, na een afwezigheid van
twee jaren, den vaderlandschen grond weder betrad. Een oudoom van mij,
die te Leiden woonde, bij wien ik, gedurende mijn academiejaren,
dagelijks aan huis verkeerde, en die voor het einde mijner studiën
overleed, had mij een vrij aardig sommetje gelegateerd, onder
voorwaarde, dat ik daarvoor een reis naar Italiën zoude doen, iets
hetwelk bij bij zijn leven altijd hoogstnoodzakelijk placht te stellen
om de jeugd te vormen. Hij zelf was nooit verder dan den Haag geweest en
zeide altijd, dat het hem speet; ofschoon ik de reden nog niet begrijp,
welke hem, die ongehuwd en onafhankelijk was, heeft kunnen terughouden
van datgene te doen, wat hij anderen aanprees.
Verschillende oorzaken hadden medegewerkt om mij langer te doen
uitblijven, dan ik oorspronkelijk van meening geweest was, en onder die
oorzaken waren de navolgende de voornaamsten. Tusschen het handelshuis
van Bempden van Baaien en Co. te Amsterdam en een ander huis te Livorno,
hadden, sedert een geruimen tijd, over een netelige handelsquaestie,
briefwisselingen bestaan, welke tot geen beslissing leidden. Daar nu een
mijner Tantes in het eerstgenoemde Huis een groot gedeelte van haar
vermogen had zitten, schreef zij mij, of ik ook kans zou zien, de zaak
gedurende mijn verblijf in Italiën in het effen te brengen. Ik had, hij
geluk, juist kennis gemaakt met een der deelgenooten der Livornoosche
firma en, bij nog grooter geluk, zijn gunst en vertrouwen gewonnen;
zoodat ik, minder ten gevolge mijner bekwaamheden als gevolmachtigde,
dan omdat ik met een rekkelijk man te doen had, die rede wist te
verstaan, volkomen mocht slagen in het ter stand brengen eener
schikking, waarmede beide partijen tevreden waren.--Hiermede echter
was, hoe vlot het ook ging, toch altijd een vrij lange tijd verloopen.
Mij een paar maanden later te Napels bevindende, ontmoette ik den Jonker
van Ypendael, een hoogst beminnelijk jongeling, die, even als ik, voor
zijn genoegen reisde en wiens kennismaking mij ten uiterste welkom was.
Wij vormden het besluit, onze reis gezamentlijk voor te zetten. In
Siciliën overviel hem een kwaadaardige ziekte, welke van langen duur
werd en waaruit hij slechts langzaam herstelde. Het spreekt van zelf
dat ik mijn vriend en reisgenoot niet verliet en hem, zoo trouw ik kon,
oppaste en verzorgde; maar dit onvoorziene toeval vertraagde mijn
terugkomst opnieuw.
Des te zoeter was, na een zoolang uitblijven, ons beider gevoel, toen
wij voor het eerst weder, over Munsterland teruggekeerd, de moedertaal,
al was het dan ook met den Overijselschen tongval, hoorden spreken; en
met aandoening was ik een dag later getuige van de heuglijke vereeniging
mijns reisgenoots met zijn familie, die een Ridderhofstad aan gene zijde
van Amersfoort bewoonde. Ondanks mijn vrij natuurlijke begeerte om mijn
weg zonder oponthoud te vervolgen, ten einde hetzelfde geluk te smaken,
dat mijn vriend was te beurt gevallen, kon ik zijn dringend aanzoek niet
weêrstaan, om nog dien dag met hem te blijven doorbrengen en deel te
nemen in het vrolijke familiefeest, waarop zijn behouden terugkomst
gevierd werd en hetwelk volgens de uitdrukking der blijde ouders, niet
volkomen zou zijn, indien de reisgenoot van hun zoon er aan ontbrak en
zij de gelegenheid moesten missen om mij te bedanken voor de trouwe
verzorging van hun Eduard. Ik kan niet anders zeggen of,
niettegenstaande mijn gedachten meestal te Amsterdam waren, ik deed eer
aan het maal en vergastte mij recht op de zoo lang ontbeerde
dorperwtjes, op het heerlijk rundvleesch en de geurige fruit, die mij
werden toegediend; want welke voordeelen ook de Hoogduitsche keuken moge
hebben, ik gaf toch aan den Hollandschen pot de voorkeur en groette
elken mondvol, dien ik nam, met hetzelfde vermaak, waarmede ik een lang
gemisten vriend de hand zou gedrukt hebben.
"Kom, nog een glas borgonje!" riep mij de oude, dikke landedelman toe,
terwijl zijn bolle wangen gloeiden van het geluk dat hem de wederkomst
van zijn zoon verschafte, en van de herhaalde offers, aan Bacchus
gebracht: "Deze wijn kan u geen kwaad: hij is van het echte merk en niet
van die zure clairetwijnen, waar men in mijn jongen tijd niets van af
wist, en waarmede men ons nu in de kleêren wil steken. Kom, mijn jongen!
de gezondheid van uw vader! Lang moge hij leven, tot heil van Amstels
burgerij, en tot handhaving der goede Justitie!"
"Van harte gaarne!" zeide de oudste broeder mijns vriends, zijn glas
vullende: "en dat hij er spoedig in moge slagen, dien gevreesden Zwarten
Piet meester te worden, die, gelijk men zegt, de verstrooide bende van
wijlen Jaco heeft vereenigt en er het Sticht mede afloopt.
"Wel zoo!" zeide lachende Eduard, "wilt gij die eer aan onze Stichtsche
Baljuwen niet gunnen? Is dat nu een wensch voor den erfgenaam eener
Heerlijkheid, welke het recht van hooge en lage jurisdictie bezit?--maar
genoeg daarvan: Moeder schudt het hoofd en Leentje wordt bleek, wanneer
wij zoo van dieven spreken. Ik laat den Hoofdschout daar, Ferdinand! en
drink de gezondheid uws vaders."
"En dezen dronk," vervolgde de Baron, zijn geledigd glas weder vullende,
"wijde ik uwer brave moeder!"
Het was reeds de derde reis, dat de goede man al de leden mijner familie
met zijn toasten (gelijk men die thans noemt) was rondgegaan: en ik
begon te vreezen, dat de gezondheid van de mijnen mij nog ziek zoude
maken: ik verzocht dus, zoodra ik mijn glas geledigd had, om verlof, van
mij naar mijn kamer te mogen begeven, tot verschooning bijbrengende, dat
ik den volgenden dag, wilde ik nog met den avond te huis zijn,
vroegtijdig vertrekken moest.
"Het blijft dan uw vast besluit ons morgen te verlaten?" vroeg de oude
Heer.
"UEd. kan zelve beöordeelen, of ik mijn vertrek langer mag uitstellen."
"De jonge heer heeft gelijk," zeide mevrouw van Ypendael: "en hoe gaarne
wij langer zijn gezelschap zouden willen genieten, mogen wij hem echter
niet tegen zijn zin hier houden; daar wij aan ons eigen hart kunnen
gevoelen, hoezeer zijn familie naar zijn terugkomst verlangen moet. Wij
zonden het ook niet aardig gevonden hebben, indien men onzen Eduard
langer van huis gehouden had."--Met deze woorden drukte zij de hand van
haar teruggekeerden lieveling.
"Gij hebt wel gelijk, moeder!" zeide deze, haar omhelzende: "ik vind mij
nu zoo gelukkig: en zou ik dan mijn vriend beletten, dat zelfde geluk
zoo spoedig mogelijk te smaken?"
"En hoe denkt gij de reis te doen?" vroeg mij de Baron.
"Mijn voornemen is, te voet tot Naarden, en verder per schuit te gaan."
"Te voet!" zeide de oude Heer, lachende: "gij zijt, dunkt mij, ook van
de leer: haast u langzaam. Verbruid! ware ik in uwe plaats, en de zoon
van een rijken Amsterdammer, ik nam te Amersfoort een wagentje bij Jan
Stoffelsz, die rijdt flinke paarden: en dan: voort koetsier! den zweep
er over gelegd en dubbel drinkgeld zoo gij dubbelen spoed maakt."
"Ik geloof," merkte glimlachende de oudste zoon aan, "dat onze vriend
Ferdinand een kleine huichelaar is, en als een apostel bij zijn vader
te huis wil komen, om hem te doen denken dat hij op zijn gansche reis
altoos zoo zuinig op zijn _équipage_ geweest is."
Ik glimlachte en zweeg; want ik achtte het onnoodig, de ware reden
mijner handelwijze bloot te leggen, namelijk dat ik geen geld genoeg
meer bij mij had, om de onkosten van een rijtuig te dragen; want van den
laatsten mij gezonden wissel op Munster had ik geen gebruik gemaakt, in
den waan, dat hetgeen ik nog aan contanten overig had, toereikende zoude
zijn om mij tot Amsterdam te brengen. Het bleek mij echter dat ik mij
verrekend had; maar ik was nu te trotsch of te beschroomd om geld van
mijn gastheer ter leen te vragen, en evenmin wilde ik een rijtuig op
crediet nemen en bij mijn thuiskomst beginnen met mijn vader te
verzoeken, het rijtuig te betalen: iets, dat hem voorzeker slechte
denkbeelden van mijn wijze van huishouden zou hebben ingeboezemd; want
hij was geen vriend van onnutte geldverteringen; en ofschoon ik geloof,
dat hij bij deze gelegenheid de kosten van een rijtuig zou verschoond
hebben, wilde ik echter geen gevaar loopen van een vermaning. Bovendien
kende ik den zandigen weg van Amersfoort tot Naarden; en ondanks den
lof, door den Heer van Ypendael aan de paarden van Jan Stoffelsz
gegeven, wist ik zeer wel, dat wij de grootste helft stappende zouden
afleggen, en dat ik te voet omtrent even spoedig, en zeker op een veel
aangenamer wijze, mijn doel bereiken zou.
"Nu," zeide de Baron: "een mensch zijn zin, een mensch zijn leven;
--maar het eind is toch wat ver om geheel te loopen: wij zullen u van
hier naar Amersfoort laten brengen!... ik denk dat Eduard zich daarmede
wel zal willen belasten, zoo ik er hem vriendelijk om verzoek."
Dit aanbod was te heusch om afgeslagen te worden. Na het drinken van een
afscheidsdronk, en nog, tot slotte, van een glas cognacq, hetwelk de
Heer van Ypendael zijn slaapmutsje noemde, werd het mij vergund den
aftocht te blazen.
Den volgenden morgen te vijf ure, terwijl het geheele huisgezin nog in
de armen der rust lag gedompeld, zat ik reeds met Eduard in een
wagentje, met twee vlugge hitten bespannen, die ons met een prijselijken
spoed naar Amersfoort brachten. Na elkanderen herhaalde reizen
gezondheid te hebben toegewenscht en onder belofte van briefwisseling,
namen wij afscheid: hij keerde met zijn voertuig terug, in de hoop van
de familie aan het ontbijt te vinden, en ik zette eenzaam mijn weg voort
tusschen de bevallige bosschaadjen, aan weêrskanten van den weg gelegen.
Het was een heerlijke morgen; ja zelfs, voor een voetganger, al te fraai
weêr. Er was weinig of geen wind: de lucht begon, naarmate het verder op
den dag werd, meer heet en drukkend te worden, en was met die soort van
spakerige nevelachtigheid bezwaard, welke niet zelden het voorteeken is
van een verandering in den dampkring. Ten noordwesten stapelden zich
dikke wolken op elkander, en eenige zeevogels, die krijschende
rondzwierden, schenen zoovele boden, uitgezonden om zwaar weêr aan den
landbouwer te verkondigen. De zon was bloedrood, en haar stralen,
stekend als breinaalden, hadden het zand van het rulle voetpad als in
gloeiende asch herschapen. Groote zweetdruppels biggelden tappelings
langs mijn wangen af, en, wanneer ik het oog op de verwijderde buien
vestigde, zag ik met welgevallen den regen te gemoet, die de dorstige
aarde laven en mijn pad wat gemakkelijker maken zoude. In afwachting
daarvan, stapte ik echter rustig voorwaarts, en ik geloof zonder
ijdelheid te kunnen zeggen, dat ieder landman, die mij met een vasten en
gelijken tred zijn hoeve zag voorbijgaan, wel dadelijk bespeuren kon,
dat een voetreis geen ongewone zaak voor mij was, en dat ik niet tegen
de ongemakken opzag, die haar gemeenlijk vergezellen. Ik vergat dan ook
de moeielijkheden van den weg, zoo dikwijls ik herdacht, dat elke stap,
dien ik nederzette, mij nader bracht bij de voorwerpen mijner
kinderlijke liefde, bij mijn welbeminde broeders en zusters, bij de
vrienden mijner kindsheid en bij dat dierbare Amsterdam, hetwelk ik in
zulk een geruimen tijd niet aanschouwd had. Aangename gedachten brengen
bij den onbedorven mensch altijd welwillendheid voort: ik althans voelde
mij hoe langer hoe meer gestemd om alles, wat mij ontmoette of
bejegende, met hartelijkheid te behandelen: ik had een blijden groet
over voor elken boer of daglooner, die langs den weg zijn zomerarbeid
verrichtte, een paar duiten voor ieder kind, dat op de bloote voeten
voor mij uitliep en over de greppen duikelde om mijn liefdadigheid op te
wekken, en een scherts voor het frissche landmeisje, dat mij tegenkwam
en soms nog, lang nadat ik voorbij was, het hoofd omwendde, met dien
half verwonderden, half spottenden lach, welken alle eenigszins vreemde
kleederdacht bij onze landgenooten gewoonlijk verwekt. En in de daad, ik
moet bekennen dat mijn uiterlijke tooi niet van dien aard was, dat ik er
hoog op roemen kon, en in het oog van de zoodanigen, die alleen naar het
gewaad de lieden beöordeelen, zeer moest afsteken tegen de nette en
zwierige kleedij der stedelingen van dien tijd: ja, dat ik bij de eerste
beschouwing veel had van een eenvoudigen marskramer. De stoffaadje van
mijn gewaad was fijn, maar helaas! door lang gebruik zoodanig versleten,
dat niets van hetgeen ik droeg de blijken toonde van ooit nieuw te zijn
geweest. Mijn hoed, op zijn Spaansch, met breede slappe randen voorzien,
die mij ten zonnescherm strekten, was van leder, dat eenmaal zwart
geweest was, maar door zon en regen met een roze-roode kleur begiftigd
geworden, en hier en daar met enkele bruine en gele vlekken getijgerd.
Mijn rok, van uitlandsch fatsoen en zonder eenig galon of borduursel,
had insgelijks van den invloed der luchtgesteldheid geleden, en droeg
bovendien de kenmerken van lange en trouwe diensten; want menige knoop
had zijn post verlaten: en aan de ellebogen en opslagen zag men kale
plekken van een geheel andere kleur dan die, welke den grond der
stoffaadje uitmaakte. Het kamizool, dat van witte zijde was, met groene
vlaszijde geborduurd, had volkomen het aanzien, als ware het van een
verkooping op de Noordermarkt afkomstig; maar daaronder blonk hetgeen ik
altijd gewoon ben geweest als het echte kenmerk eens beschaafden mans te
beschouwen, namelijk het heldere hemdslinnen dat, dank zij mijn moeder,
die het uit twintig stukken uitgezocht had, zoo fijn was, als men ergens
bekomen kon, en zoo blank, als het stuivende stof toeliet, dat reeds
mijn witte kousen en hooge schoenen bedekt had met die roodaardige
kleur, welke aan het zand in die streken eigen is.
Een plunje als de mijne was niet geschikt om eenigen struikrover in
verzoeking te brengen: ik had dan ook de pistolen en den degen, die mij
op onze uitstapjes in Duitschland trouw vergezelden, bij mijn bagaadje
gelaten, welke met den bolderwagen van Deventer op Naarden reisde, en
meende tegen de gevaren, die ik van Amersfoort tot Naarden te vreezen
mocht hebben, en waaronder ik de ontmoeting van een dollen hond als de
ergste rekende, genoegzaam beveiligd te zijn door den kneppel, dien ik
over den rechterschouder droeg en waar aan een pakje bungelde, bestaande
uit mijn nachtgoed en eenige andere onontbeerlijke benoodigdheden, in
een bonten doek te zamen geknoopt.
Ik sta met opzet bij deze bijzonderheden stil, die wellicht onbeduidend
zullen schijnen; maar die mij toch voorkwamen vermeld te moeten worden,
tot beter verstand van hetgeen verder volgen zal. Ik durf er (want op
mijn leeftijd kan het aan geen ijdelheid worden geweten) nog dit
bijvoegen, dat, zoo mijn uitlandsche en sobere opschik aan de meisjes
een lach afdwong, het mij somtijds toescheen, als of mijn persoon zelve
haar anders niet mishaagde: ik was groot en sterk van gestalte: mijn
kloeke lichaamsbouw gaf mij, ofschoon ik werkelijk jonger ware, het
voorkomen van reeds boven de vijf-en-twintig jaren te zijn; mijn gelaat,
ofschoon geroost door den invloed van zon en lucht, prijkte met den
frisschen blos van jeugd en gezondheid: mijn tanden, die ik tot heden
toe goed bewaard heb, hadden toen bovendien het voorrecht, van blank en
welgeplaatst te zijn: en, naar de getuigenis van anderen, waren mijn
lichtbruine oogen geheel niet van levendigheid ontbloot en
onderscheidden zich ten minste door een niet onaangename uitdrukking van
goeden luim en welwillendheid. Wat mijn haren betreft, zij waren blond,
en ofschoon helaas! bestemd om bij mijn komst te Amsterdam door de
schaar des kappers te worden afgemaaid, en voor een gekrulde paruik
plaats te maken, zij golfden nog op dien ochtend in hun natuurlijken
staat over mijn schouders en deden mij konnen als een onverbasterden
afstammeling van het echte Noordsche ras.
Ik stapte dan, gelijk ik gezegd heb, vroolijk vooruit, met de vrij
zekere overtuiging van tijdig genoeg binnen Naarden te zullen komen,
om met de laatste schuit van daar naar Amsterdam te kunnen vertrekken.
Immers het was vroeg in den morgen, en de afstand naar genoemde vesting
was zoo groot niet, of ik kon dien op mijn gemak afleggen, zelfs al
dwong mij een regenbui, of vermoeidheid, of honger, hier en daar
onderweg een uurtje te vertoeven.
Wat de laatste der drie genoemde redenen van oponthoud betreft, deze
begon zich alreeds bij mij te doen gevoelen. Ik had bij mijn vertrek
van de Ridderhofstad niets gebruikt, omdat het mij nog te vroeg was,
en te Amersfoort had ik mij vergenoegd, een hartsversterking tegen de
morgenlucht te nemen. Het was dus niet zonder eenig innig genoegen, dat
ik de torenspits van Zoest in het vizier kreeg, en dadelijk was mijn
besluit genomen, om in dat dorp een oogenblik uit te rusten en eenige
verversching te gebruiken.
Weldra vergunde mij een bocht, welke de weg daar ter plaatse maakt,
om het geheele lichaam der kerk te zien, en mij te verlustigen in den
aanblik van het lachende en bevallige schouwspel, dat zij vooral van
dien kant oplevert. Oogverblindend stak de grijze en eerwaardige
vierkante toren, met zijn hooge spits, door het schelle licht der
morgenzon beschenen, tegen de donkere lucht daar achter af, en tegen
de groene hoornen, die het gebouw omringden; terwijl de heuvelachtige
grond, die mij nog van het dorp scheidde, met goudgeel koren of
sneeuwwitte boekweit bedekt, niet weinig toebracht om de bekoorlijkheden
van dit landgezicht te vermeerderen. Ik was nimmer een enthusiast; maar
de aanblik der schoone, eenvoudige natuur heeft altijd een diepen indruk
op mij gemaakt en thans ook gevoelde ik mij getroffen, zonder zelf te
weten waarom: ik geraakte in een stille, eerbiedige stemming en ik
wischte mij een traan uit het oog, toen ik het dorp binnentrad.
Deze gemoedsgesteldheid was echter spoedig geweken, toen ik de
voornaamste herberg in het oog kreeg: deze bevond zich op den hoek van
een driesprong, welke de hoofdstraat met een zijweg vormt, en was
kenbaar aan een vooruitstekend uithangbord van ijzer, rijkelijk met
krul- en snijwerk voorzien, en tot leuze een geschilderden zwaan
voerende, met het gebruikelijk onderschrift: _vrij wijn en meê_. Eenige
krebben, die tegenover den ingang stonden, en een houten stalling, die
naast het huis was opgeslagen, gaven bovendien te kennen, dat men hier
zoowel te voet als te paard welkom was en verversching bekomen kon. Ook
zag ik in de daad een niet gering aantal boerewagens en karren
uitgespannen op het plein staan, terwijl een magere oude knol bezig was
zijn honger te stillen met het frissche gras, dat hem in eene der
voorgezette krebben werd toegediend. Genoemd dier was gespannen voor een
ouderwetsche koetskar, met linnen huif, tegen welk voertuig een groot
manspersoon aanleunde, wiens gelaat van mij was afgewend en bovendien
overschaduwd door een hoed met afhangende randen, die eenige
familietrekken had met den mijnen. Een lange roode mantel met opstaanden
kraag dekte zijn ledematen en schitterde in de zon, gelijk een vurige
oven. Hij scheen zachtjes te praten met iemand die zich binnen in de kar
bevond, maar dien ik niet zien kon, vermids ik het rijtuig van achteren
naderde. Voor 't overige kan ik niet zeggen, dat ik er zeer nieuwsgierig
naar was, daar mijn gedachten voor het oogenblik meer bezig waren met
het ontbijt, hetwelk ik mij had voorgesteld _binnen_ de herberg te
gebruiken, dan met den reiziger, die zich daar _voor_ bevond, en ik
verwaardigde dezen dan ook met niet meer dan een oppervlakkigen blik,
terwijl ik mij haastte de hand aan de klink van de deur te slaan, en de
herberg binnen te treden.
* * * * *
TWEEDE HOOFDSTUK.
WAARIN MEN LEZEN ZAL, WAT IN EN VOOR DE HERBERG TE ZOEST VOORVIEL.
Ik vond hier meer personen bijeen, dan ik reden had op dat uur van den
dag te verwachten. Immers, de kerkklok had slechts even negen geslagen
en er moest dus een bijzondere reden bestaan, welke de in de herberg
aanwezige lieden derwaarts had gelokt op een tijdstip, dat men hen
veeleer aan hun arbeid zou verwacht hebben. Het was dus natuurlijk dat
ik, na een algemeenen "goeden morgen samen!" in 't rond gewenscht te
hebben, naar de toonbank stapte en aan de aldaar post houdende dochter
des huizes (een frissche, knappe deerne van ongeveer twintig jaren, die
blijkbaar in haar zondagspak was uitgedost, met zilveren oorijzers en
een halssnoer van dikke bloedkralen) de aanmerking maakte, dat er al
vroeg volk in de herberg was.
"Dat 'eleuf ik wel, koopman!" antwoordde het meisje, terwijl zij, zonder
naar mij om te zien, voortging met voor haar gasten een paar hooge
glazen met schuimend bier te vullen: "je zult het ook wel 'eroken
hebben, wat hier van daag te doen is."
Ik was op het punt van mijn volslagene onbewustheid van de oorzaak der
vereeniging te kennen te geven, toen een papier mijn oogen trof, hetwelk
tegen den gemenieden wand aan een spijker hing en waarop een schoof als
titelvignet en de woorden: _segt het voort_ in groote letteren als
onderschrift prijkten: ik begreep dus, dat hier een graanveiling of iets
diergelijks plaats moest hebben, en, mijn onderzoekingen niet verder
voortzettende, eischte ik een boterham met kaas en een glas koude
karnemelk: vervolgens, mij omwendende, zette ik mij, in afwachting van
het bestelde, aan het benedeneinde eener lange tafel, die tegen het raam
geplaatst was, en nam de aanwezigen in oogenschouw.
Naauwlijks echter had ik den tijd gehad om op te merken, dat het
boveneinde der tafel was ingenomen door een dikken, wel doorvoeden
landman, wiens groen damasten vest met bloemen, ruim gesneden rok van
bruine sergie en zilveren broeksknoopen aantoonden, dat hij tot de
vermogendsten van zijn stand behoorde; terwijl mijn overbuurman
daar-en-tegen er vrij schraal en verloopen uitzag,--toen mijn ooren
gekweld werden door een piepend geschreeuw, van: "phijpedoppies!
deursthekers! zoek thoch maar huit, khoopman! Hik 'ep nog gheen 'andgift
ghehad vandhaag, zoo waar zelje ghesond blijven!"
Ik wendde mij om en zag een Joodschen kramer achter mij staan, dien ik
nog niet had opgemerkt. Waarschijnlijk had hij in een hoekje of bij den
haard gezeten, en was hij bij mijn komst opgerezen, om te zien of hij
iets aan mij slijten kon.
"Ik dank u, vriendje!" zeide ik, na hem ter loops te hebben aangezien:
"ik heb niets noodig!" en om hem zooveel mogelijk te toonen, dat ik geen
plan had mij verder met hem op te houden, draaide ik mij van hem af, en,
de ellebogen op de tafel plaatsende, ondersteunde ik mijn hoofd met
beide handen, in de houding van iemand, die niet verlangt gehinderd te
worden.
"Nha doch!" zeide de Jood, de dunne, magere vingeren zijner
rechterhand, welke de kettinkjes van een dozijn pijpedopjes vasthield,
door de opening tusschen mijn hoofd en mijn arm heenstekende en mij vlak
voor den neus brengende: "laat ik je toch maar een dhozijntje verkoopen.
Gheen deit rijk, zoowaar zelje ghezond blijven: en ik mot vandhaag nog
ver reizen."
Wetende uit ondervinding, hoe weinig het baat zich over dergelijke
onbescheiden aanzoeken boos te maken of er tegen in te spreken,
vergenoegde ik mij met mijn voorarm te buigen en door een soort van
_contramanoeuvre_ tusschen mijn gezicht en de hand des kramers te
brengen, waardoor ik de pijpedopjes weder van mij verwijderde.
"Nha! al duwje me therug, dhaarom zelje toch ghesond blijven," hernam de
Jood, met de vasthoudendheid aan lieden van zijn beroep eigen: "motje
gheen halmenakkie 'ebben? gheen scharen, messen of photloodjes?"--En, in
de plaats van zijn hand, wist hij nu het geheele marsje, dat hij voor
hem droeg, tegen mijn borst aan te werken, zoodat ik mij wel genoodzaakt
zag, mij geheel naar hem toe te keeren en hem vriendelijk te verzoeken,
mij met vrede te laten. "Waarlijk, goede vriend!" zeide ik: "ik heb
niets van uw kraam noodig: ik ben immers zelf maar een arme reiziger, en
zal nog werks genoeg hebben, om met het beetje gelds, dat ik bij mij
heb, toe te komen en de stad te bereiken."
Onder het uiten dezer woorden had ik den Jood naauwkeuriger beschouwd,
en meende mij nu flaauw te herinneren, dat ik hem vroeger,
waarschijnlijk wel te Amsterdam, had ontmoet. Ik was weldra zeker, dat
ik dien man, met dat olijfkleurige gelaat, dat hooge, smalle voorhoofd
en dien bruinen gelapten tabberd van saai meer gezien had, maar nooit te
voren had ik acht gegeven op de zwarte en levendige oogen, die op het
hooren mijner taal een kluchtige uitdrukking van ongeloof aannamen,
terwijl zijn dunne lippen zich vertrokken tot iets dat op een glimlach
geleek.
"Khom!" zeide hij: "Je spot immers er meê: je zoudt gheen gheld, 'ebben:
nha doch! 'et dhoet er niet toe. Khijk, ep je gheen gheld, je ept
krediet: en dat's veel gheseid in dhesen tijd van de hactie'andel! Daar
ep je een dhozijntje: je zelt me morghe of overmorghe wel bethalen, as
je in de stad zult sthaan te zijn gekhomen, dat weet ik ommers best.
Simon heit krediet voor je vhaders zhoontje."
"Vandaag of morgen is 't zelfde," zeide ik, de pijpedopjes, die hij op
tafel gelegd had, weder naar hem toeschuivende: "ik rook niet."
"Niet, koopman?" vroeg de waard, een dikke, stevig gebouwde kaerel, met
een vrolijk aangezicht, die, even naar den kelder geweest zijnde, juist
weder binnen was gekomen, en met een pijp in de hand naar mij kwam
toegetreden: "ik woû je juist een pijp aanbieden."
"Ik dank je," zeide ik, (want ofschoon ik later die gewoonte weder heb
aangenomen, ik was op mijn reis, bij mangel aan goeden tabak, het rooken
afgewend): "maar ik heb wat eten en drinken besteld, zou dat haast klaar
zijn?"
"Toe dan, Mientje!" zeide de waard, zich omkeerende, "waar blijft het
ontbijt voor den koopman?"
"Zoo aanstonds," antwoordde de dochter: "wil je er beschuit op hebben,
koopman? of verkies je nagelhout?"
"Wel!" hernam ik: "laat ons van allebei eens proeven: maak er mij maar
twee."
"Messen!--scharen!--khurkhetrekkers!--khammen!" vervolgde de Jood, met
een pause tusschen elk voorwerp, dat hij opnoemde: "of... wil je liever
kurieuser whaar: je bent toch een ghesthudeerd jong mensch... hik 'ep
hook mooie poekkies: 'ier is de Arlekhijn Haksinischt!... 't plijspel
van Khinkampoeis![1] de leste woorden van Saco, toen ie op 'et schavot
stond."
Er was geen middel van hem af te komen, zonder in de beurs te tasten. Ik
liet mij dus overhalen om mij een kurketrekker aan te schaffen, al ware
het maar om te kunnen zeggen, dat ik een Grieksch testament[2] van een
Jood gekocht had. De koop was spoedig gesloten, en ik betaalde zonder
afdingen den gevraagden prijs, ofschoon de innerlijke waarde van het
voorwerp verre te bovengaande, onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat
mij de kramer met geene verdere aanbiedingen zou lastig vallen.--Mijn
edelmoedigheid was mij niet nadeelig, gelijk men terstond zal
gewaarworden.
"Ghelik er meê!" zeide Simon, terwijl hij mij het gekochte voorwerp ter
hand stelde: "maar phas op," voegde hij er fluisterend bij, "dat je een
mhes vraagt bij je hontbijt en je niet bhedient van 't ghenige dat dhaar
sthaat."
"Hoe!" zeide ik met eenige verbazing,--maar, toen ik met de oogen den
blik des raadgevers volgde, vielen zij op een mes, hetwelk mijn
overbuurman, van wiens ongunstig uitzicht ik zoo even gewag maakte, kort
te voren met de punt midden in de tafel had gestoken. Te gelijker tijd
herinnerde ik mij, meermalen gehoord te hebben, hoe sommige liefhebbers
van het edele bekkesnijden, bijzonder in Eem- en Gooiland, gewoon waren
hun messen in herbergen en kroegen op een zichtbare plaats op te hangen,
of in de tafel te steken, en den onkundigen of onvoorzichtigen
vreemdeling, die er zich van bedienen wilde, of er slechts even naar
keek, tot een gevecht te dagen. Ik dankte dus met een bijna onmerkbaar
knikje den goeden Jood voor zijn tijdige waarschuwing, welke mij
toescheen ruim op te wegen tegen den voor den kurketrekker betaalden
prijs: en ik gevoelde daarvan het dubbel belang, toen ik, na mijn
ontbijt uit de handen van Mientje te hebben bekomen en een mes daarbij
te hebben gevraagd, op het gelaat van mijn overbuurman een trek van
ontevredenheid zag oprijzen. Ik heb het afbeeldsel van dezen kwant nog
niet gegeven: en echter verdient hij wel, dat ik een oogenblik daarbij
stilsta: hij had, gelijk ik reeds met een enkeld woord aanstipte, een
afzichtelijk voorkomen: lange, sluike haren, wier kleur men raden moest,
hingen hem van onder een ruige muts op de schouders: zijn oogen hadden
den gluipenden blik der hyena en waren van wenkbraauwen en ooghaartjes
bijna geheel onvoorzien; zijn wijde mond, die, door de gewoonte van een
kort pijpje bestendig aan denzelfden kant tusschen de lippen te klemmen,
geheel scheef was getrokken, opende zich nu en dan tot een grijnzenden
lach, die een alleronaangenaamsten indruk verwekte; of onze maat een
neus had of niet, kon met reden tot het onderwerp eener weddingschap
gestrekt hebben, zoovele naden en kruislijnen van lidteekens
(overblijfselen van vroegere gevechten) vereenigden het vormelooze
stompje boven den mond met de wangen en de bovenlip. Dit beminnelijk
wezen was half op zijn boersch, half op zijn zeemans gekleed, met een
blaauw duffelsch buis, vol lappen en winkelhaken, een vest zonder
knoopen, hetwelk den ruig bewassen boezem geheel bloot liet, een wijde
visschersbroek, opgehouden door een zwart lederen gordelriem, waarin een
messcheede van robbevel stak, wollen kousen, en holsblokken aan de
voeten.
Waarschijnlijk had hij verwacht, dat ik hem de gelegenheid tot ten klein
snijpartijtje zoude verschaft hebben, en reeds, als een tijger in zijn
hinderlaag, zitten loeren, of ik ook onbedachtzaam het voor hem geplante
wagentuig zoude aangrijpen. Zijn teleurstelling althans, toen hier niets
van kwam, bleek mij te groot te zijn, dan dat hij zou kunnen gezwegen
hebben: de uitdrukking, die zijn gelaat aannam, wekte mijn
opmerkzaamheid en trok mijn aandacht af van het gesprek, dat baas
Roggeveld voerde, die juist bezig was te verhalen, hoe hij van Peer de
Groot tien lakenveldsche koeien gekocht had voor fl 80 het stuk. De
varensgast nam het pijpje uit den mond, blies een dikke rookwolk weg,
sloeg het glaasje brandewijn, dat hij voor zich had staan, in eene teug
naar binnen, en vroeg mij, na deze voorbereiding, waarom ik mij niet
bediend had van het mes, dat voor mij stond.
"Ik had het niet gezien," zeide ik op een onverschilligen toon: "en
bovendien heb ik gaarne een mes voor mij alleen."--Dit gezegd hebbende
ging ik met eten door, zonder den kwant verder aan te kijken.
"Niet gezien!" herhaalde hij met een gemeenen vloek: "en waar hieldje
dan zoo even je kluisgaten op gericht? 't is mijn mes, voor den d....!"
vervolgde hij, met de geslotene vuist op de tafel slaande, en zijn stem
hoe langer hoe meer uitzettende, als dacht hij mij daarmede schrik aan
te jagen: "en wie er naar kijkt, die kan met mij aan den gang komen,
daar valt niet van, voor den....! Jij hebt er naar gekeken, en as je
boterham binnen is, dan zullen we eens zien, of je voor je boeg kunt
zorgen."
Deze forsche uitdaging verwekte een plotslinge stilte bij de aanwezige
boeren, die, in goede eendracht bijeen zittende, bezig waren over den
prijs der granen en andere onderwerpen van hun gading te spreken. Aller
oogen vestigden zich op den matroos (want daarvoor moest ik hem aan zijn
taal houden) en vervolgens op mij, met die belangstelling, welke een
twist als deze nimmer nalaat te verwekken: ja, ik geloof, dat menigeen
zich reeds streelde in de verwachting van het genoegen, dat een echt
nationaal messengevecht hun verschaffen zoude, ik moet echter tot hun
eer zeggen, dat ik hier en daar een blik van welwillend medelijden
ontmoette, en op menig gelaat kon lezen, dat men mij niet bestand achtte
tegen den geöefenden kamper, die mij had uitgedaagd. Wat mij betreft, ik
was, gelijk men denken kan, niet zeer op mijn gemak: ik begreep echter
zoo bedaard mogelijk te moeten blijven en den storm door rustige
onverschrokkenheid afkeeren. Ik ledigde eerst mijn glas en zeide toen,
op een toon, zoo kalm mogelijk, dat ik geene reden hoegenaamd tot een
gevecht zag, daar ik niet wist, iemand met woorden of daden beleedigd te
hebben. Mijn woorden werden wel opgenomen door de aanwezige boeren:
althans er ontstond een goedkeurend gemurmel: de landman, die aan het
boveneinde zat, knikte mij vriendelijk toe, en zich vervolgens tot den
zeeman wendende: "wat heit jou die koopman 'edaan, Andries Matthijssen!"
vroeg hij, "dat je met hum voor 't mesje wilt?"
"Wel! baas Roggeveld!" zeide Andries, zijn taal met vloeken
doormengende, welke ik, om geene kiesche ooren te kwetsen, slechts met
een () zal aanduiden: "die koopman kijkt naar mijn mes en geeft een
bretaal antwoord daar te boven (). Mot ik me van zoo'n
loop-in-'t-lijntje laten op den kop zitten? () Maar omdat hij nog maar
een loeris van een jongen is, zal ik hem () niet te hard behandelen en,
met een enkeld half maantje over zijn hakkebord, laten waaien;--maar
opstaan mot hij."
En met-een oprijzende, trad hij naar mij toe en wilde mij in den kraag
grijpen:--ik was echter op mijn hoede, en, zoowel een vuist- als een
messengevecht willende vermijden, schoof ik bij zijn nadering met mijn
bankje achteruit, "Pas op!" zeide ik, de armen kruisende en hem stijf in
't gezicht ziende: "raak mij niet aan of het zou slecht met u kunnen
afloopen. Ik zoek geen twist; maar het zou u rouwen, zoo ge mij eenig
leed deedt."
"Wat zou me rouwen, jou beroerde zandhaas?" snaauwde Andries, terwijl
hij hoe langer hoe driftiger werd, mij toe: "ik zel je leeren,
ordentelijk vlag te strijken. Op! zeg ik jou: nou je zoo spreekt zel ik
eens zien, of ik geen frikkedellen van je voorgebergte kan snijen."
Onder het uiten dezer bedreiging stak hij nogmaals de hand uit, om mij
te dwingen mijn plaats te verlaten en met hem aan 't snijen te gaan. Ik
moet bekennen, dat ik mijn toestand hoogst onaangenaam begon te vinden;
want ik zag niets aardigs in het denkbeeld van zonder neus bij mijn
ouders te keeren: en waar ik de blikken heen wendde, ik bespeurde bij de
boeren geen zucht om zich met den twist te bemoeien: zij waren daartoe
of te lui, of te nieuwsgierig hoe het af zoude loopen, en bleven met een
fatale koelbloedigheid hun pijpjes rooken en hun drank opslorpen.
Er kwam echter hulp van een anderen kant. Simon de Jood had zich, bij de
eerste woorden van Andries, met een angstig gelaat naar een der hoeken
van het voorhuis teruggetrokken en was, toen de twist hooger begon te
loopen, langs den muur naar de toonbank geschoven, waar hij aan Mientje,
die, ofschoon aan dergelijke tooneelen waarschijnlijk gewoon, eenigszins
onthutst keek, eenige woorden in 't oor had gefluisterd. Het meisje was
hierop terstond haar vader te gemoet geloopen, die juist uit den kelder
kwam met eenige versch getapte kruiken. Hoewel deze zich anders
waarschijnlijk zelden over een dergelijke rusie bekommerde, waar hij wel
wist dat meestal een goed gelag op volgde, scheen hij toch eenigszins
versteld over de geheimzinnige mededeeling, welke zij hem deed.
"Hoe zegje?..." vroeg hij halfluid: "de zoon van...."
Het antwoord van Mientje werd op zulk een flaauwen toon gegeven, dat ik
alleen de woorden: "Hoofdschout, Amsterdam" verstaan kon, waaruit ik
opmaakte, dat Simon haar verhaald had wie ik was.
"En zeit die Smous dat?" vroeg de waard weder: "die koopman daar de zoon
van...." en hij zag Simon aan, die, bevend bij den haard gedoken, met
een herhaalden hoofdknik de waarheid van het gezegde bevestigde.
"Dat vereischt overleg," zeide de waard, zich den kop krabbende, en de
kruiken aan Mientje overhandigende; "die Sinjeurs in Amsterdam hebben
armen, die ver reiken, en zij zouden het mij inpeperen, zoo ik een van
hun broedsel in den pekel liet steken. Hei wat, vrind Andries!" riep hij
op eens, zijne breede hand op den schouder des twistzoekers leggende, op
het oogenblik, dat deze, na mij verlaten te hebben om even aan een
buurman te vertellen waar hij mij raken zoude, zich opnieuw in postuur
stelde om mij aan 't lijf te komen.
"Wel! wat wouje?" vroeg Andries, zich onwillig omkeerende.
"Wat ik woû? herhaalde de waard, zijn zwaarlijvige gedaante tusschen ons
beiden instellende: "ik woû, dat je dut heerschap daar met vrede liet.
De man heit jou ommers geen stroobreedte in den weg 'eleid! Ga zitten en
drink je zoopje: je ziet ommers dat het je portuur niet is."
"De kastelein spreekt als een verstandig man," zeide baas Roggeveld,
zijn pijp even omdraaiende: "je zoudt er, in dat geval, geen eer meê
inleggen, met teugen dien koopman te vechten: en ik beloof het je ook,
we hadden het nooit zooverre laten komen, in dat geval. Ik was maar
'ereis nieuwsgierig hoe hij zich houen zou; maar ik mot zeggen, hij was
niet bang ook, in dat geval!" en bij deze loftuiting voegde hij een
vleiend knikje.
"Ei! ei!" zeide Andries, den waard schamper aanziende: "jij zelt ook
zooveel klanten krijgen as er op het spil van den bramtop kunnen staan,
as je 't zoo anleit; en een man, die, zoo als ik, een echt Gooierskind
ben en nog bovendien al de eilanden van de Westinjes zoo goed ken as jij
den weg naar je kelder, beletten wilt een klein, eerlijk vechtpartijtje
te hebben. 's Lands wijs, 's lands eer! zeg ik maar: en ik beloof je,
dat je mijn gezicht ook voor 't laatst ziet as het zoo mot gaan."
Deze bedreiging deed mij in mij zelven lachen; want ik dacht, dat de
waard juist niet zeer gesteld moest zijn op een klant als Andries, wiens
uiterlijk geene zeer gevulde beurs verraadde. Ik bedroog mij echter,
althans naar hetgeen de kastelein volgen liet.
"Kom! kom!" zeide hij, Andries gulhartig op den schouder tikkende: "zoo
motje nou ook niet spreken. Je weet, dat ik een eerlijke snijpartij al
zoo graag zie als een aêr; maar dan mot het over en weer goedwillig in
zijn werk gaan, zoodat Schout of Baljuw er niets in te zeggen heit. Je
weet ommers zelf best hoe 't gaat, as de eene partij niet wil vechten en
de aêre al; dan schuren naderhand allebei hun piek en de kastelein wordt
in de boete geslagen."
"Ei wat! denk er niet meer over," riep Roggeveld Andries toe, die norsch
voor zich heen keek: "er zel nog wel gelegenheid kommen vandaag om te
toonen wat een kaerel je bent, in dat geval. Drink nou de quaestie af
met den koopman en laat het daarbij blijven, in dat geval."
"Dat is niet kwaad gedacht," zeide ik, hopende op deze wijze de zaak 't
best te sussen: "geef dan een glaasje brandewijn, vrijster! en laat er
niet meer over de quaestie gesproken worden, _Zwik_!" zeide ik, mijn
mond aan het zoopje zettende, dat Mientje mij bracht en het daarna aan
Andries toestekende.
"_Zwak_!" zeide deze, het glas ledigende: "en ik wensch je toe dat je
nooit meer in mijn vaarwater komen meugt."
Ik zag eenigszins vreemd op bij dezen zonderlingen wensch: de toon,
waarop die werd uitgesproken, zoowel als de schuinsche blik waarmede hij
vergezeld ging, deed bij mij een onwillekeurigen schroom ontstaan,
waarover ik mij zelven verwonderde. Ik wilde nu heengaan; maar ik weet
niet welk een valsche schaamte mij beduidde van nog een oogenblik te
blijven, om niet door een overhaast vertrek de boeren in den waan te
brengen, dat ik mij uit vrees verwijderde. Ik bleef dus nog een poos bij
de toonbank draaien, en keek van tijd tot tijd naar buiten, waar de man
met den rooden mantel zich nog altijd bevond en thans met zijn voerman
praatte, die hem, naar het mij voorkwam, scheen te beduiden, dat het
paard opnieuw beslagen moest worden; althans, na eenige oogenblikken
werd het beest naar den smid aan de overzijde gebracht.
"Is het waar," hoorde ik intusschen baas Roggeveld aan een zijner buren
vragen, "dat Aafje Jansz gisteravond op het Larensche veen is afgezet
eworden?"
"Naakt uit'eschud, meugje wel zeggen," was het antwoord: "'t is veul,
zoo die schelmen heur een hemd an 't lijf hebben elaten. Zij waren met
er drieën, as ik hoor."
"'k Sou zoo garen om een roompje
Met jou eens naar buiten gaan,
Rusten onder 't lindeboompje;
Dat je 't maar eens dorst bestaan."
zong Andries er tusschenbeide.
"Ja nog erger," zeide een andere boer: "zij hebben de weuning van Klaas
Tymensz te nacht op'ebroken en zijn met al den bult gaan strijken."
"'t Is de bende van Zwarten Piet," zeide een derde.
"Ei wat!" bromde Andries tusschen de tanden, en terstond weêr
voortzingende:
"Margriet! maar ziet,
Besjen is te kwaad,
Als men eventjes bij jou staat,
Maar ziet, besjen is te kwaad.
Als men maar eens met jou praat."
"Jij, die van alle markten te huis bent en op zooveel zeeën gezwalkt
hebt," zeide de waard, Andries aanstootende! "jij hebt zeker Zwarten
Piet wel 'ekend ook?"
"Wat bruit mijn jou Zwarte Piet," zeide Andries, een scheel gezicht
zettende: "och! 't is allemaal lanterluien, wat dat volk vertelt. Een
goeien vetten koopvaarder van zijn overtolligen ballast te ontlasten,
dat was werk voor Zwarten Piet: denk jij, dat een echte zeebonk as hij
zich zou ophouen met een oud wijf op den grooten weg te onttakelen?"
"Wie weet?" zeide de waard: "tot een tijdverdrijfje ondershands."
"Gekheid!" zeide Andries: en hij begon opnieuw zijn gezang.
Ik weet niet, hoe het kwam; maar het scheen mij toe, als of hij daardoor
afleiding aan het gesprek wilde geven: en het was of een geheime stem
mij influisterde, dat, zoo die diefstallen al niet op rekening van
Zwarten Piet moesten geschoven worden, Andries althans daar meer van af
wist dan hij zeggen wilde.
Het was echter niet meer dan een vermoeden; en daar ik begreep, nu lang
genoeg te zijn gebleven, wierp ik een gulden op de toonbank en verzocht
om geld terug.
Terwijl Mientje nog bezig wat een dubbeltje uit haar tasch te halen,
trad de man met den rooden mantel de deur binnen en stapte, zonder
eenige notitie van iemand te nemen, naar de toonbank toe.
"Vrijster!" zeide hij: "geef spoedig een paar sneden wittebrood en
boter. Wij moeten voort, zoodra ons paard beslagen is."
Mientje zette zich dadelijk in postuur om aan het verzoek te voldoen: en
de onbekende bleef met de armen over elkander geslagen voor de toonbank
staan, zonder te bespeuren, dat hij het voorwerp der beschouwing was van
al de aanwezigen, maar vooral van mij, die nog altijd stond te wachten
op het geld, dat ik terug moest hebben.
En in de daad, hij was wel geschikt om de opmerkzaamheid tot zich te
trekken: zijn gestalte was ongemeen hoog, zonder echter het onbevallige
te bezitten, hetwelk meestentijds eigen is aan uit hun kracht gegroeide
personen en hun het hoofd doet gebogen houden of den rug krommen.
In-tegendeel, de stand van den reiziger was vrij en ongedwongen en de
roode mantel zelf, die hem bijna geheel bedekte, was met een achteloozen
zwier omgeslagen, welke iets edels, iets schilderachtigs bijzette aan
elke houding, welke hij verkoos te nemen. Over de gelaatstrekken viel
het echter moeilijker eenig oordeel te vellen. Een slechts los
omgeknoopte das van zwarte zijde verborg de onderste helft van het
aangezicht, en de slappe rand van den hoed viel op het voorhoofd neder;
zoodat men weinig meer kon onderscheiden, dan den eenigszins
voorovergebogen neus en den zwaren peperen en zoutkleurigen knevel, die
de bovenlip overschaduwde.
Simon was bij het binnentreden des vreemdelings nog dieper in zijn
hoekje teruggekropen, als had hem die reusachtige gedaante schrik
aangejaagd; maar, even als de vos, die in 't eerst voor den leeuw
vluchtte, doch langzamerhand aan zijn uitzicht begon te wennen, en
eindelijk gemeenzaam met hem werd, zoo scheen ook onze marskramer, na
gedurende een poosje den roodmantel te hebben aangegluurd, zijn schroom
te laten varen en vrijmoedigheid te verkrijgen: hij rees langzaam op,
en, den onbekende naderende, begon hij hem zijn koopwaren aan te bieden.
"Dheursthekers!--messen!--scharen!--brillen!--photloodjes! khoop wat,
Meneer! gheen deit rijk, zoowaar God leeft." De vreemdeling vergenoegde
zich, den Jood met een langzaam hoofdschudden af te wijzen, zonder eenig
antwoord op zijn aanzoeken te geven.
"Laat ik wat an jou verdienen," vervolgde Simon, hem bij den mantel
trekkende: "halmenakkies! snijfdoozen! Thraktaatjes hover de pholetiek
van den dag!--mooi om te leggen loopen lezen hover den weg. Of wilje
liever een khommediepoekkie?--of de leste woorden van Saco, met zijn
sententie er achter. Nha! hik zeg hummers gheen kwaad?..."
"Hm!" bromde de vreemdeling en ontwrong, met een beweging van
verontwaardiging, zijn mantel aan de handen van den Jood, en te gelijk
het bord met broodjes, dat Mientje hem toereikte, aannemende, wendde hij
zich om, en ging weder naar de voordeur. Onderweg echter bedacht hij
zich, keerde terug, keek rond, als zocht hij iets, nam toen het mes van
Andries, (die, juist opgestaan zijnde, bezig was een pijp aan te steken
en de daad des onbekenden niet terstond bemerkte), sneed het eene
broodje in dunne reepjes en stapte toen de deur uit, gevolgd door Simon,
die niet afliet, hem zijn waren aan te prijzen. Andries ging weêr naar
zijn plaats en ontdekte terstond dat men aan zijn mes geraakt had. Ik
had inmiddels mijn geld terugontvangen, en, een nieuwen twist
voorziende, mij, na een goeden dag aan 't gezelschap te hebben
gewenscht, weder naar buiten begeven, toen de arme Simon plotseling naar
binnen en mij tegen 't lijf werd geworpen. Hij had, niet tevreden van
zijn prullen den vreemdeling aan te prijzen, ook in de kar willen
kijken, waarschijnlijk om te zien of hij daar ook een kooper zou vinden,
toen de reiziger hem op deze vrij onzachte wijze belette, zijn voornemen
ten uitvoer te brengen.
"Hawaai! hawaai!" riep de arme drommel, zijne, over den grond
verstrooide kramerijen stuk voor stuk oprapende: "hik ben heen bedurven
man. Wat zhijn dat nou voor menieren? mag een heerlijke khoopman op 's
Eeren straten zoo be'andeld worden? Leelijke sthraatschender dhat je
bent met jen schavotkleerden mantel. Je ben men phortuur niet; maar
gheef me hen kleinen jonge bij me hen ik shla je tot greizelementen.
Mhag jij de menschen zoo molestheren?"
Er waren eenige voorbijgangers en werklieden uit de buurt op het rumoer
komen aanloopen. Ik had de dienst, mij door Simon bewezen, nog niet
erkend, en naar hem toetredende, stopte ik hem een zesthalf in de hand.
"Daar," zeide ik, "dankje voor uw waarschuwing van zoo even! Wacht! daar
liggen nog een paar messen! en hier een kam!"
Dit zeggende raapte ik eenige van zijn koopwaren op, die onder de kar
geraakt waren, en stelde hem die ter hand, terwijl hij mij duizendmaal
"God loonje!" toewenschte. De vreemdeling bleef intusschen in een
onverschillige houding tegen de kar leunen en zijn snede brood opeten,
zonder zich over ons te bekommeren.
Op dit oogenblik stoof Andries de deur uit, met zijn mes in de hoogte,
door den waard en al de boeren gevolgd.
"Weêr en wind!" riep hij den vreemdeling toe: "jij zelt er zoo
gemakkelijk niet afkomen als dat loop-in-'t-lijntje daar. Wie heitje
gehieten van an men mes te komen?"
"Hawaai! hawaai!" riep Simon, Andries met een smeekenden blik aanziende:
"elp mij toch theugen dien Filisthijn, dien langen schlingel dhaar, die
me eelemaal heit bedhurven."
"Hoorje niet, dat je gepraaid wordt," vervolgde Andries tegen den
vreemdeling, die, zonder zich zijn woorden aan te trekken, onbeweeglijk
stil bleef staan: "wat hadje met men mes noodig?"
De onbekende gaf geen antwoord; maar het ledige bord aannemende, dat de
persoon die in de kar gezeten was hem aanreikte, stak hij het den
kastelein toe en vroeg, wat hij schuldig was. Ik had mij intusschen
willen verwijderen; maar ik beken dat de nieuwsgierigheid, hoe dit alles
zou afloopen, mij ook terughield.
"Geef dan voor den () antwoord, kaerel!" bulderde Andries, den
vreemdeling bij den mantel grijpende.
"Hebt gij lust denzelfden weg op te gaan als die Jood daar?" vroeg deze:
"ik hinder niemand; maar niemand moet mij aanraken."
"Hoor reis, ventje!" zeide Andries: "jij mot zooveel praats niet hebben:
al benje nog zoon lange spriet, ik heb er wel grooter als jou voor
derlui frontwerk getrommeld. Heb je lust? dan zal ik je een rood lintje
over je bakkes halen."
De vreemdeling verwaardigde zich niet eenig antwoord te geven; maar,
zich tot zijn voerman wendende, die juist met het beslagen paard
terugkwam, riep hij hem toe, zich wat te haasten. Dit bevel werd door de
omstanders natuurlijk als een bewijs van vrees aangezien, en de waard,
niet ontevreden, van nu eens aan Andries zijn trek tot een messengevecht
te gunnen, wendde zich verheugd tot Roggeveld: "ziezoo!" zeide hij: "nou
zellen we toch nog een grapje hebben: en onze vriend Andries zal
trakteeren; want dat doet hij altijd roiaal, mot ik zeggen, as hij er
een troef heit 'egeven."
"Ik 'eleuf het niet," zeide Roggeveld: "die lange spier is ook al niet
van 't echte soort en 't kon wel 'ebeuren dat hij zonder neus verder
most reizen, in dat geval!"
"Wat () is dat?" hernam Andries tegen den onbekende, terwijl hij, de
beenen wijd uiteenzette, de linkerhand in de zijde bracht, en met de
rechterhand zijn mes op- en nederwierp: "ben ik je nou geen antwoord
waardig? En zou je zoo schoot gaan zonder te brassen? Neen mannetje! je
zelt me, zoo lang as je bent, op je knieën ekskuus motten vragen of--op
het mesje!"
"Welnu! waar wacht gij op?" vroeg de man, wien de uitdaging gold, aan
den voerman, die met wijd opgespalkte oogen dit tooneel stond aan te
gapen: "Span in, en stoor u niet aan de praat van dien dronken lap
daar."
"Dronke lap! ik dronken!" brulde Andries, wiens woede nu ten top was
gestegen: "wacht! ik zelje leeren!"--En terstond sprong hij op den
reiziger los, die juist bezig was, den voerman aan het inspannen te
helpen. Ik was op het punt van tusschen beiden te schieten, daar ik
vreesde dat de onbekende zou worden aangevallen op een oogenblik dat hij
niet op tegenweer bedacht was; maar Simon hield mij, onder een angstig
gefluister van: "hawaai! bhemoei er je niet meê! Wat zel 'et wezen?" bij
mijn rokslippen vast: en de vreemdeling toonde meer op zijn hoede te
zijn dan ik meende; want, zich eensklaps omkeerende, gaf hij den
twistzoekenden gast een stoot in de borst, dat deze achterover tuimelde,
en, naar zijn adem hijgende, op den grond bleef liggen.
"De drommel! die kwam an!" zeide baas Roggeveld: "dat is ook geen kat om
zonder handschoenen aan te vatten."
"Wel vriend Andries!" zeide de waard, hem weder op de been helpende:
"benje nou een zandruiter 'eworden?"
"t Is () ongehoord!" vloekte Andries, met moeite opstaande: "en nou neem
ik jelui allen tot getuigen, of hij niet met mij vechten moet."
"Vechten moet hij!" riepen de boeren: "er is geen bidden voor."
"En ik neem u allen tot getuigen," zeide de vreemdeling, op een strengen
toon, "dat ik het niet ben, die aanleiding tot twist gegeven heb: en
dat, zoo de justitie deze zaak onderzoekt, zij eerder hen zal straffen,
die een vreedzamen reiziger aanranden of zulks gedoogen, dan hem die
zich verdedigt, wanneer hij aangevallen wordt."
"Dat helpt allemaal niet!" riepen de boeren: "jij hebt zijn mes
an'eraakt en hum 'eslaogen: vechten motje."
Ik zag, dat de zaak een slechte wending voor den reiziger begon te
nemen: ik weet niet welke goede geest mij nu op eens den zotten logen
ingaf, dien ik verzon om hem uit den brand te helpen.
"Laten zij oppassen, wat zij doen," fluisterde ik Roggeveld, die naast
mij stond, in 't oor. "Ik bedrieg mij niet: het is Tsaar Peter! de Tsaar
van Rusland, weet gij?"
"Wat je zeit!" zeide Roggeveld, den vreemdeling verbaasd aanziende: "wel
kijk is 't mogelijk! in dat geval!" en hij deelde zijnen buurman het
sprookje mede, dat nu van mond tot mond vloog.
Het verdichtsel vond des te meer geloof, omdat de Tsaar, weinige jaren
geleden, insgelijks zonder gevolg en _incognito_ naar Amsterdam gereisd
was, en dat de vreemdeling, door zijn hooge gestalte, zijn gebiedenden
toon, en zelfs door de geduchte wijze waarop hij van zich afgeslagen
had, niet kwalijk beantwoordde aan het denkbeeld, dat men zich van den
Russischen Vorst vormde. Kluchtig was het nu, den indruk gade te slaan,
welken de tijding, die ik had medegedeeld, op de aanwezigen maakte. Al
de mutsen en hoeden gingen een voor een af, en de boeren bleven als
beteuterd den vreemdeling aangapen. Vooral de waard was verlegen, en
zocht door menigvuldige buigingen en strijkaadjen het weder goed te
maken, dat hij bij den twist de zijde van Andries gekozen had. Andries
zelf, schoon het aan zijn gelaat te zien was, dat hij het vertelsel
betwijfelde, dorst echter den aanval niet hernieuwen, en bleef in het
midden van den kring als besluiteloos staan, de blikken met een norsche
uitdrukking nu eens op den gewaanden Tsaar, dan weder op de omstanders
wendende. Slechts twee personen waren er, die blijkbaar niets van de
zaak begrepen: de eene was Simon, die zich op eenigen afstand
teruggetrokken had en de plaats hebbende verandering met blikken van
verbazing beschouwde; want niemand gaf zich de moeite, hem eenige
opheldering te geven: de andere was de onbekende zelf, die, blijkbaar
verbaasd over de op eens zoo beleefde houding der boeren, al de
omstanders beurtelings in 't gezicht zag, totdat zijn oog eindelijk op
mij viel, en ongetwijfeld den glimlach waarnam, dien het welgelukken
mijner list bij mij verwekte. Ik begreep zijn vragenden blik, en
aanstonds, met den hoed in de hand hem naderende, maakte ik de beweging,
als of ik hem in het rijtuig helpen wilde, en fluisterde hem in 't oor:
"men houdt u hier voor den Tsaar; maak maar spoedig, dat gij verder
komt."
"Ik dank u!" zeide hij, op de kar stappende: "rij nu maar voort,
koetsier!"
De voerman liet het zich geen tweemaal zeggen, maar sprong op het krat
en lei de zweep over het paard, dat terstond, met meer vlugheid dan ik
het oordeelde te bezitten, zijn weg vervolgde.
De gansche vergadering bleef het rijtuig eenige oogenblikken in stomme
verbazing naöogen: totdat de waard de stilte brak met den uitroep: "wel
wie heit zijn leven zoo iets 'ezien? Wie kon nou denken, dat die
Roodmantel de Tsaar zou wezen?"
"De Tsaar!" riep Simon, weder toeschietende: "nha doch! 't is zooveel de
Tsaar, as dat hik Vader Abraham ben. Lhoop khijken! 'Eb ik den Tsaar
niet menigmalen ghezien, toen 'ij te Zerdam wherkte as een gemeene
krijer en den naam droeg van Phieterbhaas. Ze 'ebbe je dhan holik bheet
ge'ad, khastelein!"
"Wat! hoe! was dat de Tsaar niet? Wie heeft dat dan verteld?" mompelden
de ontevredene omstanders: en aller oogen vestigden zich op mij, met een
uitdrukking van wrevel en toorn.
"Is hij het, die jelui bedot heit?" vroeg Andries, op mij wijzende:
"jelui bent ook een hoop gekken, die je een barkas voor een brik laat
verkoopen!"
"Kom! kom!" zeide ik, "Tsaar of niet, gijlieden moogt blij zijn, dat de
zaak geen verdere gevolgen heeft gehad; want die man zag er mij wel naar
uit, om het hooger op te zoeken, zoo men hem een haartje gedeerd had: en
ik twijfel er niet aan, of de Heeren van Eemland hadden het u duur doen
betalen.--Goeden morgen samen!"
Met dezen groet begaf ik mij op weg, en haastte mij met groote schreden
het dorp te verlaten, en het dof en dreigend gemompel te ontgaan, dat
van verre achter mij klinken bleef: ik was echter niet bevreesd, dat
men mij vervolgen zoude; want ik had in Simon een trouwen bondgenoot
achtergelaten, die mij kende, en het hun, vleide ik mij, wel uit het
hoofd zoude praten, mij verder lastig te vallen.
NOTEN:
[1] _Arlequin Actionist_; _Quincampoix of de Windhandelaars_: blijspelen
van Langendyk.
[2] Men weet, dat studenten gewoon zijn een kurketrekker met dien naam
te bestempelen.
* * * * *
DERDE HOOFDSTUK.
WAARIN WORDT BEWEZEN, HOE GEVAARLIJK HET IS ZONDER PARAPLUIE UIT TE
GAAN, EN DE BESCHRIJVING GEVONDEN VAN EEN MOOI MEISJE EN EEN MOOIEN
KOEPEL.
Naauwlijks was ik buiten Zoest gekomen, of ik zag de huifkar een goed
eindweegs voor mij uit, doch nu weder stapvoets door het zware zand
gaande. Ik gevoelde geene roeping om haar in te halen, maar bleef, met
denzelfden rustigen stap, dien ik tot nog toe gehouden had, mijn weg
vervolgen, en wel niet langs de gewone heirbaan van Amersfoort op
Naarden, door de Hilversumsche heide, maar oostelijker afhoudende met
het voornemen, over Eemnes te gaan, als welke weg wel wat om was, maar
daar-en-tegen meer belommerd en minder eenzaam.
Niets merkwaardigs gebeurde mij gedurende het begin mijner hernieuwde
wandeling; maar toen ik het Princelijke lusthuis Zoestdijk ongeveer een
half uur achter den rug had, begon ik wederom uit te zien naar een
herberg; niet omdat ik eenige vermoeidheid of behoefte aan spijs of
drank gevoelde, maar omdat de staat der luchtgesteldheid mij hoe langer
hoe meer vrees deed koesteren voor het op handen zijn van een fiksche
regenbui, die ik oordeelde dat na de lange droogte met dubbel geweld
zoude neêrkomen. De zon, die, sedert eenigen tijd, nu en dan door een
voorbijdrijvend wolkje was beneveld geworden, had zich eindelijk geheel
verscholen achter een driedubbel gordijn van grijze en witte en zwarte
wolken, die, tegen den wind opkomende, haar talrijke ronde koppen als
veelhoofdige reuzen verhieven en over elkander schoven als opeengekruide
ijsschotsen. Geen vogeltje deed zich hooren uit de hooge dennen, die aan
de eene zijde van den landweg haar graauwe kruinen verhieven, noch in
het eiken hakhout, dat aan den overkant groeide; daar-en-tegen zag ik,
aan een bruggetje komende, hoe, beneden mij, de zwaluwen onverpoosd en
met druipende vlerken heen en weder snorden over de oppervlakte der
daaronder vloeiende beek, en boven mij hoorde ik nog altijd het
krijschen der rondzwierende meeuwen. Ik verhaastte mijn tred en zag
rechts of links uit naar een bekwame schuilplaats tegen den stortregen.
Dan, ofschoon ik nu eens tegen de helling der onbebouwde heide een open
schaapskooi gewaarwerd, dan weder een arbeiderswoning of pachtershoeve
aan het einde der dwarslanen, welke het bosch doorsneden, ik bleef mijn
weg voortzetten, ongezind, even als de meeste lieden in mijn geval
zouden zijn, mij op te houden en ergens in te gaan voor en aleer de nood
werkelijk daar ware; want ik dacht boven alles, veld te moeten winnen,
zoolang zulks nog zonder hindernis geschieden kon, vooral daar ik altijd
op de mogelijkheid hopen bleef, dat de bui, als zij meer doen, zeewaart
trekken zou en zich niet op mijn hoofd, maar in de wateren van de
Zuiderzee ontlasten zou.
Maar deze hoop werd weldra verijdeld. Een onstuimige wervelwind, die op
eenmaal uit de diepte van het bosch scheen los te breken, verving de
doodsche stilte, die tot nog toe in de natuur had geheerscht, zweepte de
dorre bladeren over den landweg heen, waar zij in onophoudelijke
wielingen ronddraaiden, bracht fluitend en gonzend elke twijg van het
kreupelbosch in beweging, deed de kruinen van het geboomte zich naar
alle richtingen wenden en overal stuivende zandwolken opstijgen. Te
gelijker tijd scheen een schitterende bliksemstraal, die onmiddellijk
door het ratelen des donders gevolgd werd, het sein te geven dat de
strijd der elementen, en wel vlak boven mijn hoofd, een aanvang had
genomen. Naauwlijks was ik tien schreden verder gegaan, of de wolken
ontlastten zich in dikke regendroppelen, met zware hagelsteenen
doormengd. De duisternis bedekte het aardrijk, bij wijlen vervangen door
de schrikverwekkende verlichting van het weêrlicht: groote plassen,
waarin de nederstortende regen blinkende waterbellen vormde, en witte
hoopen hagelsteenen vulden in een oogenblik de rijsporen en andere
oneffenheden van den weg, en maakten mij het voortgaan hoe langer hoe
moeilijker. Ik had, zoodra de bui begon, mijn haastigen stap in een
vluggen draf veranderd, om de eerste schuilplaats de beste te bereiken,
en zooveel ik kon zorg gedragen de droge plekken uit te kippen, om er
mijn voet op te zetten; maar weldra was mij dit niet langer mogelijk;
want de gansche weg werd week als pap: en toen eenmaal mijn schoenen
doornat waren, draafde en klotste ik door dik en dun, door plassen en
modder heen; alle andere gedachten latende varen, buiten die van vooruit
te komen, en op mij zelven vloekende, dat ik van geene der gelegenheden,
welke zich vroeger hadden aangeboden, had gelieven gebruik te maken, om
de bui voor haar aanvang te vermijden; want juist nu zag ik niets, dat
naar huis of schuur geleek, ja zelfs geen ezelsstal, (waar ik van
oordeel was, dat mijn dwaasheid mij wel een plaats in had doen
verdienen): ja, ik begon te gelooven, dat de orkaan, die om mij heen
loeide, alle mogelijke gebouwen van de aarde had weggerukt, toen ik, bij
het omslaan van een hoek, dien de landweg maakte, eindelijk een verblijf
gewaarwerd, waar binnen ik, althans eenige, zoo geen volkomene,
schuilplaats hoopte te vinden.
De landweg namelijk slingerde, ter plaatse waar ik mij nu bevond, door
een aanzienlijk landgoed heen, waarvan mij echter de regen niet toeliet
op dat oogenblik al de schoonheden op te merken. Ter rechterzijde
verhief zich een statig beukenbosch, welks breede en diepe lanen zoovele
prachtige gothische gewelven schenen, waarvan de hooge, rechte en
blinkende stammen de kolommen,--de dikke zuigers, van weerszijden
opspruitende en zich aan den top vereenigende, de bogen en
schoorbalken--en de met loof bedekte kruinen het dak uitmaakten. Aan de
overzijde bevond zich een fraaie lusthof, naar den nieuwsten Franschen
smaak aangelegd, met sterre-bosschen, geschoren lanen en slingerende
_berceaux_, met beeld- en grotwerk, bloemtuin en diergaarde, vijvers en
fonteinen, zonnewijzers en koepeltjes. Een groot en sierlijk hek van
gegoten ijzer, op een kwistige wijze met krullen en strikken begiftigd,
en hangende tusschen twee zeshoekige pilasters, waarboven marmeren vazen
prijkten, geleidde tot de oprijlaan: deze was als bemuurd tusschen twee
geschoren beukenhagen van een reusachtige hoogte, en over haar geheele
lengte belegd met twee evenwijdige, glad afgemaaide en gerolde
grasstrooken, waartusschen de rijweg liep, en langs welken aan
weerskanten de met lekzand bedekte voetpaden liepen, van afstand tot
afstand met zonnebloemen en stokrozen beplant. Aan het einde dezer laan,
welke volkomen recht doorliep, lag een steenen brug, wier leuningen met
beelden voorzien waren: en daarachter de Ridderhofstad zelve: een ruim
en deftig gebouw, met een vrij hooge torenspits boven den ingang, en
twee vooruitspringende vleugels, wier beide gevels trapsgewijze opliepen
en met bloemplanten begroeid waren;--terwijl het plein voor het huis nog
bovendien tusschen twee mindere gebouwen besloten was, tot stalling en
tuinmanswoning strekkende. Men beseft duidelijk, dat ik op dien tijd
alles zoo nauwkeurig niet opnam, en dat het slechts een latere
bekendheid met deze lustplaats is, welke mij in staat stelt daarvan deze
beschrijving te geven: met dat al, ofschoon de regen en de spoed dien ik
maakte mij niet vergunden alles aandachtig te beschouwen, een vluchtige
blik was genoeg, om mij de voordeeligste gedachte te doen opvatten van
den rijkdom en van den goeden smaak des eigenaars of bewoners dezer
hofstede. Vooral merkte ik in dat zelfde snelle oogenblik met genoegen
op, dat hij een minnaar van bloemen wezen moest (een smaak, die mij
altijd eigen was); want ik zag heerlijke oranjeboomen in menigte op het
plein, en de trappen van de dubbele stoep schenen mij (zoover de afstand
mij toeliet zulks te zien) met uitheemsche bloemgewassen in fraaie vazen
voorzien te zijn.
Het was echter niet in het heerenhuis, dat ik, arme wandelaar, een
schuilplaats hoopte te vinden. Mijn uiterlijke tooi, vooral nu ik
doornat en druipende was, maakte mij ongeschikt om mij in zulk een
aanzienlijk verblijf te vertoonen; maar bovendien stond dat gebouw nog
te ver van mij af en zag ik naderbij een gelegenheid, waarvan ik mij
vleide ongestoord en onverhinderd gebruik te mogen maken. Het hek (ik
heb nog vergeten te zeggen dat het in gouden letteren den naam van
GULDENHOF voerde) was open, en kort daarbij stond, half rustende in de
moddersloot, die de plaats van den weg afscheidde, een achtkante koepel
van witten steen. Ziedaar alles wat ik er toen van zag; ik kan er echter
te dezer gelegenheid bijvoegen, dat het een sierlijk gebouw was, met
vier breede en vier smallere zijden: drie van de eerstgenoemde waren met
kruisramen voorzien (want men kende toen nog bijna geene andere), die
het uitzicht op den landweg hadden: de vierde, meest binnenwaarts
geplaatste zijde bevatte den ingang, waartoe men door een prachtige
stoep met marmeren trappen en leuningen geraakte. Niet slechts waren
deur en vensters door pilasters en loofwerk omsloten, maar ook prijkten
de smallere zijden met vakken van groen marmer, waarop in wit _bas
relief_ de gewone kenteekenen van handel, zeevaart, jacht en schoone
kunsten prijkten, als moest daarmede te kennen gegeven worden, dat de
eigenaar, zijn geld in het eerstgemelde vak gewonnen hebbende, het
tweede voorstond, het derde uit liefhebberij beoefende en het vierde
beschermde. Onder de ramen bevonden zich kleine ronde vensters met
ijzeren dwarsbouten, om licht en lucht in den kelder te geven. Het dak
was rond en met lood belegd en eindigde in een sport van gedraaiden
kogel, van boven met een vergulden bol versierd.
Deze verblijfplaats nu lachte mij aan. Met drift snelde ik het hek
binnen, geene andere vrees koesterende, dan die van den koepel gesloten
te vinden; maar ook in dat geval meende ik tegen de deur post te vatten
en onder de vooruitspringende lijst eenige beschutting te vinden. Ik
werd echter niet teleurgesteld; want nauwelijks, was ik de marmeren
trappen genaderd, of ik zag, dat de deur half openstond: en, zonder mij
te bedenken, liep ik, na alvorens, om den vloer van het gebouw niet te
bezoedelen, mijn beslikte schoenen op den ijzeren krabber te hebben
afgeschrapt, de stoep op, trad ruggelings binnen en veegde nogmaals mijn
voeten af op de net gevlochten matten, die zoo buiten als binnen de deur
lagen. Nauwelijks had ik deze bezigheid verricht en mijn hoed afgenomen,
waarvan de slappe randen, die een tijdlang mijn schouders beschut
hadden, nu geheel doorweekt waren, of ik wendde mij om en zag, hetgeen
ik in het eerste oogenblik niet had opgemerkt... dat ik namelijk niet
alleen was.
Op eene der diep inspringende vensterbanken en half achter de sponning
verscholen, was een jonge juffer gezeten, die, blijkens het boek dat zij
in de hand hield, met lezen bezig was, toen haar mijn onverwachte
verschijning daarin stoorde. De eerste blik, dien ik op haar sloeg, deed
mij zien dat zij een wit morgengewaad droeg, hetwelk een bevalligen
zwier bijzette aan haar slanke gestalte: de tweede, dat zij een
allerliefst gezichtje had: en de derde, dat zij, geheel niet gesticht
scheen over mijn vrijpostig binnentreden, en ik mij haasten moest daar
grondige redenen van verschooning voor in te brengen, of mij ten
spoedigste te verwijderen.
Ik deed echter in den beginne noch het een noch het ander; want ik was
van verrassing niet in staat een woord te spreken: ik zag dat zij ook
onthutst was: het geraas der buien had haar waarschijnlijk belet, mij te
hooren aankomen: bovendien zat zij met den rug naar de deur gekeerd en
had mij dus niet opgemerkt, dan voordat ik reeds binnengetreden was en
mijn hoed op den grond geworpen had, om de fraaie stoelen van rood hout
met gevlochten zittingen en zijden kussens niet vuil te maken. Zij
herstelde zich echter terstond van haar plotselingen schrik, zoodra zij
mij met een vluchtigen blik had verwaardigd: misschien ontdekte zij in
mij 't een of 't ander, 't geen haar, in weerwil van mijn ongunstig
uiterlijke, deed oordeelen, dat ik tot den fatsoenlijken stand behoorde:
in allen gevalle behoefde zij geene groote mate van verbeeldingskracht
te bezitten om de aanleidende oorzaak mijner verschijning te bevatten.
En hier ondervond ik, hoeverre de jonge lieden van ons geslacht bij
zoodanige ontmoetingen achterlijk zijn bij die eener zwakkere kunne; 't
geen voorzeker daaruit voortspruit, dat de vrouwen een vlugger vernuft
bezitten en spoediger haar tegenwoordigheid van geest hervinden dan wij.
Immers, zoo een van ons beiden een allerzotst figuur maakte, dan zeker
was ik het. Blozende en als op de plaats vastgenageld bleef ik
standhouden achter eene, tusschen ons beiden in staande, tafel van
ongemeene grootte, doch uit slechts ééne plank vervaardigd, en waarop
een werkmand, een tuinhoed en een paar handschoenen lagen, en stamelde
ik ettelijke onsamenhangende woorden van verontschuldiging, over het
slechte weer, over mijn leedwezen van de Juffer gestoord te hebben enz.,
waarna ik, al achteruitschuivende, mijn hoed wederom opraapte en te
kennen gaf, dat ik door een onmiddellijk vertrek mijn onbescheidenheid
zoude verbeteren.
"O! 't is niets, Mijnheer!" zeide zij, met een vrij stijve hoofdbuiging:
"gij hindert mij niet en het is waarlijk zulk een geweldige bui, dat men
alle plichtplegingen wel mag ter zijde stellen."
Ik maakte een diepe, vrij onhandige buiging: waarschijnlijk bracht mijn
zotte houding haar in een goede luim; want haar gelaat klaarde op, en
zij vervolgde met een vriendelijken glimlach:
"Ik heb eigenlijk niets over dezen koepel te zeggen; maar mijn oom zal
het mij niet ten kwade duiden, zoo ik voor een oogenblik in zijne
rechten trede en u een schuilplaats vergunne."
Ik had langzamerhand moed gevat, en bij deze minzame toespraak was mijn
beschroomdheid geheel geweken. "In waarheid," zeide ik, "het weer is zoo
boos, dat ik niet aarzel om van uwe beleefdheid gebruik te maken, al
mocht het onbescheiden geacht worden." Dit zeggende maakte ik weder een
buiging, min gedwongen dan de vorige, leide hoed, stok en pakje bijeen
en bleef op denzelfden eerbiedigen afstand achter de tafel staan.
De jonge juffer zag mij nogmaals terloops aan, vroeg mij of ik niet
wilde zitten, nam haar boek weder op en ging stil met lezen voort,
zonder zich verder met mij te bemoeien. Ik bleef eenige oogenblikken
weifelen, als wachtte ik een herhaling van haar aanbod; maar toen deze
niet kwam, zeide ik, dat ik vreesde door mijn vochtig gewaad de fraaie
meubelen te zullen bederven. Ik bekwam geen antwoord op deze aanmerking;
waarop ik, een weinig geraakt, het kussen van een der stoelen nam en op
tafel leide en mij op de naakte zitting plaatste. Zoo zaten wij nu een
tijdlang, gedurende welken mij de oogenblikken uren toeschenen: en
waarin ik mijn toestand, dien anderen hoogst benijdbaar zouden geacht
hebben, hoe langer hoe lastiger begon te vinden. Ik had, wel is waar,
mij aangenaam kunnen bezig houden met de beschouwing van het
fijngevormde neusje, de aardig gekuilde koontjes en rozeroode lipjes,
die het bevallige aangezichtje mijner nieuwe halvekennis
versierden;--maar ik begreep dat betamelijkheid mij verbood, haar zoo
gedurig aan te staren. Ik zocht dus mijn troost met nu en dan eens naar
buiten te zien, of de regen ook ophield, iets waarop althans voor 't
oogenblik, geen uitzicht scheen,--en met de binnenzijde van het
zomerhuis te beschouwen. Ik kon niet nalaten, hierbij den goeden smaak
des bouwmeesters te prijzen, die, zoo hij aan de buitenzijde misschien
wat al te kwistig met versierselen en krullen was te werk gegaan, van
binnen een edele eenvoudigheid tot leidsvrouw scheen gekozen te hebben.
De wanden en het gewelf waren wit gepleisterd: maar de kroonlijst,
zoowel als de pilasters, waar zij op rustte, bootsten zoo natuurlijk het
roode marmer na, dat men die moest voelen om zich te overtuigen dat zij
slechts uit hout vervaardigd waren. De vier vakken, die zich tusschen de
deuren en de vensters bevonden, schenen elk tot een bijzonder gebruik
bestemd, hetwelk werd aangeduid door vierregelige opschriften, in gouden
letteren daarop gesteld. Het eene vak was opengeschoven en bevatte een
verzameling van nette boeken, naar den laatsten smaak ingebonden. Met
behulp van een weinigje verbeeldingskracht giste ik nu, dat het vak
daartegenover met glazen en kopjes zou gevuld zijn; dat het derde een
fontein verborg, en men in het vierde
_een verholen trap, die uitquam in een kelder_,
zoude vinden. Wat den vloer betreft, deze was geheel samengesteld uit
marmersteenen van onderscheidene kleur, zoodanig ingericht, dat zij een
groote ster binnen drie breede randen voorstelden;--echter waren alleen
de uiterste punten dier ster zichtbaar, daar het midden door een groote
Moskovische mat bedekt was, waar de tafel op stond, en waar ik mijn
voeten over uitstrekte, ten einde zoo weinig mogelijk de blijken mijner
aanwezigheid op de gladde steenen achter te laten.
Ik had dit alles nu eenige reizen en tot verzadiging toe bezichtigd en
inmiddels, wanneer ik een zijdelingschen blik op mijn schoone gastvrouw
sloeg, bemerkt, dat zij nu en dan van haar boek opzag, om naar het weer
te kijken; welke beweging ik niet kon nalaten, toe te schrijven aan haar
verlangen naar mijn vertrek. Mijn toestand werd mij nu zoo
onverdraaglijk, dat ik oprees. Den blik naar buiten slaande, zeide ik op
een toon, die in weerspraak was met mijn woorden:
"Ik geloof, dat de bui nu wat begint te bedaren: en dat ik best zal doen
met u onder dankbetuiging te verlaten."
"Ik zou nu maar wachten tot het opgehouden had met regenen," zeide zij,
haar heldere blauwe oogen eerst eventjes op mij en toen zeer lang op de
zwarte wolken gevestigd houdende: "het is waarlijk nog geen wandelweer."
En een nog geweldiger kletteren van den stortregen tegen de ruiten
bevestigde de waarheid van haar woorden.
"Mejuffrouw is al te goed," hernam ik: "er zou mij anders minder aan
gelegen liggen; maar ik had gehoopt heden nog voor 't poortsluiten
binnen Naarden te zijn, en ik zal frisch moeten aanstappen om mijn
oogmerk te bereiken."
Mijn schoone gaf geen antwoord op deze aanmerking: ik gevoelde, dat zij
alle aanleiding tot een onderhoud wilde vermijden, met iemand die haar
geheel onbekend was.
"'t Is noodweer!" vervolgde ik, eenigszins geraakt, en haar aan 't
praten wenschende te krijgen: "het koren dat te veld staat zal er zeker
vrij wat door lijden."
Het koren was zeker geen onderwerp, dat de Juffer toescheen gelukkig
gekozen te zijn: althans zij bewaarde het stilzwijgen.
"Ik beklaag de arme visschers, die zich op de Zuiderzee bevinden," zeide
ik, in den waan, dat, zoo het minste gevoel haar boezem bewoonde, zij
mijn aanmerking niet onbeantwoord laten kon; maar jawel! zij beet op de
lippen en keek in haar boek.
"Dit schijnt eene fraaie hofstede te zijn: ik heb zelden, zelfs
buitenslands, schooner boomen gezien dan die beuken in het overstuk."
Er was wederom geen antwoord.
"Voor den drommel!" dacht ik: "is het preutschheid, trotschheid of
domheid, dat zij mij niet te woord wil staan?" Ik kon het haar echter,
bij nader inzien, niet erg kwalijk nemen, dat zij, een steedsche,
misschien wel een hoofsche juffer, in geen gemeenzaam onderhoud verkoos
te treden met iemand, die er uitzag als een landlooper. Ik wilde echter
weten waar ik mij aan houden moest, en ontdekken of een lief gezichtje
de eenige gift was, die zij van de natuur ontvangen had, en of onwil dan
wel ongeschiktheid tot spreken haar tong boeide. Ik besloot dus een
duidelijk vraagteeken achter mijn volgende woorden te plaatsen:
"Mag ik vragen," zeide ik, "of dit goed niet toebehoort aan den Heer
Blaek van Amsterdam? Ik meen wel gehoord te hebben, dat hij in deze
omstreken een fraaie hofstede bezat."
"Ja, Mijnheer! de Heer Blaek is mijn oom," was het antwoord, waarvan de
koele toon mij niet afschrikte; want ik bevond mij nu op een vast
terrein, waarvan ik mijn aanval kon beginnen, zonder vrees van
teruggedreven te worden.
"Dat is mij bijzonder aangenaam," zeide ik: "ik herinner mij niet den
Heer Blaek ooit gezien te hebben."
Hier zweeg ik bot stil: en zij keek mij eenigszins verwonderd aan, als
wilde zij te kennen geven, dat zij niets van mijn gezegde begreep, maar
dat het haar voorts ten eenenmale onverschillig was of ik haar oom al
dan niet kende. Nu vervolgde ik:
"Maar den broeder van den Heer Blaek heb ik voor vele jaren wel eens ten
huize mijns vaders ontmoet... Hendrik Blaek, zoo ik mij wel herinner."
"Hij was mijn vader," zeide de jonge Juffer, terwijl haar gelaat opeens
een meer vriendelijke en tevens weemoedige stemming bekwam: "ik heb voor
twaalf jaren reeds het ongeluk gehad hem te verliezen."
"Het is waar," zeide ik: "ik spreek van den tijd, toen ik nog een knaap
was: de Heer Blaek kwam somtijds bij mijn vader: beiden hadden toen
betrekkingen bij de Oost-Indische Compagnie.... Mijn vader is thans
Hoofdschout te Amsterdam."
"De Heer Huyck uw vader!" zeide Mejuffrouw Blaek, op een uiterst
minzamen toon, haar boek sluitende: "o! ik ken hem zeer goed; en vooral
uw moeder en uw zuster: voor veertien dagen heb ik ze nog allen
gesproken en ik hoop ze eerstdaags weer te zien, daar wij morgen naar
Amsterdam vertrekken."
"En zij waren wèl, hoop ik?... indien ik zoo vrij mag zijn daarnaar te
vernemen?"
"O! zeer wel!" antwoordde zij, haar boek op de vensterbank leggende en
geheel ongedwongen: "en zij waren zeer verlangende u weer te zien. UEd.
wordt met ongeduld en smart verwacht, dat kan ik u beloven."
"Nu! het verlangen is wederkeerig," zeide ik: "het doet mij
ondertusschen recht veel genoegen goede tijdingen van hen te hooren en
vooral uit zulk een beminnelijken mond."
Mejuffrouw Blaek kreeg een kleur en zweeg. Ik begon terstond uit een
anderen toon, uit vrees, dat zij het gesprek niet zou willen vervolgen.
"En is waarlijk mijn lieve moeder zoo wèl als UEd. zegt? Volgens de
laatste berichten, die ik van haar ontving, had die lastige kwaal, de
hoofdpijn, haar weer gekweld."
"Zij scheen nu volkomen gezond, de zachte, lieve vrouw," zeide
Mejuffrouw Blaek: "ik weet echter, dat de schijn ten haren opzichte
niets bewijst; want zij klaagt nooit, en is altijd even lijdzaam en
geduldig; maar uw zuster Suzanna heeft mij verzekerd, dat zij in lang
zoo wel niet geweest was."
"En hoe maakt Santje het? Ik begrijp waarlijk niet, hoe zij het zoolang
heeft kunnen uithouden zonder mij; want toen ik nog in huis was, leefde
zij slechts half, wanneer zij mij niet driemalen in 't uur de les kon
lezen."
"Dan denk ik, dat er na uw lange afwezigheid al heel wat voor u in 't
zout is gelegd," zeide Mejuffrouw Blaek, lachende: "nu, gij zult het
toch van Santje wel willen hooren?--waar zijn de oudste zusters voor,
zoo niet om haar broeders wat in toom te houden?...--ofschoon ik vrees,
dat gij nu haar plak wel ontwassen zult wezen."
"Ontwassen! daar twijfel ik aan: zij zal mij zoo lang bruien, tot zij
een man heeft, om dien te regeeren.... _Apropos_, weet UEd. ook of er
zich al één voor haar heeft opgedaan?"
"Zoo ik haar vertrouweling ware," zeide mijn nieuwe kennis met een
fijnen glimlach, "zoude ik mij wel wachten, u iets te zeggen van hetgeen
ik weet:--en in allen gevalle wil ik haar van het genoegen niet
versteken om zelve u dienaangaande de noodige mededeelingen te doen."
"O hemel!" hernam ik, "dan zal ik niets vernemen, voor en aleer de
voorzanger in de Oude Kerk, met zijn neusstem, aan de gansche gemeente
verkondigt, dat er trouwbeloften bestaan, tusschen den Heer N.N. en
Mejuffrouw Suzanna Aletta Huyck."
"Ik vlei mij, dat zij wel wat vertrouwelijker met u zal wezen. Ten
minste, zoo ik oordeelen moet naar den toon, waarop zij altijd over u
sprak, mag ik besluiten dat zij niet weinig van u houdt."
"Zij heeft u dus over mij gesproken," zeide ik met levendigheid: "dat
verheugt mij recht; want dan ben ik u niet geheel onbekend."
"UEd. schijnt derhalve te gelooven, dat zij u in uwe afwezigheid niet
benadeeld heeft," zeide Mejuffrouw Blaek: "en dat gij meer verplichting
aan haar hebt, dan men uit uwe woorden van zooeven zoude opgemaakt
hebben."
"Wel, daarvan ben ik overtuigd," zeide ik: "verre van mij, zal zij niets
dan goeds van mij zeggen;--maar wee mij, wanneer ik weer voor haar oogen
verschijn."
"Dat is de ware vriendschap," zeide Mejuffrouw Blaek: "iemand zijn
fouten in 't aangezicht te zeggen en achter zijn rug hem te
prijzen:--maar wees slechts niet te hoovaardig. Zij wist uw brieven soms
op zulk een kluchtige wijze te ontleden en met aanmerkingen te
versieren, dat gij er meer dan eens deerlijk afkwaamt."
"Hoe!" herhaalde ik, terwijl ik een gemengd gevoel van blijdschap en
spijt ondervond: "zij heeft u mijn brieven laten lezen?"
"Immers uittreksels daarvan ... beschrijvingen van landen en steden,
zeden en gewoonten, en uw aanmerkingen daarover: ik kan niet ontkennen,
dat zij mij dikwijls vermaakt hebben."
"Helaas!" riep ik uit, een bedrukten toon aanwendende: "vermaakt!
wellicht ten koste van den armen schrijver, die zich na de
vermoeienissen van den dag uitsloofde om met vakerige oogen en een
slaperig brein aan de schrijftafel te gaan en ter liefde zijner familie
halve nachten doorbracht met papier te bekladden, terwijl hij veel
liever op zijn bed had liggen droomen.--Nu voorwaar! nu zal ik toch ook
op mijn beurt eens klagen over een misbruik van vertrouwen."
"Ik dank u voor de beleefdheid," zeide Mejuffrouw Blaek: "UEd. denkt
dus, dat het vertrouwen slecht geplaatst was."
Ik stond een oogenblik verzet en voelde dat ik rood werd: ik herstelde
mij echter, toen ik bespeurde dat Mejuffrouw Blaek, misschien
oordeelende dat zij te vrij gesproken had, insgelijks een kleur kreeg:
en ik ging dus schertsende voort:
"Het was verre van mijn bedoeling u een slecht compliment te maken:
integendeel! daar ik niet geloof, dat Santje met mijn brieven rondloopt,
beschouw ik die mededeeling daarvan aan u als een blijk dat gij beiden
zeer nauw verbonden zijt: en dewijl de vrienden onzer vrienden ook de
onzen zijn...."
"Dat spreekwoord gaat niet door," zeide Mejuffrouw Blaek, droog weg:--en
als willende zij mij te kennen geven, dat zij niet van plichtplegingen
hield, vroeg zij mij op een kouden toon of ik ook wist, hoe laat het
ware.
"Dat zou ik u moeilijk kunnen zeggen," antwoordde ik: "want mijn uurwerk
heeft mij de poets gespeeld van stil te gaan staan. Naar mijn gissing
moet het echter niet verre van halféén zijn."
"Reeds zoo laat! dan vrees ik, dat zij mij reeds door de geheele plaats
zoeken; want ik had al lang te huis moeten zijn. Het is etenstijd en ik
ben nog niet aangekleed."
"Wilt gij, dat ik naar uw huis ga, en om een regenscherm voor u vrage?"
"Wel neen," zeide zij lachende: "dit is de meening niet: gij zit hier
droog; waarom zoudt gij u nogmaals aan de bui blootstellen?"
"Indien dit uw eenige reden is," zeide ik, "snel ik er dadelijk heen. Ik
ben toch reeds doornat, en, buitendien, zou men niet desnoods door een
water loopen, om u van dienst te zijn."
"Neen! neen! ik dank u," zeide zij, eenigszins ongeduldig; "er zal
straks wel iemand komen, om mij te halen ... of liever ... zoodra de bui
bedaart, gaan wij beiden elk zijn weg."
Wij zwegen een oogenblik, gedurende hetwelk ik aan de deur post vatte,
gereed om naar het heerenhuis te snellen, zoodra zij, mij daar verlof
toe gaf. Ondertusschen kon ik in haar oogen lezen, dat zij mij nog iets
wilde zeggen, doch aarzelde het uit te brengen. Eindelijk scheen zij
haar beschroomdheid overwonnen te hebben, en vervolgde, voor zich
ziende:
"Hoor eens, Mijnheer Huyck! ik heb waarlijk liever, dat UEd. niet gaat.
UEd. is de broeder mijner vriendin! ik kan het u dus wel zeggen ... ik
ben bang dat mijn oom misschien kwalijk zou nemen dat...."
"Dat een wensch, door u geuit, dadelijk vervuld wordt, zoo ras hij
gehoord is?" viel ik in de rede.
"Luister!" hernam zij, terwijl zij dreigend den vinger ophief: "ik moet
u waarschuwen, laat alle complimenten varen, of ik zwijg bot-stil, daar
ik u toch niet ontloopen kan."
"Op mijn woord," hernam ik met vroolijkheid: "ik kan niet gelooven, dat
UEd. de nederigheid zoover zoudt drijven, om elk vriendelijk woord, dat
u gezegd wordt, dadelijk voor een plichtpleging en niets meer te houden.
Indien UEd. uitdrukkingen, welke niets dan waarheid behelzen, als
vleierij wilt opnemen, zult gij mij dwingen anders te spreken als ik
denk."
"Hoe langer hoe mooier!" zeide zij: "in welk van de door u bezochte
landen hebt gij die hoofsche taal geleerd? Uw gesprek gaat het bereik
van een onnoozel Hollandsch meisje als ik ben ver te boven: en ik weet
er niet naar behooren op te antwoorden."
"Het is dan toch waarlijk al te erg," hervatte ik, "dat al mijn gezegden
zoo verkeerd door u worden opgenomen. Ik zal nog moeten eindigen met u
allerlei onaangename dingen te zeggen, na vooraf verzocht te hebben dat
gij wel zoo goed wilt zijn, al mijn uitdrukkingen letterlijk in den
tegenovergestelden zin op te vatten. In 's hemels naam!" voegde ik er
haastig bij, ziende, dat een wolkje van ongenoegen op het blanke
voorhoofd der jonge schoone begon samen te trekken: "wees niet boos,
maar oefen lankmoedigheid uit jegens iemand, die nu twee jaren buiten de
gelegenheid is geweest een meisje in 't Hollandsch aan te spreken: en
zoo ik iets zeg, dat u mishaagt, schrijf het daaraan toe, dat mijn
blijdschap over de eerste ontmoeting met een stadgenoot mij 't hoofd op
hol brengt. Moet ik het niet als een gelukkig voorteeken opvatten, ja
zelfs er het onweder voor dank weten, dat gij die persoon zijt en niet
de een of andere...." hier schoot ik onwillekeurig uit in schaterend
gelach; want mijn ontmoeting met Simon kwam mij voor den geest.
Mejuffrouw Blaek keek mij eenigszins verbaasd aan, niet wetende wat die
ongemeene vroolijkheid beduidde.
"Ik bid u duizendmaal om vergeving," vervolgde ik: "maar juist
herinnerde ik mij, dat ik reeds hedenmorgen een stadgenoot ontmoet heb,
en wel een Joodje met negotie: dat denkbeeld in verband met hetgeen ik
zeide, kwam mij zoo zot voor, dat ik niet kon nalaten er om te lachen...
UEd. is er toch niet boos over?"
"Niet in het minste! Het spijt mij maar om uwentwil, zoo UEd. aan
voorteekenen hecht; want nu ligt het gansche gebouw uwer hoop in
duigen."
"Nog niet! Op mijn eerste ontmoeting is een geweldige regenbui gevolgd,
en dus heb ik het leed, dat zij mij aanbrengen moest, al beet, maar deze
tweede kan mij niets dan goeds voorspellen."
"Zij voorspelt u een duchtige verkoudheid," zeide het schalksche meisje:
"of kunt gij nogal tegen een nat pak?"
"O ho!" zeide ik: "daar vrees niet ik voor: straks loop ik mij weer
warm?"
"Wel mogelijk!" zeide zij, met een goedaardigen blik: "maar het ware
toch niet kwaad, zoo gij iets naamt om u wat te verwarmen. Het zou mij
voor de eer van mijn oom spijten, indien gij op Guldenhof geweest waart
en niets gebruikt hadt om u te verkwikken. Ik zal zien wat de kast
bevat."
Met deze woorden sprong zij op, nam een bos sleutels, die aan de
boekenkast hing, er af en opende, niettegenstaande mijn betuiging, dat
ik niets behoefde, eene der andere kasten, welke, gelijk ik al vermoed
had, tot buffet diende en waar, behalve eenig Japansch en Chineesch
porselein, een zilveren tabakskomfoor, een kistje en verder toebehooren,
zich ook een likeurkeldertje bevond, hetwelk ik er uitnam en op de tafel
zette.
"Ziehier!" zeide zij: "wat zult gij; nemen? cognac, rum, rosolis,
ratafia! wat gij begeert."
Ik nam een glas cognac aan en voelde inderdaad dat het mij goeddeed.
Intusschen had ik, terwijl mijn schoone gastvrouw in de kast schommelde,
het opschrift gelezen, hetwelk daarboven prijkte en luidde als volgt:
"Gij, die in dit verblijf wilt toeven met gemak,
Gij vindt in deze kast pijp, vuurtest en tabak:
Ook keurig porselein van China's verre kust
En goeden morgendrank, zoo u geen koffie lust."
"Een zeer goede terechtwijzing voor de dieven, die altemet hierbinnen
mochten dringen," zeide ik, "om niet verlegen te zijn, waar zij iets
naar hun gading kunnen vinden."
"O!" zeide Mejuffrouw Blaek: "de koepel wordt goed gesloten: en het
weinige, dat zich hier bevindt, is de moeite van 't inbreken niet
waardig."
"Het schijnt hier vol rijmpjes te zijn," zeide ik, mij omdraaiende, en
het opschrift der boekenkast lezende, 't welk van dezen inhoud was:
"Men streele en voede 't lijf; maar beter nog den geest,
Is voor eene eeuw de les van Vader Cats geweest;
Zoo gij begeerig zijt om onderricht te zoeken,
Hier binnen vindt gij keur van goede en nutte boeken."
"'t Is jammer van 't goud, dat aan de letters verspild is," dacht ik bij
mijzelven; maar te gelijk mompelde ik overluid: "hm! zeer aardig!"
"Thans, heer waarheidspreker," zeide de schalksche plaagster, "ben ik
overtuigd, dat gij niet meent zooals gij spreekt."
"Wat zal ik zeggen," hernam ik, de schouders ophalende: "hoog dravende
poëzie is het juist niet: maar het zijn rijmen, die doel treffen, en dat
kan men juist van alle niet zeggen. Ook moet ik u bekennen, dat ik
hoegenaamd geen gevoel voor, noch kennis van dichtkunde bezit."--En dit
was waar.
"Mag ik eens verder lezen?" vervolgde ik, en hief nu aan met het
opschrift, boven het derde vak geplaatst:
"De leeuw, dien Simsons vuist ter neder heeft geveld,
Had honing in den muil, gelijk de Schrift vermeld:
Maar zoo deez' kast almeê een leeuwenkop besluit,
Daar vliet nooit anders dan gezuiverd water uit."
"Voorwaar!" zeide ik: "ik dacht niet dat ik Simson bij deze gelegenheid
zou aantreffen."
"Wat zal men veel zeggen over een fontein?" zeide Mejuffrouw Blaek, de
schouders ophalende: "onze koepeldichter heeft zelfs kans gezien om op
de wenteltrap te rijmen, die achter dit beschot loopt, en er onze
stamvaders bij te pas te brengen."
Ik wendde mij om en las het vierde opschrift:
"Nieuwsgierigheid heeft vaak den mensch gebracht in 't leed,
Gelijk zij 't Adam en zijn bedgenoot al deed.
Bedenkt dit, eer gij 't waagt, ook deze deur te ontsluiten;
Gij mocht licht tuim'len en u arm of been verstuiten."
"Brr! dat mag hoogdravend, of liever laagvallend heeten," zeide ik: "hoe
jammer, dat de vervaardiger van al die kunstgewrochten de zedigheid
heeft gehad van zijn naam nergens onder te plaatsen."
"O! wat zijn naam betreft," zeide Mejuffrouw Blaek, "die staat buiten
boven den ingang, onder een vijfde opschrift, waarbij hij in brommende
woorden vertelt, dat dit gebouw een koepel is, even of de lieden het
voor een kippenhok zouden aanzien. Het is anders een goede man, die
Lucas Helding; maar het nageslacht zal er weinig aan missen, al zet hij
nimmer weer een pen op het papier."
"Ik houd mij toch overtuigd," zeide ik, dat hij betere dingen maken kan,
wanneer hij waardiger onderwerpen heeft dan een koepel en een
wenteltrap. In zijn hoedanigheid als dichter van Guldenhof heeft hij
ongetwijfeld uwe begaafdheden meer dan eens bezongen: en het kan niet
anders, of het onderwerp moet zijn dichtgeest hebben aangeblazen."
"UEd. raadt wel," zeide zij: "ik heb nog nooit mijn verjaardag gevierd,
zonder een berijmden gelukwensch van hem te ontvangen: en er is geene
godin op den Olympus, waar ik niet bij vergeleken ben geworden.
Ongelukkig had hij verleden jaar zijn stof wat uitgeput; want toen was
ik niet alleen Venus, dat sprak vanzelf, maar Juno, Vesta, Ceres,
Minerva, weet ik wat al meer: 't is waar, ik had hem ook een degenstrik
geborduurd; maar dit jaar kwam ik er slecht af en was niet meer dan
Atalante! dat was een leelijke val."
"Zeker waart gij dezen of genen minnaar ontloopen," merkte ik lachende
aan: "maar komaan! dan wil ik u weder op den Olympus terugbrengen en u
mijn dank als Hebe toebrengen," en ik dronk mijn glaasje uit.
"Hebe bediende alleen de goden, mijnheer!" zeide zij, spottende.
"Ik bid u om vergeving," zeide ik: "zij gaf ook Hercules, die maar een
halve god was, nu en dan wat te drinken, als hij nat te huis kwam."
"'t Is mogelijk!" hernam zij: "ik zal mij niet vermeten te twisten met
iemand die gestudeerd heeft. Wilt gij nog een glaasje?... o hemel! daar
luidt de etensbel! nu zal ik er wel door moeten, regen of geen regen."
"Maar welke barbaren wonen er dan toch op het Huis," vroeg ik, "dat niet
een van hen de beleefdheid heeft u te komen zoeken?"
"Ik durf niet langer blijven," zeide het jonge meisje, met blijkbare
verlegenheid: en haar boek in de kast geplaatst hebbende, nam zij haar
werk op; maar de breikluw ontviel haar en rolde onder de tafel. Ik bukte
juist om die op te rapen, toen opeens de kreet van: "gevonden!
gevonden!" mijn ooren trof, en drie mij onbekende aangezichten zich
gelijktijdig op de stoep vertoonden.
* * * * *
VIERDE HOOFDSTUK.
'T GEEN VERHAALT WAT ME VERDER IN DEN KOEPEL VOORVIEL.
De voorstanders der nieuwe school, welke sedert eenigen tijd in de
letterkunde het hoofd begint op te steken, schijnen, met verwerping der
oude eenvoudigheid, welke wij van de Grieken en Romeinen hadden
ontvangen, in hunne voortbrengselen, vooral in die van dramatischen
aard, machtig veel prijs te stellen op treffende en ongehoorde
tegenstellingen en contrasten, en op alles, wat vreemde en door hun
onverwachte verschijning sterk schokkende uitwerkingen teweegbrengt.
Hiertoe behooren voornamelijk de zoogezegde _coups de théatre_, welke
tegenwoordig bij onkundigen, ja zelfs (ik zeg het met leedwezen) bij
ettelijken, die beter moesten weten, meer indruk maken en meer
toejuichingen verwerven dan de fraaiste gezegden of de schilderachtigste
beschrijvingen onzer beste dichters. Wat mij betreft, wellicht komt het
daar vandaan, dat ik op mijn ouden dag mijn smaak niet weet te plooien
naar dien des hedendaagschen tijds; maar ik kan maar van mijzelven niet
verkrijgen, dat verschrikkelijk bonte, dat sterke licht en bruin, al die
schuddende en schokkende contrasten te bewonderen: en zoo ik al in
enkele gevallen vrede heb met die _coups de théatre_, welke mij
doorgaans eer een lach van medelijden dan een kreet van genoegen
afpersen, het is in een blij- of kluchtspel, waarin ik oordeel dat zij
te huis behooren.
Men vergeve mij deze uitweiding, welke sommigen misschien zal ergeren en
aan allen waarschijnlijk ongepast en misplaatst zal voorkomen; maar het
is een voorrecht van den ouderdom, bij ettelijke gelegenheden wat lang
van stof te worden, en wat te beuzelen, 't geen soms bazelen wordt. Tot
mijn verdere verschooning moet ik zeggen dat de aanleiding daartoe zich
zeer natuurlijk verklaren laat uit den toestand, waarin Mejuffrouw Blaek
en ik, zoowel als de drie nieuwe personages, die ons kwamen verrassen,
ons aan het slot van het voorgaande hoofdstuk bevonden, en welke
toestand over en weder een der aardigste _coups de théatre_ opleverde,
die immer in de gefingeerde tooneelwereld kan worden uitgedacht.
Verbeeld u slechts, aan de eene zijde, den schrijver dezer
gedenkwaardige geschiedenis, in den fraaien dos, die vroeger beschreven
is en die door den regen niet beter van aanzien geworden was, op handen
en voeten onder de tafel liggende om de kluw op te rapen van Mejuffrouw
Blaek, die op het geroep het blonde hoofdje had omgewend, en zoodra zij
de aankomenden herkende, met neergeslagen oogen en bloedroode wangen,
als op haar plaats genageld bleef staan, gelijk iemand, die op een
schuldige daad wordt betrapt:--en, aan den anderen kant, de drie
nieuwaangekomenen, verbaasd en als versuft op den drempel staande om dit
tooneel aan te gapen, en zeker alle drie in den waan verkeerende, dat
het hier niet zuiver toeging, en dat Mejuffrouw Blaek een vrijer had,
die zich onder de tafel zocht te verbergen. Waarlijk, dit leverde een
tooneel op, het penseel van mijn ouden kennis Troost, of een hem
gelijken schilder overwaardig. En opdat het niemand, die zich mocht
opgewekt gevoelen, deze ontmoeting op het paneel te vereeuwigen, aan de
vereischte bijzonderheden ontbreken moge, welke hem in staat kunnen
stellen alles als naar 't leven af te beelden, wil ik hier de
beschrijving bijvoegen van de drie personen, door welke ons tête-a-tête
zoo onverwachts gestoord werd.
De voorste van hen was niemand minder, dan de eigenaar zelf der
hofstede, de Heer Jacobus Blaek, een man van middelbare lengte, schraal
en ongezond van uitzicht, en voorzien met een gelaat, waarvan men de
kleur gevoeglijkst bij die van een glas zuiver Amsterdamsch grachtwater
zou kunnen vergeleken hebben. De rimpels, die zijn voorhoofd groefden,
de ziekelijke uitdrukking van zijne, diep in de kassen weggezonken
oogen, de ver vooruitstekende kin en magere wangen, en het gemis van de
grootste helft zijner tanden, gaven hem het voorkomen eens afgeleefden
grijsaards; ofschoon hij werkelijk niet ouder was dan drie en vijftig
jaren. Zijn houding echter was altijd afgemeten en deftig; ja, in
sommige gevallen niet van waardigheid ontbloot, en zijn voorkomen dat
van een fatsoenlijk man. Zijn gewaad bestond in een effen zomerrok van
gevlochten zilverdraad. Van uit de breede omslagen der mouwen, die tot
even onder de ellebogen reikten, viel een aanzienlijk pak lubben op den
voorarm neer. Het kamizool was van zwart gebloemd damast, evenals de
wijde broek; en tusschen beide in blonk een hagelwit linnen. De zijden
kousen staken in groote vierkante schoenen met hooge roode hakken
voorzien. Hij droeg thans geen degen, maar een kostbaren hartsvanger op
zijde, aan een zilveren ketting, in een scheede van robbevel, en waarvan
het gevest van ivoor was vervaardigd, ingelegd met goud. Een touwen
pruik en daarboven een witte lakensche pet met een breede ver
vooruitstekende klep, bedekten het hoofd: en een das met kantwerk aan de
tippen, waarover rijkelijk snuif gestrooid was, omstrikte den hals. In
de rechterhand hield hij een langen bruinen rotting met barnsteenen
knop, en in de linker een regenscherm.
Rechts achter hem bevond zich zijn eenige zoon, de Heer Lodewijk Blaek,
een rijzig, kloek gebouwd jonkman, met groote bruine oogen, een
welgevormden mond en regelmatige trekken, welke hem een allergunstigst
uiterlijk zouden geschonken hebben, indien er niet in zijn schuinschen
blik en in de wijze, waarop hij gewoon was den neus en de onderlip op te
halen, iets ware gelegen geweest, dat van hoogmoed en verachting sprak
en een onaangename uitdrukking over zijn gelaat verspreidde: en indien
niet enkele roode vlekjes, op zijn fletse wangen verspreid, te duidelijk
heur herkomst hadden geopenbaard van de menigvuldige brasserijen en
nachtwaken, die toen, wat ook een _laudator temporis acti_ moge zeggen,
meer in zwang waren dan tegenwoordig. Zijn kleeding was rijker en meer
nieuwmodisch dan die van zijn vader, ofschoon insgelijks die van een
buitenman; maar zijn rok was van groen laken, als bezaaid met een
onnoemelijk getal kleine ronde knoopjes, en met wingerd-ranken van
groene vlaszijde om de zakken en op de naden geborduurd. Zijn broek,
waarboven een driedubbele gouden horlogeketting bungelde, was van geel
leder: zijn gerolde bovenkousen van gele zijde, en de onderkousen van
geweven touwwerk; van onder een ouden hoed, dien hij zeker in de haast
had opgezet, golfde een fraaie pruik van kastanjebruin haar in sierlijke
krullen naar beneden, en deelde zich op den nek in twee zoogenaamde
_marteaux_, waarvan slechts de eene zijn weg over den rug vervolgde,
terwijl de andere, naar den toen heerschenden smaak over den
linkerschouder naar voren was gebracht. Hij droeg degen noch jachtmes;
maar een klein hondenzweepje met een gouden fluitje aan den steel stak
hem onder den arm uit, terwijl ook zijne hand zooals die zijns vaders
gewapend was met een regenscherm; het zijne echter was van rood taf met
gelen rand, bloemen en gewerkte franje: dat van zijn vader van grof
linnen en meer ouderwetschen vorm.
Wat de derde personage betrof, die meer achterwaarts bleef en de
slinkerhand hield, deze was niemand anders dan de Heer Lucas Helding, de
voortbrengselen van wiens vernuft ik in het vorige hoofdstuk heb
medegedeeld. Men had den goeden man slechts aan te zien om gewaar te
worden, dat hij door de beide Heeren, in wier gezelschap hij zich
bevond, slechts geduld was en niet meer, en er verre van af was, die
onafhankelijkheid te bezitten, waarop de Muzenzonen gewoon zijn zich te
laten voorstaan. En waarlijk, het was, in die dagen zooals nu, een
beklagenswaardig lot voor een inboorling van ons Gemeenebest, wanneer
hij, niet door de fortuin bedeeld zijnde, zijn brood met de beoefening
der schoone kunsten en wetenschappen verdienen moest: vooral in
Amsterdam, waar men weinig of geene achting koesterde voor al wie aan de
begaafdheden, welke hem de natuur geschonken had, het gewicht niet wist
bij te zetten van eenige goede zakken met dukaten en eenige liassen
schuld- en kustingbrieven;--maar meer dan één schilder, wiens
voortbrengselen thans duizenden gelden, in een gasthuis stierf; waar
meer dan één plaatsnijder zich uit armoede verdronk en menige geleerde
op een vliering woonde.
Er was er echter onder de begunstigden van Apollo en het negental, aan
wien wel geen rijkdom te beurt viel, maar toch een zeker bestaan werd
verschaft,--zeer draaglijk voor alledaagsche geesten; maar voor
hoogvliegende vernuften meer onverduurbaar wellicht dan de ellende
zelve. Hoewel onze Amsterdamsche Patriciërs (ik spreek hier in 't
algemeen: er bestonden enkele en treffelijke uitzonderingen) weinig met
de beoefenaars der kunst ophadden, zij konden, bij de steeds klimmende
weelde, de kunst zelve hoe langer hoe minder missen. Men bouwde overal
nieuwe en prachtige huizen: goed: men betaalde de bouwmeesters wel; maar
dan moesten er ook beelden en vazen zijn in de voorportalen en gangen;
schilderijen op de behangsels; basreliefs boven de deuren; allegoriën,
beeldspraken en deviezen aan de gevels, stoepen, tuin- en
zomerhuizen.--Men had fraaie rijtuigen;--maar de paneelen moesten met de
wapens des eigenaars en met keurig schilderwerk prijken. Men had
sierlijk aangelegde lusthoven; maar dit moest een ieder weten, en daarom
moesten die in een "deftig dicht", gelijk men 't noemde, bezongen
worden. Men had boekerijen;--maar het was niet altijd de zaak des
eigenaars om die zelf te verzamelen. Eindelijk, men had van Augustus en
Mecenas hooren spreken, van de aanmoediging en bescherming, door hen aan
de kunst verleend, en hoe zij, ter wedervergelding, door dichters en
kunstenaars werden geëerd en geprezen: en nu moest ieder, die geld had,
een Augustus of Mecenas worden en ten minste aan een paar schilders of
dichters zijn hooge gunst doen blijken. Dat bij sommige aanzienlijke
ingezetenen een wezenlijk gevoel voor het schoone en goede bestond, kan
niet geloochend worden; en ik zal de eerste zijn om hulde te doen aan
mannen, gelijk ik er velen gekend heb, die met den luister hunner
geboorte en het aanzien, dat stand en rijkdom hun gaven, vernuft,
geleerdheid, goeden smaak en echten kunstzin wisten te vereenigen; maar,
dat het bij de meesten een zaak van mode was, zal evenmin weersproken
worden door iemand, die van den toenmaligen tijdgeest slechts een flauwe
kennis draagt:--en zoo gebeurde het, dat schilders van den eersten rang
hunne goddelijke kunst moesten verlagen om die te doen strekken tot het
versieren van vertrekken of staatsiekoetsen, of het teekenen van
perspectieven aan het einde eener laan en op de wanden eener oranjerie:
of wel, tot het afbeelden van hun beschermer en zijn huisgezin, in de
door hen gekozen, vaak belachelijke gewaden en houding;--dat de dichter
zijn vlucht beperken moest binnen de enge grenzen van het lofdicht, ter
eere van den rijkaard, die hem betaalde, en van het beschrijvend
gedicht, ter verheffing van de buitenplaats, waar hij nu en dan het
onwaardeerbaar voorrecht genoot een paar dagen door te brengen: wanneer
er namelijk geene meer aanzienlijke gasten waren dan de jongste
boekhouder en diens familie.--Want, waagde hij het, hooger tonen te
slaan, hij kon van te voren berekenen, dat zij hem geen stuiver zouden
opbrengen.
Zoodanig een lot was ook dat van Lucas Helding, wien de Heer Blaek zich
had aangetrokken, niet omdat deze eenig gevoel voor de dichtkunst bezat,
maar omdat gezegde Lucas Helding hem eenige jaren vroeger, door zijn
zoon Lodewijk (die er zijn redenen voor had) was aanbevolen geworden tot
het bezingen der schoonheden, welke de hofstede Guldenhof opleverde.
Ettelijke honderden van exemplaren in 4° formaat, met fraaie lederen
banden en goud op snede, onder de vrienden en kennissen van den Heer
Blaek rondgedeeld, getuigden, hoe treffelijk zich de hofdichter van zijn
taak gekweten had; en deze, hierdoor onder het patronaat van den
eigenaar der door hem bezongen hofstede gekomen, genoot sinds de
benijdbare onderscheiding, van somtijds bij zijn beschermer eenige dagen
te mogen doorbrengen en nu en dan met een kleine _douceur_ in geld, of
wel met een ouden rok of hoed te worden vereerd. Hij had het in waarheid
slechter kunnen treffen, want op Guldenhof waren geen kinderen, die men
te vergezellen had, wanneer zij in een bokkenwagentje reden (een
bezigheid, die gewoonlijk anders aan zulke logeergasten werd
opgedragen): geen Fransche gouverneur, met wien men uitgestuurd werd ter
wandeling en wien men niet verstaan kon: geen vrouw des huizes, die de
portiën aan tafel zelve voordiende en zorg droeg, dat een gast als deze
niet meer kreeg dan zijn bekomst;--het gansche huisgezin bestond er
slechts uit drie personen, waarvan twee zich weinig of niet met hem
bemoeiden, en de derde--een engel was. Lucas Helding sleet dus, zoo
dikwijls hij op Guldenhof kwam, daar werkelijk gulden dagen; at en dronk
zooveel hem lustte, wandelde waarheen hij wilde, mocht ongemoeid in de
boekerij snuffelen, en vond Mejuffrouw Blaek altijd gereed en genegen om
een praatje met hem te maken en hem te plagen.
Met dat al, men behoefde, gelijk ik reeds heb gezegd, onzen Muzenzoon
slechts aan te zien, om zich overtuigd te houden, dat zijn financiën
zich geenszins in een voordeeligen staat bevonden, en Plutus hem evenmin
gunstig was geweest als zoovelen anderen, die voor en na Lucas Helding
de lier van Apollo getokkeld hebben.
Mijn bemerking geldt echter alleen het uiterlijke voorkomen van den man;
want niettegenstaande zijn soberen opschik, schenen zijn ronde buik en
blozende wangen van een betere keuken en meer voorzienen spijskelder te
gewagen dan hem gewoonlijk ten deel viel: en de goede moeder natuur had
het vergoedingsstelsel te zijnen opzichte in zooverre gevolgd, dat zij
hem bij zijn armoede een gelukkig humeur en een blijde vroolijkheid had
geschonken, welke hem de nukken der fortuin trots den besten wijsgeer
deden tarten, en alleen, gelijk uit het vervolg zal blijken, nu en dan
voor smarten van een meer treffenden aard moesten zwichten. Zijn rond en
open gelaat, zijn kleine, maar geestige oogen, zijn lachende roode
lippen, hadden, om voordeelig uit te komen, een betere lijst verdiend
dan het magere pruikje, waaruit eenige grijze haren ontsnapten, die te
kennen gaven, dat hun eigenaar de zes kruisjes reeds achter den rug had.
Wat het overige van 's mans kleeding betrof, om met een dichter van zijn
slag te spreken,
Zijn kamizool, schoon 't van damast was,--
Was 't slechtste stuk, dat aan zijn bast was,
en miste reeds lang de grootste helft der knoopen, waarmede het vroeger
versierd was geweest en wier plaats tegenwoordig vervuld werd door een
menigte spelden, zoo hoog opgestoken, dat zij het vraagpunt in 't midden
lieten, of er al dan niet eenig linnengoed onder dat vest verborgen was.
De rok was bij uitstek fraai ... geweest, maar de kleur der gele, blauwe
en oranje ruiten, welke daarop te zien waren, was lang verschoten en het
fatsoen ten eenenmale ouderwetsch geworden: ook was hij niet ruim
genoeg, om dichtgeknoopt te kunnen worden over den vooruitpuilenden
buik, die met moeite geborgen werd in een groen fluweelen broek, welk
laatste kleedingstuk, nog zoogoed als nieuw zijnde, merkelijk tegen de
rest afstak. Witte geweven kousen, welke tot boven de dijen reikten en
onder de knie met een paar marokijnen kousebanden opgehouden werden,
omsloten de korte en met fraaie kuiten voorziene beenen, waarmede hij
angstig op en neder trippelde, om een paar groote honden van den Heer
Blaek te ontwijken, die er vermaak in schenen te vinden om hem in
verlegenheid te brengen. Wanneer men zich nu bij dit alles een klein
degentje met tinnen gevest, onder het rokspand half verborgen, en een
paar lomp gemaakte schoenen voorstelt, zal men zich een klaar denkbeeld
kunnen maken van den persoon van Lucas Helding. Ook hij droeg een
regenscherm; maar het zijne was zoo bedekt met lappen en zetstukken, dat
de oorspronkelijke aard en kleur der stoffage niet langer te onderkennen
was.
De drie personages, waarvan wij de beschrijving hebben gegeven, bleven
dan, als gezegd is, in stomme verbazing op de stoep staan en herinnerden
Helding, gelijk deze naderhand beweerde, aan soldaten, die,
Verdadight met een dack
Van schilden (_regenschermen_) dicht gevoeght,
een bres beklimmen en halverwegen worden gestuit.
De verbazing, welke zich op de drie onderscheidene troniën vertoonde,
leverde een kluchtig en veelbeteekenond contrast op. Bij den ouden Heer
Blaek scheen zij vermengd met een gevoel van angst en toorn, 't welk hem
den mond wijd deed openen en den knop van zijn rotting krampachtig
vastknijpen. Zijn zoon wierp het hoofd in den nek, en trok den neus en
de wenkbrauwen naar boven: en op de lippen van Helding rees een
glimlach, dien hij zich haastte met de hand te bedekken, in de
onzekerheid, hoe een scherts met dit voorval zou kunnen worden
opgenomen.
Het stilzwijgen, door de wederzijdsche verrassing veroorzaakt, duurde
echter niet lang: de drie Heeren traden binnen, voorafgegaan door de
beide honden, die dadelijk al blaffende en grommende toeliepen naar den
ongelukkigen indringer, die ondertusschen, met de kluw in de hand, van
onder de tafel voor den dag gekomen was: en de jonge juffrouw ging haar
oom een schrede te gemoet.
"Wij kwamen u halen, Mejuffer!" zeide de Heer Blaek, op een toon van
ontevredenheid, welken de omstandigheid eenigszins wettigde, en zonder
eenige de minste notitie van mij te nemen: "niemand wist waar gij
heengestoven waart."
"Ik was ... ik zat hier te lezen. Oom!" antwoordde het lieve meisje,
beurtelings rood en bleek wordende: "het regende zoo, en...."
"Wij waren bang dat gij u verveeld zoudt hebben," zeide Lodewijk Blaek
met een schamperen lach, terwijl hij tevens een schuinschen blik op mij
wierp: "maar wij wisten niet, dat gij gezelschap hadt."
De Heer Blaek wierp op zijn zoon een eenigszins onvergenoegden blik en
wendde zich tot mij, als om mij te vragen, wie ik was, toen ik,
verlangende mijn lieve gastvrouw uit de verlegenheid te redden,
vooruittrad en hem voorkwam.
"Ik hoop, Mijnheer Blaek," zeide ik, "dat gij het mij niet ten kwade
zult duiden, zoo ik hier voor eenige oogenblikken een schuilplaats tegen
den regen heb gezocht."
"Het staat voor de deur," mompelde Helding halfluid:
Zoo gij voor regen vreest of gure noordenwinden,
Gij kunt in dit verblijf een zoete schuilplaats vinden...."
"Gij waart zeker bang," voerde Lodewijk Blaek mij spottende te gemoet,
"dat het dak lekte, en dat gij slechts onder de tafel tegen den regen
beveiligd zoudt zijn."
"Ik raapte deze kluw op, die de juffer had laten vallen," zeide ik, zoo
bedaard mogelijk, en reikte meteen het garen aan mijn bekoorlijke
gastvrouw toe, die het met een beleefde nijging aannam.
"En waart gij ook al aan 't borrelen, Nichtje?" vroeg Lodewijk, naar de
tafel gaande en een der fleschjes opnemende: "mij dunkt gij hieldt hier
open hof. Wat zeg je, poëet!" (tegen Helding) "heeft de maag ook een
prikkel noodig, voor wij aan tafel gaan?"
Helding naderde met eenige strijkages, en, het glas opnemende, dat
Lodewijk voor hem had ingeschonken, hield hij het zoolang in de hand,
totdat de zoon van zijn beschermer het zijne geledigd had, waarna hij
met kleine teugjes de fijne likeur begon in te slorpen.
"En heeft mijn nicht U genoodigd, hier te koomen schuilen, vriendje?"
vroeg mij de Heer Blaek op een vrij knorrigen toon, tegelijkertijd zijn
parapluie aan Helding overhandigende, die, reeds zijn handen vol
hebbende, zich haastte zijn glas op tafel te zetten en de beide
regenschermen neder te slaan.
"Het is hier anders een besloten plaats," vervolgde de eigenaar van
Guldenhof, een zware gouden snuifdoos voor den dag halende en er drie
vingers van zijn rechterhand in dompelende: "en geen herberg, waar
iedereen zoo maar vrij mag inloopen." Dit gezegd hebbende, bracht hij de
lading snuif, tusschen zijn vingers bevat, naar haar bestemmingsoord, en
stak de doos aan Helding toe, die, deze beleefdheid niet durvende
weigeren, spoedig de beide natte regenschermen onder den linkerarm
bracht, tot groot nadeel voor zijn kleed, en met de rechterhand van het
aangeboden gunstbewijs gebruik maakte.
"Mejuffrouw is zoo vriendelijk geweest, mij niet van hier te jagen,"
antwoordde ik, eenigszins bedremmeld over de barsche toespraak van den
Heer Blaek: "overigens is het schrikkelijke weer mijn verschooning, zoo
ik onbescheiden geweest ben. Mijn naam is...."
"Ik vraag u niet naar uw naam," viel mij de oude Heer in de rede.
Eenigszins hardhoorend, en buitendien ontevreden zijnde, verstond hij
slechts ten halve hetgeen ik vrij zachtjes gezegd had; "maar mij dunkt,
het weer is nu al heel wat bedaard en gij kost nu wel weer opkuieren,
vriendje!"
Tegen dezen wenk, of dit bevel, was niets in te brengen: ik trad
derhalve naar Mejuffrouw Blaek, en haar mijn dank betuigende voor haar
vriendelijk onthaal, vroeg ik, of zij mij ook eenige bevelen te geven
had voor Amsterdam.
"Ik dank u, Mijnheer Huyck!" zeide zij, met nadruk mijn naam doende
hooren: "ik denk zelve eerstdaags daar te komen en hoop misschien van de
week nog Mevrouw uw moeder en Santje te komen bezoeken."
Het hooren dezer woorden bracht geen geringe verandering in de
gelaatstrekken der aanwezigen teweeg. De Heer Blaek zag op, gelijk men
zegt, alsof hij het te Keulen had hooren donderen: Lodewijk begon te
lachen; doch op een wijze, die mij nog onbeleefder toescheen dan zijn
trotsche blik van kort te voren, en Helding liet van verbazing de beide
regenschermen op den grond vallen.
"O ho! is het een kennis van u, Jetje?" vroeg Lodewijk, na een oogenblik
zwijgens! "wel, had je dat maar terstond gezeid, meidlief! daar was
vader, die zich al verbeeldde dat Mijnheer een medegenoot was van de
bende van Jaco."
"Huyck! Huyck!" herhaalde de Heer Blaek, zijn nicht en mij beurtelings
aanziende: "is Mijnheer van de familie van den Hoofdofficier van dien
naam?"
"Ik ben zijn zoon," antwoordde ik, met een buiging: "heeft Mijnheer ook
eenige boodschappen?"
"Ik wist niet, dat UEd. in kennis waart met mijn nicht," vervolgde hij,
zonder op mijn aanbiedingen te letten: "Mijnheer is, geloof ik,
uitlandig geweest?.... anders zou Mijnheer weten, dat het de gewoonte in
Holland niet is, dat jonge dames, wanneer zij; alleen zijn, bezoeken van
Heeren ontvangen."
"Ik kom van de reis," hervatte ik, eenigszins geraakt: "en zie
Mejuffrouw Blaek heden voor de eerste maal. Ik wist niet, dat er zich
iemand in den koepel bevond, waarin ik schuilen kwam; anders ware ik zoo
onbescheiden niet geweest."
Het scheen mij toe, alsof deze mijne verklaring den Heer Blaek een pak
van het hart nam: en, als wilde hij zijn onbeleefdheid vergoeden, vroeg
hij mij, of ik niet tot zijnent wilde komen en iets gebruiken. Ik sloeg
zijn aanbod af, zeggende dat ik mij spoeden moest, daar ik gaarne voor
poortsluiten binnen Naarden wilde wezen."
"Welnu! steek dan ten minste een pijp op voor uw vertrek," zeide de Heer
Blaek: "Lodewijk zal wel een tondeldoos bij zich hebben."
"Ik heb mijn vuurslag vergeten," zeide Lodewijk, zich met
onverschilligheid omwendende. "Helding! neem eens de moeite van die
glaasjes wat om te spoelen en in het likeurkeldertje te bergen."
"Foei!" zeide Henriëtte (ik wist nu haar naam): "dat is dameswerk: dat
zal ik wel bezorgen."
"Ik ben het rooken buitenslands verleerd," zeide ik, en groette nogmaals
het gezelschap. Op de stoep gekomen, hoorde ik Lodewijk overluid zeggen:
"Nu ja: geloof maar vrij, Jetje! dat het de zoon van den Heer Huyck zou
wezen. 't Is een verkleede fielt, die zien komt of er iets van zijn
gading is."
Ik hield mij niet op om te weten of de bevallige Henriëtte mijn
verdediging op zich zou nemen, maar stapte, niet weinig ontevreden over
de handelwijze zoo van vader als zoon, de hofstede af. Dewijl de koepel,
wanneer men van den kant van Amersfoort kwam, voorbij het hek was, moest
ik, den landweg vervolgende, dien nogmaals langs gaan. Toen ik zulks
deed, lichtte ik beleefdelijk den hoed tot afscheid. De Heer Blaek
beantwoordde mijn groet op een koele, doch gepaste wijze: zijn zoon zag
mij aan met een onbeschaamden blik, dien ik hem met woeker teruggaf. Wat
zijn nicht betrof, 't zij; uit verlegenheid, 't zij uit
onverschilligheid, 't zij omdat zij aan de inblazingen van Lodewijk
gehoor had gegeven, zij bleef met den rug naar het venster gekeerd met
Helding praten: en mijn hoop, om nog een enkelen blik als vaarwel te
erlangen, was in rook vervlogen.
De bui was nu geheel over en de lucht aangenaam verfrischt door het
onweder; slechts enkele waterlooze wolkjes dreven nog in het zwerk rond.
Vroolijk zweefden de vogels om mij heen, als om de wederverschijning van
het zonlicht te begroeten. De weg daarentegen was, als te denken is, nog
glibberig en vol plassen; alleen het voetpad was redelijk;--maar ik had
zeker al een geruimen tijd doorgestapt, eer ik, 't zij op het fraaie
weer, 't zij op den slechten weg begon te letten; zoo geheel waren mijn
gedachten van de zonderlinge ontmoeting op Guldenhof vervuld. Een
onbeschrijfelijke en mij toen nog onbegrijpelijke mengeling van hoogst
genoeglijke en alleronaangenaamste gewaarwordingen hield mij bezig. Met
verrukking dacht ik aan het lieve gezichtje, aan de zoete, welluidende
spraak, aan het spelend vernuft der beminnelijke Henriëtte; maar met
wrevel en misnoegen aan de zotte rol, die ik, naar mijn meening,
tegenover haar gespeeld had. Ik ging al de woorden na, die ik had
uitgesproken, de geheele houding, die ik had aangenomen, en ik vond al
wat ik gezegd en gedaan had, zot en onverstandig. De oude Heer Blaek had
mij in den aanvang, de zoon bij voortduring, onbeleefd behandeld! doch
hunne bejegening trok ik mij minder aan dan die van Henriëtte, welke
mij, ik kon het mijzelven niet ontkennen, tot afscheid den rug had
toegedraaid. Ongetwijfeld, dacht ik, was zij mijn gezelschap lang reeds
moede, en blijde daarvan eindelijk ontslagen te worden: ongetwijfeld had
ik het onderhoud, dat zij wel met mij heeft willen voeren, alleen te
danken aan het slechte weer, dat haar dwong met mij te blijven, aan haar
beleefdheid en aan haar vriendschap voor mijn zuster--en geenszins aan
eenig behagen dat zij er in schepte.--Dan weder vroeg ik mij af, wat mij
toch eigenlijk hare welwillendheid of tegenzin aanging, en hoe ik mij
zoo verlegen kon maken over de gevoelens, te mijnen opzichte gekoesterd
door een juffer, die ik voor de eerste maal mijns levens zag. Ik had
toch op mijn reizen vele vrouwen en meisjes ontmoet, zoo schoon en
misschien nog schooner dan deze: maar nooit had eene daarvan zulk een
indruk op mij gemaakt. Was die teweeggebracht door het verrassende, het
romaneske (gelijk men het thans zou noemen) der ontmoeting?--Maar
zooveel ik mijzelven kende, was mijn karakter kalm en bedaard; zelden of
nooit nam mijn ziel haar vlucht naar het gebied der verbeelding, en
niemand had ooit uit zijn aard minder aanleg dan ik om zich idealen te
scheppen, die met ingebeelde hoedanigheden te versieren, de
wezenlijkheid aan den schijn op te offeren: in 't kort, een romanheld te
worden. Ik verwonderde mij dus zelf over de onrustige beweging, die ik
in het hoofd voelde, en over de ongewone heftigheid, waarmede mij het
hart in den boezem klopte: ja, ik was er ten laatste niet verre af, om
die toe te schrijven aan den invloed van den brandewijn, dien ik
genuttigd had, en die misschien van beter en sterker allooi was dan de
geestrijke dranken, welke men in andere landen tapte.
Wat hiervan wezen mocht, de gespannen stemming, waarin ik mij bevond,
verliet mij niet eer, dan toen ik, met natte voeten en een hongerige
maag, mij voor de herberg van Eemnes bevond, alwaar ik mijzelven had
voorgesteld het middagmaal te houden.
* * * * *
VIJFDE HOOFDSTUK.
HETWELK BANGE LIEDEN BIJ AVOND NIET MOETEN LEZEN.
"Wel dat treft nou ongelukkig!" riep de waardin, na mijn schoenen bij
het vuur in de keuken geplaatst, en mij in een opkamertje te hebben
gelaten, waar zich een tafel bevond, beladen met de overblijfselen van
een aldaar gehouden middagmaal: "dat is jammer, koopman! dat je nou geen
amerijtje vroeger 'ekomen waart! dan had je mee kunnen anzitten met twee
passeziers, die hier 'egeten hebben en bijkans al de proviand uit mijn
huis hebben met 'epakt."
"Zoo!" zeide ik, niet zeer gesticht over deze onwelkome mededeeling, en
voorziende, dat mij de overgeblevene spijzen nu dubbel zouden worden
aangerekend: "waren dat zulke schrokkers?"
"Dat wil ik nou justement niet zeggen," antwoordde de vrouw des huizes,
terwijl zij de overgeschoten kliekjes ontweldigde aan de duizend en eene
vlieg, die er op aasden: "de jonge vrijster althans heit bijkans geen
mond vol 'egeten; maar zij hebben al wat ik nog overhad an vleisch en
nog een brood, dat ik van den bakker heb laten halen, in een groote
blikken trommel 'estopt, die zij met zich hadden, puur as gingen zij
naar het onbekende Zuien, en of er te Naarden of te Weesp, waar zij dan
ook heentrokken met 'erlui huifkar, geen sikkepitje te krijgen ware."
Het woord huifkar herinnerde mij terstond aan den man, dien ik tot Czaar
verheven had: en ik vroeg aan de waardin of de reiziger niet een rooden
mantel droeg?
"Een kerel as een boom," antwoordde zij: "en dien ik niet graag alleen
in een bosch zou ontmoeten. Ja kijk! as de vrijster niet zoo'n hupsche
deern was 'eweest, en as ze niet alles pront betaald hadden en nog een
fooi an de meid 'egeven toe, dan zou ik bij mijn zondige ziel 'edacht
hebben, dat het Zwarte Piet zelvers was. Ik had warentig medelijen met
het arme schaap, zoo bedrukt as ze keek,... maar met dat al mot je geen
honger lijen, koopman! en ik zou deur al dat praten wel heelendal
vergeten van je te bedienen. Nou! ik zeg, je heit ook al een weertje op
weg 'ehad! 't Zel de boeren ook rouwen, die 'erlui hooi nog niet binnen
'ehaald hebben. Het onze is deur Gods zegen al in de schuur, op een paar
wagens na van een kampje, dat ver leit, heel onder Eembrugge; maar er
zijn lui, die het altoos op het laatste laten ankomen. Heb je nog ergens
'eschuild, koopman?"
Niet ongenegen om aan mijn praatzuchtige gastvrouw de gelegenheid te
verschaffen, haar tong te vieren over een belangrijker onderwerp dan
haar hooibouw, vertelde ik haar, dat ik op Guldenhof den regen ontvlucht
was.
"Op Guldenhof!" herhaalde zij, eenigszins vreemd opziende: "een mooie
plaats, hè? Ken je meneer Blaek? Hij houdt er anders niet veul van, dat
men zoo bij hem oploopt."
"Ik ken hem slechts van aanzien," antwoordde ik: "ook heb ik niet in
huis, maar op den koepel geschuild."
"Nou kijk! dat had hij eensjes motten weten!--Niet, of 't is een
weldoend Heer, die veul an de arme lui geeft, dat mot ik zeggen: lest
heit hij nog twee dikketonnen en een flesch wijn 'ezonden an Lijs, de
vrouw van Tymen den varkenslachter, die een kwaje kraam 'ehad
heit;--maar ik wil maar zeggen--hij ziet niet graag menschen bij zich:
hij leeft zoo wat eenigjes met zen nicht en zen zeun, en een mild heer,
dat beloof ik je.--Men zeit zoo, ze zullen een paartje worden
samen:--Volle neef en volle nicht! 't is niet zoo as 't hoort!"
Ik kon niet nalaten innerlijk deze uitboezeming der waardin te beamen,
schoon niet uit dezelfde beweegreden als de goede vrouw, die, tot den
Roomschen godsdienst behoorende, gelijk uit het gouden kruis op haar
boezem te bemerken was, een dergelijk huwlijk af moest keuren, als met
de kerkwetten in strijd. Intusschen had haar aanmerking mijn
nieuwsgierigheid opgewekt.
"En zou dat huwelijk al spoedig doorgaan?" vroeg ik.
"Dat 'loof ik niet, koopman!--Dat jonge Heerschap is zoo wat los en
liber, zooals ik zei: en houdt te veul van zijn vrijheid om van nou af
aan den ketting te liggen."
Het bericht, dat Lodewijk Blaek zijn nicht waarschijnlijk trouwen zoude,
was mij hoogst onaangenaam geweest;--doch de gedachte, dat hij zulk een
verbintenis niet op den waren prijs zou stellen en die als een lastigen
band beschouwen, maakte hem volkomen hatelijk in mijn oogen.
"Nou!" vervolgde de waardin: "ik ken 't me wel begrijpen: het meisje
heit van der aigen niet veul, zeggen ze: en 't is maar een schraal
poppie: hij kan wel wat beters krijgen!"
Ik keek de waardin aan, die de slanke, bevallige Henriëtte een schraal
popje dorst noemen: het was een dikke, gezonde zus, met wangen of zij de
hel had aangeblazen: zij scheen mij op dat oogenblik zoo afschuwelijk
toe, dat ik niet verkoos, verder een woord met haar te wisselen; maar
slechts verzoekende, dat zij wat spoed maken zonde, mij voor het venster
plaatste en haar den rug toekeerde. Of zij uitgepraat had, weet ik niet:
althans zij had de tafel opgeruimd en verliet mij, met de belofte in een
ommezientje met het eten terug te wezen.
Niets beters te doen hebbende, vermaakte ik mij gedurende haar
afwezigheid met uit het raam te zien, hetwelk het uitzicht had op de
niet verre van daar aan de overzijde van den weg gelegene kerk, een
kloek gebouw, met twee verdiepingen en transen en van een tamelijks
spits voorzien. Meer nabij en vlak tegenover mij stond een koepeltje,
wat minder prachtig dan dat van Guldenhof, en het uitzicht hebbende over
een tuintje, hetwelk geen ander plantsoen bevatte, dan eenige
heestergewassen, in dier voege geschoren, dat zij allerlei figuren op
een wanstaltige wijze nabootsten.
Ik bekeek deze voorwerpen, welke mij eigenlijk bijzonder weinig belang
inboezemden, zoo lang, totdat de wasem, welken mijn adem op de
glasruiten had teweeggebracht, die aan mijn oog onttrok, en bleef toen
kijken, totdat ik bespeurde, dat mijn gedachten ergens anders waren: ik
bespeurde zulks, zeg ik, en wel aan een onwederspreekbaar teeken: ik had
namelijk met den vinger een H en een B in krulletters op de ruit
getrokken.
Ik werd, toen ik dit ontdekte, eenigszins wrevelig tegen mijzelven, en
haastte mij, deze vruchten mijner afgetrokkenheid van gedachten uit te
wisschen, als ware ik bang geweest, dat iemand die lezen zoude en een
geheim raden, dat ik mijzelven nog niet bewust was.
Deze daad bracht mij opeens van het rijk der verbeelding tot het
werkelijke leven terug: want het nu weder heldere glas deed mij iemand
zien, die, een weinig zwaaiende, althans met geen vasten stap, van den
kant van Soest kwam aangetreden:--en terstond herkende ik in dien
persoon denzelfden Andries, die zulk een opschudding te Soest had
verwekt.
Reeds wenschte ik mijzelven geluk, dat ik niet op den weg door dien
lastigen kwant was ingehaald geworden, toen ik tot mijn spijt
gewaarwerd, dat onze matroos, die ongetwijfeld niet gewend was een
kapelletje voorbij te gaan zonder eens aan te leggen, naar de huisdeur
stevende en binnentrad. Hoe blijde was ik, dat ik in een afzonderlijk
kamertje gezeten was! "Mits nu maar," dacht ik, "de waardin dien niet
hier brengt om met mij te eten, gelijk zij mij met dien vreemdeling en
zijn dochter had willen doen spijzigen!"
Doch dit liep beter af: na een geruime poos kwam de vrouw des huizes
terug met eenig brood en spek en een kan bier. Ik haastte mij, haar mede
te deelen, dat ik 's morgens te Soest eenig ongenoegen gehad had met den
man, die beneden zat, en liever niet met hem opnieuw in aanraking
wenschte te komen.
"Nou! ik 'eloof het wel!" zeide de waardin: "'t is een ongemakkelijke
kompeer ook as hij begint, die eigenste Andries;--maar hij zel zich nou
stil houen hoop ik; hij zit althans heel bedaard een glaasje bier te
drinken, en een praatje te maken met een kennis van hem, die juist
beneden was:--zij spreken ondertusschen een rare taal: maar die ik
liever niet hoor dan al: 't is Duitsch [3] en toch geen Christenziel kan
't verstaan: 't is net dieventaal."
Ik maakte geen aanmerkingen op dit gezegde der waardin, hetwelk zoo
volkomen strookte met de slechte gedachte, die ik reeds van den knaap
had opgevat. Alleen verzocht ik haar, mij te zullen waarschuwen, zoodra
Andries vertrokken was, daar ik niet op zijn gezelschap langs den weg
gesteld was. Na dezen maatregel van voorzorg zette ik mij aan tafel en
begon niet zonder graagte, op de mij voorgezette spijzen aan te vallen.
Zoodra echter mijn eerste honger gestild was, ging ik met meer
bedaardheid te werk, ten einde mijn maal ten minste zoo lang te rekken,
totdat Andries de herberg zoude verlaten hebben: doch, spek en brood
waren reeds van het bord naar mijn maag verhuisd en de stem van den
lastigen matroos deed zich nog in het onderhuis hooren. Ik stond op,
liep wrevelig de kamer op en neder, begon ma eindelijk verwijtingen te
doen, dat ik voor den twistzoeker vreesde en bloosde een oogenblik over
mijzelven.
"Kom!" dacht ik: "waarom niet moedig de deur uitgestapt?--Misschien ziet
mij de kerel niet eens: en, zoo hij mij al opmerkt, 't is niet gezegd,
dat hij nu juist weer twist zou zoeken."
"Maar neen!" vervolgde ik bij mijzelven, de deurklink, die ik reeds had
aangevat, weder loslatende: "schoon hij mij hier al met vrede liet, hij
zou mij op den weg kunnen volgen: en hoewel ik hem alleen wel zou durven
staan, er steekt geene eer in, om zich zonder noodzakelijkheid bloot te
stellen aan de aanrandingen van iemand, die zijn beroep van 't vechten
schijnt te maken. Wie een dollen hond ontmoet en niet uit den weg gaat,
handelt dwaas: en die dronkaard beneden is niet veel beter dan een dolle
hond."
Na door deze fraaie redeneering mijzelven overtuigd te hebben, dat geen
vrees, maar hooge wijsheid mijn handelwijze bestuurde, bleef ik bij mijn
besluit, om niet te vertrekken, dan voordat Andries vooruitgegaan was.
Het leed echter nog een goed half uur, gedurende hetwelk ik vrij
verdrietig het kamertje op en neer ging, al brommende over al de
tegenspoeden, die mij beletteden mijn weg voort te zetten, en zelfs de
aangename kennismaking van Henriëtte Blaek op den achtergrond stelden:
het leed een half uur, zeg ik, eer ik de banken in het benedenhuis
hoorde verschuiven, en, aan het raam glurende, zag ik nu weldra Andries
met nog een man, die oogenschijnlijk beter gekleed was dan hij, de
herberg verlaten. Zij liepen met groote schreden voort, als menschen,
die hun tijd verpraat, en haast hebben. Ik toefde hierop nog eenige
oogenblikken, ten einde hun gelegenheid te gunnen, om zich ver genoeg te
verwijderen, betaalde vervolgens de vertering, en vertrok, mijn weg
links af naar Laren nemende.
Ik ging echter in den aanvang niet dan langzaam voort, zoowel omdat de
slechte staat van de wegen na den regen het loopen moeilijk maakte, als
ten einde zeker te zijn van mijn twee wandelaars niet op zijde te komen,
en keek ondertusschen, zooveel de slingers van den bochtigen weg mij
zulks toelieten, voor mij uit, om te zien of ik hen ook ergens ontdekte.
Ik had echter wel een goed kwartieruurs geloopen, eer ik iets bespeurde,
dat op hen geleek, maar nauwelijks was ik den grenspaal voorbijgetreden,
die Eem- van Gooiland scheidt, en zuchtte ik bij het overzien der
schade, door den hagel teweeggebracht in de korenvelden, welke deze
anders zoo lachende heuvelen bedekten, of ik kreeg rechts van mij af
zeer in 't verschiet, twee personen in 't oog, die een paadje volgden,
dat door de bouwlanden heen slingerde, en wier uiterlijk voorkomen mij
voorkwam in allen deele gelijk te zijn aan dat van Andries en zijn
makker.
Ik was nu geheel gerustgesteld, en wandelde onbezorgd voort. Te Laren
hield ik mij niet op, maar trad integendeel met dubbele schreden voort,
daar de tijd reeds, bij al het door mij ondervonden oponthoud, verder
was verstreken dan ik gedacht had, en de allengskens dalende zon mij
vreezen deed, Naarden niet voor poortsluiten te zullen bereiken, hetgeen
toenmaals in die vesting te zes uren plaats had. Wel is waar, er bestond
nog altijd mogelijkheid om daar binnen te komen: doch hiertoe werden
meer formaliteiten vereischt, dan ik lust had af te leggen. Terwijl ik,
met die onaangename gewaarwording, welke ons eigen is, wanneer wij nog
een goed eind weegs af te leggen hebben en vreezen te laat te komen, den
heuvel beklom, die zich tusschen het bevallige Laren en de grijze
vesting, waar ik zooeven van sprak, bevindt, zag ik een rijtuig mij van
de hoogte af te gemoet komen, hetwelk ik, bij het naderen, voor de
huifkar herkende, die ik des morgens te Soest had gezien, en die thans
ledig terugkeerde. De voerman, het pijpje, dat hem tusschen de lippen
stak, hebbende laten uitgaan, zat te dommelen en te knikkebollen op het
krat, terwijl zijn zweep hem ontvallen, maar gelukkig was blijven
vasthaken aan het wiel en daarmede langzaam voortslingerde.
Ik achtte het betamelijk, den man te waarschuwen: "hei! ho hè wat! goede
vriend!" riep ik: "gij zult een goede zweep verspelen, zoo gij niet
oppast."
"Wat is er?" riep de voerman, met schrik ontwakende, en door een
natuurlijke beweging naar zijn zweep tastende: "wat wou je?"
Het paard, dat waarschijnlijk reeds zijn bekomst van den tocht had, was
op mijn geroep al dadelijk blijven staan, en ik wees nu aan den voerman,
waar zich zijn onmisbaar wapentuig bevond.
"Sta, Kees!" zeide hij tot zijn knol, die deze vermaning niet behoefde;
want het beest had volstrekt geen plan op den loop te gaan: "dankje wel,
koopman!" vervolgde hij, afstijgende en zijn zweep niet zonder moeite
loswurmende.
In weerwil van mijn haast om voort te komen, kon ik niet nalaten een
oogenblik stil te staan, om naricht in te winnen omtrent den Roodmantel
en de Juffer die met hem was, en vroeg ik den voerman, of hij zijn volk
al naar Naarden gebracht had.
"Dat weet ik niet, waar ze 'estoven zijn," antwoordde hij: "ik heb ze
aan deuzen kant van Naarden of'ezet op een plek, daar huis noch pad te
zien was. Waar ze wezen mosten, weet Joost: en ik vertrouw het werk maar
half: ze lekenen allebei zoo bang om 'ezien te worden.--Maar, wat
scheelt het mijn ook? ze hebben mijn een goeie fooi 'egeven en dus, ik
heb niks op ze te prittendeeren. Nou, ajus koopman, en je wordt bedankt
veur je beleefdheid."
Met deze woorden steeg hij op; doch voor hij wegreed, riep hij mij nog
toe: "je meugt wel voorzichtig wezen; want ik hou 't er veur, dat het
niet pluis is buiten Naarden: ik heb een paar keeren in 't bosch hooren
fluiten; zoodat ik blij was dat ik hier weer op den open weg kwam. Hi
Kees! vort pért!"
De huifkar verwijderde zich en ik vervolgde mijn weg, slechts weinig
gesticht over de tijding, mij door den voerman medegedeeld. Ik poogde
mij wel wat gerust te stellen met de gedachte, dat men het niet wagen
zoude, iemand op den helderen dag aan te randen en wel zoo nabij een
vesting, terwijl bovendien mijn bagage noch mijn uitrusting van dien
aard waren, dat zij een roover in de verzoeking konden brengen;--maar de
veronderstelling alleen, dat het geval van roof mogelijk ware, was alles
behalve aangenaam.
Op het hoogste punt van den heuvel gekomen, wendde ik mij even om, ten
einde het verrukkelijk landtooneel te beschouwen, hetwelk men van daar
geniet, over het bekoorlijk gelegen Laren, welks kerkspits en daken,
thans fonkelend in den gloed der zon, heerlijk afstaken tegen het
lommerlijk geboomte en de uitgestrekte akkers daarom heen;--over
Blaricum, de beide Eemnessen, Soest, Baarn en Amersfoort: over het
boschrijke landschap daar tusschen, en over de blauwe zee, de Stichtsche
bergen en de grauwe heide, welke dat alles omsloten: ja, ik zuchtte
onwillekeurig, toen ik herdacht aan den voortsnellenden tijd, die mij
niet vergunde mij langer in dat schouwspel te verlustigen:--en aan den
vervelenden weg, dien ik nog had af te leggen.
Immers, wanneer men eens die hoogte over is, neemt de weg een geheel
ander aanzicht. Geen welig groeiend geboomte, geen vruchtbare
bouwlanden, geen landhoeven meer: aan weerszijden een dorre,
wijduitgestrekte heide, over welke het uitzicht ten Noorden op enkele
bosschen kreupelhout, en ten Zuiden op het donkere groen der
's-Gravenlandsche lusthoven stuit. Ik kon niet nalaten van, zoo dikwijls
ik den blik naar deze laatste zijde sloeg, een vergelijking in te
stellen tusschen de woestenij, welke ik doortrok, en die, slechts een
uur of anderhalf van mij gelegen, oase, waar de Amsterdamsche rijkdom al
zijn weelde en schatten ten toon spreidt. "Voorwaar!" dacht ik, "mijn
goede tante Van Bempden, die ginds haar buitenplaats altijd vol gasten
heeft, denkt thans weinig, dat haar neef hier eenzaam door de heide
kuiert ... ik ben ook wel dwaas geweest, dat ik haar niet geschreven
heb: de goede vrouw had mij zeker haar koets te Amersfoort gezonden, en
dan was ik vrij wat meer op mijn gemak en vrij wat royaler de provincie
binnengekomen;... maar dan had ik ook Henriëtte Blaek niet ontmoet."
Het hoofd alzoo vol hebbende van Henriëtte Blaek, van mijn tante Van
Bempden, van Andries en van de rooversbende van Zwarten Piet, kwam ik
langzamerhand verder. De grond langs den weg, hoezeer nog altijd dor en
zandig, droeg, naarmate ik de vesting naderde, eenige meerdere sporen
van bebouwing: hier en daar vond ik een versch ontgonnen hoekje, en nu
en dan kleine kampjes met peulvruchten beteeld: wat verder op groeiden
heestergewassen langs de kanten van den weg en belemmerden al meer en
meer het uitzicht, totdat ik eindelijk aan mijn rechterzijde een vrij
dicht geplant boschje kreeg, hetwelk tot deze of gene rustplaats scheen
te behooren.
Het was op die hoogte ongeveer, dat de flauw gehoorde tonen van een klok
of bengel, welke allengskens duidelijker in mijn ooren klonken, mij
aankondigden, dat ik Naarden al vast naderde, doch tevens, dat ik mij
zou moeten reppen om er nog tijdig te zijn. Terwijl ik alzoo met
verhaasting voorttrad, kwam ik aan een plaats, waar kort te voren,
gelijk aan het wielspoor te zien was, een wagen had omgedraaid:
waarschijnlijk de meer vermelde huifkar. Dit zou echter mijn
opmerkzaamheid niet bijzonder hebben getrokken, ware het niet geweest,
dat ik, juist te dier plaatse, in 't voorbijgaan iets zag liggen,
hetwelk ik, bij nadere beschouwing, voor een groene beurs herkende.
Ik raapte die op en bleef eenige oogenblikken besluiteloos staan.
Waarschijnlijk was deze beurs, welke redelijk wel voorzien scheen, aan
een der personen, die in het rijtuig gezeten hadden en wier voetstappen
nog bij het spoor te zien waren, bij het uitstappen ontvallen: maar hoe
die weer aan de eigenaars terugbezorgd? de voerman was mij onbekend en
kende zelfs, volgens zijn voorgeven, zijn passagiers niet, die hem niet
aan een huis of plaats, maar midden op weg hadden verlaten.
Al overpeinzende, wat mij te doen stond, opende ik onder het
voortwandelen de beurs, ten einde te onderzoeken of zich daar ook iets
in bevond, hetwelk mij eenig licht zou kunnen verschaffen. Ik ledigde
het daarin beslotene in mijn hand: het was een goede som in gouden
rijders en dukaten, en bovendien een gouden zegelring, met een fraaien
koralijn, waarop een wapen zeer kunstig gesneden was. Terstond liet ik
het goud weder in de beurs glijden en vestigde al mijn aandacht op het
wapen, in de hoop dat mij dit op den goeden weg zoude helpen om den
eigenaar terug te vinden; maar nauwelijks had ik gezien, dat het in een
Sint-Andrieskruis met omgekrulde punten bestond en bovendien met
talrijke sieraden omslingerd was, waarvan ik de beteekenis niet zoo
spoedig kon ontcijferen, of ik hoorde opeens in de nabijheid een gefluit
en te gelijk een geritsel van takken, alsof iemand zich een weg door de
struiken baande. Ik verschrikte, zag om: en ziet! daar sprong een kerel
van den hoogeren boschkant op den weg en klopte mij op den schouder met
den uitroep "_annemekanneme meêsamen_!
Ik stond verzet: ik wist dat deze woorden, wier rechte samenhang of
beteekenis ik nooit heb kunnen uitvorschen, zooveel moesten te kennen
geven, als: "wij deelen het gevondene te zamen:"--en, wat mijn
ontsteltenis niet weinig vermeerderde, was de omstandigheid, dat ik in
den man, die mij zoo vrijpostig op zijde kwam, mijn vriend Andries
herkende, en de overtuiging, dat hij mij de beurs had zien oprapen.
Ik zag terstond in, dat een onverschrokkene houding alleen in staat
ware, den vent van mij af te houden, en, mijn stok met kracht
omvattende, zag ik hem scherp in 't gezicht en vroeg, wat hij begeerde.
"Wat ik begeer!" herhaalde hij met een hoonenden lach: "wel! niet meer,
hoop ik, dan wat mij van rechtswege toekomt. Ik heb die beurs net even
gauw gezien als jij: en ik wou er juist op an laveeren, toen jij er zoo
vlak voor-de-wind op aanschoot: je moet niet denken, dat jij alleen
recht heit, om die geeltjes bij moeder Kee te gaan verzwendelen: ik heb
ze al zoo noodig als jij."
Ik was staande deze redeneering van Andries met hem vooruitgewandeld,
maar hield hem niettemin in het oog, gereed hem voor te komen bij de
minste verdachte beweging die hij maakte: "al wat gij zegt moge waar
zijn," zeide ik: "maar hetgeen ik gevonden heb, behoort noch aan u noch
aan mij, en ik ben voornemens het den rechten eigenaar terug te
brengen!"
"Ei! ei!" zeide Andries, een spottend gezicht zettende: "terugbrengen!
wel dat bedenk je fijn! denk je dat ik je uitvluchten niet merk en geen
lont ruik? Je wilt met ongebroken lading wegzeilen; maar dat gaat zoo
niet: je zult bijdraaien, kameraad! of we zullen jou enteren."--En dit
gezegd hebbende, floot hij ten tweedenmale.
De zin der geuite woorden was te duidelijk om kwalijk verstaan te
worden: ik was nu overtuigd dat Andries niet slechts een twistzoeker,
maar een struikroover was, en dat ik mij van hem moest ontslaan eer hij
hulp kreeg: met vaardigheid lichtte ik mijn knuppel op en deed dien op
een niet zachte wijze op zijne, reeds naar mij uitgestoken handen
nederkomen, waarna ik het met allen spoed op een loopen zette, in de
hoop van alzoo den medehelpers van Andries, zoo hij die al had, te
ontkomen.--De vlucht was mij echter van geen nut; want nauwelijks was ik
tien passen verder, of twee andere kerels sprongen van weerszijden uit
de struiken voor den dag: en terwijl de een mij den pas afsneed, greep
mij de ander in den kraag.
"Pas op, Haentje! dat hij je de loef niet afsteekt," riep Andries,
toesnellende: "hij wou het mij draaien, maar hij zel er voor bloeien,
nou hij voor drie ankers leit."
"Verroer u niet, of het gaat er door," duwde mij Haentje te gemoet, in
wien ik den man herkende, met wien Andries uit Eemnes vertrokken was: en
meteen zette hij mij een mes op den strot.
"Kom Koopman!" zeide toen de derde roover, met veel bedaardheid een
pistool voor den dag halende, hetwelk hij mij voorhield: "laat u raden:
alle tegenstand ware onnut: overhandig ons goedschiks hetgeen gij aan
goud en zilver bij u mocht hebben: gij zult daarna eens zoo luchtig
voortwandelen."
Ik zag dezen man, terwijl hij sprak, in 't gezicht. Hij was iemand van
een allergunstigst uiterlijk, dat merkelijk afstak tegen het hatelijke
voorkomen van Andries en de bruine, fielterige tronie van Haentje. Zijn
gelaatstrekken waren, ja, eenigszins verschroeid en verhard, als die van
iemand, die in verre landen gereisd heeft; maar toch regelmatig en
innemend; geestigheid fonkelde in zijn gitzwarte oogen: en krullende
lokken van dezelfde kleur versierden zijn schedel. Zijn gewaad
daarenboven, dat uit een deftigen zwarten rok en broek bestond, zoude
aan niemand in hem den struikroover hebben doen vermoeden.
Alle weerstand was vruchteloos: ik lag letterlijk, zooals Andries zich
had uitgedrukt, voor drie ankers vast. "Indien het niet anders kan,"
zeide ik, "neem dan hetgeen ik bezit: voor geweld moet ik zwichten."
"Ziet! dat is gesproken, gelijk een verstandig man betaamt," zeide de
Zwartrok, op den vriendelijken toon, welken een grootvader zonde
aannemen ter aanmoediging van zijn kleinzoon, die hem een
verjaringsgedicht was komen opzeggen: "en daar gijzelf niet rijk
schijnt, zullen wij ook matig in onze eischen zijn en u nog een paar
dubbeltjes overlaten om te Naarden een slok te koopen en van den schrik
te bekomen."
"Niet rijk!" herhaalde Andries: "zoo meteen is hij nog op onze eigene
kust komen kapen en heeft een beurs vol goud van den weg opgevischt--ik
heb hem net bijtijds gepraaid, anders was hij er mede schoot gegaan;
want dat doet er niet toe ... wou jij hem laten loopen, Pieterbaas? ik
heb hem hedenmorgen al gewaarschuwd, dat hij niet weer in mijn vaarwater
zou komen ... en mijn woord moet ik houen, weet je.".
Deze woorden boezemden mij geen geringe bezorgdheid in, en ik sloeg het
oog met ongerustheid op den in 't zwart gekleeden roover, tot wien
Andries zijn rede wendde. Ik sidderde, toen ik hem de wenkbrauwen zag
samentrekken en op een korten gebiedenden toon hoorde zeggen: "kent gij
hem?--In 't bosch dan met hem!"
Dit bevel was nauwlijks geuit of de schelmen namen mij op en sleepten
mij tegen de hoogte op en door de struiken.
Een koude rilling liep mij door de aderen; want welk ander oogmerk kon
men hebben met mij van den weg af te voeren, dan dat van mij uit te
schudden en te vermoorden? Ik vormde intusschen het vast besluit, mijn
leven niet dan ten duurste te verkoopen, en alle middelen, welke list of
geweld mij aan de hand mochten doen, ter ontkoming aan te wenden. Voor
het oogenblik echter viel er aan geen wederstand te denken; want ik
bleef het koude staal tegen mijn nek en den mond van het pistool op de
borst voelen; maar, toen wij allengskens wat verder in het kreupelbosch
geraakten, waar ik mij met opzet als een levenloos lichaam doorheen liet
sleuren, vonden zich de roovers genoodzaakt hunne moordtuigen een
oogenblik van mij af te houden: Haentje om een tak af te snijden, die
hem in den weg was, en de Zwartrok, om zijn hoed op te rapen, die aan
een struik was blijven haken. Ik oordeelde, dat nu het gunstige
oogenblik ter mijner verlossing gekomen was; ik rees eensklaps weder op,
en mij van Andries, die mij nog vasthield, losrukkende, maakte ik
rechtsomkeert, sprong over de mij in den weg staande struiken heen en
liep nu al wat ik loopen kon om den heirweg weder te bereiken. Het bleek
mij echter daarna dat ik een verkeerden kant had ingeslagen: weldra
bevond ik mij, bijna gelijktijdig met de drie knapen, die mij onder de
afgrijselijkste vervloekingen achtervolgd waren, op een klein open
kampje, met mislukte rogge beteeld, en waar een voetpad dwars
doorheenliep. Mijn krachten waren uitgeput: ik bemerkte, dat ik weldra
zou ingehaald worden, en keerde mij derhalve als wanhopend om.
"Waagt het niet, mij te naderen," riep ik, mijn stok, dien ik altijd was
blijven behouden, met gezwindheid om mij heen zwaaiende.
Mijn houding boezemde den schurken eenig ontzag in. Hij, die de hoofdman
der bende scheen, haalde den haan van zijn pistool over.
"Laat die gekheid varen," zeide hij, op mij aanleggende, "of het gaat er
door."
"Maak maar gerucht," hernam ik: "de justitie is u al op 't spoor."
"Hij heeft voorden duivel gelijk ook," hernam de Zwartrok, lachende, en
stak meteen zijn pistool, dat waarschijnlijk ongeladen was, weder bij
zich: "maar, het zal hem weinig baten." Dit zeggende, haalde hij een
kort rapier van onder zijn kleederen voor den dag, trok zijn rok uit, en
kwam met het ontbloote staal op mij af. Ik verdedigde mij een korte
poos, onder het aanhoudend geschreeuw van: "moord! moord! dieven!" maar
het gelukte eindelijk aan den knaap, die den naam van Haentje droeg,
mijn arm te vatten op het oogenblik dat ik daarmede een stoot van den
hoofdman afweerde: en te gelijkertijd voelde ik mij door Andries bij de
beenen grijpen en van den grond lichten. Ik stortte voorover, en achtte
mijn laatste uur geslagen te zijn, toen ik op het onverwachts een
krachtigen vuistslag op het hoofd van een mijner bespringers hoorde
klinken en Andries naast mij op 't gras zag neertuimelen. Ik rees op, en
ziet! de vreemdeling met den rooden mantel stond met opgeheven hand aan
mijn zijde. Hij droeg geene wapens en toch schenen zijn forsche houding,
zijn onverwachte verschijning en de krachtige wijs, waarop hij Andries
het gewicht van zijn arm had leeren kennen, diens makkers met
verbijstering te hebben geslagen: althans zij bleven een wijl
besluiteloos staan. Echter vatteden zij weldra weder moed: en terwijl
Haentje zijn mes opraapte, dat hem bij de worsteling ontvallen was, liep
de hoofdman met opgeheven staal mijn redder tegemoet.
"Hoe is het, Zwarte Piet? Kent gij mij niet meer?" vroeg deze, zonder
zich te verroeren, en hem strak aanziende.
"Is het wel mogelijk!" zeide Zwarte Piet, met verbazing, terwijl hij
zijn rapier zakken liet, en zijn hoed haastig afnam: "zijt gij het zelf,
Kapitein! of is het uw geest?"
De andere roover wilde toespringen, maar de hoofdman deed hem door een
wenk op zijn plaats blijven.
"Is dat uw handwerk tegenwoordig?" vervolgde de Roodmantel, op een
verwijtenden toon: "moest ik zoo iets verwachten van iemand, die onder
mij gediend heeft?"
"Ja, Kapitein!" zeide Zwarte Piet, met een deemoedig gezicht, en zijn
hoed tusschen de handen wrijvende: "wat zal ik u zeggen? 't Is een
slechte tijd, en...."
"Geen woord meer!" hernam de vreemdeling: "neem uwen makker op, zoo hij
niet loopen kan: en zorgt, dat gij voor den nacht alle drie den omtrek
van Naarden verlaten hebt, of gij zult de galg niet ontsnappen, dat
beloof ik u."
De roover zette, zonder een letter te antwoorden, den hoed weder op het
hoofd, stak zijn rapier in de scheede, trok zijn rok aan, en gelastte
Andries op te staan en hem te volgen. De schelm, die intusschen weder
was bijgekomen, voldeed terstond aan het eerste gedeelte van het
verzoek, maar had naar het tweede geen ooren.
"Voor den d....!" zeide hij, den vreemdeling en mij met een woedenden
blik aanziende: "zullen wij vlag strijken, zonder die schooiers nog eens
de volle laag te geven?"
"Ja!" zeide Haentje, zijn hoofdman met bevreemding aanziende: "ik
begrijp niet...."
"Gij begrijpt niet?... Gij behoeft ook niets te begrijpen, domme ezels
die gij zijt," zeide Zwarte Piet, hen elk bij een arm nemende: "gij ziet
den man, die daar staat: zoo hij mij gelastte u beiden op te hangen, ik
zou het doen ook, voelt gij. Kom! kom! geen praatjes meer. Gij weet,
waar wij elkander terugvinden en maakt dat gij van hier komt, of ik zal
u beenen maken."
Hoewel de twee schelmen vrij wat forscher uiterlijk hadden dan hun
hoofdman, schenen zij echter gewoon van voor den zedelijken invloed des
laatsten hetzelfde ontzag te voeden, als deze wederkeerig aan den
vreemdeling betoonde: en, schoon eenigszins brommende en schoorvoetende,
trokken zij langs verschillende kanten het bosch in en weldra uit ons
gezicht.
"Is er nog iets van uw dienst, Kapitein?" vroeg de roover, zoodra zij
vertrokken waren, den vreemdeling beleefd naderende.
Deze vergenoegde zich met van neen te schudden.
"Indien gij mijn diensten noodig mocht hebben," vervolgde hij: "mijn
adres is altijd te bevragen bij Maaike Katers, in den Duivelshoek, te
Amsterdam."
Hier zweeg hij plotseling en sloeg een argwanenden blik op mij:
"Ik heb mij daar mooi verpraat," zeide hij: "maar!" hier werd de toon
zijner stem, die, zoodra hij tegen den vreemdeling sprak, beleefd en
welluidend was, weder kort en scherp: "Mijnheer! gij zijt gewaarschuwd,
voorzichtig te zijn."
"Ik zal dat alles wel schikken," zeide mijn redder. "Maak maar, dat gij
nu van hier komt, en gij zult niets te vreezen hebben."
De roover glimlachte op eene wijze, welke zien liet, dat hij geheel
tevreden gesteld was, boog zich en was spoedig uit ons gezicht.
NOOT:
[3] Zoo noemde men indertijd de taal, welke men sedert Hollandsch of nog
verkeerdelijker Nederlandsch genoemd heeft. Zoo zegt ook Krelis Louwen
in net blijspel van dien naam, II Bedrijf 10 tooneel.
We praeten ummers allemael Oprechte zuivre Duitsche tael.
Noot van den Uitgever.
* * * * *
ZESDE HOOFDSTUK.
WAARIN ONZE HELD VOOR DE TWEEDE REIS OP DENZELFDEN DAG GEVAAR LOOPT VAN
ZIJN HART TE VERLIEZEN.
Ik had dit gansche tooneel met een stomme verbazing beschouwd, onbekwaam
om de betrekking te verklaren, welke er tusschen mijn redder en den
hoofdman der roovers bestond, en dezen zoo gedwee het veld voor hem
ruimen deed. Was de ontzagwekkende vreemdeling misschien ook zelf het
hoofd geweest eener meer uitgebreide bende? en moest ik zijn invloed op
Zwarten Piet, en den naam van Kapitein, dien deze hem gaf, daaruit
afleiden? Wat hiervan wezen mocht, ik voelde mij van eerbiedige
bewondering doordrongen voor den man, die, wapenloos, en, bijna alleen
door het vermogen van zijn wil, mij uit de handen van drie boosdoeners
verlost had: en, zoodra het geritsel der struiken, waardoor zich Zwarte
Piet een weg baande, en waarnaar de vreemdeling aandachtig scheen te
luisteren geheel had opgehouden, begon ik, in de warmste bewoordingen,
mijn erkentenis aan hem uit te drukken voor den dienst, dien hij mij
bewezen had.
Hij ontving mijn betuigingen met koelheid: "al genoeg," zeide hij, na
een poos zwijgens: "ik was u wederkeerig een dienst schuldig, ter
vergelding van dien, welken gij mij hedenmorgen bewezen hebt."
"Geloof, Kapitein!" zeide ik, hem den titel gevende, welken Zwarte Piet
omtrent hem gebezigd had, "dat mijn dankbaarheid...."
"Verschoon mijl!" viel hij mij kortaf in de rede: "ik heb thans geen
tijd om al het fraais aan te hooren dat gij mij zeggen wilt. Ik heb iets
op den weg verloren en moet mij haasten het op te zoeken; want het is
allemans gading, en...."
"Een groene beurs!" riep ik uit, verheugd over de gelegenheid, welke
zich aanbood van hem op mijn beurt een dienst te bewijzen.
"Hebt gij haar gevonden?" vroeg hij, terwijl hij al rechts en links van
het pad langs den grond keek.
"Zij bevatte goudstukken," vervolgde ik: "en bovendien...."
"En een ring met een stempel," zeide hij, den volzin besluitende.
"Hier is zij," hernam ik, de beurs voor den dag halende, en met
blijdschap aan den eigenaar ter hand stellende, "door mij te redden hebt
gij meteen uw eigendom gered"--en ik verhaalde hem, hoe die beurs de
voorname aanleiding was geweest mijner ontmoeting met de roovers.
"Het is als ik gedacht had," zeide de Kapitein: "ik heb den voerman op
den weg betaald en toen zeker de beurs naast mijn zak in de plaats van
er in gestoken. Gij hebt mij inderdaad een gewichtigen dienst bewezen.
Te oordeelen naar uw wezen en uw spraak," vervolgde hij, terwijl hij mij
met opmerkzaamheid beschouwde: "schijnt gij tot een deftigen stand in de
maatschappij te behooren en zou ik u misschien met een aanbieding
beleedigen. Daar echter uw plunje geen weelde aanduidt, meen ik niet
onbeleefd te handelen, door u een geringe _douceur_ voor de genomene
moeite te schenken." En terzelfder tijd nam hij een paar goudstukken
tusschen de vingers en stak mij die toe.
"Ik dank u," zeide ik: "uw aanbieding is zoo bescheiden gedaan, dat zij
mij niet beleedigen kan. Ik behoef geen belooning, ik ben de zoon van
den Heer Huyck, den Hoofdschout van Amsterdam, en zoo ik u van eenigen
dienst kan zijn...."
"Zoo!" zeide hij, terwijl zijn gelaat zich op een zonderlinge wijze
samentrok: "de zoon van den Hoofdschout moest zich, minder dan iemand,
alleen wagen op onveilige wegen."
Hier zweeg hij een poos, deed het geld weder in de beurs en vervolgde op
deze wijze:
"Het was ongetwijfeld uw voornemen heden tot Naarden te gaan."
"Ik vrees," zeide ik, "dat het te laat zal zijn de stad nog voor
poortsluiten te bereiken: ook hoor ik de klok niet meer luiden; echter
zou ik van meening zijn, dat ik derwaarts behoor te gaan, om rapport te
maken van de ontmoeting, die mij is overkomen ... en zoo UEd. mij wildet
vergezellen...."
"Dat noem ik spreken, gelijk den waardigen zoon eens Hoofdschouts
betaamt," zeide de vreemdeling, met een gemaakten lach: "maar ik voor
mij gevoel geene roeping om aan de bruggen mijn keel heesch te
schreeuwen en bij elken schildwacht een half uur te wachten tot de
korporaal der ronde komt, en dan van de beleefdheid van dezen af te
hangen om teruggezonden te worden of den halven nacht in het wachthuis
door te brengen, ten einde de zotte verhooren te ondergaan, welke bij
een zoodanige gelegenheid nooit missen."
"Zooals UEd. wil," zeide ik: "doch ik meen dat er aan deze zijde buiten
de poort een vrij goede herberg is, _Jan Tabak_ of een dergelijken naam
voerende;--zoo wij daarheen gingen en iemand zonden, om...."
"Niets van dat alles," zeide de vreemdeling, met de hand een ongeduldige
beweging makende: "laat Zwarte Piet met zijn bende elders gaan om zich
te doen ophangen: ik wil de koord daartoe niet spinnen. Wat u betreft,
handel zooals gij het goedvindt: ik schrijf u geene wetten voor; maar
zoo gij mij gelooft, en er eenigszins prijs op stelt om mij genoegen te
geven, zult gij hedenavond niet naar stad gaan; integendeel stel ik u
voor tot mijnent te vernachten: en zoo gij de eenvoudige huisvesting
voor lief nemen wilt, welke een eenvoudige boerenwoning u kan
verschaffen, zal ik mij aan u verplicht rekenen."
Ik beken, dat ik eenigszins over deze aanbieding verzet stond, en
aarzelde, hoe die te beantwoorden. Juist de schijnbare gulheid en
openhartigheid, waarmede zijn voorslag gedaan werd, boezemden mij
wantrouwen in; want ik wist die niet te rijmen met de geheimzinnigheid,
welke zijn overige daden en gezegden tot nog toe omsluierd had, en het
kwam mij onverklaarbaar voor, dat iemand, die zich voor 't overige
gedroeg, als wilde hij alle nasporing en onderzoek ontwijken, de
onvoorzichtigheid zou hebben, een hem onbekenden jongeling, en dat nog
wel den zoon eens Hoofdschouts, in zijn verblijf toe te laten, ja te
noodigen. Met dat al, ik gevoelde weinig trek om alleen stadwaarts te
kuieren en mij nogmaals bloot te stellen aan een ontmoeting met de
lieden, uit wier handen ik zooeven verlost was: nieuwsgierigheid spoorde
mij aan, om nader uit te vorschen, wie toch mijn redder wezen mocht: en
dit een en ander te zamen gevoegd deed mij besluiten het gedane voorstel
te aanvaarden, onder de betuiging mijner erkentelijkheid en tevens van
de hoop, dat ik door mijn verblijf geen ongelegenheid aan mijn gastheer
zoude veroorzaken.
"Volstrekt niet," zeide deze, terwijl hij met haast het voetpad weder
insloeg, hetwelk hij was langs gekomen: "alleen door hier te blijven
draaien, zou ik in ongelegenheid kunnen geraken."
"In dat geval vergezel ik u terstond," zeide ik, en volgde hem op het
ingeslagen spoor. Het paadje geleidde ons weldra op een hollen dwarsweg,
aan weerszijden dicht begroeid met doornestruiken, en door de gevallene
regens op vele plaatsen zoo vol water staande, dat men werk had voort te
komen.
"'t Is hier slecht wandelen, Kapitein!" zeide ik, mijn voet losrukkende,
die in de modder was blijven steken.
"Dat kan ik niet ontkennen," antwoordde hij: "maar mag ik vragen, waarom
gij mij den titel van Kapitein toekent?"
"Ik heb u door een dier lieden van zooeven aldus hooren noemen," hernam
ik.
"Wel mogelijk!" zeide hij, met een spottenden blik naar mij omziende:
"maar omdat die gekken mij zoo noemen, moet daarom een verstandig
jongmensch hun voorbeeld volgen? Ik heb op dien naam thans even zoomin
aanspraak als op dien van Czaar, waarmede gij mij van morgen vereerd
hebt. Gij kunt alle titels met mij sparen, vervolgde hij op een vrij
hoogen toon: "ik heet eenvoudig Bos ... althans voor het tegenwoordige."
Ik zweeg en volgde, gelijk een hond, die een kastijding ontvangen heeft,
zonder verdere woordenwisseling mijn geleider, wiens groote stappen ik
moeite had bij te houden. Ik dacht, dat die fatale holle weg nimmer
zoude eindigen, toen wij ten laatste aan een klein boerenhekje kwamen,
hetwelk de Heer Bos openstootte en waar wij doortrokken. Een vrij smal
pad, hetwelk door een dichtvallend hekje gesloten was, bracht ons weldra
van achteren op een moestuin, aan welks einde ik een landhoeve
gewaarwerd, welke ik veronderstelde dat het doel onzer wandeling zijn
zoude.
Ik bedroog mij niet. Op het geblaf van een naast de deur aan een ketting
gelegen mopshondje, ging de voordeur open, en een zwarte gedaante, van
welke de meer en meer vallende duisternis mij alleen toeliet de vormen
te onderkennen, trad haastig naar buiten en fluisterde van verre: "Zijt
gij het, Vader?"
"Stil! stil!" antwoordde deze: "ik kom niet alleen ... dezen weg op,
Mijnheer!... waar is de oude Martha?"
"Bezig met het avondeten te bereiden," antwoordde de dochter op een nog
flauweren toon, terwijl ik meende te bespeuren, dat zij met weinig
verwonderd was over de aankomst van een zoo onverwachten gast als ik.
"'t Is wel!" antwoordde haar vader, binnentredende: "breng Mijnheer in
het opkamertje: hij zal van nacht hier blijven: ik ga even met Martha
overleggen, waar wij hem huisvesten zullen."
Dit zeggende, opende hij de deur van een soort van keuken, alwaar ik een
oude vrouw zag nedergehurkt en bezig met koeken te bakken. Hij trad
binnen en, de deur achter zich sluitende, liet hij mij met zijn dochter
alleen, beiden voorzeker evenzeer met onze figuur verlegen. De jonge
Juffer althans oogde haar vader met verbazing na en wendde vervolgens de
vragende blikken op mij.
Ik begreep dat de welvoeglijkheid eenige verontschuldiging vorderde.
"Mejuffer!" zeide ik: "ik vrees, dat ik hier ongelegenheid zal
veroorzaken; maar Mijnheer uw vader heeft gewild, dat...."
"Wat mijn vader begeert, moet volbracht worden," antwoordde zij, met een
vaste stem en een deftige hoofdbuiging: "wees zoo goed mij te volgen."
Dit gezegd hebbende, keerde zij zich om en besteeg een trapje, dat naar
een klein vertrekje geleidde, waar binnen ik haar volgde.
Zij schoof mij een stoel toe: ik nam echter geen plaats; maar bleef met
de eene hand op de leuning rusten: mijn hoofd was zoo vol en al mijn
denkbeelden door de vreemde ontmoetingen van den dag zoo verward, dat ik
nauwelijks wist of ik droomde, dan of ik waakte. Intusschen bleef mijn
geleidster over mij staan, in de houding van iemand, die een opheldering
verwacht, en ik achtte het mijn plicht, haar die te geven.
"Uw Heer vader," zeide ik, "heeft mij zooeven het leven gered. Zonder
zijn grootmoedige tusschenkomst had het er slecht met mij uitgezien.
"Is u eenig ongeval overkomen?" vroeg zij, op een deelnemenden toon.
Ik was op het punt, haar mijn wedervaren te verhalen, toen het denkbeeld
mij opeens voor den geest kwam, dat mijn gastheer het wellicht niet zou
goedkeuren, zoo zijn dochter van het voorgevallene onderricht en alzoo
noodeloos verontrust werd. Ik vergenoegde mij dus met te antwoorden: "uw
Heer vader zal u voorzeker wel zelf willen mededeelen, op welke wijze
hij zich een eeuwige aanspraak op mijn dankerkentenis verworven heeft."
"Maar neem toch plaats, Mijnheer!" hernam zij, na eenige oogenblikken
zwijgens, waarschijnlijk bespeurende, dat ik niet genegen was, haar
verder bescheid te geven. "Mijn vader zal ongetwijfeld dadelijk hier
zijn. Vergun mij u een oogenblik hier alleen te laten. Ik ga eens zien,
of ik hem ook van dienst kan zijn."
Met deze woorden zweeg zij en vertrok, de deur zorgvuldig achter zich
sluitende.
Mijn eerste beweging, zoodra ik mij alleen bevond, was, op mijne knieën
te vallen en den innigen dank mijns harten te brengen aan den
Almachtigen God, die mij zoo genadiglijk uit het doodsgevaar verlost
had. Niet slechts om mijnentwille dankte ik Hem, maar ook voor mijn
ouders en dierbaarste betrekkingen; want ik ijsde op het bloote
denkbeeld van hun ontsteltenis en rouw, indien zij eens vernomen hadden,
dat die zoon, wiens leven op een zoo langdurige reis en in vreemde
landen in gezondheid was gespaard gebleven, in zijn eigen vaderland en
zoo nabij het doel zijner bestemming door het moordend staal van roovers
ware gevallen. Ik bleef een geruimen tijd in die gestalte; want mijn
gemoed was vol en mijn ziel in een staat van hooge spanning: een
natuurlijk gevolg van mijn toestand. Toen ik oprees, voelde ik mij
vermoeid en afgemat, en zonk met gesloten oogen en gevouwen handen op
mijn stoel neder.
Langzamerhand begonnen mijn denkbeelden op te klaren: de ontmoeting met
de dieven speelde mij nog wel voor den geest; maar meer nog trof mij de
zonderlinge gril van het noodlot, die mij tweemalen op eenen dag, en
telkens op een zoo vreemde wijze, in kennis met een onbekende Juffer
bracht. Ik gevoelde thans echter minder opgewektheid dan des morgens om
mijn hof aan mijn gastvrouw te maken en bij haar den galanten ridder te
spelen; de doorgestane nattigheid, vermoeienis en schrik, en een zekere
ongerustheid, welke ik voedde omtrent hetgeen nog volgen moest, zouden
mij daartoe buiten staat hebben gesteld.
De jonge Juffer bleef intusschen weg, en ik moet tot mijn schaamte
bekennen, dat mij dit eenige ongerustheid begon te baren: vooral in
aanmerking der omstandigheid, dat zij den grendel op de deur geschoven
had, en dat ik mij dus in het kamertje opgesloten en gevangen bevond.
"Wie weet," dacht ik nu, "of die Heer Bos, of zooals hij heeten mag,
niet eenig voornemen omtrent mijn persoon koestert? Het is duidelijk,
dat hij onbekend wil zijn: zou hij ook de verspieder zijn van deze of
gene vreemde mogendheid, en geheime plannen vormen, verderfelijk voor
het Gemeenebest? Ik ben lang uitlandig geweest en dus niet op de hoogte,
om goed met onzen politieken toestand bekend te zijn. Er is misschien
een omwenteling, een oorlog ophanden. Deze man kan een avonturier zijn,
een hoofd van kwalijkgezinden, die mij gevangen wil houden, uit vreeze
dat ik zijn aanwezigheid alhier aan mijn vader verklikken zal."
Ik bleef bij dit laatste vermoeden staan, hetwelk mij, alles overdacht
hebbende, het aannemelijkste voorkwam, en hield mij intusschen bezig met
het opnemen van het kamertje, dat ik nu oordeelde mij ten kerker te
verstrekken.
Dit onderzoek was spoedig volbracht. De meubelen bestonden uit een
vermolmd, wormstekig noteboomhouten kabinet, op gedraaide pooten,
hetwelk naast de deur stond en met drie porseleinen vazen pronkte, in
eene van welke een ruiker van verlepte goudsbloemen geplaatst was.
Daartegenover bevond zich de kleine, met gewast taf bedekte tafel,
aangeschoven tegen het venster, dat in lood was gezet en met drie
ijzeren bouten voorzien, welke alle gedachte op ontkoming van die zijde
verijdelden. Bij de tafel stonden drie gemeene houten stoelen: de beide
vakken rechts en links waren betimmerd met dubbele deuren, die
vermoedelijk bedsteden verborgen.
De avond begon te vallen, en ik ongeduldig te worden: juist wilde ik
beproeven of ik de deur niet kon openen en onder het een of ander
voorwendsel naar beneden gaan, toen ik een bedaarden stap op de trappen
hoorde. De grendel week en de dochter mijne gastheers stond voor mij,
met een glas water in de hand.
"Mijn vader heeft mij alles verhaald," zeide zij, met een eenigszins
ontstelde stem; "wij ook zijn u dank verschuldigd: ik heb gedacht, dat
gij wellicht zoudt verlangen, iets te drinken ... en ik geloof, niet ten
onrechte: maar ga toch zitten: gij beeft er, dunkt mij, nog van."
Zij reikte mij het glas toe: ik wilde het aan den mond brengen, maar
juist toen zag ik, dat het troebel was: de gedachte, of er ook een
slaapdrank in gemengd was, kwam mij pijlsnel voor den geest.
"Neem het maar," vervolgde zij: "'t is klaar water, waarin ik eenige
droppels spiritus heb gedaan. Ik zou u gaarne wijn aanbieden; maar dien
hebben wij niet."
Ik schaamde mij nu over mijn argwaan: en het meisje, dat zoo minzaam en
hartelijk tegen mij sprak, geen minder vertrouwen waardig achtende dan
Alexander aan zijn geneesheer betoonde, dronk ik het glas in langzame
teugen ledig.
"Te veel goedheid!" zeide ik, terwijl mijn tanden tegen het glas
kletterden: "inderdaad! gij komt mijn verlangen voor; want ik schaam mij
niet te erkennen, dat mij dat geval van zooeven eenige ontsteltenis
veroorzaa
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/17706