Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Vogels van diverse pluimage

by Carel Vosmaer · Dutch · Gutenberg #17554 · 499,357 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Vogels van diverse pluimage
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Vogels van diverse pluimage

Author: Carel Vosmaer


        
Release date: January 23, 2006 [eBook #17554]
                Most recently updated: May 26, 2021

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/17554

Credits: Marc D'Hooghe


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VOGELS VAN DIVERSE PLUIMAGE ***




VOGELS VAN DIVERSE PLUIMAGE

door

CAREL VOSMAER


       *       *       *       *       *

GEÏLLUSTREERD NAAR TEEKENINGEN VAN Ch. ROCHUS

       *       *       *       *       *

INLEIDING.


Hij liegt alsof het gedrukt was, zeide men vroeger met een spreekwoord,
dat uit den grooten eerbied voor boeken geboren werd. Hij liegt zoo
mooi, zoo glad, zoo juist, dat het uit een boek schijnt genomen.
Oudtijds heette het: "daar staat geschreven," maar de spreekwoorden
nemen de zeden der tijden aan en na de uitvinding van de typographie
beteekende het gedrukte hetzelfde gezag als vroeger het geschrevene.

Zoo zeide men ook eens, om iets onbegrijpelijks uit te drukken, dat is
Grieksch en Latijn voor mij, of als het erg liep, dat zijn hiërogliefen.
Maar het Grieksch en Latijn is niet meer voor enkelen en de hiërogliefen
zijn ontcijferd. Welke taal zullen wij nu voor de vergelijking kiezen?
Men kan zelfs niet meer met voeg zeggen, dat is Sanskriet of Chineesch
voor mij, want ook die talen zijn niet onbereikbaar. Hoogstens mag een
gewoon mensch beweren, dat iets er voor hem uitziet als spijkerschrift.
Ja, de spreekwoorden verouderen en veranderen. Een uitgezocht deel van
het vleesch, dat in de oudheid een godenstuk heette, werd in de goede
dagen, toen de geestelijken de praerogatieven der godheid voor zich
namen, een paterstuk. De Hervorming, die zoo veel veranderde, verbeterde
dit in een domineestuk, totdat eindelijk het ongeloof ook dit weder
seculariseerde en algemeen menschelijk maakte.

En zoo is het ook met de boeken gegaan. Dat spreekt als een boek, zei
men, en daarmee was het uit. Maar de boeken hebben hun prestige
verloren. Iedereen maakt boeken en snel ook. Negen jaren over een boek
te broeden, zooals Horatius aanraadde, wie zou er aan denken! In negen
jaren is een boek al weer verouderd. Zij zijn ephemeriden, zij strekken
om de gedachten en beelden van het oogenblik uit te drukken, en maar
weinige zijn duurzamer.

       *       *       *       *       *

Op een morgen had ik eindelijk een niet zeer vermakelijk werk ten einde
gebracht. Ik had het laatste blad gelezen van een grooten hoop boeken,
waarover mij gevraagd was of zij eene heruitgaaf verdienen. Het waren
novellen, gedichten, tooneelstukken. Titels, papier, letter, toonden al
eene herkomst van voor ruim twintig jaren. En de illustraties--verluchten,
verlichten noemden onze middeleeuwers die versiering naar het oude
illummare, waarvan het nieuwere _illustreeren_ een aanmatigender vorm
is--de illustraties, die deze boeken nog niet illuster hadden gemaakt,
waren even verouderd. Welke onredzame steenteekeningen, waardig den
komischen vloek van Bilderdijk:

     Een steenen hart, een hoofd gevoed met keien,
     Beelde aap of hond in kouden steendruk uit,
     Waar gloed noch smaak hun warmen glans in spreien
     En 't zielsgevoel de teedre borst voor sluit!
     .................................................
     Maar weg dat tuig, dat kunstverwoestend knoeien!

Welke wonderlijk uitgedoste poppen, die heeren en dames, eens zich zoo
elegant en nieuwmodisch wanende, nu zoo dwaas in hun verouderde
kleederen, weergegeven zonder dien tact, waardoor een kunstenaar aan
elke snede der mode iets kan verleenen, dat de dragers boven het
bespottelijke van het verouderen verheft.

En wat zou ik zeggen over den inhoud? Het was een moeielijk geval. Denkt
men aan den rijken schat van werken, wier schoonheid of beteekenis
onvergankelijk is--dan vraagt men, waartoe zooveel middelmatigs gedrukt
of althans herdrukt, en moedeloosheid dreigt onszelven de pen te doen
nederleggen. Toch blijft de aandrift onverwinlijk en ook wij schrijven,
ieder zoo goed en kwaad als wij kunnen, ieder zooals zijne pen gebekt
is, omdat wij het niet laten kunnen.

En wij hebben toch gelijk, want ook onze tijd, onze denkbeelden en
gevoelens hebben recht zich af te beelden; en kan het niet geschieden in
eeuwenverdurend marmer, dan in vergankelijke photographieën. Dus een
minder volstrekte maat genomen.

Zijn dan deze stukken goed, naar onzen tijd, naar onze omstandigheden
gerekend? Zit er kracht, oorspronkelijkheid, durven in? Zijn die
novellen en tooneelstukken de, afbeelding van wat de veelbewogen
gemoederen in het moderne leven vervult? Draagt de vorm den stempel van
een karakter? Geven deze gedichten iets kernigs voor den geest, iets
teeders voor het hart, eenige winst voor den versbouw en de muziek der
taal?

Zoo ver was ik gekomen, en bij elk gewicht in de schaal geworpen rezen
de stukken, en rezen, zij werden zoo licht ... toen de uitgever van de
_Vogels van diverse pluimage_ binnentrad en, een pakje op mijne tafel
leggende, zeide:

--Doe mij 't plezier, dat eens door te kijken en te zeggen of je die
stukken voor een herdruk goed vindt.

--Alweer! zei ik, jij ook al; ik heb pas dien heelen hoop
doorgeworsteld,... niet goed, niet slecht, maar....

Ik had dit pakje intusschen geopend en zag wat oude werken van
mijzelven.

Mijn waarde uitgever keek mij met een fijnen glimlach aan en zeide:

--Dat heb ik op de laatste fondsveiling gekocht, en nu kom ik je vragen
of je ze nog eens wilt laten drukken.

Maar, menige argelooze lezer weet niet wat eene fondsveiling is.

Een uitgever, die eenige jaren lang heeft uitgegeven, krijgt allengs een
berg kopij. Kopij, argelooze lezer, beteekent niet, zooals gij
waarschijnlijk denkt, een nabeeldsel, eene navolging; en de benaming is
ook geene satire op de twijfelachtige oorspronkelijkheid van zoo vele
boeken. Neen, in de boekenwereld beteekent kopij juist het omgekeerde,
namelijk het oorspronkelijke handschrift, waarnaar de boeken gedrukt
worden. Verder beteekent kopij in het algemeen het werk van een
schrijver, en vertegenwoordigt ook het recht tot uitgaaf van zijne
geschriften.

Nu heeft dan een uitgever een hoop kopij van verschillende schrijvers en
deze vormt zijn fonds. Als de eerste uitgaaf heeft uitgewerkt, kan men
er later op eene of andere wijze altijd weer wat van maken. Andere
letter, vernieuwing, opfrissching, verguldsel en een bandje, en--het
boek gaat zijne tweede incarnatie te gemoet.

Deze is een voorrecht der boeken boven de menschen. Wij menschen
verschijnen maar eens, en als onze eerste en eenige uitgaaf niet goed
opgaat of verkeerd uitvalt, is onze menschelijke kopij verloren, het is
een mislukt leven. Maar zoowel deze vergeten, miskende of mislukte
kopij, als de beste on schitterendste tekst, gaat eindelijk ten grave,
naar den papiermolen, om nieuwe grondstof te worden. Doch van herdruk,
gezuiverd van errata en taalfouten, verbeterd en vermeerderd, met
verguld en een bandje, is hierbeneden voor den mensch geene spraak meer.
Men heeft de bezwaren hiervan gevoeld en de onsterfelijkheidsleer heeft
eene poging gedaan om een metaphysischen herdruk van ons te bezorgen.
Maar van deze bovenaardsche herdrukken is zelfs den fijnsten bouquinist
nog geen exemplaar onder de oogen gekomen; het blijft eene hypothese,
eene speculatie; misschien ook zou zulk eene tweede uitgaaf eene slechte
speculatie blijken, die de kosten niet loonde.

Maar voor een boek is eene tweede of zelfs derde incarnatie een herleven
en dikwijls pas een eigenlijk leven. Het is bij lange na niet de eigen
verdienste, die de fata libelli bepaalt. Daar hangt zeer veel van den
smaak, van den ijver, van de betrekkingen der uitgevers af, en menig
degelijk voortbrengsel gaat, verloren, omdat het verscholen bleef, en
het bleef verscholen, omdat de uitgever het slecht uitgaf en verkeerd
exploiteerde.

De oude kopij is dus niet alleen bruikbaar en wat waard, soms is zij
even goed als nieuw.

Maar het kan gebeuren dat een uitgever er het zijne van gehad heeft en
te veel kopij bezit. Daarom brengt hij een deel van zijn fonds, van zijn
voorraad kopij aan de markt. Dan worden er veilingen gehouden van het
fonds van een of meer uitgevers. Zulke fondsveilingen hebben veel van
slavenmarkten. Zelfs doode auteurs worden daar verkocht. Maar de levende
worden er evenals in het Oosten uitgestald, bekeken, betast, becijferd
en geveild. Voor gebreken wordt niet ingestaan, en wie er bekocht is,
heeft het zijn eigen oogen te wijten. Men moet weten voor welken arbeid
eene kopij nog dienen kan; of zij huiswerk kan doen, of zij gezond is en
hard kan werken, dan wel of zij jong, of zij schoon is en geschikt om te
pronken en te verleiden.

Op die markt kunt gij ook eene prijscourant der letterkunde opmaken.
Luimig goed blijft genoteerd: zeer willig en veel navraag. Gedichten, de
puike, zeer wisselvallig, maar doorgaans in het geheel geen animo. Naar
verzen, mooi ordinair, is evenwel redelijke vraag. Novellen, de goede
qualiteit, met levendigen omzet. Theologie, men noteert lichte, middel
en zware; tegenwoordig flauw; de koopers zeer geretireerd; bijna van de
markt genomen. Alleen stichtelijke lectuur, de fijne soort, gunstige
stemming.

Gij kunt deze beurstermen ook achter de namen der Nederlandsche auteurs
zetten. Dat wordt ook op die slavenmarkten gedaan, maar hier wil ik
liever geen namen noemen.

De geldswaarden van al die marktproducten wordt meer bepaald door de
werkkracht dan door de schoonheid. Schoonheid is dikwijls te hoog en te
onhandelbaar. Bevalligheid geldt meer, en modieuze zwier, die zich
vroolijk en lachend voordoet, het meest. Maar bovenal er moet mede
gepronkt kunnen worden.

       *       *       *       *       *

Neen, de eerbied voor de boeken is verdwenen. Hoe ver zijn wij
verwijderd van de gevoelens, die Thomas a Kempis uitdrukt. Met een
gebed, zeide hij, moest men zich voorbereiden voor het lezen. Die een
boek sloot had Gode dank te zeggen voor de geestelijke weldaad hem
bewezen. Met gereinigde schoenzool moest men eene librerie binnentreden,
en met eerbiedig stilzwijgen, want die grond was heilig. Geen stofje
mocht kleven op de banden, geen vocht of ongedierte de bladen
beschadigen. En die een boek in de hand nam, moest het doen met de
gevoelens, die den ouden Simeon vervulden, toen hij in den tempel het
kindeke Jezus in zijne armen hield.

Zoo sprak de gemoedelijke Broeder des gemeenen levens; in den tijd toen
de boeken groot of dik waren, zware kleederen droegen en de kostbaarste
aan kettingen vastlagen in de librerie. Sedert die dingen zijn zij aan
de kettingen en sloten ontsnapt, altijd lichter, en dunner, en
vluchtiger geworden; zij hebben luchtige, fijne kleedjes gekregen en
bonte veeren en als vrije wilde vogels zijn zij pan vliegen, de wereld
door.

Van zulk eene markt nu waren ook mijne boeken afkomstig, die ik nu
opeens weer voor mij zag.

--Kijk ze eens in, zei mijn bezoeker, en zie of ik ze kan herdrukken.

--Daarover zal ik eens moeten denken, antwoordde ik;... dit niet,... dat
niet ... dat is twijfelachtig,--wij zullen zien.

--Kan het niet een tweede bundel van je _Vogels_[1] worden?

--Men heeft dien titel vreemd, gezocht gevonden--zal ik er nu weer mee
aankomen?

--De titel is goed, zeer goed; hij spreekt, hij schildert, en geeft
juist wat het is. Geloof mij, wij weten wat titels zijn en doen.

--Daarin heb ie gelijk,--welnu, het zou kunnen; het zijn dan weer andere
vogels, sommige zwakker. Maar ik moet eerst zien of ze nog vliegen
kunnen.

       *       *       *       *       *

En daar zat ik dan met mijne vroegere, nu half vergeten schepselen voor
mij. Eenige van die bladen zijn al vele jaren oud en hun inhoud vaak
veel ouder--lang of kort geleden, zooals gij wilt--maar mij ontsloten
zij eene andere, soms geheel afgestorvene wereld. Eene mengeling van
aangename en droevige herinneringen. Johannes heeft het uitstekend voor
mij uitgedrukt, toen hij op Patmos schreef:

"En ik nam het boeksken uit de hand des engels, en ik at dat op; en het
was in mijn mond zoet als honig--en als ik het gegeten had, werd mijn
ingewand bitter."

Hier zijn liefelijke herinneringen uit de eerste vaag van het leven;
jonge droomen, wier bloesem vrucht belooft; rooskleurige wolkjes, die de
schoonste gestalten voorspiegelen. Maar de werkelijkheid is gekomen, en
de droomen wekken nu soms een glimlach; onverwachte vruchten zijn
gerijpt; en uit de wolkjes zijn andere dingen te voorschijngekomen dan
wij dachten. Soms ook was de werkelijkheid grootscher en schooner dan de
droomen. Maar in ieder geval, de tijd, die ons heeft voortgejaagd, heeft
een afstand gesteld tusschen die bladen en ons, en schoon de denkbeelden
en herinneringen ons lief zijn, hunne vormen zijn anders dan die, waarin
wij ze nu zouden boetseeren. Vandaar dat vreemde gevoel van lust en
onvoldaanheid.

Hier is de _Oude haard_[2] met alles wat er omheen behoorde. Hij is
begroeid met herinneringen, als de muren met de oude gebaarde takken en
telkens jonge bladeren van het klimop. Het vuur, dat er in gloort,
verlicht den antieken schoorsteen met zijne beschilderde tegels en
eikenhouten beeldsnijwerk, en het goudleer aan den wand. De oude
portretten aan den muur bewegen zich en willen uit de zwarte lijsten
komen; zij knippen met de oogen en knikken met de hoofden en de lippen
zeggen fluisterend: zijt gij daar terug?

En het vuur knettert en vlamt, terwijl ik er in zit te staren, als,
vanouds, en uit de vonken en vlammen springen beeldjes en gedachten te
voorschijn. O jonge, eens bij het haardvuur gekweekte, teedere
gemoeds-orchydaeën, phantastieke figuren, droomverbeeldingen, wat wilt
gij, wat hebt gij mij nu te zeggen? Welke zonderlinge schimmen dansen
weer in de kamer, trillende schaduwen der voorwerpen, caricaturen van
vorm, geworpen op den geheimzinnig schemerigen muur! Kleine kabouters
zitten op de smeulende turven en klauteren heen en weer, onmogelijke,
onleefbare schepsels, half idee en half vorm, maar die niet aan zoo veel
vleesch en been konden geraken als noodig is om te bestaan. Geboren bij
het staren en mijmeren in den kunstmatigen gloed van het vuur,
vervliegen zij zoodra het uitgaat. Als ik wil toegrijpen, is het enkel
asch.

Nevelige, schichtige, tamme piepkuikens, uitgestorven dodo's, met de
nieuwe vlucht kunt gij niet meer meedoen.

Daarna is het een boek, een Levensboek. Dat is een stuk waarachtig
leven. Hier komen weer liefelijke beelden op. Geen marmeren beelden en
geen forsch gekleurde schilderijen: het zijn zachte frescokleuren met
gedommelde vormen. Kinderlijk soms en gebrekkig van behandeling, maar
daartusschen goed geslaagde figuren, en allengs worden duidelijker,
sterker en bestand tegen weer en wind.

Dit alles hernieuwt zich voor den geest en ik leef een dubbel leven, met
de bewustheid van het heden en de bewustheid van het verledene. En wat
oordeelt het heden over het verledene?

Zooals men op zeker tijdstip gevaar loopt zijn werk beter te vinden dan
het is, zoo is er ook na een lang tijdsverloop kans dat men het slechter
acht dan het is. Ontwikkeling en omstandigheden hebben den geest
gewijzigd. Den ouden toestand ontgroeid, is men er vreemd aan geworden.
Wij hebben andere denkbeelden, andere idolen, of, zoo zij al dezelfde
zijn, zij eischen andere vormen. Laat de dooden de dooden begraven.
Eenmaal hebben zij geleefd, kunnen zij weer levend worden?

En toch zijn zij ons zoo lief, toch willen wij er veel van behouden, ook
in dien vorm. Men hecht aan zijne jeugd en de kindergestalten zijner
phantasie.

Zouden zij thans ook wel beter geschreven zijn geworden? Zijn zij voor
anderen, buiten ons eigen heden staande, niet even goed alsof zij pas
ontstonden? Hebben zij althans niet _iets_, dat duurzamer is? Hier en
daar zal iets gezuiverd, hier en daar iets tams versterkt, iets
transcendentaal gehoofdletters genivelleerd, een ouderwetsche muts
gemoderniseerd moeten worden. Mogen zij zoo verbeterd niet weer opnieuw
de wereld in?

Of--want straks was ik zoo streng voor anderen--of, is dit de lokstem,
der eigenliefde, en moeten wij vreezen:

    Nochtans 't geschiet op liste,
      Alzoo ik mercken kan,
    Daer praet een blau sophiste
      Met den armen lettermann.

       *       *       *       *       *

Laten zij dan als eene vlucht vogels maar weer uitvliegen, de vorige
bende achterna. Eerst zullen wij ze monsteren. Daar zijn er wier
slagpennen nog stevig zijn. Andere, niet zoo sterk, zullen zich toch nog
goed houden. Andere weder kunnen op hunne eigen wieken niet drijven;
ach, zij hadden eigenlijk geene wieken. Sommige van de vroeg gekweekte
hadden hun vollen wasdom nog niet bereikt en waren dun in de veeren. Nu,
na hun langen tocht, zijn zij geheel krachteloos en tam geworden en hun
gevederte zoo kaal, dat zij op geene pluimage meer aanspraak kunnen
maken. Zij hebben te weinig meer gemeen met de overige om in staat te
zijn nog eens met hen uit te vliegen. Daarom zal ik ze liever in eene
kooi zetten. Dat is beter voor zwakke of gebrekkige vogels. Het is er al
mede als met de menschen--er zitten er vele in kooien, met verlof om in
eene beperkte ruimte rond te fladderen, en die niet sterk en maar dun in
de veeren zijn bevinden zich daar het best bij. Soms kan er een ook eene
veer leenen, die een ander afgeschud heeft, en maakt dan zelfs onder
zijne kooikameraden nog heel wat vertooning.

Maar wat zich vrij en krachtig voelt, verlaat de beperkte ruimte, vliegt
uit en zoekt zijn eigen weg en bestemming. Waarheen? Vooruit! Op eigen
sterke wieken gedragen, jaagt hij voort in de onbegrensde ruimten.

Sommige, door een gunstigen wind voortgestuwd, duizelen van hun eigen
vaart, worden angstig, willen terugkeeren, en bij het wenden van hun
koers storten zij neer en verpletteren zich den kop. Andere, die gauw
duizelig werden en niet zoo hoog vlogen, breken maar een vlerk of poot
en krabbelen stilletjes weer naar de kooi terug.

De beste en sterkste kampen gewoonlijk met veel tegenwind; menige
schoone veder wordt hun ontrukt, bij het zoeken naar hunne bestemming en
het moeitevol vergaderen van voedsel, doch naar de kooi, al konden zij
het er nog zoo goed hebben, keeren zij nooit weer.

Laten zij dan uitvliegen. Ik verzamel ze en roep ze op,

     Kom hier, gij, deze on gene van mijn pluimgeslacht.

Maar ik geef daartoe liever het woord aan den hop; die weet beter hoe
men dat volkje moet toespreken:

        Ehophophophophophophophophophop
        Io io, ito ito ito ito
        Kom hier, gij deze en gene van mijn pluimgeslacht,
        Die 't bouwveld der landlien in vruchten rijk
        Beweidt, ontelbare vluchten op koren belust,
        Zaadkorrellezende bent,
        Snel van vleugelen, verbroldend zoetklinkende zangen,
        Die in scharen de voren
        Vullend, om de kluiten fladdrend zachtkens orgelt
        Lieflijk met zoeten zang
        Tio tio tio tio tio tio tio tio
    Wie er van u in de tuinen en klimop
    twijgen het voedsel u leest,
    Wie op de bergen, gij ook wildevijgenverslinders, aardbeziënpikkers,
        Vliegt haastig nu hierheen op den roep van mijn stem,
        Trioto trioto totobrix.
        Die, op de lage moerassen, de bijtende
        Muggen opsnapt, of de waterstreken
        Bewoont en het schoon Marathonische grasland,
        Vogel, gij bontgevleugelde,
        Hazelhoen, hazelhoen,
        Gij ook, die over den golfslag der zeeën
        Saam met de scharen der ijsvogels vliegt.
        Komt hier, komt hier, om te hooren de nieuwigheid!
        Al de geslachten verzaamlen wij hier nu
        Van 't langhalzig vogelenvolkjen.
        Want, hier komt een wijze grijsaard,
        Vol van nieuwheid,
        Nieuwe dingen komt hij stichten.
        Komt hier ter vergaadring allen,
        Haast u, haast u, haast u, haast u,
        Torotorotorotorotorotix
        Kikkabau, kikkabau,
        Torotorotorotorolililix!

Dit heerlijke vogellied, echte vogelmuziek met woorden van Aristofanes,
is in het jaar 414 voor het eerst op het Atheensche tooneel gezongen en
gespeeld; het is uit zijne comedie _De Vogels_.

Ik mag van deze "lustige, geflügelte buntgefiederte Dichtung," zooals
Schlegel ze noemt, toch wel spreken zonder dat de kwade tongen mij de
domheid toedichten mijne dieren daarmee te vergelijken? Toch is
misschien de waarschuwing niet overbodig. O, lustige, geflügelte,
buntgefiederte Dichtung, welk een libretto voor Mozart's
Papagenen--melodieën! Dat zijn eerst Vogels, waarde lezer, en van
schitterende pluimage. Dat is een van die boeckxkens--wat een letters
had men vroeger noodig--om gelijk Simeon als "het kindeke Jezus" in
zijne armen te drukken, en te juichen dat men die heerlijkheid
aanschouwt.

Maar het is toch geen boekje voor iemand als onze gemoedelijke Thomas a
Kempis. Het is een goddeloos boek, vol Atheensche Witze en Attisch zout,
vol dolle idealen en snijdende parodieën, met wat obsceniteiten,
afgewisseld door de zangerigste melodieën--fijne poëzie en
nachtegaalsslag,--en bovendien met eene foliopersiflage van de goden,
eene persiflage, die Aristofanes den tweeden prijs niet deed missen,
terwijl het zachtstwijsgeerig rationalisme Sokrates het leven kostte.
Zoo waren de Atheners. Aristofanes voert er in zijne _Vogels_ een paar
exemplaren van op. Peisthetairos, een plannenmaker en speculant, en
Euelpides, groot van verwachtingen, klein van moed, lustig van zinnen.

Zij verlaten Athene om ergens op of boven de aarde eene betere plaats te
zoeken, waar niet altijd geprocedeerd wordt, waar men zijne schulden
niet behoeft te betalen en waar men zijnen lust kan vieren. Zij komen in
de streken, waar de vogels wonen; zij ontmoeten den hop en stellen hem
voor, in de lucht eene groote vogelstad te bouwen. Prachtige gedachte,
zegt de hop en roept al de vogels, met het lied, dat ik mededeelde. Daar
stroomen zij toe, eene onheilspellende wolk van gevogelte. Zij dreigen
de Atheners; het zijn vogelvangers, zeggen zij en willen hen met bek en
klauw te lijf. Deze verweren zich met schotel en braadspit, totdat de
hop betoogt dat het vrienden zijn. Peisthetairos vertelt hun, dat de
vogels de oudste heeren en meesters der wereld zijn, dat de goden zelve
zich van vleugels en de hulp der vogels bedienen, dat de menschen zich
in alle handelingen naar hen richten. De vogels moeten dus hun rang en
heerschappij boven goden en menschen weer innemen. Zij moeten eene stad
bouwen tusschen hemel en aarde, zoodat de reuk der offers niet meer tot
de goden kan opstijgen en deze van gebrek moeten omkomen, als zij de
heerschappij der vogels niet aannemen. Dat plan wordt met
vleugelapplaudissement toegejuicht en uitgevoerd. Peisthetairos wordt
koning van de nieuwe, weldra verrezen Wolkenkoekoekstad.

Met eene wonderbare tegenstelling hooren wij dan uit zijn mond allerlei
verstandige en eerlijke uitspraken tegen de fortuinzoekers, die allengs
op de stad afkomen. Maar ten slotte stijgt de komische toon weer tot de
hoogste luim. Daar komt Prometheus, zich achter een zonnescherm
verschuilend, opdat Zeus hem niet zou zien, meedeelen, dat het met diens
macht gedaan raakt, dat de reuk der vette offerstukken niet meer
omhoogstijgt en de goden daarboven hongeren als op een vastendag.

Weldra zenden zij drie gezanten, Herakles, Poseidoon en eenen Triballos,
een caricatuurgod der barbaren, die koeterwaalsch praat. Zij komen
beleefd tot Peisthetairos, maar deze doet alsof hij ze niet ziet en gaat
voort met de toebereidselen veer een smakelijk gebraad, dat den
lekkerbek Herakles allengs verteedert en verleidt. Peisthetairos is
geneigd tot vrede met de goden, maar vooreerst moet Zeus hem den
heerschersstaf geven, en dan zal hij de goden ten eten vragen.

Onmogelijk, zegt Poseidoon; maar Herakles ruikt het gebraad en stemt al
toe.

Vervolgens moet Zeus hem zijne dochter Basileia--het koningsgezag--tot
vrouw geven.

Onmogelijk, zegt Poseidoon.

Ga maar mede in den hemel met hen om Basileia en al wat gij wilt te
halen, zegt Herakles; ik zal intusschen hier het gebraad klaarmaken.

Het stuk sluit hiermede dat Peisthetairos terugkomt, reeds van verre
schitterend als de zon, en naast hem de schoone bruid Basileia. Hij
zwaait den bliksem, het gevleugelde werptuig van Zeus, en een heerlijke
geur stroomt door alles heen. Het koor jubelt hem een hymenlied te
gemoet en bezingt de macht van den bliksem, gevoerd door den nieuwen
Zeus, en zijne prachtige bruid Basileia.

En zoo eindigt deze halsbrekende vogelutopie.

Maar wij, hoe komen wij weer heelhuids uit deze wolkenvogelstad op de
gewone aarde en bij ons eenvoudig pluimgedierte?

Doch zoo gaat het in het leven. De lezer dient er zich mee te troosten,
dat het plotseling geschiede, zonder overgang. Evenzoo worden wij met
een schok wakker uit de schoonste droomen, en na de omzwervingen in den
ether zien wij opeens onze voeten op de straatsteenen staan. Toch blijft
van dat zweven in de wolken altijd iets in de herinnering rondzingen.


NOTEN:

[1] Deze bundel, ofschoon de oudste stukken bevattende, verscheen eerst
in 1874 na anderen van jongeren oorsprong, die in 1872 het licht had
gezien.

[2] Een stuk van ouden datum, niet herdrukt. Verscheen in Nederland,
1856

       *       *       *       *       *


TWEE KUNSTENAARS.


Eens waren de geesten overal. Van alle stof waren zij de bezieling, zij
woonden in de lucht, in de stroomen, in de zon, in de starren, in den
bloemkelk en de kleine beek, in den mensch en zijne omgeving, in zijn
denken en voelen, en heel het leven was van hen vervuld. In de lucht en
de bosschen maakten zij muziek, aan de starren en wolken gaven zij
spraak, en leerden haar, evenals den bergen, boomen en wateren, de
heerlijkste dingen vertellen; aan de bloemen schonken zij de poëzie der
kleuren, den mensch de verbeelding, en zoowel in als buiten hem ontstond
door hen de liefelijkste wereld.

Het is niet de schuld der wetenschap, dat het niet meer zoo is.
Integendeel. Dat hebben de geestverdrijvers, waarvan sommige de
wetenschap tot hun doel gebruiken, verspreid om den smet van zich af te
werpen. Het was aan de domheid te wijten en aan de menschen, die niet
denken en gevoelen, maar alleen grof zinnelijk waarnemen.

En de geesten verdwenen.

Hoe verdwenen zij?

Toen de menschen de geesten niet meer begrepen en kenden, beweerden zij
dat deze niet bestonden. Zij knepen hun oogen dicht en spraken: de zon
is weg.--Ziet! zeiden de geestendooders, men heeft ons vroeger
wijsgemaakt dat er geesten waren in de natuur, maar wij weten het nu
beter.

En zij namen een boom en zaagden hem door, tot anderen, die nog
twijfelden zeggende:--Ziet gij wel dat er geen geest in zit; het is
alleen schors, spint en hout.

Anderen namen een schoon beeld.--Als er geest in zit, zeiden zij, dan
moet hij er ook uitkomen,--en zij braken het open. Eerst de beenen, en
toen zij niets vonden, het lijf, en toen het hoofd, en toen alles te
morzel lag, riepen alle omstanders uit:--Zij hebben gelijk, daar is geen
geest in; ook in de kunst is geen geest.

Daarna kwamen er, die hun dikken, vetten buik en hun dikke, vette wangen
bevoelende, uitriepen:--Kijk, dat eerst is werkelijkheid, maar wat men
niet tasten kan, bestaat niet.--En alle menschen vonden het ook zoo.

In den staat maakten zij eene wet, dat niemand meer van geest mocht
spreken, want dat geesten gebleken waren ijdele hersenspooksels te zijn,
die niet bestaan en volstrekt van geen practisch nut zijn.

--Ach, waar zijn de geesten heengevlogen? klaagden de kinderen,--waarom
komen zij niet meer zoo heerlijk voor ons zingen, en ons van allerlei
goeds en schoons vertellen? Ach, waar zijn de geesten?

--In den kelder, in het turfhok, stoute bengels! riepen de menschen.

Toen er aldus bewezen was, dat in alles wat er goed, waar en schoon op
aarde verschijnt, geene geesten zaten; toen de beste en verstandigste
der menschen elkander geleerd hadden en overgeleverd, dat nergens meer
geest is, en het maar alleen de kinderen waren, met de oude bestjes en
zwakke zielen, die slechts een duister besef hadden, dat er toch behalve
al die stoffen ook geesten waren in het heelal, toen wisten de lieden
niet beter of het was op het kerkhof, en in den toren bij den nachtuil
en in het spookkasteel, en bij de dwaallichten en den driesprong, en in
het koffiedik, dat zij de geesten moesten zoeken; en in de plaats van de
reine etherische wezens, stelden zij ze zich niet anders voor dan als
geraamten en bleeke spoken, katten en duivels uilen en heksen op
bezemstelen, ruischende door de holle en galmende gangen van eenzame
gebouwen, joelende op de hei en door de schoorsteenen, zwierende,
gierende en jankende door de nachtelijke duisternis.

De geesten leefden ook niet meer onder de menschen; zij gingen hooger
wonen en maakten zich onzichtbaar. Niet langer spraken zij onmiddellijk
tot de aardbewoners uit elke plant, uit het bosch, uit het meer, uit de
zon; zij bewogen zich niet meer in het klare licht van den dag en onder
de woelende, zwoegende menigte der stofaanbidders; het waren slechts
uitverkorenen, aan wie zij zich bleven vertoonen.

Doch als de nacht, de engel met het kalme, reine gelaat, de
beschermende duisternis over de schepping uitspreidt, als de
geestverjagers en stofaanbidders slapen, dan komen zij overal te
voorschijn. Dan vieren zij feest en reien in de bosschen en op de
velden, dan spelen zij met de karbonkels van den starrenhemel en
dobberen wiegelend op de koppen der golven; dan zingen zij in de
suizende lucht en vermeien zich in de kelken der bloemen. Zij dringen
door in de kamer van den werkenden dichter en omringen hem met muziek;
zij omzweven de sponde van den slapenden kunstenaar en kussen zijn
hoofd, zijne ziel met nieuwen gloed vervullende.

Alles, alles is dan weer bezield en over alle stof zweeft weer de geest.

       *       *       *       *       *

Het was winter, het was een heerlijke, bezielde nacht, toen ik eens twee
van die geesten gewaarwerd, die in mijne kamer werkzaam waren.

--Welkom, welkom, schoone etherische verschijnselen, wie gij ook zijn
moogt, welkom, want ik gevoel, dat gij geluk aanbrengt!

--Ik heet Lucht, zeide de een.

--En ik ben Vorst, sprak de ander, wij zijn van de geesten der kunst.

--Hoe! riep ik verbaasd, zijt gij kunstenaars? Ik dacht dat lucht niet
anders deed dan zuurstof, koolstof en stikstof verwerken, en wind, regen
en nevels maken, en dergelijken. En vorst dacht ik mij slechts als een
besneeuwden grijsbaard, met norsch gelaat en ijs om zijn hoofd en zijn
hart. Hoe! stroomt de gloed der bezieling door uwe gedaanten, en zijt
gij nog iets meer dan natuurwetten?

--Langen tijd, zeide de een, hebben wij ons met vele beslommeringen en
drukten moeten, bezighouden. Wij hebben hagel en sneeuw moeten maken, de
aarde verharden en met eene sneeuwlaag overdekken, duizenden schadelijke
dieren en insecten verjagen en dooden. Met machtigen adem heb ik in
stormen geloeid en de bladeren afgeschud, en de geheele natuur tot de
rust van den winter bereid.

--Ja, zei Vorst, ik heb mijn gezel moeten helpen, slooten en wateren met
eene dichte, doorschijnende korst bevloeren. Dat was onze nuttige
arbeid, de aardsche en stoffelijker zijde van onzen werkkring, en
algemeen was het alleen deze, die men beschouwde, want wat daar ook
kunstigs en schoons in mocht zijn, niemand, die daar op lette of dat
begreep. Zij vroegen maar: is het nuttig? Zoo ja, was het goed, zoo
neen, weg er mede. Het was of het ijs bij de schepping slechts bestemd
was voor narresleden en het vermaak van schaatsenrijders; de bloemen op
de glazen werden verwenscht en weggevaagd; de reine sneeuw met hare
kunstige vlokken, met hare starren en rozen, werd bevuild, zoodra zij
onder de menschen kwam. En die schoone ijzelkristallen, die als een
bekleedsel van edele steenen aan trossen de takken en bladeren der
boomen omhulden, en waaraan wij zoo veel kunst besteedden, wie heeft ze
met kunstzin beschouwd?

--En wat is men wispelturig en tegenstrijdig in zijne wenschen en
meeningen, riep Lucht uit, Dan eens is men kwaad, omdat Vorst uit
scherts hier of daar een neus purper kleurt; dan is men blij, omdat men
schaatsenrijden kan. Nu wil men dooi hebben--voor de scheepvaart zoo het
heet--doch eigenlijk, omdat men zelf op reis moet; dan wil men vorst
tegen het schadelijk veldgedierte en omdat het gezonder is.

--Dan zijn wij te streng, zei Vorst, en dan zijn wij weer te zacht.
Velen schijnen ook geheel onverschillig omtrent ons en cijferen, eten,
drinken en slapen, alsof wij niet bestonden; anderen hebben een afkeer
van ons, omdat òf stoffelijke armoede, òf armoede des geestes hen
onvatbaar maakt om ons te begrijpen en te genieten.

--En gij wordt niet ontmoedigd en staaktet uw arbeid niet?

--Denkt gij, sprak Lucht, denkt gij dat wij slechts werken uit vrees
voor straf, of in hoop van belooning? Weet gij dan niet dat men evenals
het goede ook het schoone moet doen om zijns zelfs wille?

Zij waren intusschen niet werkeloos geweest, maar zweefden en golfden af
en aan, en waren druk bezig bij mijne ramen. De glazen kraakten en ik
ontdekte toen een treffend schouwspel.

--O, wat kunstige en grootsche arbeid riep ik verrukt.

--Noem het geen arbeid, zeide Lucht, het is uitspanning, het is genot,
het is loutere liefde voor het schoone.

--Heerlijk, heerlijk, zongen zij beiden opgetogen;--zie, des daags
hebben de menschen ons verjaagd, maar des nachts, onder het geestrijk
licht der maan, als de menschen met hun bespottelijke eischen en hun
kunstdoodenden ijver, die zeker ons werk terstond zou vernietigd hebben,
slapen, dan werken wij aan ons lievelingswerk, heerlijke goddelijke
kunst!

Welke geheimzinnige kunstenaars waren zij! Evenals eenmaal in de
middeleeuwen de vrome meesters de kerkvensters, zoo overdekten zij de
glazen onzer huizen met de dichterlijkste en schoonste gewrochten van
hun geest: waarlijk schenen zij niet om roem of eer te werken, naarom de
kunst zelve. En evenals bij die oude meesters, schenen hun arbeid en
hunne middelen een geheim voor de menigte verborgen.

Slechts even had ik hunne handeling gezien. Helaas, ook ik moest in de
straf deelen, die de geestverjagers hadden beloopen, en ik mocht de
geesten in hunne kunstoefening niet langer aanschouwen.

--Slaap, slaap, zeiden de geesten, en zij wiegden mij en legden mij
neder.--Slaap, slaap, gij kunt ons niet langer zien arbeiden, maar
morgen zult gij onze werken zien.

       *       *       *       *       *

--Moeder, moeder, riepen 's morgens de kinderen, die het 't eerst
ontdekten, naar de glazen loopende,--wat heerlijke bloemen en beelden!

Dat hadden 's nachts de geesten gedaan.

Herinneringen aan alle streken der aarde penseelden zij op die ruiten.
Er was geen plekje op de aarde, waar Lucht niet geweest was, en Vorst
had ook veel gezien, zoodat zij eene rijke verbeelding en een schat van
ideeën hadden, die onuitputtelijk was.

Uit het verre Westen, de nieuwe wereld, brachten zij herinneringen van
breede rivieren en watervallen, van reusachtige wouden en berggevaarten.

Uit het Zuiden had Lucht vroegere herinneringen van krachtvollen
plantengroei en exotische bloemenpracht, en van de heerlijkste gedaanten
uit dat land der schoone vormen, en Vorst etste ze met fijne stift op
het glas.

Uit het Oosten bootsten zij palmen en waaierboomen, aloë's en cactussen
na, en edelgesteenten, met de weelderige gedachten en vormen van het
morgenland, de wieg des menschdoms.

Al die beelden uit een lang en werkzaam leven, die herinneringen van
hunne veelvuldige omzwervingen en reizen op de aarde, kwamen in de
schoonste vormen door hun rijk en weelderig genie te voorschijn, en
werden door de kunstenaars met steeds vernieuwde oorspronkelijkheid
voortgebracht.

Onbaatzuchtig, als alle ware kunst is, werkten zij niet alleen voor
rijken, maar ook voor armen; zelfs waren er bij sommigen der aan
zienlijkste lieden, waar nacht en dag in alle vertrekken eene zoele
zomerhitte heerschte, geene sporen hunner kunst ontdekt, en daar waar
geene gordijnen zelfs waren om de glazen te bekleeden, bedekten zij die
met hunne keurigste scheppingen. Edele belangelooze kunst, die hare
gaven uitstrooit zonder aanzien des persoons.

Doch hoe grootsch en machtig het genie van mijne kunstenaars was,
doorgaans werden zij weinig begrepen en geacht. Daar zat een geleerde te
werken, terwijl zijne glazen met planten en gewassen overdekt waren,
cactussen, cederen, palmen, orchydaeën, en wat al meer, vreemder en
zeldzamer dan die der rijkste broeikassen of botanische tuinen;
fossielen, visschen, schelpen en kristallen zonder wederga; maar de
geleerde lette er niet op of keurde ze zijne aandacht niet waard. Het
was immers maar kunstwerk!

Wat verder stond een kantoorman voor zijn raam, en krabde er den nagel
de keurige ciseleersels af, om een open plekje te maken, waar hij
doorheen kon zien. Zoo moest wel het kunstwerk een oogenblik zijn oog
treffen, maar toen hij onder al die voorstellingen geen enkel cijfer
zag, niet eens eenige afbeelding van een bankbrief of eene coupon, ging
hij spoedig weer aan zijn lessenaar zitten, want hij vond er niet het
minste nut in.

Hier waren weder de schoonste lijnen en vormen, de bevalligste
versierselen, het weelderigste loofwerk; maar de beschaafden waren er
ongevoelig voor.

Ginds waren het de stoutste stukken juweel, de meest verscheidene pracht
van edele steenen, maar noch wereldlingen, noch pronk- en
prachtminnaars, noch vrouwen keken er naar.

Elders spreidden zich de vreemdste natuurtafereelen uit, zonder dat men
ze vermoedde, en men reisde naar verre vreemde landen.

Zoo onverschillig, ja zelfs zoo nauw bewust van al die schoonheid waren
de menschen; hun brein was zoo arm geworden, hun waarnemingsvermogen zoo
ongeoefend en verdoofd voor wat bovenzinnelijk is, dat alleen wat grof
tastbaar was voor de zinnen, door die ruwe werktuigen kon worden
gevat.--Bah! riep de zoon der stof en der werkelijkheid, ik kan door de
ruiten niet heenzien, en hij veegde terstond de kunstgewrochten weg,
zooals hij het reeds vroeger in zijne ziel alle fijne draden en
weefselen had gedaan. Maar de kunst en het schoone bleven er niettemin
om voortleven en de kunstenaars aan hunne roeping voldoen en hunne
bestemming vervullen.

       *       *       *       *       *

Ziet, de zon komt door, de nevelen trekken weg, en de warme stralen
vallen recht op de kunststukken mijner glazen. Heerlijk, dubbel heerlijk
zien zij er nu uit. De bosschen en bergen krijgen nieuwe en verhoogde
tinten, de edele steenen nieuwe flikkeringen en kleurspelingen, de
bloemen en planten nieuwe gloed en verven.

Maar het duurt slechts eenige oogenblikken en weemoedig zie ik de
gedaanten veranderen en verwelken, de kleuren verbleeken. Langzaam vormt
zich een droppel, die meer en meer zwelt en glinstert, totdat hij, zijn
toppunt bereikt hebbende, door zijne eigen ontwikkeling valt, om de
aarde slechts te vermeerderen met een weinig slijk. Nu volgt alles den
eersten droppel en smelt meer en meer, en eindelijk lessen zich al die
kunstrijke gewrochten, in droppelen van de glazen vallende, als een
liefelijke droom bij het ontwaken in louter tranen op. Het is of de
betoovering is verbroken. Bosschen, cederen, bloemen, zeegewassen,
edelgesteenten, ijsbergen--weg, weggesmolten, als de idealen der maagd,
als de tranen der menschen, als de droomen der wijzen, en de schoone
kunstwerken leven niet meer, dan als de herinnering van iets, dat eens
groot en liefelijk geweest is.

Is het een bewijs dat daarom het schoone, dat wij gezien hebben, ijdel
is en niet bestaat? Men heeft het honderden malen beweerd en zegt het
nog. Maar het zou even juist zijn vol te houden, dat de zon niet
bestaat, omdat zij soms onzichtbaar is of onder gaat.

Intusschen begint die zon, die onze kunststukken heeft vernietigd, ons
te verwarmen en te verlichten. Als bron van warmte en licht bezit zij
beide hart en verstand, maar vereenigd in harmonie en niet eenzijdig
werkend als een van beide op zichzelve. In haar vurigen glans verschijnt
zij mij als de Hindoesche godheid, met het vernielend, maar tevens het
scheppend beginsel, dat zij in zich saamvat. Zij heeft onze kunststukken
vernietigd, maar zij roept nieuwe uitkomsten in het leven. Vorst
verdwijnt en de werking van Lucht verandert en wordt gewijzigd naar de
eeuwige wetten; in een zoelen wind suist het en fluistert mij in het
oor:

--Troost u, de kunstwerken zijn vergaan, maar andere en nieuwe komen
weer te voorschijn en zullen verrijzen, nog schitterender en gloeiender,
en oorspronkelijker dan de vorige. Het zijn slechts veranderlijke vormen
die voorbij zijn gegaan, maar de kunst en het schoone gaan niet voorbij:
hunne verschijnselen in de vormen der stof zijn vergankelijk, maar zij
zijn eeuwig!


       *       *       *       *       *


EEN OUDE STRIJD.


Wat de dichterlijke geest der middeleeuwen in zijne phantastische
_doodendansen_ op zoo menigvuldige wijze afbeelden, en met zoo veel
diepen en bijtenden humor op de wanden der kerken, in de teekeningen der
handschriften of de initialen der eerste drukwerken voorstelde, heeft
niet opgehouden te bestaan. Het is nog altijd de oude strijd tusschen
leven en dood. Als de Noordsche reuzen, Zomer en Winter, werpen zij
elkander beurtelings onder. Altijd heeft wel Holbeins knekelman de
overhand--maar slechts voor een gegeven tijd, en telkens staat een nieuw
leven op om den strijd te hervatten en op zijne beurt den "koning de
verschrikking" te overstelpen. Het gras schiet onder de zeis van den
onverbiddelijken maaier toch weder op. Uit de stof van het vergane
ontwikkelt zich een nieuwe groei.

Noemt gij onder de vele tegenstellingen, die elkander kruisen, en
elkander schijnen te vereischen om elkander aan te vullen, die van leven
en dood alledaagsch, zij is niet minder snijdend en gedurig nieuw in de
bijzondere vormen, waarin zij optreedt.

Ziet daar den stoet, die de dooden wegbrengt, langzaam de straten
doorgaan, en de scherpste tegenstelling vormen met al wat hij ontmoet.
Er zijn bakkers, die aan de levenden brood brengen; artsen, die het
leven gaan verdedigen; kooplieden, die, vast op het leven steunende,
twintig jaren vooruit hunne plannen berekenen; lange rijen van fraaie
huizen in aanbouw gaat hij voorbij; verder een orgel, waarvoor kinderen
dansen; het orgel houdt even op voor de zwarte mannen, en de kinderen
kijken naar den stoet met een verbaasden glimlach om wat zij niet
begrijpen, en het speelt weder voort. Verder gaat de stoet en nadert de
uiteinden der stad; eerst nog voorbij drukke pakhuizen, en fabrieken
niet, hare stoomende, snuivende, rammelende en kletterende bezigheid; de
haven laat hij links liggen, met al hare schepen, waar het bootsvolk
zingend bezig is de zeilen te hijschen voor de reis naar een ver land om
van daar de geriefelijkheden voor de levenden weer mede te brengen.

De zwarte wagenmenner, die onder de wippende huilebalk zijn winst zit te
berekenen, is de stad uitgereden, en langzaam gaat het nu door dreven,
waar de natuur met haar frisch groen, hare vruchten en bloemen niets dan
weelderig leven verkondigt. Een half uur later heeft die stoet zijn werk
volbracht, en alles is omgekeerd: de dood had al die mannen met zijne
machtige vuist een oogenblik bedwongen, zij ontworstelden zich aan dien
greep, zij keeren terug tot het leven, het leven neemt de overhand, en
de stoet, als uit eene dommeling ontwaakt, is, als door terugwerking der
tegengehouden veer, bij uitstek levendig geworden. De doodenrijder,
moderne Psuchopompos of Thot, zweept de paarden, die, de koppen
schuddend, wakker wegdraven: de volgkoetsen rijden luchtig voort, dartel
schuddende op de riemen; de zwarte dragers ontheffen hunne aangezichten
van de nederwaarts gebogene lijnen, en wenkbrauwen, oogen, mond staan
weer in de gewone plooien.

Deze optocht, die dagelijks als eene sombere frons het anders levendige
gelaat der stad rimpelt, heeft ook daar geen spoor meer achtergelaten,
en in de werkzame, levendige stad ziet de terugkeerende stoet er als
iets vreemds, iets onbegrijpelijks, iets bespottelijks uit.

Wij zijn de stad straks uitgegaan en den landweg op, en dezen volgende
komen wij in een dorp.

De oude tegenstelling vindt gij ook daar. Gij zult haar kunnen ontmoeten
in een klein nederig huis, dat geheel gesloten is. Nog gisteren was het
open, en prijkte het eenige raam met verschillende winkelwaren. Achter
in den winkel lag een hoop talhout en turf, benevens klompen en touw;
worsten hingen van de zoldering af en aan een houten rek boven de
toonbank eenige bundels vetkaarsen. Maar voor het raam was eene
heerlijke uitstalling; daar lagen, tot mondterging van alle kleine
broekemannetjes, die naar de bewaarschool gingen, wat appels, een
schoteltje, waarop eenige geelgestreepte brokken, en wat zoetgoed, in
eenige koekjes van een hoogst verdacht en dubbelzinnig voorkomen en van
de zonderlingste kleuren bestaande--een gruwel voor u, mevrouw, als men
ze had durven vertoonen aan uwe theetafel met de fijne Japansche kopjes,
eene heerlijkheid voor de kleine schoolkinderen, die er op de toonen
naar stonden te hunkeren en met de vingers tegen de glasruiten er naar
wezen; zoo valt er over de smaken niet te twisten. Voorts hingen daar
drie geelgroene sigaren aan een touwtje, en er stonden ook twee
bierglazen, een met knikkers en een met griffels gevuld; en op eene van
de ruiten was een papier geplakt, dat "doopgoed te huur" aankondigde. En
waarlijk! er hing ook eene prent van Klein Duimpje, die ik al zoo lang
tevergeefs gezocht had, namelijk een ouden, echten Klein Duimpje, geen
nieuwe namaak. Want ook deze antiquiteit wordt, als zoo vele andere
oudheden, nagemaakt! Maar dan is de charme er af, de geur van archaïsme
en naïefheid verloren. Zelfs de versjes worden gemoderniseerd en
verliezen al hunne waarde. Nog herinner ik mij een van die tweeregelige
onderschriften:

     Moeder zeit wel dat is fraai
     Daar zit hij in de eetschapraai.

Wat dat beteekende wisten niet alleen mijne kornuiten niet; ook de
groote menschen begrepen het niet meer. Maar ik wist van mijn vader, die
oude boeken kende, dat schapraai oudtijds een kastje, een buffetje
zouden wij nu zeggen, beteekende en ik was trotsch op deze kennis. Het
was mijn eerste woord Oud-Hollandsch, en het heeft misschien invloed
uitgeoefend op mijne zucht om er meer van te kennen. Later verlangde ik
dikwijls naar zulk een ouden echten Klein Duimpje als eene herinnering
aan de jeugd. Ik zocht er naar, alsof het den houtprenten gold van een
Spieghel onser Behoudenis. Maar ik vond hem nooit. Wel nieuwe
namaaksels, zonder de eetschapraai, die de moderne kunstenaar en dichter
niet begrepen en weggelaten hadden. En hier hing nu een echte, zeer
kunstig en eenvoudig afgezet met ronde vlakjes rood en groen, die op elk
figuurtje met losse hand waren uitgestrooid, geheel onpartijdig, waar
zij ook neerkwamen.

Ik wilde die prent koopen, maar de deur van het winkeltje was gesloten:
van al de heerlijkheid is vandaag niets te krijgen, en als de kleine
jongens hooren, dat dit zoo is, omdat de oude winkelier dood is, dan
begrijpen ze er niets van, omdat dit woord voor hen zonder eenige
beteekenis is, of zij vinden den dood iets zeer ondeugends, omdat dat
ding hen belet bij het koopen van een griffel een brok toe te krijgen
van den goeden man.

Zagen wij in de stad het leven de overhand nemen, hier heeft op het
oogenblik zijne machtige tegenpartij het gewonnen. De groote
medicijnflesch van den meester heeft er niets tegen kunnen doen, en
staat nu op den schoorsteen in het kamertje achter den winkel, en de
kurk kijkt schuin en verlegen op de deftige bef neer, alsof zij zeggen
wilde: daar komen wij gek af. De hoog en bijna tegen de zoldering
hangende schilderijtjes en de spiegel zijn naar den muur omgekeerd;
zooals dat, zoowel uit een soort van eerbied als van bijgeloof, pleegt.
Alles is verzegeld, maar ééne kast met hardgeel geverfde deuren niet, en
als gij die opent, ziet gij daar een alledaagsch, maar even
ondoorgrondelijk iets. De oude man, die daar ligt, is geen zeer bekend
of publiek persoon geweest; zijn strak gelaat, met die bijzondere
uitdrukking, die gewoonlijk aan den mond van dooden eigen is, moge
ernstige denkbeelden inboezemen en een heer van gedachten--maar het zegt
niets aan den beschouwer over het geheim van het innerlijk leven, van
het zedelijk en geestelijk bestaan van dien man; misschien was hij goed,
voortreffelijk, misschien slecht, misschien was hij gelukkig of diep
rampzalig. Alleen zijn koud kleed ligt daar nog, zijn tast--en zichtbare
vorm,--het etherische is weg, vervlogen als een vlug zout, waarvan de
flesch gebroken is.

Een paar dagen later is ook hier een kleine stoet, die hem wegbrengt;
acht mannen dragen de baar, die door een vijftal andere mannen gevolgd
wordt. Ook hier moet hij zich dwars door het leven een weg banen;
paarden en koeien, wagens en karren, arbeiders, werklieden en kramers;
en de schooljeugd stuift op de klok van twaalf het schoolgebouw uit, en
dartelt om de dragers heen, als zij van tijd tot tijd stilhouden, om van
hand te verwisselen, en daarbij de hoeden even afnemen ten eerbiedigen
groet.

       *       *       *       *       *

Kinderen had de man niet nagelaten en de eenige erven waren verre neven
en nichten. Op den dag, die voor de ontzegeling en tevens voor den
openbaren verkoop bestemd was, waren deze en andere belanghebbenden,
tien of twaalf in getal, al vroeg in den morgen in het opkamertje
aanwezig, waar schilderijen en spiegel nu niet langer ten teeken van een
doode omgekeerd waren, doch waar een karafje met bittere jenever en een
keteltje met koffie veer de levenden stonden aangerecht. Intusschen
heerschte de dood hier nog zoo zeer, dat er weinig, zeer zacht, en
alleen met groote tusschenpoozen van stilte gesproken werd. De jonge
meisjes stonden te snappen en tusschenbeide zacht te giegelen, maar zij
deden het stilletjes in een hoek, en met de hand voor den mond; de
overige vrouwen hoorde men in de oogenblikken van stilte zeer diep
zuchten alsof zij al de zonden der geheele wereld te boeten hadden.

--Wat is hij gauw uit den tijd geweest! sprak er eene, met een zucht,
dien zij uit de zolen van hare schoenen ophaalde.

--Dat is hij net, zuchtte eene andere.

--Och! zou hij zijne ziel wel hebben bezorgd! twijfelde eene derde.

--Kijk, 't was verleden jaar met Sint Jan, neen Heere mensch, waar gaat
de tijd heen, 't wordt nou met Sint Jan al twee jaar, daar was buurvrouw
Pietertje's meu, je kent buurvrouw Pietertje? nou, die haar meu, of
eigenlijk haar mans meu, weet je, want haar mans moeder moest zuster
tegen haar zeggen, en die zat aardappelen te schillen, en krek was ze
weg.

--Wat zeg je, me lieve mensch!

--Nou ik zeg maar, 't is een heel ding, zoo ineens van het tijdelijke in
't eeuwige; een mensch heeft toch al eens wat te disponeeren en te
overdenken.

--Net, ware vrouw, dat zou 'k zeggen; ik zeg geen kwaad van hem, maar
zoo opeens als hij, dat is toch altijd een bedenkelijk ding, als een
mensch zoo met al zijne zonden heengaat,--maar ik wil hem niet
oordeelen, de Heer heeft het oordeel.

Intusschen had dit alles wel iets van een oordeel; maar den overledene,
kalm in zijn aarden rustbed, raakte dit niet.

Hoe langer hoe meer begon nu het leven te winnen, en de dood te
verliezen. De koffie en de karaf werden aangesproken, de taal werd
levendiger en luider, en stuk voor stuk verdween die zekere gedruktheid
of gedwongenheid, die, als ware men in het gezelschap van een
aanzienlijk heer, tot nog toe geheerscht had.

--Heeft hij iets beschreven?

--Ik weet het niet, mensch, maar 't zal niet veel wezen wat hij
achterlaat, hij liet zich door iedereen inpakken.

--Dat zeggen ze; ik had hem in geen tien jaren gezien; maar hij was
altijd wel wat losjes met 't geld.

--Neen, er moet wel wat zitten, hoewel ik niet zeggen wil, dat hij goed
op zijne zaken paste: 't is hard genoeg voor die 't rechtvaardig
toekomt!

--Och vrouw, wat zal ik je zeggen, een mensch is maar een mensch, en hij
had ook al 't zijne van de zonde, en dat zullen we nu maar niet ophalen,
ik zeg maar, de Heere heeft het oordeel.

Maar al matigden zich alleen beschikte, openlijk door ieder dezen ook
reeds het oordeel aan, de overledene bewoog er zich niet om in zijne
onverstoorbare rust.

--Och! hij heeft mij zoo veel goed gedaan, zeide, stil in een hoek, en
afzonderlijk zittend, op hartelijken, diep erkentelijken toon, terwijl
zij een traan wegveegde, eene vrouw, die niet tot de belanghebbenden
behoorde, maar met eenige andere gebeuren daar mede tegenwoordig
was;--och, hij heeft mij zoo veel goed gedaan, en verleden winter nog,
toen mijn jongen er zoo naar aan toe was.

Maar lof noch blaam was meer iets werkelijks voor den overledene, en
zijn strak, onbewogen gelaat was het beeld eener ziel, voor welke dat
alles thans in het niet was weggezonken. Grootsch maar huiveringwekkend
is die kalmte en dat verheven zijn boven alle oordeel der menschen.

Intusschen was de ontzegeling geschied en ging de notaris een
bureau--kastje onderzoeken, waar men met lange halzen en opgesperde
oogen omheen stond, in verwachting van een testament, waarin ieder der
aanwezigen als een ver en onduidelijk denkbeeld had, alleen tot
erfgenaam benoemd te moeten zijn. Maar niets van dien aard werd
gevonden, louter papieren van geene waarde en eenig los geld. In de
laden onder de kast vond men 's mans kleederen en het zondagspak van
zonderlinge oude snede, netjes in een doek gewikkeld, onderaan.

--Wat willen de vrienden met de kleederen gedaan hebben? vroeg de
notaris.

Er was eenige woordenwisseling over; niemand wilde ze hebben, dus was
het besluit: verkoopen. Doch de vrouw, wier dankbaarheid wij straks
hoorden, bewerkte, dat men het goed eene andere bestemming geven zou, en
niet dulden, dat 's mans kleederen in het openbaar, aan Jan en alleman,
misschien met bespotting, zouden verkocht worden.

Brave ziel, dat was een kiesch denkbeeld, dat uwe dankbaarheid u daar
heeft ingegeven!

Middelerwijl was alles, wat er in kasten en kisten zat, uitgehaald,
omvergehaald, betast en besnuffeld. Er is altijd iets in, dat hindert en
stuit, aldus wat iemand in eigendom bezat en waarover hij opgenomen en
bekeken te zien, en vreemde oogen in laden en kasten, vroeger slechts
voor den eigenaar toegankelijk. Ook hierin was het alsof bij elke lade,
die geopend, bij elk stuk, dat uit zijne bewaarplaats gehaald werd, de
invloed van den dood verloor en het leven de overhand nam.

Nu is het proces--verbaal der ontzegeling gesloten, en de
belanghebbenden worden een voor een uitgenoodigd het te onderteekenen.

--Kunt gij schrijven? vraagt de griffier.

--Ja, een beetje, antwoordde degeen, die het eerst optrad,--maar ik moet
eerst de fok opzetten.

Die _fok_ bestaat in een grooten bril met ronde glazen en schildpadden
randen, die als een weer--of sterrenkundig werktuig uit eene breede
chagrijnen doos wordt gehaald.

De man, die sneller een gemet zou afploegen dan eene halve bladzijde
volschrijven, neemt de pen op, zeer voorzichtig, alsof hij instinctmatig
begreep, welk een gevaarlijk wapen zij is, en bevestigt haar met de
linker--in de breede harde vingers der rechterhand.--Waar? vraagt hij
over zijn bril opziende, en het wordt hem gewezen, waar hij zijn naam
moet stellen. De pen staat op het papier, maar geeft niet af--er is geen
inkt in. Ingedoopt staat de pen weder op het blad, de bek buigt, buigt,
buigt nogmaals, maar laat slechts twee punten zien, van elkander
afgescheiden, en geen inkt vloeit tusschen die ruimte naar beneden. Nog
eens ingedoopt--de man schommelt onder dat alles op zijn stoel heen en
weder, onrustig, pijnlijk, zweetend,--eindelijk geeft zij af, maar bij
den ophaal der _K_ met eene ontzettende ontploffing een twintigtal
zwarte bommen over het blad verspreidende. Doch nu gaat het dan ook
voort; langzaam wel is waar, maar zeker, bevalt de pen van eene _o_, die
er als een ei uitrolt; eene beverige _r_ volgt, maar wil met het ei
niets te doen hebben, van betere familie wellicht, en houdt zich op een
hoogmoedigen afstand; maar trotschheid maakt niet bemind en daarom laten
de _S_, zonder reden eene kapitale, en de _t_ haar links liggen. Nu
volgen poot aan poot de letters _iaan_, getand als zagen, gekorven en
afgeknabbeld als oude munten.

De eigenaar van dezen voornaam legt zeer tevreden het hoofd op den
linkerschouder, en aldus, terwijl de tong over de lippen heen en weer
gaat, begint hij opnieuw eene _K_, en zijn naam _Krul_ komt er uit en op
het papier, terwijl nu in het alphabet hevige onaangenaamheden schijnen
te zijn, daar geene van de letters de andere wil aanraken.

Onder dit alles is de lijder meer dan vijf minuten bezig geweest, de pen
met stijf geknepen kromme vingers vast en loodrecht op het papier
houdende, tot er eindelijk onder een triomfant gezicht van den
schoonschrijver, die nu zeer bedaard zijne _fok_ afzet, afveegt en bergt
in de chagrijnen doos, het meesterstuk van penneconst staat:

     _Korstiaan Krul_.

--Jij hoeft ook geene krul achter je naam te zetten, zegt de
notarisklerk, die met alle pennen, op alle papier, schrijft alsof het
gegraveerd ware.

Op dergelijke wijze, de meesten met evenveel inspanning, teekenen verder
de overige belanghebbenden.

Nu werden de aanstalten tot den verkoop gemaakt, en het is aardig op te
merken, welk eene tegenstelling de drukte en woeling gaan vormen met de
stilte van zoo even. De schaal is nu ten eenen male overgeslagen en het
leven wint het geheel en al. Buiten is alles gedrang en vroolijkheid,
binnen is alles in rep en roer. De notarisklerk luidt met de groote bel
en het publiek verdringt zich; deze klerk, die tevens afslager is, gaat
buiten het raam op een stoel staan, de notaris zit binnen achter het
geopende venster te schrijven, en de verkoop begint.

De notarisklerk:--Komaan, vrienden, dat gaat er naar toe, biedt maar
eens op, die het hoogste biedt, die heeft het! eene vogelkooi, (de
voorwerpen worden door een helper, ook op een stoel staande, in de
hoogte gehouden en den volke vertoond) eene vogelkooi, de vogel is pas
weggevlogen,--komaan, van een gulden af, éen gulden, om achttien
stuivers, om zestien stuivers, om veertien stuivers, om
twaalf,--(langzamer) om elf, om tien....

--Mijn! wordt er gegild.

--Voor Teunis Plat,--je mag de tralies wel eens nazien of ze goed zijn.

Men wete, dat gemelde Teunis Plat, zeer kort geleden, een paar dagen
achter de tralies had gezeten; vandaar het luide gelach, dat op deze
aardigheid volgde.

Zeven stukken gewicht! gaat de afslager weder voort met eene
onnavolgbare radheid van tong:--komaan mannen komaan, biedt maar eens,
wie biedt er wat! zeven stuks gewicht, denkt om den herijk, van twee
gulden, komaan, 't is echt koper, die het hoogste biedt is ook kooper,
acht en dertig stuivers, om zes en dertig, enz.

Nu worden eenige Japansche borden voorgebracht.

--Die moet jij koopen, van Dorsen, allons, die bij opbod, éen gulden
voor van Dorsen, hè? je moet de vrouw wat meebrengen jongen, voor de
eerste, voor de tweede, niemand niet? voor--de--derde--maal, voor van
Leeuwen.

En de borden worden over de hoofden heen, van de eene hand naar de
andere geduwd, tot zij toevallig nog heel bij den kooper belanden.

Zoo gaat, het eene stuk voor, het andere na, de inboedel, die eens de
omgeving, de kleine geliefde wereld van den eigenaar uitmaakte, uiteen,
en verdwijnen daarmede de laatste sporen van het uitwendig bestaan van
een mensch. Zoo wij de trapsgewijze verandering in de karakters der
erven nagaan, zien wij ze hoe langer hoe wilder, inhaliger en
baatzuchtiger worden, met die aardige klimming, die de belanghebbenden,
zoo vaak belangstellenden, en deze belangzuchtigen doet worden, en de
voorwerpen, zelfs tegen elkander, opjagen. Lustig gaat het onderwijl
daarbuiten toe, onder de kwinkslagen van den klerk en de grappen der
menigte, welke ieder stuk goed, dat wordt voorgebracht, vergezellen. Nu
eens zijn het de kaarsen, die de klerk--afslager als "het nieuwe licht"
aankondigt; als er eene porseleinen kom voorkomt en een uit de menigte
vraagt, of er eene barst in is, roept deze grappenmaker: "neen,--twee;"
of als het eene klok is, en zij vragen "loopt zij goed?" luidt zijn
antwoord: "neen--zij hangt." Eindelijk is het boeltje op, en allen gaan
naar huis, de notaris met zijne paperassen, de notarisklerk met de
groote bel, en de koopers met de vogelkooi, en de hangklok, en de
kaarsen van het nieuwe licht, en de gebarsten borden. Ook dit weefsel is
weder afgeweven.

In het huis wordt geverfd en getimmerd, en waar de oude man gezeten had
met zijne hoop en zijne vrees, met zijne wenschen, zijne genoegens en
verdrieten, daar spelen nu kinderen en werken een andere man en vrouw.
Alles wisselt, en op de stof van den een groeien de vruchten, de
bloemen, en het onkruid van den ander.

       *       *       *       *       *

De heerweg leidde langs de begraafplaats, een hoog liggend stuk land,
dat, met een eeuwenouden aarden wal en greppel omgeven, in later tijd
met opgaande boomen omplant was. Voor den geest van een eenzamen
wandelaar, die zich op den rand van een greppel had nedergezet, bouwde
zich het verre verleden op, als de herinnering van een droom,
stuksgewijze, nevelachtig, en toch levendig belangwekkend.
Ontegenzeggelijk was deze omwalde ruimte van oude dagteekening. Een oud
Germaansch kamp wellicht, waar wagons en paarden in de rondte geschaard,
en ruwe tenten opgeslagen, waar nationale krijgsdansen uitgevoerd
werden, en de drinkhorens met gerstebier rondgingen, en de goudgelokte
Germaansche vrouwen de eenige zachtheid waren onder die ruwe kracht; het
was misschien de tijdelijke verblijfplaats van een dier oude stammen,
die wij bijna alleen kennen uit de overblijfselen, die hunne dood- en
grafplechtigheden voor ons bewaard hebben; of van welke kleine bende
hier ook geleefd mocht hebben uit die groote karavaan der menschheid,
die de aarde doortrok en slechts wat beenderen en asch, wat steenen of
ijzeren wiggen en spiespunten, wat broze urnen met haar eigen verbrand
overschot achterliet. Wie weet wat die oude akker nog inhoudt! Nu rusten
de moderne dooden te midden en op de overblijfselen van oude wapenen,
gereedschappen en huisraad uit de jeugd der volken, van een der oude
stammen, die zich hier eenmaal nederzette en leefde.

Terwijl de geest aldus het een en ander van het verbrokkelde verleden
weder opbouwde, dwaalde het oog over den akker en zag bij eene versch
gevulde groeve, waar de spa nog naast lag, eene vrouw staan, arm, maar
niet slordig gekleed, die een jongen van tien of twaalf jaren aan de
hand hield. Ofschoon zij zich al lang verwonderd zal hebben, wat de
eenzame wandelaar daar toefde en peinsde, zag zij hem nu eerst aan en
hij haar, en het kind blikte beurtelings naar hem en naar haar. Wat een
hevigen strijd kostte het haar misschien, om niet te bedelen, terwijl
haar trouwste steun haar pas ontrukt was. Die zieletoestand sprak
duidelijk genoeg uit haar gelaat, al hield zij woord en hand en elke
beweging tegen, en al belette zij haar kind het vragen.

De wandelaar ging naar haar toe.

--Ach, wat heb ik met hem verloren! hij deed mij zoo veel wel! zeide zij
droevig.

--Kunt gij geen werk vinden? vroeg de wandelaar.

--God geef van ja,--maar 't is voor eene vrouw niet altijd gemakkelijk,
werk te vinden.

--Gaf hij u werk?

--Zoo veel hij kon, deed hij het; verleden jaar nog in den kwaden tijd
bestelde hij mij ergens, maar ik moest er vandaan....

--Waar vandaan?

--Van het veld mijnheer, antwoordde zij, den arm over de landen in de
verte uitstrekkende;--ik had nog nooit op het veld behoeven te werken,
zóó ver was 't nog niet met mij gekomen, maar alleen met mijne vier
kinderen kon ik er niet tegen op, en toen ging ik meewieden.... (zij
zeide dit met eenigen weerzin); eerst wiedden wij eenige stukken met
gewas, dat goed te kennen was, en dat ging wel. Maar toen moesten wij
jonge tarwe wieden ... (zij hield even op; wat al gedachten, nooden, en
strijden kwamen haar bij dit eenvoudig verhaal weder voor den geest!)
... toen moesten wij jonge tarwe wieden, mijnheer! vervolgde zij, en ik
had dat nooit gedaan en nooit op jonge tarwe gelet, en toen kende ik het
onderscheid niet tusschen dat en het gras--het is bijna eender,
mijnheer, als men er niet aan gewoon is, en honderdmalen haalde ik in
plaats van het onkruid, tarwe uit, zooals zij mij zeiden, die naast mij
liepen,--maar de baas zag dit niet.

Ik deed dat acht dagen, want wij moesten eten maar eindelijk zeide ik,
toen ik het niet leerde, bij mijzelve: neen! de baas betaalt mij, en ik
haal zijne tarwe uit in plaats van het onkruid, en toen ging ik
weg;--dat was niet pleizierig voor hem, omdat hij mij daar geplaatst
had, maar toen kwam de ziekte van mijn jongen daarbij, en hij hielp en
redde ons toch weer....

Er waren eenige oogenblikken van stilte.

--Zij zullen hem wel gauw vergeten, maar bij ons zult gij nooit vergeten
worden, zeiden zij, voor het heengaan een paar doode takken, die op het
graf gevallen waren, daarvan verwijderende. Na deze eenvoudige hulde
ging zij vertrekken.

O Diogenes, dacht de wandelaar, ik weet niet of gij uwen mensch al
gevonden hebt, en of uwe lantaarn nog brandt--maar als tot de
eigenschappen van den ideaalmensch, dien gij zoekt, waarachtige kiesche
dankbaarheid behoort, dan heb ik van uwen mensch al een niet
verwerpelijk exemplaar gevonden.

--Zoo er eenige onsterfelijkheid hier op aarde zoet is, zeide hij tot de
vrouw, is het die van te leven in een dankbaar hart,--wilt gij iets van
mij aannemen, en mijner gedenken?

Zij dankte hem en ging haars weegs, naar het dorp; de wandelaar trad
voort, den langen weg op, die voor hem lag.


       *       *       *       *       *


EENE PREEK IN 1629.


    DE PREEK.

   _Hebt God lief met geheel uwe ziel.
    Hebt uwen medemensch lief als u zelven.
    Daar is geen grooter gebod dan deze twee_.

Dit stond in den bijbel te lezen, die in het begin der 17e eeuw in de
huiskamer lag, in den bijbel van het studievertrek des predikers in den
bijbel, die op den lessenaar van den kansel was opgeslagen, in dien,
waarop de regenten den eed aflegden, in dien, waaruit het volk
onderwezen werd; maar het was alsof een noodlottige nevel over die
schoone bladzijde heen waarde, alsof een kwade geest die bladzijde uit
al deze boeken had weggescheurd.

Het zag er treurig uit in Amsterdam met den geest der liefde en der
verdraagzaamheid in de eerste jaren van zestienhonderd. Nog versch lag
aan het levende geslacht de dwang in het geheugen, den gewetens onder de
"Spaensche tyrannie" aangedaan. Nog leefde het geslacht, dat zoo kort
geleden het juk had afgeschud, en zijne zonen, die het de vaderen hadden
zien doen. Nog had de kling geen rust of roest gekend, en vlamde de lont
der steeds geladene musketten. En de rouw over geliefden, door de zeis
van den dood weggemaaid, had in de bloedende harten nog niet opgehouden,
al waren de zwarte kleederen afgelegd. En toch, het ware zonder de
sprekende feiten der geschiedenis bijna ongeloofelijk,--en toch, treurig
gezicht! de voor zichzelf geëischte en nauwelijks verkregene, met de
uiterste inspanning verkregene vrijheid van geweten werd slechts voor
enkelen gehouden, maar aan anderen ontzegd, en men scheen zich alleen
aan de onderdrukking van den geest ontwrongen te hebben, om haar aan
zijn broeder--mensch, aan zijn broeder--christen, aan zijn broeder in
lijden, streven en overwinnen, op te leggen.

Nauwelijks is de strijd tusschen roomsch en onroomsch beslist, of in den
boezem zelven van het vrij geworden volk ontvlamt een zelfde twist. Er
is veel weemoedigs, maar tevens een bittere spot in de voorstelling, dat
men reeds dertig, veertig jaren en langer had gevochten, gevochten met
opoffering van alles, gevochten op leven en dood, met woede, met
wreedheid zelfs, om het recht te hebben dien bijbel te lezen, en dat men
nu de schoonste bladzijde der liefde ongelezen en onbetracht liet.

Die booze, vijandige geest was een leelijk, giftig onkruid, dat overal
woekerde en zich voortplantte, en een onkruid, dat reeds vroeg in de
eeuw ontkiemd, met de jaren daarvan opwies en bij alle rangen en standen
voorkwam. Als gij in de raadzalen komt, dan ziet gij het als eene vuile
schimmel overal op; het ligt op de plakkaten, op de notulen, op het
groene tafelkleed en de hooge stoelen met hunne kussens; het vermuft de
kasten en loketten, het zit in de tabberden, tot in de harten en hoofden
der Erentfeste Edelachtbare mannen. Daar had het veroorzaakt, dat de
bijeenkomsten van andere geloofsbelijders dan die der staatskerk werden
geweerd en, hunne predikanten uit de stad of in het tuchthuis werden
gezet; dat elke andersdenkende ieder oogenblik kon vreezen aangetast,
verbannen, met de zijnen zedelijk en maatschappelijk vernietigd te
worden. En eene enkele stem, die zich verhief, versmoorde weldra in de
vunzige lucht en verstikte onder het onkruid.

Als eene ongezonde zwam kroop het onder de huizen, deed het goede hout
vermolmen, klom achter behangsels en beschotten, en de bewoners erfden
het over, tot het weldra gemoed en verstand benevelde, en met wrok,
wraak en vijandschap vervulde.

Onder de lagere klassen en onder het gepeupel, daar groeide het welig:
dat volk, altijd gereed, waar anderen nog in de theorie verkeeren, tot
de praktijk over te gaan, ziet gij de overal verspreide
Onkruid--beginselen weldra ten uitvoer brengen; gij ziet ze, op het
voorbeeld van dat onkruid, van die vuile woekerplanten, rooven en
stelen. Als gij een oploop ziet waar men eenige lieden _Arminiaansche
duivels, Belialskinderen, godloochenaars_ scheldt, hen met steenen en
slijk werpt, hun leven bedreigt--dan ziet gij de vruchten van het
onkruid. Als een paar dienaars van mijnheer den schout een kettersch
gezin, nu broodeloos, ter stad uitzetten, en het gepeupel juichte en
jubelde, dan was dat weder eene andere vrucht van het onkruid. Als gij
ze ziet razen en plunderen en schenden, waar zij er kans toe zien, dan
kunt gij zeggen: het groeit goed, het komt heerlijk en vruchtbaar op.

Maar ook--waar gij dit het minst moest gezocht hebben--ook in de kerk is
het onkruid welig opgewassen. Het heeft de stoelen en banken overdekt,
den kansel beklommen en den bijbel niet gespaard, maar zit ook daar op
de bladen en verduistert den zin voor wie ze openslaat. Als de
getabberde mannen de bladen openen, stijgt er eene muffe champignonlucht
uit; dan nemen zij een tekst, maar bezien alleen het vuil, dat er op
gegroeid is; dan preeken zij uit hun hart vol onkruid en strooien de
vergiftige zaden daarvan over de gemeente uit, en wanneer zij daarbij
hunne mede-christenen als "_pesten, duivels, mammelukken_" afschilderen,
en de gemeente ophitsen tegen die van hunne regenten, welke nog niet
door het onkruid zijn overdekt, dan worden die zaden in alle harten
opgenomen en schieten daar welig op.

Sedert 1623 hadden zich aan dien duisteren hemel hier en daar
lichtplekken gaan toonen, en vooral 1627 had met blijder hoop een
liefelijker vooruitzicht geopend. Als wij zoeken, van welke zijde de
mildere beginselen ontstonden en gekweekt werden, is het billijk, dat
wij de eer daarvan aan de stedelijke magistraten geven. Er waren in 1627
reeds verscheidene steden, waar den remonstranten vergund werd te
vergaderen, waar zij geduld werden en zij, of die hun niet ongenegen
waren, in de regeering waren gekomen. Zijne doorluchtigheid de prins,
hoewel voorzichtig en beide partijen tevreden willende houden, was als
gematigd en hun niet vijandig bekend. Ook de Staten neigden tot rust en
gematigdheid, en de plakkaten werden bijna nergens streng tegen de
verdrukten gehandhaafd.

Des te feller werden door deze "_tollerantie en moderatie_" de "_harde
gereformeerden_" en hunne leeraars; des te heftiger werd de taal dezer
laatsten, nu zelfs in het tot hiertoe zoo rechtzinnige Amsterdam
gematigde regeeringsleden optraden, en met schimp klonk het van den
preekstoel: "_dat de gansche vroedschap Arminiaansch was geworden, dat
men het Trojaansche paard had binnengehaald!_"

In de voortdurende botsing tusschen de patricische regentengeslachten
den stadhouder, steunden deze heethoofden den laatste, omdat zij daarin
hun voordeel zagen en bij hem wederkeerig heul vonden in hunne politieke
aanmatigingen tegenover de macht der stedelijke magistraten; en zoo ging
ook heel de kerkelijke partij, die in elke regeering, waarover zij niet
heerscht, haar natuurlijken vijand ziet, geheel aan den kant des
stadhouders, als het tegenwicht tegen de stadsregenten, en draaide
altijd naar den Haag, als het middelpunt der hooge regeering. Alles uit
zuivere Oranjeliefde en _ad majorem Dei gloriam_ zou men denken, zoo
niet Vondel ze naakt ten toon had gesteld, toen hij in 1629 schreef:

    Malle Jantje
    Kerkgezantje,
      Ik u vraag:
    Waarom huilt gij?
    Waarom pruilt gij
      In den Haag?
    Is 't uit ijver?
    Krijt vrij stijver.
      Maar ik meen,
    Dat het kussen
    U zou sussen
      Wel in vreên.

Zoo stonden de zaken, toen in het begin van Juli 1629 een biddag werd
bevolen. De prins lag nog sinds Mei voor 's Hertogenbosch en graaf
Hendrik van den Berge was, na vruchtelooze pogingen om hem van dat beleg
af te trekken, met zijn leger opgebroken. Doch juist dit gaf
bezorgdheid, en het vermoeden begon zich meer te bevestigen, dat de
vijand iets tegen de Veluwe--met Amsterdam in het verschiet--in den zin
had.

Het was eene talrijke menigte, die, op den galm der klokken, van alle
zijden naar de Oude Kerk te zamen vloeide. Het was alles wat maar
eenigszins kon op zijn Zondags gekleed, en wie er van den
Oud--Hollandschen eenvoud te hooge gedachten had, kon integendeel al ras
bemerken, dat de verfijning der zeden een omkeer in dien eenvoud van
dracht had veroorzaakt, en dat de meesten _opsen Brabans of opsen Frans_
een zwieriger snede of pronkender dos hadden aangenomen. Het is geene
ijdele nieuwsgierigheld, als wij die kleeding eens in oogenschouw
nemen--de zedenschildering zal niet juist wezen, zoo zij het uitwendige
voorbijziet, en niet acht, hoe nauw de kleeding met den mensch
samenhangt. Met den eersten oogopslag zullen wij kunnen zien, dat wij
niet meer alleen den Hollander voor ons hebben, puriteinsch stroef,
aartsvaderlijk eenvoudig, besloten in den beperkten gezichteinder van
zijn klein land, als de Hollandsche Maagd in haar tuintje, en als de
Zeeuwsche leeuw, worstelend om zich boven de baren te houden; maar reeds
machtig, ontzien, rijk, die de wereld doorgereisd heeft, die al eene
zekere mate van cosmopolitisme in zijne nationaliteit toelaat, wiens
gezichteinder verwijd is, en dat een vrijer, ruimer, veelzijdiger blik
in het veld der kennis die onbelemmerde werking van den geest begint
voor te bereiden, welke later de roem dezer eeuw zal worden.

Doch, al is er grond om in die grootere weelde en uitheemscher tooi een
fijner beschaving, een ruimer en algemeener denkwijs te prijzen, niet
minder waarheid is er in de geestige hekeling van de ijdele en dwaze
modegrillen, die menig dichter dier tijden ons geeft.

Ziet gij onder de vrouwelijke kerkgangers nog enkele, die _ouwe wets_
zijn, bij vele hebben de opgestreken haren, door het eenvoudige mutsje
gedekt, voor sierlijker hoofddeksel, voor naalden en veeren, voor
krullende lokken, "_eigen goed of aangekochte waar_", plaats gemaakt.
Hier ziet ge, zooals Huygens, de scherpe satyricus, als hij het wezen
wilde, ze ons naar het leven heeft afgeschreven--een stukje in den
fijnen, uitvoerigen trant van Dou en Mieris:

     Een over-laden oor met oude-moeders beenen,
     Met verr- en diepgesocht, en daerom waerde, steenen;
     Een om-gebandden hals, trots eenigh brack-gespan;
     Een schuynsche rimpelkraegh, trots alter Boeren wan;
     Een rondom staelen arm, trots alter Krijgsluij vonden;
     Een open memmenhol, trots wind en winters wonden;
     Een stege Walvisch-romp, plat achter, spits van voren;
     Een opgetroste krans, trots eenig' Klocken-toren;
     Een omgehoepte pack, trots menig keernen-vat.

Hij vergeet ook niet

     ..................... 't pinceel dat geven zal,
     Dat de natuur vergat .........................

Voeg er de klepperende muiltjes bij, den wijden vlieger, die, halverwege
opgekoppeld, den bouwen of den eigenlijken rok laat zien, en, wat den
rijkeren aangaat, de satijnen en fluweelen borstlappen met goud en
paarlen en edele steenen gesierd, de in fluweel gebonden bijbels, met
juweelen of goud bezet en aan gouden of zilveren kettingen aan den arm
hangende, en daar hebt gij de vrouwtjes zooals zij ter kerk gingen.

Scheen het donkere laken of fluweel van der mannen broek en wambuis, met
den gewonen mantel en statigen rimpelkraag of platte, breede bef, van
meer deftigheid en eenvoud te getuigen, de opmerkzame kon toch in de
fijnheid der stoffen, in het _point d'Espagne_, dat hals en polsen
sierde, in de borduurselen der handschoenen en wambuizen, in de breede
rozetten, "_als doffers ruijge pooten_", die den steil en rood gehakten
schoen overdekten, en in de veder, die den hoed omwuifde, sporen van
verfijning ontdekken, en eene mode, die, vooral onder de jongere
_Monseurtjens_, tot een zwieriger opschik begon te lokken.

Het ruime schip der kerk was spoedig door de gemeente gevuld, terwijl de
aanzienlijken de met eikenhout beschoten en door breede, rijk gebeitelde
luifels overhuifde banken rondom de zuilen, bezetten. In de ruimte,
tusschen de zuilenrij en de zijwanden, stond eene menigte van burgers,
die nog met elkander fluisterden, voordat de prediker optrad, terwijl de
hondenslager de viervoetige kerkbezoekers verjoeg.

--Wie zal er prediken? vroeg een burger, die tegen eene kolom stond te
leunen, aan zijn buurman.

--Men zegt Smout, antwoordde deze. De eerste trok de wenkbrauwen op, als
gaf die naam reeds veel te denken, en als waren die gedachten van minder
opwekkenden aard.

--De gemeente schijnt het geweten te hebben vervolgde de tweede
spreker,--want in lang zag ik het zoo vol niet; een kloek prediker, vol
ijver en vuur des geloofs, een gewijd vat....

De andere scheen eene aanmerking, die hij op de lippen had, wellicht
deze, dat het een vat was, dat wel eens overkookte, terug te houden,
want men moest voorzichtig zijn in die dagen.

--Vol van ijver voor 't rechtzinnig geloof, dat nu vertrapt wordt, ging
de andere weder voort,--maar dat is er een, die zich den mond niet zal
laten snoeren, al hebt ge nog zooveel vendelen ingenomen, heeren
burgemeesters!

Dit zag op de versterking van de bezetting, die de regeering had
aangevraagd, en die de tegenpartij het volk diets maakte, dat tegen de
ware kerk dienen moest.

--Hij durft den heeren de waarheid te zeggen, zeide de eerste spreker,
op een toon, die lof noch blaam, aanduidde.

--Niet waar? dat durft hij; ik ben nieuwsgierig hoe hij 't heden maken
zal; hij is al zoo dikwijls gewaarschuwd en vervolgd, en al twee malen
voor burgemeesters ontboden.

--Men meende toen, dat hij wat heftig tegen de regeering had
uitgevaren....

--Uitgevaren?... hij heeft ze met Gods Woord gekastijd, omdat zij blind
zijn en den mond des Heeren door de predikanten niet willen raadplegen.

--Is dat burgemeester Geelvink?

--En Andries Bicker,--nu, die zullen daar ook niet voor niets komen en
wel scherp luisteren of zij hem vangen kunnen. Zie daar Oetgens ook al
met Boom, 't ziet er paapsch uit in die bank.

--'t Ware toch beter, dat hij zich niet zoo scherp uitliet tegen den
wettigen magistraat.

--Men moet God meer dienen dan de menschen, sprak de andere kortaf en
zijn buurman met wantrouwen aanziende.

--Dat is waar--maar de vraag is of God gediend wil wezen op zulke wijze.

--Arminiaan! riep de andere met bitterheid. Doch hij, wien het gold, had
zich reeds omgekeerd om de kerk te verlaten.

De vier genoemde burgemeesters en eenige leden der vroedschap hadden op
de gezwollen kussens in het gestoelte over den preekstoel plaats
genomen, toen de stormachtige prediker optrad; een man van een
vijftigtal jaren, forsch, breed, bloedrijk. Noch in het voorhoofd, dat
laag en puntig toeloopend was, noch in de uitdrukking van het gelaat,
met de, zoo het in vuur geraakte, gezwollen aderen en de uitstekende
wangbeenderen, lag iets edels of grootsch. Moed en vuur, doch met
sluwheid gepaard, waren er wel in te lezen, maar tevergeefs zocht men,
wat men zoo gaarne vindt, een frisschen, openen blik, die, zoo hij aller
oog toelaat er in te lezen, ook zelf voor alle indrukken van het schoone
en edele geopend is.

Als hij gebeden heeft, een lang en bloemrijk gebed, en een van Datheens
psalmen gezongen is, zal hij gaan spreken.

Wat zult gij spreken, gij, die u een man Gods noemt en van Hem uw
lastbrief zegt te hebben? Gij, met de Schrift vertrouwd, die de leiding
der menschen op u neemt, gij zult er wel van doordrongen zijn, dat gij
rekenschap zult moeten geven van uwe woorden; gij, die de misslagen van
anderen wilt bestraffen, zult zeker diep in uw eigen boezem getuurd en
geroerd hebben om u zelven te leeren kennen; gij, die anderen verbeteren
wilt, gij zult toch wel alle eerlijke pogingen hebben aangewend om te
beginnen met u zelven te verbeteren, en alle stootende vergelijking
tusschen uw leer en uw leven te doen verdwijnen?

Of is het onbillijk, dat wij van u, die u een censor boven allen, ook
boven uwe overheid, acht, verwachten, dat gij ze in de deugd zult
overtreffen?

Voor u ligt de bijbel. Er zijn scherpe hoeken aan. Is het _onze_ schuld,
zoo wij er bij denken, welk een vreeselijk wapen hij is, en hem met die
metalen hoeken bij eene strijdakst vergelijken? Er zijn ook koperen
sloten aan. Is het _onze_ schuld, zoo wij vragen of die moeten beletten,
dat hij soms openvalle op, die bladzijde der liefde? De snede is rood
gekleurd. Is het weder _onze_ boosheid, die daarbij denkt aan de
bloedige ziels- en gewetensfolteringen, die zoo velen moeten lijden? Is
het onze schuld en _onze_ boosheid alleen, die aldus doet vragen en
twijfelen? Het is het oordeel der tijden, dat u die vragen in het
aangezicht werpt.

Sla dan den bijbel maar open; wij weten thans wel wat zij is, die
vunzige schimmellucht, die er uit opstijgt; wij weten het al vooruit,
dat gij bij voorkeur het oude testament zult opslaan, door u en de uwen
in hooger waarde gehouden, om zijn meer theocratischen geest, omdat uwe
geestelijke heerschzucht naar een hiërachischen invloed haakt zooals gij
dien daar vindt, omdat daarin vele gevallen voorkomen van booze
koningen, die door profeten en priesters worden terechtgesteld, omdat
gij er vooral een tuighuis zult vinden van scherpe wapens ten behoeve
van uwe zaak.

De prediker heeft den tekst gelezen:

1 Kon. XII: 8: _Maar hij verliet den raad der oudsten, die hem geraden
hadden_.

Terwijl Smoutius breedvoerig den tekst verklaart, van het kleine kluitje
zeep een groote zeepsop kloppende--want de deugdelijkheid van een tekst
is als die van de zeep, hoe kleiner en hoe meer schuim, des te beter
zijn ze--dwalen onze gedachten een oogenblik af naar de dingen van den
dag. En wat was meer het ding van den dag dan de schutterstwisten?
Zeker, de remonstrantsche en contra--remonstrantsche beroeringen waren
nog steeds de _question brûlante_, de grootste bewegende kracht dier
dagen, maar nu was er iets nieuws, dat daarmede in verband stond.

Het was in October van het vorige jaar, dat Jan Klaasz. Vlooswijk, tot
kapitein van een burgervendel gekozen, aan de schutters werd
voorgesteld, en dat een aantal van hen weigerde hem te ontvangen. Voor
burgemeesteren ontboden, verklaarden de belhamels, dat Vlooswijk een
Arminiaan en een vijand van den godsdienst was, dat zij onder geen
paapschen kapitein wilden staan, en dat hun eed hin niet verbond ook de
vijanden der kerk te beschermen. Burgemeesteren waren inschikkelljk,
gaven hun acht dagen van beraad. Maar het complot wies aan en men werd
stouter, omdat de predikanten hen openlijk en in het geheim
ondersteunden en den eed onverbindbaar achtten. Vergaderingen--opruiende
schotschriften onder de gemeente verspreid--petitiën--en de gemoederen
waren weldra in rep en roer. Wat een schuttersoneenigheid was van geheel
beperkten aard, kreeg door de bekende invloeden het dubbel karakter van
eene godsdienstige en staatkundige beweging, die op verandering van
regeering doelde. De roervinken--en daarbij de twee predikanten Beijerus
en Kloppenburg voorop--moeiden er nu de Staten te 's Gravenhage, de
synode, en zelfs de godgeleerde faculteit te Leiden in, welke laatste
adviseerde, dat de eed niet bond om iets tegen de ware religie te doen
en men dien niet mocht afleggen aan een kapitein, die een vijand van die
religie was.

Toen de regeering een dertigtal burgers van den eed ontsloeg en
ontschutterde, leverden de meesten daartegen protest in, vervoegden zich
weder bij de Staten en bij den stadhouder, en het word eene veel
vertakte beweging en beroering, die van allerlei geheime kanten en
invloeden gestookt werd.

Was het scherp, niet onwaar was Vondels hekelvers, dat men in dezen
tijd, onder den titel van _Boeren Cathechismus_, in de boekwinkels ten
toon had zien hangen:

    _Boer_.     Zijn dan dees ezels zonder reden?
    _Student_.  't Blijkt als zij 't volk ontslaen van eeden,
              Gezworen aen haer overheden.
          B.  Dat dient als onkruid uitgewied,
              Ons Zalichmaeker leert dit niet,
              Die 't volk gehoorzaemheit gebiet.
              Wie port haar aen tot zulke ranken?
          S.  De boden van Synodes banken.

Wat ruw voor onze teedere ooren en preutsch geworden taal, maar minder ruw,
toen men de roede niet met bloemen omwond, was het slot:

          S.  't Zou Kloppenburg te bijster passen,
              Stadsbeedlaar die nu opgewassen
              Zijn voesterheeren wil verbassen.
          B.  Al was 't ondankbaar kreng gestroopt,
              Gebraden en met Smout gedroopt,
              'k Wed zich geen hont om 't aes verloopt.

En zoo komen wij weder op Smout terug, nog niet als vet met zijn
medekemphaan gebraden, maar aan het eind zijner tekstverklaring, zoodat
wij ook de onze zullen besluiten.

De zaak was nu te ver gekomen dan dat de regeering daaraan niet een
einde moest maken. Burgemeesteren vroegen en verkregen zes vendelen
garnizoen ter bewaring van de rust: de voornaamste raddraaiers werden
vervolgd, sommige, tot langer of korter verbanning of in boeten
veroordeeld, andere om blootshoofds God en den gerechte vergiffenis te
vragen--alle welke personen dadelijk door den kerkeraad werden vereerd
en gecanoniseerd.

De amnestie, die de regeering eindelijk afkondigde, zou de wond verder
kunnen heelen. Maar het was nog eene teedere plek en de minste ruwe
aanraking zou ze weder openrijten.

       *       *       *       *       *

Smoutius had den tekst breedvoerig uiteengezet, en naar den smaak van
dien tijd overvloedig met Grieksche en Latijnsche aanhalingen doorspekt:
hij had de geschiedenissen van Israël verhaald, hoe Rehabeam koning
geworden, gehoord had den raad der ouden en den raad der jongen; hoe de
ouden geraden hadden het volk te ontzien (hier de rechtzinnigen) en hoe
hij het niet deed; hoe de jongeren geraden hadden zijn volk te
onderdrukken, en den raad der ouden (hier de kerkeraad en de
predikanten) in den wind te slaan; hoe krijg en rampen daarop waren
ontstaan; en hoe het volk hem daarop was afgevallen, en opgestaan; (was
dat in dit geval de raad van Smout aan het volk?)

Daarna betoogde hij twee stellingen: hoe ten allen tijden in Israël de
ouden en de mannen Gods de macht hadden gehad den koningen te raden en
hen te bestieren, en hoe het in den wind slaan van dien raad altijd
rampen over het volk had gebracht. En nu volgde de toepassing, waarbij
hij zich naar burgemeesters bank wendde:

--Wij zijn de geroepenen en de gezalfden om de waarheid te verkondigen,
sprak hij:--Wat moet er worden van een land, welks hoofd de ware religie
verdrukt en den vijanden des geloofs voet geeft? De Heere bezoekt ons
met zware plagen. De vijand ligt voor de grenzen, en wie weet, wanneer
hij in het land, in uwe stad zal zijn! Wie is, de oorzaak van deze
bezoeking? Ziet, het geschiedde, als koning Achab Elia zag, dat hij hem
zeide: zijt gij de beroerder Israëls?

Toen zeide Elia: lk heb Israël niet beroerd, maar gij en uws vaders
huis, omdat gij den Heere verlaten hebt en de Baälim navolgt.

Wie zijn de beroerders in Israël? Gij zijt oorzaak, dat God den vijand
tot straffe over ons brengt! Gij hebt gedaan als Rehabeam, gij hebt den
raad der ouden versmaad, omdat gij ons gering en als kwajongens acht!
Gij luistert naar een hoop poëten en orateurs en juristen, die hunne
dingen uit heidensche boeken en wetten halen, maar wij zeggen u: _de
Heere zegt_! Wij hebben de wet en de profeten; pleegt dan met ons raad
en volgt onze vermaning. Wij zijn uwe herders; zal ook het schaap zijnen
herder regeeren? Wee den afvalligen, zegt Jesajas, die zonder mij
raadslagen!

Herstelt dan die voor de ware religie onrecht geleden hebben, herstelt
die gij ontschutterd hebt! Volgt niet na de voetstappen Rehabeams, want
de Heer strafte Rehabeam, en het volk viel van hem af. Keert dan terug
van uwen zondigen weg, en laat het niet van u gezegd worden: na deze
geschiedenissen en keerde Jerobeam niet van zijnen zondigen weg!--

       *       *       *       *       *

Wat burgemeester Oetgens en zijn collega Bicker hebben opgeschreven
gedurende de preek?

Wij zullen later zien, hoe zij er over dachten. Wat de gemeente aangaat,
een enkele slechts daarvan, bij wien de rede geen grooten indruk had
gemaakt, dien de wilde soort van geheel uiterlijke welsprekendheid niet
had medegesleept. Gij hebt weder ruimschoots gezaaid, Smoutius, en wie
het zaad hier opnam zal het weldra ook zelf daar buiten
verspreiden,--zij zullen wel rijpen, die zaden, zij zullen wel spoedig
rijpen en vrucht dragen.

       *       *       *       *       *

DE MAGISTRAAT.

Het nieuwe stadhuis, _des werelds achtste wonder_, was nog niet eens als
kunstgedachte in van Campens geest ontkiemd, en hoewel reeds lang de
klacht rees, dat het oude te klein was en de vroedschap er op zinde een
nieuw te stichten, deed men het nog maar met het

     Aeloud Stadhuis, verminkt Stéhuis,
     Gewoon van ouderdom te bukken.

Dat bestond eigenlijk uit drie deelen. Rechts, als men er voor stond,
was het oude gebouw, met zijn geheel onversierden, puntigen gevel,
beneden van grauwe bergsteen, boven van gebakken steen opgebouwd; links
de latere aanbouw, waar, in de vensterbogen en nissen der éene zich
boven eene open bovengang verheffende verdieping, de gothische
klaverfiguur als eenig versiersel zichtbaar was; en tusschen deze twee
de van zijn klokwerk, en zijne spits met de oude kogge in top, beroofde
toren. Het geheel, meest uit de 15e eeuw herkomstig, was zeker zeer
nederig, en stak in eenvoud af bij de omringende huizen, die reeds
meerendeels in den vroolijken, frisschen trant van geschakeerde
roodkleurige baksteen en grijze houwsteen, en met slanke spitse
trapgevels waren gebouwd. In dezen toren was burgemeesters kamer, en het
was daar, dat Smoutius eenige dagen na de preek, die wij bijwoonden,
binnentrad. Als wij hem vooruitgaan, zien wij de vier burgemeesters
reeds aan de groene tafel gezeten, waarop, behalve eenige papieren en
boeken, een hamer lag, van een tafelbel en inktkoker vergezelschapt.
De voorzitter vatte de bel, wier klinkende klepel een bode deed
binnentreden; en deze, het behangsel voor de deur opgelicht hebbende,
bleef staan.

--Is de weleerwaarde heer Smoutius present?

--Edelgrootachtbare heeren, de weleerwaarde is in de secretariskamer
wachtende; zal hij--

--Geleid hem bij burgemeesteren.

Zwijgend en strak--als waren zij veeleer een tooverachtig uitvloeisel
van de hand van Rembrandt of Thomas de Keyser, of van een der velen,
die, karakteristiek en echt nationaal kunst--genre, hun vermaarde
regenten vereeuwigd hebben--zwijgend en strak zaten zij, toen de
prediker binnenkwam, en zoolang hij van de deur tot de tafel voorttrad.
Geen geluid dan het kraken der zandkorrels op den vloer onder Smouts
schoenzolen. Eenen minder onvervaarde mocht de moed in de schoenen
gezakt zijn--bij hem toonde geene spierbeweging aan, dat het gerekte en
pijnlijke stilzwijgen hem raakte.

Hoe luttel kans op gunst er was voor hem, die hier werd opgeroepen, zoo
hij aan de orthodox--kerkelijke zijde stond, kon de eerste, oogopslag
toonen. Daar zaten niemand minder dan Jan Corneliszoon Geelvink, naar
den regel de van het vorige jaar aangebleven burgemeester en de drie
nieuwe: Abraham Boom, gedurende deze drie maanden voorzitter, Anthony
Oetgens van Waveren en dr. Andries Bicker Gerritszoon, allen uit
patricische regentengeslachten gesproten, en die met de overlevering van
het gezag ook den wil om het uit te oefenen geërfd hadden; allen reeds
dikwijls met elkander als burgemeester of in de vroedschap opgetreden.
Bicker en Van Waveren, die met Beuningen en Hooft, des drossaarts vader,
reeds in 1622, toen het nog gevaarlijk was, vrijzinniger taal hadden
doen hooren en den openlijken schimp der predikanten tegen de vroedschap
uitgelokt hadden; van Waveren, later de groote tegenstander van Willem
II, die in 1625 en 1627 met Geelvink en Bicker die zelfde vrije en
gematigde beginselen in burgemeesters kamer hadden overgebracht, en
tegen wie dan ook bij de vernieuwing van den magistraat, een alom
verspreid schotschrift waarschuwde:

     Dit zijn de Quanten
     Die oprechten willen de Arminiaansche Santen, enz.

allen de verklaarde en machtigste vijanden van wat zich in den name van
God en den rechtzinnigen godsdienst, het recht gegeven waande over der
medemenschen gewetens te beschikken, en van den heerschzuchtigen dwang
der geestelijken. Bicker zal de stilte het eerst breken. Hij is in de
volle kracht en zelfstandigheid van een leven, dat nog geen vijftig
jaren telt, met het kloeke, beraden gelaat, den strengen blik, de vaste,
bij wijlen sarcastische lijnen van den mond in den grooten knevel en
spitsen baard niet verborgen: dezelfde zooals dertig jaren later Van der
Helst hem schilderen zal.

--Heer predikant, burgemeesteren hebben u voor zich ontboden.

--Ik ben bereid den Edelgrootachtbaren Heeren ter wille te zijn, zoo ver
in mijn vermogen is, antwoordde de toegesprokene, wien geen wenk zelfs
een zetel had gewezen, den ongevederden breedgeranden hoed in de hand
houdende, en buigende met een eerbied, waar geen deemoed, maar slechts
vormelijke beleefdheid in lag.

--Zooveel dat in uw vermogen is--gij kondt daarmede eene achterdeur
openhouden, waarmede burgemeesteren niet gediend zullen zijn. Wij willen
opheldering en verantwoording van uw gehouden tale in de laatste
biddagpreek.

--Ik heb gesproken tot opwekking en stichting van de gemeente. De mensch
is een arme, ellendige zondaar, geneigd tot alle kwaad, en zoo hij
daarom dikwijls iets hooren moet wat zijn trots en eigenliefde kwetst,
het is het Woord des Heeren, dat wij niet mogen terughouden. Ik weet
niet met woorden iets misdreven te hebben,--sprak hij met den grootsten
eenvoud.

Het was behendig de zaak dus te draaien alsof hij niets buitengewoons
gezegd had.

Bickers voorhoofd fronste zich en de samengenepen lippen toonden de
ingehouden drift.

--Het is niet de eerste maal, Weleerwaarde, dat wij u hier spreken,
en wij kennen uwe procedures, die ons echter niet van den weg zullen
brengen. In tijden als deze, waarin liet gemeenebest van buiten in
oorlogen gewikkeld is, kan geen twiststoken van binnen geduld worden,
en zal men strengelijker te werk moeten gaan, dan men anders doen zou.

--De kommerlijke tijden, waarop gij doelt, zijn Gods vinger, die
waarschuwend dreigt; en het is de plicht van de dienaren des Woords,
dit der gemeente onder 't oog te brengen.

--Daarover willen wij niet twisten; de zaak is, dat burgemeesteren, zoo
zij besloten, u nogmaals over uwe heftige predikatiën te onderhouden,
tevens besloten met kracht en ernst daar een eind aan te maken, te meer
daar vroegere vermaningen zonder invloed zijn gebleven. Het is niet over
uwe prediking van Gods Woord, dat wij u willen spreken--maar over uwe
politieke bemoeiingen, en uwe beoordeeling van den magistraat.

--Als burgemeester Boom het mij vergunt, sprak Oetgens, eenige met
potlood geschrevene aanteekeningen voor zich nemende--zal ik de
geïncrimineerde uitdrukkingen ter sprake brengen.

De voorzitter knikte toestemmend.--Heer Adrianus Smoutius, vervolgde
Oetgens, wij wenschen de gehoudene predikatie aan ons overgeleverd te
zien, opdat wij haar nader kunnen onderzoeken.

--Het doet mij leed, zeide Smout, beleefd buigende en met een gebaar van
verontschuldiging,--dat ik hieraan niet voldoen kan; de kerkeraad heeft
daartoe geen verlof gegeven.

--Uwe weigering zal ons het recht niet uit de hand nemen, dat stuk te
beoordeelen.

--Het bleek nu wat burgemeesteren hadden zitten schrijven onder de
preek. De geschrevene aanteekeningen kwamen ter sprake. Smout aarzelde
eerst en draaide er omheen, doch eindelijk op den man af daartoe
opgeëischt, erkende hij, dat hij met de beroerders van Israël den
magistraat, met Rehabeam de burgemeesters bedoeld had. Nu zal men moeten
bekennen, dat het minder vleiend is openlijk een beroerder van Israël
genoemd en met een boozen koning vergeleken te worden; en, is het dus in
burgemeesteren te begrijpen, dat zij daarmede niet gediend waren, dan
strekt het hun tot lof, dat zij hem met gematigdheid vroegen of hij dan
niet op andere wijze zijn beklag had kunnen doen, en hoe hij meende te
kunnen verantwoorden, dat hij aan de gemeente aldus het recht tot
opstand predikte.

--De ergernis is publiek gegeven en moest ook publiek gestraft worden,
zeide Smout. Hij trad daarop in een lang betoog over den schutterseed,
over de Arminiaansche ketterijen, en sinds wanneer, vroeg hij, sinds
wanneer weigert men der kerk het recht om in kerkelijke zaken te
beslissen en over predikanten te oordeelen,--sinds wanneer zou een
predikant niet meer het recht hebben de gemeente te vermanen over hare
afdwalingen? De heer Oetgens vroeg, waarom ik niet elders beklag gedaan;
meent hij daarmede bij den prince? Dat is meermalen zonder vrucht
geschied--en het schijnt we, dat Zijne Doorluchtigheid ook in Amsterdam
niet alles kan of durft.

Dat was een stout woord. Der Amsterdamsche regeering--de kern dier
autocratische en oligarchische macht, die steeds rijzende was naar het
toppunt van schier onbeperkte heerschappij, en in wier hand de prediker
thans geheel was als een schaap onder de wolven--al konden de herders
het naderhand wreken--, aan die regeering in het aangezicht te durven
zeggen, gij, die mij van heerschzucht beschuldigt, gij ziet den balk in
uw eigen oog voorbij!

Een stout woord, en zoo dit uwe bedoeling geweest is, dan hebt gij, "de
hand in de tasse gestoken ende eenen steen daar uyt genomen, ende dien
geslingerd en getroffen den Philistijn in zijn voorhoofd."

Of het een schoen was, dien men zich aantrok, omdat hij scheen te
passen, dan wel of het alleen om de beleediging was, burgemeester Boom
zag den spreker strak in het gelaat en vorschte naar het doel. Dat
gelaat loog niet--het was rood, de grijze oogen schitterden onder de
gefronste wenkbrauwen. Boom richtte zich op in zijn armstoel, en de
saamgenepen hand wat zwaar op de tafel leggende, zeide hij langzaam:

--De heer Smout vergete zich niet--en bedenke, dat hij voor
burgemeesteren van Amsterdam staat.

Dat was zeker geene kleinigheid, en er was geen zweem van snorkerij in
deze woorden. Menig stout spreker zou hier wat ingebonden, menig hoofd
hier gebogen hebben. Burgemeesteren van Amsterdam--die heeren en
meesters van Amstels macht en rijkdom, die in de weegschaal tegen de
stadhouders zoo dikwijls de zwaarste bleken, die slechts de Staten boven
zich rekenden, wier besluiten zij toch zoo vaak verlamden, en die zoo
dikwijls tot de heerschzuchtigste willekeur vervielen; maar ook, men
moet het nooit vergeten, de mannen, die rusteloos den lande dienden,
mannen, die minder geleerd en welsprekend dan men er thans zoo velen
vindt, maar gewoon waren zelve, nú te velde, dán op de vloot, dán als
gezant of in de raadzaal, alles te gelijk te wezen, mannen van de pen,
van het woord en van het zwaard.

Het was een stout woord, Smoutius, en zoo wij u eene deugd moeten
toekennen, is het zeker die van onversaagd uwe meening te uiten. Maar
ook Smout stond niet alleen; mocht hier voor het oogenblik de kans niet
gelijkstaan, op den duur en op een anderen grond was zij dit wel, want
achter den eenvoudigen prediker stond de kerkeraad, maar vooral het
volk, dat zich laat opwinden en als werktuig gebruiken, en dan met
blinde kracht voortholt.

Belangrijk was het, die twee machten tegenover elkander te zien, de
wereldlijke en de geestelijke, de wet en de kerk, strijdende wie
heerschen zou.

Toen Smout bemerkte, dat het ernst werd, kwam hij met een voorslag aan;
de kerkeraad namelijk had twee predikanten willen afvaardigen om
burgemeesteren de bewijzen af te vragen, die zij tegen Smout hadden, en
hij betoogde weder, dat het alleen aan den kerkeraad stond in deze
geheel kerkelijke zaak te oordeelen.

Het was gedurende dit geheele onderhoud zijn streven, de kern der zaak
te ontwijken. De voorzittende burgemeester gaf hem dit duidelijk te
kennen.

--Noch de verbindbaarheid van den schutterseed, zeide hij,--noch de
strijd tusschen Dordt en de remonstrantsche sociëteit, noch het recht
der kerk om over hare predikanten te oordeelen, zijn punten in quaestie,
maar uwe politieke bemoeiingen en openlijke beoordeeling uit den
preekstoel van daden des magistraats. Daarom zullen wij niet dulden, dat
de zaak kerkelijk behandeld worde, maar ze _politiek_ behandelen en
zonder vorm van proces alle seditieuze predikatiën weren.

Daar dit zooveel gezegd was als:--wanneer wij het morgen goed vinden,
zetten wij u de stad uit, en het voorbeeld van collega Kloppenburg[3]
hem voor den geest kwam, meende Smout nog ééne poging te moeten wagen op
hun gemoed, daar hij tegen verstand en wil tevergeefs had gestreden.

--Ach, mijne heeren! zeide hij--komt nog tot bekeering, werpt u voor des
Heeren voeten, buigt u neder voor den Heere van Israël, gij zult het
moeten verantwoorden, zoo gij de ware religie in gevaar stelt,--doch de
hartstocht en het fanatisme, waarmede hij vasthield aan wat hij de goede
zaak meende, sleepten hem weder mede:--Gij zult de verdrukking der kerk
moeten verantwoorden, vervolgde hij scherper; denkt aan Jerobiam, als
hij de hand tegen den man Gods uitstrekte, zoo verdorde zijne hand:
--wat mij aangaat, ik zie wel, hier geen recht te zullen erlangen en dat
elders te moeten zoeken.

--Heer predikant, antwoordde Boom met kalmte en waardigheid, ook wij
hebben te verantwoorden--de rust van stad en gemeente. Elders recht
zoeken, zegt gij; bij wie? Meent gij, dat gij de zaak wederom op den
kansel zult brengen en het volk opruien? Dan weten burgemeesteren wat
hun te doen staat, en dan zullen zij het volk en de waarachtige religie
tegen dergelijke seditieuze procedures beschermen; het is niet voor
niets, dat nieuwe vendelen zijn ingenomen, en zoo het tot het ergste
komen en daarvan mocht gebruik gemaakt worden, burgemeesteren zullen
zich voor God en hun geweten kunnen verantwoorden.

--Uwe zaak zal in advies gehouden worden.

Het verhoor werd gesloten. Smout vertrok zooals hij gekomen was, en
terwijl burgemeesteren nog eene wijl "in het torentje" beraadslaagden,
werd de draad, waaraan het zwaard boven zijn hoofd hing, al dunner en
dunner.

NOOT:

[3] Vroeger om gelijke reden de stad uitgezet.

       *       *       *       *       *

DE VRUCHT DER PREDIKING.


                             En geen Monarch zoo gau
    Zijn heir brengt op de been, als wij het woeste graau
               Kalchas in Vondels _Palamedes_.

Welig opgeschoten onder de broeiende hitte van het steeds opwekkende
woord was het zaad rijkelijk voortgewassen en droeg weder vruchten
tienvoud en honderdvoud. Wat in de eerste jaren van 1600 een strijd was
geweest tusschen twee theologen, maar toen althans (voordat hij zich
over hunne leerlingen ging uitstrekken) binnen de wetenschap bleef, was
allengs van alle zijden in het leven ingedrongen en was ook onder het
volk geraakt met zijn nasleep van verblinden hartstocht en woeste
driften.

Evenals in het algemeen deze twist dier eeuw geen zuiver theologische
bleef, maar tevens een staatkundige was geworden, was dat ook onder het
volk. De handhaving van de ware religie was altijd de hefboom, en de
meest blootliggende reden, maar daaronder school voor de groote heeren,
de burgers en het gepeupel, naar ieders aard, een wereldscher inzicht.
Het volk had natuurlijk evenveel begrip van de stadhouderlijke en
staatsche politiek, als van Drebbels toen pas uitgevonden pepetuum
mobile: maar dat groote gemoedsleven, door geen verstandsleven verlicht,
wordt zoo gemakkelijk in beroering gebracht door eenige woorden, die het
nauw begrijpt. Vandaar dat er altijd zooveel gezeten burgers gevonden
werden onder het muitende gepeupel, dat alleen troebel water verlangde.

In eene der achterstraten in den omtrek van het noordelijk deel der
Prinsegracht, was eene herberg, _het Moriaentje_ genaamd naar een
beeldje, dat boven den luifel als uithangbord uitstak, en dat met de
traditioneel--nationale kenteekenen van zijn ras, zwarte bloote beenen
en armen, een koolzwart gezicht met dikke, roode lippen, veel wit in de
verbaasde oogen en een vederbos op het hoofd, was uitgedost. Deze
personage, zoo hij eenmaal in zijn vaderland gruwelen gezien had, zag er
thans niet minder, want zijn waard en meester kon zich beroemen het
beste bier en den besten sterken drank te schenken (welk een sarcastisch
woord is dat _schenken_!) aan het slechtste gespuis, dat er toen in
Amsterdam te vinden was.

Het Moriaentje was tegenwoordig eene politieke club; daar kwamen nu
gewoonlijk, behalve al die heidenen, die eene groote stad in de kelders
en zolders harer stegen bewaart, ook nog de helden en staatslui van de
kan en de kroes, en die ontevredenen, die zich van de troebelen iets
beloofden.

Onder die groepen, op de bierbank gezeten, was er eene van de anderen
eenigszins onderscheiden; te zeggen, dat die drie mannen van beter
gehalte waren dan de rest, is wellicht te gunstig gesproken; misschien
waren zij nog slechter dan de overigen, omdat zij beter hadden kunnen
zijn.

De een zag er half als een krijgsman, half als een burger uit; de breede
groef dwars over zijn bruin gezicht had hij zeker niet door de kan of
het mesje, maar op eerlijker wijze, wellicht onder Maurits in het open
veld opgeloopen; eenige zorg aan baard en knevel besteed, en een platte,
vrij zindelijke halskraag toonden, dat hij niet tot het laagste gemeen
behoorde. Half vrijbuiter, zooals de toenmalige soldaat was, kon hij
zich nu buiten dienst moeielijk rustig houden; even dapper als hij
dronk, schonk hij van het krasse bier aan zijne kameraads, waarvan de
een, een klein gezet kereltje, met een burgerlijk rood gezicht, en de
dichte kroeze door eene muts met eene haneveer gedekt, reeds vrij
opgewonden was. De derde had eene soort van deftigheid over zich,
daaruit voortspruitende, dat hij de geleerde van de bent was, en de man
ijverig in het besturen van geheime bijeenkomsten, in het opstellen en
doen onderteekenen van petities en dergelijke karreweitjes.

Deze drie personen genoten in dit gezelschap eenig aanzien en zaten ook
afzonderlijk. De vierde, die bij hen kwam, was een theologische
geestdrijver, lang en schonkerig, een groezelig gezicht vol schaduwen,
die men niet wist van waar zij kwamen, met dat leelijke soort van vel,
dat nooit schoon wordt, alsof er in plaats van bloed inkt in zijne
aderen zat en door het vel doorscheen.

Op het tijdstip, dat wij hen nu zien, waren de drukte en het rumoer op
het hoogst gestegen. De laatst binnengekomene, met het vuile gezicht,
had onder die groepen in het voorbijgaan eenige woorden
gestrooid--vonken in het buskruid.

--Wat is er aan de hand? vroeg hem de eerste van de drie personen, die
wij meer bijzonder beschouwden.

--Er is sprake, hoe die Arminiaansche Belialskinderen weer aan den gang
zijn, antwoordde de toegesprokene, zij houden eene groote bijeenkomst
van avond.

--Naar den Satan met de Arminianen! klonk het onder de menigte.

--Sint Velten schen ze! zij hebben eergisteren ook al gepreekt; zij
komen van avond weer bijeen.

--Bisschop is in de stad gezien; die komt ze weer opruien.

--Waar--waar komen ze van avond?

--Bij Joris Klaaszoon. Jaagt ze uiteen!

Dat kruiste elkander uit dertig monden.

--Wat voert de magistraat uit, als hij dit niet belet bulderde onze
gewezen soldaat.

--Steek me de moord! riep het driftige, kleine kereltje met de haneveer,
opstaande en zijn kroes zwaaiende,--dan moeten wij er tusschen komen, als
de magistraat het niet doet! Er uit mannen, jaagt het paapsche koventikel
uiteen!

--Wat zou de magistraat doen? vroeg de politieke zendeling,--de
magistraat is zelf Arminiaansch.

--Hoezee! klonk het, juist gesproken, leve Meester Jansen!

De geleerde voelde zich daardoor aangespoord om nog een woordje te
zeggen, en hij ging, op de bank staande, eene redevoering houden.

--Wat moet er met den paapschen magistraat gedaan? Hem dwingen, de
goeden te beschermen tegen de Arminiaansche scheurmakers--of anders hem
zelf wegjagen....

--Er is geen heil meer, bromde de sombere stem van het vuile gezicht er
tusschen, dan voor libertijnen en ongodisten; "Maranatha!"

--Weet gij wat het drijven der regeering is? sprak de andere door. Zij
heulen met den Spanjaard, om het volk weer paapsch te maken; daarom
willen zij den prins ook weghebben....

--Altijd beter een prins in de verte dan burgemeesters dichtbij! riep de
opgewonden kroeskop.

De redenaar gaf hem een trap om deze onvoorzichtige woorden, die het
publiek, meer dan noodig was, in hun kaart liet kijken.

--Wat heb jij op den prins! riep de soldaat, uit een oud zwak, tegen
zijn al te democratischen makker;--leve de oude tijd,

     Toen mijnheer de Prins
     Gommers zijd' die boven hing
     Troostte met zijn stalen kling.

--Leve de stalen kling, dat is de beste bezem om ze van 't kussen te
vegen!

--Wee wee, wee over de boozen, die heulen met den Satan, die het ware
geloove vervolgen; zij zullen uitgeroeid worden die hoereeren met de
Baälim! klonk weer de sombere tusschenzang, die zich telkens te midden
van het gekrijsch der andere stemmen liet hooren.

--Houd op met dat uilengekras! riep de woelige en verhitte kroeskop
tegen den viezen boetprediker, die hem bijzonder, begon te
vervelen,--houd op, dat is alles mooi en wel; maar hier zitten wij onder
ons, en weten wel beter; we hebben die vroomheid niet van noode; hei,
licht liever de kan eens op, hoezee! Leeg ze op den stalen bezem--kling
meen ik,--hoezee! nog eens, zwarte raaf! omhoog met de kan en giet haar
in je rechtzinnigen gorgel op het lange leven van alle vroolijke hanzen
en de eeuwige verdoemenis van alle krassende uilen--zooals jij!

De ruwe luidruchtigheid van dezen oproermaker had een troep der
aanwezigen om hem verzameld; de dweper, zooals hij daar zat, met den
breedgeranden hoed, waaronder nooit de heldere zon hem in de oogen kon
schijnen, somber door de vuile kleur van geheel zijn gedaante, en
stokstijf door een ruggegraat, die in plaats van uit wervels uit één
stuk gemaakt scheen, leverde een potsierlijke vertooning op bij den
andere, die hem de kannen biers deed inzwelgen, den hoed nog dieper in
de oogen sloeg en hem eindelijk omhelsde.

Terwijl de wijsheid bij de mannen in omgekeerde evenredigheid stond met
het ledigen van de kannen, bracht dit tooneel niet weinig bij om de
woeste opgewondenheid hooger te doen stijgen.

Wij zullen het vuur laten voortsmeulen; wij hebben nog maar den rook
gezien, straks zal de vlam met lichterlaaie uitslaan.

De zon, veer de huizen in de straten reeds ondergegaan achter de
woningen der overzijde, verlichtte nog de toppen der westelijke
geveltoppen en verguldde de ruitjes der bovenvensters.

De burgers, die na het eind van het dagwerk, rust van den arbeid, of
verademing van de warmte binnenshuis, in den koelen dampkring daar
buiten zochten, en die, onder den luifel op de bank, de nieuwtjes
bepraatten, welke de laatste _loopmaren_ of _courante novellen_ hadden
medegedeeld over de vorderingen van den prins voor Den Bosch, maar
helaas ook over de dreigende nadering van den keizerlijken en Spaanschen
vijand in het land, begonnen zich weldra over ongewone beweging en
rumoer te verwonderen onder eenige horden volks, die hen voorbijtrokken.
Als een loopend vuur ging het al ras rond, dat het volk op de been
raakte om eene Arminiaansche vergadering uiteen te drijven. Het leed dan
ook niet lang of de kleine kern, die wij zich hebben zien vormen, dijde
tot eene van alle zijden aanwassende volksmassa uit. Elke steeg, die zij
doorkwam, leverde nieuwen aanwas, en al wat zich op straat bevond voegde
zich er bij, gedreven door die onweerstaanbare kracht van aantrekking en
opwinding, die elke oploop voor het volk bezit en waardoor zoovele
beteren met het gespuis worden mede gesleept. Aan het eind van een paar
lange straten gekomen, steeg de menigte de Prinsegracht op, en hield
daar weldra stil voor een huis van vrij aanzienlijke gedaante, waar
Joris Klaasz., de verdachte, woonde.

--Hier zijn de Arminianen! krijschten de stemmen, hier zijn zij ter
preek!

--Er in mannen, valt aan! slaat dood! trapt de deur in! rijt luiken
open!

Een aantal vuisten rammeide op deuren en vensters, terwijl men
schreeuwde om den huisheer. Er verliep eenige tijd, waarna een der
bovenvensters geopend werd en Joris Klaasz. de onstuimige menigte tot
stilte wenkte, die zich als eene golvende watermassa beneden hem bewoog.

--Hier ben ik mannen--wat wilt gij van mij?--wat heb ik ulieden misdaan?

--Lever den Arminiaanschen prediker uit! riepen een paar stemmen.--Neen,
klonk het van eene andere zijde, dat is niet genoeg, laat ons binnen--er
wordt hier gepreekt--wij moeten ook wat van de mis hebben!--de deur open
of je huid is er mee gemoeid!

--Gij bedriegt u, goede vrienden--men bedriegt u;--er wordt hier niet
gepreekt--er is hier geen Arminiaansche vergadering.

--Dat lieg je--de deur open--of het gaat in brand!

--Welaan, dat twee of drie van u hier komen--die kunnen zien....

Een steen zwierde door de lucht en rukte, de ruit des vensters
doorvliegend, den burger de muts van het hoofd. Toen sleet hij het luik,
twijfelend wat te doen. Een oogenblik later stoof hij de trap af, naar
de binnenkamer; grooter schrik nog, dan de aanval verwekt had, joeg hij
zijne vrouw aan, toen hij het boven de schouw hangende geladen roer
afnam. Hij had besloten zich te verdedigen; de luiken waren stevig, de
deur was goed voorzien van klink en ketting, en hij kon het uithouden
tot wellicht de schout of een korporaalschap der bezetting zou opdagen.
Zoo stond hij in het voorhuis, de wakkere burger, de kogeltasch om de
schouders en leunende op het lange roer, gereed den eerste, die de
schendende hand aan zijn huis zou slaan, door het raam neer te
schieten,--zoo stond hij als tegenover een vreemden vijand, als in een
bolwerk of walgang. Doch wat hij niet zoo spoedig gewacht had gebeurde;
met een langen balk door het muitende gespuis ingeramd, splinterde de
deur en bezweek ten halve. Toen bemerkte hij door het half geopende
paneel, dat hij weinig kans had zich tegen de woedende gezichten, die
hij ontdekte, te verdedigen. Hij wierp zijn musket op den grond, want
hij dacht om de zijnen; naar het achterhuis te vliegen, vrouw en
kinderen den tuin in te drijven en over den muur bij een buurman te
redden--dat was de oogenblikkelijke uitvoering van een kort beraad, en
werd hem nog vergund door de belemmering, die de half ingevallen deur
den binnendringenden aanbood.

Toen het grauw binnen was, vond het geen Arminianen, geen predikant,
geen kettersche vergadering,--niets dan een verlaten huis. Het was nog
bezig met de meubelen uit de ramen te werpen, blinden en vensters af te
rukken, ja zelfs tot van het dak pannen en sparren naar beneden te
slingeren, toen eindelijk eenig krijgsvolk aanrukte. De schout was al
eens komen kijken, maar op zichzelven niets kunnende doen, weder
vertrokken, en het had lang opgehouden, eer men overeengekomen was een
korporaalschap musketiers van de bezetting, of wat ruiters van de wacht
te doen oprukken, want zooals men eenerzijds machten had, die telkens in
elkander ingrepen, was er ook somtijds weder zulk eene vrees voor de
grenzen van elks gezag, dat men in het geheel niet handelde.

Zoo onze aandacht niet geheel op het huis gevestigd ware geweest, hadden
wij aan den zoom der tierende volksmenigte een jongen man kunnen
opmerken, die er naar scheen te kijken en tevens geheel in de
beschouwing verzonken was. Die in zijn binnenste had kunnen lezen, zou
er een vergeten van het gruwelijke van het feit, en eene zonderlinge
soort van welgevallen in die beweging, in die koppen en figuren vol
hartstochtelijke uitdrukking, in die door elkander woelende groepen
hebben opgemerkt. Door een gedrang om zich heen werd hij uit zijne
studie gerukt. Er was een bejaard man, reeds grijs van haren, en met een
wijden tabberd met bonten zoom, als beschutting tegen de avondkoelte,
gekleed, dien eenigen uit den hoop bezig waren te beleedigen. De
krijschende stem van een woest wijf had geroepen:--ik ken hem, hij is
ook al van 't hondje gebeten! En--een kettersch predikant, dat liep als
een vuurtje rond. Men trok hem reeds bij den tabberd, toen de jonge man
hem onder den arm vatte en het wijf ter zijde duwde.

--Weg! riep hij. Die man is zoo rechtzinnig als Smout--of als jij en ik,
liet hij er op volgen, terwijl de knevel den sarcastischen trek om zijn
mond bedekte,--op zij!

Of men opzag tegen de forsche en breede gestalte, het scherpe en vaste
oog, en de fiksche vuist, die uit de mouw van het wambuis stak, of dat
men door een vernieuwd getier aan de zijde van het geplunderd wordende
huis word afgetrokken, toen--hij zich met den linkerarm ruim baan maakte
en met den rechter--den andere medevoerde, zeker was er niemand, die
zich daartegen kantte.

--Gij hebt een goed werk gedaan, God loone u! zeide de oudste, onder het
voortgaan, kent ge mij?

--Neen, was het antwoord.

--Ik heet Sylvius, predikant alhier. De jongeling lichtte den hoed even
van het hoofd.

--Geen dank, heer Sylvius, wat ik deed is niet meer dan natuurlijk.

--Woont gij hier? Wie zijt gij?

--Ik woon niet hier--doch hoop dit met het volgende jaar te doen.
Vaarwel, heer Sylvius, daar ginder ligt de schuit, ik moet naar Leiden.

--Kom bij mij, zoo gij hier wederkeert, zeg mij toch uw naam.

--Rembrandt van Rhijn, zeide de andere, de hand ten afscheid schuddende
en den hoed afnemende.

Ziehier wellicht de eerste aanleiding tot hunne kennismaking: toen de
schilder in 1630 zich te Amsterdam gevestigd had, leed het niet lang of
hij vond bij dien predikant zijne Saskia van Uylenburgh, het zusterskind
van Sylvius' vrouw.

       *       *       *       *       *

Doch zoo wij u naar die trekschuit leidden, het was niet om er Rembrandt
te zien instappen, maar om er u den weg te wijzen.

Wij moeten den 8sten Januari van het volgende jaar, 1630, weder naar
dit veer, om er weder eene trekschuit te zien afvaren. Het is nacht,
maar men kan toch zien, dat er dichte groepen van nieuwsgierigen staan,
die zich hierheen begeven hebben. Er wordt daaronder op velerlei wijze
gedacht en gemompeld over het gebeurde.

Dat gebeurde, het was dat de kerkeraad op aanvraag der regeering
geweigerd had iets tegen Smout en de zijnen te doen; dat deze nog eens
bij burgemeesteren ontboden was, omdat hij, wel verre van zich in te
toomen, had verkondigd vroeger algemeen gesproken te hebben, doch nu
bijzonderlijk te zullen spreken, van inquisitie en persecutie had
gewaagd en gezegd had: gij geveinsden werpt den balk uit uw oog, gij,
die de religie onderdrukt;--het was, dat burgemeesteren weer vergeefs
wachtten, dat de kerkeraad daartegen iets deed; het was eindelijk, dat
burgemeesteren, met advies der vroedschap, besloten de zaak nu ten leste
politiek, dat is buiten vorm van proces af te doen.

       *       *       *       *       *

Het is ten gevolge van dit alles, dat in den nacht van 8 Januari de
woelgeest, dien wij kennen, te midden van de nieuwsgierigen doorgaat, en
in de schuit stapt om daarmede de stad te verlaten.

Dat hij dit zoo gedwee doet, het komt daarvan, dat de dunne draad,
waaraan boven zijn hoofd het zwaard hing, gebroken was, en hij een
papier in den zak draagt van dezen inhoud:

       *       *       *       *       *

Burgemeesters ende Regheerders der Stadt Amsterdam belasten D. Adriaen
Smout, om redenen, op morghen voor 't ondergaen van de Sonne, de Stadt
en de Vryheydt van dien te ruimen, sonder daer weder in te komen, op
pene indien hy voor de voorsz. tydt niet en vertreckt, van door den
Heere Officier daer uitgeleyt te worden. Actum den Sevenden January 1630.

                                               Ter ord. van haer E.E.
                                                    D. MOSTART.


       *       *       *       *       *


BLADEN UIT EEN LEVENSBOEK.


Het leven is al zoo dikwijls bij een boek vergeleken, dat het mij
verwondert die vergelijking zelfs in de verte nog te durven aanroeren.

Maar als het leven een boek is, dan is het een boek, dat de meeste
menschen niet lezen. Men moet ook bekennen, dat vele van die boeken het
lezen, ja zelfs het opensnijden nauwelijks waard zijn. De meesten kennen
noch het levensboek van anderen, noch zelfs hun eigen. Dit laatste
leggen zij achteloos ter zijde, of zetten het netjes ingebonden in eene
pronkkast; somtijds zien zij naar den rug en titel, maar zelden in de
bladen. Ik voor mij, als alle boeken, heb ik ook die levensboeken lief;
het is mij een genot te bladeren zoowel in het mijne, als in dat van
anderen. En als ik dan soms een prentje ontmoet, of eene plaats, die mij
doet lachen of weenen, leg ik daar een vouwtje bij en laat ze wel eens
aan anderen kijken.

Zoo gaat het ook nu.

Ik neem mijn levensboek van een der boekenplanken af en blader daarin.
Het is een tamelijk groot boek en nauwelijks een derde is met letters
gevuld. Zal de beschrijving hier gestaakt worden en zullen de overige
vellen wit blijven?--Of zal het aan dit boek vergund worden, zijne
geschiedenis ten einde te zien brengen?

--Weet ik het? zegt een lezer, _passons outre_.

Welnu, het is dan in de eerste bladen, dat mijne vingers en oogen thans
dwalen, en mijn geest, daardoor geleid, doet een terugblik naar de
vervlogene jaren.

Met al zijne verbazende en onnaspeurlijke verscheidenheid heeft de
geschiedenis van het menschelijk hart zooveel, dat van algemeenen aard
is; er is zooveel in, dat alle menschen met elkander, al is het dan in
verschillende maten en schakeeringen, gemeen hebben, dat, hoe
verscheiden de vormen en het bijwerk zijn van al die levenstoestanden en
gemoedsontwikkelingen, het _wezen_ daarvan voor vele duizenden hetzelfde
blijft, en vele duizenden in het leven van éénen trekken uit hun eigen
leven terugvinden. Ik zal er mij daarom niet over verontschuldigen,
indien ik u met mij zelven en die eerste bladen uit mijn levensboek ga
bezighouden. Misschien toch ziet gij er op sommige plaatsen u zelven als
in een spiegel weder, en hoe streelend en aangenaam het is, zich in een
spiegel te beschouwen, bewijst de eer, waarin dat meubel bij wilden en
beschaafden gehouden wordt.

Het is geen opvolgend en volledig levensverhaal, dat gij moet
verwachten, het zijn slechts bladen, die ik u laat kijken, zooals zij,
een voor een of bij meerdere te gelijk omgeslagen, zich aan ons
voordoen. Hoe zou ik ze u ook alle kunnen laten lezen? De eerste
bladzijden zijn maar met hanepooten gevuld, van de overige zijn er daar
de inktkoker over is gevallen, sommige zijn er uit gescheurd; ook zijn
er, die ik getracht heb uit te wisschen, maar die telkens weer opkomen,
als een oude vlek op een kleed; andere weder zijn te zeer in
overstelpend geluk en verheffing geschreven, om niet bespot te worden in
de dagelijksche wereld, want het staat zoo dom, gevoel te hebben, en het
is alleronfatsoenlijkst het te toonen. Ook zijn er, die nauwelijks
leesbaar zijn, omdat zij in duisternis of op reis, of op mijne knie, of
in het geheel niet geschreven werden.

Stelt u voor, dat ik in dat dikke boek zit te bladeren, en u de bladen
voorlees, als ik ze bij een of twee, drie, vier en meer te gelijk
omsla.... Gij krijgt daardoor als eene bloemlezing uit het boek: Het is
waar, gij krijgt op die wijze niet _alles_ te weten, maar....

Deze manier heeft het groote voordeel, dat de nieuwsgierigheid wel
geprikkeld, maar niet oververzadigd wordt.

En vervolgens heb ik zoodoende eene waarschuwing van Voltaire in acht.
genomen:

_Le secret d'être ennuyeux c'est de tout dire._

Ik heb vóór mijne geboorte zoo ontzettend veel beweging en opschudding
gemaakt in de wereld, dat ik er bijna aan wanhoop, ooit meer zoo
gewichtig op deze aarde te zullen worden, als toen ik er nog niet op
was. Op die wijze en met de jaren _sempre crescendo_ voortgaande, had ik
op zijn minst een schok en omkeering als Mohammed, Alexander, Napoleon,
Karel de Groote, Luther, Confucius of de typographie moeten
teweegbrengen.

Waarlijk het eerste woord, dat ik kon spreken, had wel een woord van
verontschuldiging mogen zijn aan al de lieden, die ik zoo in beweging
gehouden en naar mijne pijpen heb laten dansen.

Zoo heb ik maanden lang mijne gansche familie in rep en roer gebracht;
tantes en nichten aan het werk gesteld; betreffende het peterschap de
moeilijkste strijdvragen veroorzaakt; de medische faculteit en het gilde
der bakers onder de wapenen gebracht; een tal van nieuwe goederen en
meubelstukken te mijnen behoeve doen aanschaffen; en nu zal ik maar
zwijgen van al de physische en metaphysische redeneeringen, waartoe ik
aanleiding gaf, door vrouwelijke deskundigen met mijne moeder of onder
elkaar over mij gehouden, over het vraagstuk of ik een meisje zou zijn
dan wel een jongen, en dergelijke.

Het geheele huis werd het onderstboven gekeerd, geen kamer bijna, die
hare oorspronkelijke bestemming of schikking behield; ja, op het laatst
heb ik zelfs mijn vader, om voor een vreemde persoon plaats te maken,
gejaagd uit het bed, waar hij volgens burgerlijk en natuurlijk recht,
ja, volgens Indisch, Mohammedaansch, Egyptisch, Israëlietisch,
Hottentotsch, Kaffersch, Kamschatdaalsch, Mongoolsch, Hunsch, Romeinsch,
middeleeuwsch en nieuw recht, de bevoegdheid had, zijn hoofd ter ruste
te leggen, en naar eene akelige, holle kamer aan het eind, van het huis
gezonden om daar alleen te slapen en te peinzen over de gezelligheid van
den huwelijken staat. Maar alsof dit alles nog niet genoeg ware--er was
geen tak van menschelijke kennis en wetenschap, dien ik, ofschoon nog
ongeboren, niet in werking bracht; het waren genealogische nasporingen
en onderzoekingen voor het bepalen van mijne namen, het was
opvoedkundige geleerdheid door mijne moeder te bestudeeren, burgerlijk
recht en usantiën in acht te nemen en letterkunde voor de advertentiën
en de brieven, alle mogelijke en al of niet te voorziene gevallen der
_ars medica_ te bepeinzen; metaphysische, phychologische (de
odontologische kwamen er naderhand ook nog bij) incidenten, te
behandelen; ja, eindelijk deed ik zelfs chronographische en
astronomische quaestiën, en daarbij de systema's van Julius Caesar en
Sosigenes, van Gregorius XIII en Ludovico Lilio weer wakker worden,
doordat ik ter wereld kwam in een schrikkeljaar, op den 29sten
Februari.

Wat eene geleerdheid voor een kind, dat nog niet geboren is! en wat is
Baco, hierbij vergeleken; Baco, die alle takken van menschelijke
wijsheid omvatte!

Ik zou haast vergeten te melden, dat ik mijn vader in gevaar bracht eene
lastige boete te beloopen, daar hij bijna vergat mij bij den
burgerlijken stand aan te geven.

--Te duivel! zei dokter Vijzel, toen ik geboren was, het deksel zijner
snuifdoos met kracht toeslaande,--door welke daad hij aan zijne redenen
klem placht bij te zetten,--het verwondert mij niet, dat het kind
niemand durft aanzien, en wel mag het zich schamen negen maanden lang
zooveel opschudding gemaakt te hebben!

--Atsjiaaaah! zeide ik, zoodra ik ter wereld kwam. Het is
allerbelangrijkst te weten, wat bij het binnentreden in dit
ondermaansche de meeningen, gewaarwordingen en gezegden der menschen
geweest zijn, omdat dit de eenige gelegenheid is, waarbij zij een
onpartijdig oordeel kunnen vellen en den juisten indruk mededeelen, dien
de wereld op hen maakt!

Later komen vooroordeel, gewoonten, partijzucht, systeem en allerlei
andere agentia dit oordeel verwarren of vermommen; maar die eerste kreet
is het onvervalschte gevoelen van den nieuweling.

De geschiedenis en de overlevering, die altijd grillig zijn in hetgeen
zij mededeelen en verzwijgen, hebben dit slechts van enkelen
bekendgemaakt.

Van Gargantua vertellen zij, dat bij zijne komst ter wereld zijn eerste
kreet was: _à boire, à boire, à boire!_

Zoroaster barstte terstond in lachen uit.

Bilderdijk begon met zijne baker in haar mond te....

Van de Grieksche kinderen is het bekend, dat zij al dadelijk
[Grieks:_mê, mê, mê_], riepen, dat is: neen, neen, neen!

Ik ben blijde, dat de overlevering van mij heeft medegedeeld, dat ik
mijn allereerste verschijnen niesde en atsjiaaaah! zeide.

Wij kunnen hieruit opmaken, dat de wereld zich aan Gargantua voordeed
als zeer zintuigprikkelend. Aan Zoroasters geest schijnt zij zich als
iets ijdels en bespottelijks vertoond te hebben, terwijl Bilderdijk het
al dadelijk een eerste vereischte in de wereld scheen te vinden, den
menschen, al was het dan ook niet op de zachtste en aangenaamste wijze,
den mond te stoppen.

Wat de Grieksche kinderen aangaat, het is duidelijk, dat zij door hunne
negatieve uitdrukking een tegenwicht wilden geven aan het positieve, dat
zij er te veel in vonden. Het oordeel over de wereld, dat in mijne
ontboezeming lag....

Maar als ik nu al dadelijk ging meedeelen, wat mijn oordeel over de
wereld was, wie zou de moeite nemen de volgende bladen te lezen?

Evenals alle merkwaardige mannen, die hunne levensbeschrijving gemaakt
hebben, ben ook ik eerst geboren en klein geweest. Het is zeer
streelend, alzoo drie dingen met merkwaardige mannen gemeen te hebben,
en ik maak hieruit op--er worden dagelijks wel zottere gevolgtrekkingen
gemaakt--dat ik dus ook een merkwaardig man ben. En mocht er iemand
zijn, die mij dit zou willen tegenspreken--welnu dan betuig ik, dat ik
van plan ben, het zeer spoedig te worden.

Met dit te zeggen, wil ik al dadelijk toonen, dat ik ook versierd
ben--enkele oude kniesooren zouden zeggen _besmet_--met die
prijzenswaardige oprechtheid en dat gevoel van eigenwaarde, welke de
menschen bezielen en waarmede zij, aan hunne eigene bekwaamheden en
uitstekendheid de verschuldigde hulde doende,--omdat niemand anders dit
doet, zeggen weer de oude kniesooren--niet nalaten zich openlijk aan te
prijzen,--als koopwaar, zouden de kniesooren al weder aanmerken.

En ik ben ook verplicht, de lezers dezer bladen hieromtrent dadelijk
gerust te stellen, want waarom zouden zij zich bezighouden met iemand,
van wien zij vooruit wisten, dat hij niet merkwaardig is?

Mijnheer Tjilp en dokter Vijzel hebben ook altijd gezegd, dat er veel in
mij zat.

Nu zullen misschien menschen, die mijnheer Tjilp en dokter Vijzel niet
eens kennen, zeggen, dat dit niets bewijst; of menschen, die mijnheer
Tjilp en dokter Vijzel wel kennen, beweren, dat het van den eerste
goedaardige beleefdheid en van den ander een grillig idee was--want
dokter Vijzel zat vol grillige ideeën. Maar ik geef u de verzekering,
dat mijnheer Tjilp en dokter Vijzel de waarheid spreken.

--Neen, die eigenwaan is al te erg, zei mijnheer Tjilp....

Mijnheer Tjilp--een vriend van mij, waarde lezer! Ik heb de eer, hem u
voor te stellen. Onder ons gezegd, ik durf bij u maar half met hem voor
den dag komen, want hij is volstrekt geen merkwaardig man, en hij is
mijn nederige onderwijzer op de viool,--en, en ... hij ziet er soms maar
heel raar en kaal in de kleeren uit.

--Waarom te erg? vroeg ik, hem dit blad voorgelezen hebbende.

--Neen jongen! neen, zei de man zich ergerende, het is niet goed, wees
nederig....

--Mijnheer Tjilp....

--Neen, jongen! laat het anderen over ons te prijzen, als er iets te
prijzen valt; die van zichzelven met zooveel eigenwaan spreekt, is een
gek, zeg ik....

--Mijnheer Tjilp....

--Is een, gek, zeg ik, men moet....

Maar terwijl ik het uitschater om het zotte _quiproquo_, waarbij
mijnheer Tjilp zichzelf voor een gek verklaarde, houdt mijnheer Tjilp
voet bij stuk.

--Men moet....

--Mijnheer Tjilp, zei ik, eindelijk aan het woord komende, en hem met
een knipoog wenkende:--gij weet immers, dat men de waar koopt naar het
uithangbord; als het uithangbord nederig is, gelooft men, dat de waar
niet deugt: er moeten trompetten en vlaggen bij, men moet uitroepen met
prijzenswaardige oprechtheid: ik ben de man, die het land zal redden! ik
ben een groot dichter! ik ben een uitstekend humorist! ik ben verbazend
geleerd! ik ben een hoogst merkwaardig man!--Het is waar, gij kunt dat
ook laten, maar zonder dat _trumpetting oneself_, is er ook geen
sterveling, die u voor een groot dichter, een verbazend geleerde, een
hoogst merkwaardig man zal houden; en daarom ... u begrijpt mij?

Mijnheer Tjilp schudde toch bedenkelijk en ontevreden het hoofd.

       *       *       *       *       *

Maar om tot mijn begin terug te komen,--ik ben dan eens geboren en eens
klein geweest.

Wanneer ik geboren werd doet er niet toe; hoe klein ik was, weet ik
niet. Behalve dit, weet ik weinig uit mijne piepjonge jaren mede te
deelen, dan twee, door bakerstraditie, in de familie bewaard gebleven
voorvallen.

Het eerste was, dat ik eens eene kapel voorbij het venster ziende
fladderen, het glas in stukken sloeg om het mooie beest te vangen.

Het tweede gebeurde, toen, op een avond in onze woonkamer, mijn vader
met eene menigte boeken voor zich zat, en mijne moeder naast hem met een
kind op haar schoot, voor wiens hoofd zij eene muts gereed hield. Zij
streek met de hand door de witte, zijdeachtige haren van het kind.

--Het is verwonderlijk, zeide zij, eene opmerking willende beginnen over
de haren van het kind.

--Ja, het is verwonderlijk, viel haar man haar in de rede, die lang--met
afgetrokkenheid het kind had zitten aanstaren,--het is verwonderlijk,
als men bedenkt, wat al ontwikkeling dat kleine hoofd moet ondergaan!
Verbazend, als men bedenkt, wat dat kleine hoofd zal moeten opnemen en
bevatten van dien ontzettenden voorraad van wijsheid, dien de menschen
in boeken hebben neergelegd! Begrijpt gij iets van de elasticiteit der
hersenen?

--Ik geloof, dat het beste is, de keelbandjes wat ruimer te make dan zal
de muts er niet aan hinderen, zeide mevrouw Van N.----

Krak zei de pijp van mijnheer Van N.---- toen door het plotseling
afbreken van den draad zijner gedachten, de schok, die de werking der
hersenen deed ophouden, zich van daar langs de spieren van den hals, den
schouder, den arm en de handpalm verbreidde, door de vingerspieren de
vingers zich om den dunnen steel deed samentrekken en eene gelijke
werking, als in het spiritueele had plaats gehad, overbracht op het
stoffelijke.

--Wat al gedachten, zei mijnheer Van N.---- eene nieuwe pijp genomen en
den afgebroken draad weder opgevat hebbende,--wat al gedachten dringen
zich op bij de beschouwing van kinderen! Belangrijke kiemen, die eene
ontzettende som van nog verborgen en sluimerende krachten inhouden,
waardoor al wat op of in de aarde is zal bewogen worden! Kind,
verwonderlijke microcosmos, klein wicht, wat zult gij worden?

--Ingeënt zal hij worden, zeide mevrouw, morgen zal hij ingeënt worden.

Op dit oogenblik--de overleveringen zijn daaromtrent eenstemmig--schoof
ik zeer kalm een schoteltje met eten, dat voor mij stond, met den eenen
arm van de tafel af, en, terwijl er op het rinkelende geluid der
gevallen scherven, bij mijn mond eene spierbeweging plaats greep, die
mijne beleefde vrienden een lach noemden en waarvoor zij het geheele
schoteltje vergaten, word ik gezegd met de andere hand den glimmenden
heel--lederen band van een naast mijn vader liggenden kwartijn gestreeld
te hebben, daarbij zeer duidelijk "da" zeggende.

Dat dit woord "da" in de kindertaal beteekent: "_Ik wil dat boek
hebben_", daaromtrent is noch toen, noch nu, in mijne familie eenige
twijfel geweest. Het was bij deze gelegenheid, dat mijnheer Tjilp en
dokter Vijzel zeiden, dat er veel in mij zat, en dat mijn vader,
voorspellende, dat ik aanleg had voor geleerdheid, mij het boek
toeschoof, en, de kap der lamp wat doende zakken, omdat er iets
prikkelde in zijn oog, mij kuste.

       *       *       *       *       *

Of reeds op zulk een vroeg tijdstip, als hier vermeld is, de liefde voor
boeken in mij wakker was, zal ik niet beslissen, maar zeker is het, dat
eenige jaren daarna, toen ik een knaap was, de bibliotheek van mijn
vader mij het genoeglijkste plekje van het geheele huis was.

De bibliotheek van mijn vader was de wonderlijkste kamer in het huis.
Zij was een groot vierkant vertrek, dat zulk eene onbegrijpelijke
hardnekkigheid had van nooit recht netjes opgeredderd te kunnen of te
willen worden, dat het de wanhoop van mevrouw Van N.---- uitmaakte. Er
is een tooververhaal, waarin een boek voorkomt, waarvan de bladen, hoe
dikwijls er uit gescheurd, met verdubbelde kracht en in ontelbare
menigte telkens aangroeien; eene dergelijke kracht moet die kamer
bezeten hebben; want hoe ook schoongemaakt en opgeredderd, binnen een
halven dag was alles weer overhoop en vol met papieren en boeken: het
scheen eene ongeneeslijke kwaal van die kamer te zijn.

De bibliotheek was een groot vierkant vertrek op den tuin uitziende: een
zware iepeboom, die vlak voor de ramen stond, maakte, dat maat weinig
van het zonlicht de vensters kon bereiken, en daar worden dan nog die
enkele lichtstralen, nadat zij zich door de dichte bladeren heen een weg
hadden gebaand, door de ontelbare latjes der kleine ruiten zeer
bemoeilijkt in het binnentreden.

Het was er bij gevolg niet altijd licht genoeg om in den versten hoek te
kunnen zien, en er school dus in die hoeken eene zekere
geheimzinnigheid, die maar zelden door licht werd opgeheven. Door den
zonderlingen smaak van een vroegeren eigenaar, was de verf van
beschotten en zolderingen een vaal steenrood. Er hingen enkele
portretten, die mijne moeder te leelijk of te vuil vond om ze bij de
andere in de woonkamer te gedoogen, en die, sinds jaren aan die
schemering gewoon, zeker pijnlijk met de oogen geknipt zouden hebben,
als zij opeens in het volle daglicht waren geplaatst. Verder waren de
wanden, voor zoover er plaats was tusschen en boven de kasten, met
eenige schilderijen en gegraveerde af beeldingen van beroemde personen
behangen, wier koppen voor mensch- en zielkundige studie belangrijk
waren. In het midden stond eene groote tafel met platen en kaarten en
oudheden, daar achter eene aard- en hemelglobe, boven de kasten
pleisterafgietsels van beroemde antieken, bij de ramen een paar oude met
groen laken bekleede schrijftafels, met duizenden papieren en boeken
overdekt, en in de rondte was alles verder boeken, boeken, boeken.

Het was duidelijk, dat de bewoner iemand was van veelzijdige studie en
onderzoek, wien _omne quod ad humanitatem pertinet_ belang inboezemde.
Het was ook bij den eersten aanblik van deze kamer zichtbaar, dat de
heer Van Nijwoude een man was, die weinig hield van uiterlijken sier,
maar gehecht aan het oude en eenvoudige. Hij beminde zijne oude
meubelen, deels omdat zij hem lang gediend hadden en hij met hen oud was
geworden, deels omdat zij herinneringen aan zich hadden van zijn gansche
leven. Die gehechtheid strekte zich zelfs uit tot allerlei kleinigheden,
of tot wat mevrouw Van Nijwoude "_oude prullen en lorren_" geliefde te
noemen, en het was hem een weemoedig gevoel, als hij van eenig oud en
dierbaar, hem gewoon geworden stuk, moest afstand doen. Ik heb zelden
gezien, dat vrouwen dezen trek bezaten. Kan dit psychologisch
verschijnsel misschien daaruit verklaard worden, dat de vrouw een meer
practischen en minder bespiegelenden geest heeft? Dat het positieve en
het tegenwoordige sterker op haar werken dan de poëzie van het
verledene, en dat zij dus meer liefde heeft voor het heldere heden dan
voor het schemerachtige verleden?

Hoeveel sympathie mevrouw Van Nijwoude ook met haren man gemeen had,
deze neiging deelde zij volstrekt niet met hem; want zij was eene echt
Hollandsche vrouw in haar zin voor helderheid en frischheid, voor bezems
en sponsen, voor opredderen en netjes houden; met echt nationalen
tegenzin en vijandschap tegen stof, spinnewebben en warboelen--als de
bibliotheek, bij voorbeeld! Die bibliotheek noemde zij dan ook het
_spinnekoppennest_, en zij wenschte niets vuriger dan viermaal in het
jaar met eene bende schoonmaaksters het _spinnekoppennest_ gewapenderhand
binnen te trekken, eene overweldiging, die vroeger periodiek gelukte,
maar nadat een heerlijke _Boetius de Consolatione philosophiae, a-0.
1490 Daventriae per Jacobum de Breda_, verleden jaar was weggeraakt,
werden de schoomnaaksters geweerd, want mijnheer Van N.---- beweerde
steeds, dat deze zijn _Boetius_ hadden gestolen.

--Maar lieve man, zeide zijne echtgenoote, hoe kunt gij nu zoo praten;
wat zouden zij daaraan hebben, een oud, leelijk stoffig boekje
misschien, en dan Latijn: dat is immers voor die menschen zonder enige
waarde.

--Oud en leelijk! En mijn vader wist niet of hij boos moest worden of
bedroefd.--Oud en leelijk! dat zijn je schoonmaaksters! en Latijn--En
geene waarde! een drukje van Jacobus de Breda, van 1490 Een kostbare
incunabel, die honderden guldens waard is!

--Het is zonde van het geld, meende mevrouw Van N.

--Phoe! zei mijnheer Van N.----, met een geluid, dat zoowel een
familietrek had van een zucht als van een verontwaardigingskreet, zette
zijn hoed op en stapte de deur uit.

Voor mij was het spinnekoppennest een paradijs vol geneugten: het was
een lusthof, waar ik niet alleen bekende, maar telkens nieuwe bloemen en
vruchten ontdekte. De profane wereld vond die kamer akelig en somber,
maar voor een ingewijde--en uit instinct was ik eenigszins een
ingewijde--wat eene geheimzinnigheid en poëzie in die vergadering,
samengesteld uit den levenden geest van allen, die ooit op het gebied
van verstand, hart en verbeelding groot waren. Het was alsof de omgeving
dier duizenden boeken daar een zekeren invloed en geestelijke
aantrekking uitoefende. En het was eene zonderlinge gedachte, dat die
duizenden schrijvers, wier stof over de geheele aarde verspreid was,
hier in eene kleine ruimte vergaderd waren in den geeste en in
perkamenten of lederen banden.

Welk eene dwaasheid zou het geweest zijn, zoo die bibliotheek aan eene
woelige, bedrijvige straat ware gelegen, waar ratelende karren de glazen
zouden hebben doen rinkelen en de oude heeren op hunne planken doen
dansen, waar de voorbijgangers den neus der materiëele werkelijkheid in
dit heiligdom des geestes hadden kunnen steken. Menigen ochtend zat ik
aan den voet van eene der groote kasten in de boeken te snuffelen, nu
eens tot over de ooren verdiept in stoute daden of avontuurlijke reizen
en ontdekkingen, dan weder, als een vlinder, op de bloemen, her- en
derwaarts, van het eene boek op het andere vallende.

Die onverzadelijke dorst naar _weten_, die den mensch bezielt! Als kind
breken wij ons speelgoed om te zien, hoe het van binnen is saamgesteld.
Als knaap vragen wij aan alles, _hoe_? en _waarom_? En het geheele leven
door houdt de denkende geest niet op met vragen en zoeken.

Voor vragen en zoeken was stof genoeg in de bibliotheek. Zij bevatte
verscheidene boeken, die mijn vader niet gaarne had, dat ik zag of
las,--maar! die hadden niet zelden de meeste aantrekkelijkheid voor mij!
en al had ik nog niet gelezen het _nitimur in vetitum semper, cupimisque
negata_, de waarheid van dat gezegde was toch reeds op mij toepasselijk.

       *       *       *       *       *

Of is het wel alleen dat verlangen naar het verbodene, dat ons naar
andere boeken deed grijpen dan die voor ons gemaakt waren?--Is het niet
een meer samengesteld verschijnsel? Ik denk ja. Het moet een
instinctmatig zoeken zijn om onze behoefte te voldoen.

Leg voor een jongen, aan de eene zijde, alle met opzet en studie voor
hem geschrevene werken, en aan den anderen kant, wat ge maar wilt van
werken van wetenschap, letteren of kunst, die niet met het oog op zijne
behoeften geschreven zijn, en die men soms meent, dat te hoog voor hem
zijn, hij zal zonder missen naar de laatste soort grijpen. Hoe komt dat?

Omdat er een verbazend, hemelsbreed verschil is tusschen een jongen, een
werkelijken jongen van vleesch, been, bloed en al wat er verder bij
hoort, en een jongen, zooals wij hem in boeken zien voorgesteld of men
hem zich meestal verbeeld heeft. Een der gevolgen van dit verkeerd
begrijpen is, dat de meeste boeken, die men voor de _lieve jeugd_
schrijft, geen doel treffen en geen vrucht dragen. Velen meenen, dat,
als zij een werkje hebben, met een weinig minder grondigheid, met een
weinig minder verstand, met een weinig minder kennis geschreven dan
noodig zijn in een boek voor een groot mensch, en wanneer de schrijver
daarbij, zich bukkende en inkrimpende tot de jeugdige vatbaarheid, zijn
stijl zoo doodeenvoudig en naïef, zijn geest zoo lief en zoetsappig en
zoo klein heeft gemaakt, en hij bovenop dat boek gezet heeft: "_voor de
lieve jeugd_,"--dat zij dan al een heel lief en belangrijk boekje voor
hunne kinderen hebben, waar de lieve jongens gretig op zullen vallen en
uren lang zoet mee zijn.

Maar vóór alles, praat een jongen nooit van de _lieve jeugd_. Een jongen
_wil_ niet _lief_ zijn, _wil_ niet _lief_ gevonden worden, en gij kunt
hem geen grooter afschuw van deugd en beminnelijkheid inboezemen, dan
door hem die als _zoo lief_ voor te stellen. Hij wil ook niet als kind
beschouwd worden, dat is zijn zwak; en in spelen en leeren vliegt zijn
geest reeds vooruit in de toekomst. Hij weet en voelt zich krachtiger,
wijzer, ontwikkelder dan men waant dat hij is; en omdat men dat niet
telt, wordt hij zoo miskend en gegriefd. Het is somtijds alsof hij
werkelijk van de toekomst, wier kiemen in hem liggen, reeds het
voorgevoel heeft, alsof hij zich den man voelt, die hij worden zal;
vandaar dat er vaak eene zedelijke kracht, een verstand, een gevoel
boven zijne jaren bij hem aanwezig zijn, die of niet gekend of niet
begrepen worden. En toch blijft hij knaap.

Dit saamgestelde en moeilijk te begrijpen wezen, waarvan de
anthropologische studie nog ver van uitgeput is, vormt eene wereld op
zichzelve. Eene wereld met haar eigen toestanden en verhoudingen, haar
eigen gevoelens, haar eigen denkbeelden.

Vandaar dat zij door de ouderen van dagen zoo moeilijk in alles te
begrijpen is. Vandaar die scheeve beoordeelingen en die boeken, zoo
geheel ongeëvenredigd aan de behoeften van het jonge geslacht.

Wilt gij eene proef nemen met een van die boeken voor de lieve jeugd?
Neem Van Alphen, Als ik hem nu lees, vind ik hem lief, en dikwijls
treffend, maar in mijne jeugd!

Er was geen schooljongen, die niet walgde van _eerst ter belooning een
kusje of twee_; die geen onuitstaanbare pedanterie vond in: _deez perzik
gaf mijn vader mij, omdat ik vlijtig leer_; of die niet volkomen partij
trok voor den wakkeren vechtersbaas, die den bevreesden en wijsneuzigen
pimpelneus uitschold voor een _laffen jongen zonder moed_, terwijl het
in onze klasse algemeen ten hoogste werd afgekeurd, dat, in eene
eerlijke vechtpartij, de wijze redeneerende mijnheer "_die een krijgsman
was_" tusschenbeide kwam.

Al die denkbeelden waren zoo geheel anders dan die der werkelijke
jongenswereld.

Is het wonder, dat ik meer hield van Sheherazade en de zeven eenoogige
Calenders, van Sindbad en den vogel Roc?

       *       *       *       *       *

In onze stad was een gymnasium, en toen ik den behoorlijken leeftijd
had, ging ik daar dagelijks heen, om mij te laten volpompen met
classieken nectar, benevens eenig modern toeëten.

Met eene zekere pedanterie, aan dat tijdperk eigen, werden wij,
gymnasiasten, weldra groote beminnaars van de oude classici en zagen met
verachting neer op alle jongens, die geen Latijn en Grieksch kenden; wij
vonden het in ernst een zedelijk gebrek in iemand, geen Latijn en
Grieksch te kennen.

--De classieke letterkunde, zeiden wij, is toch de ware en de schoonste!
Wat is al dat nieuwe anders dan navolging? Navolging van de ongelijkbare
meesterstukken der classici? Wat waren al de nieuwere te zamen,
vergeleken bij Homeros alléén? Waar was de echte poëzie, de echte
welsprekendheid, de echte historiekennis, zoo niet bij de oude classici!
Spreekt me dan niet van de nieuwere; wij houden het bij de oude
classici!

Ik moet bekennen, dat, als men ons gevraagd had:--wat is het onderscheid
tusschen de ouden en nieuwen, tusschen de classici en romantieken? dat
wij raar zouden opgekeken en weinig geantwoord hebben.

O tijd van krachtige opwellingen, van onberedeneerde, maar dan ook
warme, gloeiende, oogenblikkelijke voorliefde en neigingen!

Thans zijn wij meer beredeneerd en veel wijzer--maar ook zooveel koeler
en minder ontvankelijk! Hoe het zij, wij zullen er ons niet minder wel
bij bevinden, geloof ik, indien we dien trek onzer jeugd niet al te zeer
wegredeneeren en uitroeien, en wij zullen het ons niet beklagen in het
leven, wanneer wij _hierin_ jong zijn gebleven, dat er voor ons nog
toewijding en oogenblikkelijke, instinctmatige voorkeur, en warme, al is
het soms onberedeneerde, ingenomenheid blijven bestaan.

Er was altijd eene buitengewone beweging op straat, als wij, gelijk een
levendige bijenzwerm, het gymnasiale gebouw verlieten, het oude,
vervallen, vervelooze huis, dat met het trotsche opschrift _Palladis
Sedes_ prijkte. Dan braken al de door het rectorale oog in bedwang
gehoudene elementen los, dan hoorde men de uitingen van elk individu; de
een schold op den ouden baas, de ander luchtte zijn bedwongen levenslust
in straatschenderijen; hier waren er, die spraken van wat er dien dag op
school gebeurd was, over thema's, nota's, en den strijd om den voorrang
en de praemia; ginds was er een bezig zijne boeken in zijn pet en de
zakken van zijn broek en buis te verbergen en liep deftig als een
mijnheer; de meesten stoeiden, joelden en babbelden door elkander.

Wat eene verscheidenheid van karakter en aanleg! Dat zou men niet
vermoed hebben, als men ze een half uur vroeger gezien had, allen aan
gelijke, met gelijksoortige inktvlekken en kerven versierde tafels en
banken gezeten, allen met hetzelfde boek voor zich, allen peuterende aan
denzelfden zin van Plutarchos, en dien naar denzelfden grammaticalen
regel uitrafelende.

--Bah! wat was de oude weer lastig en vervelend! zei Piet.

--Waarom was je ook zoo stem! antwoordde Jan.

Zoo zijn ze, ruw maar rond. Twintig jaren later zal Jan zeggen:--Als ik
de vrijheid mag nemen het op te merken, geloof ik, dat de geachte
spreker daarin ongelijk had en dat zijn geheugen hem voor een oogenblik
bedrogen heeft op dat punt.

--Stom? Pedante vent! zei Piet.

--Ja zeker! Jongens, is het niet stom, dat hij niet weet choriambicum
asclepiadeum is?

Gelach en toestemming.

--Het is de schuld van dien ellendigen Kees, zei de persoon, die gefaald
had in de eigenschappen van het choriambicum,--die heeft geklikt, dat ik
in mijn boek keek.

--Geklikt? en er waren al handen aan den kraag van den ellendigen Kees,
en laarzen dicht bij zijn ... eind van zijn rug, want de
volksgerechtigheid is snel.

--Stil, houdt op! riepen sommigen; niet allen te gelijk! riepen eenige
ouderen; eerst hooren! zeiden enkele juristen.

--Kees, is het waar?

--Ja! schreeuwde deze in zijne kwaadheid. Hij kijkt altijd in zijn boek,
en hij doet altijd valsch--en dan heeft hij den naam van zoo knap,
vervolgde de naijverige, kleingeestige Kees, en ik zal het van iedereen
zeggen, daar ik het van zie!

Kees was algemeen gehaat en als de gelegenheid zich voordeed, barstte
gewoonlijk die veete van alle kanten los. Het regende nu ook van alle
zijden klappen en schoppen, en eindelijk werd hij met zijn hoofd in een
emmer met water geduwd, zoodat hij er erbarmelijk uitzag. Een was er,
die hem een zakdoek gaf om zich te drogen, en zoo droop de gestrafte
verklikker naar huis.

Maar hiermede was de miskenner van het choriambicum niet geholpen, want
de ongelukkige had door dien misgreep zijne plaats van eerste der
klasse, althans voor het oogenblik, verloren. De knapsten onder ons
dachten wijsgeerig genoeg om aan die denkbeeldige en niets bewijzende
eer niet te veel te hechten, maar Piet was een van die jongens, die door
de eerzucht en strengheid hunner vaders werden opgeprikkeld en
nagereden. De arme sukkel was daardoor uitgebleekt, als dronk hij niets
dan _eau de Javelle_, en mager van de zenuwachtige inspanning van elken
dag en avond. Hij was dan nu ook neergedrukt en angstig, zijne klamme
vingers beefden, en zijn gejaagd gemoed zag met schrik naar het einde
van het jaar. Maar een van ons, wiens vader het niet achtte, op welk
nommer zijn zoon zat en welken prijs hij had, maar dien het genoeg was,
dat hij een vlugge en knappe jongen was en die Piet nu over het hoofd
was gesprongen, redde hem.

--Hoor eens, Piet, zeide hij naderhand onder drie of vier vertrouwden,
je weet, dat mijn vader het mij nooit lastig maakt; ik beloof je, dat ik
je voor zal laten en voor zal laten blijven.

Wij hebben dien trek van edelmoedige opoffering, waardoor hij zijn
kameraad een half jaar van angst en kommer, en misschien eene ziekte
bespaarde, altijd bewonderd. Hij stierf kort daarna, maar wij geloofden,
dat hij genoeg gedaan had om den hemel te verdienen.

       *       *       *       *       *

Eenige jaren later vloog de gonzende bijenzwerm, na hot verwerken van
den Attischen honig, weer uit. Er vormde zich eene groep om een persoon
heen.

--Jongens, zei deze, kijk eens wat een mooien Aulus Gellius ik gekocht
heb.

--Laat zien, laat zien!

--Waar heb je dien vandaan?

Er was altijd veel belangstelling in het koopen en verkoopen van
classieke auteurs, en wij redeneerden met veel geleerdheid en animo over
goede en slechte edities, over _Elzeviers, Bipontijnen, Minellen, in
usum Delphini_, van goede en slechte noten, van _pontes asinorum_, etc.

--Van het stalletje van Levi gekocht--voor een spotprijs.

--Het is een Elzevier.

--Heeft je vader ook Elzeviers? vroeg er een aan mij.

--Eene plank vol, zeide ik met trots: Maar toen ik daarop vertelde, dat
mijn vader ook boeken had, die wel honderd jaar ouder waren dan de
Elzeviers en veel kostbaarder en zeldzamer, was er eene algemeene
bewondering en beloofde ik, in de vreugde van mij op mijn vader te
kunnen verheffen, zulk een boek eens mede te brengen.

Den volgenden dag bracht ik een zeer ouden druk van Boetius mede, en
leende dien aan een der jongens.

Zoo kwam het eigenlijk, dat de Boetius uit de bibliotheek was
weggeraakt, ten gevolge waarvan de schoomnaaksters verdacht en geweerd
werden, want ik durfde eerst de ware toedracht niet te bekennen, en het
spinnekoppennest niet mocht worden schoongemaakt.

Zoo zitten de belangrijkste gebeurtenissen aan allerlei nietsbeduidende
draden vast. De belangrijkste gebeurtenissen, zeg ik, want het
schoonmaken van de bibliotheek was er eene. Geene zaak was er in huis,
die met zoveel omzichtigheid moest behandeld worden, geen punt zoo
teder, geen roerde zoo vele gemoedsaandoeningen, en niets, dat mijnheer
Van N.---- zoo uit zijn humeur bracht.

       *       *       *       *       *

--Vertel nog eens wat van dat portret vroeg ik eens aan mijn vader, op
het afbeeldsel eener dame wijzende, dat zich bijzonder van mijne
kinderlijke verbeelding had meester gemaakt.

Er hingen in onze woonkamer verscheidene familieportretten. Sommige
heeren hadden roode rokken aan en bepoederde hoofden, andere harnassen;
dames waren er met torenhoge kapsels, met japonnen, die veel lieten zien
van het _onbeschaemde moij_, waarover Huygens de dames van zijn tijd
berispte, of met hooge stijve keurzen en breede kragen: sommige met
fronsen, anderen met nu honderdjarigen glimlachen, die nog op het gelaat
blonken, nu die lippen al lang tot stof waren vergaan en zich vermengd
hadden met de aarde, waaruit de misschien distels en brandnetels,
misschien bloemen hadden doen opgroeien.

Al die portretten, met gezichten, die de kenmerken hunner eeuw
dragen--want wie oude portretten bestudeerd heeft, zal zien, dat elke
eeuw hare eigene soort van zeden en gedachten,--al die portretten
vervulden mijne jeugdige verbeelding en waren de vormen, waarin de
nevelbeelden mijner phantasie zich hulden, de gestalten, waarin de
personen mijner denkbeeldigen wereld zich kleedden; maar er was er, dat
altijd en bij herhaling mijne aandacht zoozeer trok, als dat _ééne_
portret.

Het was het beeld van eene oud-tante, waarvan de sterk sprekende trekken
krachtig uit de met rocaille-krullen gesneden lijst en den donkeren
achtergrond naar voren kwamen. Zij was op veertigjarigen leeftijd
afgebeeld. Zij had een fier oog en vasten mond en was versierd met eene
muts met oranje-wit-blauw lint en een zwart satijnen mantel met kap,
gevoerd met oranjezijde.

Het stuk was breed geschilderd en met veel talent, ja met eene vonk van
genie. Het waren niet alleen uitwendige trekken--die altijd enigszins
gemaskerd zijn--van het gelaat, die hierop waren afgebeeld, maar het was
alsof de onbekende schilder zijne penseelen in, de ziel van het
oorspronkelijke had gedoopt en met de diepste verven en tinten uit haar
hart het afbeeldsel vervaardigd. Met die tinten had hij de geheimste
trekken van haar karakter geteekend, en die slechts licht en dun
overdekt, juist even genoegzaam om de toen levenden wel te doen
nadenken, doch hun geen aanstoot te geven (de schilder had in haar
karakter een hevigen hartstocht ontdekt), en wel wetende, dat de tijd,
de dunne verflaag afvretende, later met grootere waarheid zijn portret
zou voltooien.

Wondervolle, geheimzinnige kunst! Zonder dat ik van dit alles toen reeds
bewust was, bezat het portret altijd eene geheimvolle aantrekkelijkheid
voor mij, en in de schemeruren na den maaltijd nam ik dikwijls de
gelegenheid waar om mijn vader te ondervragen.

       *       *       *       *       *

--Wel, antwoordde mijnheer Van Nijwoude, er was eens iemand, die zeide:
ik wou, dat ik zijn kop had en er soep van kon koken! raad eens wie dat
zeide....

--Natuurlijk een kok of een slager, die van een kalf of varken sprak,
zei mijne moeder, want het was juist in den slachttijd en hare gedachten
waren daarmede vervuld.

--Neen, zei mijnheer Van N.----, bedenkelijk het hoofd schuddende,--de
kop, waarop die woorden doelden, was die van een mensch, een
christenmensch, en wel van een dominee.

Ik dacht terstond aan de Kanibalen, waarvoor Robinson Crusoë, en ik met
hem, eens zoo geschrikt was, en ik opperde de veronderstelling, dat het
misschien een van die heeren was, die dit gezegd had.

--Neen, zei mijnheer Van N.---- weer bedenkelijk knikkende, de persoon,
die deze woorden sprak, was ook een christenmensch, ja zelfs ene
vrouw--het was--tante. En hij wees naar het bewuste portret.

--O, dat is het! dat is het! riep ik opeens uit, dat is dat wonderlijke
en onbegrijpelijke van het gezicht! Nu weet ik eindelijk, wat het is!
Vader, heeft de schilder dat geweten, heeft hij die woorden gekend?

--Heeft de schilder die woorden gekend, zei mijnheer Van N.---- mijne
woorden herhalende, zooals hij gewoon was, wanneer hij iets opmerkelijks
in eene vraag vond, en terwijl hij mij met de uiterste verbazing
beschouwde.--Zonderlinge jongen;--heeft de schilder die woorden gekend?
Zonderling, en die opmerking, die een kind maakt, is mij nog nooit in de
gedachte gekomen.

--Ja, waarlijk, vervolgde hij na eenig peinzen, de schilder zal ze
gekend hebben en die woorden, tot eene les voor het nageslacht, in hunne
trekken hebben willen uitdrukken.

--Waarom heeft hij ze er niet onder geschreven? vroeg ik.

--Er onder geschreven? herhaalde mijnheer v. N.---- mij weder met
verwondering aanziende, doch daarop glimlachende, vervolgde hij:--Wel,
het is mogelijk, dat hij van plan was, die woorden als motto onder de
schilderij te plaatsen, maar dat de dame dit niet heeft verkozen!

--Wel, wel! zeide mevrouw Van N.---- lachende, het is immers niet waar,
wat gij daar van tante vertelt?

--Zóó waar, zeide haar echtgenoot, als het op die gelaatstrekken
duidelijk te lezen staat, al heeft een kind het mij moeten wijzen.--Zij
was toch eene vrouw met edele eigenschappen, maar zij sprak deze woorden
onder het woeden der partijschappen, in 1795, in tijden van blinden
haat: zij met haar gansche geslacht getrouw aan het toen verwijderde
vorstenhuis verkleefd. Zij sprak zoo van een dominee, die, ook met
hoogst laakbare heftigheid en verbittering, der andere partij was
toegedaan. Het is droevig, dat haat en hartstocht op eene schoone ziel
zulk eene vlek kunnen werpen, maar laten wij haar niet te hard
veroordeelen; zulke tijden maken zulke menschen.

En zich weder in zijne overdenkingen terugtrekkende, prevelde mijn
vader:--Of de schilder die woorden gekend zou hebben?

       *       *       *       *       *

Wij waren nog eenigszins onder den indruk van het gehoorde, toen, onze
plompe boerendienstmeid, trouw als goud, met hare verweerde
mahoniehouten armen, licht kwam brengen. Toen zij dit op de tafel zette,
werden haar ontdaan gelaat en roode oogen zichtbaar.

--Wat is er gebeurd? vroeg moeder zacht. Zij gaf geen antwoord, en zoo
het mogelijk ware, dat hare donkerroode wangen een hooger tint aannemen,
zou ik zeggen, dat zij bloosde.

--Wat is er meid? herhaalde moeder zacht, en op eene aanmoedigende
wijze. Geen antwoord. Zij begint te beven en een tip van het blauwe
harde schort wordt opgevat en daarmede met kracht in een der oogen
gewreven.

--Kind, wees voorzichtig! zei moeder, wrijf je oog niet uit! Komaan, zeg
mij, wat er is gebeurd; wees niet bedeesd! Heb je je knip verloren?--of
heeft Jasper je verlaten?--of--of--en mijne moeder keek ernstiger, je
hebt immers niets kwaads gedaan?

--Het is--kapot, zei ze eindelijk tusschen hare snikken door, ik
geloof--dat de--e kat....

--Wat! zei mijnheer v. N.---- plotseling opziende van zijn boek, wat
heeft de kat weer gebroken?

Want men moet weten, dat de kat reeds het breekbare van onzen ganschen
inboedel getiërceerd had.

--Het mooie glas, stotterde de beangstigde deern.

Als al de glazen van de vensters, en er zijn er vier en twintig, te
gelijk waren in scherven gesprongen, had mijnheer Van N.---- niet meer
kunnen schrikken dan nu.

--Bliksemsche lomperd! riep hij driftig uit, de vuist op de tafel
slaande, terwijl mevrouw v. N.----naar de wankelende lamp greep; kunnen
je ruwe pooten dan niets heel laten? Ik wou, dat je zelf in honderd
duizend stukken was gevlogen....

De meid liep weg.

       *       *       *       *       *

Het gebroken glas was een oude gesneden wijnroemer, dien mijn vader maar
zeer zelden gebruikte en dien hij in hooge waarde hield.

Drift was, dat zagen wij aan tante, een familiegebrek. Mijnheer v.
N.---- stond op, liep door de kamer, en zoo kwam hij bij het portret van
tante. Hij stond stil en keek het aan. En weder in de kamer op en neder
loopende, terwijl hij op zijne lippen beet, een teeken van storm en
beweging in zijn binnenste, ging hij nogmaals voor tantes portret
stilstaan.

Zijne vrouw zeide intusschen niets. Was het verstand of instinct?

Zeker was het gelukkig, want het lag in mijns vaders aard, dat het
minste woord de goede werking zou gestoord hebben van het zedelijk
proces, dat in hem plaats had.

Als naar gewoonte had hij leed over zijn driftigen uitval. Er was strijd
in zijn binnenste. Onedele drift te beteugelen is een van de schoonste
krachten van den veredelden mensch; maar het is zoo moeilijk, dien trap
van zelfbeheersching te bereiken of altijd te betreden. Mijnheer v.
N.---- ging naar het belkoord en vatte het om te trekken.

--Maar, zei schaamte en trots, moet een man als gij, verschooning vragen
aan eene plompe boerendeern? Is dit niet ongehoord?

--Is zij niet evengoed een mensch als gij? zei het edeler gevoel, is de
eene mensch zijn broeder- of zustermensch geene vergoeding verschuldigd
voor het aangedane leed? Is de eene mensch onfeilbaar, dat hij zoo
scherp kan oordeelen over den anderen?

--Maar, opperden schaamte en trots, zich verkleedende en vermommende, is
het wel gepast, dat een heer verschooning vraagt aan zijne minderen, aan
zijne dienstbaren? Worden hierdoor de maatschappij en hare verhoudingen
niet in gevaar gebracht?

De hemel weet, wie het zou gewonnen hebben, en of niet eindelijk weer,
zooals vaak gebeurt, schaamte en trots, den mensch een rad voor de oogen
draaiende, hem zouden bewogen hebben, niet alleen iets verkeerds te
doen, maar hem zelfs dat verkeerde als iets goeds hebben doen voorkomen.

Gelukkig kwam de meid binnen met de stukken van het gebroken glas.

--Mijnheer Van N.---- keek strak op zijn boek, hoewel ik zou willen
wedden, dat de regels in een nevel voor zijne oogen dansten en geen
daarvan tot zijn verstand doordrong.

De eene tip van den boezelaar der meid was geheel nat en haar eene oog
bijna weggewreven; nu was zij met den anderen tip bezig het tweede oog
te wrijven, alsof zij eene watervlak uit onze tafel moest boenen.

--Zóó heeft het gezeten! zeide zij snikkende en de stukken aan elkander
passende.

--Kom meid! zei mijnheer Van N.----, houd maar op met wrijven--het
is--niets--maar vergeef gij mij mijn drift....

De tranen schoten mijne moeder in de oogen en zij omhelsde haar man met
de innigste teekenen van bewondering.

--Och! fluisterde hij even,--wij moeten niet nalaten, iets slechts weer
goed te maken,... ik had immers ongelijk.

       *       *       *       *       *

--Vader! riep ik snikkende, ik heb den Boetius weggenomen.

       *       *       *       *       *

Jean Huarte, beroemd medicus in de 16de eeuw en schrijver van het
_Onderzoek over de vatbaarheden van den menschelijken geest_, heeft de
ontdekking gedaan, dat droogheid of vochtigheid der hersenen de oorzaak
is, dat sommige soorten van vliegen verstandig zijn en andere niet. Maar
behalve deze belangrijke ontdekking en de toepassing daarvan op den
mensch, heeft hij ook de middelen aangegeven om de kinderen met die
vatbaarheden te procreëeren, die men verlangt.

Hoe belangrijk de eerste ontdekking is voor de veredeling van het
vliegenras, dat zulks hard noodig heeft, om bij voorbeeld de
onbeschaamdheid af te leggen, waarmede zij op iemands neus gaan zitten
of onze schilderijen bestippelen, wil ik slechts even aanroeren. Niet
minder gewichtig is de tweede ontdekking van Huarte, vooral voor het
onderwijs, dat moeilijk probleem, waarover al zóóveel woorden gewisseld
zijn, dat het geen wonder is, zoo zij door al dat wisselen, evenals de
oude dubbeltjes, scherp zijn geworden. Gewichtig voor het onderwijs,
want wanneer Huarte's regelen gevolgd worden, zal men natuurlijk met
juistheid weten, welke vatbaarheid de kinderen bezitten en ze daarnaar
kunnen doen onderwijzen, terwijl het alsdan te hopen is, dat men, als
het groote verschil tusschen al die koppen en harten ten klaarste
blijkt, ze niet meer alle aan eene zelfde behandeling zal durven
onderwerpen.

       *       *       *       *       *

Bij ons zaten nog de meest verschillende vatbaarheden jaar in jaar uit,
aan juist eendere banken, naar juist eendere vooraf bepaalde regelen,
een juist eenderen ontwikkelingsloop te volgen. Twee en twintig jongens
zaten daar.

Als men ze één voor één trepaneerde--geen nood, dit is slechts eene
metaphora, eene redefiguur, waarmede men zegt, wat men niet meent--en
hunne hersenpannen als deksels oplichtte, dan zou men in die twee en
twintig hersenen zien, dat de eene eigenaar vatbaarheid heeft voor de
afgetrokken wetenschappen, de andere niet tot de diepte der dingen zal
kunnen doordringen, maar altijd aan de oppervlakte blijven hangen; dat
de eene den tact heeft van generaliseeren, de andere van analyseeren;
dat er in dezen poëzie zit, in genen cijfers; dat de vermogens van dezen
diep verscholen liggen en eerst bij den stoot van gunstige omstandigheden
zullen opkomen, dat die van genen al vroeg en hoog zullen opgroeien,
doch wel bladeren en bloempjes, maar geen vruchten zullen leveren. Men
zou zien, eindelijk, dat evenals die twee en twintig jongens twee en
twintig verschillende neuzen hebben, zoo ook de eigenschappen, de
krachten, de behoeften der hersenen bij ieder verschillend zijn. En
intusschen worden al die verschillende planten in dezelfde trekkas, aan
denzelfden dampkring blootgesteld, en zit de wijze tuinman in zijn
katheder en giet over allen hetzelfde vocht uit, een gietsel geschiedenis,
een gietsel oude en een gietsel nieuwe taal, een gietsel logica of een
gietsel prosodie.

Is het wonder, dat zoovele van die planten in het wild schieten of
vergroeien of in het geheel niet opkomen?

Soms verbeeld ik mij, dat men bij ons jongens te werk ging als bij het
opzetten van een apothekers--of drogistwinkel. Van alles moesten wij zoo
wat in den winkel hebben, van alle markten moesten wij thuis zijn. Het
was in dit stelsel natuurlijk, dat het er op aankwam van alles en
zooveel mogelijk in die winkels opeen te pakken, met andere woorden, de
hoofden der jongens zooveel mogelijk te vullen en te vullen. Nu is er in
een jongenshoofd toch maar eene zekere ruimte. Het is waar, die, ruimte
is voor uitzetting vatbaar, maar evenals er een eind is aan de
rekbaarheid van elk elastiek voorwerp, is er een eind aan wat mijn
vader: "_de elasticiteit der hersenen_" noemde.

Ware het dan niet verreweg beter....

       *       *       *       *       *

Ik zie iemand den wijsvinger opheffen, om daarmee bedenkelijk te tikken
op een der knoopen van des tegenpartij's jas, en zijne lippen zich
plooien om te zeggen: "_de beste stuurlui staan aan wal_."

Maar mijnheer! dit is een argument misschien tegen den beoordeelaar
geldende, doch niet tegen het beoordeelde feit zelf; en dit feit is, dat
men te veel vult en te weinig _zelf-denken_ leert, te veel waarheden
aanbrengt in plaats van ze vanzelve in de ziel te doen ontkiemen, dat
men te veel opeenstapelt en te weinig verband en samenhang doet
opmerken, dat in alles de grammatica, de regel of de vorm geleerd wordt,
nergens de geest en de ziel.

Onze meesters intusschen begrepen het anders en vulden maar, vulden,
vulden maar; gansche boeken met aardrijkskunde, optellingen van al de
steden, van al de landen, gansche risten jaartallen en feiten (als
risten uien in den winkel hangende) geregen aan chronologische, doch
zelden logische draden, ontzettende massa's, woordelijk op te zeggen (of
wij den inhoud en den zin kenden en begrepen, deed er niet toe),
honderden veldslagen met het getal dooden en verminkten--van
weerszijden: duizenden regels en voorbeelden (niet te vinden als het op
de toepassing aankwam). Zoo vulden zij maar altijd door, en van alles
door en achter elkaar--en ik weet niet, wat er van al de hoofden en
hersenen zou geworden zijn, maar ... gelukkig, dat de reddende natuur
den jongens bij de eigenschap van onthouden, ook die gegeven heeft van
_vergeten_.

       *       *       *       *       *

Hoeveel cijfers en rivieren heb ik vergeten,--maar niet mijnheer Tjilp
en zijne viool in de met gemarmerd papier beplakte kartonnen doos.

Mijnheer Tjilp was de persoon, die mijne jeugdige begaafdheden zou
vermeerderen door mij de kunst te leeren van de viool te bespelen.

Iemand, die beweerde, dat er in het leven al wanklanken genoeg zijn, zou
niet begrijpen, waarom men ze nog trachtte te vermeerderen met die,
welke ik uit mijn speeltuig haalde. Maar bij wien dit ook moge zijn
opgekomen, zeker nooit in het hoofd van den goeden mijnheer Tjilp, want
zoo die wanklanken al in de wereld bestonden, hij was het niet, die er
bittere aanmerkingen op zou maken.

Als mijnheer Tjilp dan aankwam, zijn met gemarmerd papier beplakte
vioolkist in de hand dragende, gingen wij in een klein werkkamertje, dat
ik had, en dan vervulde ik de lucht in huis gedurende een uur met de
erbarmelijkste geluiden, die ooit door de aanraking van paardenhaar en
kattendarmen kunnen veroorzaakt worden.

Ik vrees, dat mijnheer Tjilp veel heeft moeten lijden, want zijn oor was
even gevoelig als zijn hart.

Later deed hij zijn best mij de fluit te leeren bespelen, maar ik kon
het nooit gedaan krijgen precies in dat kleine gat te blazen, en als ik
het bij herhaling beproefd had en mijne lippen in allerlei vreemde en
scheeve bochten gedraaid, dan kwam er altijd een onweerstaanbare lach
bij mij op, en plooide ik de lippen in een stand, volstrekt ongeschikt
om te blazen. Want het is een wonderbaar bestel in de natuur, misschien
een teleologisch argument, dat de mensch niet te gelijk kan lachen en op
de fluit blazen. Ik scheen geen mond en vingers te bezitten, geschikt om
eenig instrument te bespelen, en toch--kwam ik in eene verheffing en
vervoering, zoodra ik muziek hoorde.

Dikwijls liet ik viool en fluit rusten, en speelde mijnheer Tjilp alleen
en luisterde ik, en anders, vooral toen ik ouder werd, besteedden wij
onzen tijd met praten.

Mijnheer Tjilp was sedert jaren een huisvriend. Bij eene bijzondere
gelegenheid hadden mijnheer Van N.--en hij in elkanders hart gekeken en
elkander leeren waardeeren.

Mijnheer Tjilp was een onbekend, eenvoudig man. Zijne stille wijze van
zijn en handelen zou hem door de meesten onopgemerkt hebben doen
voorbijgaan, of het moest wezen, dat men hem uitlachte om zijn
stoutmoedig ouderwetschen rok en zijn zonderlingen hoed. Hij was een
vijand van het _trumpetting oneself_, en met zijne kennis te koop te
loopen of zijn gevoel in het openbaar uit te stallen, waren twee hem
geheel onbekende dingen. Ik vond het altijd eene wonderlijke
tegenstrijdigheid, dien man, die er zelf zoo onaanzienlijk en zonderling
uitzag, zoo ingenomen te zien met alles, wat tot de fijnste schoonheid
behoort. Want de liefde voor het schoone was hem bijzonder eigen; het
was alsof hij buitengewone organen bezat om het te genieten, en alsof
die er op afgericht waren het overal op te sporen en te vinden. Of het
zedelijk schoon was, of schoonheid der natuur of der kunst, wat daarvan
in het leven bestond wist hij te vinden, en hij trachtte altijd die
zijde der wereldsche verschijnselen in het oog te houden, die iets
schoons bezat. Maar dat die wereld en hare verschijnselen vaak hiermede
in pijnlijken tegenstrijd waren, behoeft nauwelijks opgemerkt te worden.
Mijnheer Tjilp had er dikwijls de smartelijkste ondervinding van gehad,
en dit had wel bijgedragen om bij hem die stille gevoeligheid te
ontwikkelen. Maar zijn geloof aan het schoone werd daarom toch niet
uitgeroeid.

--Jongen, zei hij mij meermalen, ik geloof wel, dat de menschen het
leven somtijds leelijk maken, maar bestaat daarom toch het schoone niet
overal? Daar hebt gij de kunst, onuitputtelijke bron van schoonheid: zie
naar de lucht en de boomen, de natuur, even onuitputtelijke bron.... en
in het leven, och, er moet natuurlijk in het wereldplan ook leed en
boosheid voorkomen, maar waarom kunt gij niet de zonzijde zoeken in
plaats van de schaduw?

--Maar, zeide ik, mijnheer Tjilp! het gebeurt toch dikwijls, dat onze
zon achter de wolken is.

--Jongen, ik kan je bij ondervinding verzekeren, dat het dan toch altijd
verwarmend en verheugend is, naar de zonzijde van anderen te kijken.

--Geloof me, geloof me, zeide hij mij een anderen keer, het schoon is in
zijn verheven zin een der stralen van den glans van dat wezen, dat de
menschen godheid noemen: zoek het, bevorder het, bemin het, want het is
een van de middelen, die den mensch tot haar kunnen terugvoeren.

       *       *       *       *       *

Hij kon soms verwonderlijk mooi spelen, mijnheer Tjilp, zoo
verwonderlijk mooi, dat de meeste menschen het leelijk zouden gevonden
hebben; maar zóó, dat, ik wil er om wedden, Mozart en Weber geen watten
in hunne ooren zouden verlangd hebben als zij hem gehoord hadden; Zóó
verwonderlijk, dat het soms net was alsof men een veel beter mensch was,
soms alsof men haast lust zou hebben gehad een traan te laten glippen.
Nu en dan speelde hij voor ons in den tuin, als het een warme zomeravond
was, en als dan de duisternis viel, en de lucht om ons heen in eene zee
van harmonie herschapen was en gelijk een zoete adem ons oor en onze
ziel streelde, en de sterren opkwamen, en er telkens eene nieuwe begon
te flonkeren, dan was het alsof die sterren aankwamen om te luisteren en
alles scheen mij een wonderlijk betooverde wereld en mijnheer Tjilp, die
zooveel schoons en liefelijks kon scheppen,--een _groot man_.

En zonderling, als het licht werd aangestoken, dan was het maar een dun,
oudachtig mannetje, die met zijne magere handen op eene oude vedel
speelde. Dan was de betoovering gebroken. Was dan de wellust, die de,
ziel genoten en de ideale kring, waarin zij eene wijle vertoefd had,
ijdel en dwaas geweest? Men zou evengoed kunnen zeggen, dat de viool van
mijnheer Tjilp niet bestond.

--Ik geloof, zei mijnheer Van N.---- nadenkend, ik geloof, dat er meer
waarheid is dan men denkt in het oude verhaal van den speelman, die
allen, waar hij kwam, met zijne viool betooverde en met hen kon doen,
wat hij wilde; ik meen geen feitelijke waarheid, maar psychologische
waarheid; die zijde der legende is miskend. Zoo heeft men bij zoovele
zaken het feit geloochend, omdat men het bloot als een feit opvatte en
niet als symbool van eene gedachte.

--Ik heb nooit sterker werking gezien van eene viool, zeide dokter
Vijzel, dan in mijne jeugd: toen speelde ik ook op dat werktuig en was
er eens mee bezig, toen mijn hond, wien het altijd verveelde, zoo razend
werd, dat hij als een tol door de kamer draaide en eindelijk, toen hij
al zijne aantrekkingskracht verspild en alleen middelpuntvliedende
kracht overgehouden had, als een kogel door het vensterglas heenvloog.

       *       *       *       *       *

Mijnheer Tjilp glimlachte en trok het zich volstrekt niet, aan.

--Dokter, zei mijnheer Van N.---- neem mij niet kwalijk, maar dat
bewijst meer voor je hond dan voor je talent.

       *       *       *       *       *

Er komt een tijd in het leven van den jeugdigen mensch, waarin het
scheppend vermogen en de verbeelding levendig werkzaam worden, en waarin
de zichtbare en onzichtbare wereld hooger en gloeiender tinten ontvangen
van de poëzie, die blaakt in het jonge gemoed. Het is de tijd, waarvoor
_there's music in all things_, waarin de wolken gedaanten, de lucht
stemmen, de schaduwen leven hebben, waarin alles tot de verbeelding
spreekt, en de verhoogde werking van het bloed een gevoel van uitbundige
kracht en levenslust geeft.

In dezen leeftijd en de stemming, die hij meebracht, kon het niet anders
of het classicisme begon voor het romantisme te wijken. Wij kenden van
de klassieken vooral het ernstige en deftige. Wel werden wij opmerkzaam
gemaakt op het gevoel in sommige tafereelen van Homeros, op "zedelijke
schoonheden" van Euripides. Maar van het Grieksche en Romeinsche
gemoedsleven, van hunne hartstochten, bleef ons veel verborgen. Daarom
opende zich het gevoelige hart te gretiger voor de zoet mystische poëzie
der middeleeuwen. Wanneer ik dan weder: als naar gewoonte aan den voet
van eene der kasten in de bibliotheek zat te lezen, was het doorgaans
een boek, dat mij thans zeer aantrok. Het was eene verzameling van oude
ridderromans, vol vechtende paladijnen en schoone jonkvrouwen, niet al
te preutsch, en tournooien; en reuzen en wonderen, die mijne verbeelding
innamen en mij als in die tijden terugtooverden.

       't Weder was soete ende scone,
     Die sonne verbaerde an den trone
     Joliselike an die morghenstonde,
     Menich vogelyn dat begonde
     Daer singen met soete gelude;
     Bedauwet waren bome ende crude
     Tot dien dat die sonne op quam.
     .............................
     Entie maget quam an dat foreest
     Daer die vogele hadden feest,
     Elc sanc na der nature sine,
     Daer stonden scone bloemkine
     Op dat groene velt ontploken.
     Die scone waren ende soete roken.

Wat eene liefelijke maagd kwam daar!

       Haer voorhooft was wit ende slecht
     Haer neuse scone ende recht
     Hare winbraauwen bruin ende gebogen,
     Lachende waren haer die oogen;
     Haer mont was cleene ende niet groot,
     Ende hare lippen rosenroot,
     Die altoos stonden in die stede
     Als om haar lief te cussen mede.

Zoo stond zij bij het water bloemen te plukken en te peinzen, tot zij
opeens opzag en bloosde, want zij had haren lieven geselle, den sconen
Rogier zien komen.

     Die jonefrouwe hevet hem outfaen,
     Sciere is si opgestaen,
     Ende quam te Rogiere ter stont,
     Ende custene an sinen mont.
     ..........................
     ..........................

Liefelijke teedere beschrijving der zoetste min. Hoe dikwijls las ik met
kloppend hart.

Vijf eeuwen zijn voorbijgegaan, sinds deze naïeve poëzie werd geschreven
en gevoeld. Wereldrijken zijn vernietigd met de groote mannen daarbij
behoorende, groote daden en groote plannen zijn tot stof en vergetelheid
verkruimeld! Wat al verandering en ontwikkeling van beschaving en
vooruitgang heeft de menschheid ondergaan! Hoevele eens warme gevoelens
en gedachten zijn verkoeld en versteend! en te midden van dat alles
blijft, in een ruwen perkamenten band besloten, eene dichterlijke vonk
voortgloeien, om na eeuwen nog met zoeten klank het gevoelig hart te
verwarmen. O zegepraal der poëzie!

       *       *       *       *       *

Hoe was mijne aandacht gespannen, als die verschrikkelijke zwarte ridder
de lieve Galiëne heeft weggeroofd en met haar voortvlucht. Maar wacht!
daar ontwaart de roover in de verte een helder punt, dat flikkert in de
zon als eene ster van goud; zijn geoefend oog bedriegt hem niet. Weldra
ziet hij ook den grond stuiven. Vlieg, vlieg, dappere Rogier! als gij
uwe Galiëne wilt redden! Ren door, sterke Gringolet, als gij uw meester
intijds wilt brengen!

Helaas! een diepe en breede stroom scheidt hen nog. Onze spanning
vermeerdert. Gringolet snuift en besnuffelt den oever, en eene goede
plek gevonden hebbende, springt het kloeke ros in het water en zwemt het
over.

Nu is Galiëne gered? Onze spanning is ten top. Rogier! Rogier! hoe kunt
gij nog dralen--voort, voort! Maar neen, trillend van ongeduld en vrees,
moeten wij nog eerst lezen, hoe hij afstijgt om zijn edel ros te
verzorgen. Nog eerst zijn paard, zijn trouwen gezelle, gestreeld en
verpleegd, en gedroogd met zijn eigen wapenrok.

En dàn kwam de vreeselijke strijd.

Rogier rijdt zijn vijand te gemoet. Dek u met uw schild, roept hij hem
toe, en verdedig uw lijf! De zwarte laat zijne prooi los en stelt zich
te weer.

     Doe decten si sich op die wile:
     En vlogen noit twee pile
     Daer men mede sciet in bogen,
     So sere als si te gader vlogen,
     Hen waren noit ridders haer genoot,
     Also di twee soo sterc ende groot:
     Het scenen beide twee liebaerden,
     Ende elc sloech andren metten swaerden
     Van haren helmen grote stucken
     Dat si op hare artsoenen bucken.
     Van haren slagen waren si milde
     In stucken liggen hare scilden
     ...........................
     Rogier was verheuget sere
     Ende zeide: vrient, bi onzen Here
     Ic wane gi zult nu ontgelden
     Als u God niet langer ne spaert.
     Rogiere die hevet zijn swaert geheven
     Ende hevet den swarten geslegen
     Dat hi den helm altemale
     Cloofde ende den hoet van stale.
     ...........................
     Doe ginc Rogier ter selver stede
     Daer di Ridder lach gewont
     Ends dede hem den helm af en sach
     Of hi jegens hem spreken mag.
     Hi lach in onmacht van de slagen,
     Rogier die peinsde of hi iet sage
     Daer hi hem mede conde genesen.
     Sijns selven helm nam hi te desen,
     Ende liep er mede ter rivieren
     Ende haalde water en laefde hem sciere,
     Ende looc die wonde tot hi bequam.

Maar ik was te veel in strijdlust ontstoken om deze grootmoedigheid te
achten.

Ha! ik greep een ouden sabel, waarmede mijn vader was uitgetrokken met
de schutterij. Verroest zat hij in de scheede geklemd, eindelijk trok ik
hem met geweld er uit. Ik voelde den geest van den strijdbaren ridder in
mij varen, en mij op een stoel te paard zettende, kon ik niet nalaten
een zestal oude folianten (het waren Grieksche werken, en daar had ik
toen in mijne romantische bui een hekel aan) met hevigheid aan te
vallen. Ik hakte er op in, dat zij door elkaar vlogen, ik werd hoe
langer hoe meer opgewonden, ik dacht om den Razenden Roeland, om
Walewein en Percheval, om Rogier--niet om Don Quijot, want ik vond dit
toen eene zeer ongepaste satire. Mijn kling vloog rond, ik hakte van den
aardbol een stuk van de kust van Madagascar af, ik kon het niet laten
een grooten _gladiator_ van pleister een klap op zijn arm te geven, even
maar om te beproeven, hoe hard ik wel zou kunnen slaan, voordat hij
brak--maar als ik hem eens brak?--even maar, niet hard, niet te hard,
maar alleen hard genoeg om hem niet te breken, tot de uiterste grens,
waar de breekbaarheid begint, juist dát was zoo uitlokkend,--er is iets
heerlijks, iets bedwelmends, iets onwederstaanbaar verleidelijks in het
beproeven van iets, dat gevaar in heeft--zóó--nu nog één....

       *       *       *       *       *

Het was te hard geweest, veel te hard, dat is duidelijk; lieve hemel!
de arm lag er naast op den grond. Maar dat was nog weinig. De ellendige
gladiator nam verliefd eene naast hem staande Venus in zijn anderen arm,
sleepte haar in zijne omhelzing met zich mede en liet deze liefelijke
godin, vlak voorover, plat op haar neus vallen.

Ik hoorde voetstappen de trap opkomen, had nauwelijks tijd de beelden
weer recht te zetten, den _gladiator_ met zijn gebroken arm tegen den
muur, en zijn rug gekeerd (zoo gaat het meer in de wereld) naar de
schoonheid, die hij ten val had gebracht, eene schoonheid, die nu, met
platgedrukten neus, eene Hottentotsche Venus geleek, en terwijl ik met
angst de nadering der voetstappen, die ik voelde, dat die van mijn vader
waren, afwachtte, zette ik mij weder aan het lezen.

Maar ach! Galiëne en Rogier en het gansche boek hadden op dat oogenblik
hun aantrekkelijkheid verloren, en te midden van mijn angst had ik een
gevoel als iemand, die zelf een schoonen droom en een ideaal heeft
vernietigd, en alsof ik het dichterlijk en tooverachtig waas, dat over
die figuren uit het verre verleden ligt, gescheurd en vaneengereten had.

De voetstappen naderden; wat zou ik zeggen, welke toevallige
omstandigheden in het spel brengen om de vernieling te verklaren? De
waarheid zeggen? Maar hoe zou ik mijn vader de geheimzinnige
aantrekkelijkheid verklaren, die er in gelegen is om te beproeven, hoe
hard men iets kan slaan, voordat het breekt?

Daar gaat de deur open! Gelukkig was mijn vader niet alleen; hij had een
vreemden heer bij zich, en beiden waren in een druk levendig gesprek.
Daar de vreemde tusschen mij en het licht van venster was, kon ik zijne
gelaatstrekken niet goed onderscheiden; ik zag evenwel, dat hij weinige
en witte haren had en zijne gestalte gebogen was. Een vluchtigen blik
slechts had ik, toen hij binnenkwam, op hem kunnen werpen. Ik zag toen,
dat hij zeer gejaagd was en zijn gelaat in zenuwachtige beweging.

Wat zijn wij toch weinig meester van onze gedachten en weinig bewust van
haar oorsprong! Zonder eenige bekende reden, wekte die man, wiens gelaat
ik nauwlijks gezien had, bij mij eene sterke belangstelling, en later
kwam hij mij dikwijls in de gedachten niet alleen, maar begon ik ook
velerlei gebeurtenissen zonder blijkbare reden met hem in verband te
brengen.

Ook geschiedde er met opzicht tot hem iets, dat mij in meer zaken of
toestanden wel eens gebeurd was; namelijk, dat ik mij stellig en vast
verbeeldde te weten, dat ik dien man, met juist al dezelfde bijkomende
omstandigheden, in dezelfde kamer, en met dezelfde gedachten nog eens in
mijn leven gezien had. En toch wist ik toen, en weet ik nu zeker, dat
dit onmogelijk was.

Ik begreep, dat ik weg moest gaan, en toen eerst bemerkten mijn vader en
de vreemde mij. Ik ging, maar niet zonder hevige nieuwsgierigheid, want
er moest wel iets zeer bijzonders en gewichtigs aan de hand zijn, dat
een vreemde in het spinnekoppenhok werd toegelaten, en mijne
nieuwsgierigheid verminderde niet, toen ik heengaande den vreemde met
een wanhopend gebaar de handen mijns vaders zag grijpen.

Toen ik de deur gesloten had, hoorde ik, dat ook de sleutel werd
omgedraaid. Ik bleef staan.

Ik moet bekennen, dat mijne nieuwsgierigheid door alles ten sterkste
geprikkeld werd.

Luisteren--ik voelde, dat er iets schandelijks in was; maar de prikkel
was zoo hevig--en besluiteloos bleef ik staan. Jeugdige sophismen
begonnen zich op te dringen, toen ik toevallig opziende, mij zelven in
een spiegel zag.

Welk een sterken indruk maakt het ontmoeten van onze eigene oogen op
ons, wanneer wij kwaad broeden! Die stille geheimzinnige blik, dien dat
beeld in den spiegel op ons en in onze ziel schijnt te werpen, doet ons
dan huiveren. Het is alsof het beeld daar in het glas niet de
weerkaatsing van ons zelven is, maar een andere persoon, een ander ik,
ons beter ik, een onzer beide naturen, de betere, die op de andere, de
booze, een ernstigen blik werpt.

Ai! daar heb ik mij onvoorzichtig uitgelaten! Ik sprak daar van twee
naturen, van eene goede en eene booze.

Men zit elkander zoo nauw op de vingers te kijken ten opzichte van zijne
theologische begrippen, ten einde elkander dadelijk op de vingers te
kunnen tikken, dat het onmogelijk is, dat ik er met die twee naturen
heelhuids zou afkomen. Men zou mij dadelijk voor een Brahmin, voor een
leerling van Zoroaster, maar vooral voor een Manichieër uitkrijten. Ik
beken daarom bijtijds, dat ik dat niet ben, en dat het waarlijk zonder
erg is geweest, dat ik van eene goede en eene booze natuur gesproken
heb--ik moet zelfs bekennen, doorgaans zoo weinig dit voorname punt in
het oog te houden, dat het mij waarschijnlijk dikwijls gebeurd is,
iemand eene hand te geven, zonder vooraf te weten, hoe hij over die twee
naturen dacht; gij ziet dus, dat het bij mij onschuldige achteloosheid
geweest is, en dat ik met die twee naturen niets kwaads gemeend heb.

Om tot dien spiegel terug te komen. Ik geloof, dat, als een man, die op
het punt is een moord te bedrijven, zichzelven in een spiegel zag,
terwijl hij het mes opheft, ik geloof, als zijne oogen in het glas dat
andere oogenpaar ontmoetten, dat hij zou terugdeinzen....

Ik luisterde niet.

       *       *       *       *       *

Gestoord in mijn rustig verblijf in het spinnekoppennest, en het hoofd
vervuld met duizend dooreendwarrelende gedachten, liep ik onzen tuin in.

Onze tuin wordt van een anderen afgescheiden door eene houten schutting.
Ik ben gewoon daarbovenop te paard te gaan zitten; dan houd ik mij met
het een of ander bezig en scheur middelerwijl van al mijne broeken het
kruis.

Het is nu kersentijd, en bij de schutting, ter plaatse, waar ik erop
zit, staat een kerseboom. Ik neem het den jongen musschen en meezen zeer
kwalijk, dat zij, evenals ik, veel van kersen houden, en terwijl haar
snoeplust mij vertoornt, voldoe ik volop aan den mijnen. Een mensch moet
ook wat voorhebben boven de dieren.

Dit is reeds eene groote vermakelijkheid en geriefelijkheid van mijne
door volgeladen takken overschaduwde zitplaats. Een ander genot is, de
pitten te knippen tegen de glazen van het onbewoonde buis, dat naast het
onze staat.

Daar zat ik dan weer, en at eene kers en wilde juist de pit naar eene
der ruiten mikken, toen ik opeens....

Ik verbeeld mij, dat de afsnijding van den zin in dit oogenblik eene te
treffende en prikkelende uitwerking teweegbrengt om er geen gebruik van
te maken.

       *       *       *       *       *

Tweehonderd ellen ongeveer van de stad en aan den rijweg, stonden twee
huizen met ouderwetsche gevels, waarvan een het onze was.

Het sprong in het oog, dat beide juist van dezelfde grootte, breedte en
uitwendige gedaante waren. Het waren geheel en al tweelinghuizen, want
er was geen raam of boog of stang of steenen figuur of schakeering van
roode en witte steen, die bij beide niet juist gelijk was en beide
hadden een soortgelijk stuk grond achter zich.

Het eenige onderscheid was, dat het éene van de tweelinghuizen teekenen
van leven en goed onderhoud droeg, het andere geheel verlaten, gesloten
en verwaarloosd bleek te zijn.

Wat was de oorsprong dier steenen tweelingen? Vreemde, dwaze geruchten
liepen er over het eene, en er was eene sprook, die ik in mijne
kinderjaren altijd met trillende spanning en angstig genot had gehoord,
hoe daar jaren geleden een man in een klein kamertje vermoord was, en er
op de planken eene roodachtige vlek lag, die geen timmerman er uit kon
schaven, maar die telkens weer opkwam, en hoe na dien tijd niemand meer
in het huis kon wonen of hij stierf kort daarop.

Wat hiervan ook geweest zij, het nevenhuis was sinds eene reeks van
jaren onbewoond en gesloten.

Op den top van den achtergevel stond eene windvaan, dat voorwerp, dat de
mensch, als eene naïeve bekentenis, ten teeken en zinnebeeld zijner
rusteloosheid en veranderlijkheid boven zijne woningen opricht, als de
vlag, waaronder hij vaart. Rusteloos en knarsend had zij ook boven dit
huis volgens elke windstreek rondgevlogen, misschien evenals de harten
van menschen, die onder dat dak gewoond hadden. Maar eindelijk had de
dartele en woeste wind zijn speelgoed gebroken, zooals de kinderen der
menschen doen. Gebogen en scheef hing nu de windwijzer, en onbeweeglijk
was hij aan de roestige stang vastgebleven, zeker wel om hoog en wijd en
zijd de waarheid te prediken, dat wie met alle winden mede wil draaien
er eindelijk door geknakt wordt.

De musschen nestelden vrij in het dak met de spreeuwen, en de kraaien in
de schoorsteenen, waaruit geen opstijgende rook meer deed denken aan den
huiselijken haard en de warmte der huiselijke genegenheden. Gansche
geslachtsreeksen van zwaluwen hadden in de goten het eerste levenslicht
ontvangen, en een wild en weelderig groeiende wingerd liet, als een
zinnebeeld van verlatenheid, zijne ranken, in de grootste verwarring
door elkander gestrengeld, langs een gedeelte van den achtergevel en
over de geslotene en vervelooze luiken afhangen.

De tuin achter het huis was even woest als het overige, het gras groeide
voeten hoog te gelijk met eene uitgelezene verzameling van onkruid. Al
de boomen en heesters hadden in broederlijke toegenegenheid hunne takken
in elkander gestrengeld, als tot eene les aan den mensch, dat, wanneer
deze er de hand en het houweel niet in had, zij in liefderijke
toenadering en omhelzing voort zouden leven. Het zou even moeilijk
geweest zijn, er pad of weg te vinden als in de onbegane prairiën van
Amerika of sommige grammatica's.

Het eenige, wat liefelijk scheen in deze woestenij, was de groote
menigte rozen, die er in weelderigen overvloed en in dichte bosschen met
honderden bloemen groeiden.

Zóo had ik jaren lang dezen tuin en dit huis gekend en nooit had ik
daar, wanneer ik op de heining zat, eenig spoor van leven ontdekt. Soms
was ik wel over die heining geklommen en had met verbazing in die
wildernis gewandeld, en enkele malen had ik getracht over de halve
buitenluiken in het huis te kijken, maar toen ik eens, daarmede bezig,
een zwaren slag daarbinnen gehoord had, was ik met schrik weggeloopen,
alsof de vermoorde man met eene geheele bende gruwzame spoken mij op de
hielen zat.

Ik geloof genoeg gezegd te hebben om mijne verbazing te verklaren, toen
ik, juist mijne eerste kersepit naar die ramen willende knippen, zag,
dat de luiken openstonden en de woeste wingerdranken voor de glazen
eenigermate waren weggesnoeid en opgebonden. Maar in den tuin ziende,
was daar iets, dat mij nog meer verbaasde en mij met eene kers
halverwege in mijn mond deed blijven zitten.

Midden in het hooge gras en half bedolven onder een grooten hoop
afgeplukte rozen zat een klein meisje, zeven jaar oud, denk ik, met deze
bloemen te spelen. Nu eens wierp, zij ze in de lucht en ving ze, met de
kleine handjes weer op, dan bedekte zij haar hoofd en gitzwarte haren er
mede, en als zij er dan uit opdook, was het alsof zij, als Afrodite uit
het fonkelende schuim der zee, uit die bloemen geboren werd.

Eene soort van tegenstrijdigheid was er evenwel voor het uitwendige
tusschen dit kind en die rozen, in zoover, dat men haar niet daarmede
had kunnen vergelijken, gelijk men anders gaarne een blond en blozend
kind zou willen doen, want dit meisje was niet blond en rooskleurig als
de kinderen van het Noorden, maar hare tint was bleek, en donker waren
oog en haar. Eene sterke sympathie scheen er toch tusschen die bloemen
en haar te bestaan, want evenals bloemen zich in eene vunzige lucht
intrekken en verwelken en zich ontluiken en verlustigen in een
liefelijken dampkring, zoo was het nu, alsof die rozen, al werden ze
door haar dartel spel gekneusd, toch frisscher geurden en bloeiden in
den luchtstroom, die het kleine meisje omringde.

En waaruit anders, zoo niet uit eenige zonderlinge verwantschap, was het
te verklaren, dat zij zich door zulk speelgoed voelde aangetrokken?

En die sympathie--bestond zij tusschen de kleuren en geuren in haar
gemoed, en den gloed en den reuk dier rozen?

Was het, omdat in dat jeugdige kindergemoed de kiem lag eener gave, die
wellicht later zou ontwikkeld worden, de gave om bij voorkeur de bloemen
in het leven op te merken?

Of omdat in latere dagen in het huis, dat zij zou betreden, en op het
pad, dat zij zou bewandelen, bloemen onder ieder van hare voetstappen
zouden opspringen?

Of was er gelijkheid van lotsbestemming in beide? Zou zij als eene bloem
òf door een achteloozen voet vertrapt, òf wel door een droevig toeval
geknakt worden?

Wat al mogelijkheden in de toekomst ook van dit kind! En welke daarvan
zal tot werkelijkheid gemaakt worden?

       *       *       *       *       *

Mijn romantische geest hield zich voortdurend met dit meisje bezig en
begon den raadselachtigen vreemde, dien ik in mijns vaders bibliotheek
gezien had, met haar in verband te brengen en daarvoor allerlei
toestanden en geschiedenissen te verzinnen. Dikwijls nog zag ik het
kind, evenals die eerste maal, met hare rozen bezig, zoo het scheen haar
eenig en geliefdste speelgoed. Noch door mijne ouders, noch door
mijnheer Tjilp kon ik iets van haar vernemen, hoewel het duidelijk was,
dat zij er meer van wisten, zooals mij bleek, wanneer op mijne vragen
mijnheer Tjilp het eenvoudigste gezicht van de wereld wilde zetten en
daardoor zich juist verraadde.

Eenige weken waren hierna verloopen, toen ik op eenen avond mijn vader
hoorde uitgaan en naast ons het huis binnentreden. Sedert dien dag werd
het zijne dagelijksche gewoonte 's avonds uit te gaan en na twee of drie
uren van afwezigheid terug te komen.

Dit had acht of tien dagen geduurd, als eens op een avond mijnheer v.
N.---- buitengewoon lang uitbleef. Het werd tien, elf, bij twaalf uren,
en nog kwam hij niet terug. Eindelijk hoorden wij voetstappen.

De deur ging open--het was mijn vader, die binnentrad. Doch hij was niet
alleen; in zijne armen hield hij het kleine meisje, dat ik in den tuin
had zien spelen met de rozen, maar dat na luid snikkende het hoofdje
tegen zijne borst drukte. Met de snelheid van eene electrische vonk over
den draad was mijn geest in beweging en bouwde zich eene gansche
geschiedenis.

De wanhopende man, dien ik in mijns vaders kamer gezien had, zou de
vader van dit meisje zijn. Zijne vrouw zou overleden zijn in een vreemd
land, waar zij hem met dit kind alleen zou hebben achtergelaten. Door
eene reeks van rampen vervolgd, door armoede, door wie weet welke schuld
of misdaad bezwaard, zou hij zich onbekend hebben moeten houden, waarom
hij zich eindelijk in dit verlaten en onbezochte huis naast ons was
komen verbergen. Hier zou hij ziek zijn geworden, en het zou naar hem
zijn geweest, dat mijnheer v. N. zich dagelijks begaf om hem te helpen,
totdat hij ten laatste het tijdelijke verlaten en zijn kind aan de
zorgen van zijn weldoener zou opgedragen hebben.

Zóó, maar met oneindig meer en fijnere bi

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/17554