De Zuidster, het land der diamanten
by Jules Verne · Dutch · Gutenberg #17580 · 522,966 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of De Zuidster, het land der diamanten
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: De Zuidster, het land der diamanten
Author: Jules Verne
Release date: January 23, 2006 [eBook #17580]
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/17580
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZUIDSTER, HET LAND DER DIAMANTEN ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
Jules Verne
De Zuidster
Het land der diamanten
Amsterdam
Uitgevers-Maatschappij "Elsevier"
1920
Gedrukt bij N.V. Drukkerij Schilt--Utrecht
EERSTE HOOFDSTUK.
DOLLE KERELS, DIE FRANSCHEN!
"Spreek, mijnheer, ik luister."
"Mijnheer, ik heb de eer de hand van miss Watkins, uw dochter,
te vragen."
"De hand mijner Alice?...."
"Ja, mijnheer. Mijn aanzoek schijnt u te verrassen. Is het niet? Toch
moet gij mij ten goede houden, dat ik niet recht begrijp, waardoor
dat aanzoek u zoo buitengewoon voorkomt. Ik ben zes en twintig
jaren oud. Ik heet Cyprianus Méré. Ik ben mijn-ingenieur en heb als
numero twee bij den algemeenen wedstrijd de Polytechnische school
verlaten. Mijne familie is wel is waar niet rijk, maar zij is geacht
en geëerd. De consul van Frankrijk aan de Kaap de Goede Hoop zal
u zulks kunnen getuigen, wanneer gij dat zult verlangen, en mijn
vriend Pharamond Barthès, de stoutmoedige jager, dien gij evenals
iedereen in Grikwaland kent, zou u hetzelfde kunnen getuigen. Ik
ben hier in naam van het Fransche Gouvernement door de Académie
des Sciences tot het verrichten van wetenschappelijke onderzoekingen
gezonden. Verleden jaar heb ik in het Instituut den prijs Houdard voor
mijne verhandelingen over de scheikundige samenstelling der vulkanische
rotsen van Auvergne behaald. Mijne verhandeling over het diamanthoudend
bekken der Vaalrivier, die ik bijna voltooid heb, kan niet anders
dan goed ontvangen worden door de geleerden en de wetenschappelijke
lieden. Als ik van mijne zending teruggekeerd zal zijn, word ik benoemd
tot hulp-professor bij de mijnenschool te Parijs, en ik heb reeds last
gegeven vertrekken voor mij te huren in de Universiteitsstraat No. 104
op de derde verdieping. Mijne bezoldiging bereikt met aanstaanden
Nieuwjaarsdag, de som van vier duizend acht honderd francs. Dat is
het inkomen van Rothschild niet, dat weet ik wel; maar de opbrengst
mijner particuliere werkzaamheden, mijner onderzoekingen, academische
prijzen, medewerking aan verscheidene tijdschriften, veroorlooft dat
ik op een dubbel inkomen mag rekenen. Ik voeg er bij dat, daar mijne
behoeften eenvoudig en bescheiden zijn, ik niet meer noodig heb om
mij gelukkig te gevoelen. Dus nogmaals, mijnheer, ik heb de eer u de
hand van miss Watkins, uwe dochter te vragen."
Door den flinken en vastbesloten toon van die kleine toespraak, gaf
Cyprianus Méré voldoende den toetssteen aan, dat hij de gewoonte had
in alle zaken, zelfs in de meest intieme, recht op zijn doel af te
gaan en vrij uit te spreken.
Zijne gelaatstrekken daarenboven logenstraften den indruk niet, door
zijne taal voortgebracht. Hij had het uiterlijk van een jongmensch,
dat zich gewoonlijk met de hoogste wetenschappelijke scheppingen
bezig hield en slechts den minst mogelijken tijd aan 's werelds
ijdelheden afstond.
Zijn kastanjekleurig haar, dat hij kort als een borstel geknipt droeg,
zijn blonde baard, die bijna met de huidsoppervlakte gelijk geschoren
was, de eenvoud van zijn grijs linnen reiskostuum de tienstuivershoed
van stroo, dien hij, wel opgevoed als hij was, bij het binnentreden
op een stoel had neergelegd, hoewel de persoon tot wien hij sprak,
met de gewone slordige onachtzaamheid aan het Angelsaksische ras eigen,
met gedekten hoofde was gebleven,--dat alles toonde aan, dat Cyprianus
Méré een ernstigen geest bezat niet alleen, maar ook een rustig geweten
en een rein hart, dat in zijn kristalhelderen blik zich afspiegelde.
Er moet nog bijgevoegd worden, dat die jeugdige Franschman zoo volmaakt
zuiver Engelsch sprak, alsof hij in de meest Engelsche graafschappen
van het Vereenigd Koninkrijk langen tijd verblijf gehouden had.
Mr. Watkins hoorde hem aan, terwijl hij zijn lange pijp rookte en in
een houten leuningstoel gezeten was, waarbij hij het linkerbeen op
een rieten voetenbankje uitgestrekt had, en met den elleboog geleund
was op eene tafel, waarop een kruik gin stond, waarbij een glas,
half met dien alcoholischen drank gevuld.
Die persoon was gekleed met een witten pantalon, een blauw jasje van
grof linnen, een hemd van een geelachtig flanel, evenwel zonder vest
of das. Onder den onmetelijken vilten hoed, die op zijn grijs hoofd
geplakt of geschroefd scheen, rondde een rood en opgeblazen gezicht,
dat waarachtig had kunnen vergeleken worden bij een poppenkop,
die met bessenstroop ingesmeerd was. Dat weinig innemende gelaat,
dat hier en daar met stukjes baard bezaaid was, van die kleur, welke
men gewoonlijk melkboeren-hondenhaar noemt, was versierd met kleine
grijze oogen, die er met een centerboor ingeboord schenen en niet
veel geduld of goedheid des harten aanduidden.
Ter verschooning van Mr. Watkins dienen wij er dadelijk bij te voegen,
dat hij vreeselijk aan het pootje sukkelde, waarom hij genoodzaakt
was zijn linkervoet steeds omzwachteld te houden. Nu is het pootje
eene ziekte, die evenmin aan de zuidelijke spits van Afrika als
overal elders geschikt is, om de gemoedsstemming der lieden, aan wier
gewrichten zij knaagt, te verzachten.
Het tooneel viel voor op de gelijkvloers-verdieping van de pachthoeve
van Mr. Watkins, die zoo wat gelegen was op den 20sten breedtegraad
ten zuiden van de Evennachtslijn en op den 22sten oosterlengte van
Parijs op de westelijke grens van den Oranje-Vrijstaat, ten noorden
van de Britsche Kaap-Kolonie, te midden van Zuid-Afrika, dat eene
gemengde Engelsch-Hollandsche bevolking bezit. Dat land, hetwelk door
den rechter oever van de Oranjerivier begrensd wordt, bevindt zich
aan de zuidelijke uiteinden van de groote woestijn van Kalahari,
welke op sommige ouderwetsche landkaarten den naam van Grikwaland
voert, en wordt thans met veel meer recht sedert ruim tien jaren het
"Diamonds-Field", het Diamantenveld, geheeten.
De spreekkamer, waarin deze diplomatische samenkomst plaats had,
was waarachtig opmerkenswaardig, zoowel door de minder gepaste
weelderigheid van eenige meubelstukken als door de betrekkelijke
armoede van de overige bijzonderheden van dit binnenvertrek. De vloer
bijvoorbeeld bestond doodeenvoudig uit vast aangestampte aarde, die
hier en daar door dikke tapijten en kostbaar pelswerk bedekt was. Aan
de muren, die nimmer met eenig behangselpapier geprijkt hadden, was een
zeer fraaie pendule in gedreven koper opgehangen, alsook prachtwapens
van verschillenden oorsprong, en Engelsche kladprenten, die door
overrijke lijsten omgeven waren. Een fluweelen sofa prijkte naast eene
tafel van wit hout, die ter nauwernood in eene fatsoenlijke keuken te
huis zou behoord hebben. Er stonden leuningstoelen, rechtstreeks uit
Europa aangevoerd, die hunne armen te vergeefs naar Mr. Watkins schenen
uit te strekken, want deze verkoos steeds op een ouden stoel plaats te
nemen, dien hij vroeger met eigen hand lomp en onbehouwen gefatsoeneerd
had. Over het algemeen genomen, gaven de voorwerpen van waarde, alsook
de achteloosheid waarmede de panterhuiden, luipaardshuiden, giraffe-
en tijgerhuiden op den vloer alsook op al de meubelen geworpen waren,
aan dit vertrek het uitzicht van barbaarsche welgesteldheid.
Uit de bouworde van het plafond was het duidelijk, dat het huis
geen bovenverdieping bezat en slechts uit een reeks vertrekken
gelijkvloers bestond. Die woning was, evenals alle andere daar te
lande, gedeeltelijk van kleiaarde opgetrokken. Zij was gedekt met
bladen van geribd zink, die op een zeer lichten dakstoel aangebracht
waren.
Men kon ook zien, dat de bouw van die woning nauwelijks geëindigd
was. Want inderdaad, men behoefde zich slechts buiten het venster te
buigen, om rechts en links vijf of zes verlaten gebouwen te bemerken,
allen van denzelfden bouwtrant maar van verschillende ouderdom, die
zich in den meest gevorderden staat van verval bevonden. Dat waren
allen huizen, die Mr. Watkins opvolgend gebouwd, bewoond en verlaten
had naar mate zijn vermogen toenam, waarvan die woningen derhalve
alshetware den stijgenden trap aangaven.
De meest verwijderde was eenvoudig uit plakzoden vervaardigd, en
mocht op geen anderen naam dan op dien van hut aanspraak maken. De
volgende was uit kleiaarde opgetrokken; de derde uit aarde en planken;
de vierde uit kleiaarde en zink. De lezer ziet uit welke toonladder
de kunststukken van de nijverheid van Mr. Watkins bestonden en
tot welke hoogte hij zich had weten te verheffen. Al die gebouwen,
die zich in min of meer ontredderden toestand bevonden, verrezen
op een bergje, dat gelegen was bij de samenvloeiing van de Vaal-
met de Modderrivier, de twee voornaamste cijnsplichtige wateren
van de Oranjerivier in dit gedeelte van Zuid-Afrika. Rondom strekte
zich, zoover de blik naar het Zuid-westen en het noorden kon reiken,
eene kale en droefgeestige vlakte uit. Het Veld--zooals die vlakte
daar te lande genoemd werd--bestond uit een roodachtigen, drogen,
onvruchtbaren en stofferigen grond, die hier en daar slechts
eenig spaarzaam voorkomend kruid en eenige doornachtige struiken
vertoonde. Het totale gemis van boomen is het eigenaardig kenmerk
van deze naargeestige landstreek. Als daarbij in aanmerking genomen
wordt, dat er ook geen steenkolen aangetroffen worden, en dat de
gemeenschapsmiddelen met de zee zeer moeilijk en derhalve niet van de
vlugste zijn, dan zal het niemand verwonderen, dat de brandstoffen er
ontbreken en dat men er toe moet overgaan, de gedroogde uitwerpselen
van de kudden runderen voor de huiselijke benoodigdheden te gebruiken.
Op dien eentonigen bodem, die er werkelijk erbarmelijk uitziet,
wordt men den loop der beide rivieren gewaar, die evenwel zoo weinig
ingesneden zijn en welker oevers zich zoo weinig boven den waterspiegel
verheffen, dat men moeilijk kan begrijpen, waarom zij binnen hare
bedding blijven en niet over de geheele vlakte stroomen.
De gezichteinder is alleen naar dien kant van het oosten verbroken
door de ver verwijderde kamvormige verhevenheden van twee bergen:
den Platberg en den Paardenberg, aan welker voet een scherp oog
rookzuilen, stofwolken en witte puntjes kan ontwaren, welke laatsten
hutten of tenten zijn, en rondom een gewriemel van levende wezens.
Het is daar in dat Veld, dat de diamant-placers, die in volle
ontginning zijn, aangetroffen worden. Daar ligt Du Toit's Pan, de
New Rush, en de rijkste van allen misschien, genaamd het Vandergaarts
Kopje. Die onoverdekte mijnen, welke bijna met de oppervlakte van den
bodem gelijk liggen, worden met den algemeenen naam van "dry diggings"
of droge mijnen bestempeld en hebben sedert het jaar 1870 voor eene
waarde van vier honderd millioen aan diamanten en andere kostbare
steenen opgeleverd. Die mijnen liggen vereenigd in eene streek, welker
omtrek ten naastenbij twee of drie kilometers bedraagt. Men kon ze
zeer goed met een kijker van uit de vensters der pachthoeve Watkins
waarnemen, die er slechts vier Engelsche mijlen [1] van verwijderd lag.
De naam van pachthoeve, zij hier ter loops gezegd, is eene zeer
oneigenlijke uitdrukking voor een gebouw van deze soort; want het was
onmogelijk, ook maar een spoor van plantenkweeking in den omtrek te
bespeuren. Mr. Watkins was, evenals alle andere zoogenaamde pachters in
dit gedeelte van Zuid-Afrika, eerder een herdersbaas, een veefokker,
een eigenaar van kudden runderen, geiten en schapen te noemen dan de
bestuurder eener landbouwonderneming.
Mr. Watkins had intusschen nog niet geantwoord op het verzoek,
dat door Cyprianus Méré zoo beleefd, maar ook zoo duidelijk mogelijk
uitgesproken was. Na eenige minuten gebezigd te hebben om na te denken,
ging hij eindelijk er toe over, om zijn pijp uit den mond te nemen, en
uitte hij de volgende meening, die blijkbaar slechts eene verwijderde
betrekking met het tegenwoordig vraagstuk had:
"Ik geloof dat er verandering van weer op til is, waarde heer. Nooit
heeft mijn podagra mij zoo doen lijden als hedenmorgen !"
De jeugdige ingenieur fronste de wenkbrauwen, boog een oogenblik
het hoofd ter zijde en moest zich geweld aandoen om niets van zijne
teleurstelling te doen blijken.
"Gij zoudt wellicht in uw belang handelen, wanneer gij den gin liet,
mijnheer Watkins," antwoordde hij, terwijl hij met een gebaar op
de aarden kruik wees, die door een vlijtig aanspreken van wege den
dronkaard voor meer dan drie kwart geledigd was.
"Den gin laten! Bij God! dat is een kostelijke ui." riep de pachter
uit. "Heeft de gin ooit kwaad aan een braven kerel berokkend?.... Ja,
ik weet wel wat gij wilt zeggen!.... Gij wilt mij dat recept opdreunen,
hetwelk een geneesheer voorschreef aan een lord-mayor die het pootje
had!.... Hoe heette die dokter ook weer?.... Abernethy, geloof
ik!.... Wilt gij gezond zijn en blijven? vroeg hij aan zijn patient;
leef dan van een shilling daags en verdien dien met persoonlijken
arbeid! Dat is fraai en goed geleuterd! Maar ik vraag het u bij
al wat heilig is, wanneer men om gezond te zijn van de waarde van
een shilling leven moest, waartoe zou het dan dienen een vermogen te
verwerven? Dat zijn zotte leuterpraatjes, mijnheer Méré, die iemand van
uw verstand geheel onwaardig zijn!.... Dus praat daar niet meer over,
wat ik u bidden mag!.... Wat mij betreft, ik zou liever begraven
willen zijn!.... Goed eten, goed drinken, een lekkere pijp tabak
en dat alles wanneer ik zulks wensch, dan verlang ik niets meer ter
wereld !.... En gij zoudt willen dat ik daar afstand van deed?"....
"Wat mij betreft, ik ben er niet op gesteld!" antwoordde Cyprianus
openhartig. "Ik heb u slechts een gezondheids-voorschrift in
herinnering willen brengen, dat ik voor juist beschouw. Maar laten wij
dat onderwerp laten varen als het u onaangenaam is, mijnheer Watkins,
en tot het voornaamste doel van mijn bezoek terugkeeren."
Mr. Watkins, die straks zoo babbelachtig mogelijk was, verschool zich
weer in zijne stilzwijgendheid en blies zonder een woord te spreken
kleine rookwolkjes uit.
De deur ging in dit oogenblik open, en een jong meisje trad binnen,
dat een blaadje droeg waarop een glas stond.
Dit mooie kind, dat, getooid met de groote muts, welke de pachteressen
op het veld steeds dragen, bekoorlijk mocht heeten, was eenvoudig met
een japon van gebloemd linnen gekleed. Zij was negentien of twintig
jaren oud, had eene zeer witte tint van huid, daarbij een fraaien
blonden en fijnen haardos, groote blauwe oogen, een zachtzinnig
en prettig uiterlijk, en leverde zoo een beeld van gezondheid,
bevalligheid en goede luim.
"Goeden dag, mijnheer Méré," zeide zij in het Fransch, evenwel met
een lichten Britschen tongval.
"Goeden dag, juffrouw Alice," antwoordde Cyprianus Méré, die bij de
binnenkomst van het meisje opgestaan was en voor haar boog.
"Ik heb u zien aankomen, mijnheer Méré," hernam miss Watkins, bevallig
glimlachend waardoor hare fraaie tanden zichtbaar werden, "en daar ik
weet, dat gij den afschuwelijken gin van mijn vader niet lust, breng
ik oranjewater, en hoop, dat gij dat heerlijk frisch zult vinden."
"Dat is allerliefst van u, juffrouw !"
"Maar ter zake; gij zult nimmer raden wat Dada, mijn struisvogel,
dezen morgen heeft ingeslikt," ging zij zonder verdere plichtpleging
voort. "Mijn ivoren maasbal!.... Ja, waarlijk, mijn ivoren
maasbal!.... Die bal is nogal van omvang; gij kent hem wel,
mijnheer Méré, ik ontving hem rechtstreeks van het billard van
New-Rush!.... Welnu die slokop van een Dada heeft hem ingeslikt,
alsof het een pil ware!.... Waarlijk, dat boosaardige dier zal mij
vroeg of laat den dood nog aandoen."
In het oog van miss Watkins blonk, terwijl zij dit verhaalde, een
vroolijke straal, die niet veel uitzicht opende op de verwezenlijking
van die naargeestige voorspelling, zelfs in langen tijd niet. Maar
plotseling, met de fijngevoeligheid der vrouwen zoo eigen, merkte zij
de stilzwijgendheid, die door haren vader en den jeugdigen ingenieur
betracht werd, alsook hun verlegen voorkomen in hare tegenwoordigheid.
"Het is alsof ik de heeren stoor!" zeide zij. "Nu, zeg het maar, als
gij geheimen hebt, die ik niet hooren mag, dan zal ik heengaan!.... Ik
heb daarenboven niet veel tijd te verliezen. Ik moet mijn sonate
studeeren, voordat ik voor het middagmaal kan zorgen!.... Kom, ik
ga.... gij zijt heden niets gezellig, mijne heeren!.... Ik laat u
dus op uw gemak samenzweren!"
Zij was reeds buiten, maar kwam toch weer terug, en zeide toen met
bevallige maar toch hoogst ernstige stembuiging
"Mijnheer Méré, als gij mij over de zuurstof wilt ondervragen, dan
ben ik gereed. Ik heb reeds driemaal het betrekkelijk hoofdstuk in de
handleiding der scheikunde, die gij mij geleend hebt, gelezen, zoodat
"dat gasvormig, kleurloos, reuk- en smaakloos lichaam" hoegenaamd
geen geheim meer voor mij is!"
Daarop maakte miss Watkins eene bevallige buiging en verdween als een
ijl luchtverschijnsel. Een oogenblik later weerklonken de akkoorden van
een uitmuntende piano in een der vertrekken die het meest verwijderd
van de spreekkamer gelegen waren, en verkondigden dat het jonge meisje
geheel en al in hare muzikale oefeningen verdiept was.
"Welnu, mijnheer Watkins," hernam Cyprianus, wien de liefelijke
verschijning zijn aanzoek in het geheugen teruggeroepen zou hebben,
wanneer hij in staat zoude geweest zijn dat te vergeten. "Welnu,
mijnheer Watkins, zult gij mij een antwoord op de vraag verleenen,
die ik de eer had tot u te richten?"
Mr. Watkins nam zijn pijp uit den mond, spoog met eene poging van
voornaamheid op den grond, hief het hoofd op en vroeg terwijl hij
een scherpen doordringenden blik op den jonkman wierp:
"Mijnheer Méré, hebt gij haar wellicht daarover gesproken reeds?"
"Waarover gesproken?.... Tot wie?"
"Wel wat gij straks zeidet.... tot mijne dochter?"
"Voor wien ziet gij mij aan, mijnheer Watkins?" hernam de jeugdige
ingeneur met eene hartstochtelijkheid, die geen twijfel omtrent zijne
oprechtheid toeliet. "Ik ben Franschman, mijnheer!..... Vergeet dat
niet!.... Dat wil zeggen, dat ik nimmer veroorloofd zou hebben met
mejuffrouw uwe dochter over een huwelijk te spreken, zonder toestemming
verworven te hebben!"
De blik van Mr. Watkins had zijne scherpte verloren, maar daarentegen
raakte thans zijne tong los.
"Dat 's uitstekend!.... Beste jongen! Ik verwachtte niets minder van
uwe bescheidenheid ten opzichte van Alice!" antwoordde hij op bijna
hartelijken toon. "Welnu, vermits ik vertrouwen in u kan stellen,
zoo zult gij mij uw woord geven, dat gij haar ook in de toekomst
daarover niet zult spreken!"
"Wat? ook niet in de toekomst? Wat beduidt dat, mijnheer?"
"Wel, eenvoudig dat dit huwelijk onmogelijk is en dat het 't beste zal
zijn, de hoop daarop in uwe papieren maar door te schrappen!" hernam
Mr. Watkins. "Mijnheer Méré, gij zijt een eerlijk jongmensch, een
volmaakt gentleman, een uitmuntend scheikundige, een uitstekend
professor, die eene groote toekomst voor zich heeft--daaraan twijfel
ik niet; maar gij zult mijne dochter niet hebben, om de eenvoudige
reden, dat ik andere plannen voor haar ontworpen heb."
"Maar, mijnheer Watkins!...."
"Dring niet verder aan!.... het zou overbodig zijn!...." hernam
de pachter. "Al waart gij hertog en pair van Engeland, dan nog
zoudt gij mij niet bevallen!.... Man, gij zijt zelfs geen Engelsch
onderdaan, en gij hebt mij met de meeste openhaartigheid medegedeeld,
dat gij hoegenaamd geen vermogen hebt. Kom, alle gekheid ter zijde,
gelooft gij ernstig, dat ik Alice opgevoed en haar de beste meesters
van Victoria en van Bloemfontein gegeven heb, zooals ik heb gedaan,
om haar, zoodra zij twintig jaren oud zoude zijn, af te staan, ten
einde te Parijs in de Universiteitsstraat op de derde verdieping
te gaan leven met een mijnheer, dien ik niet ken en wiens taal ik
zelfs niet versta?.... Denk toch na, mijnheer Méré, en stel u in
mijne plaats!.... Vooronderstel, dat jij de pachter John Watkins
zijt, de eigenaar van de Vandergaart-Kopjesmijn, en dat ik mijnheer
Cyprianus Méré ben, een jeugdig Fransch geleerde, wien men eene
zending aan de Kaap heeft opgedragen.... Vooronderstel, dat gij hier
in deze spreekkamer in dezen leuningstoel zit, terwijl gij uw glaasje
gin slurpt en uwe pijp Hamburgsche tabak rookt; kunt gij u dan ook
maar een oogenblik voorstellen.... voorstellen éen enkel oogenblik
slechts.... dat gij mij uwe dochter ten huwelijk zoudt schenken?"
"Voorzeker, mijnheer Watkins," antwoordde Cyprianus "en nog wel zonder
eenige aarzeling, wanneer ik in u zou ontdekken de hoedanigheden,
die haar geluk moeten verzekeren!"
"Welnu, dan zoudt gij verkeerd handelen, mijn waarde heer, zeer
verkeerd!" hernam Mr. Watkins. "Gij zoudt dan handelen als een man,
die niet waard was de Vandergaarts Kopjesmijn te bezitten, of beter
gesproken, gij zoudt haar dan niet bezitten. Want, wel beschouwd, denkt
gij dat die mijn mij uit de wolken in de hand is komen vallen? Gelooft
gij, dat ik noch beleid, noch geestkracht, noch bedrijvigheid heb
moeten ontwikkelen om haar op te sporen, maar vooral om mij den
eigendom er van te verzekeren?.... Welnu, mijnheer Méré, dat beleid,
dat ik in die gedenkwaardige en beslissende oogenblikken heb getoond
te bezitten, dat beleid zit bij al de daden mijns levens voor,
en bovenal bij al mijne daden, die betrekking op de toekomst mijner
dochter hebben!.... Daarom herhaal ik: schrap de hoop op een huwelijk
met Alice in uwe papieren door!.... Alice is niet voor u bestemd!"
En bij die afdoende uitspraak greep Mr. Watkins zijn glas en ledigde
het in één teug.
De jonge ingenieur, geheel ter neergeslagen, scheen niet te kunnen
antwoorden. Toen de ander dat zag, ging hij min of meer sarrend voort:
"Gij Franschen zijt verwonderlijke kerels. Gij staat voor niets en
twijfelt aan niets, op mijn woord. Wat! gij komt hier zoo onverwachts
uit het binnenste van Grikwaland aan, alsof gij uit de maan gevallen
waart; gij ontmoet een eenvoudig man, die nooit uwen naam gehoord
heeft, die drie maanden geleden nooit over u heeft hooren spreken, die
u zeker geen tienmaal gezien heeft in die negentig dagen. Gij zoekt hem
op en zegt hem: John Stappleton Watkins, gij bezit eene bekoorlijke
dochter, die goed opgevoed is en algemeen als de kostbaarste parel
van het geheele land erkend wordt, en die,--wat volstrekt niet
onaangenaam is--uwe eenige erfgename is wat betreft den eigendom van
de Vandergaarts Kopjes-mijn, van de rijkste mijn niet alleen van dit
land, maar van de geheele wereld. Ik, ik ben de heer Cyprianus Méré,
afkomstig van Parijs en van beroep ingenieur. Ik heb vier duizend
acht honderd francs inkomen!.... Gij zult mij als-je-blieft dat jonge
meisje ten huwelijk geven, opdat ik haar naar mijn land kunne voeren
en opdat gij niet meer over haar zoudt kunnen hooren spreken, tenzij
gij zoudt willen rekenen den brief of het telegram, dat gij zoo nu
en dan eens zoudt mogen ontvangen!..... En gij vindt dat alles zeer
natuurlijk!..... Ik vind 't dol!"
Cyprianus was doodsbleek van zijn stoel opgestaan. Hij greep zijn
hoed en maakte zich gereed heen te gaan.
"Ja, dol!.... uiterst dol!...." herhaalde de pachter. "O, ik ben
niet gewoon de pil, die ik te slikken geef, te vergulden. Ik ben een
Engelschman van den ouden stempel, mijn waarde heer! Zooals ge mij daar
ziet, ben ik veel armer geweest, ja, veel armer dan gij nu zijt. Ik
heb zoo wat alle ambachten bij de hand gehad! Ik was scheepsjongen
van een koopvaardijschip, buffeljager in Dakota, mijnwerker in
Arizona, herder in de Transvaal!.... Ik heb kennis met de hitte,
met de kou, en vooral met de vermoeienis gemaakt. De beschuitkorst,
die mij gedurende twintig jaren tot middagmaal strekte, verkreeg ik
niet dan ten koste van menigen zweetdruppel! Toen ik wijlen mistress
Watkins, de moeder van Alice, de dochter van een Boer van Franschen
oorsprong [2], huwde, toen bezaten wij met ons beiden niet zooveel
om eene geit te kunnen onderhouden! Maar ik heb gewerkt!.... Ik heb
den moed niet verloren!.... Thans ben ik rijk, en wil ik van mijn
arbeid genieten!.... Het is mijn plan om mijne dochter bij mij te
houden,--om vooral mijn pootje te verzorgen en om des avonds muziek
voor mij te maken, als ik mij verveel!.... Als zij ooit trouwt, dan
zal zij hier trouwen met een kerel van het land, die zoo rijk is als
zij zelve, die pachter of mijnwerker is, zooals wij het hier allen
zijn, en die er niet van reppen zal om elders te gaan leven als een
schooier op eene derde verdieping, in een land, waarin ik nooit een
voet wensch te zetten. Zij zal bij voorbeeld met James Hilton of met
een anderen kerel van gelijken stempel huwen.... De trouwlustigen,
die naar hare hand dingen, ontbreken niet, dat verzeker ik u! Ik
wensch tot schoonzoon een echten Engelschman, die voor een glas gin
niet vervaard is, en die mij onder het genot van een duchtigen slok
bij het rooken eener pijp gezelschap zal willen houden!"
Cyprianus had reeds de hand aan de kruk van de deur. Hij stikte bijna
in dat vertrek.
"Gij zijt toch niet boos, hoop ik?" riep hem mr. Watkins achterna. "Ik
heb volstrekt niets tegen u, mijnheer Méré; integendeel, ik mag u
wel lijden, en ik zal steeds verheugd zijn u te mogen zien, hetzij
dan als huurder of als vriend!... Kijk, wij wachten juist heden avond
eenige personen ten eten..... Als gij wilt, wees dan ook onze gast!..."
"Neen, dank u, mijnheer!" antwoordde Cyprianus koel. "Ik heb mijne
brieven vóór het vertrek van de post nog te sluiten."
Toen hij heengegaan was, bromde mr. Watkins, terwijl hij zijne pijp met
een stuk geteerd touw aanstak, dat tot dit doeleinde steeds smeulende
gehouden werd en zich in de onmiddellijke nabijheid zijner hand bevond:
"Dolle, dolle kerels, die Franschen!"
En daarop schonk hij zich een groot glas boordevol met gin in.
TWEEDE HOOFDSTUK.
IN DE DIAMANTVELDEN.
Wat de jonge ingenieur nog wel het meest vernederend vond in het
antwoord, dat mr. Watkins hem gegeven had, was dat hij niet kon nalaten
hem, in weerwil van den ruwen vorm, waarin dat antwoord gegoten was,
gelijk te geven. Het verwonderde hem zelfs, nu hij er over nadacht,
dat hij de tegenwerpingen van den pachter niet voorzien en dat hij
zich aan een dergelijk blauwtje blootgesteld had.
Zooveel is zeker, dat hij tot heden niet aan den afstand gedacht
had, dien het verschil van vermogen, van ras, van opvoeding,
van bewegingskring tusschen het jonge meisje en hem daargesteld
hadden. Gewoon als hij sedert vijf of zes jaren was, de mineralen
slechts uit een wetenschappelijk oogpunt te beschouwen, waren de
diamanten slechts koolstof-monsters, ter nauwernood goed om in
het museum van de Mijnschool te prijken. Daarenboven, omdat hij,
uit een maatschappelijk oogpunt beschouwd, in Frankrijk zich op
een hooger standpunt geplaatst achtte dan dat der Watkins, had
hij de onmetelijke koopmanswaarde van de rijke diamantmijn, die
het bezit des pachters was, geheel en al uit het oog verloren. Geen
oogenblik was het hem in de gedachte opgekomen, dat er werkelijk een
aanmerkelijke afstand bestond tusschen de dochter van den eigenaar
van de Vandergaarts-Kopjes-mijn en een Fransch ingenieur. En zou
ook die gedachte bij hem opgekomen zijn, dan, met zijne Parijsche
levensopvattingen en in zijne hoedanigheid van oudleerling der
Polytechnische School, zou hij gemeend hebben, dat hij op het punt
was een huwelijk beneden zijn stand aan te gaan.
De barre toespraak van Mr. Watkins schrikte hem pijnlijk uit die
droombeelden wakker. Cyprianus bezat te veel gezond verstand om de
degelijke argumenten van den pachter niet naar waarde te schatten;
ook om zich niet nijdig te maken over een vonnis, dat hij in den
grond billijk moest noemen.
Dit belette evenwel niet dat de slag, die hem trof, raak, pijnlijk
raak was. En nu hij gedwongen was, van het denkbeeld om Alice de
zijne te noemen af te zien, gevoelde hij plotseling hoe dierbaar zij
hem in die drie maanden geworden was.
Het was inderdaad nog slechts drie maanden geleden, dat Cyprianus
Méré in Grikwaland was gekomen en het jonge meisje had leeren kennen.
Wat was dat al lang geleden en wat was dat al ver verwijderd! Hij
herinnerde zich toch nog zeer goed dat hij den eindpaal van zijne lange
reis van het eene halfrond naar het andere op een uiterst warmen en
stoffigen dag bereikte.
Hij was ontscheept te zamen met zijn vriend Pharamond Barthès, een
oude schoolmakker, die voor de derde maal in Zuid-Afrika kwam jagen
en die hem aan de Kaap vaarwel gezegd had. Die Pharamond Barthès
was naar het Basuto-land getrokken, alwaar hij hoopte een troepje
negerkrijgslieden aan te werven, dat hem gedurende zijne jachttochten
zoude vergezellen. Wat Cyprianus betrof, die had plaats besproken
en genomen in den waggon of de kar met veertien paarden bespannen,
die den postwagendienst in die streken verrichtte, en had zoo de reis
naar de Diamantvelden ondernomen.
Zes of zeven groote kisten--bevattende een compleet scheikundig
laboratorium en eene mineralogische verzameling, waarvan hij ongaarne
gescheiden zoude zijn--vormden het bagage-materiaal van den jeugdigen
geleerde. Maar de vorenbedoelde postwagen liet slechts vijftig
kilogrammen passagiersgoed toe, zoodat hij genoodzaakt was geweest
die kostbare kisten toe te vertrouwen aan een kar met ossen bespannen,
die ze met een voorwereldsche langzaamheid naar Grikwaland zou brengen.
De bedoelde postwagen was een groote _Jan pleizier_, die twaalf
zitplaatsen bevatte en door een tent van zeildoek gedekt was. Hij stond
op vier verbazend groote wielen, die voortdurend nat gehouden werden
door het water der beken en rivieren, die doorwaad en doorgetrokken
moesten worden. De paarden waren twee aan twee gespannen en werden
soms door muildieren versterkt.
Een tweetal koetsiers, die naast elkander op den bok zaten, menden
hen met groote behendigheid. Een daarvan hield de teugels, terwijl
de andere de zeer lange zweep van bamboe voerde, die veel weghad van
een hengelstok en niet alleen gebruikt werd om de aangespannen dieren
aan te wakkeren, maar ook om hen te geleiden, den weg te wijzen.
De weg voerde langs Beaufort, een fraaie kleine stad, aan den voet
van het gebergte Nieuweveld gebouwd, overschreed die bergketen,
leidde langs Victoria, vervolgens langs Hope-town--eigenaardige naam,
die "stad der hoop" beteekent--die aan den oever der Oranje-rivier
gelegen is, om zich van daar naar Kimberley te richten en naar de
voornaamste diamant-ontginningsplaatsen, die er slechts weinige mijlen
van verwijderd liggen.
Dat was eene moeilijke en eentonige reis, die acht of negen dagen
duurde, door dat naakte landschap. Wat men te zien krijgt, stemt
slechts tot droefgeestigheid. Roodachtige vlakten, die met steenen
als bezaaid waren, grijze rotsbanken, die aan de oppervlakte van den
bodem kwamen uitkijken, een stekelig, geel en spaarzaam grasgewas
eenige teringachtige struikjes, ziedaar alles. Er waren noch bebouwde
akkers, noch natuurtafereelen te bewonderen! Van afstand tot afstand
werd eene bouwhoeve opgemerkt, waarvan de bewoner, bij de toewijzing
van den door hem gepachten grond, van het Koloniaal Gouvernement de
opdracht ontving, om gastvrijheid aan de reizigers te verleenen. Die
gastvrijheid wordt evenwel zoo eenvoudig mogelijk beoefend. In
die zonderlinge herbergen worden noch bedden voor de menschen, noch
stroolegering voor de paarden aangetroffen. Men vindt er ter nauwernood
eenige blikken verduurzaamde levensmiddelen, die verscheidene malen de
reis rondom de wereld afgelegd hebben en die met goud betaald worden!
Daaruit volgt dus, dat om te voorzien in de voeding der trekdieren,
deze eenvoudig op de vlakte losgelaten worden, alwaar zij zich moeten
behelpen met het zoeken van eenig schaars voorkomend gras tusschen
de keisteenen. Een ander gevolg daarvan is, dat wanneer men weer
wil vertrekken, die beesten eerst opgevangen moeten worden, hetgeen
groote moeite en een aanmerkelijk tijdverlies veroorzaakt. En welke
schokken worden in zoo'n oorspronkelijk vervoermiddel op die nog
oorspronkelijker wegen ondervonden! De zitbanken zijn gewoonlijk de
bovenvlakken van houten koffers, die voor de opberging van kleine
benoodigdheden dienen en waarop het zitvlak van den ongelukkigen
reiziger, die daarmede vervoerd wordt, de werkzaamheden van
vijzelstamper gedurende een lange week verricht. In zoo'n kast is
het onmogelijk te lezen, te slapen, zelfs te praten. Daarentegen
rooken de reizigers nacht en dag als fabrieksschoorsteenen, drinken
als tempeliers, en voegen daarbij de aangename bezigheid om veel en
herhaaldelijk te spuwen.
Zoo bevond zich Cyprianus Méré in dat vervoermiddel met een uitgezocht
zoodje van die vlottende bevolking, die van alle oorden van den
aardbol komt opdagen, zoodra er sprake is van nieuw gevonden goud- of
diamantmijnen. Er bevond zich een loslendige Napolitiaan in met lange
zwarte haren, met een echt perkament-gezicht, met oogen om bang van te
worden, en die vertelde dat hij Hannibal Pantalucci heette; verder een
Portugeesche jood, wiens naam Nathan was, een echte diamant-kenner,
die zich in zijn hoekje zeer stil hield en het menschelijk gewriemel
met wijsgeerigheid beschouwde; dan nog een mijnwerker van Lancashire,
Thomas Steel genaamd, een lange lummel met rooden baard en stevige
heupbeenderen, die de steenkolen-mijnen ontvlucht was om zijn
gelukkig gesternte in Grikwaland te beproeven; verder een Duitscher,
Herr Friedel, die steeds machtspreukig als een orakel sprak, en
altijd alles wist wat op de ontginning der diamanthoudende terreinen
betrekking had, hoewel hij nimmer een enkelen diamant gezien, veel
minder bezeten had; ook nog een Yankee met fijn gevormde lippen,
die slechts samenspraken hield met zijne lederen veldflesch en die
waarschijnlijk in de ontginningsvelden een drankwinkeltje kwam openen,
waarin de meeste verdiensten van den mijnwerker zouden verdwijnen;
dan nog een pachter afkomstig van de boorden van de Hart-rivier, een
Boer van den Oranje-Vrijstaat; een ivoorhandelaar, die naar het land
der Namakken trok; twee kolonisten uit de Transvaal, en een Chinees,
die Li heette, zooals een achtenswaardig Chinees betaamt. Die allen
vormden het meest uiteenloopend, het meest verschillend en het meest
luidruchtig gezelschap, dat ooit een fatsoenlijk man op zijn weg
heeft kunnen ontmoeten.
Na een oogenblik hunne gelaatstrekken opgenomen en zich met hunne
manieren en gewoonten vermaakt te hebben, begon dat Cyprianus ook
te vervelen. Alleen Thomas Steel met zijne krachtige geaardheid en
zijn openhartigen lach, en de Chinees Li niet zijne zachtaardige
en kat-achtige bewegingen konden hem boeien en belangstelling
inboezemen. De Napolitaan daarentegen met zijne akelige geestigheden
en met zijne galgentronie, boezemde hem een onoverwinnelijk gevoel
van afkeer in.
Een der meest gewaardeerde grappen van dien Italiaan bestond gedurende
twee of drie dagen daarin, dat hij aan den haarstaart, dien de Chinees
volgens de gewoonte van zijn land op den rug droeg, allerhande dwaze
zaken vastbond, als bossen gras, koolstronken, een koeienstaart,
een paardenschouderblad, dat hij in de vlakte opgeraapt had, enz.
Li knoopte, zonder zich verontwaardigd te toonen, die dingen los,
welke zijn reeds langen staart noodeloos verlengden, wierp ze weg,
maar toonde noch door woord, noch door gebaar, zelfs door geen blik,
dat het hem voorkwam, dat die grappen de grenzen der gepastheid
overschreden. Zijn geelachtig gelaat en zijne kleine scheefstaande
oogen bleven onverstoorbaar kalm, alsof hij geheel vreemd was aan
hetgeen rondom hem voorviel. Waarlijk, men zou geloofd hebben dat
hij geen enkel woord verstond van hetgeen in die arke Noach's, die
op reis naar Grikwaland was, gesproken werd.
Dit gaf aanleiding dat Hannibal Pantalucci aan zijn grappen nog
toespelingen in gebrekkig Engelsch toevoegde, die geheel en al den
man van lage afkomst kenmerkten.
"Denkt hij dat zijne geelzucht besmettelijk zoude zijn?" vroeg hij
hardop aan een zijner medereizigers.
Of ook:
"Had ik maar eene schaar in mijn bezit om hem zijn staart af te
knippen, dan zoudt gij eens zien welk gezicht hij zetten zou!"
De reizigers lachten dan; maar wat hunne vroolijkheid nog vermeerderde,
was dat de Boeren van het gezelschap steeds eenigen tijd noodig
hadden om de snakerij van den Napolitaan te begrijpen, eindelijk in
een luid gelach uitbarstten, hetgeen dan een geheele poos na dat van
de anderen weerklonk.
Het begon Cyprianus eindelijk te ergeren, dat de arme Li steeds voor
zondebok gekozen werd. Hij merkte Pantalucci dan ook op, dat zijn
gedrag niet edelmoedig genoemd kon worden. Deze zou ongetwijfeld
die opmerking met eene onbeschoftheid beantwoord hebben, toen Thomas
Steel tusschen beiden trad, waardoor hij zijne beleediging voorzichtig
weerhield.
"Neen," sprak de brave Engelschman, "dat is geen eerlijk spel, zoo
met dien armen drommel om te springen, die niet eens verstaat wat
gij zegt!"
En de ronde kerel had er waarachtig spijt van, dat hij met de anderen
meegelachen had.
De zaak bleef dus daarbij. Maar weinige oogenblikken later merkte
Cyprianus niet zonder bevreemding op, dat de Chinees een slimmen
blik op hem vestigde, die wel is waar lichte spotternij verried,
maar ook van dankbaarheid getuigde. Toen kwam de gedachte bij hem op,
dat Li misschien meer van het Engelsch verstond, dan hij wel wilde
laten voorkomen.
Maar te vergeefs poogde hij op de volgende pleisterplaats een
gesprek met hem te beginnen. Het was onmogelijk een woord uit hem
te krijgen. De Chinees bleef onwrikbaar stom. Van toen af wekte dat
vreemdsoortig wezen de belangstelling van den jongen ingenieur op. Het
was hem alsof die man een raadsel was, waarvan hij de oplossing moest
vinden. Cyprianus bestudeerde dan ook zeer dikwijls dat geelachtige,
gladde, baardelooze gelaat; dien mond, die als door den houw van een
sabel gevormd scheen en bij het openen zeer witte tanden liet zien;
dien kleinen korten bekervormigen neus; dat breede voorhoofd, die
schuinstaande oogen, die bijna altijd neergeslagen waren, alsof zij
eene listige uiting wilden verbergen.
Hoe oud zou Li kunnen zijn? Was hij vijftien of telde hij zestig
jaren? Dit was onmogelijk uit te maken. Duidden zijne tanden, zijn
blik, zijn gitzwarte haren op eene prille jeugd, van een anderen kant
wezen de rimpels op zijn voorhoofd, zijne wangen, zijne mondhoeken
op een reeds gevorderden leeftijd. Hij was klein van stuk, slank
en van uitzicht vlug, evenwel met de oudachtige bewegingen van eene
bejaarde vrouw.
Was hij rijk of was hij arm? Dat was eene andere vraag, welker
beantwoording ook twijfel kon verwekken. Zijn grijslinnen broek,
zijn geelkatoenen kiel, zijn pet van gevlochten koord, zijne schoenen
met vilten zolen, die vlekkeloos witte kousen bedekten, konden zoowel
een eerste-klasse-mandarijn toebehooren als een man des volks. Zijne
bagage bestond uit een eenigen koffer, van rood hout vervaardigd,
op welks deksel, met zwarten inkt geschreven stond:
H. Li
from Canton to the Cape,
wat vertaald beteekent: H. Li, van Canton naar de Kaap.
Die Chinees was bovendien uitermate zindelijk, hij rookte niet, dronk
slechts water en benuttigde ieder oogenblik op de pleisterplaatsen
om zijn hoofd met de grootste zorgvuldigheid te scheeren. Cyprianus
kon er niet meer van te weten komen en gaf het weldra op dit levende
vraagstuk te ontraadselen.
Intusschen gingen de dagen voorbij en volgde de eene mijl op de
andere. Soms repten de paarden zich bijzonder. Een anderen keer
scheen het onmogelijk om hen den stap te doen versnellen. Maar de
reis raakte zoo langzamerhand aan haar einde, en op een fraaien dag
kwam de vervaarlijke postwagenkast te Hope-town aan. De volgende
pleisterplaats, die voorbijgetrokken werd, was Kimberley. Toen
verschenen houten hutten aan den gezichteinder.
Dat was New-Rush.
Daar verschilde het kamp der mijnwerkers in niets met die voorloopige
steden, in welke streken der aarde ook, door de beschaving opgebouwd
en die als door tooverij of als paddestoelen uit den grond verrijzen.
Planken gebouwen, meerendeels zeer klein en niet ongelijk aan de
huisjes en hutten der baanwachters langs Europeesche spoorwegen of
bij Europeesche werkplaatsen, hier en daar eenige tenten, eenige
dozijnen koffie- en drankhuizen, een biljartzaal, een Alhambra
of danszaal, "stores" of algemeene magazijnen van de eerste
levensbenoodigdheden,--ziedaar wat het oog het eerst ontdekte.
Er was van alles te koop in die winkels, kleederen en meubels,
schoenen en vensterglazen, boeken en rijzadels, wapenen en stoffen,
bezems en jacht- en krijgsbenoodigdheden, wollen dekens en sigaren,
versche groenten en geneesmiddelen, ploegen en fijne toiletzeepen,
nagelborstels en verduurzaamde melk, keukenkachels en steendrukplaten,
in één woord: er was alles, behalve koopers.
De reden daarvan was dat de bevolking zich nog op het mijnterrein
bevond, dat nog drie- of vierhonderd meters van New-Rush verwijderd
lag.
Cyprianus deed wat alle nieuw aangekomenen deden: hij spoedde zich naar
de mijnen, terwijl men het middagmaal toebereidde in de eenvoudige hut,
die met den hoogdravenden naam van _Hotel Continental_ begiftigd was.
Het was ongeveer zes uren in den namiddag. De zon begon zich reeds bij
den horizon met eene vergulde tint te omringen. De jonge ingenieur
merkte een keer te meer op de overgroote middellijn, welke zoowel
de dagvorstin als de maan onder deze zuidelijke breedten aanneemt,
zonder dat daarvan vooralsnog eene voldoende verklaring is kunnen
gegeven worden. Die middellijn scheen wel dubbel zoo groot te zijn
als die in Europa waargenomen wordt.
Maar een ander en meer nieuw schouwspel wachtte Cyprianus Méré bij
de Kopjes-mijn, namelijk op het terrein der diamantdelving zelf.
Bij den aanvang der werkzaamheden vormde de mijn een kleinen
platkoppigen heuvel, die de vlakte, welke overal elders zoo
gelijk als de oppervlakte der zee was, op deze plek als met een
bult opschikte. Thans evenwel vertoonde die bult eene onmetelijke,
uitholling met trechtervormig toeloopende wanden, een soort van circus
van elliptischen vorm, die eene oppervlakte besloeg van ongeveer
veertig vierkante meters. Die oppervlakte bevatte niet minder dan
drie- of vierhonderd "claims" of mijnvergunningen, die eenendertig
voet zijden matten en die door de rechthebbenden naar eigen goedvinden
ontgonnen werden.
De arbeid bestaat doodeenvoudig daarin, dat de aarde met pikhouweel en
schop uit dien bodem, die over het algemeen uit een soort roodachtig
zand vermengd met puin bestaat, losgewerkt wordt. Dan wordt die
aarde buiten de mijnboorden gebracht en verder naar de uitzoek-tafels
vervoerd, om daar uitgewasschen, gestampt, gezeefd en met de grootste
zorg uitgezocht te worden, om te zien of zij geen kostbare gesteenten
bevat.
Al die claims zijn onafhankelijk van en zonder verbinding met elkander
gegraven, en vormen natuurlijk kuilen van verschillende diepte. Er
zijn er die honderd meter en dieper bereiken, anderen peilen slechts
vijftien, twintig of dertig meter.
Ieder begiftigde is ter wille van den arbeid, ook van het vrije
verkeer in de mijn, door de officiëele reglementen verplicht langs
een der zijden van zijn put eene breedte gronds van zeven voet geheel
onaangeroerd te laten. Die ruimte, vermeerderd met een gelijke breedte
langs den put van den buurman, spaart eene soort weg of dijk uit,
die de oppervlakte van den oorspronkelijken bodem uitmaakte.
Dwars over dien dijk of banket wordt eene opeenvolging van balken
gelegd, die aan weerszijden ongeveer een meter uitsteken en daardoor
eene voldoende breedte daarstellen, dat twee wagentjes elkander zonder
gevaar van aanhaking kunnen voorbijrijden.
Ongelukkig voor de stevigheid van dien hangweg, en ook voor de
veiligheid der mijnwerkers, gaan de meeste der concessionarissen er
toe over den grond, die den voet van den muur vormt, trapsgewijze
uit te steken naarmate de uitgravingen dieper vorderen, zoodat de
vorenbedoelde balken, die soms boven eene dubbele hoogte van die der
torens van de O.L. Vrouwekerk te Parijs uitsteken, eigenlijk op het
grondvlak liggen eener piramide, die op hare punt zou rusten. Het
gevolg van zulk een gevaarlijke manier van werken is gemakkelijk te
voorzien, namelijk dat die dijken veelvuldig, hetzij in den regentijd,
hetzij bij plotselinge temperatuurswisselingen, waardoor barsten in den
grond ontstaan, instorten. Maar die schier regelmatig terugkeerende
ongelukken verhinderen de onvoorzichtige mijnwerkers niet, hun claim
tot aan den uitersten grenswand uit te graven.
Toen Cyprianus de mijn naderde, zag hij niets anders dan karren,
geladen of ledig, die langs die hangwegen voortreden. Maar toen hij
genoegzaam tot den rand genaderd was om den blik in de mijn te laten
doordringen, toen bespeurde hij daar eene menigte mijnwerkers van ieder
ras, van iedere kleur, van iedere kleeding, die met ijver beneden in
die claims arbeidden. Daar waren negers en blanken, Europeanen en
Afrikanen, Mongolen en Celten, het meerendeel bijna totaal naakt,
of slechts met een linnen broek of een flanellen of katoenen hemd
gekleed, terwijl zij op het hoofd breedrandige stroohoeden droegen,
die veelal met struisvederen getooid waren.
Al die mannen vulden lederen emmers met aarde en heschen die
vervolgens door middel van koorden van koevellen vervaardigd langs
dikke ijzerdraadkabels, die door groote houten cilinders in beweging
werden gebracht, op naar den rand der mijn. Daar werden die emmers zoo
spoedig mogelijk in karren geledigd en daalden weer in den claim af,
om andermaal gevuld naar boven gehaald te worden.
Die lange ijzeren kabels waren diagonaalsgewijze in de
parellelopipedums gespannen, die door de claims gevormd werden, en
verleenden aan de "dry diggings" of aan de zoogenaamde diamantmijnen
in den drogen grond een bijzonder uitzicht en karakter. Men zou gezegd
hebben dat het de hoofddraden waren van een monster-spinneweb, waarvan
de vervaardiging plotseling gestoord en onderbroken was geworden.
Cyprianus schepte een poos vermaak in het beschouwen van dat
menschelijke mierennest. Daarna keerde hij naar New-Rush terug, waar
de klok, die de gasten aan tafel riep, zich weldra liet hooren. Daar
smaakte hij het genoegen, den geheelen avond hier en daar te hooren
snoeven op wonderbaarlijke vondsten, mijnwerkers die arm als job
waren, maar die door het vinden van een enkelen diamant schatrijk
geworden waren, terwijl anderen slechts pruttelden over hun ongelukkig
gesternte, over de schraapzucht der handelaren, over de trouweloosheid
der Kaffers, die in de mijnen te werk gesteld waren en die kostbare
steenen stalen, en andere dergelijke technische gesprekken. Men sprak
slechts over diamanten, over karaten en over honderden ponden sterling.
Iedereen zag er over het algemeen in die streek ellendig uit, en
tegenover een enkelen gelukkigen digger, die met snoevende stem een
flesch champagne bestelde om op zijn welslagen een lekker glas te
drinken, zag men zeker twintig lange gezichten, waarvan de weemoedige
eigenaars zich met een dun en schraal bier vergenoegden.
Nu en dan ging er een steen rond de tafel van hand tot hand, om
gewogen, beoordeeld en geschat te worden, en om eindelijk terug te
keeren in den gordel van zijn bezitter. Die grijsachtige en doffe
keisteen, die niet meer glans vertoonde dan een gewone silex, die
door een beek of bergstroom gerold zoude zijn, was de diamant in zijn
omhulling of ganggesteente.
De koffiehuizen vulden zich tegen het vallen van den avond, en dan
werden dezelfde gesprekken, dezelfde twistredenen als die, welke het
etensuur verlevendigd hadden, vernomen, terwijl de bezoekers hun glas
gin of brandy verorberden.
Cyprianus had vroeg zijn bed opgezocht, dat onder eene tent in de
nabijheid van het hotel gespreid was. Daar sliep hij weldra in op
het geluid van eene danspartij in de open lucht, die door eenige
Kaffersche mijnwerkers ergens in de buurt gegeven werd, en op het
schel geluid van een klephoorn, die in een openbaar danshuis de maat
aangaf bij de chorographische sprongen van eenige blanke heeren.
DERDE HOOFDSTUK.
EEN WEINIG WETENSCHAP VAN HARTE ONDERWEZEN.
Ter wille van de billijkheid wordt het tijd om te verklaren, dat onze
jonge ingenieur niet in Grikwaland gekomen was om zijn tijd in die
atmosfeer van schraapzucht, van dronkenschap en tabakslucht door te
brengen. Neen, hij had in opdracht om topographische en geologische
opnemingen van sommige gedeelten van die landstreek te bewerkstelligen,
om monsters van rotssteenen en van diamanthoudende lagen te verzamelen,
en om ter plaatse zorgvuldige analyses uit te voeren. Zijne eerste
zorg moest dan ook zijn om zich een stille woning te verschaffen,
waarin hij zijn laboratorium kon onder dak brengen en die als het
uitgangspunt van zijn verkenningstochten door het geheele mijndistrict
moest aangemerkt worden.
De heuvel of het bergje waarop de pachthoeve van Watkins gelegen
was, trok weldra zijne aandacht tot zich als eene standplaats,
die als buitengewoon gunstig voor zijne werkzaamheden beschouwd kon
worden. Zij was ver genoeg van het mijnwerkerskamp verwijderd, om
slechts weinig van de luidruchtigheid van die nabuurschap te lijden
te hebben. Cyprianus was daar ongeveer op een uur afstand van de
meest verwijderde Kopjes--want het geheele diamantdistrict meet ter
nauwernood een omtrek van tien of twaalf kilometers. Hij kwam er dus
toe om een der huizen, door John Watkins verlaten, te kiezen, daarvan
de huur te bepalen, en er in te trekken, hetgeen alles bij elkander
geteld hem ter nauwernood een halven dag ontroofde. Overigens toonde
de Engelschman zich niet schraapzuchtig bij de verhuur; want eigenlijk
verveelde hij zich zeer in zijne eenzaamheid, en hij zag met genoegen
dat de jonkman zich in zijne nabijheid kwam vestigen, overtuigd als
hij was, dat hij van hem wel eenige verstrooiing verwachten kon.
Maar als Mr. Watkins er op gerekend had, in zijn huurder een
tafelmakker of een partner bij zijn bestormingsplannen ten opzichte
van zijne ginkruik te vinden, dan had hij toch buiten den waard
gerekend. Nauwelijks had Cyprianus zijn laboratorium met zijn kolven,
zijne haardvuren en zijne reaktiven in orde gebracht in het huis dat
hij gehuurd had--en zelfs nog voordat de voornaamste bestanddeelen van
zijn laboratorium aangekomen waren--of hij had reeds een begin met
zijne geologische omzwervingen in het mijndistrict gemaakt. Wanneer
hij dan ook des avonds, doodmoe en zijn zinken doos, zijne jachttasch,
zijne zakken en zijn hoed zelfs met rotsblokken gevuld te huis kwam,
dan had hij meer lust om zijn bed op te zoeken en in den slaap herstel
van krachten te zoeken, dan de oudbakken praatjes en vertellingen van
Mr. Watkins te gaan aanhooren. Daarenboven, hij rookte weinig en dronk
nog minder, zoodat hij eigenlijk het ideaal van den vroolijken makker,
dien zich de pachter gedroomd had, niet verwezenlijkte.
Toch was Cyprianus zoo loyaal en zoo goedhartig, zoo eenvoudig van
manieren en van gevoelen, zoo geleerd en evenwel zoo bescheiden en
zedig, dat het onmogelijk was, wanneer men voortdurend met hem in
aanraking kwam, zich niet aan hem te hechten. Mr. Watkins--misschien
deed hij het geheel onbewust--koesterde dan ook meer eerbied voor den
jeugdigen ingenieur, dan hij ooit iemand bewezen had. Als die jongen
slechts een fatsoenlijk slokje had kunnen drinken! Maar wat toch
aan te vangen met iemand die den kleinsten droppel gin niet in het
keelgat verdragen kon? Zoo eindigden regelmatig de oordeelvellingen,
die de pachter over zijn huurder uitbracht.
Wat miss Watkins betreft, deze had zich dadelijk met den jeugdigen
geleerde op den voet eener goede en vrije kameraadschap geplaatst. Zij
trof in hem eene geestesmeerderheid aan, die zij in hare gewone
omgeving te vergeefs zocht, en zij had dan ook de gelegenheid, die
zich zoo onverwacht aangeboden had, met gretigheid waargenomen,
om door eenige grondbeginselen der practische scheikunde de zeer
degelijke en uiteenloopende opvoeding te voltooien, die zij vooral
geput had uit de wetenschappelijke werken, welke zij bij voorkeur
tot onderwerp van lectuur koos.
Het laboratorium van den jeugdigen ingenieur met zijne vreemdsoortige
toestellen wekte verbazend hare belangstelling op. Zij wenschte
vooral alles te weten wat op het wezen der diamanten betrekking had,
op die kostbare steenen, die in de gesprekken en in den handel van
het land eene zoo groote plaats innamen. En inderdaad, Alice had
wel neiging om dat gesteente slechts als een leelijken keisteen te
beschouwen. Cyprianus--dat begreep zij wel--deelde op dat punt geheel
en al hare geringschatting. Die eensgezindheid van denkbeelden was
niet vreemd gebleven aan de vriendschap, die tusschen de twee jonge
lieden ontstaan was. Zij waren de eenigen in Grikwaland, dat kon
veilig betuigd worden, die er niet aan geloofden, dat het eenige
doeleinde van het menschelijk leven was of moest zijn: het zoeken,
het kloven, het slijpen en het verkoopen van die kleine steentjes,
die door de geheele wereld zoo zeer begeerd worden.
"Het diamant," legde haar eens de jonge ingenieur uit, "is
heel eenvoudig niets anders dan zuivere koolstof. Het is een stuk
gekristaliseerde kool, niets anders. Men kan het verbranden evenals een
gewone doove kool, en die eigenschap van verbrandbaarheid heeft voor
de eerste maal den aard zijner vorming, zijner grondbestanddeelen doen
gissen. Newton, die zooveel zaken waargenomen heeft, had opgemerkt
dat de geslepen diamant het licht meer weerkaatst dan eenig ander
doorschijnend lichaam. Daar hij nu wist dat die hoedanigheid den
meesten brandbaren lichamen eigen is, zoo trok hij met zijne gewone
stoutmoedigheid daaruit de gevolgtrekking, dat het diamant brandbaar
_moest_ zijn. Er eene kort daarop gevolgde proefneming stelde hem
geheel in het gelijk."
"Maar, mijnheer Méré," vroeg het jonge meisje, "als het diamant
slechts kool is, waarom is het dan zoo duur?"
"Omdat het zeer zeldzaam is, mejuffrouw Alice," antwoordde Cyprianus,
"en omdat het nog maar in zeer kleine hoeveelheden in de natuur
aangetroffen wordt. Gedurende langen tijd trok men het alleen
uit Indië, uit Brazilië en uit het eiland Borneo. Gij moet het u
ongetwijfeld nog herinneren, want gij waart toen zeven of acht jaren
oud, het tijdstip waarop voor de eerste maal de tegenwoordigheid van
diamant in dit gedeelte van Zuid-Afrika aangeduid werd."
"Voorzeker herinner ik mij dat," antwoordde miss Watkins. "Een ieder
in Grikwaland gedroeg zich of hij gek was! Men zag slechts lieden,
gewapend met schoppen en spaden, die al de terreinen nauwkeurig
onderzochten, die den loop der beken afleidden en wijzigden, om hare
beddingen na te pluizen, en die slechts over diamanten droomden en
spraken! Hoe klein ik destijds ook was, mijnheer Méré, zoo verveelden
die gesprekken mij toch somtijds. Maar gij zeidet straks, dat het
diamant duur is, omdat het zeldzaam voorkomt.... Bestaat zijn waarde
alleen in die zeldzaamheid?"
"Dat nu juist niet, miss Watkins. Zijne doorschijnendheid, zijn
glans, wanneer hij doelmatig genoeg geslepen is om de lichtstralen te
weerkaatsen, de verbazende moeilijkheid van dat slijpen en eindelijk
zijne buitengewone hardheid zijn zoovele oorzaken, dat de diamant voor
den geleerde een zeer belangwekkend lichaam oplevert, waarbij ik voeg,
dat hij voor de nijverheid zeer veel nuttigs heeft. Gij weet zeker dat
men hem alleen met zijn eigen stof kan polijsten, en het is die niet
genoeg te waardeeren hardheid, die veroorlooft om hem sedert eenige
jaren voor de doorboring van rotsen te bezigen. Zonder zijne hulp zou
het bewerken van het glas en van andere zeer harde zelfstandigheid
niet alleen zeer moeilijk zijn, maar ook het boren van tunnels, het
openen van mijngalerijen, het vervaardigen van artesische putten zou
meer moeilijkheden aanbieden."
"O! nu begrijp ik het," zei Alice, die plotseling een soort achting
in zich voelde opwellen voor die arme diamanten, die zij tot heden
zoozeer versmaad had. "Maar, mijnheer Méré, wat is die koolstof toch
waaruit het diamant in kristalvorm bestaat? Ik druk mij immers goed
uit, niet waar? Waaruit bestaat zij?"
"Dat is een enkelvoudig, niet samengesteld lichaam, tot de metaalloïden
of niet metalen behoorende, hetwelk het meest verbreid in de natuur
voorkomt," antwoordde Cyprianus. "Alle organisch samengestelde
lichamen, zonder eenige uitzondering, als het hout, het vleesch, het
brood, het gras, bevatten het in groote en belangrijke hoeveelheid. Zij
zijn zelfs aan de aanwezigheid der koolstof in hare bestanddeelen,
den graad van verwantschap verschuldigd, dien men onder hen opmerkt."
"Wat vreemde overeenkomst!" zei miss Watkins. "Zoodat die struiken
daarginds, en het gras van dat weiland, en de boom, die ons met zijne
schaduw beschut, en het vleesch van mijn struisvogel Dada, en ik zelf,
en gij ook, mijnheer Méré, allen gedeeltelijk van koolstof vervaardigd
zijn, evenals de diamanten? Alles is dus maar kool in deze wereld?"
"Zeker, juffrouw Alice! Men had daarvan reeds sedert lang een
voorgevoel; maar de hedendaagsche wetenschap heeft de strekking, dat
al meer en meer en ook afdoend aan te toonen. Of, om duidelijker te
spreken, zij heeft de strekking om het getal enkelvoudige lichamen al
minder te doen worden; en toch werd dat getal vroeger als onwrikbaar
vastgesteld beschouwd. De spectroscopische waarnemingen hebben in
den laatsten tijd dienaangaande een nieuw licht over de scheikunde
doen opgaan. Zoo kan het wel zijn, dat de twee en zestig lichamen,
die als enkelvoudige of niet samengestelde gerangschikt waren, slechts
eene enkele atomische zelfstandigheid--de waterstof wellicht--bestaan,
die op verschillende elektrische, dynamische en warmtegevende wijzen
bewerktuigd zijn."
"O! gij jaagt mij angst aan, mijnheer Méré, met al die groote woorden,"
riep Miss Watkins uit. "Spreek mij maar liever over koolstof: Zoudt
gij, heeren deskundigen, die stof ook niet kunnen kristalliseeren,
zooals gij met de zwavel doet en waarvan gij mij onlangs zulke fraaie
aangeschoten naalden hebt laten zien? Dat zou oneindig gemakkelijker
zijn, dan daar gaten in den grond te gaan graven om er diamanten
te zoeken!"
"Men heeft dikwijls trachten te verwezenlijken, wat gij daar zegt,"
antwoordde Cyprianus. "Ja, men heeft dikwerf getracht om langs
kunstmatigen weg diamant te vervaardigen, en dat wel door zuivere
koolstof te kristalliseeren. Ik ben verplicht er bij te voegen,
dat men zelfs in zekere mate geslaagd is, Despretz heeft in 1853,
en nu nog kort geleden in Engeland een ander geleerde, diamantstof
verkregen, door cilinders van koolstof, die van iedere mineralische
stof gezuiverd en van kandijsuiker vervaardigd waren, aan een zeer
sterken elektrischen stroom in het luchtledige te onderwerpen. Maar
tot heden heeft dat succes hoegenaamd geene handelswaarde, hoewel het
zeer waarschijnlijk is, dat dit nu slechts meer een quaestie van tijd
zal zijn. Den eenen of anderen dag zal de vervaardiging van diamant
gevonden worden, en wie weet, miss Watkins, of die vinding op het
oogenblik dat wij er over spreken, niet reeds geschied is!"
Zoo koutten zij, terwijl zij op het met zand bestrooide plein,
hetwelk zich langs de pachthoeve uitstrekte, heen en weer wandelden,
of als zij des avonds onder de lichte veranda gezeten waren en naar
het glinsteren van den zuidelijken sterrenhemel keken.
Dan verliet Alice gewoonlijk den jeugdigen ingenieur, om naar de
hoeve terug te keeren, tenzij zij hem meenam om hare kleine kudde
struisvogels te zien, die in eene kleine omsloten ruimte bewaakt
werden, welke aan den voet van den heuvel gelegen was, waarop de woning
van John Watkins was gebouwd. De kleine witte kop dezer dieren, die
zich op een zwartachtig lichaam verhief, hunne dikke stijve pooten, de
bossen geelachtige veeren, die hun lichaam ter zijde en op de vleugels
en aan den staart versieren, dat alles boezemde het jonge meisje belang
in, waardoor zij er dan ook sedert een of twee jaren toe gekomen was,
om eene geheele kudde van die reusachtige steltloopers op te voeden.
Gewoonlijk gaat men er niet toe over, deze vogels tot huisdieren te
vervormen. De pachters aan de Kaap laten hen eer in een zekeren wilden
staat voortleven. Zij vergenoegen zich om hen in een omheining van een
buitengewoon grooten omvang af te sluiten, die door hooge schuttingen
van ijzerdraad gevormd wordt, nagenoeg gelijk aan die welke in sommige
landen langs de spoorwegen aangetroffen worden. De struisvogels,
die weinig geschikt zijn om te kunnen vliegen, kunnen daar niet over
heen. Daarin leven zij het geheele jaar door in een gevangenschap,
die zij zelfs niet vermoeden, voeden zich met hetgeen zij vinden, en
zoeken afgelegen hoekjes uit om hunne eieren, die door zeer strenge
wetten tegen diefstal beschermd worden, te leggen. Tegen den ruitijd
evenwel, wanneer het er op aan komt om de mooie veeren machtig te
worden, die door de dames in Europa zoo gezocht zijn, dan jagen de
drijvers de struisvogels in eene reeks van afgesloten perken, die
al nauwer en nauwer worden, totdat het gemakkelijk is hen te vatten,
als wanneer hun vederentooi hun ontrukt wordt.
Die tak van nijverheid heeft sedert de laatste jaren in de omstreken
van de Kaap eene buitengewone vlucht genomen, en het is waarachtig
te verwonderen, dat die ter nauwernood in Algiers is ingevoerd, waar
er niet minder goede resultaten van verwacht konden worden. Iedere
struisvogel, die zoo in gevangenschap leeft, brengt zijn bezitter
een jaarlijksch inkomen op, dat tusschen twee en drie honderd
francs mag geraamd worden, en dat zonder eenige kosten hoegenaamd te
veroorzaken. Om dit den lezer goed te doen begrijpen, dienen wij mede
te deelen, dat een groote veer, wanneer zij van goede kwaliteit is,
voor zestig en zelfs voor tachtig francs, de gewone handelsprijs,
verkocht wordt, alsook dat de middelsoort veeren en de kleine ook
eene vrij groote waarde vertegenwoordigen.
Miss Watkins onderhield slechts voor haar vermaak een twaalftal van
die groote dieren! Zij schepte er genoegen in, hen hunne groote eieren
te zien uitbroeden, en vond het een verrukkelijk gezicht, wanneer zij
met hare kuikens haar voeder kwam nuttigen, evenals gewone kippen of
kalkoenen zouden gedaan hebben. Cyprianus begeleidde het jonge meisje
soms daarbij, en schepte er zelfs genoegen in om een der fraaiste van
den troep, een zekeren struisvogel met zwarten kop en gulden oogen,
te streelen, juist den zoo gevierden Dada, die den ivoren maasbal
opgeslikt had, waarvan Alice zich bij het kousenstoppen gewoonlijk
bediende.
Cyprianus voelde allengs een dieper en teederder gevoel ten opzichte
van dat jonge meisje zijn hart binnensluipen. Hij overreedde zich,
dat hij nimmer eene gezellin zou vinden, aan wier hand hij het leven
wenschte te doorwandelen, dat leven van arbeid en overdenkingen,
hetwelk hij leidde, die zoo eenvoudig van harte was, die levendiger
van begrip, daarbij even zacht, beminnenswaardig en volmaakt zoude zijn
als zij. En werkelijk, daar miss Watkins hare moeder reeds op jeugdigen
leeftijd verloren had, was zij verplicht geweest reeds vroegtijdig de
zorgen in het vaderlijke huis voor hare rekening te nemen, waardoor
zij tot een degelijke huisvrouw, zoowel, als tot eene vrouw, die zich
in de wereld beschaafd voordeed, gevormd werd. Het was zelfs juist dat
mengsel van volmaakte voornaamheid en van ongekunstelde eenvoudigheid,
hetwelk haar zooveel bekoorlijkheid bijzette. Zonder dat haar de
dwaze vooroordeelen en pretenties van zooveel bevallige bewoonsters
van de Europeesche steden aankleefden, zag ze er volstrekt niet tegen
op hare blanke handjes te gebruiken om een puddingdeeg te kneeden,
ook niet om een oog op het gereed maken van het middagmaal te houden,
en nog minder om na te gaan of het linnen in het huisgezin in goeden
staat was. En dat alles belette haar niet om de fraaiste sonaten van
Beethoven even goed, zoo niet beter dan eenige andere ten gehoore
te brengen, om twee of meer talen zoo zuiver mogelijk te spreken om
de lectuur hartstochtelijk lief te hebben, om de meesterstukken van
iedere soort letterkunde te kunnen apprecieeren, en eindelijk om heel
veel succes te genieten in de kleine vereenigingen, die bij de rijke
pachters van het district gehouden werden.
Niet dat de bekoorlijke en welopgevoede vrouwen schaarsch zouden
geweest zijn in die vereenigingen. In Transvaal zoowel als in Amerika,
als in Australië en als in die jeugdige landen, waar de materieele
arbeidskrachten bij het invoeren eener ontluikende beschaving der
mannen uitsluitend deel is, daar is de geestesontwikkeling nog
meer dan in Europa het uitsluitend deel der vrouw. Daar zijn zij
dan ook meestal meer ontwikkeld dan hare echtgenooten of zonen,
wat algemeene opvoeding en kunstzin aangaat. Bijna alle reizigers
hebben niet zonder groote verwondering bij menige echtgenoote van
een Australische mijnwerker of van een squatter in het Far-West een
muzikaal talent van de eerste orde aangetroffen, soms gepaard aan de
degelijkste litterarische of wetenschappelijke kennis. De dochter van
den voddenrapper te Omaha of van een spekslager in Melbourne zou bij
de gedachte blozen, dat zij in opvoeding, onderricht, goede manieren
en verdere volmaaktheden beneden eene vorstin van het oude Europa
zoude kunnen staan. In den Oranje-Vrijstaat, waar de opvoeding der
meisjes reeds sedert lang aan die der jongens gelijk is, maar waar
deze laatsten de schoolbanken veel vroeger ontvlieden, is dat contrast
tusschen de beide geslachten meer waar te nemen dan ergens anders. De
man is daar in het huishouden de broodwinner. Hij behoudt daarbij de
hem aangeboren ruwheid, en verkrijgt die, welke hem door zijn arbeid
in de open lucht, en door een geheel leven vol moeiten en gevaren
medegedeeld worden. De vrouw integendeel aanvaardt dan, behalve hare
huiselijke plichten, ook de beoefening der kunsten en der letteren,
die door haren echtgenoot veronachtzaamd of verwaarloosd worden.
En zoo gebeurt het, dat eene wezenlijke bloem van schoonheid, van
voornaamheid en bekoorlijkheid op de grenzen der woestijn bloeit. En
zoo was het ook hier het geval met de dochter van den pachter John
Watkins.
Cyprianus had dat alles overwogen en, daar hij recht op het doel
afging, zoo had hij geen oogenblik geaarzeld, om zijn aanzoek te doen.
Helaas, zijn schoone droom was thans geëindigd. Hij zag thans voor
de eerste maal den bijna onoverkomelijken afgrond, die hem van Alice
scheidde. Hij kwam dan ook na dat onderhoud met een benepen hart te
huis. Hij was evenwel de man niet, om zich aan een ijdele wanhoop over
te geven. Hij was besloten te strijden, te strijden op dat terrein,
terwijl hij in den arbeid weldra een zekere afleiding voor zijne
smart vond.
De jeugdige ingenieur eindigde, nadat hij aan zijne kleine
schrijftafel plaats genomen had, met een loopend en fijn schrift,
den langen en vertrouwelijken brief, dien hij des morgens begonnen
was en die geadresseerd was aan zijn hooggeachten onderwijzer, den
heer M.J. .... lid van de Akademie van Wetenschappen en professor
aan de Mijnschool.
".... Wat ik niet heb moge neerschrijven in mijne officiëele memorie,"
schreef hij, "omdat het voor mij nog slechts eene hypothese vormt, is
het denkbeeld, dat ik wel geneigd ben aan te nemen na de veelvuldige
geologische waarnemingen, die ik gedaan heb op het terrein, omtrent de
ware wijze van ontstaan van den diamant. Noch de hypothese, die hem een
vulkanischen oorsprong verleent, noch die, welke zijne verschijning in
de tegenwoordige lagen, waarin hij aangetroffen wordt, aan ontzettende
omkeeringen in de natuur toeschrijft, kunnen mij evenmin als u, waarde
leermeester, voldoen. Ik heb voor u de beweegredenen niet op te sommen,
die mij hun doen miskennen. De vorming van den diamant op de plaats
door de werking van het vuur, is ook eene te nevelachtige opvatting,
die mij evenmin voldoet. Welken aard zou dat vuur gehad hebben, en hoe
komt het dat het vuur de kalkgesteenten van allerhande soorten, die in
de diamanten legeringen aangetroffen worden, niet gewijzigd heeft? Die
stelling komt mij eenvoudig kinderachtig voor, geheel en al als de
evenknie van de leer der dwarrelwinden of van die der gehaakte atomen.
"De eenige uitlegging, die mij zou kunnen voldoen, zoo niet geheel dan
toch binnen zekere grenzen, is die van den aanvoer door waterkracht
van de bestanddeelen der oorspronkelijke kiem, en van hare latere
kristalvorming op de plaats. Ik ben zeer getroffen door het bijzondere,
bijna gelijkvormige profiel van de verschillende legeringen, die
ik in oogenschouw genomen en met de meeste zorg gemeten heb. Allen
vertoonen min of meer den vorm van een soort beker of een soort
kopvormige schaal of nog eerder, wanneer rekening gehouden wordt
met de korst die ze omgeeft, van eene jagerflesch, die op haren kant
zoude liggen. Het is als een ontvanger van dertig of veertig duizend
kubieke meters, waarin een geheel agglomeraat van zand, van modder en
van aanslibbingsgrond, op een bodem van oorspronkelijk rotsgesteente
verzameld zoude zijn. Dit karakter valt vooral op te merken bij de
Vandergaart-Kopjes-Mijn, een van de laatst ontdekte legeringen, die,
zooals ik het ter loops kan mededeelen, toebehoort aan den eigenaar
van de hut, waarin ik u zit te schrijven.
"Wanneer men in eene kop- of komvormige schaal een vocht schenkt,
waarin vreemde stoffen in oplossing zijn, wat gebeurt er dan? Al
die vreemde lichamen ploffen voornamelijk op den bodem en langs de
wanden van de kopvormige schaal neer. Welnu, hetzelfde wordt in de
Kopjes-mijn waargenomen. Vooral in den bodem, in het centrum van het
bekken, maar ook langs de uiterste grens daarvan worden de diamanten
aangetroffen. En dat feit staat zoo vast en is zoo zeer bekend,
dat de daartusschen liggende claims spoedig beneden den middelbaren
prijs dalen, terwijl de centrale concessiën of die in de nabijheid
der wanden van het bekken al zeer spoedig een buitensporigen prijs
erlangen, wanneer maar eenmaal de vorm van de legering bepaald is. Die
overeenkomst pleit dus ten sterkste ten voordeele van een vervoer
der bestanddeelen door het water.
"Van een anderen kant bestaan een groot aantal omstandigheden, die gij
allen in mijne memorie zult vinden, en die op eene vorming op de plaats
der kristallen wijzen bij voorkeur boven een vervoer in reeds gevormden
toestand. Om daarvan maar twee of drie aan te halen, kan dienen, dat de
diamanten bijna altijd vereenigd bij groepen van dezelfde geaardheid
en van dezelfde kleur aangetroffen worden, wat zeker niet gebeurd
zou zijn, wanneer zij door een bergstroom aangevoerd waren in reeds
gevormden staat. Men vindt er zeer dikwijls twee die samengevoegd,
als aan elkander gegroeid zijn, maar die zich bij den minsten schok
scheiden. Hoe zouden zij aan het gewrijf en aan de wisselvalligheden,
van een vervoer door stroomend water veroorzaakt, hebben kunnen
weerstand bieden? Daarbij de zware diamanten worden steeds als
beschut door eene rots aangetroffen, hetgeen er op zou duiden, dat
het de invloed van die rots is--hare warmte-uitstraling of wie weet
welke andere oorzaak, die de kristalvorming bevorderd heeft. Het
is zeldzaam ten slotte, zeer zeldzaam zelfs, dat groote en kleine
diamanten bij elkander worden aangetroffen. Telkens wanneer een fraaie
steen aangetroffen wordt, is geen andere in de onmiddellijke nabijheid
gevonden. Het is alsof alle diamantenstof-houdende bestanddeelen van
het omringende nest, om dat zoo eens uit te drukken, zich ditmaal
onder den invloed van bijzondere omstandigheden, tot één enkelen
kristal verdicht hebben.
"Deze omstandigheden en vele anderen daarenboven doen mij dus
overhellen tot de hypothese der wording op de plaats zelve, nadat de
bestanddeelen voor de kristalvorming door den waterstroom bijgebracht
zijn.
"Maar vanwaar kwamen die wateren die de organische bestanddeelen
meeslibden, die bestemd waren om in diamanten omgezet te worden? Zie,
dat heb ik in weerwil van de meest oplettende studie, die ik van de
verschillende terreinsoorten gemaakt heb, niet kunnen opsporen.
"Die ontdekking zou toch niet van belang ontbloot zijn. Want kon men
inderdaad den weg volgen, die door de wateren gebaand is, waarom zou
men dan, door steeds hooger op te gaan, het uitgangspunt niet vinden,
waaruit al de diamanten hunnen oorsprong gehad hebben, daar waar er
voorzeker een veel grootere menigte aanwezig moeten zijn, dan in de
tegenwoordige kleine bekkens, die ontgonnen worden, het geval is? Dat
zou een volledig bewijs voor mijne stelling zijn en dat zou mij zeer
gelukkig maken.
"Ik ben evenwel bij mijne ontledingen der rotsen gelukkiger geweest."
En nu trad de jonge ingenieur, terwijl hij zijn verhaal voortzette ten
opzichte van zijne werkzaamheden, in technische bijzonderheden, die
ongetwijfeld van het hoogste belang voor hem en zijnen correspondent
waren, maar die van den minder wetenschappelijke gevormden lezer
waarschijnlijk diezelfde uitspraak niet zouden erlangen. Daarom achten
wij het voorzichtig hem die te besparen.
Cyprianus doofde te middernacht, na zijn langen brief geëindigd te
hebben, zijne lamp uit, kroop in zijn hangmat en sliep weldra den
gerusten slaap des rechtvaardigen.
De arbeid had de smart althans gedurende eenige uren verstompt. Een
bevallige verschijning evenwel liet zich herhaalde malen te midden
der droomen van den jongen geleerde bespeuren en die verschijning
zeide hem dat hij nog niet moest wanhopen.
VIERDE HOOFDSTUK.
DE VAN DER GAART-KOPJES-MIJN.
"Waarachtig, ik moet vertrekken," sprak Cyprianus Méré den volgenden
morgen tot zich zelven, terwijl hij bezig was zijn morgentoilet te
maken. "Ja, ik moet Grikwaland verlaten! Na alles wat die man mij
voorgespiegeld heeft, zou het meer dan zwakheid wezen, wanneer ik nog
een dag hier bleef! Hij wil mij zijne dochter niet geven? Misschien
heeft hij wel gelijk! In ieder geval past het mij niet bij deze
gelegenheid verzachtende omstandigheden te bepleiten. Ik moet met
mannelijken moed die uitspraak, hoe smartelijk zij mij ook is,
aanvaarden en mag slechts op de toekomst hopen!"
En zonder langer te dralen, begon Cyprianus zijne werktuigen in de
kisten te pakken, die hij bewaard had om ze bij wijze van buffetten
en kasten te bezigen. Hij was ijverig in de weer en hij arbeidde
sedert een uur of twee dapper, toen een heldere stem door het geopende
venster met de morgenlucht naar binnen drong en weerklonk alsof een
leeuweriken-gezang van den voet van het buitenplein tot hem opsteeg
en een der heerlijkste melodiën van den dichter Moor voordroeg:
"It is the last rose of summer,
Left blooming alone;
All her lovely companions
Are faded and gone".
"Dit is de laatste zomerroos, die thans nog bloeit, alle hare
beminnelijke gezellinnen zijn verwelkt of dood."
Cyprianus liep naar het venster en bemerkte Alice, die zich naar de
omheinde plaats begaf, waar hare struisvogels gestald waren. Zij had
haren voorschoot vol lekkernijen volgens hunnen smaak. En zij was het,
die zoo de rijzende zon met haar gezang begroette.
"I will not leave thee, thou lone one!
To pine on the stem,
Since the lovely are sleeping.
Go sleep with them...."
"Ik zal u niet laten--u geheel alleen--kwijnen op uw stengel, terwijl
de andere schoonen zijn gaan slapen. Kom, slaap met haar!"
De jeugdige ingenieur meende, dat hij niet bijzonder gevoelig was voor
de dichtkunst, en toch, die verzen maakten diepen indruk op hem. Hij
bleef bij het raam staan, hield zijn adem in en luisterde naar die
lieve woorden, of beter uitgedrukt, hij dronk ze.
Het zingen hield op. Miss Watkins deelde het voeder aan hare
struisvogels uit en schepte er groot genoegen in, hen hunne lange
halzen en hunne eigenaardige bekken te zien uitrekken bij het naderen
van hare kleine plaagzieke hand. Toen zij hare uitdeeling beëindigd
had, keerde zij naar het woonhuis terug en zong andermaal:
"It is the last rose of summer,
Left blooming alone....
Oh! who would inhabit
This black world alone?"....
"Dit is de laatste zomerroos, die thans nog bloeit. Ach, wie zou
geheel alleen deze sombere wereld willen bewonen?"
Cyprianus stond met vochtige oogen steeds op dezelfde plaats en scheen
als vastgenageld door eene betoovering.
De stem verwijderde zich. Alice zou weldra de hoeve binnentreden. Zij
was nog maar op ongeveer twintig meter er van verwijderd, toen een
gedruisch van versnelde schreden haar deed omkijken en haar noodzaakte
plotseling stil te staan.
Cyprianus was onbewust, maar door een onweerstaanbaar gevoel gedreven,
blootshoofds zijne hut uitgestormd en liep het jonge meisje achterna:
"Juffrouw Alice!...."
"Mijnheer Méré?...."
Thans stonden zij, terwijl de opkomende zon hen bescheen, vlak
tegenover elkander op den weg, die rondom de hoeve voerde. Hunne
rijzige schaduwen vertoonden zich bevallig, maar scherp geteekend tegen
de wit houten omrastering, die zich in dat kale landschap verhief. Nu
Cyprianus het jonge meisje ingehaald had, scheen hij over zijne eigene
daad verwonderd en zweeg thans besluiteloos.
"Hebt gij mij iets te zeggen, mijnheer Méré?" vroeg zij belangstellend.
"Ik wil afscheid van u nemen, juffrouw Alice!.... Ik vertrek heden
nog".... antwoordde hij met haperende stem.
De zachte kleur, die de fijne huid van miss Watkins tintte, verdween
plotseling.
"Vertrekken?.... Gij wilt vertrekken?.... Waarheen?" vroeg zij geheel
van haar stuk gebracht.
"Naar mijn vaderland terug.... naar Frankrijk," antwoordde
Cyprianus. "Mijne werkzaamheden zijn hier geëindigd!.... Mijne zending
is afgeloopen.... Ik heb niets meer in Grikwaland uit te voeren.... en
ik ben verplicht naar Parijs terug te keeren."
Terwijl hij zoo met weifelende en afgebroken stem sprak, had hij wel
het uiterlijk van een schuldige, die zich verontschuldigde.
"Ach!.... Ja!.... Dat's waar!.... Dat moest zoo gebeuren, niet
waar?" stamelde Alice, zonder eigenlijk te weten wat zij zeide.
Het jonge meisje was geheel van haar stuk gebracht. De tijding
overviel haar zoodanig te midden van haar onbewust gelukkig bestaan,
dat het was alsof zij door een knotsslag getroffen was. Plotseling
parelden dikke tranen in hare oogen en pinkten aan de lange wimpers,
die hen beschaduwden. En daar die uitbarsting van smart haar tot
de werkelijkheid teruggevoerd had, herkreeg zij eenige kracht om
te glimlachen:
"Vertrekken!...." herhaalde zij. "En uwe toegenegen leerlinge
dan? Wilt gij haar verlaten, vóór dat zij haren scheikundigen cursus
voltooid heeft?.... Wilt gij, dat ik bij de zuurstof steken blijf,
en dat de geheimenissen van de stikstof mij nimmer geopenbaard zullen
worden?.... Dat is zeer slecht, mijnheer!"
Zij trachtte zich goed te houden en te spotten; maar de toon van hare
stem logenstrafte hare woorden.
Ook schuilde onder die luchthartige woorden een diepe zin, die recht
toe het hart van den jonkman bereikte. Want eigenlijk kon het door
haar gesprokene aldus vertolkt worden:
"Welnu, en ik dan?.... Telt gij mij niet mede?.... Voor u besta ik
eenvoudig niet, zooals het schijnt. Gij zijt u hier te midden van
die Boeren, van die hebzuchtige mijnwerkers komen vertoonen als een
hooger en meer bevoorrecht wezen, als een geleerd, fier, belangeloos
en uitstekend man!.... Gij hebt mij een blik doen slaan in uwe studiën
en uwe werkzaamheden.... Gij hebt mij uw hart geopend; gij hebt mij
uwe neigingen, uwe literarische voorliefde, uwen kunstsmaak doen
deelen!.. Gij hebt mij geopenbaard, welke afstand bestaat tusschen
een denker zoo als gij zijt en de tweevoetige dieren, die mij
omringen!.... Gij hebt alles aangewend om u te doen bewonderen en te
doen beminnen!.... Daarin zijt gij volkomen geslaagd!.... En dan komt
gij mij zoo maar zonder eenigen omhaal mededeelen, dat gij heengaat,
dat het uit is, dat gij naar Parijs terugkeert en trachten zult,
mij hoe eer hoe liever te vergeten!....
"En gij gelooft daarbij voorzeker, dat ik mij wijsgeerig en met
berusting aan mijn lot zal onderwerpen?"
Ja, dat alles straalde in de woorden van Alice door, en hare vochtige
oogen verkondigden dat zoo duidelijk, dat Cyprianus op het punt was
dat onuitgesproken en toch zoo welsprekend verwijt te beantwoorden. Het
scheelde inderdaad weinig, of hij riep onbewust uit:
"Ik moet heen!.... Gisteren smeekte ik uwen vader, dat hij mij u
tot vrouw zou geven!.... Hij weigerde zonder eenige hoop te laten
koesteren! Begrijpt gij nu, waarom ik vertrekken moet?"
Maar hij herinnerde zich bij tijds zijne belofte. Hij had zich
verbonden, nimmer aan de dochter van John Watkins iets te openbaren
omtrent den schoonen droom, dien hij gedroomd had; en hij zou zich
zelven als verachtelijk veroordeeld hebben, wanneer hij zijn woord
niet hield.
Hij gevoelde evenwel hoe ruw dat plan was om te vertrekken, hetwelk
hij onder den invloed zijner teleurstelling gevormd had. Het kwam hem
zelfs onzinnig en wreed voor. Het scheen hem thans onmogelijk toe,
dat bekoorlijke kind, hetwelk hij beminde en dat hem wederkeerig
liefhad, zoo zonder voorbereiding, zoo zonder uitstel te verlaten. En
dat zij hem liefhad, dat was maar al te zichtbaar. Ongetwijfeld,
zij was onder den invloed eener oprechte en diepgewortelde genegenheid.
Hij gevoelde thans afschuw voor dat besluit, hetwelk hij twee uren
vroeger genomen, en dat hij toen als uiterst noodzakelijk beschouwd
had. Thans durfde hij het zelfs niet meer bekennen.
Ja, hij ging er toe over dat besluit te loochenen.
"Als ik over mijn vertrek spreek, juffrouw Alice," zei hij, "dan
moet gij niet denken, dat ik dezen morgen of zelfs heden reeds wil
heengaan!.... Ik moet nog eenige aanteekeningen maken,--dan moet ik
ook mijne maatregelen treffen!.... In ieder geval, ik zal de eer hebben
om u weer te zien, om met u te praten.... over uwe studieplannen."
Toen draaide Cyprianus plotseling op de beide hielen rond en nam de
vlucht niet ongelijk aan een dwaas! Hij vloog naar zijne hut, liet
zich daar op een stoel vallen en verviel in een diep gepeins.
Zijn gedachtengang was geheel veranderd.
"Zou ik, bij gebrek aan wat geld, van zoo veel bevalligheid afstand
doen?" sprak hij tot zich zelven. "Zou ik reeds bij den eersten
hinderpaal de partij als verloren beschouwen? Is dat wel zoo manmoedig,
als ik mij dat verbeeld? Zou het niet beter zijn eenige vooroordeelen
op te offeren en mij harer waardig trachten te maken?.... Er bestaan
zoo vele lieden, die met diamantzoeken in weinige maanden een vermogen
verwerven! Waarom zou ik dat ook niet doen? Wat zou kunnen beletten,
dat ook ik er in slaagde een steen van honderd karaten te vinden,
zooals dat zoovelen wedervaren is; of beter, waarom zou ik geen
nieuwe legering ontdekken? Ik bezit voorzeker meer theoretische en
practische kennis dan het meerendeel der menschen hier! Waarom zou
de wetenschap mij niet verschaffen, wat de arbeid, door een weinig
geluk geholpen, aan zoo velen gegeven heeft?.... En goed beschouwd,
ik waag er niets bij met te probeeren. Zelfs van het standpunt
mijner zending beschouwd, kan het niet als eene overbodige daad
aangemerkt worden, wanneer ik de schop ter hand neem en mijnwerker
word!.... En, als ik eens mocht slagen?.... als ik eens rijk werd door
dat oorspronkelijke middel?.... wie weet, of John Watkins zich dan
niet liet vermurwen, wie weet of hij dan niet op zijn eerstgenomen
besluit zou terugkomen. Dat doeleinde is wel waard, dunkt me, dat er
de proef van genomen wordt!...."
Cyprianus liep daarop zijn laboratorium op en neer. Zijne armen waren
daarbij evenwel in rust; zijn denkvermogen alleen arbeidde.
Plotseling bleef hij stilstaan, daarop greep hij zijn hoed en ging
naar buiten.
Nadat hij het pad ingeslagen had, dat naar de vlakte voerde stapte hij
met groote passen in de richting van de Vandergaart-Kopjes-Mijn voort.
In minder dan een uur had hij die bereikt.
De mijnwerkers keerden juist in dit oogenblik in menigte naar hun
kampement terug, om hun tweede ontbijt te nuttigen. Cyprianus vroeg
zich af, terwijl hij al die getaande gezichten in oogenschouw nam,
tot wien hij zich zou wenden om de inlichtingen in te winnen, die hij
noodig had, toen hij eindelijk te midden van een groep het open gelaat
herkende van Thomas Staal den gewezen mijnwerker van Lancashire. Hij
had al twee of driemaal gelegenheid gehad om hem te ontmoeten, sedert
zij te zamen in Grikwaland gekomen waren en hij had zich daarbij
overtuigd, dat de brave kerel welvarende was, zooals zijn blozend
gelaat, zijne spiksplinternieuwe kleeren en vooral de breede lederen
riem, die zijn middel omsloot, afdoende getuigden.
Cyprianus besloot om hem aan te spreken en hem deelgenoot van zijne
plannen te maken, hetgeen trouwens in weinige woorden geschiedde.
"Gij wilt een claim pachten? Wel niets is gemakkelijker dan dat: wel
te verstaan, als gij geld hebt!" antwoordde hem de mijnwerker. "Er
is juist een beschikbaar naast de mijne. Vier honderd pond sterling
[3], dit is te geef! Met vijf of zes negers, die hem voor uwe rekening
ontginnen zullen, kunt gij er op rekenen, dat gij per week voor drie
of vier honderd gulden minstens zult vinden!"
"Maar, ik heb geen vier honderd pond sterling en ik bezit zelfs geen
enkel negertje," zei Cyprianus.
"Welnu, koop dan een gedeelte van een claim, een achtste of een
zestiende zelfs, en bewerk dat zelf. Dan komt gij met een groote vijf
honderd gulden al ver."
"Dat komt meer met mijne middelen overeen," antwoordde de
jeugdige ingenieur. "Maar, gij mijnheer Staal, hoe hebt gij het
aangelegd. Vertel mij dat eens, als ik niet te onbescheiden ben. Zijt
gij hier als bezitter van een kapitaal aangekomen?"
"Ik ben hier met mijn beide armen aangekomen, maar had daarenboven
drie kleine goudstukken in den zak," antwoordde de andere. "Maar,
het is mij meegeloopen. Ik heb eerst een achtste in halve rekening
met een ander ontgonnen, die evenwel liever in het koffiehuis zat dan
dat hij zijne zaken behartigde. Wij waren overeengekomen dat wij de
vondsten zouden deelen, en waarlijk, ik was niet ongelukkig. Ik vond
onder anderen een steen van vijf karaten, die wij voor twee honderd
pond sterling verkochten! Maar, het begon mij te vervelen voor dien
luilak te arbeiden. Ik kocht toen een zestiende, dat ik voor mij alleen
ontgon. Daar ik er slechts kleine steenen vond, heb ik dat tien dagen
geleden van de hand gedaan. Ik werk thans weer in halve rekening met
een man, afkomstig van Australië, in zijn claim; maar wij hebben in
de eerste week slechts vijf pond met ons beiden gewonnen."
"Als ik een gedeelte van een goeden claim voor een niet te duren
prijs kan koopen, zoudt gij dan genegen zijn u met mij te associeeren,
om dien te ontginnen?" vroeg de jonge ingenieur.
"Voorzeker," antwoordde Thomas Staal; "echter op de uitdrukkelijke
voorwaarde, dat ieder onzer behouden zal, wat hij vindt. Dat is geen
wantrouwen jegens u, mijnheer Méré. Maar ziet ge, ik bemerk wel,
dat ik, sedert ik hier ben, steeds de lijdende partij ben wanneer
er gedeeld wordt, want de schop en het pikhouweel kennen mij en ik
verricht tweemaal meer werk dan anderen!"
"Die voorwaarde komt mij billijk voor," antwoordde Cyprianus.
"O!" riep eensklaps de Lancashire-man uit, terwijl hij den ingenieur
in de rede viel. "Een inval en waarschijnlijk een goede ook!.... Als
wij met ons beiden een der claims van John Watkins pachtten?"
"Hoe, een zijner claims? Is de geheele grond van de Kopjes-Mijn niet
zijn eigendom?"
"Ongetwijfeld, mijnheer Méré; maar gij weet dat het koloniale
gouvernement er zich dadelijk meester van maakt, zoodra het bekend is,
dat er diamantlegeringen bestaan. Het is het gouvernement die de mijnen
bestuurt, voor het kadaster zorgt, die de claims afdeelt en daarbij
het grootste gedeelte van den pachtprijs voor zich behoudt en aan den
eigenaar slechts een vaste som uitbetaalt. Het moet evenwel erkend
worden, dat die vaste som nog een prachtig inkomen daarstelt, wanneer
de mijn zoo uitgestrekt als de Kopjes-Mijn is; terwijl van een anderen
kant de eigenaar steeds de voorkeur geniet, om een zoo groot getal
claims te kunnen terugkoopen, als hij slechts kan laten bewerken. Dat
is juist het geval met John Watkins. Hij heeft behalve den feitelijken
eigendom van de geheele mijn, bovendien nog verscheidene claims in
ontginning. Maar die ontginning gaat niet zoo als hij wel zou willen,
omdat het pootje hem belet ter plaatse zelve tegenwoordig te zijn,
en ik ben van meening, dat hij u wel aanneembare voorwaarden zoude
stellen, wanneer ge hem voorsloegt een claim van hem over te nemen."
"Toch zou ik wenschen, dat de onderhandeling daarover tusschen u en
hem gevoerd werd," antwoordde Cyprianus.
"Och, als het slechts daar op aan komt" hernam Thomas Staal. "Die
zaak kan spoedig in het reine gebracht worden."
Drie uren later was de halve claim, numero 942, die behoorlijk met
paaltjes afgebakend en op de kaart aangeduid werd, in deugdelijken vorm
herverpacht aan de heeren Méré en Thomas Staal, tegen de onmiddellijke
betaling van een premie van negentig pond [4] en tegen de voldoening
van de patent-onkosten bij den ontvanger. Bovendien was in het
huurcontract wel degelijk vermeld, dat de huurders de opbrengst hunner
ontginning met John Watkins moesten deelen en dat zij hem bij wijze
van royalty of koningsrecht de drie eerste diamanten boven de tien
karaten zouden afstaan, die mochten gevonden worden. Niets duidde aan
dat die gebeurlijkheid zich zoude voordoen, maar zij was mogelijk. In
de diamantvelden was alles mogelijk.
Alles wel bezien, kon de zaak als buitengewoon voordeelig voor
Cyprianus beschouwd worden en Mr. Watkins gaf hem dat met zijne gewone
vrijmoedigheid, terwijl hij met hem klonk bij de onderteekening van
het contract, genoegzaam te kennen.
"Gij hebt de wijste partij gekozen, mijn jongen," zei hij, terwijl
hij hem op den schouder klopte. "Er zit pit in u en het zou mij
niet verwonderen, wanneer gij een der beste mijnwerkers van geheel
Grikwaland werdt."
Cyprianus meende in die woorden een gelukkig voorteeken voor de
toekomst te ontdekken.
Miss Watkins, die bij de onderhandeling tegenwoordig was, vertoonde
een overheerlijken, helderen zonnestraal in hare blauwe oogen! Neen,
waarachtig niet; niemand zou ooit geloofd hebben, dat die oogen
gedurende den geheelen morgen geweend hadden!
Als bij stilzwijgende overeenkomst, werd door beide partijen iedere
nadere verklaring omtrent het treurige tooneel, op dien morgen
voorgevallen, vermeden. Cyprianus bleef, dat was buiten kijf en dat
was toch, alles wel beschouwd, het voornaamste.
De jonge ingenieur verwijderde zich thans met een verruimd hart,
om zijne maatregelen nopens zijne verhuizing te treffen. Hij
nam slechts eenige kleedingstukken in een valies mede, daar hij
voornemens was zich onder eene tent in de onmiddellijke nabijheid van
de Vandergaart-Kopjes-Mijn te vestigen en slechts naar de hoeve weer
te keeren om daar eenige uren van uitspanning door te brengen.
VIJFDE HOOFDSTUK.
EERSTE ONTGINNINGS-ARBEID.
De beide vennooten togen reeds den volgenden morgen al heel vroeg aan
den arbeid. Hun claim was bij den rand van de Kopjes-Mijn gelegen en
moest dus rijk zijn, wanneer namelijk de theorie van Cyprianus Méré
gegrond was. Die claim was ongelukkig reeds vlijtig ontgonnen en reikte
tot op een diepte van vijftig en meer meters de ingewanden der aarde.
Dat was in zeker opzicht een voordeel omdat, daar de bodem van die
claim veel lager was dan die der omringenden, de huurders, volgens
de wetten des lands, in eigendom verkregen al den grond en bijgevolg
ook al de diamanten, die van de rondom liggende hoogten eens naar
beneden mochten rollen.
De arbeid was zeer eenvoudig. De vennooten begonnen met schop, spade
en pikhouweel zoo eenvoudig mogelijk een zeker gedeelte aarde los
te maken. Toen dat klaar was, klom een hunner op den rand der mijn
en heesch met een ijzeren kabel de emmers naar boven, die de andere
met grond vulde.
Die grond werd vervolgens met eene kar naar de hut van Thomas Staal
vervoerd. Daar werd hij met behulp van groote stukken hout grovelijk
geplet en vervolgens van de waardelooze keisteenen ontdaan; men liet
hem vervolgens door een netvormige zeef loopen, welker mazen vijftien
millimeters wijdte hadden, om de kleinere steenen af te zonderen, die
eerst goed onderzocht werden, alvorens ze weg te werpen. De grond werd
eindelijk ten tweede male gezift, maar in een zeef met zeer kleine
openingen, om er het stof van te scheiden, waarna hij geschikt was,
om aandachtig onderzocht te worden.
Die aarde werd dan op een tafel uitgeschud, waaraan de beide
mijnwerkers plaats namen, gewapend met een soort hark, die van
blik vervaardigd was. Zij doorzochten die aarde alsdan handvol voor
handvol met de grootste zorg, waarna zij haar onder de tafel wierpen,
om later opgeruimd te worden, wanneer het afgeloopen was.
Al die werkzaamheden hadden ten doel om te ontdekken of er geen diamant
in was al ware 't slechts ter dikte van een halve linskorrel; maar de
vennooten boogden op zeer veel geluk, wanneer de dag niet eindigde,
zonder dat zij een enkel steentje gevonden hadden. Zij werkten met
de meest mogelijke vlijt en ziftten de aarde van den claim met de
uiterste zorg, maar de resultaten waren, dat viel niet te ontkennen,
gedurende de eerste dagen geheel onbeduidend, ja bijna nul.
Vooral scheen Cyprianus geen geluk te hebben. Werd er een enkel
diamantje in den grond aangetroffen, dan was het bijna altijd Thomas
Staal, die het vond. De eerste, die hij het genoegen had te ontdekken,
woog niet eens ten volle een zesde gedeelte van eene karaat, het
omhulsel er onder begrepen.
De karaat is een gewicht dat vier grein zwaar is, dus ongeveer
het vijfde gedeelte van een gram of wichtje. [5] Een diamant van
het helderste water, dat wil zeggen, die zuiver, droogachtig en
kleurloos is, heeft eene waarde, nadat hij geslepen is, van honderd
vijf en twintig gulden, wanneer hij een karaat zwaar is. Maar hebben de
diamanten, die minder wegen, eene evenredig mindere waarde, daarentegen
rijzen zij, die zwaarder zijn, sneller en in immer toenemende rede
aan waarde. Men rekent gewoonlijk, dat de handelswaarde van een
onberispelijken steen gelijk is aan het vierkant van zijn gewicht,
uitgedrukt in karaten, vermenigvuldigd met den marktprijs van de
karaat. Veronderstelt men dus, dat die marktprijs honderd vijf en
twintig gulden is, dan is de prijs van een diamant van tien karaten,
die aan de bovenomschreven hoedanigheden voldoet, tien maal tien of
honderd maal honderd vijf en twintig of twaalf duizend vijf honderd
gulden.
Maar de steenen van tien karaten en zelfs van een karaat zijn zeer
zeldzaam. Het is juist daarom, dat zij zoo duur zijn. Er dient hier
ook nog bij verteld te worden, dat de diamanten bijna allen een gele
tint vertoonen, waardoor hunne waarde aanmerkelijk vermindert.
De vondst van een steentje, dat niet eens een zesde gedeelte van een
karaat woog, was, na een onafgebroken arbeid van zeven of acht dagen,
wel een magere vergoeding voor al de moeiten en den afmattenden arbeid,
die het gekost had. Tegen dat resultaat was het voordeeliger geweest,
den akker te bebouwen, schapen te hoeden of keien langs de wegen stuk
te kloppen. Dat herhaalde Cyprianus voortdurend in zich zelven.
Toch dreef hem de hoop, dat hij vroeg of laat een fraaien diamant
zou vinden, die hem opeens voor den arbeid van vele weken of van
vele maanden schadeloos zou stellen, tot volhouden aan. Die hoop
ondersteunde hem, zooals zij alle mijnwerkers, zelfs de minst
geloovige doet. Wat Thomas Staal betrof, die arbeidde zooals een
werktuig dit zou doen, dat wil zeggen: zonder er bij te denken. Het
scheen, althans oppervlakkig beschouwd, dat hij het door zijn vlug
werken zoo ver gebracht had.
De beide vennooten ontbeten gewoonlijk te zamen en vergenoegden zich
met een paar broodjes, die zij met bier besproeiden, dat zij bij
een drankverkooper kochten, die zijn handel in de open lucht dreef;
maar zij gebruikten hun maaltijd aan een der talrijke openbare
tafels, die elkander de klandiezie van de mijnwerkers van het kamp
betwistten. Thomas Staal ging des avonds wanneer zij van elkander
scheidden om ieder zijns weegs te gaan, gewoonlijk naar de een of
andere biljartzaal, om eene partij te spelen. Cyprianus daarentegen
ging gewoonlijk een paar uren op de hoeve van John Watkins doorbrengen.
Daar had de jeugdige ingenieur heel dikwijls het ongenoegen,
zijn medeminnaar James Hilton te ontmoeten, een grooten lummel met
rosachtig haar, blankwitte huid, en een met vlekken bezaaid gelaat,
die machtig veel van groote zomersproeten hadden. Dat die mededinger
zeer veel vorderingen in de gunst van John Watkins maakte, zal door
den lezer niet betwijfeld worden, wanneer wij er bijvoegen, dat de
slungel nog meer gin dronk en nog meer Hamburger tabak rookte dan de
modelvader zelf.
Daartegenover, stond evenwel, dat Alice slechts eene hooge mate
van minachting koesterde voor de boerenbevalligheden en het weinig
smakelijk onderhoud van den jongen Hilton. Maar zijne tegenwoordigheid
was toch onverdraaglijk voor Cyprianus, en soms zelfs in die mate,
dat hij, voelende zich niet meer te kunnen bedwingen, opstond, het
gezelschap goeden avond wenschte en heenging.
"Die Frenchman is ontevreden!" zei dan John Watkins, terwijl hij een
oog tegen zijn makker knipte. "Het schijnt, dat de diamanten niet
van zelf in zijn zak vloeien!"
En dan lachte James Hilton zoo dom mogelijk bij die woorden.
Wanneer zoo iets gebeurde, dan ging Cyprianus gewoonlijk zijn avond
doorbrengen, bij een braven Boer, die zich dicht bij het kamp gevestigd
had en Jacobus Vandergaart heette.
Het was naar zijn naam, dat de Kopjes-mijn, op welker grond hij zich
in de eerste tijden der concessie neergezet had, genoemd werd. Als
men hem mocht gelooven, dan was hij door een oneerlijke uitspraak
der rechterlijke macht ten gerieve van John Watkins van zijn eigendom
ontzet. Thans was hij geheel geruïneerd en leefde in eene leemen hut,
waarin hij zich onledig hield met het diamantslijpen, welk ambacht
hij vroeger in Amsterdam, zijne geboorteplaats uitgeoefend had.
De mijnwerkers toch brachten hem zeer dikwijls steenen, hetzij om de
waarde te weten te komen die zij zouden behouden, na aan het snijden en
slijpen onderworpen te zijn, hetzij om ze te laten kloven, hetzij om
ze meer fijne bewerkingen te doen ondergaan. Maar die laatste arbeid
vereischte eene vaste hand en een scherp gezicht, en oude Jacobus
Vandergaart, die vroeger een voortreffelijk werkman was, ondervond
tegenwoordig veel moeite om het hem opgedragen werk uit te voeren.
Cyprianus, die hem opgedragen had den door hem gevonden diamant
te slijpen en in een ring te zetten, had spoedig eene zekere
genegenheid voor hem opgevat. Hij hield er van den eenvoudigen Boer
in zijne werkplaats te gaan opzoeken, om wat met hem te praten of
eenvoudig om hem wat gezelschap te houden, wanneer hij bezig was met
diamantslijpen. Jacobus Vandergaart zag er met zijn witten baard,
zijn kaal hoofd, dat met een kalotje van zwart fluweel bedekt was,
met zijn langen spitsen neus, waarop een bril met groote ronde oogen
prijkte, geheel en al uit als een oude alchimist van de vijftiende
eeuw, zooals hij daar te midden zijner vreemdsoortige werktuigen en
zijne flesschen met allerhande zuren troonde.
Op eene werktafel, die voor het raam geplaatst was, bevonden
zich in een houten nap de ruwe diamanten, die Jacobus Vandergaart
toevertrouwd waren, en welker waarde soms aanmerkelijk was. Wilde hij
er een kloven, welks kristalvlakken hem niet volmaakt voorkwamen, dan
begon hij eerst met zijn vergrootglas de richting der snijdingslijnen
na te gaan, die alle kristallen in stukken met evenwijdigloopende
vlakken verdeelen. Dan maakte hij met den scherpen kant van een
reeds gekloofden diamant eene insnijding in de gewenschte richting,
bracht daarin een klein stalen lemmet en sloeg daarop een korten,
krachtigen slag.
Daardoor werd de diamant langs een zijner kristalvlakken gekloofd,
en de beweging werd verder langs de andere herhaald.
Wilde daarentegen Jacobus Vandergaart een steen snijden, of, om juister
te spreken, hem volgens een vastgestelden vorm afslijpen, dan begon
hij met de vaststelling van dien vorm, dien hij er aan geven wilde,
door op het omhulsel van den diamant met krijt de voorgestelde kleine
vakken of facetten te teekenen. Daarna bracht hij ieder dezer vakken
in aanraking met een anderen diamant, en onderwierp die beide aan een
langdurige wrijving, den een tegen den anderen. De beide steenen sleten
alsdan elkander af, en zoo vormde zich de gemelde facet langzamerhand.
Zoo slaagde Jacobus Vandergaart er in, om aan den steen een der vormen
te verleenen, die door het gebruik het meest aangenomen zijn en die
tot drie groote afdeelingen teruggebracht kunnen worden, namelijk:
de "dubbele briljant", de "enkele briljant", en de "roos".
De "dubbele briljant" bestaat uit vier-en-zestig facetten, uit een
achtkantig vlak, dat tafel genoemd wordt, en uit een culas of broek,
die het benedengedeelte vormt.
De "enkele briljant" vertoont eenvoudig de helft van een dubbelen
briljant.
De "roos" is van onderen plat, terwijl het bovenste gedeelte met
facetten koepelvormig bijgeslepen is.
Zeer zelden kreeg Jacobus Vandergaart een "briolet" te slijpen, dat wil
zeggen: een diamant die noch bovenvlak, noch benedenvlak geeft, maar
die den vorm eener peer aangenomen heeft. De brioletten worden in Indië
bij hun dun einde doorboord, om er een koordje door te kunnen rijgen.
Wat de "pendeloquen" of oorhangers betreft, die de oude diamantslijper
meermalen te slijpen kreeg, dit waren halve peervormige steenen met
tafels en culas, die slechts facetten op hunne voorzijde vertoonen.
Was de diamant eenmaal gesneden, dan bleef er slechts nog over hem te
polijsten om het werk geëindigd te noemen. Die bewerking geschiedde
met behulp van eene soort slijpsteen, die eenvoudig uit eene stalen
schijf bestond, die ongeveer acht-en-twintig centimeters doorsnede had
en plat op tafel neergelegd werd, maar die toch onder de werking van
een groot rad met zwengel om eene as kon draaien met eene snelheid van
twee- of drieduizend omwentelingen in de minuut. Die schijf werd met
olie besmeerd en daarna met diamantstof, afkomstig van het snijden,
bestrooid, waarna Jacobus Vandergaart de facetten van zijn steen de
eene voor de andere na tegen die schijf drukte, totdat zij volmaakt
gepolijst waren. De zwengel werd óf door een kleinen Hottentotschen
jongen gedraaid, die daartoe, wanneer dit noodzakelijk was, bij
den dag ingehuurd werd, óf door een vriend, zooals Cyprianus er een
was, en die dan ook nimmer er tegen opzag dien dienst uit loutere
vriendschap te bewijzen.
En gedurende den arbeid bleven de monden niet dicht; integendeel, men
praatte veel. Somwijlen zelfs staakte Jacobus Vandergaart plotseling
zijn arbeid, om eenige geschiedenis uit een lang vervlogen tijd te
vertellen, waarbij hij dan niet vergat zijn bril tot op zijn voorhoofd
te schuiven. En inderdaad, hij wist veel, zoo niet alles, aangaande
dit gedeelte van zuidelijk Afrika, hetwelk hij sedert veertig jaren
bewoonde. En wat zijne verhalen eene ongemeene aantrekkelijkheid
bijzette, was juist, dat hij de overlevering des lands ongeschonden
weergaf, eene overlevering welke geheel jeugdig en levendig was.
Die oude diamantslijper kon vooral niet zwijgen, wanneer hij op
het kapittel zijner patriotsche en personeele grieven gebracht
werd. Volgens hem waren de Engelschen de grootste afzetters, die
door de aarde ooit gedragen werden. Hieromtrent moest hem de geheele
verantwoordelijkheid zijner meeningen, die blijkbaar overdreven waren,
gelaten worden, hoewel ze alleszins vergeeflijk waren.
"Het is waarachtig niet te verwonderen," herhaalde hij steeds met
voldoening, "dat de Vereenigde Staten van Amerika zich onafhankelijk
verklaard hebben. Indië en Australië zullen ook wel zoo handelen; dat
kan niet uitblijven! Welk volk wil zulke tirannie verdragen?.... O,
mijnheer Méré, als de wereld al de onrechtvaardige bedrijven kende,
welke die Engelschen, die zoo trotsch op hunne gouden guinjes
en op hunne zeemacht zijn, over de geheele oppervlakte der aarde
gepleegd hebben, dan bestond er geen woord in de menschelijke taal,
dat beleedigend genoeg zou kunnen klinken, om hen in het aangezicht
te spuwen."
Cyprianus keurde die taal niet goed. Hij keurde ze ook niet af. Hij
luisterde slechts, zonder te antwoorden.
"Wil ik u verhalen, wat ze mij geleverd hebben, mij, die thans tot u
spreek?" hernam Jacobus Vandergaart terwijl hij zich opwond. "Luister
naar mij, en dan zult gij kunnen uitmaken of er twee meeningen omtrent
die schavuiten bestaan kunnen."
Toen Cyprianus hem verzekerd had, dat hij hem daarmede veel genoegen
zou doen, verhaalde de brave Boer het navolgende:
"Ik ben in 1806 gedurende eene reis, die mijne ouders ondernomen
hadden, te Amsterdam geboren. Later ben ik daar teruggekomen om er
mijn ambacht te leeren; maar ik heb mijne kindsheid aan de Kaap
doorgebracht, waarheen mijne familie een vijftig jaren vroeger
getrokken was. Wij waren Hollanders, en daar zijn wij nog zeer
trotsch op, toen Groot-Brittanje zich van de kolonie meester maakte,
voorloopig, zooals het beweerde. Maar John Bull geeft niet licht weer,
wat hij eenmaal geroofd heeft. In 1815 werden wij door Europa, dat
in Congres vereenigd was, plechtig tot onderdanen van het Vereenigd
Koninkrijk verklaard.
"Ik vraag u in gemoede, wat Europa zich met deze Afrikaansche
landstreken te bemoeien had?
"Engelsche onderdanen! maar mijnheer Méré, dat wilden wij
niet zijn! Toen, overwegende dat Afrika wel groot genoeg zou
zijn om ons een vaderland in vollen eigendom te verschaffen,
verlieten wij de Kaapkolonie, om in de wilde binnenlanden, die
zich ten noorden van ons uitstrekten, binnen te dringen. Men
noemde ons toen Boeren of ook wel Voortrekkers. Ja, dat zijn
wij! Boeren! d.w.z. landbouwers! Voortrekkers! d.w.z. pioniers,
die steeds vooruit willen!
"Nauwelijks hadden wij die nieuwe gronden in akkers ontgonnen;
nauwelijks hadden wij ons met hard werken en noesten vlijt andermaal
een onafhankelijk bestaan geschapen, toen het Engelsche gouvernement
die streek ook opeischte--steeds onder voorwendsel dat wij Britsche
onderdanen waren.
"Toen had onze groote Exodus plaats. Dat was in 1833. Andermaal trokken
wij in massa uit. Na onze wagens met onze meubelen, akkergereedschappen
en graan beladen te hebben, spanden wij er onze ossen voor en drongen
wij dieper de woestijn binnen.
"In dien tijd was Natal nagenoeg geheel ontvolkt. Een bloeddorstige
veroveraar, Tchaka genaamd, een ware Neger-Attila, tot den stam
der Zoeloe's behoorende, had daar meer dan een millioen menschen om
het leven gebracht in het tijdvak van 1812 tot 1828. Zijn opvolger,
Dingaan, heerschte ook slechts door schrik en angst te verspreiden. Het
was deze wilden-koning, die ons toestond, om ons in die landstreek
te vestigen, waar thans de steden Durban en Port-Natal verrijzen.
"Maar het was slechts met de bijgedachte om ons aan te vallen,
wanneer ons land bloeien zou, dat die gluiperd van een Dingaan, ons
deze toestemming verleende! Ieder wapende zich dan ook om tegenweer
te kunnen bieden, en het was slechts ten gevolge onzer overgroote
inspanningen, en ik durf er bijvoegen, ten gevolge der heldenfeiten,
in meer dan honderd gevechten tentoongespreid, waarbij onze vrouwen
en onze kinderen aan onze zijde streden, dat het mogelijk was, ons in
het bezit die landen, die wij met ons zweet en bloed besproeid hadden,
te handhaven.
"Maar ziet, nauwelijks hadden wij over den zwarten despoot gezegevierd
en zijne macht vernietigd, toen het gouvernement van de Kaap ons
eene Engelsche kolonne toezond, met opdracht om het grondgebied
van Natal in bezit te nemen in naam van Hare Majesteit de Koningin
van Engeland!.... Gij ziet, men beschouwde ons steeds als Britsche
onderdanen! Dat gebeurde in 1842.
"Andere emigranten van onzen landaard hadden de Transvaal ten onder
gebracht en de macht van den tyran Moselekatze langs de boorden der
Oranje-rivier vernietigd. Ook zij zagen zich hun nieuw vaderland,
dat zij met zooveel moeite verworven hadden, bij eene eenvoudige
dagorder ontnemen!
"Och, ik sla de bijzonderheden maar over. Die strijd duurde
twintig jaren. Steeds trokken wij verder, maar ook steeds strekte
Groot-Brittanje de roofzuchtige hand naar ons uit, als naar zoovele
slaven, die haar toebehoorden, zelfs na haar verlaten te hebben.
"Eindelijk, na zeer vele moeilijkheden en na vele bloedige gevechten,
geraakten wij er toe onze onafhankelijkheid in den Oranje-Vrijstaat te
doen erkennen. Een koninklijke verordening, door Koningin Victoria, op
den 8sten April 1854 geteekend, verzekerde ons de vrije bezitting onzer
gronden en het recht om ons bestuur naar onzen zin in te richten. Wij
vestigden dientengevolge eindelijk eene Republiek, en toen eerst kon
beweerd worden, dat onze Staat gegrond was op de stipte eerbiediging
der wettelijke bepalingen, op de vrije ontwikkeling der individueele
geestkracht, en op het zuiver onderwijs, waarmede alle maatschappelijke
klassen bedeeld werden. Inderdaad, die jeugdige Staat kon tot voorbeeld
strekken aan menige natie, die zich waarschijnlijk meer beschaafd
achtte dan dat kleine uithoekje van de Zuidpunt van Afrika.
"Grikwaland maakte daar deel van uit. Het was tegen dien tijd, dat
ik mij als pachter in hetzelfde huis, waarin wij ons thans bevinden,
met mijne arme vrouw en mijne twee kinderen vestigde. Toen zette ik
de omheining uit van mijne kraal of veepark op de plek zelve der mijn,
die gij thans ontgint. Tien jaren later kwam John Watkins in het land
en trok er zijne eerste hut op. Men wist toen niet, dat de streek
diamanten opleverde, en wat mij betreft, ik had sedert dertig jaren,
dat ik hier woonde, zoo weinig gelegenheid om mijn oud handwerk van
diamantslijper uit te oefenen, dat ik mij ternauwernood het bestaan
van edelgesteente herinnerde!
"Het gerucht verspreidde zich plotseling, in het jaar 1867, dat onze
gronden hier diamanthoudend waren. Een Boer, bewoner van de oevers van
de Hart, had zelfs de diamanten in de uitwerpselen zijner struisvogels
ontdekt, zelfs in de leemen muren zijner pachthoeve. [6]
"Dat was nauwelijks bekend, of het Engelsche gouvernement, aan
zijne oneerlijke en inhalige staatkunde getrouw, verklaarde, met
terzijdestelling van al de gesloten verdragen en van alle mogelijke
rechten, dat Grikwaland Britsch grondgebied was.
"Onze Republiek protesteerde te vergeefs! Zij bood te vergeefs
aan, het geschil aan de scheidsrechterlijke beslissing van een
Regeeringshoofd in Europa te onderwerpen. Engeland weigerde stoutweg
iedere scheidsrechterlijke tusschenkomst en nam ons eigendom in bezit.
"Nu mocht men hopen, dat de private eigendomsrechten door onze
onrechtvaardige bestuurders geëerbiedigd zouden worden! Ik voor mij,
die ten gevolge der schrikkelijke besmettelijke ziekte, die in 1878
woedde, weduwnaar was geworden en mijne kinderen verloren had, zag
er tegen op, om alweer een nieuw huis te gaan bouwen, het zesde of
zevende gedurende mijn lange loopbaan! Ik bleef dus in Grikwaland
en bleef misschien geheel alleen bevrijd van de diamantkoorts, die
bijna iedereen aangetast had. Ik ging voort met het bebouwen van mijn
groententuin, even alsof de diamantelegering van Du Toit's Pan niet
op een geweerschotsafstand van mijn huis ontdekt was.
"Maar verbeeld u mijne verwondering toen ik op zekeren morgen
ontwaarde, dat de muur van mijn kraal, die volgens gewoonte in
drogen steen opgeschoten was, gedurende den nacht afgebroken was en
dat de materialen op driehonderd meter verder in de vlakte gebracht
waren. John Watkins, geholpen door een honderdtal Kaffers, had ter
zelf der plaats een andere kraal opgericht, die zich aan de zijne
aansloot en die een heuvel van roodachtige zandaarde omsloot, die
tot op dat oogenblik mijn onbetwistbaar eigendom was.
"Ik beklaagde mij bij John Watkins over die wederrechtelijke
toeëigening..... hij lachte mij openlijk uit. Ik dreigde hem een
proces aan te doen, hij raadde mij aan dit te beproeven.
"Drie dagen later gingen mij de oogen open en begreep ik de
raadselachtige handeling. Die zandheuvel was eene diamantlegering. Toen
John Watkins daar de zekerheid van bekomen had, haastte hij zich
mijne omheining te verbreken en te verplaatsen. Daarna vertrok hij
naar Kimberley om de nieuwe mijn officieel op zijn naam te laten
inschrijven.
"Ik begon een proces.... Och, mijnheer Méré, geve de hemel, dat
gij nooit een geding voor een Engelsch gerechtshof te voeren moogt
hebben....! Ik raakte voor en na mijne ossen, mijne paarden en
mijne schapen kwijt!.... Ik verkocht tot mijne meubelen, tot mijne
schamele kleeding, om die bloedzuigers in menschengedaante, die men
solicitors, attorney's, sherifs en deurwaarders noemt, de handen te
vullen... Om kort te gaan, na een jaar lang heen en weer gedobberd en
in gespannen verwachting doorgebracht te hebben, na voortdurend de hoop
teleurgesteld te zien, werd het vraagstuk omtrent mijn eigendomsrecht
eindelijk in laatste instantie uitgemaakt, zonder dat er eenig beroep
of cassatie meer mogelijk was....
"Ik had mijn proces verloren, en, wat erger was, ik was totaal ten
gronde gericht. Een vonnis verklaarde mijne vorderingen ongegrond en
ontzegde mij mijn eisch, aangezien--zoo stond er in te lezen--het der
rechtbank onmogelijk was het wederzijdsche recht van beide partijen
helder en overtuigend uit te maken, maar dat het voor de toekomst van
belang was, dat thans eene niet te veranderen grens getrokken werd. Men
stelde dan ook den vijf-en-twintigsten graad westerlengte van Greenwich
als grenslijn vast, die de beide eigendommen zou scheiden. Het terrein,
ten westen daarvan gelegen, werd toegewezen aan John Watkins, en dat
oostwaarts daarvan gelegen aan Jacobus Vandergaart.
"De motieven, die de rechters tot deze zonderlinge grensverdeeling
leidden, was dat werkelijk die vijf-en-twintigste lengtegraad op den
plattegrond van het district over het grondgebied, waarop mijn kraal
gestaan had, getrokken was.
"Maar de mijn, helaas! lag ten westen van die lijn en viel dus
natuurlijk John Watkins ten deel.
"Evenwel, om onuitwischbaar aan te duiden, hoe de openbare meening
over dat onrechtvaardig vonnis dacht werd de mijn sedert steeds de
Vandergaart-Kopjes-mijn genoemd.
"Welnu, mijnheer Méré, heb ik niet eenigermate het recht om te beweren,
dat de Engelschen schurken zijn?" vroeg de oude Boer, toen hij zijne
geschiedenis, die stipt met de waarheid overeenkwam, eindigde.
ZESDE HOOFDSTUK.
KAMPZEDEN.
Dat onderwerp van gesprek kon voor den jeugdigen ingenieur niet
aangenaam zijn. Dat zal iedereen moeten toegeven. Dergelijke
inlichtingen omtrent de minder stipte eerlijkheid van den man,
dien hij als zijn toekomstigen schoonvader bleef beschouwen, konden
onmogelijk in zijn smaak vallen. Hij kwam er dan ook weldra toe, om
de meening van Jacobus Vandergaart over de Kopjes-mijn te beschouwen
als het _idée fixe_ van een pleiter, die zijn proces verloren heeft
en waarvan dus veel af te dingen valt.
Hij had eens over die zaak een enkel woord tegen John Watkins
gezegd. Deze was eerst in lachen uitgebarsten, had verder geen
antwoord gegeven, maar zijn wijsvinger aan het voorhoofd gebracht,
alsof hij wilde te kennen geven, dat het met Jacobus Vandergaart mis
was en dat zijn gezond verstand hem al meer en meer in den steek liet.
Zou het inderdaad niet mogelijk zijn, dat de grijsaard, onder den
indruk van de ontdekking der zoo rijke diamantlegering, zich zonder
voldoende motieven in het hoofd gehaald had, dat die mijn zijn eigendom
was? Maar alles goed bezien, de rechtbanken hadden hem geheel in het
ongelijk gesteld, en het was zeer onwaarschijnlijk dat de rechters
hem verongelijkt zouden hebben. Zoo was de redeneering, die de jonge
ingenieur zich zelven gedurig herhaalde, om een verontschuldiging voor
zijn eigen geweten te hebben, dat hij nog eenige gemeenschap met John
Watkins onderhield, na al hetgeen Jacob Vandergaart omtrent dien man
medegedeeld had.
Er was nog een andere buurman in het kamp, bij wien Cyprianus ook bij
gelegenheid gaarne een praatje ging maken, omdat hij er het leven der
Boeren in al zijne oorspronkelijkheid terugvond. Die bevoorrechte was
een pachter, die Matthijs Pretorius heette en bij al de mijnwerkers
van geheel Grikwaland goed bekend was.
Die Matthijs Pretorius had ook, hoewel hij te nauwernood veertig jaren
oud was, langen tijd in het uitgestrekte bekken der Oranje-rivier
rondgezworven, alvorens hij zich in deze streek neergezet had. Maar
dat zwervend leven had voor hem hetzelfde gevolg niet gehad als voor
den ouden Jacobus Vandergaart. Hij was er namelijk niet door vermagerd
en ook niet door verbitterd. Hij was er eerder door verwilderd en
zoodanig in vetheid toegenomen, dat hij moeite had om te gaan. Men
kon hem gevoegelijk met een olifant vergelijken.
Hij was bijna altijd in een kolossalen houten armstoel gezeten,
die speciaal vervaardigd was, om zijne zwaarwichtige vormen te
bevatten. Matthijs Pretorius bewoog zich buitenshuis niet anders dan
in een rijtuig, in een soort van tentwagen, van gevlochten teenen
vervaardigd, waarvoor een reusachtige struisvogel gespannen was. De
gemakkelijkheid, waarmede deze steltlooper de zware massa achter zich
aansleepte, was wel geschikt, om een zeer hoog denkbeeld van de kracht
zijner spieren te geven.
Matthijs Pretorius kwam gewoonlijk naar het kamp, ten einde den
een of anderen groentenhandel, met de kooplieden in die waren te
sluiten. Hij was er zeer gewild, hoewel niet op zeer benijdenswaardige
wijze; want zijn populariteit grondde zich op zijn buitengewone
bangheid. De mijnwerkers vonden er dan ook het grootste genoegen in,
om hem vreeselijk beangst te maken en bereikten dat doel door hem
allerhande dwaasheden te verhalen.
Nu eens vertelde men hem dat een inval van de Bassuto's of van
de Zoeloe's te duchten was. Een andermaal hield men zich in zijne
tegenwoordigheid, alsof men uit een dagblad las, dat een wetsontwerp
aanhangig was, om in de geheele uitgestrektheid der Engelsche
bezittingen de doodstraf in te voeren op een ieder, die overtuigd zou
worden van meer dan driehonderd pond zwaar te zijn! Of ook deelde men
hem mede, dat een dolle hond bespeurd was op den weg van Driefontein,
waardoor de arme Matthijs Pretorius, die langs den weg naar huis
terug moest keeren, duizend en meer redenen en uitvluchten vond om
in het kamp te blijven toeven.
Maar al die hersenschimmige angsten haalden niets bij den werkelijken
angst, dien hij koesterde, dat op zijn grondeigendom eene diamantmijn
zou worden ontdekt. Bij voorbaat ontwierp hij reeds een schrikkelijke
schildering van hetgeen dan zou gebeuren, wanneer hebzuchtige
menschen zijn groententuin zouden binnendringen, daar zijne perken en
bedden zouden omwoelen, en hem eindelijk van zijne bezittingen zouden
verdrijven en die onteigenen. Want, er viel niet aan te twijfelen, dan
zou hem een dergelijk lot als dat van Jacobus Vandergaart treffen! De
Engelschen zouden wel drogredenen vinden, om te bewijzen dat zijne
bezitting hun eigendom was.
Wanneer die sombere gedachten hem overvielen, dan martelden zij hem
letterlijk. Wanneer hij bij ongeluk een landmeter of een opnemer in
de nabijheid zijner woning zag rondzwerven, dan was hem alle lust
benomen, dan at en dronk hij dien dag niet!.... En toch, het viel
niet te ontkennen, hij werd steeds vetter!
Een zijner bitterste plaaggeesten was thans Hannibal Pantalucci. Die
boosaardige Napolitaan--wien het, tusschen twee haakjes gezegd, zeer
naar wensch scheen te gaan, want hij had drie Kaffers op zijn claim
in dienst en stalde een kolossalen diamant op het borststuk van zijn
plooihemd uit--had het zwak van den rampzaligen Boer ontdekt. Hij liet
dan ook niet na, zich eens per week het genoegen van zeer twijfelachtig
allooi te verschaffen, om grondboringen in de nabijheid van de hoeve
van Pretorius te gaan verrichten of den grond daar in den omtrek te
gaan omspitten.
Het eigendom van den Boer strekte zich op den linkeroever van de
Vaalrivier uit en was ongeveer op twee mijlen bovenstrooms van het
kamp gelegen. Het bestond voornamelijk uit aanslibbingsgronden, die
waarachtig zeer goed diamanthoudend konden zijn, hoewel tot heden
niets daarvan was gebleken. Hannibal Pantalucci nam de voorzorg,
om zijne akelige scherts te doen slagen, door zich zoodanig voor de
vensters van Matthijs Pretorius te plaatsen, dat deze hem zien moest,
terwijl hij daarenboven steeds een paar vrienden medenam om van die
grap te genieten.
Men kon dan den armen drommel zien, zooals hij verborgen achter
zijne katoenen gordijnen, stond te gluren om al hunne bewegingen
met angstvalligheid gade te slaan en om al hunne gebaren te
spionneeren. Hij was dan steeds gereed om naar zijn stal te ijlen, ten
einde zijn struisvogel aan te spannen, om te kunnen ontvluchten, zoodra
hij zeker meende te zijn dat zijn eigendom hem zoude ontweldigd worden.
Waarom was hij ook zoo ongelukkig of beter zoo dom geweest, om aan
een zijner vrienden toe te vertrouwen dat hij zijn _trek_-vogel dag
en nacht opgetuigd gereed hield, dat hij de bergplaatsen van zijn
tentwagen steeds voorzien hield van mondbehoeften, om in staat te zijn,
bij het eerste daadwerkelijke begin van wederrechtelijke toeëigening,
weg te ijlen.
"Ik ga dan naar de Boschjesmannen, die ten noorden van de
Limpopo-rivier wonen," zei hij. "Tien jaren geleden dreef ik
ivoorhandel met hen. En het is duizendmaal meer verkieslijk zich te
midden der wilden te bevinden, of te midden der leeuwen, tijgers,
jakhalzen en ander wild gedierte, dan te midden van die onverzadelijke
Engelschen te blijven!"
Maar die vertrouwde vriend van den ongelukkigen pachter had zich
als echt vertrouwde gehaast die plannen aan Jan en Alleman te
vertellen! Het zal wel onnoodig zijn er bij te voegen, dat Hannibal
Pantalucci daar zijn voordeel mee deed, om de mijnwerkers uit den
omtrek van tijd tot tijd een koddig schouwspel te bezorgen.
Een ander slachtoffer van de zoutelooze snakerijen van dien Napolitaan
was, zooals wij vroeger reeds verteld hebben, de Chinees Li.
Die had zich ook bij de Vandergaart-Kopjes-mijn gevestigd en had
eenvoudig een waschhuis opgericht. Het is bekend, dat de zonen van het
Hemelsche Rijk uiterst geschikt zijn om als waschbazen op te treden.
Waarachtig, die roode doos, welke gedurende de geheele reis van de
Kaap naar Grikwaland de nieuwsgierigheid van Cyprianus geprikkeld had,
bevatte slechts borstels, soda, stukken zeep en blauwsel. Alles goed
gerekend, heeft een ontwikkeld Chinees niet meer noodig om in dat
land een vermogen te verzamelen. Onze jeugdige ingenieur kon veelal
een glimlach niet weerhonden, wanneer hij Li ontmoette, die, steeds
zwijgend en achterhoudend, met zijn mand aan den arm daarheen stapte,
om het linnengoed bij zijne klanten terug te brengen.
Maar wat hem toch woedend maakte, was dat Hannibal Pantalucci inderdaad
wreed ten opzichte van dien armen drommel te werk ging. Nu eens wierp
hij eenige flesschen inkt in zijn zeepsop; dan weder spande hij een
touw dwars voor zijn deur ten einde hem te doen vallen; een anderen
keer nagelde hij hem aan zijn bank vast, door met een mes zijn kiel in
het hout vast te steken. Als de gelegenheid schoon was, dan liet hij
haar nooit ontglippen om den armen drommel tegen de beenen te schoppen
en hem daarbij voor heidenhond uit te schelden. En dat hij hem zijne
klandizie geschonken had, was alleen om zich wekelijks aan zijne
plagerijen te kunnen overgeven. Hij vond nimmer zijn linnen helder
genoeg, hoewel Li zijn uiterste best deed en het zeer zorgvuldig
streek. Om de minste verkeerde plooi werd hij schrikkelijk boos, en
dan ranselde hij den ongelukkigen Chinees, alsof hij zijn slaaf ware.
Zoodanig waren de ruwe genoegens van het kamp, die evenwel soms als een
treurspel eindigden. Zoo gebeurde het wel eens, bij voorbeeld, dat een
neger, die in de mijn te werk gesteld was, beschuldigd werd een diamant
gestolen te hebben. Dan begeleidde een ieder den beklaagde tot voor
den magistraat, terwijl hij onderweg met vuistslagen overladen werd,
zoodat, wanneer de rechter hem onschuldig bevond en hem ontsloeg, hij
die mishandelingen toch alvast beet had. Hoewel er bij verklaard moet
worden, dat in dergelijke gevallen een bevel tot invrijheidstelling
zeer zelden gegeven werd. De rechter was nog eerder met eene
veroordeeling klaar dan met het verorberen van een schijfje van een
oranjeappel in zout gedoopt,--hetgeen een der lekkerste snoeperijen
van het land is. Het vonnis verwees gewoonlijk den beschuldigde tot
veertien dagen dwangarbeid en tot twintig slagen met de _cat of nine
tails_, de kat met negen staarten, eene soort van uitklopper met
knoopen, waarvan men nu nog in Groot-Brittanje en in de overzeesche
bezittingen van dat Rijk gebruikt maakt, om de gevangenen te ranselen.
Maar er was eene misdaad, die nog minder genade in de oogen der
mijnwerkers vond dan de diefstal; dat was het helen.
De Yankee Ward, dezelfde die te gelijkertijd met den jongen ingenieur
in Grikwaland aangekomen was, deed daarvan eens de wreede ondervinding
op, door eenige diamanten van een Kaffer op te koopen. Nu kan een
Kaffer geen wettig bezitter van diamanten zijn, daar de wet hem het
recht ontzegt, die bij een claim te koopen of een mijn voor eigen
rekening te ontginnen.
Het feit was nauwelijks bekend geworden,--dat gebeurde tegen den avond,
op het tijdstip dat de bevolking van het kamp na haren maaltijd het
meest rumoerig was,--of eene woedende menigte viel op het huis van den
schuldige aan, brak dat tot op den grond toe af en stak de materialen
daarna in brand. Zeer waarschijnlijk had men den Yankee opgehangen
aan eene galg, die gewillige borsten reeds overeindstelden, toen zeer
gelukkig een dozijn rijdende politiedienaren bij tijds aankwam en hem
het leven redde, maar hem daartoe naar de gevangenis moest meênemen.
Tooneelen van geweld kwamen daarenboven te midden van die gemengde,
hartstochtelijke en half wilde bevolking veelvuldig voor. Daar
kwamen al de rassen in botsing met elkander. Daar werkten de
gouddorst, de dronkenschap, de invloed van een verzengend klimaat,
de teleurstellingen en de misrekeningen te zamen om de hersenen te
verhitten en de gewetens te verwarren. Wellicht wanneer al die mannen
gelukkig in hunne delvingen waren, zouden zij meer hunne kalmte en
hun geduld bewaard hebben; maar tegen een enkele, die van tijd tot
tijd eens een steen van groote waarde vond, stonden er honderden,
die moeitevol een plantenleven leidden en te nauwernood zooveel
verdienden om in hunne eerste behoeften te voorzien. Veelal vervielen
zij in de grootste ellende. De mijn kon beschouwd worden als de groene
tafel in een speelhol, waarop men niet alleen zijn kapitaal, maar ook
zijn tijd, zijne moeite en zijne gezondheid waagde. En het getal der
gelukkige spelers, die de claims van de Vandergaart-Kopjes-mijn met
hunne pikhouweelen doorwroetten, was zeer klein.
Dat begon Cyprianus van dag tot dag meer en meer helder in te zien. Hij
vroeg zich dan ook ernstig af, of hij al dan niet voortgaan moest
met een arbeid, die hem zoo bitter weinig voordeel opbracht, toen
hij er eensklaps toe kwam om zijne gewone wijze van doen bij zijn
werk te wijzigen.
Hij bevond zich namelijk op een morgen vlak tegenover eene bende,
bestaande uit een dozijn Kaffers, die naar het kamp toe kwam om er
werk te zoeken.
Die arme lieden kwamen uit het verre gebergte, dat het eigenlijke
Kafferland van het land der Bassuto's scheidt. Zij hadden meer
dan honderd-vijftig uren gaans afgelegd langs de Oranjerivier,
en daarbij op Indiaansche wijze, dat wil zeggen: de een achter den
ander, geloopen. Onderweg hadden zij geleefd van hetgeen zij vonden,
van wortels, bessen en sprinkhanen. Zij waren dan ook zoo vermagerd,
dat zij eerder op geraamten geleken dan op levende wezens. Met hunne
uitgeteerde spillebeenen, met hunne geheel naakte ruggen, die als met
perkament overtogen waren en veel van een leegen romp hadden, met hunne
vooruitstekende ribben, hunne ingevallen wangen, hadden zij er meer
van op een flinken beafsteak van menschenvleesch belust te zijn, dan
wel geneigd bevonden te worden eene goede karwei te volvoeren. Niemand
was dan ook genegen om hen in dienst te nemen, en zij zaten thans
op den kant van den weg neergehurkt, met een weifelachtig uiterlijk,
terneergeslagen en als het ware verdierlijkt door de ellende.
Bij dat schouwspel voelde Cyprianus zich diep bewogen. Hij gaf hun
door teekens te verstaan, dat zij hem zouden wachten, liep toen
naar het hotel terug, waar hij gewoonlijk zijn maaltijd gebruikte,
en bestelde daar een grooten ketel gevuld met maïsmeel, dat in
kokend water opgelost was, dien hij de arme drommels deed brengen,
te gelijker tijd met eenige blikken bussen verduurzaamd vleesch en
twee flesschen rum.
Daarna schonk hij zich de pret, die lieden te zien smullen aan een
maaltijd, welks weerga zij nimmer onder de oogen gehad hadden.
Waarachtig, men zou gemeend hebben schipbreukelingen voor zich te zien,
die, na gedurende veertien dagen honger geleden en in doodsangst
doorgebracht te hebben, van een watervlot gered waren! Zij aten
zooveel, dat hunne buiken een kwartier later tot barstens toe gevuld
waren. In het belang hunner gezondheid moest een eind gemaakt worden
aan die smulpartij, anders kon eene algemeene verstikking de gasten
naar het rijk der dooden doen verhuizen.
Een enkele van die negers, met een slim en ontwikkeld uiterlijk--de
jongste van allen, voor zooveel een oordeel over hun ouderdom te vellen
was,--had eenige matigheid bij het stillen van zijn honger aan den dag
gelegd. En wat nog meer zeldzaam was, hij kwam op de goede gedachte
zijn weldoener te bedanken, wat in het brein der anderen in het geheel
niet opkwam. Hij naderde Cyprianus, greep zijne hand met een kinderlijk
en bevallig gebaar, en legde deze daarna op zijn gekroesd hoofd.
"Hoe heet gij?" vroeg de jonge ingenieur, door dat dankbaarheidsbetoon
getroffen, om wat te zeggen.
De Kaffer, die bij toeval eenige woorden Engelsch verstond, antwoordde
dadelijk:
"Makatit."
Zijn heldere en vertrouwvolle blik beviel Cyprianus. Hij vatte dan ook
dadelijk het denkbeeld op, dien flink gebouwden jongen aan te werven,
om in zijn claim te arbeiden, en dat denkbeeld kon niet anders dan
goed wezen.
"Iedereen hier in het district doet zoo, alles wel beschouwd!" sprak
hij tot zich zelven. "En voor dien armen Kaffer zal het ook beter
zijn mij tot meester te hebben, dan den een of anderen Pantalucci.
"Welnu, Makatit, je komt voorzeker werk zoeken?" vroeg hij.
De Kaffer gaf een bevestigend teeken.
"Wil je bij mij arbeiden? Ik zal je te eten geven, ik zal je de noodige
gereedschappen leveren, en daarenboven krijg je nog twintig shillings
per maand!"
Dat was de bepaalde prijs, en Cyprianus wist wel, dat hij niet meer
mocht uitloven, zonder zich aan de woede van de kampbewoners bloot
te stellen. Maar hij maakte bij zich zelven de afspraak, die schrale
betaling te vergoeden door hem kleedingstukken te schenken, alsook
huisraad en andere dingen, die hij denken kon, dat kostbaar in het
oog eens Kaffers waren.
Makatit lachte en vertoonde voor eenig antwoord zijn beide rijen
hagelwitte tanden. Daarna plaatste hij andermaal de hand van zijn
beschermer op zijn hoofd. Zoo was het wederzijdsche contract geteekend.
Cyprianus voerde dadelijk zijn nieuwen bediende in zijne woning. Hij
nam uit zijn valies een linnen broek, een flanellen hemd en een ouden
hoed, en gaf dit alles aan Makatit, die daar bedremmeld stond en zijne
oogen niet durfde gelooven. Wat! zich reeds bij zijne komst in het
kamp in het bezit gesteld te zien van een zoo prachtig kostuum! Zie,
dat overtrof de stoutste verwachtingen, de meest buitensporige droomen
van den armen drommel. Hij wist niet hoe hij zijne dankbaarheid
zoude te kennen geven. Hij danste van vreugde, hij lachte en weende
te gelijker tijd.
"Ik geloof dat je een goede jongen bent, Makatit," zei Cyprianus. "En
ik geloof dat je een beetje Engelsch verstaat.... Maar kan je geen
enkel woord spreken?"
De Kaffer wenkte: neen.
"Welnu, als dat zoo is, dan raad ik je aan, om het Fransch te leeren,"
hernam Cyprianus.
En zonder dralen begon hij zijn leerling eene eerste les te geven. Hij
wees hem de meest gebruikelijke voorwerpen aan, sprak de namen dan
uit en deed ze hem herhalen.
Nu was Makatit niet alleen een kloeke jongen, maar hij had ook een
ontwikkelden geest en was begaafd met een meer dan gewoon geheugen. Hij
had in minder dan twee uren meer dan honderd woorden geleerd, die
hij zeer zuiver uitsprak.
De jonge ingenieur was opgetogen over zulk een gemakkelijk
bevattingsvermogen, en nam zich voor, dat nog meer te ontwikkelen.
Er waren voor den jongen Kaffer zeven of acht dagen rust noodig,
gepaard aan eene degelijke voeding, om zich van de vermoeienissen
der reis te herstellen en volkomen in staat te zijn den arbeid te
beginnen. Nu waren die acht dagen zoo goed door hem en door zijn
professor aangewend, dat Makatit bij het einde der week reeds in
staat was zijne gedachten in het Fransch uit te drukken, nog slechts
onnauwkeurig wel is waar, maar toch volkomen verstaanbaar. Cyprianus
benuttigde dien staat van zaken om den neger zijne geheele geschiedenis
te laten vertellen. Zij was vrij eenvoudig.
Makatit wist zelfs den naam van zijn land niet, dat in het gebergte
naar den kant van de opgaande zon gelegen was. Alles wat hij er van
wist te vertellen, was, dat hij het er zeer ellendig gehad had. Toen
was hij op de gedachte gekomen, zijn fortuin te beproeven, zooals
ettelijke krijgslieden van zijn stam gedaan hadden, die daartoe
hun vaderland verlaten hadden, en zoo was hij evenals zij naar de
Diamantvelden gekomen.
Wat dacht hij daar te verdienen? Niets anders dan een rooden rok en
tienmaal tien zilveren geldstukken.
De Kaffers versmaden werkelijk goud geld. Dit spruit voort uit een
onuitroeibaar vooroordeel, dat hun de eerste Europeanen, die met hen
handel dreven, medegedeeld hebben.
En wat zou nu de hebzuchtige Makatit met die zilveren geldstukken
uitvoeren?
Welnu, hij zou zich een rooden rok aanschaffen, een geweer en buskruit;
daarna zou hij naar zijne kraal terugkeeren. Daar zou hij zich eene
vrouw koopen, die voor hem zou werken, zijne koe zou oppassen en zijn
akker met maïs beplanten. In dien toestand zou hij een belangrijk
man zijn, een groot opperhoofd. Iedereen zou hem zijn geweer en zijn
groot vermogen benijden, en hij zou na lange jaren geacht en geëerd
ten grave dalen.
Dat was niet zeer ingewikkeld, niet waar?
Cyprianus verzonk in gedachten, toen hij dit zoo eenvoudige programma
vernam. Zou hij er zich toe leenen dat te wijzigen? Moest hij den
bekrompen gezichteinder van dien armen wilde verruimen? Moest hij voor
zijn ijver en werkzaamheid een ander doel aanwijzen, een grootscher
en verhevener dan het veroveren van een rooden rok en een prullig
vuursteengeweer? Of was het niet beter, hem in zijne kinderlijke
onwetendheid te laten, hem in vrede het leven in zijne kraal te laten
leiden en genieten, zooals hij zoo vurig gewenscht had? Dat was een
belangrijk vraagstuk, dat de jonge ingenieur niet durfde oplossen,
maar dat Makatit zelf weldra tot oplossing bracht.
En waarlijk, nauwelijks waren den jeugdigen Kaffer de grondbeginselen
der Fransche taal medegedeeld, of hij toonde een onverzadelijken
leerlust te bezitten. Hij vroeg steeds, hij verlangde alles te weten,
niet alleen den naam van ieder voorwerp, maar ook zijn gebruik,
zijn oorsprong, waarvan het gemaakt was, enz. Toen kwam het leeren
lezen, het leeren schrijven, het leeren rekenen aan de beurt, om
hem hartstochtelijk leerlustig te maken. Waarachtig, die negerjongen
was onverzadelijk.
Het besluit van Cyprianus was weldra genomen. Tegenover zulk eene
blijkbare roeping viel er niet te aarzelen. Hij besloot dus iederen
avond een uur les aan Makatit te geven, die na zijne werkzaamheden in
de mijn volbracht te hebben, al zijn vrijen tijd, die hem beschikbaar
bleef, aan zijne vorming besteedde.
Miss Watkins, op hare beurt ook getroffen door dien zeldzamen ijver,
nam op zich den jeugdigen Kaffer bij haar een herhalingscursus te
laten doorloopen. Dat was eigenlijk minder noodig; want hij zei zijne
lessen gedurende den geheelen dag bij zich zelven op, terwijl hij in
den claim met krachtigen arm het pikhouweel hanteerde.
Zijn ijver bij het werk was zoo aanstekelijk, dat hij zich aan het
geheele personeel mededeelde als eene besmetting zoodat de mijnarbeid
veel beter en met meer zorg scheen te geschieden.
Cyprianus had daarenboven op aanbeveling van Makatit zelf een anderen
Kaffer van denzelfden stam in dienst genomen, die Bardik heette en
wiens ijver en schranderheid insgelijks opmerkelijk waren.
Het was in die dagen, dat den jeugdigen ingenieur een gelukje ten
deel viel, dat hem nog niet overkomen was; namelijk van een steen
van ongeveer zeven karaten te vinden, dien hij onmiddellijk voor
twee-duizend-vijf-honderd gulden aan den makelaar Nathan verkocht.
Dat was waarlijk een fraaie vondst. Een mijnwerker, die van
de opbrengst zijns arbeids slechts een normale vergoeding
verwachtte zou zich met recht tevreden gesteld gezien
hebben. Voorzeker! Ongetwijfeld! Toch was Cyprianus het niet.
"Als mij alle twee of drie maanden zoo'n buitenkansje wedervoer," vroeg
hij zich zelven af, "zou ik dan wel veel verder zijn? Ik moet niet één
steen van zeven karaten hebben, ik zou duizend of vijftien-honderd
dergelijke steenen moeten vinden,.... of Miss Watkins is voor mij
verloren, om ten buit te vallen aan James Hilton of aan eenigen
anderen mededinger, die haar even onwaardig is?"
Het hoofd vol van die treurige gedachten, keerde Cyprianus op een
snikheeten dag, dat de atmosfeer met fijn rood verblindend stof,
hetwelk in de lucht der diamantvelden steeds zwevende is, bezwangerd
was, naar de Kopjes-mijn terug, toen hij plotseling, bij het omslaan
van den hoek eener hut, met afgrijzen achteruit deinsde. Een treurig
schouwspel trof daar zijne oogen.
Aan den disselboom eener ossenkar, die rechtop tegen den gevelmuur der
hut, met het onderste gedeelte op den grond rustende en het andere
einde omhoog gesteld was, was een man opgehangen. Bewegingloos, met
uitgestrekte voeten, de handen machteloos omlaag, hing dat lichaam daar
te midden van eene verblindende lichtstraal recht als het koord van een
schietlood en vormde met den disselboom een hoek van twintig graden.
Dat was een akelig gezicht.
Cyprianus, die eerst zeer ontsteld was, werd weldra door groot
medelijden bewogen, toen hij den Chinees Li herkende, die daar door
middel van zijne lange haarvlecht, die om den hals was geslagen,
opgehangen was.
De jeugdige ingenieur aarzelde geen oogenblik over hetgeen hij te
doen had. Naar het boveneind van dien disselboom opklimmen, het
lichaam des gehangenen onder de armen aanvatten, het ophijschen om
de verdere werking der verstikking te doen ophouden, en eindelijk de
haarvlecht met zijn zakmes doorsnijden, dat alles was het werk van
een halve minuut. Toen dat volvoerd was, liet hij zich langzaam en
voorzichtig naar beneden glijden en legde zijn last in de schaduw,
door de hut geworpen, neer.
Het was waarlijk tijd, Li was nog wel niet koud; zijn hart klopte
zwakjes, maar het klopte nog. Weldra opende hij de oogen en wat
het zonderlingste was, met die beweging kreeg hij ook zijn geheele
bewustzijn terug.
Op het strakke gelaat van den armen drommel was zelfs in dit uiterste
beproevingsuur noch schrik noch eenige verwondering merkbaar. Men
zou waarlijk gezegd hebben, dat hij eenvoudig uit een lichten slaap
ontwaakt was.
Cyprianus liet hem wat water met azijn vermengd, dat hij in zijne
veld flesch bij zich droeg, drinken.
"Kunt gij thans spreken?" vroeg hij
werktuiglijk, vergetende dat Li hem
niet begreep.
De andere knikte evenwel bevestigend.
"Wie heeft u opgehangen?"
"Ik," antwoordde de Chinees met kalmte, zonder dat iets aanduidde,
dat hij er zich van bewust was iets buitengewoons of iets berispelijks
verricht te hebben.
"Gij?.... Maar ongelukkige, gij wildet dan zelfmoord plegen?.... Wat
bewoog u daartoe?"
"Li had het te warm!.... Li verveelde zich!...."
Daarop sloot hij de oogen, als om aan meerdere vragen te ontsnappen.
Thans bemerkte Cyprianus eerst de vreemde bijzonderheid, dat het
gesprek in het Fransch gevoerd was.
"Spreekt gij ook Engelsch?" vroeg hij.
"Ja," antwoordde Li, terwijl hij de oogen opende.
Waarachtig, het was of twee schuine knoopsgaten ter weerszijden van
zijn kleinen stompneus gaapten.
Cyprianus meende thans weer in dien blik iets van die spotzucht te
ontwaren, die hij herhaaldelijk meende te betrappen gedurende de reis
van Kaapstad naar Kimberley.
"Uwe beweegredenen zijn al te dwaas!" zei hij gestreng. "Men doet
zijn leven niet te kort omdat men het te warm heeft!.... Spreek
ernstig.... Ik wed dat daaronder weer een gemeene streek van dien
Pantalucci schuilt?"
De Chinees boog het hoofd.
"Hij wilde mij mijne haarvlecht afsnijden," fluisterde hij zacht;
"en ik ben zeker, dat hij in dat opzet geslaagd zoude zijn, eer wij
twee dagen verder waren."
Maar in hetzelfde oogenblik zag hij dien belangrijken haarstaart,
dien Cyprianus nog steeds in de hand hield, en kreeg daardoor de
overtuiging dat hetgeen wat hij boven alles gevreesd had, geschied was.
"O, mijnheer!...." riep hij met een hartverscheurenden kreet
uit. "Wat!..... Hebt gij.... gij mij mijn staart afgesneden?"
"Ik moest wel, om u van dien strik los te maken, mijn vriend,"
antwoordde Cyprianus. "Maar wat duivel, zult gij in dit land zonder
staart een stuiver minder waard zijn? Kom, stel u niet zoo dwaas aan!"
De Chinees scheen evenwel zoo wanhopig over dat verlies te zijn,
dat Cyprianus, vreezende dat hij weer het een of ander middel tot
zelfmoord te baat zou nemen, besloot naar huis terug te keeren en
hem mede te nemen.
Li volgde hem gewillig, zette zich aan tafel met zijn redder, liet zich
geduldig kapittelen en beloofde zijne poging niet te herhalen. Zelfs
ging hij zoover in zijne vertrouwelijkheid, dat hij onder het genot
van een kop brandend heete thee eenige mededeelingen betreffende
zijne levensgeschiedenis leverde.
Li, die te Kanton geboren werd, was in een Engelsch handelshuis
voor den handel opgeleid. Daarna was hij naar Ceylon en van daar
naar Australië overgestoken, om eindelijk in Afrika terecht te
komen. Nergens was het hem meegeloopen. De wasch-affaire hier in het
mijndistrict ging al even slecht als twintig andere handwerken, die
hij uitgeoefend had. Zijne nachtmerrie was Hannibal Pantalucci. Dat
wezen maakte hem ellendig, en zonder dien kerel zou hij tevreden zijn
met de schamele bete broods, die hij in Grikwaland verdiende. Om kort
te gaan, het was om die vervolgingen en die martelingen te ontgaan,
dat hij een einde aan zijn leven had willen maken.
Cyprianus troostte den armen kerel en sprak hem moed in. Hij beloofde
hem tegenover den Napolitaan te zullen beschermen, gaf hem al zijn
vuil linnen, dat hij onder de hand had, om te wasschen, en zond hem
heen niet alleen getroost, maar volmaakt genezen van zijn bijgeloof
betreffende zijn harig aanhangsel.
En wil de lezer weten hoe de jonge ingenieur dat doel bereikt
had? Niets eenvoudiger dan dit: Hij had hem met den meest mogelijken
ernst verzekerd, dat de strop eens gehangenen geluk aanbrengt en
dat de invloed van zijn ongelukkig gesternte een einde zou nemen,
nu hij zijn staart in den zak had.
"In ieder geval zal Pantalucci hem nu niet meer kunnen afsnijden!"
Deze echt Chineesche redeneering bracht Li's genezing tot volmaking.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
DE AARDSTORTING.
Sedert vijftig dagen had Cyprianus geen enkelen diamant in zijne
mijn gevonden. Dat mijnwerkersbaantje, dat hem voorkwam een ellendig
baantje te zijn, wanneer men althans geen geld genoeg heeft om een
uitstekenden claim te koopen en een dozijn Kaffers daarin te werk te
stellen, begon hem dan ook mooi de keel uit te hangen.
Dientengevolge liet Cyprianus op zekeren morgen Makatit en Bardik
alleen met Thomas Staal vertrekken en bleef in zijne hut achter. Hij
wilde een brief van zijn vriend Pharamond Barthés beantwoorden, die hem
tijdingen had doen toekomen door tusschenkomst van een ivoorhandelaar,
die op reis naar de Kaapstad was.
Pharamond Barthés was in de wolken over zijne jagersleven en over de
door hem ondervonden avonturen. Hij had reeds drie leeuwen gedood,
zestien olifanten en zeven tijgers, zonder nog te spreken van een
onnoemlijk aantal giraffen en antilopen. Van het kleine wild maakte
hij eenvoudig geen gewag.
Hij voedde, zeide hij, den oorlog door den oorlog, evenals dat de
historische veroveraars deden. Hij slaagde er niet alleen in om het
geheele expeditionaire korps, dat hij met zich voerde, te onderhouden,
maar het zou hem gemakkelijk gevallen zijn, wanneer hij zulks gewild
had, groote winsten te behalen met den verkoop van de pelterijen en
van het ivoor, van die jachtpartijen afkomstig, of door ruilhandel
te drijven met de Kafferstammen, in welker midden hij leefde.
Hij eindigde zijn schrijven in dier voege:
"Zult gij mij niet vergezellen bij het volvoeren eener reis langs
de boorden van de Limpopo-rivier? Ik zal er tegen het eind van de
aanstaande maand aankomen. Ik heb het plan dien stroom af te zakken
tot zijne ontwatering in de Delagoa-baai, om vervolgens over zee naar
Durban terug te keeren, waarheen ik volgens contract mijne Bassuto's
terugvoeren moet. Laat toch dat schrikkelijke Grikwaland voor eenige
weken links liggen en kom mee...."
Cyprianus las en herlas dien brief, toen eensklaps eene vreeselijke
losbarsting vernomen werd, die onmiddellijk door een helsch spektakel
in het kamp gevolgd werd. Hij vloog natuurlijk in alle haast op en
stormde zijne tent uit.
Al de mijnwerkers liepen in de grootste wanorde en met al de teekenen
eener buitengewone radeloosheid naar de mijn.
"Eene aardstorting!" schreeuwde men van alle kanten.
De nacht was inderdaad zeer frisch, ja, koud te noemen geweest,
terwijl de vorige dag als een der warmsten, die men in langen tijd
beleefd had, kon aangerekend worden. Gewoonlijk na zulke groote en
spoedig ingevallen temperatuursverschillen hadden samenkrimpingen
van de blootgestelde aardmassa's plaats, waardoor zulke rampen als
de hier aangeduide mogelijk werden.
Cyprianus haastte zich naar de Kopjes-mijn.
Toen hij daar aankwam, overzag hij het gebeurde met één blik.
Een aarden wal van minstens zestig meter hoogte en van twee honderd
meter lengte was van boven tot onder gespleten en vormde eene gaping,
die heel veel geleek op de bres van een door geschut geteisterden
muur. Verscheidene duizenden kubieke meters grind waren losgeraakt
en naar beneden gestort, waar zij de claims met zand, met steenen en
met aarde bedolven. Alles wat zich op het oogenblik der aardstorting
boven op den rand bevonden had, als menschen ossen, karren enz., was
plotseling in den afgrond te recht gekomen en lag daar door elkander.
Gelukkig dat het grootste gedeelte der mijnwerkers nog niet in de mijn
afgedaald was, want anders ware meer dan de helft van de kampbewoners
bedolven geweest.
De eerste gedachte van Cyprianus betrof zijn vennoot, Thomas Staal. Hij
had weldra het genoegen hem te ontdekken te midden van een groep
mannen, die zich rekenschap trachtten te geven van den omvang van
de ramp en daartoe op den rand der gevormde spleet stonden. Hij liep
naar hem toe en ondervroeg hem.
"Ja, wij zijn het mooi ontsnapt!" zei de mijnwerker uit Lancashire,
terwijl hij den Franschman de hand drukte.
"En Makatit?" vroeg Cyprianus.
"De arme jongen ligt daaronder," antwoordde Thomas Staal, op de
puinhoopen wijzende, die zich op hun gemeenschappelijk eigendom
opgestapeld hadden. "Nauwelijks had ik hem bevel gegeven om in de
groeve af te dalen, en stond ik reeds te wachten op den eersten emmer,
om dien op te hijschen, toen de noodlottige gebeurtenis plaats vond."
"Maar wij kunnen zoo niet met de armen over elkander geslagen staan
toekijken, zonder iets uit te richten!" riep Cyprianus uit. "Misschien
leeft hij nog."
Thomas Staal schudde het hoofd.
"Het is onwaarschijnlijk, dat hij onder een last van minstens twintig
ton aarde nog in leven zoude zijn," antwoordde hij. "Daarenboven tien
menschen zouden zeker twee of drie dagen moeten arbeiden om den boel
op te ruimen."
"Dat kan me niet schelen," was de meening van den jongen ingenieur,
vastbesloten. "Ik wil niet dat gezegd zal worden, dat wij een
menschelijk wezen in dat graf bedolven hebben gelaten, zonder dat
wij alle pogingen aangewend hebben, om hem er uit te halen."
En zich door tusschenkomst van Bardik tot eenige andere Kaffers
wendende, die daar in de nabijheid stonden, bood hij hen een hoog
loon, van vijf shillings per dag aan, voor ieder, die onder zijne
aanwijzing arbeiden wilde om zijn claim te ontruimen.
Een dertig negers boden terstond hunne diensten aan, en de arbeid
werd zonder een oogenblik verloren te laten gaan, aanvaard. De
pikhouweelen, de schoppen en spaden ontbraken niet, de emmers en de
kabels waren geheel gereed, de karretjes ook. Een groot aantal blanke
mijnwerkers boden op de tijding, dat het gold een armen sukkel van
onder de aardstorting te voorschijn te halen, grootmoedig hunne
hulp aan. Thomas Staal, ontvonkt door den moed en den ijver van
Cyprianus, bestuurde met geestdrift den arbeid, die dienen moest,
om een menschenleven te redden.
Tegen het middaguur waren reeds eenige tonnen zand en steenen verwerkt
en buiten den claim gebracht.
Bardik liet zoowat tegen drie uur een rauwen kreet hooren. Hij
bespeurde onder zijne schop een zwarten voet, die boven den grond
uitstak.
Men verdubbelde natuurlijk de inspanningen, en weinige minuten
later was het lichaam van Makatit geheel uitgegraven. De ongelukkige
Kaffer lag op den rug uitgestrekt, bewegingloos en was volgens alle
waarschijnlijkheid dood als een pier. Een der lederen emmers evenwel,
die hij bij zijn arbeid bezigde, was met de opening op zijn gelaat
gevallen en bedekte dat zooals een mombakkes dat zoude gedaan hebben.
Die omstandigheid, die door Cyprianus niet onopgemerkt bleef, deed
de gedachte bij hem opkomen, dat hij den ongelukkige wellicht in het
leven kon terugroepen; maar die hoop was in werkelijkheid uiterst zwak;
want het hart klopte niet meer, de huid was koud, de ledematen waren
verstijfd, de handen waren door den doodstrijd gesloten en gebald,
en het gelaat, dat met die eigenaardige bleekheid der negers in
het stervensuur overtogen was, was schrikkelijk verwrongen door de
stuiptrekkingen bij dien verstikkingsdood.
Toch verloor Cyprianus den moed niet. Hij deed Makatit naar de hut van
Thomas Staal, die het dichtste in de nabijheid lag, overbrengen. Men
strekte hem op een tafel uit, die gewoonlijk gebezigd werd om het
grind en het zand der mijn uit te zoeken, en hij werd toen onderworpen
aan stelselmatige wrijvingen en aan bewegingen van de wervelkolom
en van de borstkas, geschikt om eene kunstmatige ademhaling in het
leven te roepen. In één woord men wendde alle hulpmiddelen aan, die
bij drenkelingen gebezigd worden. Cyprianus wist, dat die middelen
bij alle soorten van verstikking dienstig kunnen zijn. Ook was er
in het gegeven geval niets anders te verrichten, want geene wond,
geene breuk, noch eenige ernstige beleediging waren te bespeuren.
"Kijk toch, mijnheer Méré, hij houdt nog eene kluit aarde in de vuist
geknepen!" deed Thomas Staal, die het beste hielp, om dat groote
zwarte lichaam te wrijven, opmerken.
En hij wreef goed, die brave mijnwerker van Lancashire. Wanneer
hij bezig ware geweest de groote krukas eener stoommachine van
twaalfhonderd paardenkracht met amaril en olie te polijsten, dan zou
hij aan dat werk zijne vuisten niet met meer kracht hebben kunnen
gebruiken!
Die inspanningen droegen eindelijk goede vruchten. De lijkenstijfheid
van den jeugdigen Kaffer scheen langzamerhand te verdwijnen. De
temperatuur zijner huid wijzigde zich aanmerkelijk. Cyprianus, die met
het oor op de hartstreek het geringste teeken van leven bespiedde,
meende onder zijne hand eene lichte trilling te gevoelen, die hem
een goed voorteeken scheen.
Die kenteekenen werden weldra duidelijker. De pols begon te kloppen,
eene zachte inademing van lucht tilde bijna onmerkbaar de borstkas
van Makatit op, terwijl een daarop volgende sterkere uitademing
kenteekende, dat het lichaam tot zijne levensverrichtingen terugkeerde.
Plotseling traden twee heftige niesbuien in, die de groote zwarte
karkas, vroeger zoo bewegingloos, van het hoofd tot de voeten deden
schudden. Makatit opende de oogen, haalde diep adem en herkreeg
zijn bewustzijn.
"Hoera! hoera! De kameraad is uit de klem!" riep Thomas Staal, wien
het zweet van het lichaam gutste en die thans met zijne wrijvingen
ophield. "Maar kijk dan toch, mijnheer Méré, hij laat zijne kluit
aarde, die hij steeds in de samengeknepen vuist houdt, maar niet los."
Onze jonge ingenieur had wel wat anders te doen in die oogenblikken,
dan op die bijzonderheid te letten. Hij liet den lijder een kleinen
lepel vol rum inslikken en tilde hem op, om zijne ademhalingswerktuigen
in hunne werking behulpzaam te zijn. Toen hij hem eindelijk goed
en wel tot het leven teruggeroepen zag, wikkelde hij hem in eenige
dekens en deed hem door drie of vier gewillige kerels naar zijne hut,
die op het erf van Watkins gelegen was, overbrengen.
Daar werd de arme Kaffer op zijn bed gelegd en deed Bardik hem een
kop heete thee drinken. Makatit sliep na een half uur rustig en kalm
in en kon nu als gered beschouwd worden.
Cyprianus gevoelde in zijn binnenste die onvergelijkelijke
vreugdevolle gewaarwording, die ieder mensch ondervindt, wanneer
hij een menschenleven aan de klemmende vuist des doods ontrukt
heeft. Terwijl Thomas Staal en zijne makkers, dorstig geworden
door zooveel therapeutische handelingen, hun goeden uitslag bij den
naburigen kroeghouder gingen vieren, door een groote hoeveelheid bier
te verorberen, greep Cyprianus bij Makatit wenschende te blijven,
een boek en zette zich naast zijne sponde, en onderbrak slechts zijne
lectuur om den Kaffer te zien slapen zooals een vader den slaap van
een van ziekte herstellenden zoon zoude bewaakt hebben.
Makatit was sedert zes weken in dienst bij Cyprianus getreden,
en deze had niet anders dan redenen gehad om tevreden, ja, zelfs
opgetogen over hem te zijn. Zijne schranderheid, zijne gewilligheid,
zijn ijver bij den arbeid waren uitmuntend en werkelijk bij die van
geen andere te vergelijken. Hij was moedig, goedhartig, dienstvaardig
en begaafd met een bijzonder zacht en vroolijk karakter. Geen werk
was hem te zwaar, geen moeilijkheid rees boven zijn ijver en moed. Er
kon met recht gezegd worden, dat er geen verheven maatschappelijk
standpunt bestond, hetwelk een Franschman, met zulke hoedanigheden
en eigenschappen begaafd, niet zou hebben kunnen bereiken. En het
noodlot wilde, dat al die kostbare gaven onder die zwarte huid en in
den gekroesden schedel van een eenvoudigen Kaffer gehuisvest waren!
Toch had Makatit een gebrek--een ernstig gebrek--een gevolg
waarschijnlijk van de eerste opleiding, die hem deelachtig werd,
en van de al te Spartaansche gewoonten, die hij in zijne kraal
aangeleerd had. Zullen wij dat gebrek mededeelen? Makatit was een
weinig diefachtig; maar was dat geheel onbewust. Wanneer hij een
voorwerp ontwaarde, dat hem aanstond, vond hij het heel natuurlijk
zich dat voorwerp toe te eigenen.
Te vergeefs hield hem zijn meester, die door de neiging zich
beangstigd gevoelde, hem de meest ernstige en de meest strenge
vertoogen. Te vergeefs dreigde hij hem te zullen heen zenden, wanneer
hij hem andermaal betrappen of schuldig bevinden mocht. Bij zulke
gelegenheid beloofde Makatit beterschap, hij huilde dan en smeekte
om vergeving! maar.... den volgenden morgen, wanneer de gelegenheid
zich aanbood, was hij weer de oude zondaar.
Zijne ontvreemdingen betroffen gewoonlijk dingen, die niet belangrijk
waren. Al de zaken, die zijne hebzucht in het bijzonder opwekten,
hadden niet veel waarde, zooals een mes, een das, een potloodhouder,
of dergelijke nietigheid. Toch deed het Cyprianus pijnlijk aan,
dat een zoo edel karakter met zulk eene ondeugd behept was.
"Laat mij wachten.... laat mij de hoop niet verliezen!" zei hij
tot zich zelven. "Wellicht gelukt het mij, hem het slechte van die
diefstallen te doen begrijpen!"
En terwijl hij hem zoo gedurende zijn slaap aankeek, overdacht
Cyprianus die zoo scherpe afwijkingen in zijne hoedanigheden, die
haren oorsprong vonden in Makatit's verleden, te midden van zijn
stam doorgebracht.
Toen de avond begon te vallen, ontwaakte de jeugdige Kaffer zoo frisch
en zoo welbehaaglijk mogelijk, net alsof hij geen twee uren lang in
een staat van verstikking doorgebracht had. Hij kon thans vertellen,
wat hem wedervaren was.
De emmer, waarmede zijn aangezicht zeer bij toeval bedekt was geworden,
en een lange ladder, die als een korbeelstut boven hem dienst gedaan
had, hadden hem aanvankelijk tegen de onmiddellijke mechanische
gevolgen van de aardstorting beschermd en ook geruimen tijd voor
een volkomen verstikking behoed, daar zij hem in zijne onderaardsche
gevangenis een kleinen voorraad lucht verschaft hadden. Hij had zich
zeer goed rekenschap weten te geven van die gelukkige omstandigheid
en had alles aangewend om haar zoo veel mogelijk te benuttigen, door
slechts met groote tusschenpoozen adem te halen. Maar die geringe
voorraad lucht was langzamerhand bedorven geraakt. Toen had Makatit
zijne geestvermogens langzamerhand voelen benevelen. Eindelijk was hij
in een soort van zwaargeestigen slaap vol doodsangsten geraakt waaruit
hij bij wijlen ontwaakte en dan met een uiterste inspanning lucht
poogde in te ademen. Eindelijk was zijn denk- en herinneringsvermogen
als uitgewischt. Hij wist niet meer, wat met hem gebeurde en was nu
dood.... want het was werkelijk uit den dood, dat hij verrezen was.
Cyprianus liet hem een poos voortpraten; hij liet hem daarna drinken
en eten en noodzaakte hem, in weerwil van zijne tegenstribbelingen,
om den geheelen nacht op het bed te blijven liggen, waarop hij hem
had doen uitstrekken. Toen hij eindelijk zag, dat alle gevaar geweken
was, liet hij hem alleen en begaf zich naar de hoeve van Watkins,
om daar zijn gewoon bezoek af te leggen.
De jeugdige ingenieur gevoelde behoefte, om aan Alice zijne ondervonden
indrukken op dien dag mede te deelen, als ook den afkeer van het
mijnwerk, dien hij ondervond en die sedert het ongeval van dien morgen
nog vermeerderd was. Het denkbeeld hinderde hem, dat het leven van
Makatit in gevaar gesteld was alleen voor de twijfelachtige kans om
eenige kleine en onbeduidende diamanten te vinden.
"Dat ik dien arbeid zelf verricht," mompelde hij in zich zelven,
"kan er nog door. Maar dat gevaarvolle werk op te dragen aan dien
ongelukkigen Kaffer, en dat voor een ellendig loon, is eenvoudig
verachtelijk te noemen!"
Hij deelde dus het jonge meisje zijne gewetenswroeging en zijne
teleurstellingen mede. Hij vertelde haar van den brief, dien hij van
Pharamond Barthès ontvangen had, en vroeg haar raad of hij niet beter
zou handelen met de uitnoodiging van zijn vriend op te volgen. Wat zou
hij er bij verliezen, wanneer hij naar de boorden van de Limpopo-rivier
vertrok en het jachtveld betrad. Het zou in ieder geval edeler zijn
dan in de aarde te wroeten als een gierigaard of daarin arme drommels
voor zijne rekening te doen wroeten.
"Wat denkt gij er van, miss Watkins," vroeg hij, "gij die zooveel
wijsheid aan zooveel practischen zin paart? Geef mij toch raad! Ik heb
goeden raad hard noodig! Ik ben waarachtig mijn weerstandsvermogen
kwijt. Er is waarlijk een vriendinnenhand noodig om mij weer op het
rechte pad te brengen."
Zoo sprak hij in alle oprechtheid en vond er een onverklaarbaar
genoegen in, nu hij zijne terughoudendheid verbroken had, zoo te
praten en voor dat lieve en bekoorlijke kind de ellende zijner
besluiteloosheid bloot te leggen.
Dat gekeuvel werd sedert eenige minuten in het Fransch voortgezet
en ontleende aan die eenvoudige omstandigheid een grooten graad van
vertrouwelijkheid, hoewel John Watkins, sedert eenige oogenblikken,
na zijn derde pijp gerookt te hebben, ingedommeld, nooit eenige
aandacht verleend had aan hetgeen de twee jongelieden met elkander
praatten in het Engelsch of in welke taal ook.
Alice hoorde hem met belangstelling aan.
"Alles wat gij mij thans zegt, mijnheer Méré," antwoordde zij, "heb
ik reeds lang gedacht. Ik kan moeilijk begrijpen, hoe een ingenieur,
een geleerde zoo als gij zijt, er goedsmoeds heeft toe kunnen overgaan
zoo een leven te leiden! Is dat geene misdaad jegens u zelven? Is dat
geene misdaad jegens de wetenschap? Uw kostbaren tijd te verknoeien
met een oppermanswerk, dat een eenvoudige Kaffer of een domme Hottentot
beter dan gij verricht. Vergeef mij, maar dat is niet goed gehandeld;
het is zelfs slecht gehandeld, geloof mij."
Cyprianus zou slechts een enkel woord behoeven te zeggen, om dat
raadsel op te lossen, om voor het jonge meisje helder en duidelijk
te maken, hetgeen haar zoo verwonderde en zoo ergerde.... Wie weet
trouwens, of zij hare verontwaardiging niet een weinig overdreef
om hem tot eene verklaring te brengen!.... Maar.... hij had zich
voorgenomen die verklaring in zijn hart te bewaren, en hij zou
zich zelven geminacht hebben, wanneer hij haar liet ontsnappen. Hij
weerhield haar dus en zweeg.
Miss Watkins ging evenwel voort:
"Als gij er zoo op gesteld zijt om diamanten te vinden, mijnheer
Méré, waarom zoekt gij die niet daar, waar gij, volgens mij, wel kans
zoudt hebben om ze te vinden, namelijk in uw kroes? Hoe nu! gij zijt
scheikundige, gij beter dan iemand weet wat die ellendige steenen,
waaraan zooveel waarde gehecht wordt, eigenlijk zijn, en gij gaat ze
verwachten van een ondankbaren en werktuigelijken arbeid? Wat mij
betreft, ik herhaal mijn denkbeeld: als ik in uwe plaats was, dan
zou ik eerder trachten diamanten te vervaardigen dan dat ik moeite
zou doen ze geheel gereed te vinden!"
Alice sprak met zulk eene opgewondenheid, met zulk eene hoop en geloof
in de kracht der wetenschap, en ook in de kunde van Cyprianus zelven,
dat het hart van den jongen man zich als met een verkwikkenden dauw
gedrenkt gevoelde.
Jammer, doodjammer, in dit oogenblik ontwaakte John Watkins uit
zijn dut en vroeg berichten omtrent de Vandergaart-Kopjesmijn. De
jongelieden waren dus genoodzaakt hun afzonderlijk gesprek te staken
en de Engelsche taal weer te bezigen. De betoovering was verbroken.
Maar het uitgestrooide zaad was in goede aarde te recht gekomen en
moest ontkiemen. De jeugdige ingenieur overdacht bij het naar huis
gaan die zoo juiste woorden, welke in zijn binnenste trilden en daar
een zoo grooten weerklank vonden, en die miss Watkins hem met haar
lieven mond toegevoegd had. Wat die woorden hersenschimmigs hadden,
verdween voor zijne oogen, om hem slechts te laten zien, wat zij aan
edelmoedigheid, aan vertrouwen en teederheid jegens hem inhielden.
"En waarom niet.... alles wel beschouwd?" vroeg hij zich af. "De
kunstmatige bereiding van het diamant kon eene eeuw geleden
hersenschimmig heeten, thans is zij als het ware een voldongen
feit! De heeren Frémy en Peil te Parijs hebben robijnen, smaragden
en saffieren vervaardigd, die in werkelijkheid niets anders zijn dan
aluminiumkristallen, die verschillend gekleurd zijn. De heer Mac Tear
van Glasgow en de heer M.J. Ballantine Hannay uit dezelfde stad, hebben
in 1880 gekristalliseerde koolstof verkregen, die al de eigenschappen
van het diamant bezat, doch het eenige gebrek had schrikkelijk duur
te zijn--veel duurder dan de natuurlijke diamanten van Brazilië,
van Indië, van Borneo of van Grikwaland, en dus aan de behoefte van
den handel niet voldeed. Maar wanneer de wetenschappelijke oplossing
van een vraagstuk gevonden is, dan is de nijverheids-oplossing niet
verre meer af! Waarom haar niet op te sporen? Al die geleerden,
die er niet in slaagden haar te vinden, waren theoretici, mannen van
het studeervertrek, boekenwurmen, laboratorium-bewoners. Zij hebben
het diamant niet plaatselijk bestudeerd, in zijn oorspronkelijk
terrein, in zijne bakermat, in zijne wieg om zoo te zeggen. Ik
kan mijn voordeel met hunne studiën, met hunne ondervinding doen,
en ook mijne eigene gebruiken. Ik heb het diamant met eigen handen
opgedolven. Ik heb de terreinen, waarin het zich bevindt, onder
alle opzichten ontleed! Wanneer iemand slagen moet om de laatste
moeilijkheden te boven te komen, dan, met een weinig geluk, moet ik
dat zijn.... ja, ik!"
Ziedaar wat Cyprianus gedurig in zich zelven herhaalde en waarmede
hij gedurende den ganschen nacht bijna zijn geest bezig hield.
Zijn besluit was weldra genomen. Den volgenden ochtend reeds gaf hij
Thomas Staal kennis, dat hij niet meer, ten minste voorloopig niet
meer, in zijn claim zou werken of doen werken. Hij kwam er zelfs
voor uit, dat wanneer hij zijn gedeelte zou kunnen verkoopen, hij
hem daartoe machtigde. Daarna sloot hij zich in zijn laboratorium op,
om zijne nieuwe plannen te overpeinzen.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
DE GROOTE PROEF.
Cyprianus had te midden van herhaalde nasporingen over de oplosbaarheid
der vaste lichamen in de luchtvormige--nasporingen die hem het geheele
vorige jaar beziggehouden hadden--zeer goed opgemerkt, dat sommige
zelfstandigheden, als het silicium en het aluminium bijvoorbeeld,
onoplosbaar in water, evenwel oplosbaar in waterdamp zijn, die onder
hooge drukking gebracht en uitermate verhit is.
Vandaar de beweegreden van het besluit, hetwelk hij nam, om te
onderzoeken of er geen oplossingsmiddel van de koolstof te vinden was,
om zoo tot hare kristalvorming te geraken.
Maar al zijne pogingen in die richting bleven vruchteloos, en na zoo
eenige weken in ijdele nasporingen doorgebracht te hebben, was hij
verplicht van batterij te veranderen.
Batterij is hier het ware woord, zooals men zien zal, want bij de nu
volgende proef zou een kanon eene voorname rol spelen.
Verschillende vergelijkings-theorieën brachten er den jeugdigen
ingenieur toe om als aanneembaar te beschouwen, dat het diamant zich
wel in de Kopjes zelven vormde, op dezelfde wijze als de zwavel zich
in de solfatara's of zwavelbronnen vormde. Men weet toch dat de zwavel
ontstaat uit eene halve oxydatie of verzuring van zwavelwaterstofgas,
nadat een gedeelte daarvan in zwaveligzuur omgezet is, waardoor het
andere zich in kristallen langs de wanden van de zwavelbron neerslaat.
"Wie weet," sprak Cyprianus in zich zelven, "of de diamantlegeringen
geen ware carbonataren of koolstofbronnen zijn? Vermits een
mengsel van waterstof en koolstof er noodwendig met het water en
de aanslibbingsafzettingen onder den vorm van moerasgas aangevoerd
wordt, waarom zou dan eene oxydatie van het waterstofgas met eene
gedeeltelijke oxydatie van de koolstof niet de kristalvorming van de
in te groote hoeveelheid aanwezige koolstof teweegbrengen?"
Om van dat denkbeeld tot de proef, om door eene gelijksoortige maar
geheel kunstmatige reactie tot de theoretische werking van de zuurstof
te besluiten en over te gaan, had voor een waren scheikundige niet
veel om het lijf.
Tot de onmiddellijke uitvoering van dat program werd dan ook door
Cyprianus besloten.
Het kwam er in de eerste plaats op aan, om eene proefondervindelijke
handeling uit te denken, die zooveel mogelijk de veronderstelde
gegevens omtrent de voortbrenging van den natuurlijken diamant
nabijkwam. Die handeling moest vooral zeer eenvoudig wezen. Alles wat
de natuur groot en verheven wrocht, geschiedt op die wijze. Hoe weinig
samengesteld toch zijn de schoonste ontdekkingen, door het menschdom
veroverd; de zwaartekracht, de magneetnaald, de boekdrukkunst, het
stoomwerktuig, de electrische telegraaf bij voorbeeld?
Cyprianus ging zelf een voorraad aarde uit de diepte der mijn
te voorschijn halen, die volgens zijne meening de meest gunstige
hoedanigheid bezat tot het welslagen zijner proef. Toen bereidde hij
met die aardsoort een dikke brij, waarmede hij het binnenste eener
stalen buis bestreek, die een halven meter lang en vijf centimeter
dik was en een kaliber had van acht centimeter.
Die buis was niets anders dan het langeveld van een buiten dienst
gesteld kanon, dat hij te Kimberley van een troep vrijwilligers, die na
een veldtocht tegen de Kafferstammen afgedankt was, had kunnen koopen.
Dat kanon werd in de werkplaats van Jacobus Vandergaart op behoorlijke
lengte afgezaagd en verschafte het werktuig wat noodig was, dat wil
zeggen: een ontvanger, die weerstandskracht had om een buitengewoon
hooge drukking in zijn binnenholte te kunnen verdragen.
Cyprianus plaatste in die buis, nadat hij een harer uiteinden degelijk
gesloten had, stukjes koper en ongeveer twee kannen water, en vulde
haar vervolgens met moerasgas. Daarna sloot hij haar zorgvuldig
met een soort verkitsel en deed de beide uiteinden met stevige en
beproefde metaalbouten verzekeren.
Het werktuig was thans klaar. Er bleef niets anders over dan het aan
eene zeer groote hitte bloot te stellen.
De buis werd dan ook in een grooten hoogoven geplaatst, welks vuur
nacht en dag door zoodanig gestookt moest worden, dat zij wit gloeiend
bleef en dat gedurende twee weken.
Buis en oven waren daarenboven nog overdekt met een dikken mantel van
vuurvaste klei, die bestemd was om de grootst mogelijke hoeveelheid
warmte te bewaren, alsook om het geheel niet dan zeer langzaam te
laten afkoelen, wanneer het oogenblik daarvan zoude gekomen zijn.
Het geheel geleek vrij wel op een overgrooten bijenkorf, of ook wel
op een Eskimo's hut.
Thans was Makatit in staat zijn meester eenige diensten te
bewijzen. Hij had al de voorbereidende maatregelen van de proef met
de uiterste aandacht gevolgd, en toen hij begreep dat dat alles
diende om diamant te vervaardigen toen was hij wel de ijverigste
om de onderneming met den besten uitslag te doen bekronen. Hij had
weldra geleerd het vuur te stoken en te onderhouden, en wel zoo,
dat Cyprianus hem dat gedeelte der taak gerust kon toevertrouwen.
Men kan zich bezwaarlijk een begrip vormen hoeveel moeilijkheden die
overigens zoo eenvoudige maatregelen ontmoetten en welk tijdverlies ze
vorderden, alvorens ze getroffen waren. In een groot laboratorium te
Parijs zou zulk eene proef binnen twee uren, nadat ze ontworpen was,
in vollen gang zijn; te midden van dat half wilde land had Cyprianus
niet minder dan drie weken noodig, om zijn ontwerp tot een begin van
uitvoering te brengen, en dat nog zoo gebrekkig mogelijk. En toch moest
hij erkennen, dat de omstandigheden hem meeliepen, namelijk dat hij op
het juiste oogenblik niet alleen een oud kanonstuk kon machtig worden,
maar ook dat hij de noodige houtskool kon aanschaffen. En inderdaad,
die voor zijn proef zoo onmisbare brandstof was te Kimberley
zoo zeldzaam, dat om er zich de hoeveelheid van eene ton van te
verschaffen, Cyprianus zich ter zelfder tijd tot drie handelaren in
die soort van dingen moest wenden.
Eindelijk waren al de moeilijkheden en hinderpalen overwonnen, en
toen het vuur maar eenmaal ontstoken was, zorgde Makatit voorbeeldig
dat het niet meer uitging.
Het moet gezegd worden, de jeugdige Kaffer was uitermate trotsch
op zijn emplooi. Zijne werkzaamheden moesten hem niet al te vreemd
van de hand gaan, want ongetwijfeld had hij bij zijn stam wel voor
heetere vuren gestaan en daar meer dan eens in de keuken van den
duivel dienst gedaan.
En waarlijk, Cyprianus had, sedert Makatit in zijn dienst getreden was,
meer dan eens kunnen opmerken, dat deze bij de andere Kaffers als een
wezenlijke toovenaar bekend stond. Eenige onbeduidende grondbeginselen
van heelkunde, een zeker aantal behendige goochelkunstjes, die hij
van zijn vader geleerd had, vormden den geheelen inventaris van
zijne toovenaars-wetenschap. Maar men kwam hem over werkelijke en
ingebeelde kwalen raadplegen; men kwam de uitlegging van droomen
van hem verzoeken; men nam hem als scheidsrechter bij allerhande
geschillen. Nooit verraste men Makatit of schoot hij te kort, steeds
gaf hij een recept, steeds voorspelde hij de toekomst, steeds was hij
met zijn uitspraak gereed. Die recepten waren soms vreemdsoortig,
en de vonnissen allerdwaast, maar zijne landgenooten waren er mede
tevreden. Wat wil men meer?
Er moet nog bijgevoegd worden, dat de kolven en de ontvangers,
waarmede hij tegenwoordig in het laboratorium van den jeugdigen
ingenieur omringd was, zonder nog te gewagen van de geheimzinnige
handelingen, die hij moest helpen volvoeren, het hunne krachtig er
toe bijbrachten, om zijne toovenaars-beruchtheid te vermeerderen.
Cyprianus moest telkens glimlachen over het solemneele uiterlijk,
dat die brave kerel aannam om zijn nederig baantje van stoker en
voorbereider waar te nemen, wanneer hij den oven met houtskolen
opstookte, of wel eene reeks reageerbuizen of kroesjes reinigde
en waschte of afstofte. En toch was er iets verteederends in dien
ernst, in die deftigheid; want zij ontstonden uit den eerbied, dien
de wetenschap aan iedere onwetende maar schrandere ziel inboezemt,
die naar onderwijs hunkert.
Makatit had buitendien ook zijne kwajongensbuien en zijne uren
van vroolijkheid, vooral wanneer hij zich in gezelschap van Li
bevond. Een diepgewortelde vriendschap was tusschen die twee wezens,
zoo verschillend van oorsprong, ontstaan gedurende de bezoeken, die de
Chinees thans aan de hoeve Watkins bracht. Beiden spraken genoegzaam
Fransch, beiden waren door Cyprianus van een dreigenden dood gered,
waarvoor zij hem zeer dankbaar waren. Het was dus natuurlijk, dat
eene onderlinge sympathie hen verbond; en die sympathie was weldra
in eene hartelijke toegenegenheid overgegaan.
Wanneer zij onder elkander waren, dan gaven Li en Makatit den jongen
ingenieur een eenvoudigen en aandoenlijken naam, die den aard van
het gevoel, dat zij voor hem koesterden, volkomen aanduidde.
Zij noemden hem "vadertje" en bezigden slechts uitdrukkingen van
bewondering en van de meest opgewonden toewijding, wanneer zij van
hem spraken.
Die toewijding openbaarde zich van de zijde van Li door de zorg,
waarmede hij het linnengoed van Cyprianus waschte, steef en
streek,--van den kant van Makatit, door de schier godsdienstige
oplettendheid en nauwkeurigheid, waarmede hij al de aanwijzingen en
bevelen zijns meesters opvolgde.
Maar de beide makkers gingen soms wel een beetje ver in hun ijver om
"vadertje" genoegen te doen. Het gebeurde bijvoorbeeld wel eens,
dat Cyprianus op zijne tafel--hij gebruikte thans zijne maaltijden
bij zich aan huis--vruchten of lekkernijen zag waaraan hij niet
gedacht en die hij dus ook niet bevolen had te koopen, en waarvan
de herkomst geheim bleef, want hij zag ze op geen der rekeningen
zijner leveranciers verschijnen. Of wel het waren hemden waaraan,
wanneer zij van den waschbaas kwamen, gouden knoopjes prijkten,
terwijl niemand wist vanwaar die kwamen. Een anderen keer was het
eene gemakkelijke en elegante zitting, of een geborduurd kussen,
of een pantervel, of de een of andere kostbare snuisterij, die het
ameublement van het huis kwam vermeerderen.
En als Cyprianus hetzij Li, hetzij Makatit daarover ondervroeg, dan
kon hij er niets anders dan onduidelijke of ontwijkende antwoorden
uithalen, zooals:
"Ik weet niet!.... Ik heb het niet gedaan!.... Dat zijn zaken die
mij niet aangaan!...."
Cyprianus had wellicht vrede met die geschenken gehad, maar zij
hinderden hem thans, omdat hij niet zeker was of ze wel uit zuivere
bron verkregen waren. Intusschen bevestigde niets die meening, en de
meest zorgvuldige nasporingen dienaangaande verspreidden volstrekt
geen licht.
En achter zijn rug wisselden Makatit en Li glimlachjes, steelsche
blikken en geheimzinnige teekens, die blijkbaar beteekenden:
"Eh eh, "vadertje" begrijpt er toch niets van!"
Daarenboven, andere zorgen, ernstige, gewichtige zorgen kwelden
het brein van Cyprianus. John Watkins scheen besloten Alice uit
te huwelijken, en te dien einde had hij sedert eenigen tijd zijn
huis tot een museum van mededingers naar hare hand gemaakt. Niet
alleen bracht James Hilton er bijna iederen avond door; maar al de
ongehuwde mijnwerkers die door het slagen hunner ontginning volgens de
opvatting van den pachter begiftigd schenen met de meest onontbeerlijke
hoedanigheden, die te bedenken waren om tot schoonzoon bevorderd
te worden, werden te zijnen huize gelokt, werden ten eten verzocht,
en eindelijk aan de keuze zijner dochter onderworpen.
De Duitscher Friedel en de Napolitaan Pantalucci behoorden onder dat
getal. Beiden telden thans onder de meest gelukkige mijnwerkers van
het kamp. Het aanzien, dat overal het succes vergezelt, ontbrak hun
niet, zoowel in de Kopjesmijn als op de hoeve. Friedel was pedanter en
scherper dan ooit te voren, nu zijn onverdraaglijke trots gesteund werd
door eenige duizenden ponden sterling. Wat Hannibal Pantalucci betreft,
die was in een kolonialen modekwast veranderd, die schitterde van
gouden kettingen, ringen en diamanten spelden. Hij droeg kleeren van
wit linnen, die zijn huid nog geler en nog aardachtiger deden uitkomen.
Maar dat belachelijk persoontje poogde te vergeefs Alice te verlokken
met zijne snakerijen, met zijne Napolitaansche liedjes en met zijne
valsche geestigheid. Neen, zij verwaardigde zich niet eens hem in
het bijzonder te kleinachten, ook niet om te bespeuren wat hij op
de hoeve verrichten kwam. Zij vergenoegde zich met ongaarne hem
aan te hooren, en lachte noch om zijne aardigheden, noch om zijne
gebaren. Hoewel zij nog te onbekend was met de zedelijke leelijkheden,
om het treurige doel van al dat gepraal te beseffen, zag zij in hem
niets anders dan een gewoon bezoeker van het huis haars vaders, die
niet minder vervelend was dan de anderen. Dit bleek duidelijk voor
Cyprianus uit hare handelingen, en hij zou vreeselijk geleden hebben,
wanneer hij haar, die hij eene zoo hooge plaats in zijn eerbied en
zijne teederheid ingeruimd had, in een geregeld gesprek zou gezien
hebben met dat verachtelijk wezen.
En hij zou er te meer onder geleden hebben, omdat zijne natuurlijke
fierheid hem belet zoude hebben daarover iets te laten blijken, omdat
hij het te vernederend vond een poging te wagen en in de oogen van
miss Watkins zelfs een zoo onwaardigen mededinger te hekelen. Welk
recht had hij daartoe buitendien? Waarop zijn hekel te gronden? Hij
wist niets omtrent Hannibal Pantalucci, en werd slechts geleid door
een instinctmatigen afkeer bij de ongunstige oordeelvelling, die hij
over hem uitbracht. Een poging om Hannibal uit een ernstig oogpunt
te doen beschouwen, zou hemzelven slechts belachelijk maken. Ziedaar
wat Cyprianus duidelijk begreep, en hij zou wanhopig geweest zijn,
wanneer Alice zulk een man zelfs de minste aandacht schonk.
Daarenboven, hij had zijne taak weer hervat met zulk een ijver, dat
zijn gedachtengang daardoor dag en nacht in beslag werd genomen. Het
was niet alleen de diamantfabricage, die hem bezig hield, maar
hij had tien, twintig verschillende proeven in bewerking, die hij
hoopte allen tot een goed einde te brengen, wanneer zijne hoofdproef
zou geslaagd zijn. Hij vergenoegde zich niet meer met theoretische
gegevens, met formules, waarmede hij uren lang zijne aanteekeningboeken
overdekte. Ieder oogenblik vloog hij naar de Kopjesmijn, om daar nieuwe
monsters van rotsblokken en van grondsoorten te halen. Dan hervatte
hij zijne scheikundige ontledingen wellicht voor den honderdsten keer,
maar dan met eene stiptheid en eene nauwkeurigheid, die geen enkele
dwaling toelieten. Hoe meer het gevaar dreigde, dat miss Watkins hem
zou ontsnappen, hoe meer hij vast besloten was niets na te laten om
zich van de overwinning te verzekeren.
En toch zijn wantrouwen in zijn kracht was zoodanig, dat hij niets
aan het jonge meisje had willen mededeelen van de proef die hij
onder handen had. Miss Watkins wist alleen, dat hij op haren raad het
mijnwerkersvak had vaarwel gezegd en de scheikunde weer beoefende,
en gevoelde zich daardoor gelukkig.
NEGENDE HOOFDSTUK.
EENE VERRASSING.
De dag waarop de proef eindelijk ten einde zoude loopen, kon een
groote dag genoemd worden.
Het vuur werd sedert twee weken niet meer opgestookt, hetgeen
ten gevolge had dat het geheele toestel langzamerhand was
afgekoeld. Cyprianus oordeelde dat de kristalvorming van de koolstof,
wanneer zij onder deze omstandigheden had kunnen plaats hebben, thans
moest geschied zijn en ging er dan ook toe over om de laag klei,
die om den oven een mantel vormde, weg te nemen.
Die mantel moest met het pikhouweel afgebikt worden, want hij was als
de baksteen in den oven van een steenbakker zoo hard geworden. Maar
onder de ijverige krachtsinspanning van Makatit was hij weldra in
zoover weggeruimd, dat het bovenste gedeelte van den oven--wat men
het kapiteel noemt--zichtbaar was. Daarna kwam de geheele oven te
voorschijn.
Het hart van den jeugdigen ingenieur bonsde hem in het lijf. Het
telde zeker honderd-twintig slagen in de minuut op het oogenblik dat
de jonge Kaffer en Li dat kapiteel afnamen.
Hij geloofde zelf niet aan het welslagen zijner pogingen, want hij was
een dier menschen die steeds aan hunne eigen krachten twijfelen. Maar,
alles goed bekeken, was het toch mogelijk! En wat vreugde zoude het
zijn, wanneer dat zoo eens was! Was al zijne hoop op geluk, op roem,
op vermogen niet in dien dikken zwarten cylinder besloten, die daar
na weken wachtens weer voor zijn oog opdoemde?
O! ellende!.... Het kanon was gesprongen.
Ja, inderdaad, aan de vreeselijke drukking, door den waterdamp en door
het moerasgas, die uitermate verhit waren geworden, uitgeoefend,
had het staal zelfs geen weerstand kunnen bieden. De buiswand,
hoewel die eene dikte van vijf centimeter had, was gebarsten alsof
hij van glas geweest ware. Hij vertoonde ter zijde, zoowat op de
helft zijner lengte, een gapenden barst, die zich als een breede
zwarte muil voordeed, die door de vlammen aangezwart en verwrongen
was en die den ontstelden geleerde boosaardig scheen uit te lachen.
Dat was wel ongelukkig! Zoo vele moeiten om dat ellendige resultaat
te bereiken! Waarlijk, Cyprianus zou zich minder vernederd gevoeld
hebben, wanneer zijn toestel, beter beschermd en beter verzekerd,
die vuurproef had kunnen doorstaan! Dat er in den cylinder geen
gekristalliseerde koolstof zou gevonden worden, zou hem minder
gedeerd hebben, op die teleurstelling had hij zich herhaaldelijk
voorbereid! Maar die oude rol staal, die thans slechts bij het oudroest
kon geworpen worden, gedurende een maand verhit, afgekoeld, ja, laten
wij gerust zeggen gekoesterd te hebben, zie, dat was spotternij van het
noodlot. Waarachtig, hij zou die buis met zijn hiel de heuvelhelling
hebben willen afschoppen, wanneer hare zwaarte zich niet tegen zulk
eene behandeling verzet had!
Cyprianus wilde haar in den oven laten en maakte zich gansch bedroefd
gereed om aan Alice dien ellendigen uitslag te gaan mededeelen, toen
de weetgierigheid van den scheikundige weer boven kwam en hem er toe
bracht een aangestoken lucifer bij de opening der buis te brengen om
de binnenruimte te onderzoeken.
"Ongetwijfeld is de laag aarde, waarmede ik den binnenwand bestreken
heb, in baksteen veranderd, evenals de buitenmantel van den oven."
De veronderstelling was gegrond. Evenwel, door een uiterst zeldzaam
verschijnsel, dat Cyprianus zich aanvankelijk niet verklaren kon,
scheen een soort kleibal zich van die laag aarde afgescheiden te
hebben en was afzonderlijk in de buis verhard.
Die bal had eene roode, zwartachtige kleur en omstreeks de doorsnede
van een oranjeappel. Hij kon best door den barst van den cylinder
heen. Cyprianus greep dien bal vrij onverschillig, om hem te
onderzoeken. Hij bemerkte dat het een stuk van de leembrei was, die
zich gedurende de verhitting van den cylinderwand kon afgescheiden
hebben, en dat daardoor afzonderlijk gebakken was. Hij wilde het
wegwerpen, toen hij bespeurde dat het hol klonk, evenals, een
aarden pot.
Het geleek wel op eene kleine kruik zonder opening, waarin een soort
zware knikker rammelde.
"Net een aarden kinderspaarpotje," zei Cyprianus.
Indien hij evenwel op verbeurte van zijn leven den uitleg van dat
geheimzinnige ding had moeten geven, dan was hij er gek aan toe
geweest.
Hij wilde toch weten, wat er in dien bal zat. Hij greep dus een hamer
en sloeg dien spaarpot stuk.
Ja waarlijk, het was een spaarpot, en nog wel een, die een
onwaardeerbaren schat bevatte. Neen! waarachtig niet! men kon zich niet
vergissen met betrekking tot den zwaren keisteen, dien de jeugdige
ingenieur toen in de handen hield. Die keisteen was een diamant, in
zijne legering besloten evenals gewone diamanten; maar het was een
diamant van kolossale afmetingen, van afmetingen die onwaarschijnlijk,
en nimmer te voren gezien waren!
Dat de lezer oordeele! Die diamant was dikker dan een hoender-ei en
had het uitzicht van een aardappel. Hij moest minstens driehonderd
gram wegen. "Een diamant!.... Een kunstmatige diamant!...." herhaalde
Cyprianus mompelend en met gedempte stem, want hij was letterlijk
verplet. "Ik heb dus de oplossing van het vraagstuk omtrent
deze fabriekmatige bereiding gevonden!.... En dat nog wel in
weerwil van het ongeval aan de buis overkomen!.... Ik ben dus
rijk.... Ik! rijk!!.... En Alice, mijn dierbare Alice, behoort
mij dus!"
Maar dan begon hij zijne oogen weer te wantrouwen. Hij geloofde niet
wat hij zag.
"Maar dat is onmogelijk!.... Dat is een droombeeld!.... eene
zinsbegoocheling!" herhaalde hij, terwijl de duivel des twijfels hem
aan het hart knaagde.
En zonder zich den tijd te gunnen om zijn hoed op te zetten,
buiten zich zelven, waanzinnig van vreugde, zooals Archimedes moet
geweest zijn, toen hij bij het verlaten van zijn bad zijn beroemd
grondbeginsel vond en zijn "Eureka" uitgalmde, vloog Cyprianus,
eerder dan hij liep, met ongekende vaart, in één rek door naar de
woning van Jacobus Vandergaart en viel bij den oude als een bom binnen.
Hij vond den ouden diamantslijper bezig met steenen te onderzoeken,
die de makelaar Nathan hem gebracht had om geslepen te worden.
"O! mijnheer Nathan, gij komt juist van pas!" riep Cyprianus
uit. "Kijk!.... en gij ook, mijnheer Vandergaart, kijk wat ik u daar
breng en zeg mij wat dat is."
Hij legde daarbij zijn keisteen op de tafel en kruiste zich de armen
over de borst.
Nathan nam 't eerst den steen en verbleekte van verbazing, en gaf hem
daarna met opengesperde oogen en geopenden mond aan Jacobus Vandergaart
over. Deze bracht het voorwerp ter hoogte van zijne oogen onder het
daglicht, dat door zijne vensters binnenviel, en beschouwde het op
zijne beurt door zijn bril. Daarna legde hij het op de tafel neer en
zei tot Cyprianus met uiterst bedaarde stem:
"Dat, dat is de grootste diamant, die ter wereld bestaat!"
"Ja!.... de grootste," herhaalde Nathan. "Hij is twee of drie malen
grooter dan de _Kohinoor_, de Berg van Licht, de prachtigste van de
Engelsche kroonjuweelen, die honderd negen en zeventig karaten weegt!"
"Hij is twee of driemaal grooter dan de _Groote Mogol_, de grootste
bekende diamant, die twee honderd en tachtig karaten weegt!" hernam
de oude diamantslijper.
"Hij is vier of vijfmaal grooter dan de diamant van den Czaar, die
honderd drie en negentig karaten weegt," voegde Nathan er geheel
verbouwereerd aan toe.
"Zeven of achtmaal grooter dan de _Regent_, die honderd zes en dertig
karaten weegt," ging Jacobus Vandergaart voort.
"Twintig of dertigmaal grooter dan de diamant van Dresden, die er
slechts een en dertig weegt!" riep Nathan.
En hij voegde er aan toe:
"Ik reken dat deze, na geslepen te zijn, nog vier honderd karaten
zal wegen! Maar hoe kan men zich aan eene taxeering van zoo'n steen
als deze wagen? Die ontsnapt aan iedere berekening!"
"Waarom zou men hem niet kunnen taxeeren?" vroeg Jacobus Vandergaart,
die het kalmste van alles gebleven was. "De waarde van den _Kohinoor_
is op vijftien millioen gulden geschat; die van den _Grooten Mogol_
op zes millioen; die van den diamant van den Czaar op vier millioen;
die van den _Regent_ op drie millioen!.... Welnu, deze moet voorzeker
op zijn minst gerekend vijftig millioen waard zijn!"
"Ho, ho! dat hangt van zijn kleur en van zijn kwaliteit af!" hernam
Nathan, die zijne kalmte herkreeg en de voorbereidende maatregelen
reeds meende te moeten nemen met het vooruitzicht op een mogelijken
koop van dien steen. "Wanneer hij geheel kleurloos en zonder gebreken
is, ja, dan, ja, dan is de waarde onschatbaar! Maar is hij geelachtig
getint, zooals de meeste diamanten van Grikwaland, dan zal de waarde
minder zijn!.... Maar ik weet niet of ik voor een steen van dezen
omvang niet eene fraaie saffierblauwachtige schakeering zou verkiezen,
zooals de diamant van Hope, of rooskleurig zooals de _Groote Mogol_,
of zelfs smaragdgroen zooals de diamant van Dresden."
"Waarachtig niet.... neen!...... neen!" riep de oude diamantslijper met
vuur uit. "Ik stel niets boven de kleurlooze steenen!.... Spreek mij
van den _Kohinoor_ of van den _Regent_! Dat is edelgesteente! Daarbij
vergeleken zijn de andere maar fantasie-steenen!"
Cyprianus hoorde reeds niet meer.
"Mijne heeren, gij zult mij verontschuldigen," sprak hij haastig,
"maar ik ben verplicht heen te gaan."
En na zijn steen weer bij zich gestoken te hebben, sloeg hij met de
grootst mogelijke haast den weg naar de hoeve in.
Zonder er zelfs aan te denken om aan te kloppen, deed hij de deur
der spreekkamer open en hij bevond zich terstond tegenover Alice,
die hij, zonder over de onbetamelijkheid van zijn gedrag na te denken,
in zijne armen sloot en op beide wangen zoende.
"Welnu, wat heeft dat te beduiden?" riep John Watkins geërgerd over
dat onverwacht gedrag uit.
Hij zat aan tafel tegenover Hannibal Pantalucci en was bezig met dien
akeligen grappemaker een partij piket te spelen.
"Vergeef mij, miss Watkins!" stamelde Cyprianus, geheel uit
het veld geslagen door zijne onbetamelijke daad, hoewel hij van
vreugde straalde. "Ik voel mij gelukkig! Ik ben krankzinnig van
geluk! Kijk.... wat ik u breng!"
En hij wierp zijn diamant, meer dan hij hem legde, op de tafel tusschen
de beide spelers.
Evenals Nathan en Jacobus Vandergaart, begrepen deze beide mannen
dadelijk wat er gaande was. John Watkins, die nog maar zeer weinig
gin gebruikt had, was buitengewoon helder van geest.
"Gij hebt dien gevonden.... gij zelf.... in uwen claim?" vroeg hij
met buitengewone levendigheid.
"Gevonden?.... dezen?" antwoordde Cyprianus met zegevierende stem. "Ik
heb beter dan dat gedaan!.... Ik heb hem zooals hij daar ligt,
zelf vervaardigd!.... O! mijnheer Watkins, wat is de scheikunde,
goed beschouwd, toch eene prachtige wetenschap!"
En hij lachte en hij drukte de fijne vingertjes van Alice in zijne
handen, die geheel bedremmeld was over die hartstochtelijke uitingen,
maar toch ook verrukt over het geluk van haren vriend. Een bekoorlijk
lieve glimlach zweefde om hare lippen.
"O! u ben ik die ontdekking verschuldigd, juffrouw Alice!" hernam
de gelukkige Cyprianus. "Wie heeft mij geraden om de scheikunde
weer ter hand te nemen? Wie heeft gevorderd, dat ik mij zoude
toeleggen op het zoeken naar de vervaardiging van den kunstmatigen
diamant? Niemand anders dan uwe bekoorlijke, uwe aanbiddenswaardige
dochter, mijnheer Watkins!.... O! ik kan haar mijn eerbied betoonen,
zooals de dapperen van vroegere tijden aan hunne dame brachten, en
ik kan overal verkondigen dat haar, haar alleen de geheele verdienste
dezer ontdekking toekomt!.... Zou ik zonder haar aan zoo iets gedacht
hebben?"
John Watkins en Hannibal Pantalucci bekeken den diamant, wierpen
elkander een blik toe en schudden het hoofd. Zij waren ten zeerste
ontsteld.
"Gij zegt, dat gij dezen vervaardigd hebt.... gij zelf?" hernam
eindelijk John Watkins. "Het is dus een valsche steen?"
"Een valsche steen!" riep Cyprianus uit. "Welnu ja!.... een valsche
steen!.... Maar Jacobus Vandergaart en de makelaar Nathan schatten
hem op een waarde van minstens vijftig millioen, misschien wel
meer. Indien het slechts een kunstmatige diamant is, dien ik door
eene wijze van bewerking, waarvan ik de uitvinder ben verkregen heb,
dan is hij toch behoorlijk authentiek en in niets van een natuurlijken
te onderscheiden!.... Ziet zelf, er ontbreekt niets aan.... zelfs de
steenlegering niet, waarin de natuurlijke besloten is!"
"En neemt gij op u andere dergelijke diamanten te vervaardigen?" vroeg
John Watkins met aandrang.
"Of ik dat op mij neem, mijnheer Watkins! Voorzeker. Ik zal u
diamanten leveren in zoo grooten getale dat gij ze met een schop zult
kunnen opscheppen!.... Ik zal er u een vervaardigen, die tienmaal,
honderdmaal zwaarder zijn dan deze, als gij dat verlangt!.... Ik zal
er in zoo groote menigte maken, dat gij uw terras daarmede bevloeren,
de wegen van Grikwaland bestraten kunt, als gij dat zult willen!.... De
eerste proef is bij zulke zaken de moeilijkste, en de eerste steen
eenmaal verkregen, kan het overige als bijzaak beschouwd worden,
niets anders dan het regelen van eenige technische bijzonderheden!"
"Maar als dat zoo is," hernam de Engelschman, die bleek geworden was,
"dan zal dat de ondergang der mijnbezitters zijn, zoowel voor mij
als voor geheel Grikwaland!"
"Klaarblijkelijk!" riep Cyprianus uit. "Welk belang zal iemand
nog hebben om in den grond te wroeten, om kleine bijna waardelooze
diamanten te vinden, van het oogenblik af dat het even gemakkelijk
zal zijn om door de nijverheid diamanten van alle afmetingen te
vervaardigen als een brood van vier pond te bakken!"
"Maar dat is monsterachtig!...." hernam John Watkins. "Maar dat is
infaam!.... dat is afgrijselijk!.... Wanneer, wat gij zegt, waar is,
wanneer gij werkelijk dat geheim bezit...."
Hij bleef half verstikt in zijne woorden steken.
"Gij ziet," sprak Cyprianus kalm, "ik vertel geen bakersprookjes. Ik
heb hier mijn eerste fabrikaat medegebracht, en ik denk, dat het
fraai genoeg is om u te overtuigen!"
"Welnu," hernam eindelijk John Watkins, nadat hij weer bij adem gekomen
was, "welnu, wanneer het waar is.... dan moest men u oogenblikkelijk
doodschieten op den grooten weg bij het kamp!.... Ziedaar mijn
gevoelen, mijnheer Méré!"
"En het mijne ook!" meende Hannibal Pantalucci met een gebaar van
bedreiging er bij te moeten voegen.
Miss Watkins was doodsbleek van haren stoel opgesprongen.
"Mij doodschieten, omdat ik een vraagstuk opgelost heb, dat sedert
vijftig jaren ongeveer gesteld is?" vroeg de jeugdige ingenieur,
terwijl hij onverschillig de schouders optrok. "Drommels, dat zou
toch een beetje al te kras zijn!"
"Er valt niet te lachen, of de schouders op te halen," hernam
de pachter woedend. "Hebt gij wel eens over de gevolgen van
uwe zoogenaamde ontdekking nagedacht?.... Aan den gestoorden
mijnarbeid.... aan Grikwaland, dat gij van zijne voornaamste nijverheid
berooft.... aan mij dien gij tot den bedelstaf brengt?"
"Drommels, ik erken gaarne, dat ik daaraan niet gedacht heb,"
antwoordde Cyprianus zeer openhartig, "maar dat zijn de onvermijdelijke
gevolgen van den vooruitgang in de nijverheidszaken, en daaromtrent
heeft de zuivere wetenschap zich niet te bekreunen!.... Daarenboven,
gij persoonlijk hebt u daaromtrent niet te bekommeren, mijnheer
Watkins. Weest gij zonder vrees! Wat mij toebehoort is het uwe,
en gij kent zeer goed de beweegreden van mijn arbeid in die richting!"
John Watkins begreep eensklaps hoeveel partij hij trekken kon van de
ontdekking van den jeugdigen ingenieur. Wat dan ook de Napolitaan
er van denken mocht, hij aarzelde geen oogenblik om van meening
te veranderen.
"Goed beschouwd," hernam hij, "is het mogelijk, dat gij gelijk hebt,
en gij spreekt als een degelijke, brave kerel, die gij ook zijt,
mijnheer Méré! Ja!.... als ik de zaak goed overdenk komt het mij voor,
dat wij ons wel verstaan zullen. Waarom zoudt gij eene buitensporige
menigte diamanten maken? Dat zou uwe uitvinding verkleinen, onder den
voet brengen! Ware het niet wijzer het geheim daarvan te bewaren en er
een matig gebruik van te maken, door bij voorbeeld slechts een of twee
dergelijke steenen te vervaardigen, of zelfs het bij dit welslagen
te laten, daar hij u op eens een aanmerkelijken schat verschaft en
u den rijksten man van het geheele land maakt!.... Zoodoende zal
iedereen tevreden zijn: de zaken kunnen haar gang gaan, zooals zij
tot heden deden, en gij zult de meest eerbiedwaardige belangen niet
gedwarsboomd hebben."
Dat was waarlijk een nieuw gezichtspunt van de kwestie, waaraan
Cyprianus nog niet gedacht had; maar het dilemma stelde zich daar
plotseling voor zijne oogen, in zijne onvermurwbare gestrengheid:
òf het geheim der uitvinding voor zich behouden, de wereld er
onkundig van laten en er misbruik van maken, om zich te verrijken,
òf wel, zooals John Watkins met recht bemerkte, al de diamanten, de
natuurlijke zoowel als de kunstmatige, in waarde te doen verminderen
en bijgevolg de fortuin af te wijzen om wat te doen?.... om al de
mijnwerkers van Grikwaland, van Brazilië, van Indië en van Borneo
ten gronde te richten!
Op dien tweesprong geplaatst, aarzelde Cyprianus een oogenblik, maar
ook slechts één enkel. En toch, hij begreep dat wanneer hij partij
koos voor de eer, voor de oprechtheid, voor de getrouwheid aan de
wetenschap, hij zich daarna onherroepelijk den weg afsloot tot de hoop,
die de voornaamste aanleiding was van zijne ontdekking!
De smart was bitter, was knagend, vooral omdat zij hem onverwacht
overviel. Zoo'n fraaie droom, en.... zoo neer te storten!
"Mijnheer Watkins," zei hij ernstig, "indien ik het geheim van mijne
ontdekking voor mij hield, dan zou ik slechts een falsaris zijn. Ik
zou gelijkstaan, met hem, die met vervalscht gewicht verkoopt;
ik zou het publiek omtrent de koopwaar bedriegen! De ontdekkingen
door een geleerde gedaan, zijn zijn eigendom niet! Zij maken deel
uit van het bezit van allen. Zich eene ontdekking toeëigenen uit
eene baatzuchtige beweegreden, zou zich schuldig maken zijn aan
de verachtelijkste daad, die een mensch bedrijven kan. Dat zal
ik nooit doen!.... Neen! waarachtig niet!.... Ik zal geen week,
geen dag wachten om de formule, welke het toeval mij, geholpen door
een weinig nadenken, mededeelde, tot publiek domein te maken. Mijne
eenige bedenking is hierbij, dat ik het billijk en betamelijk vind,
die formule het eerst aan mijn vaderland te doen kennen, aan Frankrijk,
dat mij in staat stelde het te kunnen dienen!.... Morgen reeds zal
ik het geheim mijner bewerking aan de Academie van Wetenschappen
aanbieden. Vaarwel, mijnheer, ik ben u dankbaar mij mijn plicht zoo
scherp begrensd onder het oog te hebben gebracht. Ik erken, dat ik
aan dien plicht niet gedacht heb!.... Miss Watkins, ik heb een fraaien
droom gedroomd!.... Helaas, ik moet er afstand van doen!"
En nog vóór het jonge meisje eene beweging had kunnen doen, om hem in
de armen te vliegen, had Cyprianus zijn diamant gegrepen, een buiging
voor miss Watkins gemaakt, en was naar buiten geijld.
TIENDE HOOFDSTUK.
JOHN WATKINS PEINST.
Toen Cyprianus met gebroken hart heengegaan was, vastbesloten om
zooals hij dat noemde, zijnen ambtsplicht te vervullen, begaf hij zich
andermaal naar Jacobus Vandergaart. Hij vond hem thans alleen. De
makelaar Nathan had zich gehaast de eerste te zijn, om in het kamp
het nieuws te verbreiden, waarin alle mijnwerkers zoozeer belang
stellen moesten.
En dat nieuws baarde veel opzien, hoewel men nog niet wist, dat de
overgroote diamant van den "monsieur", zooals men Cyprianus noemde
een kunstmatige was. Maar de "monsieur" stoorde zich hoegenaamd
niets aan de oudewijvenpraatjes van de Kopjes-mijn! Hij had haast
om met den ouden Vandergaart de kwaliteit en de kleur van den
steen te onderzoeken, ten einde zijn rapport nauwkeurig te kunnen
opmaken. Daarom maakte hij zooveel haast.
"Mijn waarde Jacobus," zei hij, terwijl hij naast den juwelier plaats
nam, "wees zoo vriendelijk daar op dien b
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/17580