Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Van Schooljongen tot Koning

by J. Tersteeg · Dutch · Gutenberg #17593 · 682,689 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Van Schooljongen tot Koning
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Van Schooljongen tot Koning

Author: J. Tersteeg

Illustrator: Jan Sluijters


        
Release date: January 24, 2006 [eBook #17593]

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/17593

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at http://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN SCHOOLJONGEN TOT KONING ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/









				  Van Schooljongen tot Koning
		 Een verhaal samengesteld uit de aanteekeningen
							  Van
							Robert I
					  Koning van Czernovië



							  Door
						  A. Bertrand
				Geïllustreerd door Jan Sluyters



						   Amsterdam
						  H.J.W. Becht
							  1903







INHOUD.


I. Hoe dit Boek ontstond 1

	De ontvoering van een Hoogere-Burgerscholier op 13 October
	1901.--Na een jaar van angst en spanning zien zijn vrienden
	hem terug.--Er wordt hem f10.000 geboden voor een beschrijving
	van zijn lotgevallen.


II. Rob vliegt de Lucht in 11

	Wat Rob in het Vondelpark vond.--De geheimzinnige
	doos.--Rob meent een komplot op het spoor te zijn.--Hoe zijn
	nieuwsgierigheid gestraft werd.


III. Op het Luchtschip 16

	Rob komt aan boord van "De Vogel".--Hij wordt vriendelijk
	ontvangen en vindt een fraaie logeerkamer voor zich
	ingericht.--Hij leert het leven aan boord kennen.--De eerste
	dag valt hem niet tegen.


IV. Hoe "De Vogel" er uitzag 35

	Rob ondervindt dat er in de lucht ook een H.B.S. is.--La toont
	hem eenige wonderen.--De geheimen van de stuurkamer.--Bijna
	zoo hoog als de Mont-Blanc.--Rob gaat vroeg naar bed.


V. Een Strijd tusschen een Lucht- en een Oorlogsschip 46

	"De Vogel" gaat aan land.--Er dreigt gevaar.--Rob redt
	den commandant.--Een Engelsch oorlogsschip.--Een onbloedig
	gevecht.--Het jacht van den ontdekkingsreiziger Lane.--Rob
	wordt zeeman.--De landing te Dover.


VI. Rob komt in Londen 68

	De ontvangst te Dover.--De aankomst in Londen.--Het huis in
	Longmanstreet.--Li's eerste lezing over een nooit gemaakte
	Zuidpoolreis.--Alle Londensche heeren wenschen zich een
	poolmeisje tot vrouw.--Het diner van het Aardrijkskundig
	Genootschap.--Rob drinkt thee met den Koning.--De
	kroonjuweelen.


VII. Li steelt de Kroonjuweelen 80

	Li krijgt het koffertje te leen.--La verricht nieuwe
	wonderen.--De Koning ontvangt een splinternieuw koffertje.--Hoe
	hij beetgenomen werd.--De kroonjuweelen zijn gestolen!--Het
	verhaal van de diefachtige poes.--Li heeft de diamanten te
	pakken.--De groote ontdekkingsreiziger steekt met zijn jacht
	van wal.--Terug op "De Vogel".--De reis naar Transvaal.--Hoe
	het met de diamanten afliep.


VIII. Li vertelt z'n Geschiedenis 95

	Waarin verteld wordt, hoe 't maar 'n haartje gescheeld had,
	of Rob was weer in 't Vondelpark gaan wandelen.--Li vertelt
	zijn levensgeschiedenis.--Rob hoort van de stichting der
	Oranje-Republiek, van Rusland's booze plannen, van de dappere
	Elizabeth Helmont en den edelen ingenieur Van Stralen.


IX. Een onverwacht Avontuur 112

	De kust van Tripolis.--De leeuwenjacht.--De onderaardsche
	gewelven.--In handen van menscheneters!--De ontdekkingsreiziger
	Korling als goochelaar.--De vlucht.--Weer op "De Vogel"!


X. Nof en de Strandroover 138

	Nof is verdwenen.--Men wacht hem tevergeefs.--De man in het
	schuitje.--Het losgeld.--Nof komt terug.--Het verhaal van
	Quebranto den Strandroover.--Naar Czernovië!


XI. De "Vogel" wordt vernietigd 156

	De reis wordt door stormen vertraagd.--De nederdaling bij
	Midia.--Er ontploft een mijn en "De Vogel" vliegt in de
	lucht.--In Turksche gevangenschap.--De Dardanellen-Oorlog.--Li
	en Rob herkrijgen hun vrijheid.--De Engelsche spionnen gaan
	de doos in.--Naar Slavowitz!


XII. Rob maakt kennis met den Hertog van Bora 168

	In het Hotel Czernovië.--Van Stralen ontmoet zijn broer.--Daar
	komt de Prinses!--Een ontmoeting met den aanstaanden
	Prins-Gemaal.--Esse quam videri.--Van Stralen doet een duel
	op.--De tooneelspelen van Aeschylus.--Van avond om zes uur.


XIII. De Verrader 193

	Waarin we Maarschalk Zabern en Prinses Elizabeth leeren
	kennen.--Wat de gezant te Petersburg schreef.--Een verrader
	onder de Ministers.--Russakoff is ontsnapt!


XIV. Ivan Bavenski 202

	Een gesprek met den Minister van Binnenlandsche Zaken.--De
	drie verzegelde pakketten.--Elizabeth hoort van het duel.--De
	brief van Felix.--Zou hij het zijn?--Naar het Roode Woud!


XV. Het Duel 213

	De ontmoeting in het Roode Woud.--De Russische
	schildwacht.--Het duel begint.--De plotselinge verschijning
	der Prinses.--De Hertog wordt gearresteerd.--Zij hebben
	elkaar herkend!


XVI. Wat Katina van Russakoff vertelde 220

	De drie vrienden ontmoeten Zabern.--Katina, de patriot.--Zabern
	komt Russakoff op het spoor.--Met spoed naar Slavowitz terug!


XVII. Russakoff begaat een Moord 238

	Hoe Katina een troïka ment.--Het klooster.--De Russische wijk
	van Slavowitz.--De troïka komt in het gedrang.--Paul wordt
	doodelijk gewond.--Felix, Zabern en het raadselschrift.--Zou
	Rob werkelijk de oplossing gevonden hebben?


XVIII. Felix en Elizabeth 254

	Felix wordt bij de Prinses ontboden.--Het
	weerzien.--Wederzijdsche ontboezemingen.--Felix wordt tot
	Secretaris benoemd.


XIX. Een Staaltje van Schermkunst 262

	De Minister van Financiën en de Commandant der Citadel.--Een
	opstootje in de Kamer.--Wat het orkest van Mengelberg op z'n
	geweten heeft.--Felix verslaat zes tegenstanders.--De Furiën!


XX. Rob betrapt een Inbreker 278

	Rob gaat aan het cijferen.--Gevonden!--De inbraak in het
	Paleis.--Zabern redt Rob nog juist op tijd.--Het verbrande
	Charter.--Wat zal er van Czernovië worden?


XXI. Het Gezantschap van den Czaar 295

	Felix aanvaardt zijn nieuwe betrekking.--Graaf Feodor Orloff,
	Gezant van den Czaar, doet eenige brutale vragen.--Elizabeth
	antwoordt hem zeer beleefd.--Katina wordt eerst tegen haar zin,
	daarna vrijwillig gevangen.--Zabern schrijft een brief.


XXII. Een gemaskerd Bal 319

	Het wetsontwerp-Lipski.--Prinses Elizabeth teekent een
	contract.--De schatten van het St. Nicolaas-klooster.--Iedereen
	verliest den moed, behalve Zabern.


XXIII. Een Moordaanslag op de Prinses 338

	Rob wordt met een benoeming verrast.--De wapenschouwing.--Twee
	schoten op de Prinses.--De daders ontsnappen.--De wet-Lipski
	komt in stemming.--De verrassing van Zabern.--De moordenaar
	wordt gevat.--De kelder van Lipski.--Zabern schrijft een
	brief.--


XXIV. Een Russisch Leger aan de Grens 364

	Felix wordt uit Czernovië verbannen.--Hij gaat, maar hij
	zal terugkomen!--Zes Turksche krijgsgevangenen in het
	studeervertrek van Zabern.--Rob verdwijnt.--Ravenski komt
	met nieuwe bedreigingen.--De Czaar staat aan de grens!


XXV. De Vooravond van de Kroning 381

	Het Russische leger komt nader.--Ravenski hernieuwt zijn
	bedreigingen.--Elizabeth ontvangt een bezoek van den Hertog
	van Bora.--De drie verraders geknipt.


XXVI. Zabern en Ravenski 388

	Melchior, de verrader.--Zabern verschijnt.--De
	postduif.--Ravenski ontvangt een sabelhouw.--Het kanon van
	de Citadel.


XXVII. De Kroning 398

	Hoe het kwam dat de Hertog ontvluchtte.--De stoet zet zich
	in beweging.--Waar blijft Felix?--Waar blijft Rob?--Het
	St. Nicolaas-klooster door de Russen bezet.--De stem van
	Orloff.--De Hertog verschijnt.--De Czaar!--Rob brengt het
	Charter.--Elizabeth kiest Felix tot kampioen.


XXVIII. Het Kroningsduel 426

	De ontmoeting tusschen Elizabeth en Felix.--Het duel
	begint.--Edelmoedigheid van Felix.--De Hertog wordt doodelijk
	gewond.


XXIX. Eind goed, Al goed 438

	De kroning gaat door.--Czernovië is vrij!--Felix wordt
	Prins-Gemaal.--Felix en Elizabeth doen afstand van den
	troon.--Robert Rensma, President der Oranje-Republiek.--







EERSTE HOOFDSTUK.

HOE DIT BOEK ONTSTOND.

	De ontvoering van een Hoogere-Burgerscholier op 13 October
	1901.--Na een jaar van angst en spanning zien zijn vrienden
	hem terug.--Er wordt hem f10.000 geboden voor een beschrijving
	van zijn lotgevallen.


De groote gebeurtenis, die den 13en October 1901 het geheele land
in rep en roer bracht, waarover de kranten weken lang kolommen vol
schreven, en die weldra in alle deelen van Europa met schrik en
verwondering besproken werd--die gebeurtenis ligt ons allen nog zoo
versch in het geheugen, dat ik ze den lezer nauwelijks nader behoef
aan te duiden.

Nu echter de geheimzinnige sluier opgeheven is, waarmee deze
gebeurtenis een jaar lang was bedekt, en de geschiedenis van Rob
Rensma's lotgevallen in dit boek wordt bekend gemaakt, nu zij het
mij volledigheidshalve vergund de feiten nog even in 't kort aan
te stippen.

Het was ongeveer half negen in den morgen van den 13en October
1901. Rob bevond zich op dat tijdstip op het Leidsche Plein te
Amsterdam, en had dus geen haast te maken om met het spelen van negenen
in de Hoogere-Burgerschool te zijn. Maar daarom alleen liep hij niet
zoo langzaam: hij had twee zware repetities in 't vooruitzicht--en
hij had den heelen vorigen avond in 't Vondelpark gefietst! Meer
behoef ik er niet van te zeggen.

Rob slenterde dus zoo'n beetje langs de straat, z'n boeken onder
den arm en z'n oogen naar den grond, en hij trachtte zich vergeefs
'n formule uit zijn natuurkundeboek te binnen te roepen, die hij
totaal vergeten was, en waarnaar hem vandaag zeker gevraagd zou
worden. Ze vroegen hem altijd dingen die hij niet wist! Rob was niet
dom--integendeel. Hij had een vlug en helder verstand, maar hij
gebruikte 't niet altijd. Hij hield meer van lichamelijke dan van
geestelijke inspanning. Fietsen, zwemmen, voetballen--dat was je ware;
maar langer dan 'n uur rustig op de bank te zitten, daarvoor was Rob
te ongedurig.

"Ik gaf mijn nieuwe fiets ervoor," dacht Rob, "als ik vandaag niet naar
hok hoefde. Hè, als er nu eens onverwacht iets gebeurde, waardoor..."

Hij had dezen zin bij zichzelf nog niet voltooid, toen hij zich
opeens krachtig om het middel voelde gegrepen, opgetild en snel omhoog
gevoerd worden.

Eén minuut daarna was hij nog slechts als een stip, twee minuten
later was hij geheel niet meer te zien.

's Morgens om halfnegen is het op 't Leidsche Plein al zoo druk als in
een kleinere stad wanneer 't kermis is. 't Spreekt dan ook vanzelf, dat
zijn ontvoering niet onopgemerkt bleef. Maar 't is merkwaardig zooveel
verschillende verhalen men te hooren krijgt, als tien ooggetuigen
een gebeurtenis ieder op zijn eigen manier weergeven. Meer dan tien
menschen hadden waarschijnlijk 't verdwijnen van den zooeven nog
rustig wandelenden jongen niet van 't begin tot 't eind gezien;
want alles ging zoo verbazend snel in zijn werk, dat Rob al uit
't gezicht verdwenen was eer men goed begreep wat er gebeurde. Maar
toen later, ten behoeve van 't onderzoek, door de justitie getuigen
werden opgeroepen, verklaarden zich 234 personen bereid onder eede
te verklaren wat ze gezien hadden, terwijl bij vergelijking der op
schrift gebrachte verklaringen daarvan 159 zeer aanmerkelijk van
elkaar bleken te verschillen! De een had duidelijk gezien, dat een
groote roofvogel den jongen in zijn klauwen had gepakt; de tweede wist
zeker, dat er op het dak van den Stadsschouwburg een man had gestaan
die een langen lijn uitwierp met een haak er aan, en zoo den jongen
naar zich toe trok; de derde had Rob, dien hij zeer goed kende, om
halfnegen bij het Centraal-Station ontmoet, zoodat hij niet begreep
hoe er van dat ontvoeringsverhaal iets waar kon zijn; een vierde had
zonder eenigen twijfel een luchtballon gezien, waar Rob met een dreg
ingeheschen werd--kortom, ieder had een andere lezing van het geval,
en de een sprak tegen wat de ander gezien had.

Van een geregeld onderzoek kon in deze zaak geen sprake zijn. De
rechter van instructie bepaalde zich tot 't doen opschrijven van 234
getuigen-verklaringen, en overigens was niemand bij machte ook maar
de geringste aanwijzingen te geven omtrent een vermoedelijken dader
of omtrent de mogelijke aanleiding tot de daad.

"Het onderzoek wordt voortgezet"--dit was het laatste, wat de kranten
het nieuwsgierig publiek omtrent het positieve gedeelte van deze
geheimzinnige geschiedenis konden opdisschen. Maar het publiek was
daarmee natuurlijk niet tevreden, en zoo moesten de nooit uit het
veld geslagen krantenmannen het terrein der feiten wel verlaten,
om over te gaan tot dat der fantasie. Men _wilde_ nu eenmaal
niet tevreden zijn met het weinige, dat de justitie te weten was
gekomen. En de verslaggevers begonnen ijverig op hun onuitputtelijken
duim te zuigen. Avond aan avond verschenen er ellenlange artikelen
om de verdwijning te verklaren. In de buitenlandsche bladen werd
duchtig meegedaan. Zoo verscheen in de Figaro een meer geestig
dan wetenschappelijk artikel van een ongenoemde, waarin betoogd
werd dat hier niet anders kon gewerkt hebben dan een chemisch
proces. Aangezien immers door de proeven van professor Raymond
gebleken was dat het element falmium, door hem in het zonnespectrum
geconstateerd, een sterke oplossende kracht bezat, was het zeer goed
mogelijk--zoo redeneerde de Figaro-schrijver--dat door een tijdelijke
en plaatselijke versterking van dat element een zoo sterke oplossende
inwerking had plaatsgehad, dat Rob binnen enkele seconden in den
poedervorm was overgegaan. Niemand dacht eraan, en de schrijver zelf
waarschijnlijk 't minst van allen, deze redeneering in ernst op te
nemen. Maar evenmin wilde men geloof hechten aan het zeer geleerde en
langdradige opstel van den beroemden Duitschen metereoloog Von Müller
in de "Wissenschäftliche Blätter," dat ten doel had de verdwijning te
verklaren uit de opzuigende werking van een krachtigen luchthoos. Was
deze verklaring inderdaad de juiste, dan moest Rob immers hier of daar
weer neergekomen zijn, en zou men zijn overblijfselen hebben moeten
vinden. Dat nu was niet het geval. Aan de rechtbank werd niets anders
gedeponeerd dan het pak boeken, dat Rob onder den arm had toen hij
zich op weg naar school bevond, en dat hij klaarblijkelijk gedurende
zijn vliegtocht had laten vallen. Het was door een agent van politie
bij de kiosk opgeraapt.

De heer Von Müller liet het er echter niet bij zitten. Hij gaf nog
ettelijke naschriften op zijn artikel, en richtte ten slotte zelfs
zulke krachtige vertoogen tot de Nederlandsche Regeering, dat deze
zich tegenover de autoriteit van den geleerde niet verantwoord achtte
zijn mededeelingen over het hoofd te zien. Op last van den Minister
van Justitie werden gedurende eenige weken alle daken van alle huizen
in den omtrek van het Leidsche Plein onderzocht--echter zonder ander
resultaat dan dat de post "onvoorziene uitgaven" op de begrooting
met f10.000, zijnde de kosten van het onderzoek, moest verhoogd worden.

Na ongeveer vier weken begon de publieke belangstelling te luwen,
totdat opeens een nieuwe gebeurtenis alle gemoederen weer in beroering
bracht. Den 11en November toch werd bij den voogd van Rob, zijn ouders
leefden niet meer, Willemsparkweg 921, een brief in de bus gevonden
van den volgenden inhoud:


	"Ik ben in leven, en u hoeft u dus niet ongerust over me
	te maken. Alleen zult u geduld moeten hebben, want ik zal
	waarschijnlijk wel een jaar moeten wegblijven. Maar u kunt
	er vast op rekenen dat ik dan gezond en ongedeerd bij u
	terugkom. Ontvang de hartelijke groeten van

	uw liefhebbenden Rob."

	"P.S. Wilt u er vooral aan denken, dat mijn konijnen iederen
	morgen hun eten krijgen?

	Rob."


Ook deze gebeurtenis, de ontvangst van den brief, zal de lezer zich
nog duidelijk herinneren. Afdrukken ervan werden overal verspreid;
aan alle winkelruiten werd er een aangeplakt en alle kranten gaven
er een als gratis bijlage. Opnieuw ging er een storm van ontroering
door het land.

Professor Von Müller moest er het zijne weer van hebben. Hij schreef
aan de Nederlandsche Regeering, dat deze brief vervalscht moest
zijn. De hoos alleen was echt, en zou dit blijven zoolang niemand het
tegendeel bewees. De geleerde heer roerde zich zóo, dat een onderzoek
gelast werd naar de echtheid van het handschrift. Alle schoolcahiers,
alle verjaarbriefjes, die Rob ooit aan tantes en ooms had geschreven,
kwamen voor den rechter. Maar door iedereen, door Rob's voogd en
de familie Rensma in de eerste plaats, door de onderwijzers en de
schriftkundigen, werd pertinent verklaard dat niemand anders dan
Rob het bewuste briefje geschreven kon hebben. Nu werd de professor
kwaad, en begon een verwoeden veldtocht tegen de schriftgeleerden,
die volgens hem allemaal ezels waren. Hij schreef de eene brochure na
de andere, en werd ten slotte zoo vervelend, dat niemand meer notitie
van hem nam. Toen schonk de Duitsche Keizer hem de Kroonorde en den
personeelen titel van Geheimrath.

De zaak werd er niet duidelijker op, en er zou zeker nog heel wat tijd
en inkt aan besteed zijn, wanneer niet in die dagen de Transvaalsche
Oorlog alle aandacht in beslag had genomen. De kranten bepaalden
zich nu alleen tot enkele sensatieberichten. Ongeveer elke zes weken
kwam er opeens een telegram, nu uit Singapore, dan uit Groenland,
dan weer uit Valparaiso, dat er een jongen aangehouden was, wiens
signalement geheel overeenkwam met het overal verspreid portret
van den ontvoerde. Natuurlijk brachten zulke berichten telkens een
kortstondige maar hevige spanning, en bleken zij ook telkens onjuist te
zijn. Eens werd zelfs door de Japansche Regeering, op verzoek van de
onze, een jongmensch op staatskosten naar Amsterdam getransporteerd,
omdat men nu zeker meende Rob gevonden te hebben. Maar alle kosten
en moeiten waren vergeefs. Het jongemensch, een reizend Mongoolsch
marskramer, die eigenlijk heelemaal niet begreep wat men van hem
wilde, genoot eenige dagen de belangstelling van heel Amsterdam,
maar werd zoo bekeken, nageloopen, gedrongen en van het kastje naar
den muur gestuurd, dat hij dol blij was toen de Japansche Consul hem
weer overnam. Toch had hij de voldoening, met een aardig spaarduitje
weer naar zijn land terug te keeren, want de handige directie van
het Rembrandt-Theater had kans gezien hem tegen buitensporig hooge
betaling voor twee avonden te engageeren, en zijn aardige Mongoolsche
volksliederen hadden een uitbundig succes gehad.

Men kan begrijpen dat de familie Hartog, bij wie Rob in huis was
geweest, in groote spanning leefde. Ofschoon zij het 't beste
oordeelde, den raad van Rob op te volgen en te berusten, was de
justitie van oordeel dat men zich hier niet bij mocht neerleggen, en
gedurende drie maanden werd het huis op den Parkweg door een sterke
politiemacht bewaakt, ten einde te trachten den brenger van het
briefje, mocht hij opnieuw komen, in handen te krijgen. Men ontdekte
echter geen enkel spoor, en daar ook, noch uit het papier, noch uit
den inkt iets omtrent de herkomst der berichten kon afgeleid worden,
gaf men het ten slotte op.

Zoo verging het jaar 1901; het werd October 1902, en de belangstelling
was langzamerhand verflauwd; men begon het geval Rensma te vergeten.

Toen--we herinneren het ons allen nog levendig--gebeurde er opeens
iets, dat als een electrische schok door heel Nederland voer. Den
9en October ontving de familie Hartog een telegram uit Slavowitz,
de hoofdstad van Czernovië, luidende:


	"Ik kom den dertiende thuis.

	Rob."


Vier dagen van vreeselijke spanning! Zou het waar zijn? Zou dit
telegram werkelijk door Rob zijn afgezonden? Of had men weer met
een van die leugenachtige sensatieberichten te doen, waardoor al zoo
dikwijls teleurstelling was veroorzaakt?

Den 13en October, des avonds te elf minuten over achten, werd er
forsch aan de bel getrokken, en tien seconden daarna.... stond Rob
in de huiskamer, stralend, gezond, stevig!

Men begrijpt niet hoe zulke dingen uitlekken, maar zeker is, dat
de ochtendbladen van den 14en met vette letters aan het hoofd van
de eerste pagina de groote gebeurtenis meldden. Op den Parkweg zag
het zwart van de menschen; men verdrong zich voor de woning van de
familie Hartog. Rob moest op het balcon komen en werd met luide hoera's
begroet. De heele buurt vlagde. Krantenjongens deden buitensporige
zaken. De Amsterdammer Nieuwsbode, tot op dat oogenblik een kwijnend
blaadje van den derden rang, wist door een reeks handig-gestelde
artikelen de aandacht te trekken, en kreeg er in acht dagen tijds
zevenduizend abonnés bij. Zooals men weet is 't nu een Naamlooze
Vennootschap met een kapitaal van twaalfmillioen gulden. In alle
winkels verrezen speciale etalages, men kocht eenige weken slechts
Rensma-brood, Rensma-sigaren, Rensma-paraplu's, en er was geen lief
meisje in heel ons land, die Rob's portret niet op haar étagère
had staan.

Maar het handigst van allen wist de uitgever van dit boek van Rob's
terugkomst partij te trekken. Om ongeveer acht uur in den morgen was
door bulletins en telegrammen het groote nieuws bekend geworden;
om kwart voor negen stapte er iemand voor het huis Willemsparkweg
921 van zijn fiets, belde, gaf zijn kaartje af en fietste vijf
minuten later weer weg, met de schriftelijke verklaring in zijn zak,
waarbij hem--nadere regeling voorbehouden--de alleenuitgave verzekerd
werd van Rob's reisavonturen! De 17 Amerikanen, 11 Duitschers, 8
Franschen, 3 Russen, 2 Engelschen, 1 Deen en 1 Griek, die later op
den dag telegrafisch dezelfde autorisatie vroegen, vischten achter
het net. Eerst den volgenden dag kwamen de eerste aanbiedingen van
andere Hollandsche uitgevers in. Niet alleen waren zij allen te laat,
maar hun voorwaarden bleven ver ten achter bij die van eerstgenoemden
uitgever, die zonder nadere onderhandelingen f10,000 bood, en dit
bedrag onmiddellijk verdubbelde toen hij vernam, dat Rob het voor de
algemeene armen van Amsterdam wenschte te bestemmen.

Ondanks het gedane verzoek, had Rob geweigerd zelf het relaas van
zijn lotgevallen te schrijven. Hij verklaarde daartoe den tijd te
missen, en zooals we later zien zullen, was dit motief alleszins
gegrond. Het gevolg van een en ander was, dat de uitgever denzelfden
dag een telegram verzond van dezen inhoud:


	"A. Bertrand--Hotel de Draak-- Peking.

	"Rob Rensma terug--ben in het bezit van zijn
	aanteekeningen--wilt ge daaruit reisverhaal
	samenstellen--honorarium f5000."


De bewerker van dit verhaal maakte op dat oogenblik een reis
door China, bezig met het verzamelen van gegevens voor een nieuw
jongensboek, en seinde terug:


	"Ja--ik kom.

	A. Bertrand."


Veertien dagen later werd te Amsterdam een begin gemaakt met het
schiften en ordenen van Rob's notities, en als resultaat daarvan
ligt thans het volledige en getrouwe overzicht van Rob's wonderlijke
avonturen voor u.





TWEEDE HOOFDSTUK.

ROB VLIEGT DE LUCHT IN.

	Wat Rob in het Vondelpark vond.--De geheimzinnige
	doos.--Rob meent een komplot op het spoor te zijn.--Hoe zijn
	nieuwsgierigheid gestraft werd.


Het ligt voor de hand, dat men al gauw na Rob's verdwijning
zich de vraag stelde: wat is de onmiddellijke aanleiding tot zijn
ontvoering? Is hier een wraakoefening in het spel? Is er een bepaalde
reden waarom juist Rob het slachtoffer van deze geheimzinnige
geschiedenis moest worden?

De lezer zal zich deze vraag ook gesteld hebben, en het ligt daarom in
de bedoeling allereerst in dit opzicht een nadere verklaring te geven.

Iedereen weet, dat Rob den avond vóor de ontvoering in het Vondelpark
gefietst had, daarna nog even in zijn studieboeken had gesnuffeld,
en vervolgens naar bed gegaan was. Er was dien dag, noch de vorige
dagen, iets bizonders met hem gebeurd, en den volgenden dag was hij op
het gewone uur naar school gegaan. Deze eenvoudige feiten waren aan
ieder bekend, en men kon er met geen mogelijkheid eenige aanwijzing
in vinden, die steun aan het gerechtelijk onderzoek zou geven.

Maar wat tot op heden niemand geweten heeft, is het volgende.

Toen Rob door het Park fietste, liet hij zich als gewoonlijk geen
enkelen kwajongensstreek ontgaan, en, in zijn neiging om dingen te doen
die verboden zijn, reed hij ook zoo nu en dan door de voetpaden. De
parkwachter had hem voor deze overtreding al menig standje gemaakt,
maar op dat oogenblik was de man niet te zien, en bovendien begon
't al te schemeren. Op het wandelpad, dat langs den vijver loopt, had
Rob het ongeluk met zijn voorwiel een van twee mannen te raken, die
daar op een bank in fluisterend gesprek zaten. De mannen, blijkbaar
verschrikt, stonden haastig op; de een mompelde iets dat Rob niet
verstond, en daarna verwijderden beiden zich snel. Rob was ook even
geschrokken, meenende dat hij den man bezeerd had, maar toen hij
zag dat ze 't blijkbaar niet boos opnamen, maakte hij zich gereed om
weer in het zadel te springen. Daar werd hij echter op zijn schouder
getikt, en de parkwachter stond naast hem, zeggend: "al weer zonder
licht?" De wachter, een goedhartig man, wist wel dat Rob nu eenmaal
onverbeterlijk was, en liet het dus bij deze vermaning. Maar Rob vond
het toch verstandiger, zijn lantaren aan te steken. Daarom zette hij,
terwijl de wachter weer verder wandelde, zijn wiel tegen de bank, en
stak een lucifer aan. Weldra brandde de lantaren helder, en Rob wou
juist wegrijden toen hij op de bank een metalen voorwerp zag liggen,
dat de stralen van het lantarenlicht scherp weerkaatste. Dadelijk
was zijn nieuwsgierigheid geprikkeld; hij nam het voorwerp, dat een
stalen doos of kistje bleek te zijn, op zijn fiets mee, en besloot
het thuis eens op zijn gemak te bekijken.

Het zou zeer zeker verstandiger van Rob geweest zijn, als hij het
kistje aan den parkwachter ter hand had gesteld, of getracht had
de beide mannen in te halen, die het klaarblijkelijk hadden laten
liggen. Maar de vorm en het uiterlijk van zijn vondst trokken hem
zoo aan, dat hij niet laten kon het voorloopig in zijn bezit te
houden. Dat hij, thuisgekomen, het voorwerp aan niemand liet zien,
heeft een verklaarbare oorzaak. Een paar maanden geleden toch, in
de zomervacantie, had Rob, bij familie in Utrecht logeerende, bij
een der forten in den omtrek der stad een langwerpige huls gevonden,
die later bleek een dynamietpatroon te zijn, welke vermoedelijk na
een oefening van de genie-troepen was blijven liggen.

Dat wist Rob toen echter nog niet; hij had er aan gepeuterd en er
op gehamerd, en het gevolg was geweest dat 't ding, waarin zich nog
een overblijfsel van het springmiddel had bevonden, plotseling met
een hevigen slag was ontploft. Rob had vrij ernstige brandwonden aan
gezicht en handen gekregen, zijn haren en wenkbrauwen waren geschroeid,
en 't had maar weinig gescheeld of hij zou er een oog bij verloren
hebben. Natuurlijk had zijn voogd hem onder handen genomen, en hem
streng verboden ooit weer iets op te rapen waarvan hij vermoeden kon
dat het zulk een gevaarlijken inhoud bezat.

Rob had dit verbod op zijn manier opgevat, en bracht het in practijk
door voortaan nooit iets van zijn vondsten te vertellen. Toen hij
dan ook thuis kwam, bracht hij het doosje dadelijk op zijn kamer,
en eerst 's avonds in bed begon hij bij kaarslicht zijn buit te
onderzoeken. Hij bleek een blank stalen doos in den vorm van een
boek te pakken te hebben, ongeveer 20 cM lang, 15 cM breed en 3 cM
dik. Langs een der lange zijden liep een stalen draad, waarmee de
doos klaarblijkelijk gesloten werd gehouden. Daar de draad aan beide
uiteinden tegen de doos was vastgesoldeerd, trachtte Rob het soldeer
in de kaarsvlam te doen smelten. Dit lukte echter niet, en daar Rob
door de treurige ervaring van den afgeloopen zomer wel wat huiverig
was gevonden voor proefnemingen met vuur, stapte hij zijn bed uit en
scharrelde in zijn timmerkist een nijptang en een vijl op. Met behulp
van deze beide werktuigen gelukte het hem den draad te verbreken,
en nu ging de doos zonder veel moeite open. De inhoud bleek uit drie
bladen perkament te bestaan, althans uit bladen van een zeer taaie,
geoliede papiersoort. Het eerste blad was blanco, de beide anderen
waren met diepzwarten, glanzenden inkt beschreven. Op het eene bevonden
zich niets dan cijfers; het andere bevatte de volgende regels:


	Kroonjuweelen £1000.000
	15 October Green-eiland
	20 October Dover
	Huur hoek Longmanstreet 2610 en 2612
	Advertenties en aanplakbiljetten.


De beteekenis van deze zinnen was voor Rob totaal onverstaanbaar. Hij
begreep echter wel, in verband met het vreemde gedrag der beide mannen,
die de metalen doos verloren hadden, en ook omdat dit document zoo
stevig was verpakt, dat hij vermoedelijk met aanteekeningen te doen
had, die voor den eigenaar van groote waarde waren. Zijn levendige
fantasie spon een ganschen roman om de drie perkamenten bladen, en
toen hij, moe gekeken op de geheimzinnige woorden, die hij te vergeefs
met elkaar in verband trachtte te brengen, ten slotte in slaap was
gevallen, droomde hij voortdurend van alle wonderverhalen die hij in
zijn leven gelezen had. Hij was er van overtuigd dat hij een zeer
belangrijke vondst had gedaan, die hem misschien op het spoor van
een samenzwering of een andere avontuurlijke onderneming zou brengen.

Den volgenden morgen verborg hij de doos in den binnenzak van zijn
jas, voornemens om na schooltijd een kameraad in het geheim te nemen
en met diens hulp het document eens aan een nauwkeurig onderzoek
te onderwerpen.

Rob vermoedde weinig, dat hij niet lang ongestraft in het bezit van
het gevondene zou blijven. Toen hij den vorigen avond naar huis ging,
was een der mannen, die het kistje hadden laten liggen, hem gevolgd;
voor de deur van zijn woning had deze een eigenaardig gefluit doen
hooren, en kort daarna zweefde een donker voorwerp boven het huis,
en bleef daar gedurende den geheelen nacht, door niemand opgemerkt,
hangen. Hoe het verder met Rob toeging, weten we, en we hebben dus
nu na te gaan waar hij te land kwam, toen hij door die onverklaarbare
aantrekkingskracht van de aarde werd opgeheven.






DERDE HOOFDSTUK.

OP HET LUCHTSCHIP.

	Rob komt aan boord van "De Vogel".--Hij wordt vriendelijk
	ontvangen en vindt een fraaie logeerkamer voor zich
	ingericht.--Hij leert het leven aan boord kennen.--De eerste
	dag valt hem niet tegen.


Zij, die twee jaar geleden meenden gezien te hebben dat Rob van het
dak van den Stadsschouwburg door een man, die zich daar verborgen
hield, omhooggehaald werd, kunnen er zich thans op beroemen dat hun
getuigenis voor den rechter van instructie de waarheid het meest
nabij kwam. Want inderdaad kwam de gang van zaken ongeveer daarop neer.

Het bolvormige voorwerp, dat gedurende den nacht boven het huis van
den heer Hartog had gezweefd, had zich tegen den morgen tot boven
het dak van den Schouwburg verplaatst, waar het onzichtbaar bleef
voor de voorbijgangers. Toen Rob langs kwam, werd een metalen lijn
uitgeworpen, die ondanks zijn uiterste dunheid geheel onbuigbaar was,
en aan welks uiteinde een cirkelvormige band was bevestigd, die over
Rob's hoofd heengleed en daarna vast om zijn armen en zijn middel
werd dichtgetrokken. Boven op het dak gekomen, werd Rob door een man,
in een nauwsluitend zwart pak zonder eenige versiering gekleed en met
een zwart masker voor, in ontvangst genomen. Deze zei alleen: "niet
bang zijn; rustig blijven." Daarna haakte hij de lijn los, legde Rob
op een klein platform, dat onder aan een bol was bevestigd die op een
luchtballon leek, nam zelf plaats op een soort stuurstoel, die zich
aan het uiteinde van het platform bevond, en draaide snel een houten
kruk eenige malen om. Onmiddellijk daarna schoot de geheele toestel
met fabelachtige snelheid omhoog, zoo snel dat Rob den wind langs zijn
ooren voelde suizen. Rob was wel een beetje verschrikt, maar hij was
nog al niet bang van aard, en de manier waarop zijn ontvoerder hem
met kalme, heldere stem had aangemaand rustig te blijven, boezemde
hem zulk een vertrouwen in, dat hij weldra zijn bedaardheid terug
voelde keeren. Met open oogen lag hij rond te kijken; hij vond de
snelle beweging en de frissche wind die langs zijn gezicht streek niet
onaangenaam. Wel kon hij zich geheel niet bewegen, want zijn geleider
had ook een ring om zijn beenen gesloten, maar hij bemerkte dat zijn
boeien hem geheel geen pijn deden, en waarschijnlijk met een zachte
stof gevoerd waren. Ook begon hij het reisje wel romantisch te vinden,
en stelde hij zich al de verbaasde gezichten van zijn kameraden voor
als zij van zijn geheimzinnig verdwijnen zouden hooren.

Na enkele minuten zeer snel gestegen te hebben, draaide zijn geleider
weer aan de kruk, en de ballon bleef onbewegelijk hangen. Naar
beneden ziende, bemerkte Rob dat hij zich boven een dikke wolkenlaag
bevond, die de aarde aan zijn oog onttrok. De zon scheen vroolijk,
en kleurde de wolken met roze en gele tinten, zoodat ze een geheel
ander aanzien kregen dan men van beneden af gewoon was waar te nemen;
een paar vogeltjes kwamen op den rand van het platform zitten en
kwinkeleerden vroolijk; de heldere hemel boven de luchtschippers was
zoo diep en glanzend blauw als men dat in onze noordelijke landen
zelden of nooit waarneemt.

De man aan het roer opende een klein deurtje in den bodem van het
platform, en bracht een flesch, een glas, een bord en een doos van
eigenaardigen vorm en uit een paarlmoer-achtig metaal vervaardigd,
te voorschijn. Uit de flesch schonk hij een blauwe vloeistof in,
terwijl hij uit de doos een paar roodgekleurde rolletjes nam en die
op het bord legde. Ofschoon Rob kort geleden stevig ontbeten had,
voelde hij nu opeens een prikkelenden honger, en hij liet zich dus ook
niet lang nooden, toen zijn geleider een van zijn handen vrijmaakte,
en tot hem zei:

"Eet en drink iets. In deze hooge lucht krijgt men gauw honger."

Het zag er vreemd uit: die blauwe vloeistof en dat roode voedsel. Maar
de stem van den geheimzinnigen stuurman klonk weer zoo vriendelijk en
vertrouwenwekkend, dat Rob geen oogenblik aarzelde. Hij at en dronk,
en de uitwerking was hoogst merkwaardig. De drank had het prikkelende
en opwekkende van champagne, zonder de benevelende eigenschappen
daarvan; de kleine roode broodjes deden aan pasteikorst denken, maar
waren lichter en brosser, en toch voelde Rob zich na ze gegeten te
hebben zoo verzadigd en versterkt alsof hij een voedzaam maal genoten
had. Toen hij gereed was en zich weer heelemaal op zijn gemak voelde,
vroeg hij:

"Wat gebeurt er eigenlijk met me?"

De man met het masker antwoordde:

"Voorloopig kan ik je geen enkele inlichting geven. Vraag dus
niets. Ik zal je boeien losmaken, maar wees zoo verstandig en blijf
rustig zitten. Ontvluchten is natuurlijk onmogelijk, doe dus ook geen
poging om mij te bemoeilijken."

Rob beloofde dat hij in alles gehoorzamen zou. Toen deed de man ook den
band van zijn voeten af, en Rob ging rechtop zitten. Zijn geleider
schoof nu het masker opzij, en Rob keek in een flink, mannelijk
gezicht, waarin de donkere oogen scherp en helder schitterden. Om
den mond lag een ernstige, vastberaden trek.

"Schrik niet," zei de stuurman, "ik zal een signaal geven."

Hij opende een klepje in een buis, die zich naast de stuurkruk
bevond, en nu deed zich een zwaar, doordringend geluid als van een
misthoorn hooren. Na ongeveer een minuut werd dit signaal van uit de
verte beantwoord, en de stuurman sloot de klep. Weldra zag Rob uit de
wolkenmassa een donker gevaarte naderen, het nam snel in omvang toe, en
hield vlak naast het schuitje waarin Rob zich bevond stil. Nu zag Rob,
dat zich boven het kolossale luchtschip een aantal vleugelschroeven
bevond, die snel ronddraaiden, en hij begreep dat deze dienden om
den winddruk te neutraliseeren en het schip zwevende te houden. Op
dergelijke wijze was het ook mogelijk geweest het "schuitje," zooals
Rob het bij zichzelf noemde, bijna onbewegelijk op dezelfde plaats
te doen blijven.

Het luchtschip, waarop Rob nu overstapte--nadat hij met verbazing
gezien had, hoe zijn geleider met enkele weinige handbewegingen de
ballon van het schuitje deed leegloopen en daarna den geheelen toestel
opvouwde en in een betrekkelijk kleine kist borg--bleek een langgerekt
sigaarvormig lichaam te zijn, waarboven zich een ballon bevond die er
ongeveer als een liggende O uitzag. De lengte van het schip schatte Rob
op ongeveer 25 M., de breedte op nagenoeg 8 M. Verscheidene wentelende
schroeven en raderen deden een eigenaardig gedempt snorren hooren; hier
en daar merkte Rob toestellen en instrumenten op, waarvan de beteekenis
hem natuurlijk ontging. Aan het achtereinde van het dek stond een
huisje met glazen wanden, waarin zich een man, klaarblijkelijk de
stuurman, bevond; ook deze droeg dezelfde eenvoudige zwarte uniform
als zijn geleider, en was het eenige levende wezen dat op het dek te
bespeuren viel.

Op aanwijzing van zijn geleider daalde Rob een trap af, die zich aan de
voorzijde van het dek bevond en toegang gaf tot een gang, welke in de
lengte van het schip liep, en waarop verscheidene deuren uitkwamen. Een
daarvan, het nummer 9 dragende, werd voor hem geopend, en Rob werd
verzocht binnen te gaan en te wachten tot men hem zou doen roepen.

Toen de deur zich achter hen gesloten had, bleek Rob zich in een
kamertje van ongeveer 3 bij 4 M. te bevinden, dat er lang niet
ongezellig uitzag. Het was smaakvol gemeubeld, en ontving zijn licht
door een breed, vrij hoog in den wand aangebracht venster. Aan de
zoldering en langs de wanden bevonden zich electrische lampjes; tegen
een der zijmuren stond een ledikant, de andere was in regelmatige en
even groote vakken verdeeld, die elk een opschrift hadden in een voor
Rob onbekende taal, en klaarblijkelijk de deuren vormden van zich in
dien zijwand bevindende kastjes of bergplaatsen. De vloer was bedekt
met een zachte, veerkrachtige stof; de wanden waren van een glad, warm
gekleurd behangsel voorzien; het heele vertrek was even eenvoudig,
smaakvol als practisch ingericht. Op een bij het raam aan den muur
bevestigd lessenaartje lag een boek, waarop in het Hollandsch, Fransch,
Duitsch, Engelsch en de Rob onbekende taal het woord "Handleiding"
stond gedrukt; Rob wilde dit juist opnemen en inzien toen een stem
naast hem sprak:

"Ik kom eens even met je praten."

Rob schrikte een oogenblik, want hij had niemand hooren binnenkomen;
de deur was volkomen geruischloos opengaan en had zich evenzoo weer
gesloten. Hij keek om en zag iemand in de bekende zwarte kleeding
naast hen staan. Voor hij iets kon zeggen, sprak de binnengekomene:

"Je hebt zeker die metalen doos bij je, die je gisteren gevonden hebt?"

Rob haalde het gevraagde uit zijn binnenzak, en de ander nam haar
met een tevreden hoofdknik aan, bekeek den inhoud, en zei toen:

"Dat maakt het ons gemakkelijk. Ik vreesde dat we het voor goed kwijt
zouden zijn. Heb je gelezen wat er in staat?"

"Ja, dat heb ik."

"Ik dacht het wel; de sluiting is verbroken. Nu vrees ik echter,
dat de commandant je vooreerst niet kan laten gaan. De inhoud is zeer
belangrijk en niemand buiten ons mag die weten."

"Ik wil u graag beloven dat ik er nooit met iemand over spreken zal,"
zei Rob.

"Ja--dat geloof ik wel. Maar daar mogen we niet op rekenen. Het is
heel jammer, dat je het slachtoffer bent geworden van de slordigheid
van een onzer kameraden. Maar daar is niets aan te veranderen. Neem nu
een goeden raad van me aan. Wees kalm en onderwerp je in alles aan wat
je hier voorgeschreven zal worden. Dan verzeker ik je dat je 't hier
heel goed zult hebben en dat je, zoo gauw maar eenigszins mogelijk
is, weer vrijgelaten zult worden. Ik zal nu beginnen met je wat beter
thuis te brengen in onze omgeving, dan zal je ook spoedig op je gemak
zijn en je gevangenschap geduldig dragen. Laten we gaan zitten."

De spreker schoof twee stoelen bij het raam, en vervolgde nadat beiden
hadden plaats genomen:

"Hoe heet je?"

"Rob."

"Dat is een goede, korte naam. Dien zal je wel kunnen houden. We
houden hier van eenvoud en kortheid, en hebben daarom allen bondige
namen. Ik heet Lo; zoo moet je me ook voortaan noemen. Als je er aan
gewend bent, zijn onze namen volstrekt niet onwelluidender dan die
de menschen op aarde dragen. Verder behoor je te weten dat we elkaar
hier allemaal bij den naam noemen en met jij en je aanspreken. Ook
dat is eenvoudig en went gauw. Het maakt den omgang gemakkelijker en
aangenamer, en neemt volstrekt de achting voor elkaar niet weg. We
spreken ook den commandant, die Li heet, op die gemeenzame wijze
aan, en toch gehoorzamen wij hem gaarne. Kijk eens, in dat Handboek,
waarnaar je zooeven keek, vind je alles wat noodig is om je hier met
kennis van zaken te kunnen bewegen; maar om het je gemakkelijker te
maken, zal ik je in hoofdtrekken den inhoud vertellen, dan kan je
het later nog wel eens nalezen."

Lo nam nu het Handboek van het lessenaartje, sloeg het open, en zei:

"Je bent hier op het luchtschip De Vogel. Alweer een eenvoudige
naam, en tevens doelmatig, want je zult later bemerken dat dit schip
geconstrueerd is volgens dezelfde beginselen als het lichaam van
een vogel.

"Met het doel en de bestemming van De Vogel heb je voorloopig nog
niet te maken.

"Er zijn hier de volgende personen aan boord: Li, de commandant,
iemand van ongeveer dertig jaar, dien je straks zult leeren kennen;
La, onze geleerde, de wetenschappelijke raadsman van het schip, van
wien je nog wel genoeg zult hooren; zijn eenige fout is verstrooidheid,
en daaraan heb jij ook te danken dat je op 't oogenblik hier ben--maar
dat komt later wel ter sprake. Ten derde Mu, de stuurman, die je op
het dek zeker wel in zijn huisje hebt zien zitten; hij vervangt zoo
noodig den commandant. Dan hebben we Naf, Nef en Nof, die alle drie
een veelzijdigen, soms drukken werkkring vervullen. De eerste heeft
het toezicht op de gemeenschappelijke vertrekken--je zult weldra in
de gelegenheid zijn te zien welke dat zijn--hij springt desvereischt
voor den stuurman in, zorgt voor de bereiding van het voedsel, regelt
de uurwerken, houdt de vrij talrijke instrumenten in orde die er aan
boord zijn, en is kortom met de geheele leiding van de dagelijksche
bezigheden belast. Nef en Nof zijn onze boden; ze worden met
belangrijke zendingen naar de aarde belast--soms zelfs naar een andere
planeet--doen allerlei speur- en onderzoekingsdiensten, behandelen
in ernstige omstandigheden onze verweermiddelen (het geschut, zouden
ze op aarde zeggen) en hebben elk een klein vliegtoestel tot hun
beschikking, waarvan je er een dezen morgen hebt leeren kennen. De
zevende en laatste ben ik; je zoudt me den particulieren secretaris
van den commandant kunnen noemen. Ik breng het grootste deel van
mijn tijd in zijn werkkamer door, werk zijn plannen en bevelen uit,
breng die ter kennis van de overige bemanning, schrijf de geschiedenis
van het schip, beheer de geldmiddelen--die we hier in de lucht ook
noodig hebben, zooals je zien zult--voer daarvan de administratie,
en ben ten slotte belast met de zorg voor onze gasten."

"Hoor ik ook tot de gasten?" vroeg Rob eenigszins ondeugend.

"We noemen iedereen zoo die geen deel uitmaakt van de vaste bemanning,"
antwoordde Lo. "Op 't oogenblik ben je dus aan mijn bizondere zorgen
toevertrouwd. Je bevindt je in het vertrek voor de gasten van het
schip. Er zijn hier de volgende kamers, zooals je op dezen platten
grond duidelijk zien kunt: aan het einde van de gang de kamer van
den commandant, waarin tevens een schrijftafel voor mij; daarnaast de
eetkamer, waarin de leeskamer inkomt. Deze vertrekken zijn genummerd:
1, 2 en 3. Langs de gang bevinden zich 7 kamers, 4 rechts en 3
links, doorloopend genummerd; de nummers 4, 5, 6, 7 en 8 zijn voor
de bemanning (de commandant en ik hebben onze slaapvertrekken achter
de werkkamer); kamer 9 is voor eventueele gasten en kan zoo noodig
voor meerdere personen worden ingericht; kamer 10 is het zoogenaamde
laboratorium, tevens keuken--twee bestemmingen die zich hier, zooals
je zien zult, zeer goed laten vereenigen. Eindelijk bevindt zich
onder in het schip de badkamer, genummerd 11, en een bergruimte die
het nummer 12 draagt; met het glazen huis van den stuurman, n°. 13,
is het aantal compleet. In dit huis bevinden zich alle toestellen,
die voor het voortbewegen van het schip noodig zijn.

"Ziezoo, nu weet je den weg.

"Wat onze taal betreft, die is hoogst eenvoudig, en gemakkelijk
te leeren. La is er de uitvinder van en heeft het vraagstuk van
een practische, duidelijke en niet moeielijke taal schitterend
opgelost. Misschien, als je ons vertrouwen hebt weten te winnen,
zal hij je in de geheimen ervan inwijden. Maar voorloopig zal het
wel Latijn voor je blijven.

"En nu zal ik je nog even vertellen wat je hier in je kamer vinden
kunt.

"Zooals je ziet, is alles aanwezig wat je op aarde in een goed
ingerichte logeerkamer maar zou kunnen verlangen. Je hebt zeker
al opgemerkt dat alles er even eenvoudig en toch uiterst sierlijk
uitziet. En bovendien heeft elk voorwerp de uitstekende eigenschap van
onbreekbaar te zijn; glas of hout komt niet voor, alles is van metaal,
tot de dekens van je bed toe, hoe vreemd dit ook klinkt. Later zal
je dit duidelijker worden.

"Hier in dezen zijwand vind je alles wat je maar wenschen kunt;
elk vak heeft een deurtje--kijk, als ik op dit knopje druk, springt
bijvoorbeeld deur 2 open. In dat kastje liggen kleeren; je vindt
er compleete stellen van boven- en ondergoed, het is eenvoudig,
practisch en hygiënisch. Hoe het schoongehouden wordt, leer ik je
later. In kast 3 is beddegoed, in kast 4 schrijfgereedschap, nummer
5 bergt eenige wapens en instrumenten die je te pas komen--kortom,
je vindt hier alles wat maar nuttig of aangenaam kan zijn.

"Zie zoo. Nu ben je voorloopig op de hoogte. Het is nu halftwaalf. Kijk
nu eens een half uur in je kamer rond totdat je met alles vertrouwd
bent. Om twaalf uur kom ik je halen en gaan we naar den commandant."

Met deze woorden nam Lo afscheid en Rob werd voor een half uur aan
zichzelf overgelaten.

Hij moest bekennen dat hij zijn toestand zóo avontuurlijk vond, dat
hij eigenlijk hoopte voorloopig niet vrijgelaten te zullen worden. Hij
ging in gedachte alle boeken na, waaruit hij van wonderlijke reizen
en romantische avonturen had gelezen, en 't leek hem dat in geen
van die verhalen zulke ongeloofelijke dingen werden verteld als
hij nu meemaakte. Zoo dikwijls had hij gehoopt zélf eens zulke
avontuurlijke reizen te mogen maken, en nu werd op eens onverwacht
aan dat verlangen voldaan. Wat zouden het toch voor menschen zijn,
onder wie hij zich nu bevond? In elk geval wilden ze hem geen kwaad
doen, want de beide mannen met wie hij tot nu toe te doen had gehad,
waren bizonder vriendelijk voor hem geweest. Hij begreep wel dat
ze hem gevangen hielden omdat hij toevallig op het spoor van een
hunner geheimen was gekomen, maar hij zag eveneens in dat men hem
niet langer van zijn vrijheid zou berooven dan hoog noodzakelijk
was. In dit opzicht zag hij den toestand niet ernstig in. Wel was hij
bezorgd dat zijn kennissen in angst zouden verkeeren, en dat vergalde
veel van 't genoegen dat hij al in zijn avontuur gekregen had. Wat de
onderwijzers en de jongens van de H.B.S. van zijn verdwijnen zouden
denken, dat trok hij zich zoo erg niet aan; integendeel voelde hij
zich wel gewichtig tegenover hen. Maar 't hinderde hem dat zijn voogd
en diens vrouw ongerust zouden zijn. Waarschijnlijk zouden ze wel
gehoord hebben dat hij op het Leidsche Plein naar boven getrokken was,
want er waren natuurlijk menschen geweest die hem hadden zien vliegen,
al wist hij zich door den eersten schrik heelemaal niet te herinneren
welken indruk zijn ontvoering op de voorbijgangers had gemaakt. Maar
als niemand verdere berichten van hem kreeg, dan zouden ze zich thuis
toch erg ongerust gaan maken.

Rob dacht over dit alles nog na, toen de deur weer geruischloos werd
geopend en Lo hem uitnoodigde mee te gaan.

Ze liepen de gang ten einde en Lo opende de deur van een niet groot
maar eenvoudig en smaakvol ingericht studeervertrek, waar de commandant
Li aan zijn schrijftafel zat. Li bleek een man van ongeveer dertig
jaar te zijn, met een ernstig, energiek, maar vriendelijk gezicht,
die dadelijk toen Rob binnentrad, opstond, hem tegemoet kwam en de
hand uitstak.

"Ga zitten, Rob," zei Li. "Ik heb van den secretaris al 't een en ander
van je gehoord. Het spijt me dat ik genoodzaakt ben geweest je te doen
oplichten; maar daar was niets aan te verhelpen. Door een toeval had
je een document in handen gekregen, dat voor mij van veel gewicht is;
ik mocht je niet in 't ongestoord bezit daarvan laten. Vertel me nu
eens; hoe heet je?"

"Rob Rensma."

"Hoe oud ben je?"

"Zestien jaar."

"Waar ga je school?"

"Op de H.B.S. in Amsterdam."

"En waar woon je?"

"Willemsparkweg 921."

"Goed zoo," zei Li, terwijl de secretaris de antwoorden opteekende. "Ik
hoop dat ik je zoo gauw mogelijk naar huis kan terugsturen. Dat zal
ook veel van jezelf afhangen. Er is te eer kans op, naar mate je je
tegenover ons gedraagt als vriend. En dat laatste zal je gemakkelijk
vallen, want je zult hier aan boord niets zien gebeuren of niets
behoeven te verrichten dat niet met eer en geweten is overeen te
brengen. Om een duidelijker indruk van je goeden wil te krijgen, zal
ik je nu en dan een kleine opdracht doen uitvoeren in verband met onze
ondernemingen. Ik twijfel niet of je zult er eer mee inleggen. Ben
je gezond en sterk?"

"O ja," antwoordde Rob. "Ik mankeer nooit wat."

"Dat zal je goed te pas komen. Bovendien leiden wij hier een
regelmatig leven, bewegen ons doorgaans in hooge, zuivere lucht,
en hebben ten overvloede een uitstekenden dokter, onzen geleerden
La, aan boord. Ziekten komen dan ook zoo goed als nooit voor. Nu,
we spreken elkaar wel nader. Heb je nog iets te vragen?"

"Ja, ik zou wel graag willen dat mijn voogd iets van me hoorde;
die zal wel ongerust zijn...."

"Ik was juist bezig maatregelen daaromtrent te beramen; maar ik
vrees dat je nog eenig geduld zult moeten hebben. We maken op 't
oogenblik"--Li drukte op een knop aan den wand, en achter een zich
daarnaast bevindend ruitje sprong het cijfer 150 te voorschijn--"we
maken op 't oogenblik 150 K.M. per uur, en hebben dus sedert halftien
bijna 400 K.M. afgelegd. Op dit oogenblik een van de vliegtoestellen
af te zenden, zou nutteloos zijn, zooals je later zult leeren
begrijpen. In elk geval moet je maar beginnen met een briefje te
schrijven. Zoodra er gelegenheid is zend ik het af. Nog iets anders?"

Rob had geen andere wenschen kenbaar te maken, en werd nu weer verzocht
Lo te volgen, die hem in kamer 9 terugbracht.

Lo deed kastje 2 openspringen, en zei:

"Kies je hier nu een pak kleeren uit; in de Handleiding zal je vinden,
welke je noodig hebt en hoe je ze aan moet trekken. Kastje 6 is leeg,
en dient als bergplaats, doe daar de kleeren maar in die je nu aan
hebt. Vijf minuten vóor het eten zal je een bel hooren; ik kom je
dan halen voor den gemeenschappelijken maaltijd. Dan maak je tevens
met de andere schepelingen kennis."

Lo verdween en Rob begon van kleeren te verwisselen. Het trof
hem hoe practisch de kleeding, die hij uit het kastje haalde, was
ingericht. Alles zat vrij sluitend en belemmerde toch nergens de
bewegingen; hij had zelf een gevoel alsof hij bijna geen kleeren
aan had, en vond toch niet dat hij last had van de kou. De schoenen
waren van dezelfde stof als het pak, en maakten niettemin een zeer
solieden indruk; ze gleden gemakkelijk aan den voet, knelden nergens
en behoefden niet geregen of geknoopt te worden. Rob bekeek zich in
den spiegel en was van oordeel dat het pak hem heel goed stond. Hij
had zich in deze kleeding wel eens willen laten kieken!

Juist toen hij klaar was, ging de bel; een oogenblik daarna kwam
Lo binnen en verzocht hem mee te gaan. In de eetkamer waren de
overige reisgenooten reeds verzameld. De kennismaking werd Rob
zeer gemakkelijk gemaakt, want allen kwamen naar hem toe alsof hij
volstrekt geen vreemde voor hen was, drukten hem de hand en heetten
hem hartelijk welkom.

Aan tafel heerschte een opgewekte en gezellige toon. Er werd gepraat en
gelachen, en uit beleefdheid tegenover den gast werd er dezen middag
Hollandsch gesproken, ofschoon er uit gewoonte nu en dan een woord
Laïsch in het gesprek werd gemengd. Rob was in het eerst vrij stil,
want hij zag zooveel vreemde dingen om zich heen, dat zijn oogen en
ooren er geen raad mee wisten. Maar La en Lo, in wier midden hij zat,
lokten hem tot praten uit en beantwoordden met onuitputtelijk geduld
al wat hij vroeg.

De geleerde La vertelde hem, dat de toestanden op het schip niet
dadelijk waren geweest als nu. Men was begonnen met vrij gebrekkige
hulpmiddelen, had vooral onoverkomelijke bezwaren ondervonden ten
opzichte van voeding, kleeding, verlichting en verwarming. Maar La
was er in geslaagd door de eene uitvinding na de andere het leven
aan boord te vergemakkelijken en te vereenvoudigen, zoodat men
ten slotte door eigen productie in alle behoeften kon voorzien. De
verlichting bijvoorbeeld was geheel electrisch, en werd door dezelfde
toestellen geleverd als die, welke De Vogel in beweging brachten; met
accumulatoren had men niet te maken, daar de vele steeds rondwentelende
vliegschroeven en luchtschepraderen voor een onuitputtelijke
hoeveelheid wrijvingselectriciteit zorgden. De verwarming werd
geregeld door buizen met langs electrischen weg verhitte lucht. De
voeding, zooals Rob gelegenheid had proefondervindelijk op te
merken, was zeer eenvoudig, maar daarom niet minder versterkend; haar
voornaamste eigenschap bestond daarin, dat ze opwekte en verzadigde,
zonder dat loome, vadzige gevoel na te laten dat een "goed diner"
op aarde gewoonlijk tevoorschijn roept. Door langs chemischen weg uit
plantaardig voedsel die bestanddeelen af te scheiden, welke de mensch
in hoofdzaak voor het onderhoud van zijn lichaam noodig heeft, had
La in een betrekkelijk kleine ruimte genoeg levensmiddelen opgehoopt
om de eerste tien jaren aan een hongersnood het hoofd te kunnen
bieden; het laboratorium was de bewaarplaats van dezen voorraad,
waarvan elk onderdeel door hermetische sluiting tegen bederf werd
gevrijwaard. Elken dag bepaalde La het menu, dit op wetenschappelijke
gronden samenstellend; Naf, de kok, had dan slechts de capsules te
openen, door La aangewezen, en na enkele eenvoudige bewerkingen--de
eene spijs wat verwarmen, de andere oplossen in water--was de
maaltijd gereed. Daar men de gezelligheid en een vriendschappelijken
omgang aan boord naar waarde wist te schatten, was het gewoonte de
gemeenschappelijke maaltijden niet al te vluchtig in te richten,
hoewel de weinig omslachtige wijze van voedsel bereiden en nuttigen
er al licht toe leiden zou aan die maaltijden slechts een zeer
ondergeschikte plaats toe te kennen.

"Zooals je ziet," vertelde La, "drinken we water. Dat is onze
gewone drank, en we bevinden er ons op den duur best bij. Gezond
en gemakkelijk te verkrijgen, want aan regen hebben we natuurlijk
zelden gebrek! Dierlijk voedsel en alcohol komen aan boord nooit
op het programma. Hoogstens tracteeren we ons nu en dan op fructa,
een oplossing in water van nuttige bestanddeelen uit vruchten, met
wat koolzuur vermengd. Fructa heeft een mooie blauwe kleur."

"En hoe worden de kleeren gemaakt, die we dragen?" vroeg Rob, steeds
nieuwsgieriger.

"Bijna alles op het schip is van metaal," antwoordde La. "Dat wil
zeggen, ik noem het metaal omdat het zich ongeveer als zoodanig laat
bewerken. Voor zulk een stof hebben we eigenlijk op aarde geen naam. In
het Laïsch noemen we het monum. Monum is een delfstof--misschien
vertel ik je later wel eens waar we die vinden--die zeer taai en
buigzaam is, maar toch zoo goed als onbreekbaar. Wat uit monum is
vervaardigd, is althans gedurende een menschenleeftijd niet aan
slijtage onderhevig. Door het met azijnzuur te behandelen wordt 't
week en plooibaar, zoodat we er tapijten, dekens, kleedingstukken, uit
kunnen vervaardigen, meer of minder poreus, al naar mate we er meer of
minder door verwarmd wenschen te worden. De inwerking van salpeterzuur
maakt het doorschijnend, zoodat het voor glasruiten geschikt is; in
vloeibare lucht gedompeld (waarvan we hier een ruim gebruik maken,
zooals je zien zult) wordt het ruig en vouwbaar, en is het geschikt
voor schrijfpapier; in 't vuur gesmeed kunnen er zeer lange en toch
onbuigzame kabels van gemaakt worden...."

"Aan zoo'n kabel heesch ik jou naar boven, Rob," viel Nef den geleerden
spreker in de rede. "Je had zeker wel gewild dat 't ding gebroken was!"

"Nu, in 't eerst vond ik 't maar half leuk, zoo opgenomen te worden,"
antwoordde Rob, "maar nu begin ik er heusch schik in te krijgen!"

Deze woorden kwamen er zoo van harte uit, dat allen er om lachten. Li
knikte Rob eens toe en zei:

"Nu, we willen maar hopen dat je geen spijt zult hebben van je verblijf
aan boord."

Het liep intusschen tegen twee uur, en de tafel werd opgeheven. Rob
zag dat iedereen meehielp om een deel van het servies op te ruimen en
schoon te maken, en stak ook dadelijk een helpende hand uit, hetgeen
klaarblijkelijk een goeden indruk maakte. Later vertelde Lo hem,
dat het gewoonte was ieder te laten wegbergen en in orde houden wat
hij zelf gebruikte, een maatregel die tijd en arbeid bespaarde.

Toen ieder weer aan zijn bezigheden gegaan was, bracht Lo den gast in
de leeskamer, waar talrijke schilderijen aan den muur hingen en een
geheele wand door een kolossale boekenkast ingenomen was. Ook bevond er
zich een kleine vleugel en zag Rob er viool- en violoncelkisten staan.

"Hier brengen we onzen vrijen tijd door," zei Lo. "Je vindt hier
lectuur voor een menschenleeftijd; wetenschappelijke werken--voor een
groot deel handschriften van La--en ook zuiver letterkundige. Allerlei
geduld- en gezelschapsspelen vind je er ook, maar alleen zulke waarbij
alles aan het verstand, niets aan het toeval wordt overgelaten. Er zijn
ook zeer ingewikkelde en moeielijke bij--uitvindingen alweer van La."

Rob bracht den heelen middag in de leeskamer door, waar hij voortdurend
nieuwe dingen vond die zijn belangstelling gaande hielden; om zeven
uur had er wederom een gemeenschappelijke maaltijd plaats, en tegen
acht uur was Rob zoo vermoeid van de elkaar verdringende indrukken,
dat hij naar bed ging en weldra zoo vast insliep alsof hij in zijn
eigen kamertje op den Willemsparkweg lag.






VIERDE HOOFDSTUK.

HOE DE VOGEL ER UITZAG.

	Rob ondervindt dat er in de lucht ook een H.B.S. is.--La toont
	hem eenige wonderen.--De geheimen van de stuurkamer.--Bijna
	zoo hoog als de Mont-Blanc.--Rob gaat vroeg naar bed.


Den volgenden morgen werd Rob door een electrisch belletje, dat zich
boven zijn bed bevond, om zes uur gewekt. Hij had aan éen stuk door
geslapen, en voelde zich verkwikt en uitgerust. Hij zette zijn horloge
gelijk met de klok die zich, zooals in alle andere kamers van 't schip,
boven de deur bevond en zag nu eerst dat de wijzerplaat niet in twaalf
doch in vier-en-twintig uren verdeeld was. Na twaalf uur in den middag
begon men dus van dertien tot en met vier-en-twintig te tellen, om
dan weer met éen te beginnen. Zooals Rob later hoorde, was de tijd
aldus ingedeeld, omdat de soms zeer snelle verplaatsingen van het
luchtschip een regelmatige indeeling van dag en nacht, zooals men die
op aarde heeft, niet mogelijk maakten. Men zou dan immers de klokken
aan boord steeds moeten gelijk zetten met die van de plaats op aarde,
waarboven men zich op dat oogenblik bevond, hetgeen natuurlijk ten
gevolge kon hebben dat men eenige aarde-uren lang volgens de lucht-klok
slechts een enkel uur of misschien zelfs geheel niet vooruitging. Men
had daarom aan boord de volgende tijdsverdeeling, gelijk Rob ook
in de Handleiding vermeld vond: zes uur opstaan, zeven uur ontbijt,
dertien uur middagmaal, negentien uur avondeten, twee-en-twintig uur
naar bed. Zoo gebeurde het wel, dat men bij daglicht sliep, en in
het donker aan 't werk was; meestal echter zweefde men op zulk een
hoogte, dat het zonlicht weken achtereen zichtbaar bleef, en in elk
geval wendde men aan deze schijnbaar abnormale toestanden spoedig.

Na het ontbijt werd Rob verzocht in La's kamer te komen, en nu
vernam hij dat deze hem elken dag van acht tot elf en van veertien tot
zestien les zou geven in dezelfde vakken, die hij nu op de H.B.S. moest
missen. Eerst vond Rob dit wel een beetje 'n teleurstelling, want hij
vond zoo'n tijdje gedwongen vacantie wel aardig; maar hij moest La toch
toestemmen, dat 't niet prettig zou zijn wanneer hij zoo ten achter
was als hij in Amsterdam terugkwam, en ook begreep hij dat hij daardoor
in zijn heele volgend leven schade zou kunnen ondervinden. Weldra zag
hij dan ook in, hoe dankbaar hij voor deze welwillende en verstandige
beschikking van den commendant moest zijn. En toen hij ondervond hoe
kalm en duidelijk La in al zijn uitleggingen was, en hoe deze het
"droogste" vak intressant wist te maken, was hij niet alleen spoedig
met zijn lesuren verzoend, maar begon hij er een dagelijks weerkeerend
genot in te vinden. Ook stak hij in enkele dagen meer op, dan hij
bij klassikaal onderwijs in weken gedaan zou hebben. Dikwijls bleven
er van het werkprogram enkele uren over, die La gebruikte om hem in
allerlei dingen van het luchtschip-leven in te wijden, en zoodoende
hoorde hij telkens meer wat zijn achting en zijn vriendschap voor
zijn nieuwe kennissen deed toenemen. Hoewel hij nog steeds niet wist
wat het doel van hun eigenaardig bestaan was, leerde hij elken dag
hun opvattingen en hun levensbeschouwing hooger schatten. Vooral
de groote waarde, die zij aan een gezond, regelmatig leven bleken
te hechten en aan de juiste verdeeling van rust, handenarbeid en
hoofdwerk, maakte een aangenamen indruk, en hij begreep al gauw
dat hij hier met goede, hoogstaande menschen te doen had. Er werd
van elk zonder onderscheid tamelijk veel inspanning gevergd, maar
daartegenover stond dat men op de rustdagen ook in den uitgebreidsten
zin van het woord voor ontspanning zorgde. Steeds heerschte er een
opgewekte, vriendschappelijke geest onder de leden der bemanning,
en de waardeering waarmee men elkaars daden en woorden besprak en
beoordeelde, leidde tot de onmisbare eenheid en samenwerking, die voor
't bereiken van een gemeenschappelijk doel onontbeerlijk is.

Toen de middagles dien dag was afgeloopen, vertelde La aan Rob, dat
Nof gereed stond om met een van de kleine vliegtoestellen naar de
aarde te gaan, en of hij hem dus een briefje voor zijn voogd wilde
meegeven. Rob schreef een paar regels, en nadat Li deze had gelezen
en goedgekeurd, vertrok Nof er mee.

"Je moet je niet al te veel van deze zending voorstellen," zei La. "De
vliegtoestellen hebben nog niet die volmaking, welke wij ze op den
duur hopen te geven. De grootste moeielijkheid bestaat echter in het
vinden van den weg, afgezien nog van de omstandigheid dat ze meer aan
de willekeur van weer en wind zijn blootgesteld dan 't schip. Hier
aan boord kunnen we steeds met de meeste nauwkeurigheid bepalen waar
we ons ten opzichte van de aarde of van een andere planeet bevinden;
dat is een groot voordeel."

"Maar hoe gebeurt dat dan?" vroeg Rob.

"Wel, we hebben natuurlijk allerlei instrumenten voor plaatsbepaling,
die op zee en ook door den gewonen ballonvaarder gebruikt worden,
maar op den duur zijn die voor ons gebruik te omslachtig en ook niet
altijd toereikend gebleken. Ga maar eens mee naar de stuurkamer,
dan zal ik je laten zien wat ik er op gevonden heb."

Ze gingen samen de monum trap op, die naar het dek leidde, en werden
door Mu met een vriendelijk woord ontvangen.

"Ik ben altijd maar blij als er gasten aan boord zijn," zei Mu. "Dan
sjouwt onze museumgids La het schip met hen rond en krijgt de
stuurkamer in de eerste plaats een beurt."

"Je zit hier ook wel erg eenzaam, hè?" vroeg Rob.

"Jawel," antwoordde Mu, "maar dat is zoo erg niet. Ten eerste houd ik
wel van eenzaamheid; daaraan zijn we hier allemaal aan boord gewend,
en voor menschen die van denken en werken houden is alleen-zijn
trouwens niet zoo'n verdriet. Maar dat neemt niet weg dat ik zoo nu
en dan wel van een praatje houd."

"Neen, Mu heeft het nog zoo kwaad niet," zei La. "Hij doet vrijwel
't intressantste werk aan boord, ook wel 't meest inspannende en
verantwoordelijke, maar daarom kan hij zich ook nu en dan door Naf
laten aflossen."

"En welk stuk zal ik de heeren nu 't eerst vertoonen?" vroeg Mu
schertsend.

"Ik ben er 't meest benieuwd naar hoe je hier midden in de wolken
den weg kan vinden," zei Rob, die het een zonderlinge gewaarwording
vond zich te midden van een ruimte te bevinden, die niets dan lucht
en wolken te zien gaf. Het was een heerlijk, frisch gevoel, daar
boven op het dek, en elke ademhaling gaf genot. Iets griezeligs was
er ook wel in, zoo door de lucht te vliegen, maar toch bemerkte men
de voortgaande beweging alleen doordat de schroeven hun voortdurend
gesnor deden hooren, en het dek van monum-planken licht trilde;
overigens had men zich evengoed kunnen voorstellen, dat het schip
stillag en alleen de wolken bewogen.

Mu had bij Rob's vraag La even aangekeken, maar deze knikte
geruststellend en zei:

"De commandant heeft geen bezwaar, dat ik enkele dingen aan onzen
gast laat zien. Rob kan dat als een aangenaam bewijs van vertrouwen
opvatten."

Mu schoof nu een langwerpige metalen plaat opzij, die het bovenblad
van een vlak voor hem staand tafeltje bedekte, en nu zag Rob een
glazen oppervlak, waarover zich een reeks fotografische beelden
voortbewoog, die hem aan een voorstelling met den bioscoop deden
denken. Onwillekeurig riep hij dan ook uit:

"Net een kinematograaf!"

"Dat is het ook," zei Mu glimlachend. "Door middel van een verbeterde
kinematografische opname trekken langs deze plaat, sterk verkleind, de
afbeeldingen van het aardoppervlak, waarboven we ons bevinden. Zoolang
we ons binnen den dampkring bewegen en evenwijdig aan de oppervlakte
der aarde blijven, kan ik op de plaat precies den stand van het schip
ten opzichte der aarde waarnemen. Een enkele maal mag een hevig onweer
of een andere atmosferische storing de beelden eens onzuiver maken
of zelfs geheel verstoren--in het algemeen kan ik het gebruik van de
gewone instrumenten tot plaatsbepaling ontberen. De wolkenlaag die
ons van de aarde scheidt oefent geen nadeeligen invloed; het toestel
is zoo ingericht dat het door dergelijke beletselen heen toch zijn
werk blijft verrichten. Zijn we toevallig in de schaduw van de aarde
verzeild geraakt, dan hebben we maar wat hooger te stijgen en de
opname geschiedt weer even duidelijk. Deze uitvinding, de volmaking
van den kinematograaf, hebben we, evenals bijna alles aan boord,
aan onzen professor La te danken."

Toen La spottend een buiging maakte bij deze laatste woorden,
plaagde Mu:

"Ja, als de professor eens een oogenblik niet verstrooid is, vindt hij
soms wel een aardig stukje speelgoed uit. 't Is een echte knutselaar."

"Kijk jij maar naar je hoogtemeter," schertste La terug, "anders
zeilen we weer tegen den een of anderen top van de Himalaya aan,
zooals je ons al eens geleverd hebt!"

"Vierduizend meter," zei Mu, den hoogtemeter aflezend, een toestel
dat door middel van een kwikkolom, welks stand van de luchtdrukking
afhankelijk was, de hoogte boven het zeepeil aangaf.

"Dan zouden we tegen den Mont-Blanc kunnen stooten," zei Rob. "Die
is immers 4800 Meter!"

"Juist," zei Mu. "Maar op botsingen hebben we nu weinig kans, want
we zeilen boven den Atlantischen Oceaan. Kijk maar."

Rob keek naar de glazen plaat, en zag daarop inderdaad niets dan
een golvende beweging, waaruit hij begreep dat zich onder hen de
zee bevond. Nu en dan schoof er een vlekje, groot als een vlieg,
over de plaat; dat was zeker een schip.

"Wie stuurde er van morgen en van middag toen we aan tafel
zaten?" vroeg Rob, opeens bedenkend dat er toen niemand in de
stuurkamer kon geweest zijn.

"Niemand!" antwoordde Mu. "Wanneer er niets bizonders aan de hand
is, kom ik gewoonlijk aan tafel. Tusschen Li en mij in bevindt zich
een dergelijke plaat als hier, zoodat we ook gedurende de maaltijden
precies kunnen nagaan waar we zijn. Bovendien vliegen we dan meestal
met een matige snelheid of liggen we stil, zoodat er volstrekt geen
gevaar bij is. In de werkkamer van den commandant is ook zoo'n plaat,
benevens toestellen om de snelheid en de hoogte af te lezen. En verder
zijn alle kamers telefonisch met de stuurkamer verbonden. Ja Rob,
je kunt 't niet zoo verzinnen, of 't is er!"

Rob had veel schik in de vroolijke en duidelijke uitleggingen van Mu,
en hij hield dezen wel een uur met allerlei vragen aan de praat. Mu
legde hem de toestellen uit, waarmee de snelheid, het voor- en
achteruit vliegen, het stijgen en het dalen werden geregeld, en wees
hem ten slotte op de eenvoudige manier waarop het gas gefabriceerd en
naar den ballon gevoerd werd. Voor dit laatste was trouwens slechts
een zeer eenvoudige inrichting noodig, omdat het monum omhulsel van
den ballon maar éen liter gas per maand doorliet, geen noemenswaard
verlies dus.

Toen Rob zijn nieuwsgierigheid in de stuurkamer bevredigd had, maakte
La een wandeling met hem over het dek.

"Zijn dat allemaal kanonnen?" vroeg Rob, op een twaalftal toestellen
wijzend, die langs de verschansing stonden opgesteld.

"Ja, dat is ons geschut," antwoordde La. "Dat ziet er oorlogszuchtig
uit, hè? Maar toch is 't een heel humaan soort geschut. We kunnen nu
eenmaal niet buiten verweermiddelen, omdat we soms met kwaadwilligen
te doen hebben--wilde volksstammen bijvoorbeeld. En dat komt nog al
eens voor, daar we de enkele maal dat we aan land stappen, dit meestal
ergens in een afgelegen streek doen, waar we geen kans loopen door
beschaafde menschen ontdekt te worden. Dan moeten de kanonnen soms een
woordje meespreken. Maar dooden vallen er nooit. Een evenmensch het
leven te benemen--dat staat niet op ons programma; daartoe meenen we
het recht niet te hebben. Dit geschut, en evenzeer de pistolen, die elk
van ons onder zijn uitrustingstukken heeft, wordt geladen met patronen
die een bedwelmend gas bevatten. Wie er door getroffen wordt, blijft
volle vier-en-twintig uur buiten kennis, zonder daarvan later eenige
nadeelige gevolgen te ondervinden. Het is een poging om den oorlog,
zoolang deze helaas onvermijdelijk is, te humaniseeren. Overigens
zijn al deze kanonnen, evenzeer als onze pistolen, snelvuurwapenen."

"Maar als er nu toch eens iemand aan boord weet te komen, wat
dan?" vroeg Rob.

"Dat gebeurt uiterst zelden," zei La. "De kanonnen verspreiden zulk
een grooten kring van gas om het woord verwijderd]schip, dat niemand
daar straffeloos doorheen komt. Maar als laatste middel kunnen we
de geheele verschansing met electriciteit laden, zoodat ieder die
ze aanraakt, teruggeslingerd wordt. Zelfs het dek kunnen we over het
heele oppervlak van zulk een lading voorzien."

"Maar hoe kunnen we er dan zelf op loopen?" vroeg Rob.

"De zolen van onze schoenen zijn volkomen geïsoleerd."

"En hoe zit 't met dat bedwelmend gas?" ging Rob voort, "krijgen de
schutters daar dan geen last van?"

"Daartegen hebben we ieder een klein toestel, dat we met een enkele
beweging voor den mond kunnen vastmaken. Het sluit de neusgaten af en
voert versche lucht aan den mond toe. Je zult er zoo een in je kamer
vinden, kastje 5; ik raad je aan het steeds bij je te dragen. Zooals
je ziet, hebben wij die dingen meestal aan een gordel om ons middel,
dan zijn ze vlug bij de hand. Bovendien hoort tot ieders uitrusting een
kleine ransel om op den rug te dragen; die bevat genoeg om verscheiden
weken van huis te kunnen blijven zonder in eenig opzicht gebrek te
behoeven lijden."

"Wat zit daar dan allemaal in?"

"Te veel om op te noemen! Een doosje met voedings-capsules;
verbandmidden; een kleine electrische fakkel; schrijfgereedschap;
een cilinder met zuurstof--ziedaar de hoofdzaken."

"Maar er zit toch zeker wel een reserve-stel ondergoed in?"

"Neen; wel een klein toestel om zoowel boven- als ondergoed vlug
en eenvoudig schoon te maken. Onze monum-kleeding is namelijk zoo
goed als onverslijtbaar; met het stel kleeren dat we aan hebben
kunnen we dus verscheiden jaren toe. Het reinigen geschiedt niet,
zooals op aarde, door het goed te wasschen; dat zou te omslachtig
zijn. We persen er eenvoudig machinaal ozon doorheen; dat werkt tevens
ontsmettend. Ozon wordt ons natuurlijk in onbeperkte mate door onze
electriciteits-toestellen geleverd. Electriciteit en ozon kunnen we
hier in de lucht genoeg fabriceeren om alle fabrieken van de wereld
te voorzien."

Rob vroeg zooveel, en kreeg zooveel antwoorden, dat het hem begon
te duizelen en hij geen tijd had alles behoorlijk in zich op te
nemen. Toch kon hij niet nalaten nog te vragen:

"Hoe houden we 't hier uit, als we héel hoog stijgen? Dan is immers
de lucht zoo ijl, dat we er geen adem in kunnen halen? En komen we
wel eens buiten den dampkring?"

"Ja--nu vraag je te veel," zei La. "Dat is allemaal niet in 'n paar
woorden uit te leggen. Maar ik denk, dat je op die vragen wel eens
proefondervindelijk het antwoord zult krijgen. Heb dus wat geduld. Je
zult hier nog genoeg wonderlijke dingen meemaken."

Het was intusschen tijd voor het avondmaal geworden, dat in een even
gezellige stemming verliep als den vorigen dag.

's Avonds zat Rob nog wat op het dek in een makkelijken stoel, en
keek naar de millioenen prachtig fonkelende sterren, waarvan enkelen
er zoo groot en nabij uitzagen, dat het leek of het schip zich maar
enkele honderden meters behoefde te verheffen om die lichtende werelden
binnen te vliegen.

Vermoeid door de talrijke en ongewone indrukken, ging Rob ook dien
avond tijdig naar bed, en sliep zoo gerust en vast alsof hij een oude,
beproefde luchtrob was.





VIJFDE HOOFDSTUK.

EEN STRIJD TUSSCHEN EEN LUCHT- EN EEN OORLOGSSCHIP.

	De Vogel gaat aan land.--Er dreigt gevaar.--Rob redt den
	commandant.--Een Engelsch oorlogsschip.--Een onbloedig
	gevecht.--Het jacht van den ontdekkingsreiziger Lane.--Rob
	wordt zeeman.--De landing te Dover.


Toen Rob den 15en October door de electrische bel gewekt werd, scheen
de zon zoo helder in zijn kamer, dat hij vlug opstond en onwillekeurig,
evenals hij dat thuis gewoon was, dadelijk naar 't raam liep om te zien
hoe het weêr was. Tot zijn verbazing zag hij dat een paar wuivende,
groene boomtakken tegen het venster tikten.

"Zouden we aan land zijn gegaan?" dacht Rob.

Hij klom op een stoel om beter door het vrij groote raam te kunnen
zien, en zag nu, dat het schip inderdaad op den vasten bodem lag. Op
enkele meters afstand bruiste de zee.

Rob kleedde zich vlug aan. In de gang ontmoette hij Lo, die hem
vriendelijk goedenmorgen wenschte en zei:

"Je hebt zeker wel gezien dat we aan land zijn, nietwaar? Ga maar
meteen naar de eetkamer; de commandant verzoekt je niet aan dek
te komen."

In de eetzaal vond Rob alleen La, die nog zat te ontbijten, met een
boek naast zich, waarin hij al etend bladerde. De anderen schenen al
klaar te zijn; boven aan de trap had hij alleen Naf zien staan, met
een gaspistool in de hand. Er scheen iets bizonders te zijn gebeurd.

La keek even op toen Rob binnenkwam, zei goedenmorgen en las toen weer
door. Rob begreep dat hij het beste deed met zich niet nieuwsgierig
te toonen; hij ging zitten en at met smaak een paar tarwebroodjes,
die in hun capsule niet meer dan enkele kubieke centimeters ruimte
hadden ingenomen, maar na een klein kunstmatig gistingsproces
langs electrischen weg ongeveer de grootte van een kadetje hadden
aangenomen. Daar dit brood van den geheelen tarwekorrel, met omhulsel
en al, was gemaakt, bezat het bizonder voedzame eigenschappen.

Na een tijdje keek La van z'n boek op, en zei:

"Waar blijven de anderen toch? Ik kreeg zoo'n honger dat ik maar vast
begonnen ben."

"De anderen zijn al lang klaar," zei Rob, naar hun gebruikte borden
en glazen wijzend. "Er schijnt iets bizonders aan de hand te zijn."

"Hé ja," zei de verstrooide La, die dat eerst nu eveneens opmerkte. "En
ons laten ze hier maar zitten. Als er wat ongewoons gebeurt, schijn
ik er nooit in gekend te worden."

Rob moest even glimlachen om de kinderlijke verontwaardiging van La,
die hij aan den eenen kant begreep omdat het voor een man van zulke
buitengewone verdiensten ongetwijfeld niet aangenaam moest zijn als
men hem verwaarloosde, maar die hem aan den anderen kant verwonderde
omdat men zich hier aan boord zelden of nooit achteruitgezet,
prikkelbaar of ontevreden toonde. Integendeel had hij de doorloopende
goedgehumeurdheid en de onderlinge harmonie van zijn gastheeren
steeds bewonderd.

"Ik ga toch eens kijken," zei La.

Na eenige oogenblikken kwam hij echter terug en zei:

"Die Nof staat daar aan de trap met 't gezicht van een draak, die
z'n schatten bewaart. Hij zegt dat we niet naar boven mogen. 't Is
wat moois."

"Hij zal er wel goede redenen voor hebben," zei Rob. "De commandant
heeft 't zeker zoo gelast."

"Je geeft me daar een goed lesje, Rob," zei La glimlachend. "En je
hebt groot gelijk. Als Li 't zoo wil, dan zal 't wel goed zijn."

Met deze woorden boog La zich weer over zijn boek, en weldra was hij
zoo in zijn lectuur verdiept, dat hij de omgeving vergat.

Rob was te nieuwsgierig om stil te zitten. Hij ging naar het raam
en keek uit. Er vertoonde zich slechts een klein gedeelte van
de omgeving; een groep hooge boomen, waartusschen het luchtschip
verborgen scheen te liggen, belemmerde het uitzicht. Door op een
stoel te gaan staan en zich met een kijker te wapenen, slaagde
Rob er in zijn gezichtsveld wat te verruimen, en toen bemerkte hij
dat zich op enkele honderden meters afstand twee zwarte gestalten
sluipenderwijze door het hooge struikgewas voortbewogen. Een van
die beide mannen scheen hem toe de commandant te zijn, doch hij
kon dit niet met zekerheid bepalen. Vreemder leek het hem echter,
dat zich op een afstand achter hen eenige gedaanten vertoonden, die
hij gemakkelijker kon onderscheiden, omdat zij klaarblijkelijk voor
een deel in 't rood gekleed waren.

Lang tijd om dit schouwspel rustig gade te slaan had Rob niet,
want opeens zag hij, dat de roodjassen zich over een breeden
kring verspreidden, alsof zij de voor hen uit sluipende twee mannen
wilden omsingelen. Bij instinct voelde hij duidelijk, dat hier gevaar
dreigde. Hij kon het niet langer werkeloos aanzien. In enkele seconden
had hij zijn gaspistool uit het foudraal genomen, den zuurstoftoestel
voor den mond gegespt, en was hij de trap opgevlogen. Hij stiet Naf,
die hem wilde tegenhouden, opzij en snelde de enkele treden af van
het laddertje dat tegen den zijwand van het schip was bevestigd. Nof
zond hem een paar schoten achterna, zich streng aan het consigne
houdend, maar Rob bekommerde zich hier niet om, wetend dat de
zuurstoftoestel hem beschermde. In enkele groote sprongen had hij de
roodjassen achterhaald. Vóór dezen beseften wat er gebeurde, schoot
hij er drie neer, en hoewel het geluid van de gasontplofifing bij dit
merkwaardig soort pistolen zeer gedempt klonk, waren Li en Lo er toch
duidelijk genoeg door gewaarschuwd. Ze begrepen nu het gevaar waarin ze
verkeerden, snelden op hun schreden terug en kwamen Rob te hulp. Binnen
weinige oogenblikken lagen ook de drie overige roodjassen bewusteloos.

Laconiek als altijd, drukte Li zwijgend Rob's hand. Tijd tot veel
uitleggingen was er trouwens niet, want nauwelijks had men de zes
vijanden, die aan hun uniformen als Engelsche marine-soldaten kenbaar
bleken te zijn, naast elkaar in 't gras gelegd, in afwachting van wat
men later met hen doen zou, of er dreunde van uit zee een kanonschot,
weldra door een tweede en een derde gevolgd.

"Naar boord!" was 't eenige wat Li zei.

Op het schip gekomen, riep hij de bemanning bij elkaar.

"Het spijt me, den strijd openlijk te moeten beginnen," sprak hij. "Ik
had gehoopt dat we onopgemerkt zouden gebleven zijn. Maar het kan nu
niet anders meer. Op je plaatsen! Mu--vijftig meter!"

Nauwelijks was dit commando geuit of Naf en Nef stelden zich bij
de kanonnen op, terwijl Li met Lo en Rob in het midden van het
dek bleven staan. La, die, uit zijn lectuur opgeschrikt, met een
verbaasd gezicht boven de trap was komen uitkijken, ontving het bevel:
"dampkringtoestel; dubbele weerstand," en verdween onmiddellijk daarop
weer onder het dek.

Mu had de stijgkruk omgedraaid, en De Vogel verhief zich pijlsnel in
de lucht. Op vijftig meter hoogte gekomen, hield het schip stil. Rob
zag toen op enkele honderden meters van het strand een reusachtig
oorlogsschip liggen, dat de Engelsche vlag in top voerde. Hij begreep
nu, dat de landing van De Vogel door dit schip was bemerkt, en dat
Li reden had om zich niet van het eiland te laten verdringen. Wat
hier achter stak was hem nog niet duidelijk, doch daar men 't niet
noodig scheen te vinden hem hieromtrent in te lichten, deed hij ook
geen nieuwsgierige vragen.

Li gaf een teeken met de hand, en De Vogel bewoog zich langzaam in
de richting van het oorlogsschip. Zou Li met zijn rank luchtvaartuig
en zijn handvol mannen dat geweldige, zwaarbewapende en duimdik
gepantserde zeekasteel willen aanvallen? In groote spanning wachtte
Rob de komende gebeurtenissen af. Op den eersten indruk afgaande,
leek hem een gevecht tusschen twee zulke ongelijke tegenstanders
eenvoudig onzinnig. Daarentegen boezemde de kalme en besliste houding
der luchtvaarders hem zulk een vertrouwen in, dat hij geen oogenblik
twijfelde of ze zouden niets beginnen, waarvan ze den uitslag niet
van te voren met zekerheid konden voorspellen. En dat die uitslag in
hun voordeel zou zijn, ook dat stond bij Rob al spoedig, tegen alle
waarschijnlijkheid in, vast.

Aan boord van het Engelsche schip had men De Vogel bemerkt. Duidelijk
zag Rob, dat de snelvuurkanonnen geladen en gericht werden, en ook
zag hij een afdeeling marine-soldaten, met geweren bewapend, op het
voordek aantreden. Het zware belegeringsgeschut, dat tegenover het
luchtschip onbruikbaar was, zweeg al eenigen tijd.

Rob's spanning nam toe. Hoe moest dit afloopen? Wat zou er gebeuren
als straks een hagelbui van projectielen losbarstte? Zou dan De Vogel
niet doorboord worden als een zeef?

Hij had nauwelijks tijd gehad deze gedachte ten einde te denken, toen
een geweldig, oorverdoovend gekraak de lucht verscheurde. Het leek
alsof het oorlogsschip in vuur en vlam stond. Een ware sproeiregen
van kogels werd op De Vogel afgestuurd.

Rob zag Li aan. Deze wenkte Mu met de hand. De Vogel daalde langzaam
eenige meters. Het kanon- en geweervuur verdubbelde in hevigheid, maar
tot Rob's grenzenlooze verbazing scheen geen enkel projectiel De Vogel
te kunnen bereiken. Het leek wel alsof er zich een ondoordringbare
sfeer om het luchtschip bevond. De geweldige ijzermassa's, door de
Engelsche wapenen uitgebraakt, bereikten De Vogel klaarblijkelijk niet;
ze kwamen tot op enkele meters, en vielen dan, werkeloos, uitgeput,
sissend en klaterend deels in zee, deels op het oorlogsschip terug.

De Vogel was tot ongeveer vijf-en-twintig meter boven den waterspiegel
gedaald; Li wenkte, en Mu hield het luchtschip zwevende. Toen gaf
Li een fluitsignaal, dat schel boven het kanongebulder uitklonk,
en Naf en Nef drukten op den electrischen ontstekingsknop van een
viertal gaskanonnen. Electrisch geladen en afgevuurd, strooiden deze
kanonnen binnen enkele minuten tienduizendtallen gaspatronen over
het oorlogsschip. De uitwerking was verrassend. Na een bombardement
van nagenoeg vijf minuten was het kolossale vaartuig zoo volledig
in een dichten sfeer van verdoovend gas gehuld, dat zich aan boord
geen teeken van leven meer bespeuren liet. De gansche bemanning lag
bewusteloos. Gedurende enkele minuten zag men hier en daar een hoofd
boven het dek uitkomen, maar ook dit hield spoedig op; het gas drong in
alle hoeken en gaten door, en weldra was alles aan boord in diepe rust.

Toen kwam er even een glimlach op het strakke, kalme gezicht van Li.

"Het kasteel van de Schoone Slaapster," zei hij tot Rob, die met
bewondering opzag tot den man, aan wiens gezag bovenaardsche krachten
onderworpen schenen te zijn.

Nog ongeveer tien minuten bleef men het Engelsche schip waarnemen. Toen
Li als vrij zeker kon aannemen, dat er niemand aan boord meer wakker
was, liet hij De Vogel dalen, en, door Lo en Rob vergezeld, ging hij
op het oorlogsschip over.

Rob, zeer in z'n schik met de onderscheiding die de commandant hem
verleende, keek aan boord de oogen uit. Welk een reusachtige, zwaar
bewapende kolos! Hoe was het mogelijk, dat de slanke, luchtige Vogel
dat dreigende monster binnen enkele minuten volledig had getemd!

Li wandelde het geheele schip door, hier en daar een enkelen
Engelschman die nog bewoog, met een schot tot rust brengend. Ten
slotte liet hij in de machinekamer den stoom ontsnappen, en deed hij
de ankerkettingen ratelend vallen; ook gaf hij bevel de zes soldaten,
die nog op het eiland lagen, aan boord te doen brengen.

"Zie zoo," sprak, Li, toen allen op De Vogel terug waren, "voorloopig
hebben we rust. Maar toch niet langer dan vier-en-twintig uren. Dan
zal onzen Engelschen vrienden de maag beginnen te jeuken, en worden
ze weer levend. Vóor dien tijd moeten we uit de voeten zijn. Ieder
weet wat hij te doen heeft; aan het werk dus. Ik zou wel willen,
dat Rob even in mijn werkkamer kwam."

Toen Li de deur van zijn kamer achter hen gesloten had, bood hij Rob
een stoel aan en zei:

"Je hebt je flink gedragen zooeven. Lo en ik hadden inderdaad niet
gemerkt dat ze ons op de hielen zaten. Nu was dat wel niet zoo erg,
want we hadden een weerstandstoestel bij ons. Maar dat kon jij niet
weten, en je daad blijft dus even flink en beslist."

"Wat is dat: een weerstandstoestel?" vroeg Rob, die sedert zijn komst
aan boord een voortdurend vragen-en-antwoorden-spelletje speelde,
elke gelegenheid aangrijpend om achter de vele wonderen te komen
waarmee hij zich omringd zag.

"Dat is alweer een van de pracht-uitvindingen van La," antwoordde de
commandant. "Het is een toestel, dat de lucht op enkele meters om ons
heen sterk verdicht, de zwaartekracht zóo doet toenemen, dat zelfs de
snelste projectielen uit aardsche vuurwapenen hun kracht verliezen en
machteloos terugtuimelen. In het groot bezitten we zulk een toestel
onder aan De Vogel, in een uitbouw. La is er zoo trotsch op, dat hij
het steeds zelf bedient. Op die manier hadden we zoo even zulk een
ondoordringbaar verdichte luchtsfeer om ons schip, dat er geen schot
door kon."

Rob was eigenlijk een beetje teleurgesteld. Hij had gedacht, dat
hij den commandant en Lo van den dood had gered, en nu vernam hij,
dat zijn tusschenkomst vrijwel overbodig was geweest!

Maar Li scheen de teleurstelling op zijn gezicht te lezen. Ten minste
hij ging voort:

"Maar nu moet je niet denken, dat ik je niet dankbaar ben voor
je optreden. Het bewijst me, dat je geen wrok voelt tegen ons,
niettegenstaande we je hier zoo lang te logeeren houden. 't Liefst
zou ik je beloonen door je vrij te laten; maar dat kan onmogelijk. Ik
vertrouw wel op je zwijgen, maar niemand kan weten hoe je tegen je
eigen voornemen en wil in, mij ooit zou kunnen schaden. Heb dus nog
wat geduld; ik zal je geregeld de gelegenheid geven met je familie
te correspondeeren. Ik wilde je nu echter over wat anders spreken. Om
je te bewijzen hoe ik je daad van dezen morgen op prijs stel, zal ik
je wat meer inwijden in mijn plannen. Misschien zal je dat den lust
geven in ons aller belang mee te werken.

"Je hebt zeker wel begrepen, dat je door een verzuim van La in onze
handen bent geraakt. Hij was met een zending naar Amsterdam belast,
in samenwerking met Nef, die wegens het wetenschappelijk karakter
der zending het moeielijk alleen kon doen. Hij liet een trommel met
belangrijke stukken in het Vondelpark liggen, en jij vondt dien. Toen
zat er niets op, dan jou en den trommel in te pikken!"

"Nu, ik ben niets boos op La, hoor!" zei Rob. "'t Is een goeie man en
hij heeft me al heel wat laten zien en onderwezen in die paar dagen."

"Wel, dat doet me genoegen," zei Li. "La heeft er erg 't land over
gehad. En nu hoor ik met pleizier dat jullie samen kunnen opschieten.

"Je hebt gelezen wat er op de monum blaadjes stond, die in den trommel
zaten, nietwaar?"

"Ja, voor zoover ik 't begreep," antwoordde Rob.

"Nu, kijk dan nog eens hier."

Li nam uit een loket in den wand, waarvan hij 't deurtje deed
openspringen door een druk op een verborgen veer, een doos, waarin
zich een stapel van hetzelfde taaie, onverscheurbare papier bevond,
dat Rob indertijd in den trommel had gevonden. Li nam er een blaadje
uit, en reikte het Rob over. Er stond hetzelfde op wat deze al eens
gelezen had:


	Kroonjuweelen _£_ 1000.000
	15 October Green-eiland,
	20 October Dover
	Huur hoek Longmanstreet 2610 en 2612
	Advertenties en aanplakbiljetten.


"Met een kleine toelichting is de bedoeling duidelijk," zei Li. "De
bedoeling is de in dit stuk vermelde kroonjuweelen, ter waarde van
1000.000 pond, en op het oogenblik in 't bezit van de Engelsche
Koninklijke Familie, machtig te worden."

Rob keek den spreker verbaasd aan. Met welk doel zou dit moeten
gebeuren? dacht hij. Van een gewonen diefstal kon toch bij de mannen
van De Vogel geen sprake zijn.

Maar Li zag zijn verbaasd gezicht, en zei:

"Dat klinkt je vreemd, hè? Misschien neem je me die struikrooversstreek
minder kwalijk, als je hoort dat de opbrengst van die sieraden dienen
zal om de Transvalers van geld te voorzien, opdat ze hun oorlog langer
kunnen volhouden."

Rob's gezicht helderde op. Dat vond hij een prachtig idee! Zoo zou
dus de Engelsche Koning gedwongen worden ook het zijne bij te dragen
tot de verbetering van den financiëelen nood bij de Boeren! Nu,
zoo'n poets wilde hij dien Engelschen wel mee helpen bakken!

"Daar heb je schik in, hè?" vroeg Li. "Maar vind je eigenlijk niet,
dat het niet te pas komt iemand z'n bezittingen af te nemen, al is
't met een goed doel?"

"Ja," zei Rob na eenig nadenken, "dat is eigenlijk niet in den
haak. Ik vindt 't wel prettig als die dappere Boeren eens flink
van geld worden voorzien, want dat kunnen ze best gebruiken. Maar
tegenover den Engelschen Koning blijft 't toch diefstal."

"Goed geredeneerd," zei Li. "Oogenschijnlijk is 't ook zoo. Maar nu
zal ik je eens wat anders vertellen. Van 't oogenblik, dat de Boeren
de eerste diamantvelden begonnen te ontginnen, hebben de Engelschen
begeerige oogen op dat rijke land geslagen. Als ze maar eenigszins kans
er toe zagen, staken ze hun neus in de Transvaalsche huishouding. Toen
nu de Boeren-Republieken onder Engelsche suzereiniteit kwamen,
waren er eenige jaren, waarin de oogst zeer slecht uitviel en de
Republieken niet in staat waren de hooge belastingen op te brengen die
het Engelsche Gouvernement van hen vergde. Misschien heb je er wel eens
van gehoord--er is ten minste heel wat over gepraat en geschreven--dat
de Engelschen toen beslag legden op een partij zeer mooie, groote en
zuivere diamanten, die door de Staatsmijnen waren opgeleverd, en in
de reservekas der Transvaalsche Republiek berustten. Het heette toen,
dat men deze diamanten alleen in waarborg nam, dat ze teruggegeven
zouden worden zoodra de achterstallige belastingen waren voldaan. De
waarheid was echter, dat het Engelsche Gouvernement al sedert jaren
begeerige oogen op die edelsteen en had geslagen, waarvan de kleinste
nog in omvang de beroemde Koh-i-noor overtrof.

"Nauwelijks waren de kostbaarheden in Engeland, of ze werden in een
kroon en een diadeem verwerkt--dezelfde die Koning Edward en zijn
Gemalin met het kroningsfeest zijn aangeboden. Dat was op zichzelf
al niet in den haak, maar het ergste is, dat de Engelschen tot nog
toe in gebreke zijn gebleven, het verschuldigde terug te betalen."

"Maar hebben de Boeren dan hun achterstallige belasting voldaan?" vroeg
Rob.

"Die hadden ze vijf jaar geleden al, met den interest, tot den
laatsten cent opgebracht. De Engelsche Regeering had zeker zulk een
stiptheid niet verwacht. Althans, ze zoekt nu al vijf jaren allerlei
uitvluchten in die diamanten-zaak. De eene leugen stapelt ze op de
andere, rakelt verhalen van oude schulden op, die Transvaal nog aan
Engeland te voldoen had, kortom tracht zich op allerlei manieren
van haar verplichtingen te ontdoen. En nu de oorlog is uitgebroken,
is er natuurlijk van teruggave geen sprake meer. Zoo hebben de Boeren
hun belastingen dus dubbel betaald."

"Dat is schandelijk!" zei Rob verontwaardigd.

"Dat is het," zei Li. "Toen ik achter die geschiedenis kwam, riep
ik hetzelfde als jij nu. En het trof me zoo sterk, dat ik me er
zelfs door liet afleiden van het eigenlijke doel, dat ik mij met mijn
geheimzinnige luchtreizen had gesteld, en waarin je ook later, naar ik
hoop, zult worden ingewijd. Ik heb me voorgenomen die kroonjuweelen
machtig te worden, en ze aan de Transvaalsche Regeering terug te
geven. Eerst daarna zal ik het eigenlijke doel van mijn onderneming
weer opvatten."

"Maar hoe wil je je daarvan meester maken?" vroeg Rob nieuwsgierig.

"Dat zal je wel merken," antwoordde Li. "Let maar goed op wat er van
nu af aan gebeurt. We beginnen al dadelijk, want we moeten klaar
zijn en vertrekken, eer de Engelschen weer tot bewustzijn gekomen
zijn. Dit eiland is een Engelsche bezitting, maar de eigenaars kwamen
er nooit, omdat het onbewoond is, en niets oplevert. Daarom heb ik
er sedert eenigen tijd een bergplaats gemaakt, die je straks zien
zult. Het is me nu echter gebleken, dat de Engelschen er voor kort een
kolenstation hebben gevormd; vandaar de onverwachte aanwezigheid van
het oorlogsschip. Het was dus in mijn belang, die heeren voorloopig
onschadelijk te maken."

Met deze woorden stond Li op, en verzocht Rob hem te volgen; hij zou
dan wel nader zien wat er gebeuren ging.

Veel dingen waren Rob nu duidelijker geworden, en met belangstelling
volgde hij Li, in gespannen verwachting naar de dingen die komen
zouden.

Nadat Naf bij het oorlogsschip op post was gezet en Mu de bewaking van
De Vogel was opgedragen, ging Li, gevolgd door de overigen, van boord,
en sloeg een voetpad in dat naar het midden van het eiland leidde. Daar
bevond zich een rotsachtige hoogte van ongeveer vijf-en-twintig meter
boven de oppervlakte der zee, vanwaar men het geheele kleine eiland
kon overzien, dat niet meer dan een kilometer in omtrek mat.

Op de hoogte, waar ze zich nu bevonden, stond een vrij dicht boschje
van laag hout. Li boog de struiken uiteen, door de anderen gevolgd,
en stond nu voor een rotsblok, dat schijnbaar den verderen doorgang
belemmerde. Het werd met eenige inspanning door de mannen opzij
geschoven, en nu werd een ongeveer vier meter breede, donkere opening
zichtbaar, waarboven de stijlen van een ijzeren ladder uitstaken.

"Dit eiland is waarschijnlijk door vulkanische werkingen opgeworpen,"
zei Li tot Rob. "We staan nu althans voor de opening van een sinds
lang uitgedoofden krater. We ontdekten die toevallig, en nu hebben
we er een bergplaats van gemaakt."

Nadat allen hun electrische lantarens hadden ontstoken, daalde men
in de duistere opening af. Beneden gekomen, verwijdde de trechter
zich, en bevond men zich in een kelderachtige ruimte waar allerlei
scheepsmateriaal en eenige kisten stonden opgestapeld.

"Nu worden we zee- in plaats van luchtvaarders," zei Li.

Met vereende krachten werden allerlei voorwerpen naar boven gesleept,
waarvan Rob de beteekenis en het gebruik niet dadelijk begreep. Toen
allen weer uit den krater geklauterd waren en de opening weer met
den steen was afgesloten, zag Rob dat de mannen uit enkele eenvoudige
onderdeelen vlug en handig een wagen ineen zetten, die een groot plat
bovenvlak had. Daarop werden de kisten en een massa ander materiaal
geladen, en ten slotte werd de wagen naar het strand gereden.

"Zoo'n bewaarplaats is wel gemakkelijk, niet waar?" vroeg Li. "Toen
ik ze ontdekte, was dat door een bizonder toeval. We hadden bij
Green-eiland overnacht, toen we bij het aanbreken van den morgen--'t
was stormachtig weer--een stoomjacht onder Engelsche vlag met de
branding zagen worstelen. Dadelijk schoten we te hulp, maar te laat om
redding te brengen. We zagen slechts hoe twee mannen al zwemmende het
land trachtten te bereiken; de een werd tegen de klippen verpletterd,
de ander bereikte den wal, doch overleed eenige uren later aan de
bekomen wonden. Het bleek al gauw uit de papieren, die we aan boord
vonden, dat we hier te doen hadden met den Engelschen ontdekker
James Lane, over wien verleden jaar in de kranten zoo veel te doen
was. Lane was een zonderling; een wel handig en zelfs geleerd man,
doch die de buitensporigste plannen op touw zetten, welke telkens
mislukten, hoeveel moeite en kosten hij er ook aan besteed had. Zijn
laatste onderneming was een reis naar de Zuidpool, in een door hemzelf
geconstrueerd stoomjacht. Hij vertrok onder veel belangstelling en
zelfs uitgeleid door vertegenwoordigers van den tegenwoordigen Koning,
die zich voor den avontuurlijken man intresseerde. Sedert hoorde
men niets meer van hem; hoe het met hem gegaan is, heb je zoo even
gehoord. Zijn bemanning had hij onderweg in een Fransche haven aan wal
moeten zetten, daar ze hem beschuldigde van roekelooze waaghalzerij en
bevreesd werden voor hun toekomst. Hij zette toen koppig de reis voort,
slechts door zijn secretaris trouw gebleven. Het resultaat weet je."

"En heb je toen zijn jacht bewaard?" vroeg Rob.

"Zooals je ziet," zei Li, op de overigen wijzend, die intusschen bezig
waren het vaartuig ineen te zetten. "Bij onderzoek van het jacht
bleek dit zeer vernuftig gebouwd te zijn, namelijk met uitneembare
onderdeelen. Ook was het door een geniale constructie zoo ingericht,
dat het zelfs door de zwaarste zeeën niet omgeworpen kon worden. La
maakte het voor electrische drijfkracht gereed, zoodat het veel
eenvoudiger te besturen is. We deden er reeds een proefvaart mee,
en zullen 't nu voor de eerste maal voor een grootere reis gebruiken."

"Heeft men nooit getracht Lane op te sporen?" vroeg Rob.

"Jawel; het Britsch Aardrijkskundig Genootschap, door de Regeering
gesteund, rustte een expeditie uit, toen de berichten van Lane
ophielden. Zonder eenig resultaat natuurlijk. Overigens was Lane een
zonderling, eenzelvig man, die kind noch kraai op de wereld bezat,
zoodat ten slotte niemand zich meer om zijn lot bekommerde. Het moet
wel een eigenaardige gewaarwording zijn als men hem nu in eens te
Londen terug ziet."

Rob keek Li verwonderd aan. Daar begreep hij nu niets van.

"Ben je daar verbaasd over?" glimlachte Li. "Als we straks aan boord
zijn, zal je Lane zien. Wacht maar."

Na ongeveer twee uren gewerkt te hebben, had men het jacht gereed. Er
was nu nog eenige tijd noodig om de benoodigde levensmiddelen en vele
andere onmisbare artikelen uit De Vogel in het jacht over te laden,
doch eer de avond viel was men gereed te vertrekken.

"Ziezoo," zei Li, toen allen aan boord waren. "Nu zal ik mijn geweten
geruststellen en het jacht met toebehooren aan de Engelsche Regeering
afleveren, ofschoon het de vraag is of het mij als strandvonder niet
rechtens toekomt."

Toen het donker inviel, en het oorlogsschip met zijn slapende bemanning
nog slechts als een reusachtige, logge, zwarte massa zichtbaar was,
koos het jacht, de "Lane" genaamd, zee. Op eenigen bovenwaartschen
afstand volgde De Vogel, alleen met Mu bemand.

Men zat er gezellig bijeen in het rooksalon, behalve Naf, die zich in
de stuurkamer bevond, en Li die naar de commandantshut was gegaan,
toen Rob's oog op een groot, uitvoerig geschilderd portret viel, op
welks lijst geschreven stond: "James Lane." Hij wilde er heen gaan
om het eens van dichterbij te bekijken, toen de deur geopend werd,
en een man binnentrad, die als van het schilderij weggeloopen scheen.

"James Lane!" riep Rob onwillekeurig uit.

"Juist!" zei vroolijk de binnenkomende--en Rob herkende Li's
stem--"lijkt 't niet sprekend?"

De vermomming was inderdaad treffend. Li had in zijn uiterlijk volkomen
de figuur van Lane nagebootst; alleen was zijn gezicht wat gebruinder,
waren zijn haren wat grijzer.

"Nog vijf dagen," zei Li, "en Lane komt in Engeland terug. Nu, Rob,
denk je niet dat ze den grooten ontdekkingsreiziger, die zooeven van
de Zuidpool terugkeert, met pracht en praal, en zelfs aan het Hof
zullen ontvangen?"

Nu begreep Rob, van welke toevallige omstandigheden Li gebruik wilde
maken om zich toegang te verschaffen tot de onmiddellijke omgeving
van den Koning. Het plan leek hem gewaagd, maar hij twijfelde niet
of Li zou het met zijn gewone zekerheid en behendigheid tot een goede
uitvoering brengen.

Nadat men nog eenigen tijd Li's vermomming bewonderd had, ging deze
zich weer daarvan ontdoen, en kwam weldra terug om nog een paar
gezellige uren in den kring der kameraden door te brengen. Rob voelde
zich nu geheel thuis; hij bemerkte met genoegen dat allen hem als een
der hunnen behandelden, zijn oordeel vroegen, hem in vertrouwen namen,
kortom hem zoo zeer op zijn gemak zetten, dat hij dankbaar was goede
en vriendelijke menschen te hebben ontmoet.

Het ontbrak gedurende de eentonige zeereis niet aan afwisseling. Men
hield zich aan boord met muziek en lectuur bezig, Rob's lessen bij La
gingen geregeld door, en de gezellige gesprekken des avonds aan en na
tafel waren voor Rob even aangenaam als leerrijk. Het viel hem op,
hoe allen hun best deden om vriendelijk en goedgehumeurd tegenover
elkander te zijn, hoe men zich beijverde om het gesprek nooit te doen
verwateren in alledaagsche praatjes, maar 't altijd daarheen te leiden,
dat de een steeds van den ander iets leerde. Vaak was men het ook over
't een of ander onderwerp oneens, maar hoe levendig de discussie ook
werd, altijd bleef de toon hoffelijk en opgewekt, en men eindigde
onveranderlijk met elkaars gevoelens nog meer te waardeeren dan
te voren, ook al was men niet tot overeenstemming kunnen komen. Li
bezat een bewonderenswaardigen tact om zulke discussies te leiden,
en zoo noodig ook tijdig te doen eindigen.

Gedurende de reis was Rob herhaaldelijk in de gelegenheid den
marconi-toestel in werking te zien, die door La bediend werd. Deze
deelde hem nu mee, dat Nof niet alleen met het overbrengen van het
briefje aan Rob's ouders belast was, maar ook eenige toebereidselen
moest treffen in Londen en in Dover, waar men landen zou. Vandaar zond
hij telkens draadlooze telegrammen naar het jacht. Ook met De Vogel,
die nu zoo hoog gestegen was, dat hij zonder kijker niet meer was
waar te nemen, werden nu en dan marconigrammen gewisseld.

Den 24en October, den dag vóor men zou landen, liet Li Rob in de
commandantshut komen, en zei:

"Ik zal je nu enkele dingen vertellen, die je noodig hebt te weten,
omdat ze je misschien te pas kunnen komen. Ten eerste dan, moet je
weten, dat we in Londen met ongeduld verwacht worden."

"Weten ze daar dan al dat je komt?" vroeg Rob.

"Zeker! Nof is vooruitgegaan als mijn particulier secretaris, of liever
als die van Lane. Hij is over land gekomen, naar 't heet, en heeft al
zalen in Londen afgehuurd, en contracten met impressario's afgesloten,
ten doel hebbende de lezingen van den ontdekkingsreiziger Lane voor te
bereiden, welke deze over zijn Zuidpooltocht zal houden. Dagelijks heb
ik hem berichten geseind, welke hij in de groote bladen heeft doen
opnemen, en het publiek is al zoo opgezweept, dat zich officiëele
comité's van ontvangst hebben gevormd en de Koning zijn verlangen te
kennen heeft gegeven den ontdekkingsreiziger te ontmoeten. Heel Dover
en Londen zijn door Nofs zorg met groote, gekleurde aanplakbiljetten
beplakt, waarop mijn, of liever Lane's, welgelijkend portret is
afgebeeld. Men draagt al Lane-dassen, drinkt Lane-limonade, rookt
Lane-sigaren. Het Britsch Aardrijkskundig Genootschap zal ons een
groot feestmaal aanbieden."

Rob zag het eene wonder zich al weer op het andere stapelen. Dat zou
intressant worden. Als hij er nu maar bij kon zijn!

"En hoe gaat het nu met ons allemaal?" vroeg hij. "Wat stellen
wij voor?"

"Wel, daar jullie allemaal Hollanders zijn, stel je Hollandsche
ingenieurs en oud-zeeofficieren voor, die ik voor mijn reis heb
aangeworven nadat mijn scheepsvolk was weggeloopen. Dat klinkt
voornaam; voor matrozen zouden jullie er trouwens niet zeebonk-achtig
genoeg uitzien. En jij zult fungeeren als mijn adjudant; dan kan je
me overal volgen."

"Dat is heerlijk!" juichte Rob. "Dan kom ik dus ook bij den Koning! En
hoe krijg je nu de diamanten?"

"Geduld! dat zal je wel zien," lachte Li. "Voorloopig moet je maar
precies doen wat ik zeg, en op de vragen, die men je mocht stellen,
voorzichtige antwoorden geven."

Rob kon dien nacht bijna niet slapen van opwinding bij de gedachte aan
de avontuurlijke dingen die voor de deur stonden. Hoe zou Li het wel
aanleggen? Zou het lukken? Was het eigenlijk niet een gevaarlijke
onderneming, en wat zou hun lot worden als de list eens ontdekt
werd? Al dergelijke vragen bestormden Rob en hielden hem wakker,
maar ten slotte herkreeg zijn blind vertrouwen in Li, die zoo zeker
van zijn zaak was, en geen oogenblik scheen te aarzelen, de overhand,
en hij sliep gerust in.

De zee was dien nacht, evenals trouwens gedurende de heele reis,
zeer kalm, en de vernuftige inrichting van het jacht maakte dat
het bijna niet slingerde. Rob had dan ook geen oogenblik last van
zeeziekte gehad, en hij sliep dien nacht zoo rustig, dat hij den
volgenden morgen eerst na vijf minuten het geweldig kanongebulder
hoorde, waarmee het jacht, de Engelsche vlag in top voerend, begroet
werd door de ter reede van Dover liggende oorlogsbodems. Snel stond
hij op, kleedde zich vlug aan en liep naar het dek, dat door een
prachtige herfstzon vroolijk beschenen werd.






ZESDE HOOFDSTUK.

ROB KOMT IN LONDEN.

	De ontvangst te Dover.--De aankomst in Londen.--Het huis in
	Longmanstreet.--Li's eerste lezing over een nooit gemaakte
	Zuidpoolreis.--Alle Londensche heeren wenschen zich een
	poolmeisje tot vrouw.--Het diner van het Aardrijkskundig
	Genootschap.--Rob drinkt thee met den Koning.--De
	kroonjuweelen.


Nauwelijks was Rob op het dek, of hij hoorde boven het kanongedonder
uit de muziek van een groot aantal muziekkorpsen, die aan de kade waren
opgesteld, en die onophoudelijk het Engelsche volkslied speelden. Alle
huizen in den omtrek waren versierd en bevlagd; alle schepen waren
met tallooze kleine vlaggetjes opgetuigd en de in het want staande
matrozen joelden. Het was een leven dat hooren en zien hem verging.

Nauwelijks had Lo den jongen in 't oog gekregen of hij duwde hem aan
een arm de kajuitstrap af, en fluisterde hem haastig toe:

"Ga je vlug verkleeden, er ligt een pak voor je in de rookzaal."

Zoo gauw hij kon, trok Rob het mooie, zwarte pak aan, dat hij vond
liggen, en waarin hij er zooveel deftiger en ouder uitzag dan te voren,
dat hij den spiegel, die hem vertelde dat hij nu zijn eerste gekleede
jas aanhad, bijna niet gelooven kon. Toen hij weer naar het dek was
gesneld, vond hij daar Li-Lane eveneens stemmig in 't zwart gekleed,
en de overigen in reistoiletten van allerlei kleuren.

Vóor hij daarover zijn verbazing te kennen had kunnen geven, wees
Li hem op een stoomsloep, die, met muziek aan boord, snel het jacht
naderde.

De sloep kwam op zij, en een deftig heer, in groot ornaat en met
een gouden keten om den hals, beklom de scheepstrap. Boven gekomen,
trad hij met uitgestrekte handen op Li toe, en zei:

"Mister Lane, als burgemeester van Dover, en daartoe door Z.M. den
Koning uitgenoodigd, heet ik u welkom op Engelschen bodem. Het
heeft Z.M. behaagd een koninklijken salon-trein tot uw beschikking
te stellen, die u onmiddellijk naar Londen zal voeren. Het spijt
de burgerij van Dover, dat zij den grooten ontdekkingsreiziger niet
eenigen tijd in haar midden zal mogen behouden, doch zij heeft vernomen
dat u reeds een woning in Londen gehuurd hebt, en zeer verlangend
zijt daar de rust te genieten, die gij na de ontberingen van uw reis
zoo ruimschoots hebt verdiend. Het is mij een eer en een voorrecht, u
uit naam van den Koning, welkom te heeten op den vaderlandschen grond."

Li, die deze toespraak met een vriendelijken glimlach en overigens
zonder een spier te vertrekken had aangehoord, dankte nu den mayor
met een sierlijke, in onberispelijk Engelsch uitgesproken rede. Toen
hij zweeg, werd op de stoomsloep een vlaggetje geheschen, en dadelijk
daarna brak de muziek en het gebulder van het geschut weer los.

Li en de zijnen werden nu uitgenoodigd den burgemeester naar den wal
te volgen, waar ze eenige versierde open rijtuigen vonden gereedstaan,
die hen onder het gejuich der menigte naar het station brachten. Li
groette en boog naar alle zijden, met de rust en het gemak van iemand,
die zooveel groote emoties heeft meegemaakt, dat een huldebetoon als
dit hem niet meer overweldigen kan. Li had met den burgemeester, Lo en
Rob in het voorste rijtuig plaats genomen en deed den mayor een verhaal
van een wonderbaarlijke redding uit de handen van zuidpoolsche wilden,
die hij aan het cordate optreden van Rob te danken had, en waaraan
het toe te schrijven was dat hij Rob steeds in zijn onmiddellijke
nabijheid wilde zien.

"Had deze jonge man mij het leven niet gered," zoo besloot hij zijn
verhaal, "dan zou ik niet in staat geweest zijn de wetenschap met
mijn nederige diensten ter zijde te staan."

De burgemeester vond hierin aanleiding Rob eenige waardeerende woorden
te zeggen, die deze met een verlegen buiging beantwoordde.

Onder het gewuif en gejuich der dicht opeen gepakte menschenmassa
zette de trein zich in beweging, en daar de reis ook door eenige
autoriteiten werd meegemaakt, was men voortdurend verplicht zich te
laten complimenteeren en de rol van beroemde mannen te spelen.

Aan de stations, waar opgehouden werd, en men toespraken moest
aanhooren van burgemeesters en presidenten van corporaties, die
met haar banieren op het perron stonden, kocht Lo eenige kranten,
waarin ze allerlei berichten over zichzelf vonden, die niet weinig
vermakelijk waren om te lezen.

In Londen aangekomen, speelde zich het Doversche programma nogmaals
af. Muziek, toespraken, gejuich, kanongebulder. Door de drukke straten,
die zwart waren van de menschen, reed men in open rijtuigen naar de
Longmanstreet, waar twee kolossale huizen voor Lane en zijn gezelschap
waren gehuurd.

Nog verscheiden malen moesten de reizigers zich op het balkon aan de
geestdriftige menigte vertoonen, die zich niet verstrooide dan nadat
Lane een toespraak had gehouden. En ook daarna werd het niet rustig,
want den geheelen dag regende het bloemen, invitaties en telegrammen
van gelukwensching. Maar vooral werd Li bestormd door verslaggevers van
kranten, die hij allervriendelijkst te woord stond, alle inlichtingen
gevend die ze wenschten, en door wie hij zich ontelbare malen in
allerlei houdingen liet kieken.

Eindelijk tegen den avond, ook doordat Li in de kranten had doen
plaatsen, dat hij de eerstvolgende dagen gaarne met rust zou gelaten
worden, werd het wat stiller, en zat men gezellig bijeen, hartelijk
lachend om de vermakelijke avonturen van dien dag.

Werkelijk vermoeid door de snelle reis en al het eerbetoon, ging
men vroeg naar bed. Naf had uitstekend gezorgd; het geheele huis
was uitstekend gemeubileerd en van alles voorzien wat men maar
wenschen kon, en Rob merkte wel dat Li op de een of andere manier
over onuitputtelijke geldmiddelen beschikte.

Toen Rob naar zijn kamer ging en het venster wilde sluiten, hoorde
hij beneden op straat wapengekletter. Hij keek naar buiten, en zag
dat een compagnie garde-grenadiers een eerewacht had betrokken, en
dat twee reusachtige schildwachts met statige passen voor het huis
heen en weer liepen.

Den volgenden dag bleef men rustig thuis. Li zat aan zijn
schrijftafel, snuffelde in dikke boeken en schreef vele vellen papier
vol. Tegen den avond vernam Rob, dat Li een lezing zou houden voor
twintigduizend menschen in de groote concertzaal van het Koninklijk
Conservatorium. Hij stelde zich veel van die lezing voor, benieuwd
wat Li zijn hoorders zou opdisschen, maar toen men den avond daarop
in open rijtuigen naar het Conservatorium was gereden en Li het podium
had bestegen, stond Rob versteld van de kalmte en de schijnbare kennis
van zaken, waarmee Li zijn Poolreis verhaalde. Na een beschrijving
gegeven te hebben van zijn ondervindingen en ontberingen gedurende
de reis er heen, stond hij uitvoerig stil bij de bizonderheden die
de Pool zelf betroffen. Hij schilderde die als een vrij uitgestrekte,
zeer bewoonbare streek, waar niet, zooals men dikwijls verondersteld
had, het opeengehoopte ijs allen plantengroei en het dierlijk leven
onmogelijk maakte, maar waar integendeel weelderige bosschen en
een zeer intelligente bevolking gevonden waren, welke laatsten de
koene ontdekkers vriendelijk ontvangen had, hoewel zeer verbaasd,
dat er buiten hen zelven nog andere wezens op aarde bestonden die
er ongeveer als zij uitzagen. De bewoonbaarheid en den plantengroei
verklaarde Li hierdoor, dat de warmte, ontstaan door de wrijving van
de aarde om de aardas, groot genoeg was om het ijs over een groote
uitgestrektheid te ontdooien. Toen Li vertelde dat de Poolbewoners
hoogstwaarschijnlijk afstamden van de leden eener sinds onheugelijke
tijden daar aangekomen, doch door de buitenwereld verloren gewaande
expeditie, en dat deze expeditie een Engelsche moest geweest zijn,
aangezien de heerschende taal een wel is waar verbasterde ofschoon
nog zeer begrijpelijke vorm van het Engelsch bleek te zijn--toen
Li dit vertelde, barstte er onder het gevleide publiek zulk een
daverende storm van toejuichingen uit, dat er volle twintig minuten
noodig waren eer het publiek gekalmeerd was en Li zijn rede kon
voortzetten. Na eenige wetenschappelijke verhandelingen ten beste te
hebben gegeven omtrent de aswenteling der aarde, besloot Li zijn met
gespannen aandacht gevolgde lezing door een geestdriftige schildering
van de Zuidpoolsche vrouwen te geven. In haar was naar zijn zeggen
schoonheid en lieftalligheid harmonisch vereenigd. Aan de Zuidpool
kwamen geen ongelukkige huwelijken voor; wie met een Zuidpoolsche
trouwde, kon verzekerd zijn van een duurzaam geluk. Deze met gloed en
geest uitgesproken slottirade bracht het publiek opnieuw in verrukking,
en nog dienzelfden avond wist een verrukt jongmensch zevenduizend
handteekeningen van trouwlustige lotgenooten te verzamelen voor het
stichten van een "South-Polar-women-import-fund." Den volgenden dag
sprak heel Londen over de plotseling beroemd geworden Zuidpoolschen,
en gedurende vele weken werden ze in alle café-concerts in woord
en kleedij geprezen en nagebootst aan de hand van de uitvoerige
beschrijving, die Li van haar uiterlijk had gegeven.

Den 29en October had het groote diner plaats, door het Aardrijkskundig
Genootschap aangeboden. Rob zat op een eereplaats, links van de
echtgenoote van den secretaris, en rechts van de vrouw van den
president, die aan de zijde van Li was gezeten. Het diner, dat
eindigde met de aanbieding van het buitengewoon eerelidmaatschap aan
den ontdekker James Lane, kenmerkte zich door het overgroote aantal
speechen, die Li met onvermoeibaren ijver beantwoordde, daarbij een
kennis van zaken ten toon spreidend, waarvan Rob nu en dan verstomd
stond.

De 1e November eindelijk was bestemd voor de soiree ten Hove. Alle
bewoners van De Vogel, Rob incluis, staken zich voor die gelegenheid
in rok, en Li gaf zijn metgezellen, vooral den jongsten, voor het
vertrek nog de noodige goede lessen met betrekking tot de talrijke
voorschriften, waaraan zij zich aan het ceremoniëele Engelsche Hof
hadden te houden.

Om klokslag negen uur kondigde de Chambellan met luider stem de komst
aan van Sir James Lane en gezelschap, welke betiteling Li er op wees,
dat het den Koning behaagd had den grooten ontdekkingsreiziger een
onderscheiding te verleenen, waarvoor Li Zijne Majesteit nog niet had
bedankt, toen deze zijn vorstelijke mildheid nog verder uitstrekte door
zijn beroemden onderdaan dadelijk na de begroeting met de versierselen
van het commandeurskruis der Bath-orde te omhangen.

Terwijl de gasten zich al pratend door de ruime zalen bewogen,
onderhield de Koning zich zeer vriendelijk met Li en Rob. Zijne
Majesteit deed allerlei vragen, die duidelijk blijk gaven van zijn
belezenheid over het onderwerp, een belezenheid van vermoedelijk jongen
datum. Li gaf uitgebreide, wetenschappelijk getinte antwoordden,
en vooral de beschrijving der Zuidpoolsche dames intresseerde den
Koning zeer. Toen Li vertelde, dat hij aan de Pool ook uitgebreide
diamantvelden had ontdekt, die nog onontgonnen lagen en bestemd waren
kolossale schatten op te leveren, begonnen de oogen van den Vorst te
schitteren. Merkwaardig was het, dat 't woord "diamant" nauwelijks was
uitgesproken, of een lang, correct-gerokt heer, met een monocle in
't oog en een orchidee in 't knoopsgat, die een minuut geleden nog
aan 't andere einde der zaal had gestaan, mengde zich in 't gesprek,
al pratend eenige aanteekeningen in zijn notitieboekje makend. Deze
heer werd voorgesteld als Zijner Majesteits Minister van Koloniën.

Toen het gesprek eenmaal op diamanten was gekomen, wist Li door een
handige overgang ook de kroonjuweelen in de conversatie te mengen,
en hij vroeg, of de edelgesteenten, die den Koning en de Koningin
bij de kroning waren aangeboden, werkelijk van een zoo verbazenden
omvang waren als de dagbladen, waarin hij de beschrijving had gelezen,
vermeld hadden.

In antwoord hierop gaf de Koning een geestdriftige beschrijving van
de kroon en den diadeem, die, naar hij zeide, in een zeer kunstig
uit hout gesneden kastje werden bewaard, dat steeds zorgvuldig in
een brandkast stond gesloten. De brandkast bevond zich in 's Konings
slaapvertrek, en was van een hoogst vernuftige sluiting voorzien,
waarvan het geheim alleen aan hem zelf bekend was.

Li deed nog eenige belangstellende vragen, en haalde intusschen al
pratend een marokijn leeren étui uit den zak, waarin zich eenige
prachtige groote steenen bevonden, welke hij zich veroorloofde den
Koning als een souvenir aan de reis aan te bieden. Zijne Majesteit
was verrukt over de helderheid en het slijpsel der steenen, die
volgens Li door hem zelf aan de Pool waren gedolven, en het behaagde
hem het geschenk welwillend te aanvaarden. Toch kon hij, met een
kennersblik de juweelen monsterend, de opmerking niet weerhouden,
dat de kroondiamanten nog grooter van omvang waren.

Nu gaf Li luide zijn verbazing te kennen. Dat er steenen zouden
bestaan, grooter nog dan die, welke het Zijne Majesteit behaagd
had als een nederige hulde van een zijner meest getrouwe onderdanen
aan te nemen, kwam hem verwonderlijk voor, en hij waagde het zelfs
op zeer bescheiden wijze de mogelijkheid te opperen, dat de Koning
zich vergiste.

Zijne Majesteit, een-en-al welwillendheid, bood den ontdekkingsreiziger
nu aan, zich persoonlijk te gaan overtuigen van de pracht der
kroonjuweelen, die door deskundigen op minstens een millioen
pond waarde werden geschat, en Li toonde zich verrukt over dit
gunstbewijs. Door enkele ministers en andere hoogwaardigheidsbekleeders
vergezeld, ging men nu naar het slaapvertrek, waar zich dicht
naast het praalbed een sierlijk geornamenteerde brandkast bevond,
die door den Koning met enkele onmogelijk te volgen handgrepen werd
geopend. Daarna drukte Zijne Majesteit op een veer, en er schoof een
kunstig bewerkt houten koffertje te voorschijn, waarvan het deksel
zich, eveneens door een druk op een verborgen veer, opende. Nu lagen,
achter glas opgesteld, de kroondiamanten in schitterende pracht voor
de bewonderende oogen der toeschouwers. Het electrisch licht tooverde
de heerlijkste kleurfonkelingen in de geslepen vakken, en allen waren
het er over eens, dat nergens ter wereld de weerga van zulk een pracht
gevonden kon worden.

Alleen Li scheen meer in bewondering voor het koffertje dan voor de
diamanten verdiept te zijn, en vroeg ten laatste:

"Is dit van Indisch maaksel?"

"Juist," antwoordde de Koning. "Het is een voortbrengsel van
Britsch-Indische houtsnijkunst, en een geschenk van den Emir van
Paschuda ter gelegenheid onzer Kroning."

Nadat het gezelschap weer in de zaal teruggekeerd was, liep het gesprek
nog eenigen tijd over het koffertje. Li gaf zijn groote belangstelling
te kennen voor dergelijke industrie in 't algemeen, en vertelde dat
hij op zijn reizen zooveel merkwaardige voorwerpen van handenarbeid
en gebruikskunst had verzameld, dat hij 't de moeite loonend vond
een vergelijkende studie van zuidelijke inlandsche industrie te
gaan schrijven. Zelfs had hij al eenige bladzijden voor dat boek
op schrift gebracht, met het plan het van talrijke illustraties te
voorzien. Daartoe wilde hij vooreerst fotografische opnamen maken van
de voorwerpen uit zijn eigen collectie, maar ook zou hij een dankbaar
gebruik maken van al wat museums en particuliere verzamelaars hem
konden en wilden bieden.

Zijne Majesteit, die het er op gezet scheen te hebben den gast met
gunstbewijzen te overladen, gaf onmiddellijk te kennen, dat hij de
eerste wilde zijn die hem in dit schoone werk ter zijde stond, en bood
Li het Indische kistje in bruikleen aan. De juweelen konden zoo lang in
de brandkast liggen, en wanneer Li beloofde dat hij het koffertje met
de grootste omzichtigheid zou behandelen en het niet langer aan zijn
bestemming onttrekken dan voor de beschrijving en het doen van opnamen
strikt noodig was--in elk geval niet meer dan tweemaal vier-en-twintig
uur--dan was er tegen het in leen geven geen enkel bezwaar.

Li stribbelde nog wat tegen, sprak van de te groote eer die hem
bewezen werd, meende dat hij het aanbod niet mocht aannemen--doch
eindigde met er een dankbaar gebruik van te maken.

En zoo werd dan besloten, dat het koffertje den volgenden morgen
onder militair geleide in Li's hotel zou gebracht worden.

Het was inmiddels vrij laat geworden. Zijne Majesteit trok zich in
zijn appartementen terug; de rijtuigen der gasten werden afgeroepen,
en ook Li met gezelschap reed in hofkoetsen naar Longmanstreet.

Daar aangekomen, zat men nog enkele oogenblikken gezellig bijeen. Li
was klaarblijkelijk zeer ingenomen met den gang van zaken, en zei
vroolijk tot Rob:

"Het halve werk is gedaan!"

"Maar ik dacht," zei Rob, "dat je het koffertje _zonder_ de diamanten
te leen kreeg!"

"Natuurlijk, beste jongen!" lachte Li, "maar ik had ook geen oogenblik
gedacht dat ik de diamanten er bij zou krijgen!"

"Maar hoe wil je dan..." begon Rob.

"Geduld maar! Je zult 't wel zien, hoe 't nu verder gaat. Nu komt
onze geleerde La in actie."

"Electriciteit overwint alles!" antwoordde deze raadselachtig.

"Ik ben erg benieuwd," zei Rob. "Maar vertel eens, Li, hoe kwam je
aan dien prachtigen diamant? en was 't eigenlijk niet zonde om dien
weg te geven?"

"Niet erg," zei Li leuk. "Kijk onze alchimist eens lachen--'t is
alweer La, die er achter zit. Die fabriceert in z'n vrijen tijd
valsche diamanten--van koolstof onder electrischen druk--en je ziet
dat z'n uitvinding ons al goed te pas is gekomen!"





ZEVENDE HOOFDSTUK.

LI STEELT DE KROONJUWEELEN.

	Li krijgt het koffertje te leen.--La verricht nieuwe
	wonderen.--De Koning ontvangt een splinternieuw koffertje.--Hoe
	hij beetgenomen werd.--De kroonjuweelen zijn gestolen!--Het
	verhaal van de diefachtige poes.--Li heeft de diamanten te
	pakken.--De groote ontdekkingsreiziger steekt met zijn jacht
	van wal.--Terug op De Vogel.--De reis naar Transvaal.--Hoe
	het met de diamanten afliep.


De volgende dagen waren weer gewijd aan lezingen, officiëele bezoeken,
feestmaaltijden, waaraan geen einde scheen te komen. Li en zijn
metgezellen schenen wel van ijzer te zijn, zoo onvermoeid namen
ze aan al die dingen deel, maar Rob werd het nu en dan te machtig,
en Li zorgde er dan ook menigmaal voor dat hij tijdig naar bed ging
en er voor zijn afwezigheid bij het een of ander feest een geldige
reden werd gevonden.

Den 3en November werd er aan het hotel in Longmanstreet een
kabinetschrijven van den Koning bezorgd, inhoudende dat dienzelfden
middag door een officier van de Householdguards, onder geleide van
zes manschappen het koffertje zou bezorgd worden, waarin de beroemde
edelsteenen bewaard werden. Toen Li den brief las, glimlachte hij
zwijgend. Rob verbaasde zich wat Li met dat kistje doen zou, maar
zweeg eveneens en wachtte af.

Des middags werd het kostbare voorwerp gebracht. Li gaf het
onmiddellijk aan La over, en nu begaven allen zich in een vertrek,
waarvan Rob het bestaan nog niet wist, en waar voor La een geheel
laboratorium bleek te zijn ingericht, en wel door Nof, die met zijn
vliegmachine des nachts al de benoodigde instrumenten naar binnen
had gebracht.

La zette zich aan het werk. Hij maakte een vorm van het zoo gemakkelijk
te bewerken en te plooien monum, die geheel om het kistje sloot,
zoodat alle onderdeelen van het snijwerk daarin werden afgedrukt. Uit
de kranten wetende, dat het koffertje vervaardigd was van een in
Britsch-Indië veelvuldig voorkomende acacia-houtsoort, had hij
gezorgd zich reeds lang van te voren een blok van die houtsoort te
verschaffen. De monum-vorm werd nu met de opening naar boven gelegd,
het houtblok haaks gezaagd, zoodat het eenigszins grooter inhoud had
dan de vorm binnenwerks, en vervolgens boven de opening geplaatst. Een
sterke electrische stroom werd nu door het monum geleid, en Rob zag
tot zijn verbazing, dat een lichte druk boven op het blok voldoende
was om dit in den vorm te doen zakken. Het overtollige hout werd door
den scherpen rand van den vorm afgesneden, en nadat het monum was
weggenomen vertoonde het blok uiterlijk geheel den vorm van het kistje.

Nu sneed La het blok met een zeer dun, door electriciteit in gloeiïng
gebracht zaagje in tweeën, zoodat hij het in een doos en een deksel
scheidde; daarna werden beide blokken eveneens met een monum-vorm
geheel volgens het model uitgehold. Ten slotte werden scharnieren
aangebracht, en het geheel met een bruine vloeistof bestreken,
waardoor het volkomen de kleur van het model verkreeg. En zoo stonden
er nu twee treffend op elkaar gelijkende kistjes naast elkaar op de
werkbank, die in niets van elkaar verschilden!

Het moeielijkste kwam echter nu eerst. Lo bracht nu tegen den
achterwand een zeer smallen tweeden wand aan, die zoo was ingericht,
dat hij bij het sluiten van den deksel een op den bodem van het
koffertje gelegd voorwerp geheel verborg, zonder dat er uiterlijk
iets van dien dubbelen bodem te bemerken was. Opende men opnieuw den
deksel, dan bleef die dubbele wand liggen.

Alles was nu gereed.

Toen de termijn verstreken was, vroeg Li een audiëntie bij den
Koning aan, ten einde zelf het koffertje te mogen terugbrengen, en
zoo de gelegenheid te hebben Zijne Majesteit voor deszelfs groote
welwillendheid dank te zeggen.

De audiëntie werd toegestaan. Met belangstelling beschouwde de Koning
de foto's, die Li door La van het kistje had doen maken, en hij was
zelfs zoo welwillend den grooten Poolreiziger uit te noodigen zijn
hulp te verleenen bij het weder op hun plaats brengen der juweelen. Li
nam dit aanbod gaarne aan; met eigen handen legde de Koning kroon en
diadeem weer in het koffertje, en toen Li het deksel gesloten had, wist
hij dat de dubbele wand de sieraden geheel bedekte, dat het bij het
opnieuw openen van het kistje den schijn zou hebben als was de inhoud
verdwenen, en dat men de list niet zou doorzien, omdat de onderwand
van het nagemaakte kistje zoo aanmerkelijk veel dunner was dan de
zeer zware bodem van het echte, dat de dubbele bodem even diep onder
de bovenzijde lag als de enkele bij het oorspronkelijke koffertje.

Nadat de Koning zorgvuldig de brandkast had gesloten en zich nog
eenigen tijd met Li onderhouden had, nam deze afscheid.

In het hotel aangekomen, vond hij zijn reisgenooten in gespannen
nieuwsgierigheid bijeen.

Hij knikte hen vroolijk toe.

"Alles gaat uitstekend," zei hij. "Binnen een week zijn de juweelen
hier in huis."

Men was gewoon, dat Li zulke uitspraken niet deed, of de feiten stelden
hem in het gelijk. Maar dit nam niet weg, dat men zeer benieuwd was hoe
het nu verder met deze geschiedenis zou afloopen. Rob vooral toonde
zich zeer verlangend naar den uitslag der onderneming en begreep nog
niet goed hoe het gaan moest.

Lang behoefde men niet in spanning te blijven. Reeds den volgenden
avond ontving Li bezoek van een in 't zwart gekleed heer, die zich
eenvoudig liet aandienen als mr. Johnson, maar daarna de Eerste
Kamerheer van den Koning bleek te zijn, die Li onder vier oogen
meedeelde, dat Zijne Majesteit hem den volgenden morgen wenschte
te ontvangen, en dat hij daartoe in een gesloten huurrijtuig zou
worden afgehaald.

Toen mr. Johnson vertrokken was, en Li de overigen den inhoud van
't gesprek meedeelde, schrok Rob erg.

"Het geheim van 't koffertje kan toch niet ontdekt zijn?" vroeg
hij angstig.

"Geen sprake van," antwoordde Li kalm. "Laten we maar tijdig naar
bed gaan en rustig slapen, blij dat we van avond eens geen officiëel
feest hebben bij te wonen."

Den volgenden morgen om tien uur kwam het rijtuig voor.

Li steeg in, en weldra bevond hij zich in 's Konings particulier
kabinet. Het gezicht van Zijne Majesteit stond zeer ernstig.

"Mr. Lane," sprak hij, "ik heb u doen ontbieden in verband met een
zeer vreemd geval. Gisterenmiddag opende ik het koffertje, dat de
kroonjuweelen bevat, eerlijk gezegd omdat ik nog eens nauwkeurig
wilde nagaan of het geen schade had geleden terwijl het in uw
handen was. U moet mij dat niet kwalijk nemen; ik hecht zoo aan dat
meesterwerk van houtsnijkunst, dat ik er steeds een overdreven zorg aan
wijd. Natuurlijk vond ik het in de beste orde, niet het minste spoor
van een minder voorzichtige behandeling was er aan te bemerken--iets
wat ik trouwens verwachten kon, maar waarvoor ik u toch dankbaar ben."

Li boog zwijgend, en de Koning vervolgde:

"Stel u echter mijn verbazing en tevens mijn schrik voor, toen ik de
diamanten spoorloos verdwenen vond! Een oogenblik durfde ik mijn oogen
niet vertrouwen; ik meende zelfs aan een zinsbegoocheling onderhevig
te zijn. Maar het bleek maar al te waar: de diamanten waren en bleven
weg! Had ik ze niet zelf een dag te voren eigenhandig in het koffertje
gelegd--het geen u, die daarbij aanwezig was, immers bevestigen
kunt--dan zou het verdwijnen mij niet zoo sterk verbaasd hebben als
nu. Er is natuurlijk geen andere mogelijkheid dan diefstal--wonderen
komen in onzen tijd niet voor! Maar wie is de dief? En hoe had de
diefstal plaats? Even zeker als, theoretisch beschouwd, alleen door
diefstal de steenen verdwenen kunnen zijn, even vast staat het,
dat die diefstal uit een practisch oogpunt eenvoudig ondoenlijk
is. Niemand kent het zeer samengesteld geheim van de sluiting der
brandkast--deze was trouwens geheel onbeschadigd--maar sterker is,
dat de deur van mijn slaapvertrek dag en nacht door twee schildwachten
wordt bewaakt, die door mijn ordonnans-officier, den commandant der
paleiswacht en mijzelf herhaaldelijk worden gecontroleerd. Ik vraag u:
zou men hier niet bijna aan een mirakel gaan gelooven?"

"Het is ongetwijfeld een hoogst merkwaardig geval, Sire," zei Li
nadenkend. "Toch moeten we niet te gauw aan bovennatuurlijke werkingen
gelooven of zulk een gebeurtenis te diep onderzoeken. Ik heb wonderen
zien verrichten door Indische fakirs, die oppervlakkig beschouwd
zuiver hekserij schijnen, en die toch een hoogst eenvoudigen truc tot
grondslag hebben. Zoekt men hun oorsprong te ver, dan kan men zeker
zijn te dwalen."

"U bedoelt daarmee, dat...."

"Dat de zaak vermoedelijk veel eenvoudiger is dan we denken. Doch
ik ben zoo onbescheiden op Uwer Majesteit's vermoedelijke plannen
vooruit te loopen."

"Integendeel, ik hecht waarde aan uw advies. U was trouwens degene,
die, met mij, de diamanten het laatst gezien heeft, die evenals ik
de absolute zekerheid bezit dat ik eigenhandig kroon en diadeem in
het kistje plaatste. Ik dacht daarom dadelijk aan u, toen ik die
kostbare voorwerpen miste. U kunt misschien helpen een, zij 't ook
zeer vaag, spoor te vinden. Herinner u eens goed, wie waren in onze
omgeving, toen u mij het kistje terugbracht? Zag u in de vertrekken
en gangen die wij doorgingen, geen personen, wier aanwezigheid
daar u vreemd voorkwam? Weet u zeker, dat de beide schildwachten
voor mijn kamerdeur stonden? Hebt u duidelijk gezien dat ik de
brandkast zorgvuldig sloot? Hebt u bij uw vertrek uit het paleis niets
verdacht waargenomen? Zooals u ziet zijn er vragen genoeg, de moeite
van het overwegen waard. Niemand weet nog van het verdwijnen der
kostbaarheden. Ik verlang ook dat daaraan voorloopig niet de minste
ruchtbaarheid wordt gegeven. Juist door in stilte en stelselmatig
te werk te gaan, hebben we de meeste kans van slagen. Bovendien zou
ik niet gaarne den schijn op mij laden, zulk een kostbaar geschenk
als die juweelen slecht beheerd te hebben. Kortom, ik heb alle reden
vooreerst alleen op uw hulp te vertrouwen. En ik hoop met succes."

"De taak, die Uwe Majesteit zich verwaardigt mij op te leggen, is
vereerend, maar zwaar. Ik zou verkeerd doen, met mij in de uitvoering
daarvan te overhaasten. Wil mij eenige dagen toestaan, waarin ik
rustig over het geval kan nadenken. Ik woonde op mijn reizen meer
zulke geheimzinnige diefstallen bij, die later bleken een verbluffend
eenvoudig verloop te hebben gehad, en het zou mij niet verwonderen
als ook hier iets dergelijks in 't spel was. Instinctmatig voel ik,
dat de oplossing hier zeer voor de hand ligt. Misschien zelfs vind ik
in de vele aanteekeningen, die ik over mijn reizen maakte, gevallen
vermeld, die op dit gelijken. Hoorde Uwe Majesteit ooit, hoe uit den
Grooten Tempel te Delhi het Gouden Hart van Boeddha gestolen werd?"

Toen de Koning ontkennend antwoordde vervolgde Li:

"Eenige jaren geleden verdween dat voorwerp plotseling uit den
tempel. Er heerschte groote verslagenheid, want de bevolking zag er
het voorteeken van een naderend onheil in. Maar ook brak men zich het
hoofd met de vraag, hoe die verdwijning mogelijk was. Het Gouden Hart
was dien dag in processie door den tempel gedragen, ter gelegenheid van
een godsdienstig feest. Daarna had men het voor ieder zichtbaar op zijn
gewone plaats boven het altaar gelegd, dat dag en nacht bewaakt werd
door biddende priesters. Alle uitgangen van den tempel, ja zelfs de
vensters, werden steeds en onder alle omstandigheden door krijgslieden
bewaakt. Tien minuten nadat het Hart boven het altaar geplaatst was,
en de tempelgangers inmiddels het gebouw ontruimd hadden, strekte
de Hoogepriester met een kreet van schrik de hand naar het altaar
uit.... De biddende priesters zagen op--het Gouden Hart was verdwenen!"

"En hoe was dit wonder geschied?" vroeg de Koning in gespannen
belangstelling.

"Op een bijna kinderachtig eenvoudige wijze, Sire," vervolgde Li. "Een
vreemdeling, hartstochtelijk verzamelaar, bezat een merkwaardig middel
om in het bezit te komen van die voorwerpen, welke hij niet door geld
machtig kon worden, en die hij toch zoo gaarne aan zijn collectie
wilde toevoegen. Dat middel was--een kat! Dit slimme dier was er van
jongs af op gedresseerd zich vlug en onbemerkt meester te maken van
elk voorwerp, dat zijn meester hem met een enkel gebaar aanduidde. Zoo
ging het ook met het Gouden Hart. De zwarte, in de namiddagschemering
nauw zichtbare kat deed haar werk voortreffelijk. Ze sloop naar het
altaar, had binnen enkele seconden het verlangde voorwerp in haar
bek en schoot met onhoorbare snelheid tusschen de priesters door,
den tempel uit en haar meester achterna. Later ontdekte men, bij
gelegenheid van een anderen diefstal, het vermiste voorwerp in de
collectie van den vreemdeling, en zoo kwam ook de kattenlist aan het
licht. Toen bleek dus, dat een eenvoudige poes bewerkt had, wat de
priesters voor een mirakel van godenhand hadden uitgemaakt."

"Uw verhaal is even intressant als spannend," zei de Koning. "En uw
ondervindingen op dit gebied geven me hoop, dat u het spoor in deze
duistere geschiedenis zult kunnen vinden. Dus--zwijgen tegenover
iedereen; zoodra u iets meent gevonden te hebben, ontvang ik bericht."

Li beloofde nogmaals zijn uiterste best te zullen doen, en keerde
toen naar huis terug.

"Over twee dagen!" zei hij alleen tot Rob, die hem vragend aanzag.

Er gingen nu twee dagen voorbij, die Li gebruikte om door middel van de
nieuwsbladen te doen rondbazuinen, dat hij in de volgende week voor een
paar maanden met zijn jacht den Atlantischen Oceaan ging doorkruisen.

Toen die twee dagen om waren, vroeg Li opnieuw een audiëntie bij den
Koning aan, welke dadelijk werd toegestaan.

Zijne Majesteit kwam Li met uitgestrekte handen tegemoet, en vroeg
terstond:

"Wel, hebt u kans gezien, eenig licht te vinden in de duistere zaak?"

"Ik geloof inderdaad, Sire, dat ik den dader op het spoor ben."

"Den dader?" riep de Koning verrast. "Dus u gelooft dat we hier
werkelijk met een diefstal te doen hebben?"

"Ik geloof het niet alleen, ik weet reeds zeker, dat er een zeer
eenvoudige, hoewel sluw aangelegde diefstal in het spel is. Ik heb
echter nog niet alle bewijzen in handen."

"Maar vertel me dan voorloopig hoe u tot die schitterende ontdekking
gekomen bent," vroeg de Koning nieuwsgierig.

"Vergeef me, Majesteit," sprak Li, "dat ik Uw geduld nog eenigen tijd
op de proef stel. Ik kan me immers vergissen, en zou niet graag willen,
dat ik U zoowel als mezelf met een ijdele hoop gevleid had. Vergun
me dus, dat ik U niets mededeel, eer ik met volkomen zekerheid kan
oordeelen."

"Ik waardeer en begrijp uw voorzichtigheid, mr. Lane," antwoordde de
Koning, "en ik zal u daarom niet langer met nieuwsgierige vragen lastig
vallen, hopende u daarmee tevens te toonen welk een volkomen vertrouwen
ik in u stel. Ik wil u op alle mogelijke wijzen van dienst zijn. Zeg
mij slechts, waarmee ik u in het belang uwer verdere onderzoekingen
van dienst kan zijn."

"Wanneer het niet te veel van Uw goedheid gevergd is," zei Li "zou
ik gaarne nogmaals tijdelijk in het bezit gesteld worden van het
kistje. Het kan me bij mijn nasporingen van groot nut zijn."

"Met het meeste genoegen zal ik het u nogmaals in gebruik afstaan,
en wel voor zoo lang als u het denkt noodig te hebben. U kunt het
zelfs nog heden in uw rijtuig meenemen."

Na deze woorden haalde de Koning zelf het koffertje te voorschijn. Eer
hij een lakei ontbood, die het zorgvuldig verpakt in Li's rijtuig
zou brengen, drukte hij nogmaals op de veer, die het deksel deed
openspringen, en staarde met weemoedigen blik in de leege ruimte.

"Hoe lang zal het duren, eer ik mijn schatten weer terug heb," sprak
hij met een zucht.

"Misschien korter dan U denkt, Sire," zei Li. "Ja, ik heb zulke goede
verwachtingen van den uitslag mijner pogingen, dat het is alsof ik
de juweelen daar reeds weer op den boden van het kistje zie liggen."

Toen Li in Longmanstreet teruggekeerd was, riep hij zijn getrouwen
bijeen. Hij toonde hun het koffertje, deed het open, sloeg den
dubbelen wand opzij--en daar lagen voor aller verbaasde oogen de in
veelkleurigen glans schitterende kroonjuweelen!

Li bergde de kostbare stukken eenvoudig in het handtaschje dat hem
steeds op reis vergezelde; toen gaf hij het nagemaakte kistje aan Lo,
die het twee minuten later door middel van een electrischen stroom
tot een fijn poeder verbrand had.

"Ziezoo," zei Li. "Nu kan de Koning zijn eigen koffertje terug
krijgen."

Drie dagen later was Li opnieuw ten paleize. Hij overhandigde het
avontuurlijke kistje weer aan den Koning, en meldde dezen, dat hij nu
nog slechts over eenigen tijd moest kunnen beschikken, en de diamanten
zouden terecht zijn.

"Wees ervan verzekerd, Majesteit, dat de juweelen aan den rechtmatigen
eigenaar zullen teruggegeven worden," zei hij met een fijn glimlachje.

De Koning was verrukt. Hij drukte Li herhaaldelijk de hand, en beloofde
hem de grootst denkbare eerbewijzen als zijn taak tot een goed einde
zou gebracht zijn.

"Uwe Majesteit zal vernomen hebben," zei Li, "dat ik volgens
de nieuwsbladen het plan heb eenige maanden in den Atlantischen
Oceaan te gaan kruisen. Mijn eigenlijk doel is echter, den dief te
achterhalen, die het koninkrijk verlaten heeft, en omtrent wien ik
zekere aanwijzingen heb dat hij op weg is naar Zuid-Afrika."

De Koning kon geen woorden vinden om zijn dankbaarheid te uiten,
en toen Li met zijn reisgenooten den volgenden dag in zijn jacht
Dover verliet, was hij tot Pair van Engeland verheven, en bezat hij,
behalve het grootkruis van de Engelsche Huisorde, een mandaat, dat
hem machtigde levenslang uit 's Konings particuliere schatkist een
jaargeld van vijfduizend pond te trekken. Het jacht was nog geen
vijf minuten in zee, of Li strekte de hand uit, en achtereenvolgens
plompten de aanstelling tot Pair, de Bathorde, de Huisorde en het
mandaat in de golven.

"Ik heb immers de diamanten!" zei hij eenvoudig.

Daarna keerde hij zich tot Rob en vroeg vroolijk:

"Wel--wat zeg je nu van ons avontuur?"

"Ik heb in al mijn boeken van Bertrand nog nooit zoo iets gelezen,"
zei Rob, "en die zijn toch wel de mooiste en avontuurlijkste boeken
die ik ken. Las je ze wel eens?"

Li had schik in de verbazing van den jongen, en zei:

"In mijn jeugd bestonden er zulke prachtige boeken nog niet. Maar ik
maakte er wel eens kennis mee. Ze schijnen in alle talen vertaald
te worden, want op mijn vele reizen zag ik ze zoowel in China als
in Amerika, op Groenland, in Siberië en op de Zuidzee-Eilanden. Maar
dat is zeker, ons diamanten-avontuur is 'n aardig stukje geweest."

Rob kon niet nalaten te zeggen:

"Alles is je wel erg meegeloopen. Het gebeurde eigenlijk allemaal
net zooals je het graag wou. Maar wat zou je nu gedaan hebben als
het eens niet zoo vlot van stapel was geloopen?"

"Ach," zei Li leuk, "dan had ik er wel weer een ander middel op
gevonden. Hebben moest ik ze."



De zeereis was weer even voorspoedig als te voren. Den 15en November
was men weer op Green-Eiland, met een hoera verwelkomd door Mu, die De
Vogel weer op zijn gewone plaats onder de boomen had verborgen. Ditmaal
was er geen oorlogsschip te zien dat de reizigers bemoeielijkte.

Enkele uren na de landing kwam ook Nof met de vliegmachine aan, en
bracht het voor Rob heerlijke bericht, dat het hem gelukt was den
brief aan Rob's voogd des nachts onbemerkt in de bus te doen. Ook
bracht hij eenige kranten mee, waarin al de in 't Eerste Hoofdstuk
vermelde gissingen omtrent Rob's verdwijning stonden, en waarin allen,
de held niet 't minst, veel schik hadden.

Nof kreeg niet lang rust, want Li gelastte hem dadelijk het jacht
naar Dover te brengen, het daar onbeheerd in de haven te laten liggen,
opdat de Engelsche regeering er over kon beschikken, en dan met de mee
te nemen vliegmachine zich weer bij de overigen te voegen. Het punt
van bijeenkomst werd hem door Li schriftelijk in cijfertaal opgegeven.

Alles, wat uit het huis in Longmanstreet in het jacht was geladen,
werd nu op De Vogel overgebracht, en men was reisvaardig voor het
verdere doel van de onderneming.

Nog denzelfden avond stak De Vogel van wal. De reis ging nu
rechtstreeks naar Vrijheid, waar de Transvaalsche Regeering op dat
oogenblik haar zetel had. De lucht was voortdurend helder, hoewel
koud, en het was een heerlijke gewaarwording met de maximum snelheid,
die De Vogel kon ontwikkelen, door den ijlen, drogen dampkring te
vliegen. Niet altijd was het gemakkelijk, den juisten weg te vinden;
de kinematografische opnamen van den Atlantischen Oceaan gaven slechts
vage beelden, waarin het oog vergeefs een steunpunt zocht, en zoo
moest herhaaldelijk aan zon en sterren gevraagd worden waar men zich
bevond. Gemiddeld genomen, ging de reis echter zeer voorspoedig, en
in den nacht van den 26en op den 27en November werden de Transvaalsche
steenen in de tent van den waarnemenden President gedeponeerd, zonder
dat deze zich van hun herkomst ook maar in de verste verte rekenschap
kon geven.

Men zal zich herinneren, dat op het eind van 't jaar 1901 de kranten
vage, verwarde berichten gaven omtrent een belangrijken diefstal van
diamanten aan het Engelsche Hof. Enkele weken daarna werden geruchten
weer tegengesproken, en ten slotte vernam men er niets meer van. De
toedracht van dit geval weet de lezer nu grootendeels. Er behoeft
nog slechts aan toegevoegd te worden, dat de Transvaalsche Regeering,
edelmoediger en fierder dan de Engelsche, de diamanten onmiddellijk
terugzond, met de laconieke mededeeling dat het haar aan geld niet
ontbrak. De Koning gelastte dat men de grootste stilzwijgendheid zou
bewaren over deze gebeurtenis, waarin hij zelf immers een min of meer
komische rol vervuld had. Meermalen heeft hij daarna de diamanten
en het kistje peinzend bekeken; de spoorlooze verdwijning van Sir
James Lane, Pair van Engeland, drager van verscheiden hooge orden,
heeft hem steeds zonderling toegeschenen--maar het rechte verband
der dingen is hem nooit goed duidelijk geworden.





ACHTSTE HOOFDSTUK.

LI VERTELT Z'N GESCHIEDENIS.

	Waarin verteld wordt, hoe 't maar 'n haartje gescheeld had,
	of Rob was weer in 't Vondelpark gaan wandelen.--Li vertelt
	zijn levensgeschiedenis.--Rob hoort van de stichting der
	Oranje-Republiek, van Rusland's booze plannen, van de dappere
	Elizabeth Helmont en den edelen ingenieur Van Stralen.


Eenige dagen na het vertrek uit Zuid-Afrika, terwijl De Vogel met
groote snelheid in noordoostelijke richting voortvloog, verzocht Li
zijn jongen vriend bij hem in zijn werkkamer te komen. Nadat hij hem
had uitgenoodigd te gaan zitten, sprak hij:

"Ik ben je langzamerhand geheel tot de vaste bemanning van het
luchtschip gaan beschouwen, Rob. Terwijl ik het onaangenaam blijf
vinden, dat ik je van je vrijheid moest berooven, ben ik toch dankbaar
dat we zulk een goeden vriend in je gevonden hebben. En het zou me
moeielijk vallen van je te scheiden. We stellen trouwens allen op je
tegenwoordigheid prijs. Ik heb nooit eenige belofte van je gevergd, en
toch heb je je tegenover ons zoo flink, trouw en eerlijk gedragen alsof
je door je woord en door verplichtingen aan ons gebonden was. Dat heeft
me heel veel genoegen gedaan. En er is nog iets waarvoor je ten zeerste
lof verdient. Toen we in Londen waren, heb ik je geheel vrij gelaten;
je kon in de stad ongehinderd rondloopen en had alle gelegenheid ons
te verraden of te verlaten. Integendeel heb je alles gedaan om onze
plannen te doen slagen. We weten nu, dat we een trouw kameraad in je
hebben gevonden. Als dank wil ik daar iets tegenover stellen."

Li zweeg even, en vervolgde toen:

"Wanneer je wilt, zal ik je binnen acht dagen naar Amsterdam
terugbrengen."

Rob aarzelde geen oogenblik met zijn antwoord.

"Als je er niets tegen hebt, Li, dan zou ik liever nog wat blijven."

Li drukte hem hartelijk de hand, en de glimlach op zijn flink,
mannelijk gezicht bewees duidelijk dat het antwoord van Rob hem goed
deed. Toch vroeg hij nog:

"Maar verlang je dan niet naar je huis terug?"

"Zeker doe ik dat," zei Rob, "ik verlang wel terug, want mijn voogd
was altijd heel goed voor me, en ook zou ik de zusters en broers
graag terugzien. Maar toch zou ik wel hier willen blijven ook..."

"Wanneer je ouders nog leefden, Rob, zou ik er zeker bezwaar tegen
hebben dat je nog bleef. In de bestaande omstandigheden durf ik het
echter wel op me nemen je nog wat hier te houden, te meer daar het in
verband met mijn verdere plannen niet ongewenscht is. Maar we zullen
afspreken, dat je volkomen vrij bent zelf den dag van je vertrek
te bepalen, en dat er iedere vier weken, als de omstandigheden het
toelaten en ik een der vliegtoestellen missen kan, een bericht naar
je voogd gaat."

Rob dankte Li voor zijn welwillende beschikkingen. Hij voelde
inderdaad nu en dan wel een soort van heimwee naar huis, naar zijn
schoolkameraden, naar zijn fiets en zijn voetbal; maar hij merkte
toch ook dat dit gevoel langzamerhand minder werd. Het avontuurlijke
van dit leven in de lucht trok hem sterk aan, en ook had hij zich
langzamerhand zeer aan de goedgehumeurde, vriendelijke en toch zoo
flinke en doortastende Vogel-bewoners gehecht. Bovendien verveelde hij
zich geen oogenblik; voortdurend werd er voor de noodige ontspanning
gezorgd: men maakte muziek aan boord, las elkaar voor, speelde
ping-pong, en zelfs La's aangename en helder-voorgedragen lessen
waren hem een uitspanning. Hij voelde zich goed vorderen, en was zelfs
verder dan hij op dit oogenblik geweest zou zijn wanneer hij nog op de
schoolbanken zat. La legde vooral op algemeene ontwikkeling den nadruk,
hield hem op de hoogte van de nieuwste uitvindingen en ontdekkingen,
en legde hem de politieke gebeurtenissen en verhoudingen in Europa
uit, hoofdzakelijk door middel van de nieuwsbladen, die nu en dan
op voorzichtige wijze aan boord gebracht werden. Daartoe daalde De
Vogel soms des nachts in een bosch of op een bergtop, en een der
"opvarenden" begaf zich naar een nabijliggende stad, uit den rijken
costuumvoorraad de noodige vermomming kiezend.

Nadat wederom eenige dagen verloopen waren, had Li opnieuw een ernstig
gesprek met Rob

"Over enkele dagen gaan we zeer belangrijke gebeurtenissen tegemoet,
Rob," sprak Li. "Het oogenblik lijkt me nu gekomen je in een
geschiedenis in te wijden, die ons allen, behalve jou, bekend is. De
geschiedenis namelijk van mij en mijn lotgenooten. Die is de volgende.

"Zooals je uit je geschiedenis zult weten, werd in 1809 door eenige
Nederlandsche uitgewekenen, die deels om politieke redenen door
Napoleon waren verbannen, deels vrijwillig zich aan de Fransche
heerschappij onttrokken, een kolonie gesticht op de Russische
grens, ten noordoosten van het Balkanschiereiland. De grond, een
uitgestrektheid ongeveer met die van Nederland overeenkomende, werd
daartoe van den Russischen Staat gekocht, die zich alleen enkele
schijnbaar onbeteekenende rechten van toezicht op de jonge Republiek
voorbehield. Tot de voornaamste kolonisten behoorde mijn grootvader,
evenals mijn vader en ik Johan Willem van Stralen geheeten. Hij,
een vurig patriot, een verwoed tegenstander van Napoleon, tegen
wien hij in Spanje, Italië en Duitschland in vreemden krijgsdienst
de wapenen had gedragen, werd tot President gekozen. Onder zijn
krachtig beheer geraakte de Republiek binnen weinige jaren tot
ongekenden bloei; zóo sterk ontwikkelde zij zich zelfs, dat Rusland,
wat trouwens te verwachten was, een begeerig oog op den nabuurstaat
begon te slaan. Mijn grootvader deed alles om de onafhankelijkheid der
Republiek te handhaven. Doch dit was verre van gemakkelijk, vooral daar
zijn onvervalscht Hollandsch bloed hem tot geen enkele concessie aan
Russische wenschen of zeden liet verleiden. Hij bleef Nederlander in
merg en been, deed alles om de Nederlandsche taal in de kolonie te doen
voortleven, en bezielde ook zijn zoon met dergelijke gevoelens. Toen
deze, na den dood van mijn grootvader, tot President werd gekozen, werd
de strijd tegen den Russischen invloed onverflauwd voortgezet. Maar
het was mijn vader niet beschoren zijn taak ten einde te brengen. Hij
stierf aan moeraskoortsen, toen ik nog te jong was om naar de hooge
betrekking te dingen die nu open kwam, en zijn dood was oorzaak van
een menigte verwikkelingen. In den loop der jaren hadden zich talrijke
vreemdelingen in de Republiek gevestigd, Turken, Oostenrijkers, maar
vooral Russen. Ondanks de uiterste pogingen om het Hollandsch karakter
van de Republiek te bewaren, wijzigde zich dit hoe langer hoe meer,
en de verkiezingen, die voor de benoeming van een nieuwen President
waren uitgeschreven, gaven aanleiding tot heftige tooneelen. De
Russische Regeering stookte in 't geheim, vermeerderde de oneenigheid,
en trachtte zoodoende een gelegenheid tot interventie in 't leven te
roepen. Toen er ten slotte een botsing tusschen de Nederlandsche en de
Russische partijen plaats had, waarbij enkele schoten werden gewisseld,
mengde Rusland zich in de kwestie. Eenige Russische regimenten bezetten
de hoofdstad; de orde werd met geweerschoten en knoetslagen hersteld,
en een keizerlijke ukaze vermeldde weldra, dat de Czaar goedgevonden
had voor de Republiek, die een gevaar voor de naburige staten begon
te worden, persoonlijk een nieuwen President aan te wijzen, van wien
verwacht kon worden dat hij de orde zou weten te handhaven.

Oogenschijnlijk leek de keuze van dien President zeer neutraal, ja
zelfs geheel in den geest van het Nederlandsche deel der bevolking. De
Czaar toch had daartoe den hoogbejaarden jeugdvriend van mijn
grootvader, den vroegeren staatssecretaris Helmont, aangewezen, die de
algemeene achting genoot, bij iedereen, ook bij de vreemdelingen, zeer
goed stond aangeschreven, doch die wegens zijn gevorderden leeftijd
en zijn zeer wankelbare gezondheid in andere opzichten juist niet de
aangewezen man voor een zoo zwaar ambt scheen te zijn. Helmont nam
de betrekking aan, deels uit plichtsgevoel, deels onder den dwang
der Russische Regeering, tegenover wier verpletterende overmacht
de kleine Republiek machteloos was. Hijzelf echter, evenzeer als de
heele bevolking, wist dat hij hoogstens voor enkele jaren tegen zijn
moeielijke taak opgewassen zou zijn.

De Russische Regeering begreep dat natuurlijk ook; in die wetenschap en
in het feit, dat zij de waardigheid van President erfelijk verklaarde
in de Republiek, lag echter haar geheele kracht. Helmont toch bezat
slechts een enkele dochter uit zijn tweede huwelijk, en toen de
oude man stierf, kwam het looden gewicht van de regeeringstaak op
de zwakke schouders van het jonge meisje. Zij bezat de energieke,
taaie natuur van het Hollandsche ras, en zij aanvaardde het bewind
met het volle besef van haar groote verantwoordelijkheid; ja, zij liet
de illusie niet los haar land eenmaal geheel van vreemden invloed te
bevrijden. Het spreekt echter vanzelf, dat de zwaarte van haar taak
haar menigmaal deed wankelen. Het duurde dan ook niet lang, of er
deden zich politieke verwikkelingen voor, die de Russische diplomatie
opnieuw aanleiding gaven zich in de aangelegenheden der Republiek te
mengen. Dat geschiedde in het jaar 1899, juist toen het Europeesch
Congres in St. Petersburg plaats had. De Russische afgevaardigden
wisten hun belangen zoo goed te bepleiten, en den politieken toestand
in de Republiek als zoo gevaarlijk voor de omringende staten voor te
stellen, dat de groote mogendheden terwille van den Europeeschen vrede
een besluit uitvaardigden, waarbij bepaald werd dat Rusland tot lid der
regeering, tevens commandant van het leger, een persoon zou aanwijzen,
die in deze functiën aan de mogendheden verantwoordelijk zou zijn voor
de rust in de Hollandsche Republiek. Hollandsche--dit woord werd wel
is waar in het besluit niet genoemd, want om te meer met elke hoop op
toekomstige zelfstandigheid te breken, werd op het Congres tevens de
naam Oranje-Republiek in Czernovië, die van de hoofdplaats, Willemstad,
in Slavowitz veranderd! En de mogendheden zagen dit schandelijk onrecht
aan zonder een hand uit te steken! Alleen het kleine Nederland zond
protest op protest, Koningin Wilhelmina deed een kostbaar gedenkteeken
plaatsen op het graf van mijn te vroeg gestorven vader, als wilde zij
in zwijgende verontwaardiging de plek aanwijzen, waar de vrijheid der
Oranje-Republiek van nu aan begraven lag... Overigens zweeg Europa;
zwijgend, wreed en koud zag het toe hoe die handvol dappere Hollanders
onderdrukt werd, evenals het toegezien had toen de Finnen, de Boeren,
de Polen, de Denen verdrukt werden.

"Het Congres-besluit was voor de Republiek het teeken van algemeenen
rouw. Toen de eerste vertegenwoordiger der mogendheden--de Russische
Hertog Alexander van Bora, achterneef van den Czaar--zijn intocht deed
in Willemstad, waren alle vensters en luiken gesloten, de gordijnen
neergelaten, de lantarens met krip omwoeld, de vlaggen halfstoks
geheschen. Het was een vreeselijke dag, en vele dappere mannen zwoeren
toen, dat ze hun leven zouden geven voor de vrijheid van Czernovië!

"Voor mij--en nu zal ik je vertellen op welke wijze mijn geschiedenis
aan 't zooeven verhaalde verbonden is--was deze ommekeer een dubbel
zware slag. Ik had het land waar ik geboren was innig lief; van mijn
grootvader en mijn vader had ik geleerd voor vrijheid en voor recht
te leven--en desnoods te sterven. De langzame maar zekere ondergang
van mijn land greep me hevig aan. Maar er was meer. Elizabeth
Helmont, die na haar vader's dood de regeering had aanvaard, was
mijn verloofde. Daar ik in dien tijd mijn studiën nog niet geheel
voltooid had, was onze verloving nog niet openlijk bekend; maar wij
hadden elkaar van kind af aan gekend, waren te samen opgegroeid, hadden
elkaar altijd liefgehad. Toen haar zoo onverwacht de eerste plaats in
's lands vergaderzaal werd aangewezen, gaf dat een vreemde wijziging in
onze verhouding, maar wij zagen geenszins in dat die toestand ooit ons
toekomstig geluk in den weg zou kunnen staan. Het Congres-besluit viel
als een donderslag. Want de bepaling, die ons beiden rechtstreeks trof,
was deze: het hoofd van den Czernovischen Staat mocht geen huwelijk
aangaan zonder toestemming van den Russischen Souverein.

"De bedoeling hiervan was duidelijk, en de Russische diplomatie liet
niet na, er nog menigmaal ondubbelzinnig den nadruk op te leggen,
dat alleen een Rus het gouvernementshuis met Elizabeth zou deelen.

"Hoe het kwam, dat ik slechts tweemaal een kort onderhoud met mijn
verloofde had over deze voor ons zoo verschrikkelijke gebeurtenissen,
zal je straks duidelijk worden. In die enkele uren echter werden we
het over twee dingen geheel eens: nooit zouden we een ander dan elkaar
toebehooren--maar niet eer, dan zoodra de belangen van het vaderland
dit toelieten. We hielden onze liefde hoog, maar ook de toekomst
van ons arme land lag ons na aan 't hart, en het op dit oogenblik
lafhartig in den steek te laten om zelfzuchtig eigen verlangens na te
streven--dat zou ons beiden tegen de borst gestuit hebben. Ik behoorde
onder de eersten die Elizabeth tot standhouden aanmoedigden, die de
begaafde, energieke vrouw, in begrippen van eer en zelfverloochening
opgevoed, steunden bij haar onvermoeid streven den Oud-Hollandschen
naam hoog te houden. Wij hadden geduld, wij konden wachten; eerst
ons land, daarna wijzelf.

"Mijn verhaal nadert nu tot de omstandigheden waaronder De Vogel
ontstond. Je moet weten, dat ik aan de universiteit te Willemstad voor
ingenieur studeerde, en wel speciaal op 't gebied van machinebouw. Als
kind was ik al 'n knutselaar geweest, en ik had altijd gedroomd 'n
groot uitvinder te zullen worden. In de electriciteit lag, meende ik,
de toekomst, en daar in de Oranje-Republiek reeds sinds jaren in alle
bedrijven de stoom was afgeschaft, voertuigen, fabrieken, kortom alle
machinale beweging, ook de verlichting, door electriciteit werden
gevoed, had die meening een redelijken grond. Het jaar, waarin het
Congres-besluit werd uitgevaardigd, voltooide ik mijn studies door
een practischen cursus in de werktuigen-fabriek en het laboratorium
van den Staats-Adviseur voor technische zaken, de geleerde professor
Lingmans, een schatrijk man, die zijn vermogen en zijn leven wijdde aan
wetenschappelijke uitvindingen ten bate van den Staat. Het eiland Riva,
aan de Zwarte-Zeekust, dat hem persoonlijk toebehoorde, was geheel
ingericht voor zijn werkzaamheden; daar woonde dagelijks een honderdtal
studeerende jongelui zijn cursussen en proefnemingen bij. Daar werkte
hij ook onvermoeid aan zijn bestuurbaar luchtschip, dat hij reeds
tot een ongekende trap van volmaking had gebracht. Gelukte het hem
zijn theorie geheel in toepassing te brengen, dan zou zijn reeds
in heel Europa gevestigde naam met onvergankelijken roem overladen
worden. Iedereen wist, dat hij onophoudelijk aan zijn groote uitvinding
werkte, maar de details ervan waren een geheim. In een zeer groote
loods, waar trouwens meer proeven genomen en uitvindingen gedaan werden
waarvan niets uitlekte, was de ballon verborgen, en daar kwamen,
behalve Lingmans, slechts enkele ingewijden: de oud-genie-officier
Melling, de directeur van de militaire luchtscheepvaart-compagnie Van
Woelderen, de gouverneur van de Zeevaartschool Halmans, de luitenant
der pantserfort-artillerie Weeningh, de doctor in de chemie Lenthoven
en de ingenieur Van Stralen. Wanneer je die namen hoort, zou je zoo
zeggen, dat 't meerendeels mannen van middelbaren leeftijd waren. Maar
dat is niet zoo. Ze wisselden af tusschen de twintig en de dertig; in
de Oranje-Republiek riep men bij voorkeur de kundigsten tot openbare
ambten, zonder in de eerste plaats naar den leeftijd te vragen;
een naar mijn inzicht zeer juist beginsel. Het kwam zoodoende wel
voor, dat een kapitein van dertig, twee-en-dertig jaar tot militair
adviseur van den Staat werd benoemd, en zoo lang het Hollandsche
element onvervalscht was, en de jeugd in de beginselen van mijn
grootvader werd opgevoed, kwam zooiets iedereen natuurlijk voor en
gaf het nooit aanleiding tot afgunst.

"Om je nu maar dadelijk uit den droom te helpen, wil ik je vertellen,
dat de personen die ik je zooeven opnoemde, in dezelfde volgorde
genomen, met Lingmans te beginnen, tegenwoordig heeten: La, Mu,
Naf, Nef, Nof, Lo--en Li! Ik wil mezelf niet roemen, maar uit de
omstandigheid, dat professor Lingmans onder zijn vele leerlingen
mij het eerst tot ingewijde in zijn uitvinding had gekozen, kun je
opmaken dat ik zijn lessen niet zonder vrucht had gevolgd.

"En nu komt het groote feit, dat de directe aanleiding werd tot onze
tegenwoordige onderneming.

"Eén dag vóor Hertog Alexander zijn intocht deed binnen Slavowitz,
hadden Lingmans en wij de laatste hand gelegd aan De Vogel. De
grendels van het openslaande dak der loods waren losgemaakt; het
luchtschip was geheel gereed om op een wenk van den maker, door het
stuksnijden van een enkel touw, omhoog te stijgen, de vrije lucht
in. Drie dagen later stonden we met ons zevenen op het bovendek van
De Vogel. Niemand wist, hoever het met 't werk stond; het liep tegen
den avond, alle werklieden en studenten hadden het eiland verlaten;
de zon was reeds ondergaan. Het plan van Lingmans was, dien avond op
te stijgen, De Vogel boven de stad te doen stilhouden, en dan opeens
al de electrische lichten aan boord te ontsteken, zoodat de bevolking
verbaasd omhoog zou zien, en weten dat de luchtscheepvaart een nieuw
stadium was ingetreden.

"Alles was gereed; op een wenk van La sneed ik het touw door.... De
Vogel zette zich langzaam en statig in beweging.... reeds waren
we ongeveer vijf-en-twintig meter gestegen.... daar weerklonk een
donderend geraas, alsof orkanen en onweders uit alle hoeken van
het heelal gelijktijdig losbraken! De hemel was rood en zwavelgeel
gekleurd, bliksemflitsen doorsneden het luchtruim, onder ons spatte
en schuimde de zee huizenhoog op, een dichte grijze nevel onttrok de
aarde aan ons gezicht, een hoos van zand en steenen wervelde omhoog
en deed De Vogel hulpeloos ronddraaien....

"Het was een ontzettend geweld. Hooren en zien verging ons, en
gedurende enkele minuten waren we allen onze bezinning kwijt. Mu was
de eerste die zijn tegenwoordigheid van geest herkreeg; hij draaide
den stuurkruk snel en krachtig eenige malen om--als een pijl schoot De
Vogel eenige honderden meters omhoog, buiten het bereik der woedende
elementen.

"Langzamerhand begonnen we den omvang van het gebeurde te overzien. Het
bleek dat een geweldige zeebeving het gansche eiland met al wat er op
was had verwoest, voor honderdduizenden aan waarde, al La's kostbare
bezittingen, vernietigend!

"De kalmte van La was bewonderenswaardig. "Mijn doel is immers
bereikt," zei hij rustig. "De Vogel vliegt--en hoe!" En toen voegde
de even geleerde als edele man er aan toe: "Hoe gelukkig, dat er geen
menschen op het eiland waren! Daarvoor moeten wij in de eerste plaats
dankbaar zijn."

"Daar zweefden wij nu honderden meters boven de aarde. Het was
inmiddels geheel donker geworden, onze lichten, toen nog niet zoo
volmaakt als nu, doorboorden slechts moeielijk den zwaren nevel. We
bezaten ook nog niet die uitstekende middelen om ons te oriënteeren,
en Mu kon in 't minst niet vaststellen waarheen hij ons bracht. Toen
gelastte La, den ballon zwevende te houden, en we kwamen in de
commandantskamer bijeen om te beraadslagen over hetgeen ons te
doen stond.

"Mij, als jongste, werd het eerst mijn meening gevraagd. Ik had die
al gereed. In de beide dagen na den intocht van Hertog Alexander
had ik, in wanhopige gesprekken met Elizabeth, op de onzinnigste
middelen gepeinsd om een uitweg te vinden. Als gevolg daarvan
was een plan in me gerijpt, dat ik niemand, ook Elizabeth niet,
had meegedeeld. Alleen had ik me voorgenomen, het La in vertrouwen
ter beoordeeling voor te leggen. Ik wilde hem, niet minder vurig
patriot dan ikzelf, voorstellen, zijn uitvinding in dienst te brengen
van het vaderland. Wetend, over welke verschrikkelijke wapenen La
beschikken kon, hoe onuitputtelijk zijn geniale hersens waren in
het uitvinden van middelen om de natuurkrachten aan zijn wil te
onderwerpen, had ik ingezien dat niets ter wereld in staat zou zijn
met vrucht een strijd te beginnen tegen den onoverwinnelijken Vogel,
voorzien als deze was van alle denkbare hulpmiddelen om den wil van
een handvol vastberaden mannen tot zelfs den machtigsten potentaten
der aarde op te dringen. Kort en goed: ik stelde de vergadering voor,
reeds nu, op dit oogenblik, La's beginsel in toepassing te brengen:
alles voor het vaderland! Jong en geestdriftig als ik was, hield ik
een gloeiende rede, wees nogmaals op het schandelijk onrecht dat ons
land werd aangedaan en eindigde met te zeggen, dat wij, door ons van
den persoon van Hertog Alexander, ja desnoods van den Czaar zelf,
meester te maken, de toekomst van de Oranje-Republiek in handen
hadden! En wat beteekende het voor ons, zulk een slag te slaan? De
groote snelheid, die De Vogel ontwikkelen kon, stelde ons immers in
staat, plotseling van uit groote hoogte neer te schieten, den Prins
of den Czaar op een wandeling of een rijtoer te verrassen, en ons
dan met onzen kostbaren buit uit de voeten te maken. Als voorwaarde,
waarop we onzen gevangene zouden uitleveren, konden we dan de meest
volkomen waarborgen vragen voor de onafhankelijkheid van ons land!

"Toen ik uitgesproken had, heerschte er eenige seconden diepe
stilte. Mannen als de daar vergaderden waren niet gewend overijlde
besluiten te nemen of in de vervoering van het oogenblik een voorstel
toe te juichen, waarvan zij de degelijkheid nog niet grondig hadden
onderzocht.

"La was de eerste die sprak.

"Het voorstel van Van Stralen hangt nog in de lucht," zei hij. "Maar
het komt me voor, dat het zeer goed tot een levensvatbaar plan is
uit te werken. Ja, ik ben daarvan zoo overtuigd, dat ik nu reeds wijs
op de groote voordeelen, welke het zooeven gebeurde ongeluk voor ons
heeft. Riva is verwoest, met al wat er op was. Van het feit, dat wij
ontkomen zijn, is niemand bewust; evenmin zijn er sporen te vinden
die dit feit zouden kunnen uitwijzen. Ieder is ervan overtuigd,
dat wij zijn omgekomen; over acht dagen zijn de opvolgers voor
onze betrekkingen aangewezen. Meer wil ik voorloopig hierover niet
zeggen. Overhaasting is schadelijk. Voor heden breng ik daarom alleen
in rondvraag, of iemand er iets tegen heeft, tot morgenochtend met
De Vogel verborgen te blijven, om daarna tot nadere beraadslagingen
over te gaan. We hebben dan allen tijd tot nadenken gehad." Niemand
had hiertegen bezwaar, en zoo hield Mu dien nacht De Vogel achter
een dikke wolkenlaag drijvende.

"Den volgenden morgen riep La ons opnieuw bijeen en sprak:

"Wat mij betreft, ik ben besloten, evenals Van Stralen, op De Vogel
te blijven en onze aanwezigheid voor ieder verborgen te houden, totdat
we op goede grondslagen een operatieplan hebben gebouwd, in elk geval
niet weer naar de aarde terug te keeren eer we de volkomen zekerheid
hebben dat een onderneming, als door Van Stralen voorgesteld, totaal
onuitvoerbaar is. We zijn allen ongetrouwd; ik geloof niet, dat er
bezwaar is, gezamenlijk die onderneming door te zetten. Natuurlijk
is ieder echter vrij, te doen wat hij wil. Morgenochtend komen we
opnieuw bij elkaar. Wie dan besloten heeft heen te gaan, zal ik op
de aarde terugbrengen; het spreekt vanzelf dat ik van hem volkomen
geheimhouding verwacht."

"Den volgenden morgen vergaderden we wederom, en zooals te verwachten
viel, wenschte niemand zijn vrijheid terug.

"Toen stelden we een uitgebreid programma op, waarvan de hoofdinhoud
hierop neerkwam, dat we Hertog Alexander, een bekend jager, op een
zijner jachtpartijen in de boschrijke streken rond Willemstad zouden
trachten op te lichten. Er werd echter tevens besloten, dat we daartoe
niet zouden overgaan, eer De Vogel, die ondanks zijn hooge mate van
volmaaktheid, nog in zijn kindsheid verkeerde, volkomen voor zijn
taak berekend zou zijn. Daarom zwierven we nog vele maanden rond,
dien tijd gebruikend om de talrijke verbeteringen aan te brengen,
die ons luchtschip tot zijn tegenwoordige ontwikkeling brachten. In
dien tijd stichtten we ook onze nederzetting op Green-Island,
benevens een verborgen schuilplaats in de hoogste toppen van het
Himalaya-gebergte, waar we nu en dan neerdaalden als we--wat in
't begin dikwijls gebeurde--er naar verlangden weer eens vasten
grond onder de voeten te hebben. In die periode verdeelden we ook
onze werkzaamheden zooals die op 't oogenblik verdeeld zijn, en werd
ik op uitdrukkelijk verzoek van La, die zijn tijd geheel aan nieuwe
uitvindingen en verbeteringen wilde blijven wijden, tot commandant
benoemd. We kregen toen ook onze tegenwoordige onpersoonlijke namen,
en kwamen langzamerhand tot de gewoonten en gebruiken, die jij nu
ook hebt leeren aannemen, en die niet anders zijn dan de vervolmaking
van de reeds jaren in de Oranje-Republiek heerschende beginselen.

"In al dien tijd heb ik Elizabeth niet gezien; dat zij echter getrouw
is gebleven aan haar overtuigingen, daarvan ben ik zeker. Door
courantenberichten en geregelden spionnendienst zijn we steeds
op de hoogte gebleven van de politieke gebeurtenissen in Europa,
speciaal in Czernovië, en we weten ook dat binnen enkele weken het
juiste oogenblik gekomen is om onzen slag te slaan. Hertog Alexander
wordt algemeen genoemd als de aanstaande gemaal van Elizabeth, en
zijn nakomelingen zullen de koningskroon ontvangen, om Czernovië als
Russischen vazalstaat te regeeren.

"Onze tocht naar Engeland is slechts een uitstapje geweest, een
afwijking van het programma, die ik mij meende te mogen veroorloven. Nu
gaat het recht op Slavowitz aan, en je begrijpt hoe ik er naar verlang
mijn vaderland terug te zien, het te bevrijden, en"--besloot Li
zijn lang verhaal met een diepen zucht--"Elizabeth wederom de mijne
te noemen!"

Rob had gespannen geluisterd; toen Li geëindigd had, zwegen beiden
geruimen tijd.

Rob's bewondering voor deze dappere mannen, die al hun moed en hun
kennis in dienst stelden van hun ideaal, groeide met het oogenblik,
en vooral voelde hij eerbied voor de zelfverloochening, waarmee Li
zijn toch zoo zwaar wegende persoonlijke belangen aan de goede zaak
ten offer bracht. Hij drukte Li krachtig de hand, en beloofde alles
in het werk te stellen om naar vermogen van krachten tot de bereiking
van het grootsche doel mede te werken.

Toen zij weer naar hun bezigheden terugkeerden, was elk hunner
overtuigd in den ander een waar en trouw vriend gevonden te hebben.





NEGENDE HOOFDSTUK.

EEN ONVERWACHT AVONTUUR.

	De kust van Tripolis.--De leeuwenjacht.--De onderaardsche
	gewelven.--In handen van menscheneters!--De ontdekkingsreiziger
	Korling als goochelaar.--De vlucht.--Weer op De Vogel!


Het was 4 December 1901 geworden, en De Vogel daalde neer op de kust
van Tripolis, eenige mijlen ten oosten van Bengasi, waar niet veel kans
bestaat opgemerkt te worden. De streek is daar eenzaam en onbewoond.

Hier was het punt waar Nof zich met den vliegtoestel weer bij zijn
reisgenooten zou voegen.

Toen De Vogel neerdaalde, was het tien uur in den morgen; men wist dat
Nof tegen den middag kon aankomen, en er werd daarom besloten De Vogel
onder toezicht van Mu, en onder een groep palmboomen verborgen, achter
te laten. De anderen wilden dan een tochtje maken door 't kustgebergte,
wat volgens de Vogelbewoners veilig kon geschieden, daar deze streek
tot eenige mijlen landwaarts in geheel onbewoond was. De plantengroei,
de mooie vergezichten, die men hier en daar over de Middellandsche
Zee had, dit was aanleiding genoeg om het uitstapje te wagen.

Van eenig voedsel voorzien, en als altijd met de gaspistolen en de
voorraadtasch bij hen, gingen de zes mannen aan land, Mu de boodschap
achterlatend, dat ze niet vóor den avond zouden terugkomen.

Hoewel de zon fel scheen, het zand en de rotsen den gloed weerkaatsten,
vergat men dat gaarne voor het prachtige landschap, dat bij elken pas
de bewondering opwekte. Nu en dan beklom men een kleinen heuvel, en
vandaar had men een prachtig uitzicht op den Middellandschen Oceaan,
die met recht zijn bijnaam "de Blauwe Oceaan" mocht dragen, want de
golven zagen er uit als vloeibare blauwe edelgesteenten, die in de
zonnestralen gloeiden en flonkerden.

Op eens bleef Rob staan, greep Li bij den arm en wees op een hoog
rotsblok, dat eenige honderden meters meer zuidwaarts lag.

"Een leeuw!" zei Li, zoo kalm alsof hij een onschuldig huisdiertje
gezien had in plaats van dezen woestijnkoning.

"Een leeuw!" herhaalden de anderen.

Hoewel vertrouwend op hun wapens, bleven toch allen onbewegelijk staan,
onwillekeurig onder den indruk bij het zien van dit majestueuse dier,
dat, de naderenden bemerkend, opgestaan was uit zijn lui-liggende
houding, en den staart langzaam heen en weer bewoog.

De leeuw deed een dreigend gebrul hooren, dat door de rotsen
honderdvoudig werd weerkaatst, en nu vertoonde zich naast hem een
minder groot, niet zoo majestueus dier, dat een leeuwin bleek te
zijn. Beiden bleven op de plaats waar ze waren, nu en dan een dof
gebrul uitstootend, en zonder de reizigers uit het oog te verliezen.

"Het is het beste, dat we er recht op af gaan," zei Li. "Omkeeren
en vluchten zou dwaasheid zijn, dan hebben ze ons weldra met enkele
sprongen ingehaald."

Rob voelde het hart in de keel kloppen.

Hij was niet bang van aard, maar den leeuw kende hij tot nog toe alleen
uit Artis, waar de tralies hem veilig van den toeschouwer scheiden. Het
was wel een schouwspel om ook den moedigste angst aan te jagen, daar
zoo van aangezicht tot aangezicht tegenover dit machtige dier te staan.

Maar de overigen waren op hun reizen aan zulke ontmoetingen gewoon
geraakt, en zonder een oogenblik te aarzelen, gingen ze recht op het
leeuwenpaar af, de pistolen gereed houdend.

Als verbaasd over zooveel stoutmoedigheid, bleven de beide dieren
staan, totdat de mannen op ongeveer twintig meter waren genaderd.

Toen deed de leeuw een geweldigen sprong naar beneden, en kwam brullend
op Li af, die rustig staan bleef.

Het dier was hem tot op vijf passen genaderd, het hief den
verschrikkelijken klauw op, en Rob verwachtte elk oogenblik zijn
onverschrokken vriend ter aarde te zien storten.

Maar Li richtte bedaard, trok af, en, door het uitstroomende gas
bedwelmd, bleef de leeuw zonder zich te verroeren bewusteloos aan
Li's voeten liggen.

Een tweede schot, en de inmiddels toegesprongen leeuwin had hetzelfde
lot ondergaan.

"Een prachtig dier," zei Li. "Ik houd er niet van een weerloos
dier te dooden, vooral niet een, dat ons volstrekt geen kwaad heeft
gedaan. Maar anders zou zijn huid een fraai figuur maken als haardkleed
in onze eetzaal."

"Laten we verder gaan," zei La. "Deze dieren zijn voor vierentwintig
uur buiten gevecht gesteld; tegen dat zij bijkomen, hebben wij Afrika
al verlaten."

Men beklom nu de rots, om te zien of zich daarboven het hol van de
leeuwenfamilie zou bevinden. Men vond er echter tot zijn verrassing
slechts een soort leger van gedroogde planten, waar de dieren hun
middagslaapje hadden willen doen, en, om zich heen ziende, bemerkte
Rob op eens twee jonge leeuwtjes, niet grooter dan een flinke kat,
die angstig zaten te kijken waar hun ouders bleven, en nu en dan een
gehuil deden hooren als van een bevreesd, verdwaald kind.

"Daar moesten we er een van vangen en tam maken," zei La, "we zouden
dan op De Vogel ook een huisdier hebben."

"Misschien kan 't wel als waakhond dienen," zei Rob.

Men ging nu op de beide dieren toe, die echter verschrikt op de
vlucht sloegen.

Gedurende eenige minuten liepen de mannen ze na, de dieren niet uit
het oog verliezend.

Op eens waren ze beiden als in een rotswand verdwenen. Slechts een
opening van ongeveer een halven meter doorsnede toonde aan waar ze
verdwenen waren.

"Ha!" zei Li, "daar hebben we het leeuwenhol! Daar moeten we in."

Hij ging op den buik liggen, en trachtte naar binnen te zien. Het
was daar echter geheel donker. Het hoofd en de schouders naar binnen
werkend, ontstak hij zijn electrische lamp en verlichtte daarmee
het hol.

"Het hol wordt van binnen wat wijder," zei Li, "we zouden er wel in
kunnen kruipen."

"Maar als er nu eens nog meer leeuwen in waren?" onderstelde Rob,
'n beetje beangst.

"Dat zal niet," zei Li, "er woont nooit meer dan éen leeuwenfamilie
tegelijk in een hol."

"Maar," riep op eens La, "het kan immers onmogelijk een leeuwenhol
zijn! Door die kleine opening kunnen die groote dieren toch niet
naar binnen!"

Men zag de juistheid van die opmerking in, doch nu was men slechts
te nieuwsgieriger om te weten te komen wat dit voor een onderaardsche
gang was.

"Laten we er in gaan," zei Li, als altijd door het avontuurlijke
aangetrokken.

Niemand had daar iets tegen, en nu ging men een voor een, Li vooruit,
naar binnen, allen met de electrische lantaarn in de hand.

Gedurende eenige meters moest men op den buik voortkruipen; toen
werd de gang hooger en breeder, en kon men gaan staan. Voor zich
uit ziende, bemerkte men zich in een soort onderaardsche straat te
bevinden, die over een onafzienbaren afstand in rechte lijn doorliep.

La bukte zich, en onderzocht den bodem.

"Dit is waarschijnlijk een oude stroombedding," zei hij, "de aard
van den bodem wijst er op. Vermoedelijk heeft vroeger een rivier hier
voor een deel van zijn loop onder de aardoppervlakte doorgestroomd."

"Dan zou 't wel aardig zijn eens te onderzoeken waar deze gang aan
de andere zijde uitkomt," zei Li.

Zijn voorstel vond bijval en nu begon men in zuidelijke richting
door te loopen, hier en daar losse steenen tot hoopjes opstapelend,
om op die manier bij het teruggaan een herkenningsteeken te hebben.

Na ongeveer tien minuten in rechte lijn te hebben doorgeloopen, kwam
men op een soort pleintje, waarop, behalve de weg dien men gevolgd was,
verscheidene andere gangen uitmondden. Enkele daarvan liep men in,
doch deze bleken slechts weinige meters diep te zijn; daar niemand
voorkeur had voor een bepaalde richting, en dat ook moeielijk hebben
kon, besloot men den weg te volgen die ongeveer in het verlengde van
den oorspronkelijken lag.

Na een kwartier te zijn voortgegaan, besloot men halt te houden,
en eenig voedsel te gebruiken.

Dit middagmaal onder de oppervlakte van den beganen grond had voorzeker
iets eigenaardigs, en deed den lust tot avonturen nog toenemen.

Toen men weer reisvaardig was, had alleen La eenig bezwaar tegen den
verderen tocht.

"Is het eigenlijk geen dwaasheid," zei hij, "een onbekenden weg naar
een onbekend doel te blijven volgen, zonder dat ons dat, naar alle
waarschijnlijkheid ten minste, eenig nut kan opleveren?"

In die uitspraak lag ongetwijfeld veel waars, maar de meeste stemmen
verklaarden zich toch voor het doorzetten van den tocht, ten eerste
omdat men wou volvoeren wat men eenmaal begonnen was, en ten tweede
omdat men immers elk oogenblik kon terugkeeren wanneer de onderneming
gevaarlijk of te langdurig zou blijken te zijn.

Men ging dus verder.

Rob bleef echter staan en vroeg:

"Wie heeft dit doosje lucifers laten liggen?"

"Lucifers?" vroeg La verwonderd, "dat kan jijzelf alleen gedaan
hebben. Zulke dingen van barbaarschen oorsprong worden aan boord van
De Vogel niet gebruikt. Daar heerscht de electriciteit oppermachtig."

"Maar ik had heelemaal geen lucifers bij me toen ik aan boord kwam,"
zei Rob, het doosje bekijkend. "Het moet van een van jullie zijn."

Ook de anderen bekeken het doosje, maar het bleek geen van allen toe
te behooren. Het droeg een Hollandsch etiket en was blijkbaar ook in
Holland gemaakt.

"Dat is vreemd," zei La. "Steek het bij je, Rob. Na dezen vondst zou
ik er voor zijn den tocht voort te zetten."

Nog gedurende een half uur ging men verder.

Nu eens moest men op den buik kruipend voortgaan, daar de zoldering
zich verlaagde, dan weer waadde men tot over de enkels door het water,
waarmee enkele gangen waren volgeloopen. Het aangenaamste van dit
verblijf onder den grond was de heerlijke koele temperatuur die er
heerschte, in tegenstelling met de brandende warmte daarboven.

De vondst van het doosje lucifers, waaraan La zeer veel waarde scheen
te hechten, was aanleiding dat men telkens naar den grond zag,
hopende nog iets dergelijks te vinden. En inderdaad raapte Nef na
eenigen tijd een knoop op.

Tot aller verbazing droeg deze--zooals trouwens meer op knoopen
voorkomt--een randschrift. Niet over dit feit op zichzelf was
men verbaasd, maar over de woorden die er stonden: F. Sinemus,
Leidschestraat, Amsterdam.

Wel, dit was de naam van een bekend Amsterdamsch magazijn, zooals
Rob meedeelde. Hoe kwam die Hollandsche knoop hier verzeild?

La scheen iets te vermoeden, maar zei niets.

De tocht werd voortgezet.

Een paar maal bleek men zich, door 't voortdurend kronkelen en wenden
dat de gangen sedert eenige minuten deden, in de richting te hebben
vergist, en kwam men langs een omweg weer op een punt terug dat men
eenigen tijd te voren verlaten had. Dat maakte de reis lastig en
tijdroovend, maar nu men eenmaal zooveel moeite gedaan had, was men
het er over eens, dat men tot het einde zou doorgaan.

Met nieuwen moed legde men opnieuw een weg van ongeveer vijftien
minuten af.

Toen bukte La zich en raapte een stukje papier op, dat de aandacht der
anderen ontsnapt was. Het was blijkbaar een snipper van een grooter
stuk, en bevatte niets dan enkele onleesbare, afgebroken woorden,
en onderaan in een hoek de letters W.K.

"W.K! Zou het mogelijk zijn!" mompelde La onder het verder gaan,
zonder dat zijn verbaasde reisgenooten hem tot een nadere verklaring
konden brengen.

Weer vorderde men tien minuten, toen Li, die vooraan liep, de anderen
opeens tot stilstaan dwong en den vinger op de lippen legde, ten
teeken dat ze zouden zwijgen.

Allen luisterden nu in gespannen aandacht, en daar hoorde men op
eenigen afstand een verward geluid van stemmen, dat nu en dan door
gejuich scheen te worden onderbroken.

"Deze gewelven zijn bewoond!" fluisterde Li.

"Zouden we verder durven gaan?" vroeg een van de anderen.

"Mits met voorzichtigheid, _moeten_ we verder gaan," zei La nu. "Ik
geloof dat onze tocht nu _een doel_ begint te krijgen."

Voet voor voet ging men nu voorwaarts.

Bij het omslaan van een hoek sprong Li opeens terug, en dwong de
anderen zich tegen den wand gedrukt op te stellen.

Voorzichtig keek Li om den hoek, en wenkte toen de anderen, dat ze
nader konden komen. Nog enkele passen slopen ze vooruit, en toen trok
een zeer merkwaardig schouwspel, dat ze door een smallen spleet in
de rotsen konden bijwonen, hun aandacht.

In een met flambouwen verlichte groote ruimte, die waarschijnlijk wel
met deze gangen in verband zou staan, bevonden zich een groot aantal
negers, die allen slechts spaarzaam gekleed waren, en waarvan de
meesten om polsen en enkels ringen van doodsbeentjes, vruchtenpitten
en dierentanden droegen. Ze zaten meerendeels op den grond gehurkt,
slechts enkelen stonden, en allen waren gewapend met een schild en
een speer.

De heele vergadering had den rug naar de verborgen toeschouwers
gekeerd, en zag met groote aandacht naar den tegenoverliggenden wand
der "zaal," waar klaarblijkelijk het een of ander gebeurd was dat zij
zeer merkwaardig vonden, doch waar op het oogenblik niets bizonders
te zien was.

Hoe vreemd het moge klinken, het geheel maakte den indruk van een
schouwburg, waarin de negers de toeschouwers vormden.

En weldra zagen Li en zijn vrienden tot hun groote verbazing, dat
hier inderdaad een soort van voorstelling plaats had, die men eer in
een West-Europeesch land dan in deze Afrikaansche wildernissen zou
gezocht hebben.

Een rechthoekig gedeelte van den donkeren wand, dat het tooneel scheen
te vormen, werd plotseling hel verlicht.

Men zag nu een houten vierkant tentje van ongeveer 2 M. hoog, 1.5
M. diep en 1.5 M. breed, waarvoor naar beide zijden opengeslagen
gordijn hingen. Het houten huisje was geheel ledig.

Onder een oorverdoovende muziek, die de negers op steenen, met huiden
overspannen potten en op lange rieten fluiten te weeg brachten, kwam
nu een man naar voren, die geheel het voorkomen had van een neger, ook
zwart van gelaatskleur was, doch wiens bewegingen schenen aan te duiden
dat hij van een ander ras was. Hij stak de hand op en gebood stilte.

Nu begaf hij zich in het huisje, en werd door een helper aan den
achterwand vastgemaakt. Dit geschiedde door zijn nek, zijn enkels
en zijn polsen te omsluiten met halfcirkelvormige banden, die aan
den achterwand waren vastgemaakt, en om een hunner uiteinden konden
draaien. Het andere uiteinde werd daarna door negers uit het publiek,
die zich daartoe kinderlijk opdringend aanboden, met hangsloten aan
een eveneens in den wand gestoken oog bevestigd. De sloten werden
omgedraaid en daarna gingen de gelukkige eigenaars der sleutels weer
naar hun plaatsen terug, overtuigd dat een hangslot als 't hunne,
waarover ze een week lang met hun gebrekkige hulpmiddelen hadden
gesmeed, nooit te openen zou zijn.

De helper schoof nu het gordijn dicht. Enkele seconden daarna, terwijl
dezelfde helsche muziek de pauze had aangevuld, opende de helper het
gordijn--en de gevangene was gevlogen!

De negers waren stom van verbazing. Ze liepen op het huisje toe,
rukten aan hun hangsloten, maar begrepen niet hoe men deze, trouwens
nu weer gesloten, voorwerpen had kunnen openen.

Een stormachtig gejuich ging op, en de vertooner van het kunststuk
moest allerlei huldebetuigingen in ontvangst nemen.

De achter de rots verborgen toeschouwers keken elkaar met een glimlach
aan. Wat beteekende deze kermisvertooning hier in de wildernis,
bijgewoond door een natuurvolk, dat van zulke uitvindingen der
beschaving nooit gedroomd had?

Zij hadden echter niet veel tijd tot nadenken, want de voorstelling
scheen hiermee geëindigd, en het gezelschap maakte aanstalten tot
heengaan.

Om zich niet te verraden, bleven de zes mannen onbewegelijk in hun
hoekje zitten, hopend onbemerkt te ontsnappen zoodra de zaal leeg was.

Zij hadden echter niet er op gerekend, dat de "schouwburg" zijn
voornaamsten uitgang had naar de gewelven waar zij zelf zich op het
oogenblik bevonden, en voor zij er op bedacht waren, stond een tiental
negers verbaasd naar hen te kijken.

Tegenwoordigheid van geest was het eenige wat onze vrienden redden
kon. In de handen te vallen van dezen negerstam had niet de minste
bekoring voor hen, en het was dus zaak door een vastberaden optreden
te doen zien dat ze niet van plan waren zich gevangen te geven.

Zes gaspistolen gingen af, en de voorste rijen der negers vielen
bewusteloos neer. Snel hun neusknijpers opzettend brandde de kleine
troep dapperen nogmaals los, en ook een rij van de nu opdringende
negers viel neer. Maar het aantal was te groot, en een in het nu
geopende gewelf binnendringende luchtstroom joeg het bedwelmende
gas weg. Ook van uit andere gangen kwamen negers aansnellen, en de
overmacht was zoo groot, dat het onverschrokken zestal weldra overmand
en gebonden werd weggevoerd.

Dat was een verschrikkelijke gebeurtenis.

In het begin had men een flauwe hoop, dat er met zulke moderne
negers, die vertooningen hielden, waarmee men in het Amsterdamsche
Rembrandt-Theater een goed figuur zou maken, wel te redeneeren zou
zijn. Maar weldra bleek niet alleen, dat men zich op geen enkele
manier verstaanbaar kon maken, doch ook dat men blijkbaar met een
bloeddorstigen stam te doen had, getuige de talrijke trofeeën van
schedels en doodsbeenderen, die men opgesteld zag in een ander,
eveneens met flambouwen verlicht gedeelte van de gewelven, waar de
zes vrienden nu heengebracht werden.

Eenige zeer rijk versierde negers, die blijkbaar tot de
regeeringspartij van den stam behoorden, namen nu op een
uit rotsblokken gevormde verhevenheid plaats, en schenen
raad te houden. Zij gaven een teeken, en de gevangenen werden
voorgebracht. Eerst beproefde men elkaar door gebaren te begrijpen,
maar toen dit geheel mislukte, scheen een der hooge heeren op een
beter denkbeeld te komen. Hij zond een boodschapper af, en deze kwam
terug met den helper, die zooeven bij de comedievoorstelling had
geassisteerd. Men wilde hem blijkbaar als tolk doen dienen.

Benieuwd wat deze neger van zijn betrekking terecht zou brengen, keken
de gevangenen toe. Het opperhoofd gaf den tolk eenige instructies,
en tot groote verbazing der zes mannen, vroeg de neger hun in zuiver
Hollandsch:

"Wie van u is de verantwoordelijke persoon van uw expeditie?"

"Ik," antwoordde Li.

"Het opperhoofd van den stam der Ligo-Ambura [1] vraagt of zij u
zonder gevaar uw wapens kunnen afnemen."

"Dat kan," zei Li, "maar wij zullen ze zelf wegleggen, want wanneer een
oningewijde ze aanraakt, zal hij groote rampen over den stam brengen."

De tolk bracht dit antwoord over, en het opperhoofd gelastte nu,
dat Li hem de pistolen zou brengen.

Het opperhoofd keek er eenigszins angstig naar, en liet toen door
den tolk weten, dat hij verlangde er mee te zien schieten. Tevens
gaf hij bevel een der andere negers als doel te gebruiken.

Li deed hem opmerkzaam maken, dat dit niet ging, want dat de neger
dan bewusteloos zou neervallen.

Maar dat scheen het opperhoofd een zaak van ondergeschikt belang,
en hij herhaalde zijn bevel zoo dreigend, dat Li wel moest gehoorzamen.

Er werd nu een slaaf voorgebracht, en Li schoot een gaspatroon op hem
af, met het gevolg, dat de man bewusteloos neer viel, veroordeeld om
daar vier-en-twintig uur te blijven liggen.

Deze uitwerking bracht er eenigszins den schrik in, vooral toen de
gassen bovendien nog vier andere negers, die in de nabijheid stonden,
eveneens bewusteloos deden worden. Het opperhoofd kreeg nu zooveel
ontzag voor de wapens, dat hij Li deed gelasten ze bij elkaar op
een daarvoor aangewezen rotsblok aan het verste gedeelte der zaal
neer te leggen. Verscheiden negers bleven er angstig om heen dwalen,
nieuwsgierige blikken naar die wonderdingen werpend, maar niemand
durfde zich in de nabijheid wagen.

Toen volgde de vraag, of de gevangenen bovennatuurlijke wezens waren.

Li liet hierop antwoorden, dat ze reizigers waren die leeuwen kwamen
schieten en overigens slechts vredelievende bedoelingen hadden.

Het opperhoofd deed nu nog verscheidene vragen stellen, die de tolk
naar zijn eigen inzicht beantwoordde. In de plaats daarvan, doende
of hij de vragen vertaalde, hield hij het volgend gesprek met Li.

De tolk: "Weet u wel waar u hier bent?"

Li: "Neen."

De tolk: "In handen van menscheneters."

Li: "Maar wat doet u dan hier?"

De tolk: "Ik ben een Hollander, de bediende van een
ontdekkingsreiziger. We zijn al een jaar hier gevangen."

Li: "Maar waarom sparen ze u het leven?"

De tolk: "Professor Korling geeft allerlei
goochelvoorstellingen. Daarmee heeft hij zichzelf en mij het leven
gered, en op die manier hebben we dat leven al een jaar lang gerekt."

Li: "Dat is verschrikkelijk. En wat denkt u dat ze met ons zullen
doen?"

De tolk: "Opeten, zonder twijfel. Elke blanke die in hun handen valt,
wordt levend geroosterd en daarna opgegeten."

Li: "Een prettig vooruitzicht. Komen er hier veel blanken?"

De tolk: "Tamelijk veel. Ze gaan hier dikwijls op de leeuwenjacht,
en vermoeden dan niet dat zich in deze eertijds onbewoonde streken
kannibalen ophouden. De Ligo-Ambura zijn een stam, die zich van de
hunnen hebben afgescheiden. Uit Midden-Afrika gekomen, hebben ze ze
zich hier in die holen, een oude stroombedding, gevestigd."

Li: "Denkt ge, dat er kans is te ontsnappen?"

De tolk: "Zeer weinig, anders hadden wij het al gedaan."

Hiermee eindigde het gesprek, want het opperhoofd gaf het bevel de
gevangenen weg te brengen.

Zij werden nu in een andere "zaal" gebracht, grenzende aan deze,
en werden daar den geheelen dag gelaten.

Tegen den avond bracht men hun eenig voedsel, hoofdzakelijk bestaand
uit wat taai, oneetbaar leeuwenvleesch, en daarna liet men hen weer
aan hun lot over.

Toen ze alleen waren werd er raad gehouden. Li stelde voor zich
van de pistolen meester te maken, maar de omstandigheid dat de stam
verscheidene honderden leden telde, deed hen van een algemeenen aanval,
waarbij zij toch wel het onderspit zouden delven, afzien.

Het was een wanhopige toestand.

De groote kans, dat zij morgen levend gebraden en opgegeten, zouden
worden, stemde hen geen van allen vroolijk, maar ze bleven toch nog
geruimen tijd over middelen ter ontsnapping nadenken, nu evenals
altijd den moed niet verliezend.

Tegen tien uur 's avonds werd een zwaar rotsblok, dat den ingang
afsloot, opzij geschoven; twee negers kwamen binnen, en de deur,
of liever gezegd het rotsblok, ging weer dicht. Zoodra de opening
gesloten was, kwam een der negers, dien men herkende als hem, die
dien middag de voorstelling had gegeven, met uitgestrekte handen op
hen toe, en zei in het Hollandsch:

"Hoe heerlijk, dat ik landgenooten tref! Maar hoe treurig, dat u
lotgenooten moet zijn!"

Hij stelde zich nu voor als de bekende ontdekkingsreiziger Willem
Korling, en vertelde dat hij, evenals zijn knecht, gedwongen was
geworden een negercostuum aan te trekken en zich zwart te verven,
opdat zij de negers door hun Europeesche kleeding en hun blanke kleur
niet voortdurend zouden ergeren.

"Korling!" zei La, "dus ik heb goed geraden!"

"Wist u dan, dat ik hier was?"

"Neen. Maar ik vond op weg hierheen dit doosje lucifers, dezen knoop,
en dit papiertje met uw voorletters"--de professor herkende die
inderdaad als van hem afkomstig--"en daar ik wist dat u in Nederland
al sedert een jaar als gestorven betreurd wordt, omgekomen op de
kust van Tripolis, vermoedde ik dadelijk dat ik uw spoor gevonden
had. Het is mij een groote vreugde dat u nog leeft, maar ik vind het
verschrikkelijk u onder deze omstandigheden te moeten aantreffen."

La had de avonturen van den ontdekkingsreiziger--den Hollandschen
natuurkundige en Afrika-kenner Korling, tevens professor in de
oude talen--in de nieuwsbladen gelezen, en ook Rob herinnerde zich
nu zeer goed daarvan gehoord te hebben. Na eenige zeer geslaagde
ontdekkingsreizen te hebben ondernomen, onder meer naar de bronnen
van den Nijl, was Korling bij zijn laatsten tocht met zijn schip
door hevige stormen op de kust van Tripolis geworpen; alle opvarenden
waren omgekomen, behalve hijzelf en zijn bediende, die in handen der
Ligo-Ambura waren gevallen. In Nederland wist men niet beter of de
beminde en beroemde man was een afgrijselijken dood gestorven.

"Men was reeds bezig," vertelde Korling, "het vuur te stoken waarboven
wij gebraden zouden worden, toen ik op de gedachte kwam door enkele
kleine goochelkunstjes, waarmee ik mijn kinderen wel bezig hield,
de aandacht af te leiden. Die poging gelukte boven verwachting. Ik
tooverde een armring van het opperhoofd weg, en bracht die uit den
neus van zijn vrouw weer te voorschijn; ook vertoonde ik eenige
toeren met lucifers en geldstukken. Het succes was verbazend. Het
opperhoofd benoemde mij tot zijn hofkunstenaar, en sedert dien tijd
ben ik bijna onafgebroken bezig met sensationeele voorstellingen te
geven. Het is wel droevig," zei hij met een zucht en een glimlach,
"te moeten bedenken dat ik, professor en ontdekkingsreiziger, mijn
leven moet rekken door als kermisgoochelaar op te treden. Maar wat
doet men al niet om te verhinderen dat men opgegeten wordt? Dat zou
toch al een heel onwaardig einde zijn!"

De professor vertelde nu ook nog, dat zijn natuurkundige kennis
hem in staat had gesteld met allerlei eenvoudige, zelfs gebrekkige
hulpmiddelen, proeven te vertoonen, waarvoor deze wilde menschen het
grootste respect toonden.

"U zult niet willen gelooven," zei hij lachend, "dat ik hier de
zegeningen der modernste beschaving heb binnengeleid. Zoo heb ik
bijvoorbeeld electrisch licht weten te verkrijgen en zelfs een telefoon
aangelegd, waarmee het opperhoofd me soms een heelen dag opschelt
en ellenlange gesprekken met me houdt; want ik heb natuurlijk in
dat jaar gelegenheid genoeg gehad om de taal der Ligo-Ambura grondig
te leeren. De kunst die ik van middag vertoonde, kent men in Europa
onder den naam van "De gevangene van Zenda." Ze is heel merkwaardig,
vindt u niet?"

Het was eigenaardig, zooals deze man over zijn goocheltoeren sprak, en
't leek wel of hij er plezier in had en niets liever wilde dan hier
zijn leven als "hofkunstenaar" te slijten. Maar men moet bedenken,
dat hij zich met die toeren het leven had gered, en dus groote waarde
er aan toekende, ja, er dag en nacht geheel van vervuld was.

"Hoe gaat die toer eigenlijk?" vroeg Rob nieuwsgierig.

"O, dat is heel eenvoudig," antwoordde Korling. "De oogjes, waarover
het losse uiteinde van de om nek, enkels en polsen sluitende halve
bogen past, kunnen door het wegnemen van een spie aan den achterkant
worden losgemaakt uit den wand. De gevangene trekt ze dan eenvoudig
met de halve bogen, de hangsloten en al naar zich toe, en--is vrij. De
sloten hebben er dus eigenlijk niets mee te maken en kunnen zoo stevig
zijn als men maar wil. De gevangene stapt door den achterwand, die
om een spil in het midden draaien kan, uit het huisje, na de halve
bogen weer met die spieën aan den achterwand bevestigd te hebben."

"Dat is zeker heel eenvoudig," zei Rob.

"Morgen zal ik u nog een veel mooieren toer laten zien," zei de
professor. "Dan ga ik in een rechtopstaande doodkist staan, en verander
voor uw oogen in een geraamte. Griezelig, hè? Maar toch is 't heel
eenvoudig. 't Was indertijd in de Warmoesstraat in Amsterdam te zien."

"Ja!" riep Rob, in wien nu al de belangstelling en de nieuwsgierigheid
van den schooljongen loskwam. "Dat herinner ik me heel goed. Maar ik
begreep er toen niets van. Hoe doen ze dat?"

"Wel, dat gaat als volgt," zei de professor. "Recht voor den
toeschouwer staat een open doodkist; daarin ga ik rechtop staan,
schel verlicht door lampjes aan weerszijden. De doodkist staat
achter op het tooneel; naar de toeschouwers toegaande, staan er
rechts twee en links twee coulissen, zwart evenals de achtergrond,
en het tooneel in gelijke deelen verdeelend. Tusschen twee van die
coulissen, rechts of links naar verkiezing, maar verborgen voor den
toeschouwer, staat precies zoo'n kist als de eerste, doch in richting
loodrecht daarop. Deze bevat een geraamte--dat hier nog al gemakkelijk
te krijgen is! Nu draait men de lichten naast de kist, waarin ik
sta, langzaam uit, zoodat ik geheel in 't donker kom en onzichtbaar
wordt. Tegelijkertijd worden de lichten van de andere kist langzaam
opgedraaid en het spiegelbeeld daarvan wordt zichtbaar op een groote
glazen plaat, die van de linker- (rechter-) voorste coulisse onder
een hoek van vijfenveertig graden met den horizon, naar de rechter-
(linker) achterste coulisse loopt. Dit beeld bedekt nu volkomen het
intusschen verdwenen eerste beeld. Met andere woorden: men ziet mij
langzamerhand in een geraamte veranderen. U begrijpt dat de negers
daar verrukt van zullen zijn!"

Het verhaal intresseerde Rob zeer, die het heerlijk vond zoo in de
geheimen van de kermis te worden ingewijd.

Maar Li vond het tijd worden den professor op andere gedachten
te brengen.

"Ziet u geen kans om ons weg te tooveren, professor? Met andere
woorden: een middel tot ontsnapping aan de hand te doen?"

Daar scheen de professor nog niet over gedacht te hebben. Hij was
zoo gewoon geraakt aan zijn gevangenschap, en zoo overtuigd dat elke
poging tot ontsnapping vruchteloos zou zijn, dat hij eigenlijk wat
verbaasd van die vraag opkeek.

"Het zou misschien mogelijk zijn ons van de wapens meester te maken,"
zei de bediende van den professor. "We kunnen er wel niet veel mee
uitrichten tegen overmacht, maar wanneer de voorstelling morgen
veel succes heeft, hebben we kans dat de heele stam tegen den avond
smoordronken ligt te slapen. Dan is er misschien iets uit te richten."

"Maar we kunnen toch niet over de Middellandsche Zee zwemmen?"

"Het middel om over de zee te komen zou ik u misschien kunnen
verschaffen," zei Li.

"Wat!" riep de professor opspringend. "En hoe?"

"Dat moet u aan me overlat

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/17593