Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Krates: Een Levensbeeld

by Justus van Maurik · Dutch · Gutenberg #17549 · 431,263 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Krates: Een Levensbeeld
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Krates: Een Levensbeeld

Author: Justus van Maurik

Illustrator: Joh. Braakensiek


        
Release date: January 19, 2006 [eBook #17549]

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/17549

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at http://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KRATES: EEN LEVENSBEELD ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/








                         Krates

                    Een levensbeeld

                          Door

                 Justus van Maurik Jr.







        Bertha: "Weg, Bultenaar!"

        Arnold: "'k Werd zoo geboren, moeder."

                                        _Byron_.








I.

EEN DRAMA BINNENSHUIS.


't Heeft er jaren lang gestaan: "_Philip Strijkman koopt alle soorten
van kleederen en andere artikelen in, tot den hoogsten prijs_," en
't zou er misschen nog even duidelijk met zwarte letters op 't witte
bord te lezen staan, wanneer niet sedert ettelijke jaren de eigenaar
tot zijn vaderen vergaderd was.

Aan de geschiedenis, die ik wil vertellen, hindert het evenwel in
het minst niet, want op het oogenblik, dat mijn verhaal begint,
pronkt het bordje nog in volle fleur boven tegen het snijraam der
smalle deur van het ouderwetsche huis in de Egelantiersdwarsstraat,
dat ik met u wil binnengaan.

't Ziet er niet zeer aanlokkelijk uit, dat smalle perceel; de verf
van het houtwerk is langzamerhand door weer en wind ontbonden en
overgegaan tot een schilferige korst van een onmogelijke kleur. De
steenen der pui zijn sinds onheuglijken tijd niet geolied en hier en
daar laat de kalk los uit de voegen, die nattig en vuil u aangapen. De
nok van het huis hangt treurig voorover en de vermolmde hijschbalk
steekt er als een ontvleesde arm uit.

Let eens op de scheeve kozijnen der vensters, waarvan twee breedere aan
elke boven-, twee smallere aan iedere onderverdieping, door de kleine
groenachtige ruitjes een karig licht laten vallen in de vertrekken,
die van achteren geen ramen hebben, maar een beplakt schotwerk,
dat hen van de achterkamer scheidt.

Naast de deur bemerkt ge een gelijkvormige dito, die toegang geeft
tot de trap, welke naar de bovenwoningen leidt.

Even verveloos en verwaarloosd als haar buurvrouw, onderscheidt zich
die deur alleen door een papier, dat boven tegen de gebarsten ruitjes
van het snijraam geplakt is en den voorbijganger vertelt, dat op de
onderste voorkamer woont:

    _N. Makko. Scheerdt en kureerdt honden en neemt dezelfde in
    de kost._

Voordat wij die trap opgaan, willen we eens even met de woning van
den pandjeshuishouder Philip Strijkman kennis maken.

Ga met mij het smalle gangetje door en pas op dat ge uw hoogen hoed
niet deukt, als ge het lage deurtje binnentreedt, dat naar de zijkamer
voert, waar de winkel, of eigenlijk het pandjeshuis wordt gehouden.

Voorzichtig! want het is donker, als ge binnenkomt; de eene helft der
vensters wordt in beslag genomen door een dichte groene hor, en de
andere wordt verduisterd door het dikke geelkatoenen valgordijn, dat
vingerdik stof in zijn plooien heeft en daardoor nog ondoorschijnender
is.

Er heerscht een zekere nevelachtige toon in die kamer, en juist
dat grauwe duister is in overeenstemming met de plaats, waar wij
ons bevinden; want in de woning van Strijkman heerscht de geest des
woekers, en die schuw het licht, evenzeer als zijn slachtoffers, die
hem gewoonlijk tusschen licht en donker of des avonds hun schatting
komen brengen.

Neem u in acht en struikel niet tegen de lage balie, die u belet verder
in de kamer te komen dan een voet of vier: leun met uw ellebogen op de
plank, die boven op die leuning is aangebracht, en zie oplettend rond.

Langs den muur, naast en boven de deur, die naar het achterkamertje
leidt, ziet ge vakken, ruw van withouten planken getimmerd en gevuld
met bundels en pakken van allerlei grootte en kleur, alle voorzien van
briefjes en nummers. Recht tegenover u is een groot vak vrijgebleven:
daar hangen winterjassen en parapluies, die dikwijls gehaald en
gebracht worden en daarom voor de hand moeten blijven. Iets meer
links zijn weer andere vakken, met doozen en kistjes, waarin allerlei
artikelen van kleinere afmetingen, alle genummerd, bijeenliggen;
rechts ontdekt ge een hoogen lessenaar met een groengazen scherm aan
de eene zijde en een hooge kantoorkruk er voor. Een paar liassen zijn
aan het scherm opgehangen.

Onder dat meubelstuk eindelijk zoudt ge tal van laden kunnen zien,
die, steeds gesloten, de voorwerpen van meer waarde, zooals horloges,
ringen, halskettingen en ander klein goud- en zilverwerk herbergen. Op
het oogenblik, dat mijn verhaal begint, zit de eigenaar van het
pandjeshuis in de achterkamer bij de tafel in een groot, dik boek
te schrijven.

't Is er zoo donker, dat hij, hoewel 't pas vier uren in den namiddag
is, zijn olielamp reeds heeft opgestoken. Haar rosachtig schijnsel
steekt onaangenaam af bij 't vale, doffe licht, dat door de vervuilde,
hoornachtige ruitjes van het eenige venster, een zoogenaamd hooglicht,
binnenvalt. Het kleurt Strijkmans voorovergebogen gestalte en zijn
naaste omgeving met een zonderlinge tint. Een groote grijze pet met
een groen lichtscherm er aan dekt zijn hoofd en beschut zijn kalen,
slechts hier en daar met dunne vlokken lang grijs haar beplanten
schedel voor koude en warmte.

De diep in hun kassen gezonken, sluwe, grijze oogen, ontsierd door
roodgerande oogleden, zijn thans strak op het voor hem liggende boek
gevestigd. De dunne bloedelooze lippen, vast op elkander gedrukt,
doen den tandeloozen ingevallen mond nog breeder schijnen dan hij
in werkelijkheid is, terwijl de spitse kin en de kromme neus aan het
geheele gelaat iets havikachtigs geven. Ongeschoren en onzindelijk,
met scherp geteekende lijnen langs neus en wangen doorgroefd, is zijn
geheele gelaat terugstootend en geven de diepe plooien tusschen de
wenkbrauwen, gevoegd bij een zekere trilling der mondhoeken en der
dunne lippen, er een uitdrukking van boosaardigheid aan, wanneer
hij spreekt.

Een versleten grijze jas en een vest, dat slechts met een paar
knoopen wordt dicht gehouden, doen een oud blauw-baaien hemd zien,
dat hem tevens als borstrok dient. Een geruite pantalon, die eenmaal
voornamer beenen omkleedde, hangt slordig op de verschoten pantoffels,
waarin zijn groote met wollen kousen bekleede voeten steken.

Voor hem op tafel zit een magere zwarte kat zich te koesteren in de
warmtestralen der lamp. Nu en dan likt zij aan haar poot en wascht
zich daarmede over den neus, terwijl ze de groenachtig grijze oogen
dichtknijpt, om ze een volgend oogenblik op haar meester te vestigen,
die onafgebroken zit te rekenen.

Gedurende geruimen tijd telt de pandjesbaas ongestoord verder.

"Achthonderd zesenvijftig en vijftien is achthonderd éénenzeventig,
en twaalf is achthonderd drieëntachtig. Hè! hè! hè! hè! 't is van
deze drie maanden nog al aardig aangeloopen. Er zullen een heele boel
pandjes moeten verkocht worden. Hè! hè! hè! dat geeft beter dan die
miserale percenten. Verkoopen maar, dat's de baas, daar draai ik het
altijd naar toe," zegt Strijkman, als tot zichzelf, terwijl hij zijn
magere, klauwachtige handen wrijft.

"Achthonderd drieëntachtig, daar kan wel eens een traktatie op staan
vandaag, hé poes?" De oude man zet eerst zijn pet, dan zijn bril af,
wrijft met den rug der hand over zijn oogen, trekt de wenkbrauwen
een paar malen op en neer en herhaalt:

"Daar kan wel wat lekkers af, hé poes?"

"Maauw!" zegt de kat, terwijl zij een hoogen rug trekt, als haar
meester haar aanspreekt.

"Ja! ja! jij krijgt ook wat, poes; als 't op den eenen regent, druipt
het op den anderen," vervolgt de oude man opstaande. Hij sloft langzaam
naar een hoekkastje, grabbelt in zijn diepen jaszak naar den sleutel
en ontsluit eindelijk de deur er van.

Een vieze, bedompte lucht komt hem te gemoet, als hij de kast opent.

Zijn neusgaten worden wijder, als hij die lucht opsnuift en grinnekend
zegt: "Lekker! hm! lekker, hé poes? Ja, jij krijgt ook wat;" en als de
kat met hoogen rug en opgeheven staart langs zijn beenen strijkt, voegt
hij er bij: "Zoete poes, jij krijgt de korstjes; wees jij maar gerust."

Uit een hoek der kast brengt hij, in een krant gewikkeld, een vrij
groot stuk kaas te voorschijn, dat hier en daar reeds groenachtig
is uitgeslagen door 't lange liggen. Hij ruikt er aan en meesmuilt:
"Lekker, lekker!"

Voorzichtig snijdt hij er een gedeelte van af en bergt de
rest zorgvuldig weer in 't papier en in de kast, waaruit hij
achtereenvolgens een stuk brood, wat boter, een flesch met brandewijn
en een glas neemt.

Met welgevallen beschouwt hij de flesch tegen het licht der lamp,
en terwijl hij met zijn duim en voorvinger tegen den buitenkant der
flesch een zekere hoeveelheid van den inhoud afmeet, schenkt hij het
vocht in het glas en kurkt de flesch weder dicht, nadat hij met zijn
tong den druppel, die aan den hals bleef hangen, heeft verwijderd.

Hij snijdt een stuk brood af en legt dat bij de kaas en 't glas op
een stuk papier, dat dienst doet als bord.

Als de rest der kostbare artikelen weer opgeborgen is, slaat Strijkman
zijn boek dicht en zet zijn bril weer op, voordat hij gaat eten;
waarschijnlijk omdat door 't brillenglas de hoeveelheid brood en kaas
grooter schijnt.

Met de eene hand onder het hoofd gesteund zit hij bij de tafel en
eet langzaam zijn traktatie.

"Hè! dat doet een oud mensch goed. Ja, poes, kaas is een heerlijke
kost, maar te duur, eigenlijk veel te duur voor een burgermensch. Dáár,
poes, dat is voor jou," en na zooveel mogelijk het weeke gedeelte er
van te hebben afgebeten, met de enkele stompjes tand die hem resten,
legt hij het korstje voor de kat, die het even besnuffelt en dan met
scheef gehouden kop opknauwt. Met uiterst langzame teugjes drinkt
hij het glaasje brandewijn ledig, smakt een paar malen met de dunne
lippen en strijkt liefkoozend met de rechterhand over zijn maag,
terwijl hij mompelt:

"Dat's warm, dat's lekker, dat brandt op je hart, dat doet goed,--maar
't is te duur, veel te duur. Voor een enkele maal kan het er door,
maar 't is eigenlijk zonde van 't geld."

De kat kijkt hem met haar groene oogen aan en miaauwt zachtjes,
als wilde zij zeggen: krijg ik niemendal?

"Wou jij ook wat hebben, hè! hè! hè! Lust jij ook brandewijn?" In
Strijkmans oogen vlamt het boosaardig.

"Miaauw!"

"Wou je 't ook eens proeven, hè, poes?"

"Miaauw!"

Eensklaps pakt Strijkman de kat bij haar nekvel, trekt haar op den
schoot en laat de paar laatste druppels uit het glaasje op haar neus
en in den halfgeopenden bek loopen.

De kat schreeuwt angstig en wringt zich onmachtig onder de handen
van haar pijniger.

Proestend en met den kop schuddend springt het dier van zijn schoot,
als hij 't eindelijk loslaat; het blaast nijdig tegen zijn meester,
die grijnzend zegt: "Lekker, hé? Hè! hè, hè! hè! Heb ik je nou
getrakteerd, heb je 't goed bij den baas? Hè! hè! hè!" 't Arme dier
schudt en proest voortdurend door 't sterke vocht, en de pandjesbaas
ziet met duivelachtige vreugde, hoe de kat eindelijk, onder de kast
kruipend, een schuilplaats zoekt. Hij lacht totdat de tranen hem in
de roode oogen komen, bukt zich om onder de kast te kijken en roept:
"Hè! hè! hè! poes! poes!"

De kat houdt zich schuil en de oude woekeraar mompelt in zichzelf,
terwijl hij zich weer aan tafel zet en een paar overgebleven
broodkruimels met de toppen der vingers opneemt en in den mond steekt:
"'k Lust'm beter dan hij."

Een hevig gestommel op de trap, die onmiddellijk aan zijn kamertje
grenst, doet hem opschrikken.

Een verward gedruisch van stemmen en eenige luide vloeken geven hem
de zekerheid, dat er bij de buren iets buitengewoons voorvalt.

"Wat is dat voor een spektakel?" vraagt hij in zichzelven, en terwijl
hij naar de deur gaat om te zien wat er gebeurt, voegt hij er bij:
"Dat's zeker weer Claas Makko, dien ze dronken thuis brengen."

Nog voor hij de deur bereikt heeft, komt hem een buurvrouw te gemoet,
met de woorden: "O! heere! buurman, wat een geval! Ga gauw ereis mee
naar boven; zóó erg heeft hij 't nog nooit gehad ..."

"Is 't al weer zóó-laat met Makko?"

Strijkman gaat even terug, sluit zijn winkeldeur dicht en staat nu
met de vrouw op straat. Beiden zien naar boven.

"Is hij erg dronken?" vraagt de pandjesbaas.

"Veel erger, buurman; hij heeft op straat het lirium gekregen; de
kruier van den hoek en de man van de groenvrouw hebben hem hierheen
gebracht; hij slaat met handen en voeten als een razende en ... Hoor
eens, hoe hij aangaat! Allemachtig! net een dier ... O! wat een beest
van een vent; en hoor die honden eens," de vrouw houdt de handen voor
de ooren.

"'t Is verschrikkelijk, juffrouw Ram," antwoordt Strijkman, als
eensklaps van boven een gebrul klinkt, dat niets menschelijks heeft
en dat zelfs 't hevig hondengeblaf overstemt.

"Heere! heere! wat gaat hij te keer ... Hoor eens! ... Mooi! de boel
gaat kort en klein, hij slaat de glazen in, God bewaar me, dat was
bijna raak. Mensch! 't schiet me in mijn knieën," zegt, bleek wordend,
de juffrouw, als een stuk glas en een gebroken aarden schotel rakelings
langs haar heen op straat vallen.

Met de woorden: "Ik zal toch eens even gaan kijken," slaat Strijkman
zijn loshangende jas dicht en strompelt, zoo spoedig zijn neergetrapte
pantoffels het toelaten, de trap op naar de onderste voorkamer,
gevolgd door de vrouw, die telkens herhaalt:

"O! genade! O, Heere! zoo erg heeft hij 't nooit gehad."

De voorkamer, die door Makko den hondenscheerder bewoond wordt, is
een beeld van de meest onbeschrijfelijke verwarring. Vastgehouden
door de twee mannen, die hem tehuis brachten, staat de dronkaard
midden in de kamer en schopt zoo ver hij kan om zich heen. Doodsbleek,
met stukgebeten lippen en 't schuim op den mond, de oogen met bloed
beloopen, brult hij als een bezetene. Met de kracht van den waanzin
tracht hij zich los te rukken uit de handen der mannen, die hem met
de grootste inspanning vasthouden. Zijn haren hangen verwilderd over
zijn voorhoofd en zijn kleederen zijn bijna aan flarden gescheurd.

Eensklaps staat hij als aan den grond genageld, de oogen puilen hem
schier uit het hoofd en onafgebroken staart hij naar een hoek der
kamer, terwijl een siddering door zijn lichaam vaart. Met heesche
stem roept hij:

"Weg, daar!--Vervloekt! dat beest vliegt mij aan. Draai hem zijn nek
om. Geef hem een doodschop! Hij komt, hij komt!"

"Hou hem goed vast, Manus," roept de kruier tot zijn makker, die,
evenals hij, niet dan met de grootste moeite de armen van den
hondenkoopman in bedwang kan houden.

"Wees nou een beetje bedaard, Makko! Je verbeeldt het je eigen maar;
er is geen bulhond, waarachtig niet,..."

"Daar! daar! Zie je hem dan niet ... Daar vliegt hij op me aan ... Hou
hem weg! Verd..md hij is dol," en geweldig schopt hij voor zich uit,
als wilde hij het denkbeeldige dier van zich afweren. "Daar! daar! Hij
komt weer," gilt de door den drank waanzinnige man, als het gehuil en
geblaf der honden, die in de kamer in hokjes zitten of aan kettingen
liggen, heviger dan te voren weerklinkt.

Met Strijkman en de buurvrouw zijn intusschen tal van andere buren
nieuwsgierig in het portaaltje, op de trap en in de kamer gekomen,
om het akelige schouwspel te genieten.

Allerlei stemmen spreken te gelijk.

"Makko is weer dol," roept de één.

"Wat wonder! Hij is drie dagen onder water geweest," verzekert
een ander.

"Laten we hem naar 't gasthuis brengen," zegt een derde.

"Wat is er aan de hand?" vraagt een buurvrouw, die, achter de anderen
staande in de kamer, met uitgerekten hals over hun schouders tracht
te zien.

"Makko heeft 't op zijn zenuwen," grinnikt iemand uit den hoop.

"Daar blijft hij in," zegt verschrikt een der vooraanstaanden tot
zijn achterbuur.

"Och, ben je mal, hij komt wel weer bij zijn positieven," schreeuwt
een vrouw terug.

"'t Is al voor den vijfden of zesden keer dat hij lirium heeft,
maar zoo erg als vandaag heeft hij 't nog niet gehad," merkt
juffrouw Ram aan, die na Strijkman in de kamer is gedrongen en zich,
met hem, angstig in een hoek bij de armoedige bedstede verscholen
houdt. Binnensmonds mompelt de pandjesbaas: "Hij ruïneert mijn boel,
alles gaat stuk; nu moet hij er bepaald af; ik kan die kamer wel
zesmaal, en beter verhuren."

"Laat dan toch iemand om een dokter of een meester gaan," roept een
der mannen, die hem vasthouden. "Gauw dan toch: de kerel is razend,--ik
kan hem niet houden.--Gauw dan! ..."

De verwarring neemt met elk oogenblik toe: een paar van de honden zijn
losgebroken en loopen blaffend en huilend, verschrikt door 't rumoer,
door de kamer, of janken erbarmelijk, als zij door de vechtenden nu
en dan getrapt en geschopt worden. Enkele vrouwen beginnen luidkeels
te gillen, en daartusschen klinkt een grove mannenstem, die schreeuwt:
"Hou toch jelui snaters ..."

"Moord!" roept op gesmoorden toon een der mannen, de kruier, als
plotseling, met een verraderlijken ruk, de honden-koopman zijn
rechterhand bevrijdt en hem daarmede de keel dichtknijpt.

Strijkman siddert van angst; terug kan hij niet, want de opening
der deur en ook 't portaal is door de aangroeiende burenmassa geheel
ingenomen.

"Moord!" rochelt nogmaals de aangevallene, als de ijzeren greep van
den waanzinnige hem de keel toeschroeft.

Eenige mannen dringen nu de kamer binnen en komen den kruier te
hulp, die eindelijk bleek en ontdaan, half gewurgd, met de bloedige
indruksels van Makko's nagels aan den hals tegen den wand tuimelt,
met de woorden: "Hij is dol. Haal den meester! Haal den meester!"

Op eens houdt het gebrul op; de handen van den hondenkoopman worden
slap, hij biedt geen tegenstand meer, zijn hoofd zinkt voorover,
en terwijl een zucht snerpend en schel zijn borst ontvlucht, zakt
hij ineen. Nog een paar malen trilt zijn geheele lichaam; de oogen
dringen bloedig uit hun kassen; de tong, blauwachtig opgezwollen,
hangt een eind over de onderlip; de neusvleugels verwijden zich een
oogenblik, om dadelijk daarna weer samen te trekken en aan den neus
den eigenaardigen spitsen vorm te geven, die de voorbode is van den
dood. Al de wezenstrekken worden slap, de oogen breken; rochelend
blaast hij den laatsten adem uit en de vale doodskleur trekt over
zijn gelaat, terwijl zijn geheele lichaam zich op den grond uitrekt
en daarna roerloos blijft liggen.

De omstanders dringen met ingehouden adem hoe langer hoe meer
vooruit. Zonderling steekt de plotselinge, akelige stilte, die nu in
het vertrek heerscht, af bij het ontzettende geweld van zoo even. "Ik
geloof, dat oom Kool er geweest is," zegt de groenboer, zich met de
hemdsmouw het zweet van 't voorhoofd wisschend. "Sakkerloot, wat was
dat een toer!"

"Daar is de meester!" klinkt een stem onder aan de trap, en eenige
oogenblikken daarna maakt men ruimte bij de deur der kamer om een
chirurgijn binnen te laten, die inderhaast door een der buren is
opgezocht. In een oogenblik is nu de kamer overvol. Allen verdringen
zich om den medicus, die bij het lichaam van den hondenscheerder
neerknielt, diens oogleden omhoogheft en, na 't hart betast te hebben,
kortweg zegt: "Hij is dood. Jeneverberoerte!"

"Ja, dat dacht ik wel: hij heeft van morgen ook beestachtig gedronken,"
zegt de kruier, die weer wat van zijn schrik bekomen is. "Kijk eens,
meneer, hij had mij bijna ook om gaies [1] geholpen," en hij toont
de krabben aan zijn hals.

"Doe er maar wat azijn en water op; en haal een raderbaar, dan kan
dat lijk naar 't politiebureau gebracht worden. Of heeft de man hier
familie?" vraagt de chirurgijn.

"Fermielie?" antwoordt juffrouw Ram. "Och neen, meneer, de man leefde
hier alleenig met zijn kleinen jongen, een bocheltje van een jaar of
elf, een rakkerd van een jongen, 'n plaaggeest voor de heele buurt."

"Had hij geen vrouw?"

"Dood, meneer, voor drie jaar geleden. Een zegen voor 't mensch! De
juffrouw was goed, zachtzinnig; ze had dan erg het water, daar
laboreerde ze lang aan. O! meneer een lichaam als drie, en dikke
beenen, o! je werdt er akelig van, en dan ..."

"Dank je voor de rest, juffrouw. En 't kind?"

"Zooals ik uwé zei, een rakkerd."

"Waar is het?"

"Och, die zwerft zeker ergens in de buurt; of misschien zit hij
wel hier of daar verstopt; dat levert hij meer. Zoo ga je zonder
erg de trap op: flap! dan vliegt je op eens die "krates" tegen je
beenen. Een plaag voor de buren, maar een stumperd; ik geef hem wel
af en toe ereis een boterham of een kliekje, omdat hij er soms zoo
akelig hongerig uitziet; maar ...."

"Al goed, vrouwtje," en tot de omstanders gewend, vervolgt de medicus:
"Laat het lijk dadelijk naar 't politiebureau brengen; over een half
uur ben ik er zelf."

Vijf, zes stemmen verzekeren den meester, dat er niets aan mankeeren
zal. Een kwartier later is de raderbaar voor de deur en wordt het
lichaam van den gestorvene er in gelegd en, begeleid door jongens,
straatslijpers en buren, die nieuwsgierig medeloopen, weggebracht.

Nog een kwartier later is de kamer ontruimd en gaat ieder der buren
zijns weegs, alsof er niets gebeurd was.



Een menschenziel is de eeuwigheid ingegaan en niemand van de
overgeblevenen vraagt zich af: hoe? of waarheen? Zij dolen verder door
het leven, tot ook het raadsel van 't sterven voor hen wordt opgelost.

Strijkman heeft den kamersleutel tot zich genomen en eigent
zich reeds in gedachten de honden of liever de opbrengst er van
toe. Handenwrijvend denkt hij: "Er is toch niemand, die er gading
naar kan maken. Hè! hè! hè! ik ruk 't boeltje in;--wat er van komt
is pure winst."





II.

"KRATES."


't Is geheel donker geworden in de verlaten kamer; alles is er in rust,
zelfs de honden zijn bedaard en liggen met hun kop op de voorpooten te
soezen. Beneden in den winkel staat Strijkman nog met juffrouw Ram over
het geval te praten en vertelt, dat hij de honden naar de Botermarkt
zal laten brengen, om ze daar te verkoopen. "'k Moet toch zien, dat zij
mij voor de achterstallige huur wat opbrengen; en als er wat over is,
kan ik het met een gerust geweten houden voor al wat hij op mijn kamer
bedorven en gebroken heeft," zegt hij meesmuilend, want hij berekent,
dat hij nog met eenig profijt van een onaangenamen huurder afkomt.

"En wat zal er nu van dien krates worden?" vraagt juffrouw Ram.

"Dat weet ik niet. 't Gaat mij ook niet aan, buurvrouw."

"'t Is een gare rot, een jongen, die, zoo klein als hij is, toch slim
is voor drie."

"Ja, goochem is hij."

"Misschien nog goochemer dan jij, Strijkman."

De oude man ziet haar aan met dichtgeknepen oogjes, glimlacht alsof
hij denkt: "dat kon je nog tegenvallen," en antwoordt: "Neem jij hem
bij je in huis, juffrouw Ram; hij kan je al gauw in de hand komen
met boodschappen doen."

"Ik? Geen gedachte. Mijn eigen jongens worden haast groot
genoeg. Waarom neem jij hem niet, Strijkman? Je hebt kind noch kraai;
en heb je me laatst niet gezegd, dat je wel zoo'n soortement bediende
kondt gebruiken? Nou kun je er goedkoop aankomen; voor den kost en
een paar stukjes kleeren ben je klaar. 't Is wel geen mooi gezicht,
zoo'n bult in je kantoortje, maar ..."

"Dat zou me een zorg wezen! Maar ik heb geen lust om een andermans
kind te eten te geven; 'k heb zelf werk, dat ik rondkom."

"Jij? Laat naar je kijken!"

"Hoe zoo?"

"Jij hebt ze, Strijkman,"--juffrouw Ram maakt de beweging van geld
tellen,--"en dik ook, dat weet de heele buurt."

Met een zijdelingschen, min of meer angstigen blik naar het
binnenvertrek antwoordt de pandjesbaas: "Praatjes, allemaal
praatjes!--'k Zou misschien wat over kunnen hebben, wanneer ik minder
voor de panden gaf; want gewoonlijk ..."

"Nou, 't is goed, 'k zal je voor dezen keer gelooven", grinnikt
juffrouw Ram en vervolgt: "Het zou nog zoo gek niet zijn, als je den
jongen naamt. Je hebt er hulp van en je kunt hem heelemaal naar je
hand zetten. Een krates is hij en een rakkerd ook, maar eerlijk er
bij. Hij heeft me een veertien dagen geleden mijn knipje, dat ik hier
in de straat verloren had, teruggebracht, en er was geen cent uit."

"Hoe wist hij, dat het jouw knipje was?"

"Er zat toevallig een briefje in, waar mijn naam op stond".

"Zoo, hm! dus hij kan lezen?"

"Ja, en schrijven ook, wat netjes," antwoordt snel de juffrouw,
die innerlijk een zeker medelijken gevoelt met den stumperd, die
anders naar het _gesticht_ moet, zooals zij het noemt en, evenals
de meeste vrouwen van haar stand, het _gesticht_ [2] als het toppunt
van ellende beschouwt.

Strijkman weifelt een oogenblik; hij denkt na: "Als ik den jongen
neem, laat ik hem alles doen; dan kan ik vrouw Sabel" (een oude
schoonmaakster, die zijn boeltje zoo wat aan kant houdt) "missen;
dat zou een gulden in de week gespaard zijn. Hm, de jongen eet
misschien voor drie ... En dan zoo'n kijk-in-den-pot ... Neen,
'k zal vrouw Sabel maar houden."

"Nou, Strijkman, hoe denk je er over?"

"'k Wil hem niet hebben, juffrouw Ram.--Waar zit die jongen?"

"'k Weet het niet, Strijkman; maar als ik hem ergens zie, zal ik hem
bij je sturen," antwoordt de juffrouw zich verwijderend.



Waar zit die jongen?

Boven op de donkere kamer, in een hoek der bedstede hurkt een mismaakt
kind, een jongen van ongeveer elf jaren.

Een kleine, tengere gestalte met een vergroeide ruggegraat, bleek van
tint, met sproetachtige wangen en blauw-geaderd doorzichtig vel aan
de slapen. Een vrij groot hoofd, met dun rosachtig blond haar bedekt,
rust op een korten hals en nijgt ietwat scheef naar de zijde, waar de
ruggegraat het kromst is. Alleen de oogen, groot, bruin en zwaarmoedig,
zijn niet onaangenaam van uitdrukking, en om zijn mond, goed gevormd
en met schitterend witte tanden voorzien, speelt een innemende trek,
iets wat men evenwel eerst bij nadere beschouwing opmerkt. Als allen
de kamer verlaten hebben, is het kind, dat verschrikt door al het
rumoer zich in de bedstede heeft schuilgehouden, voor den dag gekomen
en zit nu op den rand van het bed. In zijn armen houdt hij een hondje,
een mank, ongelukkig dier, met afgesneden ooren en een akelig stompje
staart, dat rusteloos heen en weer gaat.

Met zijn lange, tengere vingers strijkt de knaap over de borstelige
haren van het hondje en brengt zijn mond dicht bij de korte oortjes.

"Ze bennen weg; jij was ook bang voor 't leven. Hu! wat was dat
akelig! Jij blijft bij me, hé, Boppie? Van jou hou ik, omdat jij mank
bent en leelijk; jou schoppen ze ook. Ja, hé! net als mij ... En jij
kunt ook nog niet erg bijten, omdat je nog te klein bent; maar ik
zal je te eten geven, en als je dan groeit en groot bent, dan kun je
van je af bijten. Ze wouen je verdrinken, omdat je mank loopt, maar
ik heb je verstopt ... en nou hou je van mij, hé, Boppie? Jij likt
me, ja! goeie hond, jij zoent den baas, ja! ja! lik me maar. Jij
roept niet: Kriek! of Krates! tegen me. Nu, nu, Boppie, niet zoo
erg. Koest dan, hond! Ze hebben hem weggebracht, hij heeft z'n eigen
dood gedronken; 't is wel m'n vader, maar ik hield niet van hem, hij
kon mij ook niet uitstaan ... 'k Heb niets geen spijt, dat hij dood
is. 't Is wel goed, hé, nou hoef ik je niet eens meer te verstoppen."

"St! stil! niet blaffen, hoor je! dan beginnen de anderen ook. De
oude baas van beneden wil je verkoopen; ik heb gehoord, dat hij
't tegen juffrouw Ram zei. Ha! ha! ha! ha! ik zal hem eens lekker
beetnemen; hij noemt mij ook rakkerd en kriek. Stil! blijf zitten,
koest dan! Ik zal ze er uit laten; die stomme dieren krijgen niet
eens eten vandaag. Koest dan, Boppie!"

Voorzichtig laat de knaap zich van den rand der bedstede glijden en
gaat voelend en tastend naar de deur.

"Gesloten," mompelt hij. "O! maar dat's niet erg, ik weet wel raad,"
en naar de vervelooze latafel gaande--de duisternis hindert hem niet,
hij kent elken hoek van 't vertrek--haalt hij uit de bovenste lade
een ouden, roestigen sleutel te voorschijn en opent daarmede de deur,
terwijl hij grinnikt: "Dat weet de ouwe niet; vader wist het ook niet,
en ik heb hem toch zoo dikwijls gebruikt, als hij me opsloot."

"Komt, jongens!" fluistert de bultenaar, terwijl hij in het duister de
honden losmaakt, die, even hun hals en kop schuddend, een kort blaffen
doen hooren. "Zoo! nu maar vooruit." Hij zet de deur wagenwijd open
en met een paar schoppen van zijn korte, magere beentjes jaagt hij
het zevental honden de kamer uit.

Onder luid geblaf rennen de dieren de trap af en de straat op. In
een oogwenk zijn ze uit het gezicht en is Strijkman, die beneden het
blaffen en 't leven op de trap heeft gehoord, met een lamp in de hand
naar boven gesneld, om te zien wat er voorvalt.

Als hij de deur geopend vindt en de afwezigheid der honden bemerkt,
vloekt hij binnensmonds en zet de lamp op den houten schoorsteenrand.

De jongen is weer in de bedstede gekropen en houdt zich stil.

"Niets, niemendal!" bromt Strijkman. "Hoe komt die deur
open?--Waarachtig! al de honden weg; dat is een gemeene streek;
ik ben bestolen. Wie heeft ..."

Een onderdrukt lachen klinkt uit de bedstede.

"Dat is zeker die satansche bult, die mij dat gebakken heeft." Met
die woorden nadert de pandjesbaas het bed en schuift de gordijnen open.

"'n Avond, baas Strijkman," grinnikt de jongen, die met zijn beenen
tegen het houten beschot trommelt.

"Satanskind! heb jij die honden losgelaten?"

"Jawel, baas Strijkman. Wat liepen ze! Ha! ha! ha!"

"Vervloekte kriek, dat zal ik je inpeperen!"

Met de ellebogen op de knieën en de handen onder het hoofd, ziet de
knaap doodkalm den ouden man in 't gelaat, terwijl hij antwoordt:

"Ze waren toch niet van jou, wel?"

"Wel wis en waarachtig waren ze van mij, voor de huur en..."

"Vader heeft verleden week toch de huur betaald...."

"Hou je mond, krates, en kom van dat bed af."

"Neen."

"Waarom niet?"

"Omdat je "krates" tegen me zegt; ik weet het wel, dat ik een bochel
heb, maar jij hoeft het mij niet te zeggen."

"Hè! hè! hè! Meneer is op zijn teentjes getrapt.--Allo, gauw! kom
er af."

"Neen."

"Wil je niet?--Wacht ik zal je beenen maken." Strijkman grijpt een
hondenzweep, die naast de bedstede hangt, en heft ze dreigend op.

"Sla maar toe, als je durft, maar als je 't doet, bijt ik je," en
evenals een dier blikkert de jongen met de witte tanden;--"ik ben
niet bang voor slaag. Vader sloeg me ook, maar altijd alleen als hij
me krijgen kon. Ha! ha! ha!"

Voordat de pandjesbaas recht weet wat er gebeurt, is de bultenaar van
't bed gesprongen, langs hem heen gegleden en heeft zich verschanst
achter twee kisten, die als hondenhokken dienst hebben gedaan,
terwijl hij nog eens sarrend herhaalt:

"Sla nou maar toe, als je kunt."

"Kom er uit, bochel, ik zal je niets doen; ik wil een paar woorden
met je spreken," zegt Strijkman, met ingehouden drift.

"Leg dan eerst die zweep weg en noem me geen krates of bochel."

"Hoe heet je dan eigenlijk?"

"Dorus."

"Kom er maar gerust uit, Dorus! Ik zal je niets doen."

"Gooi eerst die zweep in den hoek, dáár, ver weg!"

"Nu goed dan. Ben je nu tevreden?" De zweep vliegt in een hoek.

Met een sprong is de knaap tusschen de kisten uit en bij de zweep,
die hij stevig in de handen neemt, terwijl hij brutaal vraagt: "Nou,
wat moet je dan?"

"Bijdehand genoeg," mompelt Strijkman en luid laat hij er op volgen:

"Waar moet je naar toe?"

"Weet ik het!"

"Heb je geen oom of tante?"

"Neen."

"Geen andere familie?"

"Neen."

"Dan moet je naar 't Gesticht?"

"Mij een zorg," bromt Dorus, terwijl hij met de zweep op een der
kisten slaat; "in 't gesticht krijgen ze eten genoeg...."

"Zou je denken?" grinnikt Strijkman.

De jongen ziet den pandjesbaas met zijne groote donkere oogen eensklaps
onderzoekend aan en vraagt, terwijl hij met de zweep op de bedstede
wijst:

"Mag ik _hem_ daar meenemen?"

"Wie?" Onwillekeurig volgen Strijkmans oogen de aangewezen richting.

"Boppie?"

"Wie is dat? Je broertje?"

"'k Heb geen broertje,--nooit gehad," antwoordt de knaap, die aanstonds
daarop even fluit en met de vingers knipt.

Een kort blaffen en 't slaan van Boppie's staartje tegen de beddeplank
doet den ouden man verwonderd vragen:

"Een hond? Dat kun je begrijpen! Ze hebben daar doodeters genoeg."

"Dan wil ik er ook niet heen.--Pst! hier Boppie, kom bij den baas."

't Hondje springt, uit de bedstede en nadert den jongen.

"Ba! wat een mormeldier!"

"Vind je, baas?" Dorus neemt het hondje op, en terwijl hij het in zijn
armen en tegen zijn lippen drukt, zegt hij: "Wij blijven bij mekaar,
hé Boppie!" en hij maakt zich gereed om de deur uit te gaan.

Strijkman verspert hem den weg en draait het slot dicht, terwijl
hij vraagt:

"Hoe kom jij aan dien sleutel?"

"Die lag altijd in de latafel, dáár!"

Oogenblikkelijk begeeft de pandjesbaas zich met de lamp in de hand
naar het aangewezen meubelstuk, grabbelt in de laden en haalt er
uit wat slechts eenigszins waarde heeft; eenige papieren, die in de
bovenste lade bij elkander liggen, trekken zijn aandacht. Vluchtig
ziet hij ze door en mompelt: "Trouwakte, geboortebewijs.--Jij heet
Theodorus Johan, hé?"

"Dorus heet ik.--Laat je me nu haast de deur uit?"

"Brieven, een portret in een lijstje.... Hé! 't lijkt wel een broer
van Makko.--Had je nog een oom?"

"Ja! maar wat gaat jou dat aan?"

Voorzichtig legt Strijkman de papieren weer bijeen, omwikkelt ze met
een stukje touw en steekt ze in zijn borstzak, terwijl hij denkt:
"'k Zal ze meenemen; je kunt nooit weten, waar het goed voor is."

De kleedingstukken, die hij uit de latafel heeft gehaald, hangt hij
over den arm en werpt den jongen een overjasje toe, met de woorden:
"Daar, neem dat maar mee; daar heb ik toch niets aan. Dat past alleen
op jou kriek."

"Dief!" schreeuwt Dorus hem, heesch van kwaadheid, toe, en rakelings
vliegt de hondenzweep Strijkmans hoofd voorbij.

Boppie blaft uit alle macht, en de oude man keert zich om, raapt de
zweep op en slaat er Dorus een paar malen mee over den rug, met de
woorden: "Satansche bochel! ik zal je die kuren wel afleeren."

De jongen heeft uit een hoek een flesch gegrepen en schreeuwt:
"Laat me er uit! Laat me er uit! of..."

De pandjesbaas ziet de saamgeknepen lippen van den knaap en een zeker
iets in zijn oogen, dat hem doet denken: de flesch kan gevaarlijk
worden, en daarom opent hij de deur, hem toesnauwend: "Allo! marsch
dan!"

"Dief, dief!" gilt Dorus, terwijl hij zich ijlings uit de voeten
maakt, en rinkelend vallen de scherven der flesch op het portaal voor
Strijkmans voeten.

"En zoo'n jongen zou ik in huis nemen," mompelt Strijkman, terwijl
hij de hondenhokken in oogenschouw neemt en oppervlakkig berekent,
hoeveel brandhout ze hem zullen opleveren.



Met zijn hondje in het jasje gewikkeld onder den arm, rent Dorus de
straat op; waarheen weet hij zelf niet.

't Is donker; 't is koud en nat in de straten, maar hij merkt het
niet. In zijn jeugdig brein warrelen allerlei gedachten dooreen en
draaien zich om één hoofddenkbeeld: "Niet weer terug naar die akelige
kamer en niet naar het Gesticht."

Werktuigelijk loopt hij voort; even werktuigelijk blijft hij nu en dan
voor een helder verlichten winkel staan kijken, om dan weer opnieuw
zijn wandeling voort te zetten. Bijna zonder het zelf te weten is
hij de Kalverstraat genaderd. De woelige drukte, het vroolijke licht,
dat uit de winkels en magazijnen straalt, trekt hem onweerstaanbaar
aan. Hij drentelt langzaam verder. Voor een oogenblik vergeet hij
zijn toestand, kijkt in de koffiehuizen en drukt zijn neus tegen de
vensterruiten van een bakkerswinkel. Hij heeft honger gekregen, en
het gezicht van het uitgestalde brood maakt zijn eetlust meer en meer
gaande. Half onwillekeurig voelt hij in zijn broekzak. Een eindje
touw, een pijpensteel en een knikker zijn de eenige voorwerpen,
die hij ontmoet. Nog een begeerigen blik in den winkel en hij
gaat verder. "Hè! 'k wou, dat ik zoo'n broodje had," zucht hij in
stilte en gaat, als om niet meer het tergende gezicht van voor hem
onbereikbare weelde te moeten verduren, een zijstraat in, 't Spui op
en naar het Koningsplein. Zijn rug doet hem pijn, de striemen van
Strijkmans zweepslagen gloeien en branden. Hij wrijft met de hand
over de pijnlijke plaats en mompelt: "Wacht maar; als ik groot ben,
zal ik het hem betaald zetten! Zoo'n leelijke dief! Hé, Boppie,
't is toch een dief, want het was toch goed van vader! Nou, koest
dan, hondje. Kijk!" hij raapt een paar koude aardappels op, die bij
een stoep liggen, "dat is voor jou, hond!" En op de vlakke hand houdt
hij ze het hondje voor, dat ze gulzig ophapt. "Dat is lekker, hé? Ja,
smul jij maar, ga je gang maar. Had de baas nu ook maar wat. O! wat
doet mijn rug zeer." Hij gaat op een stoep zitten en staart nadenkend
de voorbijgangers en de heen en weer rijdende vigilantes en wagens aan.

"Loop jij ook met lucifers?" vraagt plotseling een opgeschoten jongen
met een brutaal, van de pokken geschonden gezicht, die naast hem
op de stoep is komen zitten, terwijl hij hem een bakje met doosjes
waslichtjes toont.

"Neen."

"Zoo! 't is je ook geraden: er is hier al konkerrensie genoeg;
er is geen droog zout meer aan te verdienen. 'k Geef ze nou al
voor een halven cent winst over, omdat de anderen het ook doen
... Waslucifers,--waslucifers! allemaal zonder vergif.--Waslucifers,
heeren! ... Loop jij met een marmotje?"

"Neen."

"Wat heb je daar dan?"

"Een hondje."

"Verdien je daar centen mee?"

"Neen."

"Loop je dan niet om centen?"

"Neen."

"Heb jij je tong doorgeslikt? Kom, spreek eens een spreek! Wat doe
jij voor den kost?"

"Niets. Ik wou, dat ik wat doen kon."

"Waar woon je?"

"Nergens."

"Heb je dan geen vader of moeder?"

"Allebei dood."

"Heb je dan geen ooms of tantes, of iemand waar je bij woont ?"

"Neen. 'k Weet niet eens, waar ik van nacht slapen zal."

"Dan ben jij een zwerver." De jongen wacht even, ziet Dorus opmerkzaam
aan en zegt dan: "Zeg! je hebt een bochel."

"Dat weet ik wel."

"Daar kun je geld mee verdienen."

"Hoe zoo?"

"Laat hem kijken voor een cent. Ha! ha! ha! ... Waslucifers,
heeren! Allemaal goed, vijf centen 'n doos!"--De jongen staat op en
gaat haastig een paar aankomende heeren te gemoet.

"Zeg, jongen! hei! ho! kom eens hier!" roept Dorus den jongen achterna,
terwijl hij hem een pakje doosjes toont, dat onder het spreken uit
zijn bakje is gevallen. "Je hebt een pakje doosjes verloren." Hij
staat op, loopt hem te gemoet en zegt: "Daar heb je ze terug."

"Dat is mooi van je," antwoordt de knaap, terwijl hij ze weer
opbergt. Daar heb je twee centen."

"Dank je, houd ze maar."

"Neen, neem ze maar gerust. Je zult toch wel een broodje lusten?" Dorus
aarzelt. "Pak aan dan!--Als jij de lucifers verloren hadt, had ik ze
gehouden; 'k had ze verpast, hoor!"

Dorus steekt de centen in den zak.

"Ik woon in den Duivelshoek," vervolgt de jongen, "in een gang;
in 't huis naast ons, onder de trap, is een hok; daar ligt hooi in
van den baas uit het _Kraaiende Haantje_, daar kun je van nacht in
slapen. Je slaapt er wat goed in; maar als de baas het merkt, krijg
je een pak ransel."

"Ik ben niet bang voor slaag."





III.

BIJ SIGNOR CARLO.


Even buiten de Weteringpoort, op een stukje grond, dat behalve eenige
magere en dun gezaaide grasspieten meer steenen en zand vertoonde,
dan voor den voet des wandelaars aangenaam was, stond een wagen,
van de soort, die men gewoonlijk met den naam van kermiswagen
bestempelt. Heldergroen geschilderd, met schel rood afgezet, aan
elke zijde voorzien van drie kleine raampjes, waarvoor bontgebloemde
meubelsitsen gordijntjes hingen, was het rijtuig in zijn soort
een prachtstuk te noemen en werd dag aan dag door de jeugd uit de
naastbijliggende straten met onverdeelde bewondering aangegaapt. De
groote gele letters met zwarte randen maakten aan het "gedistingeerde
publiek" kenbaar, dat deze wagen het verblijf was van Signor Carlo's
honden- en apentheater. De dubbele deur, aan den achterkant van het
voertuig aangebracht, verleende toegang tot het binnenste van den
wagen, dat met de meest uiteenloopende zaken was gevuld. Rechts,
vlak bij den ingang, bevond zich een klein ijzeren kookfornuis,
waarop in een pan het middagmaal van den directeur en zijn gezin,
bestaande uit uien en aardappelen met een stuk rookspek, stond te
braden en een twijfelachtigen geur verspreidde. Links zag men aan
den wand eenige planken, waarop in bonte wanorde een koffiekan en
kopjes, aarden schotels en een schaaltje met boter stonden. Een paar
ineengerolde tricots, een roodfluweelen manteltje, eenige apenrokjes,
een hondenzweep en een trompet lagen er naast. Tegenover de deur rustte
de blik op een vormeloozen berg van beddegoed, kussens met rood- en
witgestreepte tijken, een paar katoenen en een wollen deken. Stoelen
stonden er niet in, maar in plaats daarvan, aan beide zijden langs de
wanden, vierkante hokken, waarin de viervoetige artisten van Signor
Carlo verblijf hielden.

Het rook er naar menschen, apen, uien, honden en naar vet, ongeveer
alsof ransige haarolie op een gloeiende plaat lag te snerken. Een
benauwde, bedompte hitte vervulde het geheele voertuig, en daarom
waarschijnlijk hadden de eigenaar en zijn vrouw met hun dochtertje en
de twee mannelijke telgen van hun echt buiten op het grasveld of liever
op en bij het trapje, dat naar de deur leidde, een toevluchtsoord
gezocht.

De directrice zat op de bovenste sport, met een rooden doek om het
hoofd geknoopt, een verschoten fluweelen jacquet en een zwarten wollen
rok aan, met een bak op de hoog opgetrokken knieën aardappelen te
schillen. De jongejuffrouw, gewoonlijk bij het publiek door haar vader
voorgesteld als "het wonderkind Miss Betty," balanceerde half in de
deur staande twee ledige flesschen op elkander. Haar magere beentjes
waren in een veel te ruim vleeschkleurig tricot schuilgegaan en een
kruiselings om het bovenlijf geknoopte wollen doek van helderblauwe
kleur, deed haar bleek en sproetachtig gezichtje, omgeven door een
aureool van papillotten, alleronvoordeeligst uitkomen.

"Kijk dan toch uit, Betty!" riep vrij knorrig de jongenheer Carlo
junior, die op de onderste trede van de trap zich oefende in het op
het hoofd staan. "Schei er liever uit, als je die flesschen telkens
laat vallen; je gooit me nog een gat in het hoofd."

"Dat zou jammer wezen," antwoordde zijn broer Paulo, die een eind
verder op den grond zat en bezig was met het scheren van een witten
poedel.

"Stilte! Dat eeuwige gekibbel verveelt me!" riep de heer Carlo zijn
geslacht op tamelijk barschen toon toe. "Zoolang ik aan mijn toilet
bezig ben, wil ik rust hebben."

De directeur stond namelijk aan de eene zijde van den wagen voor een
spiegeltje zich te scheren en bracht zijn vettig glimmende haarlokken
in den bevalligen vorm, dien men gewoonlijk polka-haar noemt. Zijn
kaalgeschoren nek, de gouden ringetjes in de ooren, de scherp gepunte
knevels en de spitse kinbaard, gevoegd bij de hoogroode, verweerde
en door de zon verbrande gelaatskleur, deden in hem, ondanks zijn
schoonklinkenden vreemden naam, den proletariër-saltimbanque op het
eerste gezicht herkennen. De breede nek, de vierkante schouders en
de sterkgespierde armen en beenen wezen er op, dat hij weleer tot
het gild der acrobaten behoord had. Hij had vroeger aan den rekstok
gewerkt, met gewichten en kogels gejongleerd, maar was door een val
voor die kunstverrichtingen ongeschikt geworden en bepaalde zich nu
uitsluitend tot het africhten van honden en apen en tot "productiën"
in het vuur eten, steen verbrijzelen en het jongleeren met messen.

Carlo was tot zoover met zijn toilet gereed, strikte zich een
veelkleurige das om, trok een grijs jasje met groene opslagen en dito
kraag aan, knoopte het met een der groote hertshoornen knoopen dicht,
dekte zijn kunstenaarshoofd met een flambard en zag er nu, met zijn
geruite pantalon, zooals hij het noemde "sjiek" uit.

"Allo!" riep hij met zijn min of meer schorre stem Carlo junior toe,
"laat eens een paar van de artisten buiten komen."

"Wie?" klonk het terug.

"Eerst Jack, dan Minca en Tom."

In den wagen blafte een hond; 't was Tom, hij had zijn naam
gehoord. Een oogenblik later sprongen twee keesapen en een zwarte
poedel van het trapje hem te gemoet. De apen gingen op hun achterste
pooten staan en grijnsden, als wilden ze zeggen: wat heeft onze
directeur te bevelen? De poedel kroop bij het zien van het mattenrietje
dat de baas uit handen van zijn zoon ontving, met den staart tusschen
de beenen, op zijn buik tot voor Carlo's voeten en keek hem toen aan
met een blik, waarin een bede om genade opgesloten scheen.

"Allo! hier, Tom! Jij hebt gisteren driemaal je sprong gemist. Weet
jij dat wel, hè?" Het rietje zwiepte door de lucht. "Je moest strieps
hebben.--Rechtop, Minca!--Hier Jack! Moet ik je afstraffen?"

Tom blafte binnensmonds en wuifde met zijn pluimstaart.

"Nou! kom dan maar hier, bij den baas! Je bent anders de kwaadste
ook niet." Tom sprong op, blafte luid, ging met zijn voorpooten tegen
Carlo opstaan en lekte hem het gelaat, dat deze naar hem overboog.

"We zullen eens even repeteeren. Hier, Minca! Op je plaats, Jack." De
twee apen werden een eind verder aan hun kettingen door Carlo's zoon
vastgehouden; hij gaf hun een hoepel in de pooten en Toms evolutiën
begonnen.

"Allo! Hoepla, hoepla! Hooger! Ferm zoo! Mooi zoo, Tom! Nog
eens! Hoepla! hoepla!--Daar heb je het waarachtig weer, net als
gisterenavond! Allo, hier, Tom!" Angstig kwam de hond nader; hij trok
met zijn linker achterpoot. De directeur betastte met zaakkundige hand
het dier, wreef met zijn breeden duim langs den poot, mompelde! "Ik
voel toch niets verkeerds," gaf Tom een klein tikje en riep nogmaals:
"Allo! Hoepla! Vooruit!"

Gewillig rende Tom een paar malen in de rondte, maar toen hij zijn
sprong moest nemen, kreunde hij van pijn en viel over eene zijde vlak
voor den hoepel neer.

"Kom hier!" Carlo ging op den grond zitten, nam den hond op zijn
schoot en onderzocht hem nogmaals, terwijl hij zijn zoon toeriep:

"Zie jij ook eens. Ik begrijp er niets van; er moet iets met hem
niet in den haak zijn, maar wat het is, snap ik niet. 't Zou wat
moois wezen, als we hem niet meer konden gebruiken; 't is de beste
van den heelen troep.--Kijk! nu is hij weer in orde, alsof er niets
is gebeurd; ik vat het niet...."

"Ik wel!" klonk plotseling een stem uit den drom van jongens, die zich
langzaam, aan bij en om den wagen en op het grasveld had verzameld.

"Verwonderd keek Carlo op en vroeg: "Wie zegt dat daar?"

"Hier, baas, deze jongen heeft het geroepen, die met zijn bochel,"
riepen twee of drie jongens te gelijk en duwden Dorus, want hij was
het, vooruit.

"Kom jij eens hier! Wat weet jij wel?" zei de directeur en wenkte
Dorus tot zich.

Met Boppie nog steeds in den arm naderde de knaap vrijmoedig Signor
Carlo en zei, op den poedel wijzend: "Zie je, daar begint 't weer,
dat's kramp op de pezen. Wij hadden ook een hond, die 't gedurig
weeromkreeg, totdat vader het overmaakte met een smeersel."

"Had jou vader er dan verstand van?"

"Nou! En hij kon ze ook nog wel andere kunsten leeren dan jij."

"Ei!"

"Zeker! We hadden er twee, die konden tellen en op de klok kijken."

"Wat was je vader?"

"Hondenkoopman en dresseerder. Maar ik kan het ze ook leeren!"

"Kom eens hier, bochel! en vertel mij eens ..."

"Als je bochel zegt, vertel ik niets!"

Dorus draaide zich knorrig om en wilde heengaan.

"Sakkerloot, jij bent kort aangebonden, maar dat mag ik wel; kom eens
dichter bij, ventje."

Dorus bleef staan en schudde het hoofd.

Carlo gaf zijn zoon, die met de armen over elkander stond te kijken,
een oogje en wenkte bijna onmerkbaar met het hoofd.

Plotseling voelde de knaap zich door een paar krachtige handen
aangegrepen en opgetild en, trots zijn tegenstribbelen, vlak voor
den kunstenmaker neergezet.

"Dat's valsch!" gilde hij.

Een gelach en een hoera van de straatjongens en de overige omstanders
begeleidde zijn kreet. Dorus keek onbevreesd met een hoogroode kleur
en een vreemde tinteling in zijn groote oogen den directeur en zijn
gezin, dat zich nieuwsgierig had vereenigd, aan en zei: "Nu zeg ik
heelemaal niets."

"Daar zit ras in," mompelde Carlo, en terwijl hij het rietje door de
lucht liet zwiepen, vatte hij Dorus bij zijn kraag, met de woorden:
"'k Zal je wel eens even bijlichten!"

"Sla me niet!" riep het kind. "'k Heb je toch niets gedaan; ik hoef
toch niet te spreken, als ik niet wil! Als je 't me vriendelijk
gevraagd hadt, had ik het je al lang gezegd ..."

Een hand werd op den opgeheven arm van den kunstenmaker gelegd; 't
was zijn vrouw, die hem vroeg: "Laat mij eens met den jongen praten;
met slaan kom je niet verder. Zie je niet, hoe bleek en akelig de
stumper er uitziet?"

Carlo liet den jongen los en bromde: "Je kunt het probeeren, Keetje,
maar een beetje rottingolie zou hem anders geen kwaad hebben gedaan."

Vrouw Keetje nam Dorus bij de hand en zei op vriendelijken toon: "Je
hebt zeker nog geen eten gehad van morgen, hé? Je ziet er slapjes uit;
kom maar eens mee in den wagen. Och, kind! wat zie je er uit, wat ben
je smerig!--Kom dan! Mijn man zal je niets doen. Maar jij bent ook een
stijfkop, weet je dat wel?... Zóó, wil je het wel mij zeggen? Dat valt
me mee van je.... Ja, je hondje kun je meenemen.... Heb je drie dagen
rondgeloopen? Och! ... Wel! wel! hebben ze je uit het stroo gejaagd,
en heb je niet gebedeld?.... Ga nu maar eens zitten; brand je niet,
't is heet. Dat is lekker, hé, dat zal je goeddoen. Och, stumperd wat
zijn je schoenen en kousen doornat! Kom hier, ik zal ze uittrekken. Nu,
nu! wees maar niet bleu! Och, God! wat heb je magere beenen.... Zijn
achterpoot? Wrijven? Met speekolie? Ja, goed hoor! Eet nu maar eerst
je bekomst en vertel dan."

Dorus at met smaak, wat vrouw Keetje hem had voorgezet. Terwijl
zij in den wagen eenige oude kleedingstukken opzocht, volgde hij
haar met de oogen, en toen zij weer bij hem kwam en hem, in plaats
van zijn doorweekte kousen en afgedragen schoeisel, een halfsleten
tricot en een paar lage schoenen van het wonderkind aantrok, greep
hij eensklaps hare hand en zei: "Juffrouw, ik zal u alles vertellen,
en ook hoe of je ze op de klok leert kijken."

Onwillekeurig drukte hij zich tegen de vrouw van der kunstenmaker
aan en lachte haar toe; 't was ook sinds langen tijd de eerste maal,
dat iemand een vriendelijk woord tot hem richtte.



Van dien dag af bleef hij deel uitmaken van Signor Carlo's
gezelschap. De acrobaat, die wel is waar onbeschaafd, en ruw, maar
toch niet kwaad was, had den jongen, omdat er ras in zat, zooals hij
zei, bij zich gehouden en al spoedig de ontdekking gedaan, dat Dorus
van hondendressuur op zijn minst evenveel, zoo niet meer wist dan hij
zelf. Tom was, dank zij het smeersel van wijlen Klaas Makko, weer even
rap en vlug als vroeger, terwijl onder Dorus' leiding een der andere
honden in de kunst van het tellen en op de klok kijken werd onderwezen.

Het scheen wel alsof de jongen in de omgeving, waarin hij zich
thans bevond, iets van zijn koppigen aard begon te verliezen. Met
de jongeheeren Carlo verdroeg hij zich vrij wel; deels omdat hij
voor hunne evolutiën en luchtsprongen, hunne vaardigheid in het
op het hoofd staan of op de handen loopen een zekere bewondering
gevoelde, deels omdat zij van hunnen kant voor zijne bekendheid
met de dressuur van het hondengeslacht eerbied hadden en, toen
zij tot de ontdekking kwamen, dat hij vrij goed lezen en schrijven
kon, hem als een soort van geleerde beschouwden. De eenige van het
gezin, waarmede hij het minder goed kon vinden, was miss Betty, het
wonderkind. Hoogstwaarschijnlijk omdat zij, die tot dusverre als
de parel van het gezelschap was beschouwd, vreesde, dat de bochel
een schaduw op haren glans zou werpen. Dikwijls zaten ze elkaar in
het vaarwater, en soms flikkerde plotseling in Dorus' oog een vonk
van toorn, als Betty hem na een kibbelpartij verachtelijk over den
schouder aankeek, terwijl ze onverstaanbaar iets mompelde.

Aan juffrouw Keetje had hij zich volkomen gehecht. De goedige,
vriendelijke vrouw, die, waar het noodig was, in hare ruwe,
onbeschaafde omgeving te rechter tijd door een kalm, bemiddelend woord
of verzoek, als instinctmatig vrede wist te stichten, was voor hem
een geheel nieuwe verschijning. Tot dusverre had Dorus in een wereld
geleefd, die voor hem weinig anders dan scheldwoorden, het uitzicht op
slaag of mishandeling had. Zijne moeder was reeds lang dood en toch
herinnerde hij zich nu de dagen van weleer, toen moeders zachte hand
hem, haar ongelukkig mismaakt kind, tegen de woeste uitvallen van den
vader beschermde. De knaap, die eigenlijk zacht van inborst was en
behoefte had aan een liefderijk woord, was door de omstandigheden
verbitterd geworden, en toen hij nu in vrouw Keetje iemand vond,
die bij machte was de zachtere snaren in zijn gemoed te doen trillen,
gevoelde hij voor haar een zeker ontzag, maar tevens een genegenheid,
die aan liefde grensde.

Hij zou voor haar, zooals men het noemt, door het vuur zijn geloopen;
menigmaal naderde hij haar, wanneer zij alleen waren, en zei, terwijl
hij zijn tengere hand op haren arm legde: "Juffrouw Keetje, laat me
nu eens iets voor u doen, maar... heelemaal apart voor u."

"Gekke jongen," zei vrouw Keetje dan, terwijl zij hem het haar uit
de oogen streek en medelijdend aanzag, "weet je wat je voor me doen
kunt? Vrede houden met Betty."

Dorus beet op zijn lippen, als hij antwoordde: "'k Beloof het u",
en hij deed zijn best om zich in te houden, als het wonderkind,
om hem te plagen, een hoogen rug trok of kromme beenen maakte.

Vrouw Keetje was een dier stille naturen, wier onverstoorbaar goed
humeur, gevoegd bij een aangeboren gezond verstand en een zachte
inborst, ze voorbeschikt maakt, om, in welke klasse of stand der
maatschappij het lot haar ook een plaats moge hebben gegeven, tot
een zegen te zijn, voor hare omgeving. Zij was de dochter van een
dorpskastelein, eenvoudig opgevoed en nooit buiten haar dorp geweest;
ze had in haar vaders herberg kennis gemaakt met den acrobaat, die
't jonge onervaren meisje wist te bekoren. Keetje had nog zoo weinig
van de wereld gezien, dat 't Carlo weinig moeite had gekost haar
argeloos hart te veroveren, en trots vaders en moeders tegenstand,
was zij op jeugdigen leeftijd met hem gehuwd. Al spoedig kwam zij tot
de wetenschap, dat niet enkel rozen op hymens paden groeien; maar al
kwetsten haar ook de doornen, toch hield zij moed en wist door geduld
en kalmte den sterken man, den hercules, die vaak der menigte een
uitroep van bewondering voor zijne lichaamskracht afdwong, zooals men
het noemt, onder den duim te krijgen; maar 't was een bijna onmerkbare
druk, dien zij met oordeel en verstand uitoefende. Niemand zou hebben
kunnen vermoeden, wanneer hij het kleine, tengere vrouwtje zag,
dat zij het nekje was, waarop Signor Carlo's acrobatenhoofd draaide.

Wanneer men echter haar nog altijd frisch en prettig gelaat opmerkzaam
beschouwde, loste eene uitdrukking van kalme vastberadenheid in haar
helder, blauw oog het raadsel op en niemand zou geloofd hebben,
dat de welbesneden mond, die zoo vriendelijk lachen kon, eenmaal
aan Carlo de woorden had toegevoegd: "Kies!--de flesch of mij." Het
was kort na de geboorte van hun eerste kind, dat vrouw Keetje zoo
tot haren man sprak. Hij had gekozen--gelukkig voor hem--niet de
flesch, en van dat oogenblik af liet de forsche man zich leiden
door haar, die verstand genoeg had om daar, waar het noodig was,
een oogje dicht te doen en het spreekwoord: "Langzaam gaat zeker,"
altijd in praktijk te brengen. Zij kende haar man door en door, en
het geheele geheim, waardoor zij hem wist te leiden, bestond daarin,
dat Signor Carlo steeds geloofde zijn eigen zin en wil te volgen,
terwijl hij in werkelijkheid slechts den haren deed. Carlo van zijn
kant gevoelde, zonder het zelf te weten, dat zij boven hem stond,
en het was vermakelijk hem tot anderen te hooren zeggen: "'k Heb een
best wijf, die den boel bij mekaar houdt; voor de kinderen kan het
niet beter, maar er zit niet veel bij: artistenbloed heeft ze niet,
en dat is het eenigste wat me hindert."

Door vrouw Keetje's invloed heerschte er dan ook in het gezin van den
kunstenmaker meer orde en een fatsoenlijker toon, dan men oppervlakkig
zou verwacht hebben.

Hoewel hun bedrijf het meebracht, dat zij als het ware een nomadenleven
leidden en nu hier, dan daar hunne tent opsloegen, vond Dorus in Signor
Carlo's gezin een tehuis, zooals hij vroeger nooit had gekend; hij werd
minder stug en terughoudend en lette er soms zelfs niet op, dat iemand
hem "krates" of "bochel" noemde. Enkele malen slechts vlamde het oude
toornige vuur in zijn oogen op, maar verdoofde meestal oogenblikkelijk
door een vriendelijken blik of een kalm woord van juffrouw Keetje.



Geruimen tijd was het honden- en apentheater, zooals men het noemt,
den boer op geweest; in alle mogelijke plaatsen in ons vaderland waren
voorstellingen gegeven, en nu en dan was Dorus met zijn hondje Bop en
een paar andere honden, die hij in eenige maanden tijds gedresseerd
had, bij wijze van proef, met goed gevolg opgetreden, zoodat Signor
Carlo er schik in kreeg en op zekeren dag, na overleg met de overige
familieleden zei: "Je bent nu ruim zes maanden bij ons, Dorus, en we
mogen je allemaal goed lijden. Wil je graag voorgoed bij ons blijven?"

Dorus knikte van ja, terwijl zijn groote bruine oogen van blijdschap
straalden.

"Goed! maar dan moet je mee den kost verdienen; wij zullen je een
pakje maken; ik zal je een paar loopjes van het vak leeren, en dan
ben jij de hansworst van het gezelschap. Ik heb idee om een nieuwe
productie met de honden en apen te vertoonen; wij zullen ze samen
aan het gedistingeerd publiek presenteeren."

"'k Zal je een mooi kostuum maken," zei juffrouw Keetje; en terwijl
zij hem goed aankeek, vervolgde zij: "Jongens, Dorus, je zult er zelf
schik in hebben, dat je mee helpt verdienen."

Verheugd greep de knaap haar hand, terwijl hij uitriep: "Voor u ook,
juffrouw! Ik zal mijn best doen, dat beloof ik je."--Hij dacht een
oogenblik na en zei: "Juffrouw!"

"Dorus?"

"Kan u er niet van achteren iets in maken, dat mijn bochel nog eens
zoo groot lijkt?"

"Waarom?"

"Omdat de menschen dan nog meer zullen lachen," antwoordde de jongen
losjes weg, maar met een zwaarmoedige uitdrukking op zijn gelaat.

Een week of wat later debuteerde Dorus als hansworst bij Signor Carlo's
troep. Overal waar het honden- en apentheater speelde, oogstte de
hansworst den meesten bijval; zoo'n grappigen bochel had men ook nog
nimmer gezien.





IV.

PALJAS.


Ruim anderhalf jaar later bevond het gezelschap van Signor Carlo
zich in een klein Geldersch stadje op de kermis. De directeur had
zich sedert eenigen tijd geassocieerd met een zekeren Hermans, den
bezitter van een houten kermistent, waarin, behalve een cyclorama,
koordedanserskunsten, wilde menschen en meer dergelijke wonderen
werden vertoond. Carlo's troep had nooit eigen muzikanten gehad, maar
de kunstverrichtingen steeds met een groot draaiorgel begeleid; daarom
voelden de leden er van, sedert de vereeniging met het cyclorama, dat
behalve een trombone, twee trompetten, een keteltrom en een klarinet
bezat, zich als 't ware in een hoogere artistenklasse verplaatst
en hieven zij fier het hoofd op. Hermans had na de associatie zijn
koordedansers ontslagen, omdat de familie Carlo door hunne veelzijdige
talenten in alle behoeften van het theater voorzag. Hij wreef zich in
de handen over den goeden ruil, dien hij gedaan had, en kon het met
allen goed vinden. De twee compagnons waren derhalve beiden tevreden
en maakten doorééngenomen vrij goede zaken.




De kermis was in vollen gang; op de markt van het plaatsje
stonden kramen met allerlei koopwaar en tentjes met zeemeerminnen
en kalveren met twee koppen, dikke dames en kijkspellen. Wafel-
en broedertjeskramen waren overal, waar slechts een plaatsje was,
opgezet. En midden tusschen al die kleinere heerlijkheden, verhief
zich de vrij groote tent, waarin het _Théatre des Nouveautés_ onder
directie van Carlo & Hermans speelde, alleen geëvenaard door een
"Groot Amerikaansch Circus," waarin op acht magere knollen drie
schoone écuyères en drie heeren met spitse snorren en geblankette
wangen hunne kunstverrichtingen voor enkele stuivers lieten bewonderen.

Tusschen al die kramen en tenten met bontgekleurde zeilen en tableaux
bewoog zich de vroolijke menigte, lachend en stoeiend, noten krakend,
koek hakkend en etend, heen en weer. In de herbergen klonk vedel en bas
en zongen de meisjes bij den vroolijken dans, terwijl de boerenjongens
de biervaten ledigden en het "slukske" ook niet onaangeroerd lieten.

Buiten op het kermisterrein schetterde de trompet van 't paardenspel
en trommelde de witgeblanklette clown met groote vaardigheid op
een ouden soldatentrommel, terwijl hij onophoudelijk: "Er in! er
in! Allo! allo! aan 't bureau!" schreeuwde. De directie van het
"Théatre des Nouveautés" zette haar beste beentje vooruit. De
"spelrecommandeerder" deed zijn welsprekende taal steeds luider hooren.

"Boeren en burgers!" schreeuwde hij, "omstanders en liefhebbers van
iets schoons en remarkabels, van iets wat ge nog nimmer hebt gezien
op eenige kermis in ons dierbaar vaderland, staat niet te weifelen
voor de deur, maar voorziet u van kaartjes. Ik zijn overtuigd, dat
een elk en een iedereen, die onzen kunstacademie heeft bezocht, ten
volle content zal zijn over datgenige wat hij heeft aanschouwd. Vraagt
't aan de menschen, die er uitkomen, of ze content zijn of niet. Ge
ziet hier primus, nommero één, miss Betty, bijgenaamd het wonderkind,
in haar onvergelijkelijke equilibritische toeren en het jongleeren
met diverse artikelen; tweedens, de Icarische spelen, voorgesteld
door den directeur Carlo en deszelfs zonen. Een cyclorama van de
schoonste beelden uit alle windstreken: de St. Pieterskerk te Rome
bij nacht en de slag bij de Balaklawa; het vergaan van een storm op
zee en een schip in nood. Men ziet geheel naturel de sloeproeiers
van de reddingsboot bewegelijk voorgesteld. De heilige familie naar
den beroemden Franschen schilder Correggio; een jacht op nijlpaarden
in den stillen Oceaan en Simeon in den tempel; den keizer van Solo
en de huwelijksplechtigheid van Napoleon III met keizerin Eugénie;
den Vesuvius bij maanlicht en het opkomen der sterren.--Voorziet
u van plaatsen! De groote geregeleerde avondvoorstelling zal een
aanvang nemen. Plaatsen van twaalf, acht, zes en vier stuivers en nog
beste staanplaatsen van een dubbeltje! Allo! Allo! Allo! Allo! Aan 't
bureau! Gij ziet hier verder de hoogere dressuur van honden en apen,
in vrijheid gedresseerd door den directeur Carlo en den weergaloozen
Engelschen clown, den jongeheer Theodorus. Deze productiën alleen zijn
ruimschoots de entrée waard, maar bovendien wordt de representatie
besloten door een stille pantomine, waarin al de leden van het
gezelschap zullen optreden, terwijl de jeugdige clown Theodorus in
dezelve nogmaals zich produceert met zijn geleerde honden. We zullen
eenige van de artisten laten buiten komen, ten einde zich aan het
gedistingeerde publiek te presenteeren, terwijl de muzikanten de
laatste waarschuwing spelen."

Eenige boeren en boerinnen, die met open mond en oogen de aanspraak
van den spellebaas hebben aangehoord, steken de hoofden bijeen en
overleggen: "Kom, loaten we ook èns goan kieken; ik hê zoo'n spul nog
nooit 'ezien; 't kost wel veul, moar 't mot er nou moar deur! 't Is
moar èns karmis!"

"Toe, Jan, jij veuruut."

"Nou, Bert, wacht en hortje! Loat me erst èns kieken wat ze buuten
veur'n spektoakel moaken, 't is nog tied's genog; ze begint nog lange
niet binnen."

"Och jong! zoanik toch niet--toe moar--der in moar, anders kommen we
zoo achteraf te zitten."

"Alla dan moar!"

Het spreekwoord, dat zegt: "Als één schaap over den dam is, volgen
er meer," wordt hier bewaarheid; want aangemoedigd door het voorbeeld
van het jolige groepje, stroomt weldra jong en oud de tent binnen.

Tsching taterata. Boem! la, la--Tsching, taterata
boem! boem! boem! Tèttètterêtetê Tsching, boem!

Oorverdoovend klinken groote trom en bekkens. Merg en been doordringend
schettert de trompet en oorverscheurend gilt de klarinet, terwijl de
schuiftrompet haar zware klanken onophoudelijk laat hooren.

De artisten zijn buiten gekomen; zij vertoonen zich op een soort van
stellage, die boven den ingang is aangebracht. Signor Carlo schittert
in een fluweelen wambuis met pailletten bezaaid; zijn beenen zijn in
hoogroode tricots gestoken en om de bloote armen, die uit de korte
mouwtjes steken, draagt hij aan de polsen manchetten van fluweel met
gouden belegsels, terwijl zijn polka-haar door een rood lint om het
hoofd in bedwang wordt gehouden. Zijn twee zoons, eveneens gekleed
als hij, vormen met hem een kunstvolle groep, terwijl het wonderkind
in een soort van paardrijdsterskostuum uitgedost, met een overvloed
van krullende lokken en een lustelooze uitdrukking in hare fletsche
oogen, het publiek aanstaart en met een onverschillig lachje nu en
dan een paar koperen ballen met ééne hand opwerpt en vangt. Aan de
andere zijde van de stellage staat Carlo's compagnon in een Duitsche
huzarenuniform, en naast hem een ondergeschikt lid van het gezelschap,
die in een berenvel gestoken, niet zonder verdienste "Bruin" voorstelt.

"Zou dat nou en aèchten beer zin? Hij duut er lêlijk genogt veur,"
zegt fluisterend een der boerenmeisjes tot een andere, die met haar
voor de tent staat.

"Zij de gek, deêrn, 't is en mins in en bêrevel; houd, em moar èns
en borrel veur, dan zulde èns kieken!" antwoordt een jonkman, die
achter haar staande, plotseling zijn arm om haar middel slaat en,
terwijl hij een kus op haar frissche koonen drukt, vraagt:

"Goa-de mee der in, Leen? Ik betoal."

"Ik wil wel meegoan, moar dat gekus kun-de wel loaten;
't is nog veuls te vroeg."

"Kiek, daar kumt wat moois oan! Da's kemiek! hè, hè, hè, hè!"

Een schaterend gelach gaat onder de menigte op, als de jeugdige
Theodorus te voorschijn treedt in een pakje, half rood, half geel en
met een groote roode pruik op, waarvan de blauwe kuif spits en statig
omhoogsteekt. Een zwarte poedel, met een rood rokje aan en een steek
op, volgt hem op de achterpooten loopend. Een klein hondje, evenals
hij in een half rood, half geel pakje, dribbelt er achteraan.

"Jandozie! kiek den dieën èns, wat hévt die en alleminschelijken
bult! Doar kunnen der wel twee uut, en wat is ie mooi
toegetoakeld!" roept er één.

"'t Is allemoal noamoak," zegt een ander.

"Zij-de gek, ie is zoo gegreuid!" schreeuwt een derde.

"Nou, maar dan is 't en stumper, dan mot je er meêlije mee hebben."

"Paljas! maak je compliment voor het geëerde publiek!" roept Signor
Carlo, terwijl hij met het rechterbeen vooruit en de linkerhand op
de heup, met een sierlijke beweging der rechterhand op de omstanders
wijst.

De hansworst knikt tegen de menigte en geeft een tikje tegen zijn
achterhoofd, waardoor zijn kuif in beweging komt.

"Paljas! vertel jij nu nog eens aan het gezelschap, wat hier in dit
gerenommeerd theater wordt vertoond."

De clown buigt zich over de lage leuning, beweegt de lippen, trekt
zijn mond in allerlei vreemde plooien, verdraait de oogen en beweegt
de handen heen en weer, alsof hij een redevoering uitspreekt.

Het publiek wordt kalmer, en hier en daar hoort men een:
"Ssst! sst! houd oe toch stille doar! Loat wie èns heuren wat ie zegt."

"Hie zegt niks, niemendal."

"Joawel! moar ie kunt hem niet verstoan van de hurrie."

"Paljas! De heeren en dames kunnen je niet verstaan; ik zal de
vrijigheid nemen om je mijn zondagsche stem te verleenen." De
directeur overhandigt hem een reusachtigen scheepsroeper, die door
den clown met een dwaze beweging wordt aangenomen en aan den mond
gebracht. Hilariteit onder het publiek.--Hij beweegt het instrument
omlaag, omhoog, rechts en links, heen en weer. De vroolijkheid der
menigte wordt grooter, als men na een oogenblik van stilte tot de
overtuiging komt, dat paljas geen enkelen toon doet hooren.

"Koezijn!" schreeuwt Carlo, "je verdient hier alle gulden zes weken,
den kost als je ze krijgt, en vrij licht over dag, en je doet er
niets voor. Je hebt een stem als een garnaal; ik geloof, dat je
hondjes het nog beter kunnen."

"Woef, woef!" blaft Tom, terwijl hij kwispelstaartend naar den
directeur loopt. Het kleinste hondje gaat opzitten en ziet den
hansworst aan.

De vroolijkheid van het publiek stijgt ten top, als de jeugdige clown,
na een bankje gehaald te hebben, den poedel een bijna onmerkbaar teeken
geeft en deze met één sprong er op wipt en gaat zitten. Hij houdt
hem den roeper voor, en dadelijk laat Tom een schel en aanhoudend
geblaf hooren. Nu wipt ook de kleine hond op het bankje, staat op
zijn achterpooten en beweegt de voorpooten al smeekend heen en weer.

"Koezijn! de jongeheer Bop wil ook een woordje meepraten."

"Waf, waf! waf!" keft de kleine door den roeper, en als de hansworst
het instrument wegneemt, staat de groote hond op en maakt dezelfde
beweging met de voorpooten.

"Paljas! ze kunnen er niet genoeg van krijgen, om met het
geachte publiek te spreken. Ga jij maar heen; ik kan jou niet meer
gebruiken. Laat de lichten opsteken, want de muzikanten gaan aanstonds
naar binnen."

De hansworst verdwijnt en de honden blijven zitten.

Opnieuw gaan eenige bezoekers de tent binnen, en nogmaals spreekt de
"spelrecommandeerder" op hoogdravenden toon het geachte gezelschap
aan. De muziek geeft ten tweeden male de laatste waarschuwing,
en de jongeheeren Carlo voeren met Bruin, den beer, een soort van
horlepijp op de stellage uit, terwijl Signor Carlo met vaderlijk
welgevallen zijn geslacht ziet dansen en in stilte denkt: "'t Gaat
nog maar slapjes vandaag; we zullen straks de muzikanten _nog_ een
laatste waarschuwing moeten laten geven."



In de tent zelf is het nog vrij donker. Een enkele olielamp, hier en
daar aan den wand opgehangen, verlicht de bezoekers, die vol ongeduld
naar de voorstelling uitzien.

"Doar gaot de pias! roepen een paar van hen, als zij Dorus langs de
banken, het trapje op, dat naar het tooneel leidt, zien naderen.

"Nu zal het beginnen!" denken zij, als ze zien, hoe hij het grof
geschilderde, door den tijd en door lekkage onoogelijk geworden
voorscherm ter zijde duwt en er achter verdwijnt. De knaap loopt over
het tooneel en de achterdeur van de tent uit. Zijn pruik heeft hij
afgezet en in de zak van zijn hansworstenkleed gestoken, als hij den
ons bekenden wagen, die vlak achter de tent staat, nadert.

Behoedzaam gaat hij het trapje op, opent de deur, kijkt naar binnen
en luistert.

"Zou ze slapen?" zegt hij zacht en gaat op de teenen naar het
achtereind, waar in de slaapplaats vrouw Keetje onder een wollen
deken ligt. Een hanglamp, waarvan de pit is neergedraaid, verlicht
flauw het binnenste van den wagen en het bleeke gelaat der vrouw,
als zij haar hoofd omwendt en op zwakken toon vraagt: "Is daar iemand?"

"Ik ben het, juffrouw! Heb je ook iets noodig? Wil je ook eens
drinken?"

"O, ben jij het, Dorus? Loopt het druk vandaag? Je hebt het warm, kind;
'k zie het aan je voorhoofd; die pruik is te benauwd voor je. Neen,
neen! 'k heb geen koorts meer, geloof ik, maar hoofdpijn."

Dorus opent een van de raampjes, blijft er een oogenblik voor
staan, om te voelen of het ook tocht, en nadert de zieke met een
apothekersfleschje en een lepel in de hand.

"'t Is tijd om in te nemen. Leelijk, hé! Hier, drink maar gauw op,
juffrouw! Zoo; neem dit na! Toe, hap dan op!" en hij steekt haar een
stuk chocolaad in den mond.

"Wat is dat? Chocolaad? Hoe kom je daar aan, Dorus? Van je zakcenten
gekocht? Je bent toch een goeie jongen. Neen, gerust niet, ik voel geen
koorts meer," en zachtjens strijkt zij met de hand over Dorus' hoofd,
dat deze tot haar overbuigt met de woorden: "'k Zal je straks weer
komen ingeven, hoor! Hij grijpt haar hand tusschen de zijne, streelt
ze herhaaldelijk, en vraagt: "Kan ik ook nog iets voor je doen?"

"Neen, kind! ik dank je! Laat me nu maar liggen; 'k zal zien of
ik slapen kan, want ik ben zoo moe, zoo erg moe." De knaap schikt
zorgvuldig haar kussens terecht, trekt de wollen deken over haar
voeten en buigt zich nogmaals over juffrouw Keetje, die hij op innigen
toon toefluistert: "Je moet gauw weer beter worden! Zul je niet lang
ziek blijven? Ligt je hoofd wel goed? Als je goed inneemt, gaat het
over. Wel te rusten, juffrouw!"

Even zacht en voorzichtig als hij gekomen is, gaat de knaap weer
uit den wagen. Bij de deur keert hij zich nog even om en fluistert:
"Genacht!"--Een vriendelijk licht blinkt in zijn oogen, als hij het
trapje afgaat.

Een half uur later schatert het publiek het uit bij de "productiën"
van den onvergetelijken hansworst Theodorus, die dezen keer zichzelven
overtreft; en als hij, ouder gewoonte, aan het slot der voorstelling
rondgaat, om een "douceur of drinkgeld voor den paljas", valt menig
cent en ook een enkel zilverstukje in de bus en verschaft hem na de
deeling eenig zakgeld, dat hij aanstonds in een kous wegstopt in een
hoekje van den wagen, aan hem alleen bekend.

Bijna twee jaren was Dorus nu reeds bij Carlo's gezelschap geweest
en met den tijd een bruikbaar lid er van geworden, want niemand kon
zoo snel en goed als hij de honden africhten, niemand wist zoo als
hij partij te trekken van alle kleinigheden en zoo goed een nieuwe
vertooning met de honden en apen te bedenken en uit te voeren. Over
't algemeen mocht iedereen hem gaarne lijden, omdat hij gedienstig
was en voor een vriendelijk woord alles deed, wat van hem verlangd
werd. Het was onmiskenbaar, dat allen hem, niettegenstaande zijn
jeugdigen leeftijd,--hij telde even dertien jaren--met een weinig
meer onderscheiding behandelden dan de anderen. Hij was een stille
knaap geworden, die, als hij niets te doen had, kon zitten mijmeren
en droomen, terwijl hij met de handen om zijne knieën geslagen,
strak voor zich heen keek. Bedaard ging hij zijn weg, deed wat hij
te doen had en bemoeide zich overigens weinig met de anderen.

Na de associatie met Hermans waren er muzikanten gekomen en met hen
een verandering in Dorus' wezen. Hoe slecht en valsch de muziek, die
de vijf blazers maakten, ook klonk, toch was Dorus in den eersten tijd,
zooals men het noemt, niet van de muzikanten weg te slaan.

Een van hen, de eerste trompetter, een Hanoveraan, was weldra
zijn vriend geworden en bij hem bracht hij gewoonlijk zijne vrije
oogenblikken door. Löbell was vroeger huzaar geweest, en na met een
stijve knie afscheid van den dienst te hebben genomen, rondreizend
muzikant geworden en eindelijk bij Hermans' gezelschap zooveel als
muziekdirecteur.

De reeds bejaarde man speelde behalve trompet ook nog viool en
begeleidde op dat instrument de evolutiën van miss Betty, die zich
verbeeldde zwakke zenuwen te hebben en daarom minder goed tegen de
schelle tonen van het blaasorkest te kunnen.

"Zou jij mij niet kunnen leeren trompet blazen," vroeg Dorus op
zekeren dag, toen Löbell na de voorstelling zijn instrument in den
groensaaien zak pakte, die voor dat doel bestemd was.

Lachend antwoordde de Duitscher, terwijl hij zijn dikken grijzen knevel
opstreek, een groote zoogenaamde moffenpijp opstak en als een stoomboot
begon te dampen: "Kottbewahre, was wol jij? Daar ist jouw broest nicht
voor, daar hèv jij kein aassem voor, kleiner kerl.--Trompete blasen,
das ist nicht iederein sein werk; ich hèv ze noe al dreissig jaar
keblazen, maar ich hèv ooch eine broest als wie ein schmied."

"O! ik kan ook blazen," antwoordde Dorus, terwijl hij een langwerpig
houten fluitje te voorschijn haalde en eene vroolijke melodie begon
te spelen.

"Ei! sieh' mal, soo ein sakkermenter! Wie hèvt jou die walzer geleerd?"

"Niemand, Löbell!"

"Was?--Wie kommen jij dan so akkerat an die melodie, oend..."

"Afgeluisterd, als jelui ze speelde."

"Das ist ja ganz nett.--Gib das ding mal her."--Hij bracht het aan
den mond, probeerde om er op te blazen, maar wierp het verachtelijk
neer, met de woorden: "Das blaas ich kapoet: das ist spielerij, niks
weerdig. Donnerwetter, jonge, hoe bring jij het fertig om da dr'op
zoe spielen?--'s Ist jammerschade, dat jij zoo'n schwache broest hebt,
want jij soll het wol leeren, jij hèvt ein besonders goed gehör..."

"Kun je me dan niet leeren viool spelen, Löbell?"

"Violin? Ach Gott, joenge, das ist das miserabelste instrument was
existirt; ich hèv't geleerd, oend noe ich es kenne, is 't goed, maar
't ist kein instrument mit ehren. 's Ist der reinste quinkelierkasten;
daar sitst keine kraft in. Goed voor zoo'n schmachtriemen von 'm
schoelmeister oem sein leege maag damit zoesamen zoe schnoeren,
weiter nichts."--De brave Löbell zag als een echte, trompetter met
verheven minachting op elk strijkinstrument neer. "Lern jij maar eins
erst goed trommelen."

"O ho! dat ken ik lang."

"Auch den roffel?"

"Wat best! Toe, Löbell, leer mij een beetje viool; 'k zal je de helft
van mijn aandeel in 't douceur geven."

"Teufelskerl," bromde de Duitscher, terwijl hij den knaap, die op zijn
fluitje eenige snelle loopjes blies, van ter zijde aanzag. "Sakkerment,
wenn daar kein moesikant d'rin steckt, will ich ein hondsfott sein."

"Nu, Löbell, wil je? 'k Deel tusschenbeide wel een halven gulden;
dat zou dan een kwartje voor jou wezen."

"Was, was! ein kwartje, bin jij toll? Wenn ich je was leer, versta je,
dan ist et aus vrindjap, omdat jij zoo'n boeckelorum bint,--maar eine
violinstunde voor 'n kwartje geef ik niet, das ist kein honorar!"



't Duurde niet lang, of Dorus kende de grepen van de viool. Wel is
waar had hij verschrikkelijk veel onaangenaamheden ondervonden van
het geslacht Carlo, dat niet de minste sympathie koesterde voor zijn
muzikale studiën, en de directeur Hermans had hem reeds herhaaldelijk
over dag uit de tent gejaagd, als hij de gamma's studeerde; maar Dorus
hield vol, en eer drie maanden verloopen waren, speelde hij allerlei
deuntjes en wijsjes, en toen nogmaals een halfjaar was verstreken,
zei Löbell: "Kottorie, hij spielt bijna zoo goed wie ik! Maar 's
ist oend bleibt toch ein schwaches miserabeles quinkelierinstrument:
da lob ich mir die trompete, da steekt moesik d'rin."

De directeur Hermans, die eerst zijn best had gedaan om den jeugdigen
violist tegen te werken, liet hem nu stil begaan, want een kostelooze
versterking van zijn orkest was een vooruitzicht, dat hem aanlokte;
ook de familie Carlo begon er schik in te krijgen, dat haar Dorus zoo
knap werd, en juffrouw Keetje, die reeds langer dan zeven maanden
sukkelde en voortdurend aan hoofdpijn leed, vroeg dikwijls: "Toe,
Dorus, speel eens wat voor mij; dat fleurt me op."

De oude viool, die Löbell voor een beetje geld voor Dorus van een
vakgenoot had overgenomen, was nog zoo slecht niet en de knaap wist
er tonen uit te halen, waarover iedereen verstomd stond.

Wanneer hij eens of tweemaal iets hoorde, speelde hij het onmiddellijk
na, en dikwijls varieerde hij het stuk zonder 't bijna zelf te
weten. Het was alsof een nieuw leven voor den knaap begon; wanneer
hij zijn viool in handen had gevoelde hij zich gelukkig en elke
dag bracht hem eene schrede verder in de techniek, hoe gebrekkig de
grondslag er toe ook gelegd was. Zonder moeite, als instinctmatig,
vond hij grepen en positiën en soms verbaasde hij zichzelf over de
tonen, die zijn vingers aan de snaren ontlokten.

Eens op een Zondag--de tent was in een klein stadje opgeslagen, waar
op den sabbat niet gespeeld mocht worden--stond Dorus alleen op het
ledige tooneel en speelde. Zijn vingers drukten werktuiglijk de snaren
en even werktuiglijk liet hij dus den strijkstok op en neer gaan. Hij
begon met eene bekende melodie, die hij ergens gehoord had; vaster en
vaster werd zijn streek, en eindelijk phantaseerde de knaap. Zijn oogen
schitterden, zijn borst zwoegde en het zweet parelde op zijn voorhoofd.

Dorus droomde op de viool. Nu eens smeltend en zacht,. als een beeld
van zijne eerste kindsheid, toen moederliefde hem koesterde, dan weer
woest en wild, als jammerde het in de snaren van weedom en smart,
eindelijk melancholisch en zacht, klonken de tonen, die hij aan zijn
instrument ontlokte. Hij speelde voort, terwijl tranen hem over de
wangen liepen, maar hij merkte het niet, evenmin als hij gewaarwerd,
dat Löbell achter op het tooneel was gekomen. Een schelle dissonant,
als de laatste kreet van een gewonde ziel, brak zijn droomerij af;
langzaam liet hij de viool zakken en staarde doelloos voor zich uit.

"Kratz noer weiter, kerlchen, kratz noer weiter!" riep eensklaps
Löbell, maar met een stem zoo week, alsof 't eene moeder was, die
tot haar kind sprak, en terstond daarop liet hij met zijn gewone
ruwe stem volgen: "Jij bint ein schwerenöther, ein teufelskerl;
daar sitzt doch wahrhaftig beina soviel musik d'rin, wie in meine
trompete! Sakkerments kerl! wo hèv jou das keleerd?"

"Van jou, Löbell," antwoordde Dorus lachende, terwijl hij met
welgevallen zijn viool beschouwde.

"Von mir--das soll der teufel! Ich wol, dat ich 't zoo kon, versta je?"

"Och kom, Löbell!"

"Waar hèv je die noten van dat schtuk?"

"De noten?--Wat bedoel je?"

"Ich betoel die moesiek. Ist es gedruckt?"

"Wel neen!" antwoordde Dorus verwonderd. "Ik speelde maar zoo wat
uit het hoofd, wat me zoo in de gedachten kwam."

"Donneroenddoria? waar das fantasie,--alles aus de kànes
gespielt?--Waarhaftig?"

"Natuurlijk, Löbell."

"Dan zeg ik, dat het sjande oend sünde ist, wenn jij nog langer den
hanswoerscht macht. Jij moet stoedeeren oend dan wird der ouwe Löbell
nog beleven, dat jij een virtuoos wirst."

"Een virtuoos, wat is dat?"

"Das?"--De oude trompetter streek verlegen zijn knevel.--"Das? Das
ist ein kerl, die zóó moesiek macht, das die menschen sich de handen
kapoet schlagen, bei 'm applaudiren, oend der liebe herr Kott das
herz im leibe lacht."



Er was in Dorus' geheele zijn en wezen verandering gekomen. Hij
werd stiller en teruggetrokkener dan ooit, zijn viool was zijn
alles geworden en het hansworstenpak, dat hij eenmaal verheugd had
aangetrokken, begon hem tegen te staan. Wel deed hij zijn plicht
en werkte op de voorstellingen naar behooren mede, maar het ging
niet van harte zooals vroeger, en niet ten onrechte maakte Signor
Carlo de opmerking: "Die viool is het bederf van Dorus' productiën;
hij heeft er zijn hoofd niet meer bij, en de honden vernegligeert hij
ook; ik zal er hem eens over onderhanden nemen. Ik heb er niet tegen,
dat hij speelt, maar de zaak moet er niet onder lijden."

Hij nam Dorus onderhanden, en al wat deze op de tot hem gerichte
verwijten antwoordde, was: "Ik kan het niet laten, maar ik zal
mijn best doen om mijn werk niet te bederven." Toen, als door een
plotselinge gedachte getroffen, vroeg hij: "Laat me het hansworstenpak
uittrekken, Carlo, en in het orkest spelen, dag en nacht, als je wilt."

"Waarachtig niet; ik heb nog nooit zoo'n paljas gehad! 't Publiek lacht
al, zoodra het je maar ziet, en bovendien je bent een geboren paljas:
't zou zonde en jammer wezen, als je voor de kunst verloren gingt. Nu,
zet maar zoo'n ongelukkig gezicht niet; je hebt het toch goed, en ik
mag je graag lijden. Weet je wat, als je dan zoo graag spelen wilt,
speel dan op de avondrepresentatie in je hansworstenpak een paar
mopjes, dan zal ik je op het programma den "muzikalen clown" noemen".

"Maar, Carlo!"

"Wil je, of wil je niet?"

"In dat leelijke pak?" vroeg Dorus met een zucht.

"Ja, en anders ruk ik je viool in. Begrepen?"

"In Gods naam, ik zal spelen."





V.

BIJ DOKTER ABELS.


't Is een heerlijke zoele zomerdag; de lucht is vol zonneschijn,
helder en blauw is de wolkelooze hemel. In de zonnestralen dartelen
duizenden insecten; alles is vol warmte, leven, glans en gloed. De
geur van jasmijn en kamperfoelie vervluchtigt zich in de warmte der
zon. Krachtig slaat de vink in den beukeboom; vroolijk wiegt zich
het roodborstje in de twijgen van het vlierbosch in den tuin.

Vol en prachtig staan de rozen in het bed te bloeien, en schitterend
vereenigen verbena's en geraniums haar kleuren tot een heerlijk
schoonen krans.

't Zoele windje suizelt zachtkens door de bladeren en draagt den
vlinder voort, die een oogenblik in 't zonnelicht drijft, en blaast
zelfs geen enkel stofje van zijn vlerkjes, die blinken als lichtgeel
goud, met purperen glans overtogen.

Een waas van bloemenlucht en warmte drijft tusschen de bladeren der
kastanjeboomen, of zweeft er doorheen tot in de openstaande ramen van
het zacht rose getinte heerenhuis. In de ruime, sierlijk gemeubelde
tuinkamer staat dokter Abels voor de opengeslagen vensters.

"Heerlijk weer, goddelijk!" zegt hij zacht en kijkt naar de lucht,
naar de bloemen en den tuin. Met welgevallen ademt hij de frissche
geuren van het groen in.

Buiten slaat de dorpsklok negen uren. De dokter verlaat het venster en
nadert de ontbijttafel, die in het midden der kamer gereedstaat. Het
keurig fijne porselein, het zilveren theeservies met de Chineesche
kopjes noodigen tot aanzitten uit.

De versche eieren in het Sèvres eierenstel zien er uitlokkend uit
en het sardijntje in zijn blikken doosje biedt zijn zilverkleurige
lekkernij vrijmoedig aan.

De met zorg gekozen meubelen, de prachtige vleugel van Erard, de
harmonische overeenstemming der kleuren van behangsel, overgordijnen
en tapijt, de algeheele afwezigheid van overladen pracht, wijzen er
op, dat wij ons in de woning van een ontwikkeld man van smaak bevinden.

"Reeds negen uur; Albertine is laat vandaag," zegt de dokter, terwijl
hij in afwachting, dat zijne dochter de thee voor hem zal komen
schenken, het fijn damasten servet, dat, in zilveren ring gerold op
zijn bord ligt, ontvouwt en over de knieën legt. Hij neemt zijn mes
op en draait het werktuigelijk in de hand heen en weer, terwijl hij
achterover in zijn stoel ligt. Zijn vriendelijke oogen rusten daarbij
als vanzelf op een vrouwenportret in crayon, dat tegenover hem in
een zwarthouten lijst aan den wand hangt.

Hij zucht onhoorbaar, en het is alsof zijn oogleden rood en de hoekjes
vochtig worden, terwijl, hij achterover in den stoel leunend fluistert:
"Arme vrouw, je bent te vroeg heengegaan. En jij ook, Henri, mijn
jongen, mijn stamhouder," voegt hij er bij; terwijl hij het grijze
hoofd omwendt om naar een schuins achter hem hangende photographie
te zien. Een immortellenkrans om het kleine lijstje toont aan,
dat Henri de laatste was, die hem verliet. Nog een blik vol weemoed
werpt hij op de beide portretten en staart dan doelloos in den tuin,
waarin de vlinder in de zonnestralen dartelt, als het beeld van het
herboren leven.


    Feldeinwärts flog ein Vögelein
    Und sang im munteren Sonnenschein
    Mit süssem, wunderbaren Ton:
    Adé--ich fliege nun davon!
    Weit! weit! weit!
    Reis' ich noch heut!


zingt een glasheldere meisjesstem in den tuin. De dokter heft eensklaps
het hoofd op, en een gelukkige lach speelt om zijn lippen, als hij
de slanke gestalte zijner dochter voor het huis ziet verschijnen.


    Weit! weit! weit!
    Flieg' ich noch heut!


klinkt het weer, terwijl Albertine nadert en nog buiten haar vader
toeroept: "Goede morgen, papaatje! Goed geslapen?"

Met den wijsvinger dreigend, antwoordt hij: "Tientje, Tientje! wat
ben je laat; ik heb op je gewacht."

Het bevallige meisje, nog steeds in de deur staande, lacht vroolijk,
heft op haar beurt het fijne vingertje omhoog en antwoordt schalks:
"Papaatje, papaatje! wat is u laat! Ik heb al wel een uur op u
gewacht. 'k Heb de kippen gevoerd, de duiven hun eten gegeven en ik heb
bloemen geplukt." Zij toont een paar rozenknoppen met een takje jasmijn
en nadert met luchtigen tred haar vader, die het hoofd achteroverbuigt
en zoo zijn morgenkus in ontvangst neemt. Zij steekt een rozenknopje
in zijn knoopsgat, kust hem nogmaals op beide wangen en zegt lachend:
"Dat is voor mijn knorrigen papa, omdat hij te laat is opgestaan."

"Je weet je aardig uit de klem te redden, Albertientje!"

"Neen, heusch, papa, ik ben al een uur op."

"Nu goed, kind, ik zal je voor dezen keer gelooven. Schenk me maar
gauw een kopje thee in."

"Dadelijk, papa."

Met ongedwongen bevalligheid plaatst het meisje zich aan de
tafel. Terwijl zij thee inschenkt en het ontbijt verder gereedmaakt,
slaat haar vader met welgevallen elke harer bewegingen gade en denkt:
"Wat ziet ze er toch lief uit; ze heeft juist de oogen van haar moeder
en hetzelfde weelderige, blonde haar; 't is alsof ik mijn goede Anna
verjongd en frisch weer voor me zie!" En nogmaals richt zich zijn
blik op het portret tegenover hem.

Albertine ziet er werkelijk allerbekoorlijkst uit; hare rijzige
gestalte komt in den met kant omzetten witten peignoir geheel tot haar
recht. Op haar fijn besneden gelaat strijdt het dons van de perzik
met de kleur der meiroos en der lelie om den voorrang. Achttien
zomers lachen u aan uit haar groote, donkere oogen, die, door fijn
gebogen wenkbrauwen overschaduwd, eenigszins vreemd afsteken bij den
overvloed van aschblond haar, dat zich noode in de sierlijk gewonden
wrong laat bedwingen. De wijde mouwen van den peignoir gunnen een
onbescheiden blik op den poezelen ronden arm en het coquette muiltje,
dat zich even van onder de plooien van haar kleed laat zien, schijnt
voor een kindervoetje berekend.

"Nog een kopje, papa?" vraagt het meisje, terwijl zij met een sierlijke
beweging het zilveren trekpotje opneemt.

"Zeker; en je kunt me ook nog een broodje geven."

Terwijl zij het een en ander gereedmaakt, ziet haar vader op zijn
horloge en zegt: "'t Is al bijna weer tijd om uit te rijden, Tientje;
nog een klein kwartiertje en..."

"En nog juist tijd genoeg om u even een wals van Chopin voor te
spelen," en opstaande voegt zij er bij: "Ja, ja! ik ken mijn vadertje:
zijn muziekstuk moet hij hebben voor hij uitrijdt, niet waar?"

"Kind! je bederft me!"

"Of u mij, papa!" Albertine staat op een slaat het kostbare instrument
open. "Chopin, papa?"

"Neen, Tientje, speel liever iets van Mendelsohn; ik weet niet,
hoe het komt, maar ik ben vandaag niet opgewekt."

"Niet; scheelt er wat aan, papa?" Het meisje wipt vlug van de pianokruk
op, vat haar vaders hoofd tusschen haar beide handen en, terwijl zij
hem in de oogen ziet, vraagt ze: "U is immers toch wel?"

Glimlachend ziet dokter Abels haar aan en antwoordt: "Zeker, kind ;
't is maar een van mijn mistroostige buien. Kom, speel nu, kind!"

"Zal u dan weer vroolijk worden, lieve, beste, oude papa?"

"Ja, ja, malle meid!"

Albertine preludeert even, en weldra ruischen de toonen, die haar
geoefende vingers aan het schoone instrument ontlokken, door de
kamer. Plotseling houdt het meisje op met spelen en vraagt:

"Papa, waarom speelt u toch nooit meer op de viool? U speelt zoo goed!"

"Och, kind!"

"En u heeft zoo'n prachtig instrument."

"'k Heb er geen tijd meer voor, Albertientje, en bovendien, sedert je
moeder dood is, heb ik er den rechten lust niet meer in; wij maakten
altijd samen muziek en..."

"Mama is nu al bijna twee jaren dood, is 't niet zoo papa?"

"Ja, kind, en Henri al anderhalf jaar."

't Is een oogenblik stil, doodstil in de kamer. De dokter staat
langzaam op. en strijkt zich een paar malen met de hand over het
voorhoofd. Albertines vingers dwalen over de toetsen. Zacht en innig
klinkt de melodie van "_Es ist bestimmt in Gottes Rath_," uit den
vleugel. Pianissimo eindigt zij, springt plotseling van haar zitplaats
op en valt haar vader om den hals, terwijl zij haar hoofd aan zijn
borst verbergt en zachtjes zegt: "Maar wij hebben elkaar toch nog,
niet waar?"

"Ja, mijn schat, ja!"

"Mijnheer, het rijtuig is voor!" roept de knecht, die in de tuindeur
verschijnt.

"Ik kom, Jakob. Adieu Tientje!"

"Dag, papa!"

Dokter Abels werpt haar, in de tuindeur staande, nog een kushand
toe en begeeft zich door den tuin naar het koetshuis, waar onder de
porte-cochère zijn rijtuig gereedstaat. Terwijl hij instapt, wendt
hij zich tot den huisknecht, met de woorden: "Jacob, denk er om, dat
je van middag wat soep brengt aan vrouw Teunissen en de flesch wijn,
die in de eetkamer op het buffet staat, bij den ouden Stoffels in
het Hanenstraatje. Je weet wel, waar het is?"

"Jawel, dokter, waar ik laatst dat mandje en die kleeren..."

"Juist."

Het portier valt met een slag dicht; Barend de Koetsier klapt even met
de tong, de twee bruinen trekken aan, stappen de poort uit en weldra
rolt het rijtuig in snelle vaart den weg op. Jacob ziet het na, en
terwijl hij de groote staldeuren sluit, zegt hij bij zichzelven: "'t
Is toch een goed man, die een boel voor een ander overheeft. Jammer,
dat hij zoo mankeliek is tusschenbeide."

Albertine is weer aan de piano gaan zitten. Haar kleine handen glijden
vaardig en snel over de toetsen; ze speelt een concertstuk. Breed en
vol ruischen de accoorden der introductie en als een zoetvloeiende
stroom van harmonie volgt een adagio, dat als een lied van liefde
en lust tot het hart spreekt en doordringt tot het diepst der ziel;
nu eens jubelen de tonen, dan weer klagen zij vol weemoed en smart.

Het meisje gevoelt, wat ze speelt; haar onberispelijke aanslag en
hare vaardigheid komen heerlijk uit, als zij bij het scherzo met het
meeste gemak de zwaarste passages overwint. Als een vogel, verscholen
in het gebladert, juicht de discant en de basnoten klinken als een
menschenstem, die zingt van weelde en van geluk.--Zij speelt voort,
terwijl haar oogen schitteren en haar wangen zich hooger kleuren. Alles
om haar heen heeft zij vergeten; op dit oogenblik leeft zij alleen in
de muziek. Daardoor bemerkt ze ook niet, dat zij een toehoorder heeft;
't is een knaap die tegen de openstaande tuindeur geleund, ademloos
toeluistert. Zijn oogen zijn strak op de liefelijke verschijning
vóór hem gevestigd en met gevouwen handen luistert hij toe; geen
enkele toon ontsnapt hem. Het is alsof hij de muziek, die hij hoort,
in zich opneemt; alsof elke noot, elk accoord in zijn ziel weerklank
vindt. Bleekheid en blos wisselen snel op zijn gelaat, zenuwachtig
trillen zijne lippen en plooien zijn mond tot een weemoedigen lach of
sluiten zich een seconde later weder vast op elkaar. Onbeweeglijk staat
hij daar, totdat het meisje ophoudt met spelen; en alsof hij uit een
betoovering ontwaakt, strekt hij de handen verlangend naar haar uit.

"Wat doe jij daar? Wat voer je daar uit?" klinkt plotseling Jakobs
stem in den tuin en doet hem tot de werkelijkheid terugkeeren; maar
nog is hij te zeer onder den indruk van het gehoorde, om dadelijk
antwoord te kunnen geven.

De huisknecht nadert, en met de barsche woorden: "Kun jij geen antwoord
geven, leelijke bochel?" vat hij hem bij den kraag en trekt hem een
eind den tuin in.

Al het bloed stijgt in één oogenblik naar het hoofd van den jongen;
hij rukt zich los, bukt zich en grijpt bliksemsnel een handvol zand,
dat hij den knecht in het gezicht werpt.

"Vervloekte jongen!" roept Jakob, terwijl hij met een pijnlijk gelaat
de eene hand naar de oogen brengt en met de andere tevergeefs hem
weer poogt te grijpen. "Houd hem vast!" roept hij den tuinman toe,
die het geval heeft gezien en, ijlings toegeschoten, den bultenaar
stevig bij den arm neemt en heen en weer schudt.

"Laat me los!" gilt de knaap, terwijl hij vruchteloos zich aan de
handen van den tuinman poogt te ontwringen.

Albertine is op het hooren van het geschreeuw in den tuin opgevlogen
en staat nu tusschen de beide mannen, terwijl zij vraagt: "Wat is
hier te doen, Jakob? Waarom schreeuw jelui zoo?"

Bedeesd slaat de jongen de oogen neer en doet geen verdere poging om
te ontkomen, als Jakob antwoordt:

"Ik was zoo even in den stal, juffrouw, en zag hoe die gemeene
bochel...." Een toornige blik van den aangewezene treft hem en ontlokt
hem de woorden: "Kijk me maar zoo valsch niet aan; 'k zal je straks
wel nader spreken.--'k Zag hem door de kleine deur sluipen en in
den tuin gaan; er is hier dezer dagen veel slecht volk in de buurt,
want met de kermis te Groenendaal zwerft allerlei gespuis rond, en ik
dacht: die komt eens kijken, of hij hier wat op den kop kan tikken,
't Is zeker een jongen van een spel of zoo, dat kun je wel aan zijn
plunje zien. Ik prakkezeerde zoo bij mezelven: ik zal hem stil zijn
gang laten gaan en zien wat hij uitvoert. Ik zag hem langs het huis
gaan en door de ramen kijken. U was net aan 't spelen, juffrouw;
toen bleef hij aan de open deur staan en loerde om het hoekje naar
binnen. Hij keek zeker, of er wat van zijn gading was."

"Dat lieg je."

"Houd je mond, kwajongen; ik weet, wat ik gezien heb. Toen wilde hij
naar binnen gaan."

"'t Is een leugen, juffrouw, 't is een leugen!" roept hartstochtelijk
de jongen, terwijl de tranen hem met kracht uit de oogen springen
en over zijn bleeke wangen rollen. "Ik luisterde naar de muziek,
anders niet. Laat me toch los!"

Albertine ziet hem medelijdend aan en zegt: "Laat hem maar los,
Pieter."

"Dan gaot ie er vandeur, juffer!"

"Neen, neen! 'k zal niet wegloopen, 'k hoef het niet te doen, want
ik heb niets kwaads gedaan."

Op een wenk van het meisje laat de tuinman den arm, dien hij vastgreep,
vrij, en de knaap blijft bedaard staan, terwijl hij met een blik vol
haat op Jakob zegt: "'k Kwam niet om te stelen, juffrouw; hij liegt
het. Dat ik hem zand in de oogen heb gegooid, is waar, maar dat deed
ik, omdat hij me uitschold en omdat ik op dat oogenblik mijzelf niet
was door de muziek, die ik hoorde."

"Een mooi praatje," bromt Jakob.

"Daar mot-de niks van geleuven, juffer, dat bennen allemoal
proatjes. As 'k 'em goed oankiek, dan geleuf ik, dâ 'k 'em al eerder
gezien heb, eergiesteren, toen 'k op de kârmis gewêst bin, moar toen
zag ie anders uit. Zinen bult was wel êns zoo groot en ie had zoo'n
potsenmoakers pak an.--Zeg, hed-de gij niet in 't thrioater met
hundjes gespeuld?"

"Dat heb ik," klonk het bedaard terug.

"En hed-de gij niet op de fidel gespeuld?"

"Dat is ook waar."

"Zie-de wel, juffer, dat 't der een van 'n spul is? Dâ's allemoal
schunnig volk, doar mot-de veurzichtig mee wêzen. G'leuf me, loat 'k
em noar den veldwachter brengen, dan bint wie der af, en dan kriegt
ie wat 'em toekumt." Pieter grijpt den arm van den jongen weer vast.

"Wacht eens even, Pieter, ik geloof dat je overdrijft; de jongen ziet
er niet uit, alsof hij kwam stelen," zegt Albertine, terwijl zij,
een stap voorwaarts doende, vraagt:

"Waarom kwam je hier? Zeg me de waarheid."

"Ik wou den dokter spreken, juffrouw."

"Mooi smoesje!" pruttelt Jacob. "Dan kost ge toch oan de veurdeur
gebeld hebben. Een fatsoenleke mins kruupt toch niet 't achterhuus in."

"Ja, dat is waar. Waarom heb je niet gescheld?" vraagt het meisje.

"Ik hoorde u spelen en toen vergat ik verder te gaan."

"Allemaal gekheid, juffrouw, u moet het niet gelooven," bromt Jakob.

"Ben jij dan zelf zoo'n leugenaar, dat je niemand anders gelooft?" bijt
de knaap hem toe, en tot Albertine gewend vervolgt hij : "'k Heb u
de waarheid gezegd, juffrouw. 'k Zal u alles vertellen; maar laat
hen heengaan."

"Nu, goed dan. Ga maar aan je werk, Pieter; en jij, Jakob, laat mij
met den jongen alleen." Knorrig verwijdert zich de laatste, en de
tuinman gaat weer naar zijn bloembedden, echter niet dan nadat hij
gezegd heeft:

"'k Goai, moar rêken der op, da 'k oe in de goaten houw!"

Albertine neemt op een bank bij het huis plaats en wenkt den jongen
nader te komen. Vriendelijk ziet zij hem aan, als ze vraagt:

"Zeg me nu eens de waarheid. Wat kwam je hier doen?"

"Ik kwam den dokter zoeken, juffrouw."

"Zoo! Hoe heet je?"

"Dorus."

"Ben je dan ziek ?"

"Neen, ik niet," en nu verhaalt Dorus haar, wie en wat hij is; hoe
juffrouw Keetje reeds maanden lang erge koorts heeft en dag aan dag
zwakker wordt; hoe hij gehoord heeft, dat dokter Abels als de knapste
geneesheer van den omtrek bekendstaat; en hoe hij hoopt, dat hij de
juffrouw kan genezen.

"En het is niet je moeder?"

"Neen, juffrouw, mijn moeder en mijn vader zijn allebei dood."

"Al lang?--En hield je veel van je moeder?"

"Ik herinner mij van mijne moeder alleen nog maar, dat ze me 's avonds
op haar schoot nam en me zoende, vóór ik ging slapen. 'k Weet niet
anders meer van haar, dan dat ze lief en goed voor me was en me nooit
"krates" of "bochel" noemde. Maar juffrouw Keetje is net even goed;
ze is altijd vriendelijk en ze is de eenigste, die van me houdt. Daarom
zou ik voor haar door het vuur loopen en daarom houd ik me in, als de
anderen me schelden of plagen. Och, juffrouw, ze is zoo ziek, en alles
wat ze haar gegeven hebben helpt niet. Als de dokter maar eens kwam,
zou ze wel weer beter worden; hij is zoo geleerd, zeggen ze allemaal;
daarom ben ik van morgen van Groenendaal hierheen geloopen."

"Maar dat is ruim twee uren gaans!" zegt Albertine verwonderd.

"O, dat is minder, al was het nog eens zoo ver. Zou u denken, dat de
dokter zou willen?" En terwijl hij haar eenigszins verlegen aanziet,
grabbelt hij in den diepen zak van zijn wijde pantalon en haalt een
toegevouwen papier te voorschijn, dat hij opent, en waarvan hij haar
op de vlakke hand den inhoud toont, bij de woorden: "Zou hij komen
voor drie gulden? Meer heb ik niet."

Een zonderling gemengd gevoel van medelijden en sympathie doorstroomt
het meisje, als zij vraagt: "Hoe kom je aan dat geld?"

Dorus' oogen staren haar vrijmoedig en schitterend aan, bij het
antwoord: "Eerlijk verdiend, juffrouw! Opgespaard van mijn douceurs."

"De dokter zal komen, dat beloof ik je; steek je geld maar weer bij
je," zegt Albertine met een zweem van aandoening in haar stem.

"Zal hij, juffrouw?"

"Je kunt er op rekenen. Maar, waar staat de tent?"

"De tent, juffrouw? Die is al lang vooruit naar Westwijk, met
Hermans en de anderen. Wij, Signor Carlo en ik, zijn met den wagen te
Groenendaal achtergebleven, omdat juffrouw Keetje het rijden, door de
erge hoofdpijn, niet langer verdragen kon; maar morgenochtend moeten
we vroeg weer op weg, om 's avonds in Westwijk te kunnen spelen."

"Speel jij ook mee? En als wat?"

Een sterke blos kleurt Dorus' wangen. Waarom, weet hij zelf niet recht,
maar 't is alsof het woord "hansworst" hem niet van de lippen wil,
en hij stottert bij het antwoord: "'k Presenteer gedresseerde honden,
juffrouw! en 'k speel viool."

"Nu, daarvoor hoef je je niet te schamen. Waarom krijg je zoo'n
kleur? 'k Geloof, dat je mij wat wilt wijsmaken."

"'k Ben ook de paljas," antwoordt hij min of meer verlegen.

"Paljas! En vind je dat aardig?"

"Neen, juffrouw, maar ik moet wel.--Zal ik nu maar gaan? 'k Wou graag
weer terug.--Komt de dokter gauw?"

"'k Hoop van middag."

Dorus stottert een paar malen een bedankje en verlaat den tuin. Jakob
ziet hem heengaan en pruttelt:

"'k Zou hem anders getrakteerd hebben, zoo'n rakker!" En de tuinman
roept hem, met zijn hark dreigend, na:

"As ge 't hart hêt om ooit weer hier te kommen, dan sloa 'k oe de been'
stuk, begriept-de?" en in zichzelven zegt hij: "De jongejuffer is veuls
te goed om met zoo'n jong nog proatjes te maken;"--en Dorus naziende:
"'t Is toch en miserable bult, as je 'em goed bekiekt."





VI.

IN DEN KERMISWAGEN.


In den groenen wagen van Signor Carlo is het benauwd; de zon heeft
den geheelen dag met kracht op het rijtuig geschenen, en daardoor is
de temperatuur daarbinnen buitengewoon hoog.

Niettegenstaande die bijna ondraaglijke hitte ligt vrouw Keetje in het
bed, met een wollen deken dicht tot aan den hals toegedekt. De koorts
is weer aan 't opkomen en doet haar onophoudelijk rillen en huiveren,
terwijl haar hoofd gloeit, de tong droog is en de slapen kloppen.

Met een bezorgd gelaat staat Carlo bij zijn vrouw en tracht haar een
lepel vol medicijn in te geven.

"Ik kan het niet meer nemen, Carlo, 't walgt me zoo," zegt de zieke,
die de hand aan het brandende voorhoofd brengt en herhaaldelijk naar
adem hijgt.

"Maar 't is toch zoo goed voor je, Keetje; 't is tegen de
koorts. Hermans heeft het ook gebruikt, 't zijn alsem-knoppen op
brandewijn."

"Laat mij met rust: ik _kan_ het niet innemen."

"Wil je drinken?"

"Ja! geef mij water, veel water! En dan wil ik slapen."

Voorzichtig licht de acrobaat het hoofd der zieke op en brengt haar
een glas aan de lippen. Eenigen tijd ligt zij roerloos, en alleen aan
het hijgen, dat ze doet, is het merkbaar dat zij lijdt. Carlo zit op
de trap van den wagen en staart naar den straatweg.

De avond valt en in het westen kleurt zich de gezichteinder met een
bloedroode tint. Het scheidend licht der zon verft de toppen der
boomen met een gulden gloed.

De schaduwen worden al langer en zwakker, vervloeien al meer en meer,
en de schemering begint. Allengs wordt aarde en hemel grauw: in het
zwerk pakken zich de wolken tot een donkere massa samen, en hier en
daar steken lichtere, rotsachtige koppen uit de wolkenmassa op; 't
wordt nu eens donkerder, dan weer iets lichter. Meer en meer verdikken
zich de wolken, flauwer wordt de roode tint aan den horizont, grauwer
de kleur van het loof der boomen en geler hun kruin en toppen. Een
broeiende, matte, loodzware hitte, angstig voor het gevoel, belemmert
den adem. De amechtige natuur smacht naar verfrissching.

't Stof warrelt eensklaps, door een plotselingen windstoot gezweept,
omhoog. In een kring, als dansten zij een heksendans, vliegen enkele
afgevallen bladeren en verdorde grasscheuten op den straatweg rond. De
wind vaart spookachtig door de kruinen der boomen en gaat dan weer
liggen, als loerde hij op een geschikt oogenblik om zijn prooi,
de aarde, te bespringen.

't Is zonderling geheimzinnig stil. In het noordoosten hangt de
bui,--'t rommelt in de verte. 't Suist in de lucht, enkele dikke
druppels beginnen te vallen; 't wordt een oogenblik nog drukkender, nog
benauwder en donkerder; weer rommelt het onheilspellend in het zwerk.

Daar schittert op eens een felle bliksemstraal. De enkele boer, die
nog op den weg is, ziet angstig omhoog en telt zachtkens "een, twee,
drie, vier," tot zestien, dan ratelt de slag. "'t Is nog veraf!" Hij
kijkt naar de lucht en haast zich naar huis.

Een tweede lichtstraal volgt, en bijna zonder tusschenpoos een
donderslag, die aarde en hemel doet sidderen.

"Carlo! Carlo!" roept op eens de zieke in den kermiswagen. "Carlo! kom
hier; 'k heb zoo'n angst."

"Wees maar bedaard, Keetje; 't zal wel zoo gedaan zijn."

"O God! wat een slag, en wat is het donker! Waar is Dorus?"

"Hij is den straatweg op geloopen, om te zien... Hè! dat's vreeselijk;
dat slaat zeker ergens in."

Bevend klemt vrouw Keetje zich aan den arm van haar man. "Goddank! 't
begint harder te regenen, dat 's goed. Heb je 't paard bezorgd?"

"'t Stalt aan de herberg."

"Och! als die Dorus maar terugkwam. O! wat een licht, en de slag er
dadelijk bovenop; o God, mijn hoofd!"

"Wees toch niet zoo bang: 't heeft niets geen nood, de bui trekt
al over."

Een zonderling vuur schittert in Keetjes oogen; haar lippen zijn droog;
in haar slapen tintelt en klopt het onuitstaanbaar.

"Daar is Dorus," zegt de zieke eensklaps op droevigen toon.

"Waar?" Carlo wendt het hoofd om, maar ziet niemand.

"Ha! ha! ha! wat staat hem dat pakje grappig. Speel nog eens voor me;
toe, laat ik nog eens wat hooren, maar niet dat treurige, dat van
laatst, hoor!"

"Mijn God! Keetje, wat zeg je?"

"Stil! je moet Betty niet wakker maken! Ze slaapt nog, ze heeft
gisteren te veel gewerkt. Wat een leven is er buiten. God! wat een
geweld."

"'t Dondert nog: het ontweert, en...."

"Waarom sta jij hier? Waar is Carlo?"

"Hier ben ik, vrouw!"

"Ik ken jou niet; 'k wil mijn man zien; roep hem dan toch.--Spelen,
Dorus! spelen; tralalala! la! la! tralala."

De zieke ijlt verschrikkelijk, ze wil met alle geweld het bed uit,
en de sterke acrobaat heeft moeite om haar in bedwang te houden.

"Je doet me pijn; ik wil er uit!"

't Angstzweet parelt hem op het voorhoofd; hij weet niet wat aan
te vangen, neemt werktuigelijk een bak met water, die bij 't bed
staat en doopt er een doek in, dien hij op 't brandende voorhoofd
van Keetje legt.

"Dat's koud, hu! dat's koud."

"'t Zal je goed doen."

"Daar komt hij! Daar komt hij!" roept nog op den weg eensklaps Dorus,
die, zoo snel zijn reeds vermoeide beenen het hem veroorloven, komt
aanrennen. Ademloos bereikt hij den wagen en herhaalt: "Dokter Abels
komt er aan, Carlo! Hoe is 't er mee?"

"Bitter naar, ze is heelemaal buiten westen."

't Gromt, rommelt en dondert nog onophoudelijk, dan in de verte, dan
van nabij, maar toch trekt het onweer over, het wordt iets lichter
en de stortbui maakt plaats voor een zachten, milden regen. De droge,
harde grond heeft gretig het vallende water verzwolgen, maar op enkele
plaatsen is de toevoer te groot geweest en hebben zich plassen gevormd,
waarin de bliksem, als hij neerschiet, een ondeelbaar oogenblik
weerkaatst. Rondom den kermiswagen heeft zich een soort van meertje
gevormd; de zandweg is in een poel van leem en modder veranderd.

Het rijtuig van dokter Abels heeft de plek, waar Carlo's wagen staat,
bereikt.

"Hierheen, dokter!" roept Dorus hem te gemoet. "Hierheen! Kom langs
den berm, want 't is alles modder dáár. O! dokter, wat is u goed,
dat u komt."

"Waar is de zieke? Nog in den wagen?"

"Ja, dokter.--Pas op! daar is een plas.--Hier is het droog.--Zoo! nu
het trapje op."

De medicus treedt den wagen binnen, waar Carlo hem met een stroom
van dankbetuigingen ontvangt.

"Kun je geen licht maken? 't Wordt al zoo donker."

"Zeker, dokter, dadelijk."

Terwijl Carlo de hanglamp aansteekt, beven zijn handen. Zachtkens
murmelt de zieke:

"Ze zullen tweemaal repeteeren.--Wat brandt die kachel
fel.--Dorus! Dorus!"

"Wat blieft u, juffrouw!"

"Stil! zij schijnt te ijlen," zegt de dokter.

"Dorus! Dorus! speel dan toch voor mij, toe dan."

"Houd het licht eens vast, mijn jongen, dat ik haar goed zien kan."

De knaap neemt de lamp en licht den dokter bij.

"Kun je niet wat lucht maken, want het is hier om te stikken. 't Is
voor een gezond mensch om ziek te worden."

Carlo opent een paar van de raampjes en een luikje boven in de kap
van den wagen. Wel vallen eenige regendruppels naar binnen, maar de
drukkende, benauwde lucht vermindert, en de zieke haalt gemakkelijker
adem.

De dokter buigt zich over de lijderes, spreekt haar zacht en
vriendelijk toe, luistert op haar borst en naar den hartslag en tracht
zich door haar te doen begrijpen. Tevergeefs; zij antwoordt niet, of
verward. Een vlammend rood kleurt haar gelaat, de met bloed beloopen
oogen rollen woest heen en weer; zij vliegt van haar legerstede op,
hevig benauwd, en met de armen om zich slaande, zinkt ze terug op
het bed. Een oogenblik wordt haar gelaat kalmer en doodsbleek; zij
beweegt de lippen en zegt nogmaals: "Speel dan, Dorus, speel dan!"

"Wat bedoelt ze toch?" vraagt de dokter aan Carlo, die bij het bed
geknield, eenige doeken in den bak met water legt.

"Zij wil muziek hooren, dokter. Dorus zijn viool ... Hij moet dikwijls
voor haar spelen."

"Zonderling," mompelt de medicus. "Probeer het eens; misschien wordt
ze dan kalmer."

"Dat kan ik nu niet, onmogelijk!" antwoordt de knaap, die aan het
hoofdeneinde staande, nu en dan zijn hand op het voorhoofd der vrouw
legt, of haar de wangen streelt. "Niet waar, juffrouw Keetje," zegt
hij zacht, "nu kan ik niet spelen?"

"Speel dan toch," herhaalt zij.

Dorus neemt, zonder meer te zeggen, zijn viool van de plank en verlaat
den wagen. Als hij in de deur staat, vraagt de dokter: "Ga je heen?"

"Hier kan ik niet, 'k zou geen toon uitbrengen, maar ik zal probeeren
of ik het buiten kan; dan klinkt het ook niet zoo hard."

Op de onderste trede van het trapje gaat de knaap zitten, brengt zijn
instrument aan de kin en zet den strijkstok aan; deze beeft in zijn
hand. Onzeker klinken de eerste tonen, maar langzamerhand herkrijgt
hij kalmte en vastheid. Wat hij speelt, weet hij zelf niet: hij
phantaseert. Week en mollig klinken de tonen in een langzaam tempo,
als wilden zij een schreiend kind in slaap wiegen; allengs versnelt
de maat, glijdt de strijkstok luchtiger over de snaren, en eindelijk
zingt de viool een zachte, opwekkende melodie.

De zieke wordt rustiger; 't is in werkelijkheid alsof de tonen der
muziek haar verademing geven. Zij blijft nu stilliggen, met de handen
onder het hoofd. Over haar gelaat verspreidt zich een uitdrukking
van kalmte. Carlo legt haar een natten doek op het hoofd, maar zij
weert hem zachtjes af en fluistert: "Hoor! hoor!"

Dorus speelt voort, en de dokter, die tot dusver zijn patiënt
geen oogenblik uit het oog heeft verloren, staat op en gaat naar de
geopende deur. Aandachtig luistert hij toe, en als de knaap eindelijk
met een wegsmeltend akkoord zijn spel besluit, kan hij een halfluid
"bravo!" niet onderdrukken.

't Regent nog buiten, maar zachtjes en afgebroken, want het onweer is
voorbij en slechts enkele wolken, die door het uitspansel trekken,
ontlasten zich over de aarde. Heel in de verte rommelt het nog dof
en in het zuiden flikkert enkele oogenblikken het weerlicht.

Dorus zit nog altijd op de onderste trede der trap, met het hoofd
voorovergebogen. Hij schreit. Arme knaap! Angst voor het leven van
haar, die hij liefheeft, omdat zij goed voor hem is, perst hem heete
tranen uit de oogen. Hij hoort het "bravo!" van den dokter niet;
zijn geest dwaalt af.--Waarheen? Hij kan er zich geen rekenschap van
geven. Hij gevoelt iets in zijn binnenste, dat hij niet onder woorden
kan brengen. Hij kent er geen uiting voor, dan in de tonen, die hij,
plotseling de viool weer aanzettend, aan het speeltuig ontlokt.

"Luister, luister!" zegt de zieke, terwijl zij zich opricht en met
onnatuurlijk schitterende oogen voor zich uit staart.

"Waar heeft die jongen dat geleerd?" vraagt de medicus. "'t Is
buitengewoon--zeer buitengewoon--geniaal!"

"Hij heeft 't zichzelf geleerd," antwoordt Signor Carlo zachtkens;
"maar," voegt hij er bij, "zóó heb ik hem ook nog nooit hooren spelen;
daar word je koud van."

De dokter wenkt met de hand, dat hij zwijgen moet, en luistert met
ingehouden adem.

"Dorus, Dorus!" roept vrouw Keetje, als de viool verstomt.

In een oogwenk staat de knaap naast haar, vat haar hand en vraagt:
"Is het nu goed? Heb je 't minder benauwd?"

Als uit een zwaren slaap ontwakend, zucht zij diep, ligt een paar
minuten doodstil en zegt dan fluisterend: "'k Ben zoo koud, en toch
brandt het daarboven in mijne hersens."

"Een zonderlinge toestand," denkt de dokter, als hij het bed weer
nadert en de zieke nauwkeurig gadeslaat.

Met een angstig bevenden toon in zijne anders zoo ruwe stem, vraagt
de kunstenaar, den geneesheer ter zijde nemende: "Wat dunkt u er van,
dokter? Zou ze beter worden?"

"Dat kan niemand zeggen; ze is gevaarlijk ziek, zeer gevaarlijk. Gij
kunt haar onmogelijk langer in den wagen laten en in geen geval kun
je haar meenemen naar Westwijk."

"Waar moet ze dan heen? In de herberg te Groenendaal zal men haar
niet willen opnemen. En hoe zou ik er haar krijgen?"

Een oogenblik denkt de dokter na, vóór hij antwoordt: "Ik zal je
helpen. Wikkel haar in een deken en draag haar in mijn rijtuig. 'k
Zal zelf meegaan en zorgen, dat ze onder dak komt. De knaap kan wel
hier bij den wagen blijven."

"Och, laat me ook meegaan!" roept Dorus.

"Dat kan niet; er moet hier iemand bij den boel blijven," antwoordt
Carlo, terwijl hij, geholpen door den dokter, de zieke vrouw een
deken omslaat, haar, als ware zij een kind, in zijn armen neemt en
naar het rijtuig van den dokter draagt.

Barend, de koetsier, die in zijn glimmende regenjas naast de paarden
staat, ziet hen aankomen en neemt de dekens van de bruinen, terwijl
hij in zijn baard bromt: "Dat is bepoald weer zoo'n akkefietje,
zooals ie er al veul hêt gehad. Afijn, ie is altied zoo; ie moet het
moar eiges weten."

Met zorg wordt vrouw Keetje in de kussens van het rijtuig
geplaatst. Carlo ondersteunt haar; dokter Abels neemt tegenover hem
plaats en doet haar voeten op zijn knieën rusten.

"Naar Groenendaal, in 't Moortje. Vooruit, Barend; stapvoets!"



Dank zij dokter Abel's bemiddeling lag vrouw Keetje sedert acht
dagen in een frissche, ruime bovenkamer van de herberg het Moortje
te Groenendaal. Aanvankelijk scheen de ziekte een gunstiger keer
genomen te hebben, want de wilde, ijlende vlagen hadden opgehouden
en de lijderes was kalmer, maar doodelijk zwak.

De vrouw uit de herberg bezocht haar gedurig, toen Carlo genoodzaakt
was, wilde hij zijn mede-directeur niet in den steek laten, zich naar
de tent, die te Westwijk opgeslagen stond, te begeven. Elk oogenblik
kwam zij boven, om de zieke in te geven, of het een of ander te doen.

"Hed-de gij 't wel goed genogt?" vroeg zij dikwijls. "Zie-de! onzen
dokter hêt oe an ons anrekommediert en nou zul-de gij 't ook zoo goed
meugelijk hebben. Och erm! ge zult verlangst hebben noar oe kienders,
hè; ge ligt toch zoo alleinig ; zoo niks geen oansproak. 'k Heb êrst
gedocht, dat dien bult ók een kiend van oe was. 't Het er veul van
alsof ge nog meer van hum holdt als van de anderen; 't liekt ook zoo'n
bedoard, stil jeungske," zoo snapte de kasteleines, als zij haar gast
bezocht. Gewoonlijk echter gaf vrouw Keetje weinig antwoord; zij was
met alles tevreden, voor alles dankbaar, en daarom ook verzekerde
de herbergierster aan den dokter, "dat 't en fersoendelik mins was,
dat ze in huus had; heel anders as gemeinlijk dat spullevolk."

Een paar malen hadden de kinderen van vrouw Keetje hunne moeder
bezocht, maar 't was in 't drukst van den kermistijd en daarom
konden zij, evenmin als hun vader of Dorus, voortdurend bij de zieke
blijven. Wie van hen even kon, zocht haar op, wanneer de afstand niet
al te groot was; maar telkens zei de zieke: "Je moet om mij niets
verzuimen; ik zal wel weer beter worden. Als ik maar niet zoo moe en
zoo zwak was!"



"Dokter, wat zeg-de er van?" vroeg de kasteleinsche op een avond,
toen de geneesheer, die vrouw Keetje bezocht had, weer in zijn
rijtuig stapte.

"'t Is een langzaam heengaan, vrouw Carels."

"Och erm!"

Dienzelfden nacht bleef het licht veel langer dan gewoonlijk branden in
de bovenkamer van de herberg. Den vorigen dag waren Carlo en zijn zoons
nog bij de zieke geweest en had zij hun bij 't vertrekken gevraagd:
"Waarom is Dorus niet meegekomen?"

"Hij moest spelen."

"Zoo. Maar morgen of overmorgen komt hij toch even?"

"Als 't niet te ver is."

Een van de zoons had het aan Dorus verteld, en hoewel het plaatsje,
waar zij voorstellingen gaven, bijna drie uren van Groenendaal
verwijderd lag, was hij twee dagen later, na de voorstelling, zoo
spoedig hij kon, op weg gegaan. Een medelijdend koetsier, die met
een eigen rijtuig denzelfden weg opreed, zag den bultenaar, die zoo
haastig zijn beenen repte en nam hem een eind weegs mede; maar toch
had 't reeds lang elf uren geslagen, eer hij zijn bestemming bereikte.

In de herberg zelf was 't al donker, maar op de bovenkamer brandde
nog licht.

Hij klopte; men hoorde hem niet. Hij klopte nogmaals. Eindelijk
verscheen vrouw Carels en vroeg van binnen: "Wie is doar?"

"Ik ben het; Dorus!"

Zij opende de deur met een licht in de hand. "O! zij-de gij 't; kom der
in. 't Is goed, dâ ge der zijt; ze is zoo miseroabel benauwd gewêst;
'k geloof nooit, dâ ze 't lange mêr moaken zal; 'k ben blied, dâ
ge der bint, want 'k bin zelfs niet als te fiksch en kost toch niet
sloapen goan, veur..."

"Is zij zooveel erger geworden?" vroeg Dorus angstig.

"Ge zult 't wel zien; 't goeie mins is zwoar ziek. As ge me neudig
hebt, môt-de moar gelieks roepen."

Toen Dorus boven kwam, lag vrouw Keetje afgemat en hijgend in de
kussens. Zij stak hem de hand toe en zei: "'t Is goed, dat je mij
nog eens komt zien, Dorus, want ik geloof, dat het niet lang meer
met mij duren zal."

"Zoo moet je niet spreken, juffrouw!"

"'k Heb sedert van middag zoo'n vreemd gevoel, wat, weet ik niet,
maar ik denk, dat ik sterven ga. Ben jij daar nog, Dorus?"

"Ja, juffrouw!"

"Kom wat dichter bij; ik zie je niet goed, draai de lamp wat op. Zijn
ze allemaal wel,--en is Betty's knie weer beter?"

"Ze moesten van avond tot over tienen spelen, maar ik was voor negenen
klaar en toen ben ik hierheen gegaan."

"Ik ben blij, dat ik ze eergisteren nog heb gezien en jou
vandaag. Luister eens, Dorus!--Kom heel dicht bij mij; 't spreken is
mij zoo moeielijk.--Als ik dood ben..."

"O neen! spreek zoo niet: je zult beter worden."

"Wanneer ik er niet meer ben, zul je dan ook goede vrienden met Betsy
blijven--je bent soms nog zoo driftig--beloof je 't me? Hu! wat ben
ik koud; dek mij wat beter toe.--Goeie jongen, zoo'n eind voor mij
te komen loopen! Laat mij eens drinken; 't begint weer te gloeien in
mijn hoofd."

"Zou je niet wat gaan slapen, juffrouw?"

"Ja! Geef mij je hand, Dorus; laat ik die vasthouden. Misschien slaap
ik zóó in."

Onbeweeglijk blijft de jongen zitten, met haar hand in de zijne. Met
de andere onder het hoofd zit hij peinzend op den stoel voor het bed
en staart naar de vlam der lamp, die op de tafel staat. Buiten is het
doodelijk stil, de natuur is in de rust, alles slaapt, geen windje
suizelt door de boomen.

"Kri! kri! krikri! kri! krikri!" zingt de krekel, beneden achter den
haard; 't is zoo stil in huis, dat men op de bovenkamer het geluid
vernemen kan. Vermoeidheid en slaap overweldigen den knaap, en 't
hoofd zinkt hem eindelijk op de borst.

De zieke droomt. Kille druppels parelen op haar voorhoofd en moeielijk
haalt zij adem. Langzamerhand worden haar trekken kalmer. In den droom
ziet zij een engel, die over haar sponde zweeft; zacht glanzen zijn
vleugels, kalm en rustig is zijn aangezicht. In 't schitterend witte
kleed, omstraald door zacht en liefelijk licht, nadert hij en raakt
met zijn vingers haar voorhoofd aan. Met zijn vleugelen overschaduwt
hij haar lichaam, en eensklaps is alle pijn en angst geweken. Een
wonderzalig gevoel van rust en vrede doorstroomt haar geheele zijn;
met zachte hand wischt hij haar de parels van de slapen en met
den frisschen palmtak, dien hij draagt, wuift hij haar koelte toe,
terwijl hij haar in 't oor fluistert:

"Heb geen angst! Ik ga u voor in 't rijk van 't eeuwig licht.... Ik
ben de dood, maar ook het leven; 'k doe u inslapen, opdat gij ontwaken
kunt in het onbegrepen oord, dat niemand zonder mij binnentreedt...."



Een beweging der kranke doet Dorus opschrikken en vragen:

"Wilt ge iets?"

Vrouw Keetje heeft geen herinnering van haar droom, maar als ze
ontwaakt, is een weldadig, kalm gevoel haar bijgebleven.

"Kun je bidden, Dorus?"

"Bidden...? Neen!..." Ontsteld ziet hij haar aan. Bidden! wie zou
't hem hebben geleerd?

"Ik wil bidden, Dorus."

De knaap vouwt werktuigelijk de handen, als vrouw Keetje fluistert:
"Onze vader, die in de Hemelen zijt"... Die in de Hemelen zijt,"
herhaalt onwillekeurig Dorus. Zij kent het Onze Vader niet meer, maar
toch bidt zij verder: "Wees mij genadig, want Uwer is de macht........"

"Uwer is de macht," fluistert Dorus eerbiedig mede.

"....En de heerlijkheid tot in eeuwigheid, amen,"

"....In eeuwigheid, amen."

't Daagt in het oosten, 't gloort aan de kim, langzaam overwint de dag
den nacht en het ruischt in de boomen als een zucht bij 't ontwaken. De
eerste grijs schemerende lichtstralen dringen door het venster. De
lamp op de tafel brandt flauw, de olie is verteerd; al zwakker en
doffer wordt haar schijnsel; eindelijk gloeit nog slechts een randje
licht aan de pit. Ook dat verdwijnt, eerst aan de eene zijde, daarna
aan de andere; één vonkje nog, en dan stijgt een draaiend, lichtblauw,
teringachtig rookzuiltje uit het glas omhoog. De lamp is uitgegaan.

Nog bewegen zich Keetjes lippen, maar Dorus hoort geen woorden meer;
de ademhaling wordt korter en korter. Zij ziet hem nog even aan,
als hij zich angstig over haar heen buigt en sidderend vraagt:
"Ben je zoo benauwd?" Even beweegt zij ontkennend het hoofd, bijna
onmerkbaar, dan komt de adem nog hooger; het gorgelt en borrelt in
haar keel en een klein, heel klein luchtblaasje hecht zich aan een
der mondhoeken. Onzichtbaar nadert de engel des doods en neemt den
laatsten adem van haar trillende lippen, die hij tot een vriendelijken,
gelukkigen glimlach plooit. En als hij haar zijn kus op 't voorhoofd
drukt, glijdt over het geheele gelaat der vrouw een uitdrukking
van oneindig kalmen vrede, die er op blijft rusten, zelfs als het
marmerkoud zal geworden zijn.

Vrouw Keetje is dood!

Arme Dorus! ge weet het nog niet, ge begrijpt nog niet, dat zij,
die u liefhad, is heengegaan.--Ge kust haar beide wangen, maar zij
voelt het niet meer.--Ge legt uw hand op haar voorhoofd, en 't is nog
warm. Schijnt het niet alsof zij u nog aanziet met die halfgesloten
oogen? Maar 't is geen licht meer, dat er uit straalt.... Druk haar de
oogen toe, Dorus! 't Is de laatste dienst, dien ge haar bewijzen kunt.

Bevend staat hij bij de doode; de herinnering aan het sterven van
zijn vader komt een oogenblik in zijn geest op; hij huivert, als
hij er aan terugdenkt, en werktuigelijk ziet hij naar den grond,
als zag hij daar nog die akelig verwrongen trekken. En als hij dan
de kalme uitdrukking op 't vriendelijke gelaat der vrouw ziet, barst
hij eensklaps in tranen uit.



't Wordt lichter buiten. Zilveren strepen vervangen het karmozijn aan
den horizont. Violette wolkjes drijven voort of smelten samen met
het azuur en tintelend trilt het licht door hun floers, totdat het
plotseling scheurt. Schitterend breken de zonnestralen zich baan en
spiegelen zich triomfeerend in den dauwdroppel, die op de grasscheuten
en bladeren beeft.

Eindelijk is het dag. De morgenwind wuift de kruinen der boomen
zachtkens heen en weer, uit het gras stijgt de leeuwerik omhoog en
zijn lied juicht door de lucht als een groet aan de ontwakende natuur,
als een hulde aan het licht, dat alles bezielt en verwarmt.

Maar daarbinnen in de kamer luistert niemand er naar. De gestorvene
hoort het niet. De knaap ligt met de handen voor het gelaat op de
knieën voor het bed; hij schreit en snikt hartverscheurend.

Nog nooit heeft hij zóó geschreid, maar hij heeft ook nog nooit iemand
verloren, die hem--die hij liefhad; zij was de eenigste--en nu.... hij
wou, dat hij ook dood was.

"Bim Bam!--Bim Bam!" men luidt voor de vroegmis.

De vrouw in de herberg is reeds op; zij zal naar de kerk
gaan... Wacht! eerst nog even naar de zieke kijken.

Met 't kerkboek in de hand gaat zij naar boven.

"Bim Bam!--Bim Bam!"

"Zou ze nog sloapen? 's Is zoo arg stille doarbinnen; dien bult is
zêker ôk in in sloap gevallen. Loat ik gauw êns kiêken...."

"Bim Bam!--Bim Bam!"

"Zij de al wakker, juffer?--Za'k moar êns bie oe kommen?--'k Hè moar
'n hortjen tied!"

"Bim Bam!--Bim Bam!"

Vrouw Carels opent eindelijk de deur; zij heeft haar tijd noodig,
als zij de mis niet verzuimen wil.

Ontzet treedt zij terug, wanneer zij binnenkomend de treurige groep
ontwaart; en met medelijdende stem zegt ze:

"Och erm! is ze uut den tied?--Och erm! doar zul-de ôk weet af hebben,
jeungske. 't Was krek 'n moeder veur oe,--niewoar?"

"Bim Bam!--Bim Bam!"

Vrouw Carels verzuimt de mis.





VII.

HET PROCUREURSKANTOOR.


"Sakkerloot! wat is het koud vandaag, ik kan mijn vingers maar
niet warm krijgen, en die miserabele kachel wil niet trekken; 'k
geloof, dat de wind op den schoorsteen staat." Met die woorden nam de
eerste klerk op het procureurskantoor van den heer Verhagen den pook
uit het haardstel, begon met een ontzettend geweld de ouderwetsche
kolomkachel op te poken en veroorzaakte daardoor een geraas zoo sterk,
dat de jongste bediende, die met opgetrokken knieën en de handen
in de zakken op een hooge kantoorkruk zat, ongestraft het miauwen
van een kat nadeed, tot groot vermaak van den tweeden klerk, die,
tegenover hem zittend, op zijn vingers blies en met de voeten op zijn
bankje trappelde, om ze eenigermate warm te krijgen. Mijnheer Krasser
bukte zich met den pook in de hand voorover, zoodat de panden van zijn
belijdenisrok, dien hij sedert onheuglijken tijd van staatsiekleed tot
kantoorjas had gedegradeerd, als een zwaluwstaart achteruitstonden,
waardoor zijn korte pantalon nog korter scheen en het bewijs leverde,
dat het lappertje, 't welk voor hem werkte, bij het verstellen met
de harmonie der kleuren geen rekening hield.

De kachel begon te snorren. Nog een paar geweldige aanvallen met
den pook, en mijnheer Krasser richtte zich in zijn volle lengte op,
plaatste zich met de handen op den rug voor de kachel en vestigde
zijn groenachtige oogjes, die onder een paar reeds naar het grijze
zweemende wenkbrauwen uitkeken, op Keesje den jongsten bediende,
terwijl hij hem met een verkouden neusklank in zijn stem toevoegde:

"Jij schijnt te rentenieren vandaag!"

"Mijn vingers zijn zoo koud, mijnheer Krasser."

"Ga er op zitten, dan worden ze warm," antwoordde de eerste klerk,
terwijl hij met zijn magere, stokkerige vingers de dunne, bruingrijze
haarlokken, die spaarzaam op zijn hoekigen schedel verspreid lagen,
bij elkander zocht; om zich daarna te overtuigen, dat het half dozijn
haartjes, 't welk onder zijn kin uitbotte, nog niet afgevroren was.

"Heeft u die scheiding van tafel en bed van De Witt onderhanden?" vroeg
Krasser aan Van Blaak, zijn collega, die juist begonnen was om
met een houtje den inkt in den koker tot den gewenschten staat van
vloeibaarheid te brengen.

"Ik dacht er juist aan te beginnen."

"En jij, Cornelis, als nu je handen eindelijk warm zijn, kunt die
wisselprotesten overschrijven."

"Akkoord Van Putten," bromde binnensmonds Keesje, die intusschen bezig
was met een radeermesje een inktvlak van een protocol, dat voor hem
lag, af te schaven.



Het kantoor van den procureur Verhagen was in de zijkamer van zijn
huis op de Heerengracht gevestigd; de oostenwind, die vlak op de ramen
stond, hield de bloemen, die de wintervorst op de ruiten had getooverd,
in stand, niettegenstaande de kachel bloosde van inspanning om ze te
doen verdwijnen. Waarschijnlijk was ook de wind oorzaak, dat mijnheer
Krasser, wiens lessenaar vlak bij de ramen stond, nog geen roeping
gevoelde om zijn warm plaatsje te verlaten.

Het cylinderbureau van den procureur was gesloten; de lederen
armstoel er voor stond nog ledig, en deze omstandigheid, gevoegd bij
de gehoorigheid van het huis, bracht het drietal er waarschijnlijk toe,
het goddelijke _festina lente_ in eere te houden.

Van Blaak geeuwde heimelijk, terwijl hij uit een doosje pennen na
langdurig onderzoek een driegaatjes-pen nam en, na herhaaldelijk
de deugd van het staal op den nagel van zijn linkerduim te hebben
beproefd, er toe overging een houder te nemen, waar die in paste.

Keesje had een sandrakdoosje eenige malen open- en dichtgeschroefd
en, na door het deksel te hebben geblazen, weer voor zich gezet,
omdat hij voor die geradeerden vlek, bij rijpelijk indenken, geen
sandrak noodig had. Krasser inspecteerde de kachelpijp en de schuif,
keek in den kolenemmer, deed den turfbak open, overtuigde zich
van den voorraad turf en blokjes, nam uit zijn hoornen doos een
snuifje en maakte de geestige opmerking, "dat het geen zomer was,"
een aardigheid, die bij van Blaak een gegrinnik uitlokte en Keesje de
gedenkwaardige woorden deed fluisteren: "Als hij van achteren braadt,
is hij van voren nog koud."

De groote ouderwetsche hangklok met beweegbare scheepjes, die in de
gang stond, liet tienmaal zijn klassieken slag hooren.

Met drie stappen van zijn ooievaarsbeenen begaf Krasser zich naar
zijn lessenaar.

Van Blaak's pen dook in den den zwarten poel van den inktpot en op
Keesjes zegel verscheen als met een tooverslag het woord "protest."

In de huisgang klonk een voetstap: de kantoordeur werd geopend en met
een deftig: "goeden morgen, heeren!" verscheen de procureur Verhagen
op den drempel.

Een heilige stilte heerscht in dezen tempel van Themis, als de
procureur zijn schrijfbureau opent en eenige papieren ordent; zij
duurt voort; totdat hij het eerwaardig grijze hoofd halverwege omwendt
en met de hand langs de onberispelijk geschoren kin strijkend aan
Krasser vraagt: "Wil u zoo goed zijn om mij eens even den brief uit
New-York te geven; hij ligt op de G.; u weet wel, het is die brief,
waarin Galway schrijft over de nalatenschap van een zekeren Makko;
'k meen, dat hij Adriaan heet."

Krasser heeft reeds bij de eerste woorden van zijn chef den brief
uit het loket genomen en reikt hem nu over, terwijl hij er een
Handelsblad bijvoegt.

"Hier is de brief en de krant, waarin de oproeping is geplaatst."

"Dank u." De procureur kijkt den brief even in en ontvouwt daarna de
krant. Na een oogenblik zoekens legt hij het blad voor zich en leest
overluid: "_Oproeping. Zij, die nabestaanden of erfgenamen zijn van
Adriaan Makko, in leven handelaar in leder en huiden te Klengstown
(Massachusets), overleden te New-York op den 17den_ April 1865,
worden uitgenoodigd zich in hun belang aan te melden ten kantore van
den procureur C.D. Verhagen te Amsterdam.--Hm, hm! we zullen haar
nog eens laten plaatsen. Meneer Van Blaak, wil u die oproeping even
overschrijven, met deze verandering--"_erfgenamen zijn of kunnen
aanwijzen_."

De tweede klerk overtreft zichzelven in vlugheid, als hij schrijft,
en de procureur vervolgt tot Krasser: "Heeft u onderzoek gedaan aan
het stadhuis en bij de buurtsecretarissen?"

"Om u te dienen, mijnheer, maar't heeft tot niets geleid."

"Dus er schijnt niemand van dien naam hier in de stad te wonen. We
zullen de oproeping nog eens plaatsen, en leidt dat tot geen resultaat,
dan zullen we den brief ad acta leggen en aan Galway antwoorden,
dat ..."

Een kloppen op de deur breekt zijn woorden af en doet hem "binnen"
roepen.

't Is Janus, de kantoorlooper, die met den hoed in de hand
binnentreedt. Hij legt eenige dossiers op mijnheer Verhagen's
schrijftafel, met de woorden: _Gerhard versus Kist_--koud
weertje, meneer,--_Legalisatie Schomberg_--hè! mijn vingers
vallen haast af.--_Agema_ aanstaande week voor het hof.--Zes gulden
vijf-en-veertig en een kleinen cent van Hopkamp--een brutale snuiter,
meneer.--Een-en-dertig gulden zestig centen van den betaalmeester;
vier-en-dertig centen af voor zegel.--Is het zoo niet akkoord, meneer?"

"In orde, Janus. Niets nieuws?"

"Neen, meneer. Ja toch; 'k heb casuweel gehoord, alsdat er voor een
jaar of wat geleden in de Egelantiersdwarsstraat een zekere Klaas
Makko heeft gewoond."

"Zoo; en waar?"

"Dat dacht ik wel, dat u dat vragen zou, en daarom ben ik er meteen
maar op uitgesnoven en heb eens geïnformeerd. De buren wisten er mij
niets anders van te vertellen, dan dat hij boven het pandjeshuis van
een zekeren Strijkman een kamer had bewoond, en dat hij het lirium
had gehad en daarin gebleven was."

"Zoo; dus overleden."

"Toen ben ik bij den pandjesbaas gegaan,--Och, meneer, wat een
droogstok van een vent, daar is meneer Krasser, met verlof gezegd,
nog vet bij."

Een onverstaanbaar gebrom en een toornige blik van den aldus gevleiden
doen Keesje op zijn kruk heen en weer schudden, terwijl Van Blaak in
zichzelven grinnikt: "die is goed."

Met onverstoorbare kalmte vervolgt Janus:

"De pandjesbaas woont in het benedenhuis; het ziet er daar nog
al wonderlijk uit; zoo'n echte hurriewinkel--een pan, zooals ze
hier zeggen--van alles door elkaar. Afijn, dat hinderde mij niet:
ik maakte een praatje en zei: "Rappeleert u je, dat hier een zekere
Makko heeft gewoond?"--"Jawel," zei hij; "'t was wat een likkebroer;
'k ben nog geld aan hem te kort gekomen." Toen vroeg ik: "Weet je ook
of hij permetasie in Amerika had?" Hij dacht, dat het wel kon wezen,
maar sekuur wist hij het niet.--Ziet u, meneer, die pandjesbaas bevalt
me niet: hij heeft zoo iets raars in zijn oogen."

"Dat interesseert me niet, Janus."

"Dat interesseert uwé wel, met verlof; want ik geloof, dat die
Strijkman er meer van weet, maar het niet zeggen wil."

"Hoe bedoel je dat?"

"Nou, meneer, ik kon niks meer uit hem krijgen en daarom liep ik
de trap eens op en vroeg bij een paar van de buren. Niemand wist
er iets van; het waren allemaal menschen, die er nog zoo lang niet
woonden. Maar casuweel liep ik een juffrouw tegen het lijf, die me zei:
"Ik ben er toevallig bij geweest, toen op de voorkamer de meester
bij den dooie kwam, maar gekend heb ik hem niet; als je er meer van
weten wilt, moet je maar eens naar juffrouw Ram gaan; een huis of
drie verder in de straat heeft zij een winkeltje."--Toen daar heen."

"Maak een beetje voort, Janus! Je vertelt erg langzaam.--Cornelis,
bemoei je met je werk."

"'t Protest is af, meneer!"

"Zeg dat dan," bromt Van Blaak, als hij hem over den lessenaar heen
een ander blad ter overschrijving toereikt.

"Die juffrouw Ram wist er meer van en zei, dat die Makko een
hondenscheerder was geweest en dat hij een heele knappe vrouw had
gehad, maar dat die vóór hem gestorven was en dat hij later alleen
met zijn zoontje had gewoond."

"Hm! zoo; en dat zoontje?"

"Dat noemden ze in de buurt "krates", omdat hij een bochel
had. Juffrouw Ram zei, dat die jongen op den dag, waarop zijn vader
stierf, was weggeloopen, en dat niemand wist waar hij gestoven of
gevlogen was; en dat 't wel apparentie had, dat de jongen te water
was geraakt of zoo."

"'t Is wel, dank je!... Je weet dus, summa summarum, nog niets."

"Met uw verlof, meneer, dat is wat kras gezegd ; ik dacht nogal,
dat ik..."

"Neem deze stukken en breng die naar den ontvanger van de registratie,
dadelijk."

Brommend keert Janus zich om, neemt zijn rosachtig schemerend
hoofddeksel in de hand en vraagt bij de deur staande: "Nog iets van
uw orders, meneer?"

"Dank je."

Als hij de deur uitgaat, grijpt Keesje de gelegenheid aan om,
onopgemerkt door zijn patroon, een leeg pennendoosje naar Janus'
hoofd te slingeren; het projectiel mist zijn doel niet; Janus steekt
hem dreigend de vuist toe, Keesje toont Janus zijn tong en met een
slag valt de deur dicht, zoodat Krasser een inktvlak uit zijn pen laat
vallen en de procureur, het hoofd omwendend, "lomperd" zegt. Gedurende
eenigen tijd krabben de pennen over het papier. Mijnheer Krasser
heeft nu en dan een fluisterend onderhoud met zijn patroon en af en
toe wordt Van Blaak in het gesprek gemengd. Van tijd tot tijd komen
cliënten, die de kantoorschel in beweging brengen en daardoor aan
Keesje de gelegenheid geven voor een oogenblik zijne zitplaats te
verlaten, langer in het spreekkamertje te blijven dan noodig is en
met een onverschillig gezicht de daardoor uitgelokte verwijten van
Van Blaak aan te hooren.

De hangklok slaat het middaguur; de procureur staat van zijn
schrijfbureau op en vraagt: "Is er nog iemand in de spreekkamer,
Cornelis?"

"Neen, mijnheer."

"Dan kunnen de heeren gaan koffie drinken."

Bedaard verlaat hij het vertrek, en als zijn voetstappen niet meer
in de gang klinken, staat Keesje bij de deur, zet de borst vooruit,
trekt zijn mond in een deftige plooi, en met onmiskenbaar talent
zijns meesters spraak nabootsend, zegt hij tot de anderen:

"Dan kunnen de heeren gaan koffie drinken."

Van Blaak lacht luidkeels en zelfs Krasser grijnst.

De bloemen op de ruiten zijn èn door de heldere winterzon èn door de
warmte van de kachel ontdooid en als door een vloeibaren sluier zijn de
dik berijpte boomen en de besneeuwde huizen van den overkant der gracht
zichtbaar geworden. 't Is minder ongezellig in het kantoor en het
wordt er zelfs behaaglijk, als juffrouw Bekker, de huishoudster, met
een blad, waarop bordjes met brood en kommen koffie staan, verschijnt.

De geur der koffie verspreidt zich door het vertrek en werkt zoo
opwekkend op Keesje, dat deze met één sprong de juffrouw nadert en
haar de woorden ontlokt: "Je bent toch een akeligheid: altijd moet
je iemand aan het schrikken maken."

"Je hebt er geen suiker ingedaan. Waarom geef je de anderen suiker
en mij niet? ..."

"Zeur niet, Keesje; neem nu je kop van het blad; er is suiker in."

"Zoo? Nu, geef dien kop dan maar aan Van Blaak."

"Zeg, wil jij wel van mijn koffie afblijven!"

"Cornelis geef me mijn broodje en mijn kop koffie, en houd de juffrouw
niet langer op."

"Och, meneer Krasser, die jongen is een plaag; 't is iederen dag weer
hetzelfde gezanik. Een mensch staat hier net voor mal."

"Kijk dan toch uit, je morst er de helft weer overheen, ezel!" pruttelt
Krasser, als Keesje het hem gevraagde in een behoorlijk hellenden
stand toereikt.

"Is het nu gedaan? 'k Zal het aan meneer zeggen, hoor, naarheid!" knort
juffrouw Bekker, als Keesje, na zich van het zijne te hebben voorzien,
onder tegen het blad een slag geeft.

"Dag, juffrouw!"

Bons! de deur valt dicht.

"Je bent toch een traiter," zegt lachend Van Blaak, intusschen zijn
broodje verorberend. Krasser staat voor het venster en ziet naar
buiten; met de eene hand brengt hij zijn kop koffie aan den mond en
met de andere trommelt hij op de ruit. Keesje staat voor het andere
raam en zegt eensklaps met vollen mond:

"Dat is een mooie jongen!" Snel veegt hij met de hand op het glas
een plek schoon en herhaalt:

"Kijk eens, Van Blaak, wat een uitgedroogde stokvisch staat hier op
de stoep."

"Die man kijkt zeer onwelvoegelijk en brutaal naar binnen," merkt
Krasser aan.

"Ik geloof waarachtig, dat hij hier moet wezen.... Jawel, hij leest
het naamplaatje."

In de gang klinkt de huisschel. Keesje stormt naar voren en komt een
oogenblik later weer binnen, terwijl hij neuriet: "Toen Pierlala lag
in de kist.... Ik heb hem in het spreekkamertje gelaten; 't is net
de huisbaas uit de poppenkast."

"Cornelis, ik verzoek je die onbetamelijke aardigheden op de cliënten
van mijn patroon achterwege te laten; bovendien kan iemand aan zijn
uiterlijk iets toe- of afdoen?"

"Ik kan het niet helpen, mijnheer Krasser; 't is ook zoo'n grappige
vent, en ik laat me villen, als het niet die pandjesbaas is, waar
Janus van morgen van vertelde. U is er nog vet ..."

"Ga op je plaats en gedraag je behoorlijk."

Cornelis had goed gezien: 't was Philip Strijkman, die nu bij den
procureur in het spreekkamertje zat te wachten. Toen den vorigen
dag de kantoorlooper Janus in de buurt, waar de pandjesbaas woonde,
onderzoek had gedaan, begreep de slimme vogel, dat er allicht op de een
of andere wijze een sommetje uit te halen zou zijn. Hij had daarom met
de meeste omzichtigheid op de tot hem gerichte vragen geantwoord en
vermoedde niet, dat Janus bij juffrouw Ram was geweest. Het kwam hem
hoogst gelegen, dat er 's avonds iemand in het kantoortje verscheen,
die nieuwsgierig vroeg: "Zeg eens, Strijkman, wat deed van morgen
die looper van procureur Verhagen bij jou?"

"O! zoo, is 't de looper van procureur Verhagen? Ik ken hem niet."

"Hebben ze je nou eindelijk eens bij de kladden? Heb je misschien
een pandje genomen, daar een luchtje aan is?"

"Neen," was 't antwoord, "'t is een particuliere zaak..." en Strijkman
had zich meteen voorgenomen zoo spoedig mogelijk naar den procureur
te gaan, om te weten wat er eigenlijk aan de hand was.

Toen hij 's avonds alleen in de binnenkamer zat, kwam hem de dood
van den hondenkoopman voor den geest. Hij zocht een kistje, waarin
hij allerlei papieren en kleinere voorwerpen van waarde had geborgen,
en dat hij met zijn opgepotte geld zorgvuldig in een kleine ijzeren
kist, in het zoogenaamde keldertje onder zijn kamer, weggesloten
hield. Bij het schijnsel van de lamp spreidde hij den inhoud voor
zich op tafel uit.

"Ha! daar hebben wij de paperassen," mompelde hij, terwijl
hij de papieren, die hij eenmaal uit Makko's latafel had
genomen, met oplettendheid bekeek. "Dat is de trouwakte--hier
't geboortebewijs.--Hm! wie weet, wie weet! daar is misschien een
aardig stuivertje aan te verdienen. Ik heb zoo'n idee, dat ze dien
Makko zoeken, omdat er hier of daar vandaan duiten voor hem losgekomen
zijn. Hè, hè, hè, hij zal er niet veel aan hebben, als het zoo is. Daar
is de brief en het portretje; nu zal ik hem toch eens even lezen:
't is altijd goed om op de hoogte te zijn; en het portretje,"--hij
hield het bij 't licht--"nogal een goed gezicht: hij lijkt wel wat op
Makko. Waarachtig! hij lijkt er veel op; alleen schijnt hij donkerder
van haar te zijn. 't Kan best een broer zijn, best." Hij draaide
het portretje om. "'t Lijstje is geen cent waard. Hé! daar staat
iets achterop; 't lijkt wel, of het door een kind is geschreven;
't is onduidelijk. O,--o--oome!--ja dat staat er: "Oome."

Met de handen onder het hoofd las hij met ingespannen aandacht:
"Klengstown, 14 Mei 1860.... Hm! Klengstown? Waar ligt dat! Zeker in
Amerika.--Waarde broeder!... Dat is allemaal gezanik, daar ik toch
niets van begrijp. Wacht! nu zal het komen: 't Is mij voor den wind
gegaan, geld ontbreekt mij niet, ofschoon ik voor mijn zaken steeds
meer noodig heb... Mijn vrouw is ziekelijk, teringachtig. Zooals gij
weet, stierf mijn dochtertje verleden voorjaar."

"Ha!, ik begrijp het al, zeker die vrouw toen doodgegaan, toen hij
zelf doodgegaan,--de heele boel dood; en nu, als Makko niet dood was,
kwam hij aan het erven. Wie weet wat een kluit geld zoo'n man heeft
nagelaten!"

Hij las verder: "'t Is altijd jammer, dat je niet mee bent gekomen;
hier in Amerika is nog wel geld te verdienen... Schrijf mij toch eens
terug; je hebt mij ook niet geantwoord op mijn brief, waarbij ik je
vijftig dollars zond. Ik wil je nog wel eens wat zenden, maar ik ken
je zwak en zeg nogmaals: den drank moet je laten, anders wordt die je
ongeluk... Jawel, jawel, dat is net zoo. Wacht, hier onderaan"--hij
leest: "Hoe gaat het met Dorus? Geef hem bijgaand portret; dan kan
hij zien, hoe zijn oom er uitziet; ik houd van het ventje; hij zal
zich mij wel niet herinneren, want hij was maar vijf jaar, toen ik
hem het laatst zag... Hm!--Vijf jaar.--Dus zes jaren lang was hij
toen al weg.--Uw broeder Adriaan."

Strijkman legde het papier op tafel, vouwde het weer in de plooien en
zei in zichzelven: "De zaak is zoo klaar als een klontje; er zit een
erfenis in Amerika; Makko is dood en niemand anders dan de "krates"
zal er recht op hebben. Jongens, jongens, Strijkman! daar is in allen
gevalle voor jou wat van te halen, als je het slim overlegt. Had
ik het vooruit kunnen weten, dan zou ik dien jongen bij me hebben
gehouden. Wat drommel! waar zou hij zitten? Op avontuur is hij
dood.--Hè, als ik dat eens zeker wist." Hij stond op, slofte met zijn
handen in de zakken het kleine vertrek op en neer en begon te fluiten:

"Malbroek die vaart ten oorlog, en hij komt nooit weerom." Kwam hij
maar nooit weerom, dan was de zaak gezond; maar"--hij dacht na--"als
de jongen nog leeft, gaat het niet. Hm! hm!... dan zit er toch nog
wat voor je op, ouwe Philip!" Hij ging naar de tafel, trommelde
met de vingers op de papieren, neuriede: "tiromtom tomme tomtijne,
tiromtom tomme tomtom" en zei in zichzelf: "Hè, hè, hè! Dit is Dorus
Makko, deze twee stukjes papier en deze brief zijn Theodorus Johan
Makko, geboren te Amsterdam, op den 12den Januari 1849, en "krates"
is niemand, hè, hè hè, hè, hè." Hij lachte tot zijn roode oogen er van
overliepen en wreef zich de knokkelige vingers, terwijl hij nogmaals
de melodie van Malbroek floot.

"Jongens, jongens, Dorus! wat zul je moeten bloeden om die drie stukjes
papier terug te krijgen, altijd als je nog leeft. Hoeveel zou zoo'n
erfenis wel kunnen bedragen? Als het eens een ton was, hè! 'k Zal
morgen dadelijk eens naar dien procureur gaan; 'k moet er het mijne
van hebben; 'k zal het goochem aanleggen om wat te weten te komen,
dat beloof ik je! En nu eerst die lieve papiertjes weer bij mekaar
gedaan en den boel weer goed achter slot.--Tiromtom tomme tomtom!"

De oude pandjesbaas droomde dien nacht van een groote massa goud,
die uit Amerika was gekomen. Tot aan zijn ellebogen woelde hij in de
dollars, en "krates" stond er bij en kreeg niets,... niemendal!

Den volgenden morgen zocht hij zijn grijze overjas en een hoed
van lage drukking op, deed, hetgeen voor hem een zeldzaamheid was,
een halfhemdje voor; nam, hoewel het heerlijk droog winterweer was,
een van de in pand gegeven parapluies onder den arm en begaf zich
naar het kantoor van den procureur Verhagen, waar we hem hebben
zien binnentreden.

Geruimen tijd heeft Strijkman in het spreekkamertje zitten wachten;
hij heeft in zichzelven nog eens goed overdacht, wat hij doen en
zeggen zal, en ziet eindelijk tot zijne vreugde de deur van de
wachtkamer openen.

Keesje verschijnt, en met de woorden: "Wilt u maar binnenkomen,"
gaat hij hem voor naar het kantoor.

De koffie is gedronken, de broodjes zijn verorberd en de pennen
krassen weer over het papier.

Als hij binnentreedt, wendt de heer Verhagen even het hoofd om en zegt:
"Cornelis, geef mijnheer een stoel!"

"O, dank u, meneer, het is niet noodig; doet uwé geen moeite,
jongeheer!" antwoordt de oude man, maar neemt toch op den aangeboden
stoel plaats.

"U heeft verlangd mij te spreken?"

"Om u te dienen, meneer de avekaat."

"U is mijnheer Philip Strijkman?"

"Zooals u zegt."

"Pandjeshuishouder in de Egelantiersdwarsstraat?"

"Met uw welnemen, dat is het woord niet. Ik heb een huis van verkoop
met recht van wederinkoop."

"Maar u leent toch geld op pand?"

"Tegen een zeer matige rente, meneer de avekaat."

"Hm, hm!"

"'t Is een karig stukje brood. Wanneer men medelijdend van aard is,
zooals ik, is het tegenwoordig geen winstgevende zaak."

Cornelis ziet Van Blaak aan en lacht; zelfs Krasser kijkt even op,
om kennis te maken met een medelijdenden pandjesbaas.

"Waarover wenschte u mij te spreken?"

Eenigszins verlegen antwoordt Strijkman: "Er is gisteren iemand
vanwegens uw kantoor bij mij geweest, om naar een zekeren Makko,
die op een bovenkamer bij mij in huis heeft gewoond, te informeeren."

"Juist! En wat weet u van dien Makko?"

De kalme bedaardheid van den procureur doet Strijkman niet op zijn
gemak zijn; hij antwoordt dus eenigszins haperend: "Ik, ik, hm! weet
alleen, dat hij dood is."

"Dat is niet veel. Heeft u den man goed gekend?"

"Jawel, meneer de avekaat; hij kwam zoo 's avonds wel, eens bij me
inloopen--'t was nogal een conversabel man--en dan rookten we samen
een pijpje en..."

"En dronken samen een glas."

"Excuseer, meneer! Ik gebruik hoogst zelden iets."

"Die Makko anders wel, niet waar? Ik meen te hebben gehoord, dat hij
zelfs in een aanval van delirium gebleven is."

Daar had ik me bijna vergaloppeerd, denkt Strijkman: hij schijnt
goed op de hoogte te zijn; ik moet uit een ander vaatje tappen. Hij
vervolgt: "Och! meneer, omdat 't zoo'n goeie vrind van me was, sprak ik
er niet over--ja! dat was treurig; die drank, die drank weet wat! Ik
heb hem wat dikwijls gewaarschuwd en gezegd: "Klaassie, Klaassie, dat
gaat den verkeerden weg op met jou, man!" Maar 't hielp niet.--'t Was
anders een goede vent, meneer; hartelijk en vriendschaphoudend; hij
heeft me wat dikwijls gezegd: "Strijkman, als jij zoo vaderlijk met
me spreekt, dan ben ik een heel ander mensch." O! meneer de avekaat,
ik heb er zoo'n hartzeer van gehad, dat hij nog zoo akelig aan zijn
eind is gekomen." Hier haalt de pandjesbaas zijn bonten zakdoek uit
en wischt zich de roode oogen.

"U schijnt dus nogal met hem bevriend te zijn geweest?"

"We waren, om zoo te zeggen, als twee broers. Kort voor zijn dood liet
hij me een brief zien van zijn broer Janus uit Amerika; die schreef
er ook nog over, en toen zei hij : "Strijkman, ik wou, dat ik het
laten kon; ik wou, dat ik zoo matig was als jij."--Die broer van hem,
meneer de avekaat, dat was een net mensch."

"Heeft u dien ook gekend?"

"Nog beter dan Klaas, meneer! Hij was een jaar of zeven in Amerika,
toen de andere stierf. Ja! dat was een werkezel! Jammer, dat hij
zoo'n teringachtige vrouw had en geen kinderen."

De procureur ziet hem van ter zijde aan en denkt: "Je schijnt met al
de omstandigheden goed bekend"; maar toch vraagt hij met een zeker
wantrouwen in zijn stem: "Heeft u de oproeping in het _Handelsblad_
gelezen?"

Strijkman spert zóó verwonderd zijn oogen open en zet zoo'n dom
eerlijk gezicht, dat Verhagen oogenblikkelijk overtuigd is; dat hij
de oproeping niet kent. Daarom zegt hij tot Van Baak: "Wil u die
oproeping even voorlezen."

Terwijl Van Baak leest, glijdt een bijna onmerkbare vreugdetrek over
Strijkmans gelaat. Niemand bemerkt het, en meewarig klinkt zijn stem,
als hij antwoordt: "Och, is die goede Janus dood? Och! en kinderloos
overleden. Dus het is zeker een erfenis, die Klaas zou gekregen
hebben, als...."

De procureur valt hem in de rede door te zeggen: "Maar uw vriend
Nicolaas Makko had toch kinderen?"

"Een zoontje meneer! Och! een hart van een jongen, maar een beetje
speelsch en wild. Hij is op straat geloopen juist dien dag, waarop
zijn vader stierf; en waar hij gebleven is, weet niemand. 'k Ben
nog dikwijls heen en weer door de buurt gesjouwd om het kind te
zoeken. Overal heb ik naar hem gevraagd, want ik had zoo'n medelijden
met den stumper; ik was, om u de waarheid te zeggen, van plan geweest
den jongen te benaderen."

"Zoo, ei! was u dat van plan geweest?"

"Ja, meneer! en ik heb waarachtig alles gedaan wat ik kon om hem weerom
te vinden; maar u begrijpt, zoo'n kind van elf jaar loopt weg--vindt
zijn huis niet weerom--zwerft rond, en de goede God weet"--hier
begint Strijkman weer te huilen--"of het arme schaap niet in het
water is geloopen! Ach God, mijnheer, 't was zoo'n lief jongetje,
het is toch zonde!"

"En heb je nooit meer iets van hem gehoord?"

"Geen taal of teeken, meneer."

"En heeft die Makko niets nagelaten, geen papieren?"

"Neen, meneer de avekaat. 't Was bij hem, 't spijt me dat ik het
zeggen moet, een nakende boel; hij had in den laatsten tijd, zonder
dat iemand het wist, alles zijn huis uitgebracht. O die ongelukkige
drank! Voordat er iemand van de buren kwam, heb ik nog gekeken of
er ook iets van waarde was in de oude latafel, die er nog stond,
want ik dacht: "Je kunt nooit weten, als er onbetrouwbare handen
aankomen..." maar er was niets in en op de kamer, anders niet dan een
paar hondenhokken, die we tot brandhout hebben geslagen. Hij was van
zijn vak hondendresseerder, weet u! De oude stoelen, die er waren,
en het beddegoed heb ik maar gehouden voor de achterstallige huur."

"Zoo! dus hij was u nog iets schuldig?"

"Afijn, meneer, laten we daar maar niet over spreken: de man is dood,
en ik zal er zonder het geleende geld, dat hij mij nooit teruggegeven
heeft, ook nog wel komen. Wat een jammer, dat die ongelukkige jongen
niet te vinden is, want nu zou hij toch zeker moeten erven."

"Waarschijnlijk."

Een zonderlinge trek speelt om Strijkmans ingevallen mond en in
zijn oogen gloeit een hebzuchtige vonk, als hij op schijnbaar
onverschilligen toon de vraag doet:

"En is het nogal van belang, wat hij erven moet?"

Mijnheer Verhagen ziet hem met een heel klein, bijna onmerkbaar lachje
om de lippen aan, terwijl hij antwoordt: "Mag ik u wel zeer bedanken
voor de gegeven inlichtingen, mijnheer Strijkman? Ik ben u verplicht
voor de moeite, om hier te komen, maar ik mag nu niet langer uw tijd
in beslag nemen.--Cornelis, wil je mijnheer even uitlaten!"

Werktuigelijk staat de pandjesbaas bij deze kalme woorden op, neemt
zijn hoofddeksel en verlaat het kantoor.

Terwijl hij de gang doorloopt, denkt hij: "Nu ben ik nog even wijs;
die man laat niets los." 't Prikkelt hem verschrikkelijk, dat hij
niets te weten is gekomen, en hij waagt pogingen om Keesje uit te
hooren, door te zeggen:

"Dat geeft zeker veel drukte, hé, jongeheer, zoo'n erfenishistorie?"

"Pas op het treedje in de gang. Ja, vooral als het zoo'n groote
is," antwoordt Keesje, die den lust niet bedwingen kan om den ouden
droogstok, zooals hij hem in gedachten noemt, eens beet te nemen.

"Zoo! is 't zoo'n groote?" vraagt Strijkman, met den deurknop in
de hand.

Geheimzinnig steekt Keesje het hoofd vooruit en fluistert: "Een ton
of vier!--Dag meneer!"--Strijkman staat op straat. Halfluid herhaalt
hij in zichzelf vol verbazing: "Vier ton!"





VIII.

PLANNEN.


"Vier ton!" Onophoudelijk herhaalde Strijkman die twee woorden in
zichzelf, toen hij, weer te huis gekomen, in zijn achterkamertje zat.

"Krates! met vier ton!" altijd door klonken hem die woorden in de
ooren. Hij dacht er dag en nacht over na, hoe hij destijds zoo dom had
kunnen zijn den jongen niet bij zich in huis te nemen, en stelde zich
levendig voor, hoe alles zou gegaan zijn, als hij het wel had gedaan.

"Je bent een ezel geweest," zij hij tot zichzelf; "had je toenmaals
dien Dorus bij je in huis genomen, dan was 't zoo klaar als een klontje
geweest, dat je een goede portie van die vier ton hadt ingepalmd. Ik
zou wel gezorgd hebben, dat ik voogd over dien jongen geworden was,
en dan..."

Strijkman dacht over het _hoe_ niet na; hij was bij al zijn
geslepenheid en geldzucht toch een weinig ontwikkeld man, verblind
door zijn begeerigheid en dom genoeg om geen rekening te houden
met de maatschappelijke verhoudingen en wettelijke bepalingen. 't
Scheen hem genoeg te weten, dat Dorus een rijke erfgenaam was en
minderjarig. Zooveel wist hij van het Burgerlijk Wetboek wel af, dat
elke minderjarige een voogd moet hebben; en naar zijne meening had hij,
indien hij de verpleger van den knaap was geworden, op de voogdijschap
het meest onbetwistbare recht gehad. Niet de minste twijfel kwam bij
hem op, dat de kantonrechter in dit geval met hem wel eens van meening
had kunnen verschillen. Hij geloofde, dat, als Dorus er maar was, de
erfenis zoo al niet dadelijk geheel, dan toch voor een groot gedeelte
onder zijn beheer zou komen; en daarom bleef het hem een voortdurende
kwelling, dat hij indertijd juffrouw Ram's raad niet had opgevolgd en
"Krates" had opgenomen.--Waar zou hij zijn? Zou hij nog leven? Die
twee vragen hielden hem voortdurend bezig. Hij had zich vroeger nooit
om den jongen of diens lot bekommerd of er over nagedacht. Nu evenwel
was de knaap hem geen oogenblik uit de gedachten.

Dorus was na den dag, waarop zijn vader stierf, niet weer in de
Egelantiersdwarsstraat of daaromtrent gezien. Niemand had ooit
meer naar hem gevraagd. Men was hem vergeten, gelijk zooveel andere
ongelukkigen vóór hem. 't Was tien tegen een, dat hij ooit weer te
voorschijn kwam; er sterven gewoonlijk zooveel kinderen tusschen
de 10 en 12 jaren; waarom zou Dorus ook niet... Hij kon immers
in 't water zijn geloopen, overreden of gestorven zijn van gebrek
en... 't Warrelde in Strijkmans brein, wanneer hij al die mogelijkheden
overdacht. Langzaam aan maakte hij zichzelven wijs, dat het niet anders
mogelijk kon zijn, en eindelijk stond het bij hem vast: Dorus was dood!

"Zóóveel geld!" steunde hij, "en geen cent zal ik er van
zien. Ach! ach! wat een jammer! 'k Zou Dorusje op mijn handen hebben
gedragen, als ik zijn voogd was geworden."

't Werd bij Strijkman een zeker soort van manie om er over te tobben;
hij dacht over niets anders meer; hij treurde bepaald over het verlies
van den kleinen bochel.

Nog een paar malen was hij bij den procureur Verhagen geweest, om
nadere inlichtingen in te winnen omtrent de erfenis en te vernemen,
of de oproepingen in de dagbladen ook gevolg hadden gehad, maar
ongetroost was hij weer thuis gekomen, want.... Verhagen was zoo
dicht als een pot en Dorus was en bleef verdwenen. 't Eenige wat hij
van den rechtsgeleerde herhaaldelijk had vernomen, waren de woorden:

"Wij kunnen niets zeggen of doen, vóórdat de jongen zelf gevonden is."



Ruim een half jaar is voorbijgegaan; 't is zomer geweest, en de herfst
is gekomen met zijn onvermijdelijk gevolg van wind en regen. Kil
klettert de regen tegen de beslagen ruiten van het oude vervelooze
huis in de Egelantiersdwarsstraat; 't is guur en winderig buiten,
somber en ongezellig daarbinnen. De pandjeshuishouder zit op zijn hooge
kantoorkruk aan zijn lessenaar, met eenige kleine pandjes en een hoop
briefjes van in- en verkoop vóór zich, als een havik bij zijn prooi.

Terwijl hij daar zoo met alle aandacht de pas ontvangen zaken nog eens
beziet, komt een vrouw met een jongen den winkel binnen en blijft voor
de lage balie staan. Het licht der lamp, die op den lessenaar staat,
wordt gedeeltelijk door het groene gazen scherm onderschept en werpt
een schaduw op de binnengetredene en den naast haar staanden knaap.

Strijkman is zoo verdiept in het beschouwen der voorwerpen, dat hij
niet oogenblikkelijk bemerkt, dat er iemand in den winkel is gekomen en
eerst door een met gedempte stem geuit "goeden avond" opmerkzaam wordt.

"Wat wil u?" vraagt hij, even opziende.

"'k Wou vier gulden hebben op een doekspeld."

"Zoo! Ik zal je helpen.--Hm! vier gulden? Dan moet 't al een mooie
speld zijn." Hij neemt de lamp, draait de pit ietwat op en plaatst
haar op het tafeltje naast zijn lessenaar met de woorden:

"Laat 'k nu eens kijken!"

Als het licht op de vrouw en den jongen valt, deinst Strijkman
onwillekeurig terug; zijn oogen worden onnatuurlijk groot en vestigen
zich op den knaap, die hem onnoozel aanziet.

"Krates!" zegt Strijkman vrij luid, terwijl hij de lamp grijpt en
omhooghoudt, om den jongen beter te kunnen zien.

"Je hoeft mijn jongen niet uit te schelden, hoor! 't Kind doet je
immers niets," bromt de vrouw en ontevreden laat zij er op volgen:
"Ouwe kerel, je moest je schamen; dank God, dat jij geen bochel hebt."

De pandjesbaas herstelt zich en antwoordt: "Word maar niet boos,
juffrouw; ik schrikte van den jongen, omdat..." Hij voleindigt niet;
want met de snelheid des lichts schiet hem nogmaals de gedachte door
het hoofd: "Die jongen lijkt als twee druppels water op Krates."

"Kom! 'k heb geen uren den tijd; wil je nou 't speldje zien of niet?"

"Dadelijk, juffrouw!"

De oude man is van zijn verbazing eenigermate bekomen en neemt
werktuigelijk het aangeboden voorwerp in de hand, beschouwt het
opmerkzaam bij het lamplicht en vraagt: "Vier gulden, zei uwé?" Zijn
oogen vestigen zich, terwijl hij spreekt, voortdurend op den jongen.

"Kun je vijf geven, des te beter!"

"Vijf? 'k Zou je danken; geen rijksdaalder."

"Geef dan maar weer hier; 't is een mooie doekspeld met een echt
steentje."

"Hm! hm! echt, dat is nog de vraag." De pandjesbaas laat het kleine
juweeltje, dat in den doekspeld gevat is, in het licht fonkelen,
brengt het aan de punt van zijn tong, wrijft er mede over zijn mouw,
neemt een loep en bekijkt het nog eens aandachtig. "Hm! 't kon toch wel
een echt steentje wezen." Zijn gedachten verdeelen zich weer tusschen
het speldje en den jongen. "'t Is ordinair goud.--Is dat je zoontje?"

"Ja! en wat zou dat?"

"'n Aardige jongen. Hoe oud?"

"Zestien jaar.--Hoe is 't, geef je nou vijf gulden?"

"Vijf gulden? 't Is te veel, moeder, ik kan 't niet doen.--Hoe
heet hij?"

"Kobus! Maar wat gaat dat jou eigenlijk aan?"

"Och! 'k vraag 't maar zoo, juffrouw; ik houd zooveel van jongelui,
weet u. 'k Zal je drie gulden vijftig geven, geen cent meer."

"Leg toch niet te zeuren, baas: 'k moet vier gulden hebben op een
maand terugkoop."

"'t Kan niet! Ik geef al veel te veel, waarachtig!"

"Geef dan mijn speldje maar weerom, dan verpas ik het; ik kan bij
den goudsmid elk oogenblik acht gulden krijgen."

"Gaan we nou haast heen, moeder?" vraagt de knaap, die tot nog
toe gezwegen heeft, op zoo doffen, onnoozelen toon, dat Strijkman
onwillekeurig den jongen scherp aanziet en aan de vrouw vraagt:
"Is die jongen doof?"

"Doof? Nou, niet zoo'n klein beetje.--Hoe is 't, moet ik nog langer
wachten? Je bent erg taai van avond."

"In Gods naam dan, daar heb je vier gulden op een maand, met terugkoop
voor vier-gulden-vijftig;--'k zal even het briefje schrijven."

Terwijl hij aan het lessenaartje het bewijs van recht tot wederinkoop
schrijft, vraagt de oude man: "Hoe heet je?"

"Weduwe Juttner, Goudsbloemdwarsstraat, boven 't water- en vuurhuis."

"Zoo, ben je weduwe?"

"Al zeven jaar.--Maak toch voort."

"Is dat je eenigst kind?"

"Ja! Kristenenzielen, wat ben jij nieuwsgierig," antwoordt de vrouw
op onwilligen toon.

"Kom! kom! word nu niet knorrig, juffrouw! Ik vraag het maar alleen,
omdat ik een jongen gekend heb, die sprekend op je zoontje geleek;
de stakker had ook zoo'n bochel. 't Arme kind is weggeloopen..."

"'t Is wat te zeggen om zoo'n zoontje te hebben," bromt de vrouw
met een ontevreden blik op den knaap, die vadsig met de handen onder
de kin op de balie leunt. "Hij is van zijn tweede jaar af zoo krom
gegroeid,--er was niets aan te doen,--en hij is er onnoozel bij;
verstand zit er niet in. Ach God, 't is zoo'n stumperd, niet waar
Kobus? Hij weet kwalijk, hoe hij heet."

Die laatste woorden vóóral treffen Strijkman. In één minuut rijpt in
zijn ziel een plan en bijna ontsnapt hem een kreet van blijdschap,
als hij antwoordt: "Och, is hij onnoozel; dat is jammer!"

"'t Is een bezoeking! Wat moet je met zoo'n wurm beginnen? Hij deugt
nergens voor. Je zoudt zoo zeggen, 't is een doodeter. Och, voor een
ander is hij niets, niemendal, maar voor mij is hij erg aanhalig,
dat is waar, hoor.

--Heb je nu mijn briefje?"

"Ziedaar, juffrouw."

"Goeien avond.--Zeg goeien avond, Kobus."

De knaap hoort het niet en verlaat met zijn moeder Strijkmans winkel.



Dien nacht kon de oude pandjesbaas weer geen oog dichtdoen; onrustig
woelde hij in zijn bedstede heen en weer, een paar malen zelfs
stond hij op om water te drinken, want zijn tong was droog en een
zenuwachtige aandoening deed zijn verhemelte branden.

't Was immers als twee druppels water Dorus. De jongen van vrouw
Juttner had juist zoo'n bochel, ongeveer hetzelfde rosachtig-blonde
haar.... En zestien jaren! de ouderdom zelfs kwam uit,--en dan
onnoozel en doof er bij. "'t Kan niet mooier," dacht Strijkman,
terwijl hij rechtop in zijn bed met de hand onder het hoofd zat te
soezen... 't Warrelde in zijn brein; hij overlegde: "Die vrouw schijnt
wel handelbaar te zijn. "Sakkerloot! wat een bestiering, dat die
jongen juist hier moest komen; de echte "krates" is dood;--natuurlijk
is hij dood, anders was hij toch wel door de oproeping in de kranten
te voorschijn gekomen. We kunnen niets doen, voordat de jongen zelf
gevonden is, heeft de procureur gezegd. Wel, 't kan niet mooier:
de jongen _is_ gevonden. Kobus heet hij, doof is hij, Dorus-Kobus,
Kobus-Dorus, 't heeft allemachtig veel van mekaar, hij zal evengoed
op den roep "Dorus!" luisteren. Hè, hè, hè! oude Philip, dat is een
buitenkansje. Met de papieren van den "krates" maken we van Kobus
Juttner--Dorus Makko... Hè, hè, hè, hè! Dan worden we voogd en dan
krijgen we geld, hè, hè, hè, hè!" Hij grinnikte van pleizier en sloeg
met beide handen op zijn deken.

Eindelijk sliep Strijkman met het hoofd vol plannen in, en toen hij
den volgenden morgen ontwaakte, meende hij nog, dat hij droomde,
als hij aan het gebeurde van den vorigen avond dacht.

Gedurende een paar dagen overlegde de oude vrek, wat hij doen zou,
en toen zijn plan geheel tot rijpheid was gekomen, zocht hij vrouw
Juttner op.

De weduwe, wier zoontje Strijkmans gedachten zoozéér vervulde, was
een vrouw van min of meer verdachte reputatie. Vroeger te Rotterdam
gehuwd met een sjouwerman, was zij, na diens dood, gedurende eenige
jaren in verschillende gezinnen als schoonmaakster werkzaam geweest,
evenwel zonder ooit ergens lang of vast te blijven.

Hoogstwaarschijnlijk was dit te wijten aan haar weinig ontwikkeld
begrip van het mijn en dijn. Een en ander had haar genoopt Rotterdam te
verlaten en sedert eenige maanden woonde zij in de hoofdstad. Waarvan
zij nu eigenlijk leefde, wist niemand; bedelen deed zij niet,
ofschoon zij, zooals een van haar vroegere buurvrouwen aanmerkte:
"een gezegend kind had, om bliefje-wat-te-geven mee te spelen."

"Met zoo'n kind is je kost gekocht," hadden de bedelaars van beroep,
die in haar straat woonden, dikwijls met een soort van naijver gezegd,
als zij den jongen zagen; maar ofschoon zij slim en sluw genoeg was
om deze aanduiding te begrijpen, was zij er tot nog toe niet toe
overgegaan om haar Kobus tot broodwinning te gebruiken. Misschien
was er in haar ziel, hoe bedorven ook, nog een sprankje gevoel van
eigenwaarde overgebleven; wellicht was het ook alleen de band van
moeder tot kind, die nog niet rekbaar genoeg was geworden om haar te
doen besluiten den ongelukkige te exploiteeren.

Er trilt in elke ziel, hoe laag de snaren daarvan ook gestemd mogen
zijn, altijd nog een enkele, die schooner toon voortbrengen kan,
als zij te rechter tijd bewogen wordt.

't Was een ellendig klein vertrekje, met een bedstede aan het eene
eind en een schoorsteen met een vuurpot er onder aan den anderen
kant. Een oude kist, een gebroken tafel en een paar manke stoelen
maakten met eenig ander huisraad op den bezoeker den indruk, dat
verval, slordigheid en verwaarloozing hier woonden.

Vrouw Juttner zat, bij een eindje kaars, het buisje van haar zoon
Kobus te verstellen, toen de pandjesbaas binnentrad.

Zij schrikte, toen zij hem zag, en voordat hij iets gezegd had,
stond zij op en vroeg met eenigen angst in haar stem:

"Is er wat met het speldje?"

Ieder ander, minder gejaagd en zenuwachtig dan Strijkman op dit
oogenblik was, zou onwillekeurig door dat gezegde op de gedachte
gekomen zijn, dat vrouw Juttner reden had om de wijze, waarop zij aan
het speldje gekomen was, geheim te houden. De oude man was nu echter
te zeer vervuld met zijn plan, dan dat hij door den uitroep der weduwe
achterdocht kreeg, en antwoordde haastig: "Neen! neen! maar ik moet
je eens spreken, juffrouw. Zijn we hier alleen?"

"Kobus ligt in de bedstee en slaapt."

"Hm! en als hij eens wakker werd?"

"Dan hoort de stumperd nog niets."

"Zoo!--En de buren kunnen die niets verstaan, of...?"

"Als je zoetjes spreekt, niet. Maar, baas, wat wil je eigenlijk? Ik
heb het speldje nog van mijn overleden man, en dus..."

"Ik praat niet van dat lor," antwoordde Strijkman gejaagd, terwijl
hij den minst gebrekkigen stoel nam en tegenover de vrouw aan tafel
ging zitten. "Ik heb wat voor jou te verdienen!"

"Zoo! Nou dat zal wat wezen! Jij bent de rechte er voor. Ja, je kijkt
naar die flesch, hé? Er is een drupje in geweest. Ik heb last van
kramp op de maag, begrijp je? 't Zal wat moois wezen, wat je hebt."

"Dat zal je meevallen, juffrouw. Wat zou je zeggen, als ik je vertelde,
dat je voor je heele leven bezorgd kunt zijn?"

"Hè?"

"Kun jij je mond houden?"

"Als 't moet, ja; anders niet te best..."

Strijkman dacht een oogenblik na, voor hij verder sprak; het denkbeeld
kwam bij hem op: "Gesteld eens, dat vrouw Juttner niet wil, dan
weet zij...."

"Nou, waar prakkezeer je over? Vertrouw je me niet?'"

"Jawel, maar...."

"Als 't zoo mooi is wat je te zeggen hebt, hou dan je mond maar; 'k wil
mijn vingers niet branden, versta je. 'k Verdien graag geld, maar...."

"Wat zou je zeggen, juffrouw, als ik jou jongen, Kobus, eens een
groote erfenis bezorgde; misschien wel zooveel, dat hij al zijn leven
geborgen was, en jij er bij...?"

"Ben je gek, baas Strijkman? Hoe zou jij..."

"Jij weet nog niet wat ik kan," grinnikte de oude, terwijl hij zijn
magere knokkels wreef.

"Praatjes maken, dat kun je!"

"Hè, hè, hè, hè!.... Kijk me maar niet zoo gluiperig aan; ik loop er
zoo gemakkelijk niet in; uithooren laat ik mij niet, en als ik niets
zeggen _wil_...."

"Hou je je mond, dat begrijp ik wel. Hoor eens baas, ik ken je nog
maar pas; maar ik heb genoeg van je gehoord, om te weten, dat jij
niets doet, of je moet er aan verdienen."

"Hè, hè, hè! dacht je, dat ik niet royaal kon zijn?"

"Kom, zeur nou maar niet: jou royaligheid en de duivel z'n
barmhartigheid is van één soort; kom nou maar in eens voor den dag
met wat je wilt. Wat moet je met Kobus?"

"Hij is onnoozel, hé?"

"Ongelukkig, ja!"

"Zou hij--hm! zou hij zijn naam kunnen vergeten...?"

"Wat bazel je toch?"

"Ik heb het in mijn hand juffrouw, om te maken, dat Kobus een rijke
jongen wordt, en...."

Een oogenblik tintelde een vonk van vreugde in het gelaat der vrouw
en richtte zij haar blik op de bedstede, waar de gebrekkige knaap
sliep; in het volgende zag zij Strijkman wantrouwend aan, terwijl
zij fluisterend zei:

"Daar spin jij toch het meeste zij bij, ouwe duitendief!"

"Natuurlijk, ik wil er ook wat aan verdienen."

"En zeker alles en nog wat.... Wou jij mijn armen wurm gebruiken
om jou rijk te maken, en hem dan misschien later met een kluitje in
't riet sturen? Ik dank je; ik moet er niets van hebben."

"Wees niet gek, mensch; wij zijn alle drie uit den brand, als jij
goochem bent en meedoet...."

"Nou, spreek dan ronduit: wat wil je?"

Nog een oogenblik aarzelde de oude man, voor hij er toe overging
zijn plannen aan de weduwe te vertellen, maar toch behaalde zijn
begeerigheid de overwinning en vertelde hij haar de geschiedenis van
Dorus Makko en de Amerikaansche erfenis, evenwel voorzichtigheidshalve
verzwijgend welke papieren hij in handen had.

Vrouw Juttner's oogen schitterden, terwijl Strijkman vertelde, en
toen hij geëindigd had, stak zij hem over de tafel de hand toe en zei:

"Sla toe, ouwe slimmerd, ik doe mee; maar als er wat van komt, zorg
je dat ik vrijloop, en Kobus ook."

"Wat zou er van komen?"

"Je kunt niet weten: als 't gesnapt wordt, dat wij--jij," verbeterde
zij snel,--"den jongen, mijn Kobus, ondergeschoven hebt, zit er
misschien wat op; en daar zou ik voor passen...."

"Als jij zorgt, dat hij gelooft dat hij Dorus heet, en als hij zelf
zijn mond maar dicht houdt, is er geen kwaad bij."

"Dat's gemakkelijk genoeg: de stumperd ziet bijna nooit wat."

"Des te beter.--Hm! 't zou ook niet kwaad zijn, als je verhuisde;
om de buren, weet je!"

"Misschien."

"Ergens naar toe, waar niemand je kent."

"Dat kost geld...."

"Dan moet je hem wennen aan den naam van Dorus. Kan hij lezen of
schrijven?"

"Wel neen, hij is nooit op school geweest."

"Zoo! dat is goed,--hè hè hè! heel goed." Strijkman wreef zich in
de handen.

"Dan moet hij er verder wat knapper uitzien...."

"Mooie dingen: waar haal ik 't geld er voor vandaan ?"

"Ja, hm, dat's lastig...."

"Niets lastig: jij hebt geld genoeg. Geef me een gulden of twintig
op hand, dan steek ik hem wat beter in zijn plunje, en...."

"Ho! ho! 't geld groeit me niet op den rug."

"En ik heb het niet. Zeg! er is nog een druppeltje in de flesch,
't is lavas.... Wil je ?

"'k Dank je.--Hm! dus ik zou moeten beginnen met een twintig guldens
te wagen."

"Die niet waagt, die niet wint."

"Je hebt gelijk, het kan niet anders, maar het is veel geld.--Och! God,
zooveel geld."

Zuchtend besloot de pandjesbaas zich deze opoffering te getroosten en
haalde uit zijn vest een zeemlederen zakje te voorschijn, waaruit hij
zes rijksdaalders en vijf guldens nam en die aan de weduwe overreikte
met de woorden:

"Daar dan, maar wees er in Gods naam zuinig mee."

Tot laat in den nacht zat het tweetal bijeen en besprak de wijze,
waarop zij zouden samenwerken om Kobus Juttner voor Dorus Makko te
doen doorgaan.

Zelden was een paar meer aan elkander gewaagd dan dit. Vrouw Juttner
dacht kalmer na dan Strijkman en menigmaal gedurende hun gesprek
toonde zij, dat ze voor hem niet onderdeed in sluwheid.

Ze werden 't spoedig eens, hoe zij het zouden aanleggen om aan de
fabel, die zij samen bedachten, allen schijn van waarheid te geven. De
slotsom hunner overleggingen kwam hierop neer, dat Strijkman eerst
alleen en dan met de weduwe en den knaap den procureur Verhagen zou
gaan opzoeken en hem zou trachten wijs te maken, dat Dorus Makko na
den dood zijns vaders geruimen tijd door de stad had gezworven en
eindelijk door vrouw Juttner uit medelijden was opgenomen. De papieren
zouden volgens de meening van den ouden man het verdere wel doen.

Allerlei zwarigheden kwamen hun echter, toen zij het plan bespraken,
voor den geest. Wat zouden zij zeggen, indien een der vroegere buren
van Dorus Makko toevallig den pseudo-Dorus zag en zich herinnerde,
dat "Krates" volstrekt geen idioot was geweest?

"Hij is gevallen en suf geworden," zei Strijkman.

"Dat is te casuweel," antwoordde vrouw Juttner; "ik weet beter:
hersenziekte gehad, zenuwzinkingkoorts of zoo iets; laat dat maar aan
mij over... 't Treft goed, dat ik pas een maand of drie hier in de
stad woon; afijn, ik zal wel zorgen, dat ik er een mouw aan pas.--En
nou wat anders, baas Strijkman. Wat geef je wel aan mij en Kobus,
als alles goed afloopt? Ik hou van spijkers met koppen," zeide de
weduwe ten slotte, terwijl zij met de ellebogen op de tafel steunde
en, met de handen onder de kin, haar overbuur strak aanzag.

"Dat zullen we later zien, juffrouw!"

"Neen, neen! vaderlief, zóó zijn we niet geschapen; eerst zeggen,
hoeveel."

"Hm, hm! hoeveel dacht je?"

"Wat dacht jij?"

"Nou, ik wil 't royaal behandelen; je zult van elke honderd gulden
er twintig hebben."

"Och, kom! dacht jij dat? Jongens, jongens! dat's te scheutig,
Strijkman, dat neem ik niet aan."

"Niet?" vroeg de pandjesbaas verwonderd.

"Waarachtig niet, dat doe ik niet."

"Wat dacht jij dan, juffrouw?"

"We zullen eerlijk deelen, jij de helft en ik de helft,
annemekannememeesamen, [3] hoor!"

"Hè? Je dolt met me."

"Waarempel niet; en als je niet gauw toehapt, dan zeg ik: jij één
derde part en ik twee derde parten, want wij zijn met ons beiden."

"Dat kun je begrijpen. De helft, ik denk er niet aan..."

"Hè, hè, hè! jij kunt zonder mijn jongen niets krijgen, sliep uit!"

"Vervloekte feeks," bromde Strijkman tusschen de tanden; "als ik niet
meedoe, krijg je niemendal."

"Nou, hoe denk je er over, ouwe heer: de helft of een derde? Gauw
antwoord!

"En als ik niet wil, blijf jij er nuchter van."

"Och kom, denk je? Dan zal de procureur Verhagen er nog wel een
aardigheidje voor overhebben om..."

"Hou je mond, vrouw Juttner," riep Strijkman verschrikt uit; "'t is
goed, om de helft dan..."

"'k Dacht wel, dat je toe zoudt happen, ouwe zondaar!"

Strijkman beet zich op de lippen en vertrok. Toen hij weer op straat
stond, mompelde hij: "Ze is waarachtig nog goochemer dan ik; maar
wacht maar, als ik de duiten eerst heb, dan..."

Toen vrouw Juttner alleen was, bleef ze nog een oogenblik in de vlam
der kaars staren en overdacht al wat zij gezegd en gehoord had.

"Een gare rot," zei ze binnensmonds; "maar ik ben ook niet van
gisteren, 'k hou hem in de gaten, en afschuiven moet hij in ieder
geval, al komt er niets van de zaak; 'k houd hem toch aan 't lijntje;"
en terwijl zij de kaars opnam, ging zij naar de bedstede, waar haar
zoon sliep.

De mismaakte knaap lag met zijn mond open te snorken. Zijn wezenlooze
trekken schenen daardoor nog slapper en onaangenamer; 't weinige
rosachtige haar kleefde vochtig aan zijn voorhoofd en slapen, en de
rimpelige hals was nog meer in de schouders gezonken dan anders.

Met het licht in de hand stond vrouw Juttner voor het armoedige bed;
zij fronste de wenkbrauwen en haar mond vertrok zich minachtend;

"'t Is toch een leelijk kind, als je hem zoo ziet," zei ze. "Was hij
toch maar doodgegaan, toen hij kwam."

Zij raakte met vinger en duim zijn mond aan om dien te sluiten. De
slapende jongen keerde zich om, sloeg half de oogleden open zei in
zijn slaap: "Moeder."

"'t Is toch een ongelukkige, akelige stumperd, en wurm!" Zij trok
de rafelende deken wat hooger om zijn schouders. "Moeder" fluisterde
hij nogmaals.

"Hij is toch erg op mij gesteld. Arm schaap!" Zij schoof een
stuk karpet, dat opgerold onder 't getornde hoofdkussen lag, wat
dieper. "Geld zul je hebben; geld, veel geld, Kobus."

Toen haalde zij onder de bedstede vandaan een stroozak en een paar
andere stukken karpetgoed, legde een er van onder haar hoofd, dekte
zich met het tweede toe, blies het licht uit en sliep weldra op den
grond uitgestrekt in.





IX.

BIJ TOURNEL.


Wat was er van Dorus geworden, sedert den treurigen morgen, waarop
hij bij juffrouw Keetje's sterfbed knielde?

De arme knaap, die op dien ochtend alles verloren had wat hem lief en
dierbaar was op de wijde wereld, was instinctmatig naar dokter Abels'
woning gesneld.

Plotseling stond hij met bleeke wangen en ontdaan gelaat voor
Albertine, die met haar vader in den tuin een morgenwandeling deed.

"Ze is dood, van morgen gestorven!" was alles wat hij uitbrengen kon,
terwijl hij met de handen voor het gelaat op de tuinbank neerviel.

Medelijdend zagen dokter Abels en zijn dochter den armen jongen aan,
die, overweldigd door zijn smart, zijn tranen hun vrijen loop liet
en op niets en niemand scheen te letten.

"'k Zal wat voor dien jongen doen", zei de dokter tot Albertine,
terwijl hij zijn rijtuig liet inspannen om naar de herberg te
Groenendaal te rijden.



Juffrouw Keetje was begraven. Het was een aandoenlijk tooneel geweest,
toen de acrobaat Carlo en de zijnen aan de afgestorvene de laatste
eer bewezen. De sterke man beefde als een riet en weende luid, toen
de kist in den schoot der aarde wegzonk...

"Dat is mijn ondergang," mompelde hij herhaaldelijk, toen ze van de
begrafenis terugkwamen. "Dat's mijn ondergang," herhaalde hij een paar
dagen later met zware tong, toen hij weer in de tent moest optreden
en niet kon, omdat hij... te veel gedronken had.

Arme Carlo! ongelukkige, zwakke sterke man, te zwak om alleen te
staan, uw steun, het tengere, vrouwtje is van u weggenomen en 't
verdriet om haar gemis doet u terugkeeren op het pad, dat ge, door
haar zachte hand geleid, zoo lang gemeden hadt. Wat Dorus betreft, hij
kon niet meer in zijn hansworstenpak optreden, 't was hem onmogelijk,
en trots de dreigementen van Carlo's mededirecteur Hermans bleef hij
weigeren. Viool spelen wilde hij wel, maar toen Hermans 's avonds
zijn spel hoorde, riep hij kwaad en driftig: "'t Lijkt wel een
treurzang. Als jij zoo speelt, jaag je het publiek mijn tent uit;
kijk naar Carlo, dat is eerst een kerel. Wel drinkt hij een borrel
en was een paar dagen in de war, maar hij heeft toch nooit zoo goed
gewerkt als nu; jij bent een sentimenteele stumperd, een huilebalk;
je hadt aanspreker moeten worden."

Alleen de oude Löbell nam hem 's avonds na de voorstelling ter
zijde en vroeg medelijdend: "Bin jij nou nog zoo schwermoedig,
Boeckelorum? Je hebt gespielt, das ich, weiss Gott, de thränen in
de augen kreeg. Jongens, wat een schade oend jammer, dat jij nicht
voor de moeziek wordt opgebracht; 'k wol, dat ik geld had; ich liet
je stoedeeren, wenn's auch op das jammerholz ist."

Gelukkig voor Dorus was Löbell niet de eenige, die er zoo over dacht,
en had dokter Abels hetzelfde denkbeeld gekregen.

Korten tijd na Keetjes dood had hij opzettelijk in gezelschap van
Albertines muziekmeester in een naburige plaats eene voorstelling
van het _Théatre des Nouveautés_ bijgewoond en Dorus nogmaals hooren
spelen.

De oude muziekmeester was geheel en al oor geweest, en toen hij
eindelijk verrukt zei: "Die jongen kan een groot man worden; 't
is een talent, zooals ik zelden heb gehoord," stond dokter Abels'
besluit vast om den knaap uit de hem onwaardige omgeving te verlossen
en voor de kunst te behouden.



Dorus wist niet wat hij antwoorden moest, toen de dokter hem vroeg:
"Heb je lust om te studeeren voor musicus? Wil je van Carlo
vandaan?" De knaap stond sprakeloos van vreugdevolle, dankbare
verbazing, keek met groote verwonderde oogen dokter Abels aan, greep
eensklaps zijn handen, kuste die en stotterde : "Ik kan niets meer
zeggen, meneer!"

Met leedwezen zag de directie van het _Théâtre des Nouveautés_ hun
hansworst vertrekken. Carlo bromde: "Dat heb je er nu van, als je een
jongen van de straat opneemt; als hij wat kan, snijdt hij uit." Hermans
beweerde : "Sedert hij op de viool krast, is hij voor paljas toch niet
meer te gebruiken." Maar de oude Löbell zei, terwijl hij Dorus met
het mondstuk van zijn pijp op 't hoofd tikte: "Doe schwerenöther! noe
kann noch 'mal was rechtes aus jou werden; schade oend jammer, dat
jij kein broest voor die trompete hévt! Adjé! kerlchen, mach's goed."

Het kostte Dorus weinig moeite om afscheid te nemen van het geslacht
Carlo en de overige leden van het gezelschap. De toekomst lachte
hem rooskleurig tegen; zijn hoogste wensch zou vervuld worden; hij
zou muziek leeren! Nauwelijks kon hij aan zooveel geluk gelooven; 't
overstelpte hem; hij was zenuwachtig en gejaagd, en eerst toen hij in
den postwagen zat, die hem naar de stad zou brengen, werd hij kalmer.

's Avonds laat kwam hij in het huis van den muziekmeester Tournel,
aan wiens zorgen zijn beschermer hem had toevertrouwd, aan, en toen
hij in het kleine kamertje, dat hem als verblijf werd aangewezen,
ter ruste zou gaan, zuchtte hij: "Als het maar geen droom is."



Neen! 't was geen droom; daar lag immers zijn viool op tafel; daar
stond in den hoek een muzieklessenaar en daar, op den stoel, hing
een nieuw pak kleeren, zoo goed als hij er nog nooit een had aangehad.

Toen hij den volgenden morgen vroeg ontwaakte, scheen de zon warm en
vriendelijk in zijn kamertje, blonk glinsterend op de daken en speelde
met het loof der boomen van het kleine tuintje achter het huis. Zijn
oude viool scheen hem op tafel toe te lachen, 't Was alsof zij hem
toeriep: "Goeden morgen! Zie je me niet? Hier ben ik."

't Was nog doodstil in huis. Hij luisterde; niets bewoog zich. Zonder
gedruisch opende hij het venster; zoel en geurig stroomde de frissche
morgenlucht in het vertrekje, een vogel zong in den tuin en een bij
gonsde naar binnen.

Hij ademde met wellust de heerlijke lucht in. Snel kleedde hij zich
aan en keek met aandacht naar de bij, die vergeefsche pogingen deed
om weer naar buiten te komen.

"Szoemm! szoemm!" gonsde het insect en stootte tegen de vensterruit.

"Wou je er uit, kameraad?"

"Waf! waf! waf!" klonk een kort blaffen buiten.

"Boppie!" Dorus boog zich uit het venster.

"Waf! waf!"

"Ouwe jongen, ben jij daar? Hoe kom je hier? Ben je mij nageloopen?"

"Waf!"

"Koest dan! Boppie, koest dan, spring niet zoo op; je kunt toch niet
bij mij; koest, dan, Bop!"

't Blaffen buiten ging over in een zacht gejank. 't Werd weer stil
in den tuin.

"Dat's aardig," lachte Dorus in zichzelf, "hij is me nageloopen. Goed
beest!" Hij zag naar buiten. Boppie lag rustig in 't grasperk en keek
omhoog naar 't openstaande venster. Zijn stompje staart kwispelde
onophoudelijk heen en weer, en toen hij Dorus weer aan 't raam zag,
blafte hij zachtjes.

"Koest!"

"De viool op tafel ziet er vandaag heel anders uit dan gewoonlijk,"
dacht de knaap. "Ze is veel glimmender dan vroeger; ik wou wel eens
hooren, of ze ook mooier klinkt. Ze slapen hier nog allemaal in huis;
ik durf niet, ze zullen wakker worden." Hij nadert de tafel. "Zouden
ze het beneden hooren?--Kijk daar zit een vezeltje aan de kwint;
dat moet er toch af."

"Ting!" kwam de snaar, toen hij haar aanraakte. Dat "ting" was
beslissend; hij nam de viool op en speelde pizzicato zachtjes een
paar noten. De strijkstok lag nog op tafel, het zonlicht tintelde in
het paarlmoeren belegsel van den stok.

"'t Is toch een mooi stokje," dacht hij. Hij greep er naar en woog
het in de hand. "Hè! licht als een veer en toch sterk...." Beneden
in de huisgang sloeg de klok zeven uren. "'t Is nog te vroeg om te
spelen. Och, maar als ik 't heel zachtjes doe, dan hooren ze het niet."

Luchtig en licht gleed de strijkstok over de snaren; 't was een
vluchtige, oppervlakkige melodie, die zachtjes door het vertrekje
klonk.

Dorus speelde en vergat allengs, dat hij niet alleen in huis was;
hij speelde voort,--het heerlijke zonlicht, de frissche morgenlucht
bezielden hem.

"Waf! waf! waf!" blafte Boppie in den tuin; hij herkende de zangerige
stem daarboven.

Dorus hoorde het niet en phantaseerde verder. "Bravo! Bravo! mijn
jongen," klonk eensklaps de stem van Dorus' mentor, den muziekmeester
Tournel, die zachtjes was binnengekomen.

"Bravo!" herhaalde hij, "heel aardig gespeeld; maar 't is wildzang,
en als je daarmee doorgaat, komt er niets van je terecht." Verwonderd
zag Dorus den heer Tournel aan, die hem een muziekboek voorhield
en vervolgde: "Als je dit hebt doorgestudeerd, moog je weer eens
phantaseeren. Voorloopig moet je er mee ophouden. Beloof je me dat?"

"Als het noodig is, zeker."

"Goed! berg dan nu je instrument maar op;--laat 'k het eens zien." De
muziekmeester hield de viool schuins voor het venster, zoodat het
licht door de S-gaten viel, zag opmerkzaam binnen in de kast en
mompelde, een paar akkoorden grijpende: "'t Is een aardige viool;
't lijkt mij een Kuyper te zijn, en zij klinkt goed op de D en de
G. Kom, vriendje, nu ontbijten. Augusta en Barbara wachten op ons."

"Waf! waf!" klonk het buiten.

"Dat is Boppie, mijnheer!"

Verwonderd keek de muziekmeester op, terwijl hij vroeg:

"Wat bedoel je?"

"Hij is me nageloopen."

"Wie?"

"Mijn hondje; Boppie! Mag ik hem hier bij mij houden?"

"Hm! 'k houd niet veel van honden. Ze kunnen zoo slecht tegen muziek;
dat's lastig."

"O! hij niet, hij jankt nooit. Toe, meneer! laat 'k hem maar
houden. Al joeg ik hem ook weg, hij zou toch iederen keer weeromkomen,
en...." Dorus keek vriendelijk lachend, maar met een zweem van trots
den heer Tournel aan, "'t is geen gewoon dier; hij kan op de klok zien,
domino spelen en tellen."

"Dus een professor onder 't hondengeslacht," lachte Tournel.

"Waf! waf!"

Eensklaps boog Dorus zich uit het venster en riep: "Bop!"

"Waf!"

"Geef attentie, Bop! Hoeveel is tweemaal twee?" Dorus maakte een
bijna onmerkbaar teeken met de hand en sprak op den echten kermistoon.

"Waf! waf! waf! waf!" blafte Bop.

"Hoort u 't?"

"Heel aardig! Nu houd hem dan maar bij je, maar je moet je afwennen
om zoo raar met hem te spreken."

"Ja, meneer!"



De oude heer Tournel, aan wien voorloopig door dokter Abels Dorus'
opleiding was toevertrouwd, leefde stil en bedaard met Augusta, zijn
kleindochter, een wees, in de provinciestad, aan welker uiteinde de
villa van den dokter stond. 't Was een vriendelijk man en een type
in zijn soort: als leeraar der muziek uitstekend, als executant niet
boven het middelmatige zich verheffend.

In het kleine stadje evenwel beschouwde men hem als een soort van
phenomeen, want Tournel arrangeerde bij elke gelegenheid toepasselijke
stukken.

Voor de zangvereeniging Polyhymnia schreef hij koren en soli, voor de
gymnastiekvereeniging Hercules een feestmarsch en voor het zangkoor
in de Luthersche kerk kerstliederen en paaschgezangen. Behalve
orgel, Zondags in de Groote kerk, speelde hij viool en dirigeerde
de orkestvereeniging Orpheus en het zanggezelschap Polyhymnia,
gaf pianolessen aan de jonge dames, onderwees violoncel en leerde
klarinet spelen aan den eenigen dilettant, die zich in het stadje
aan dat instrument waagde.

"Methode," was zijn geliefkoosd stopwoord,--"School," het tweede,
wat hij gebruikte. 't Was geheel een musicus van den ouden stempel;
hij dweepte met Bach en Beethoven, vereerde Mozart, Meyerbeer en
Mendelsohn, en zag met eenige minachting neer op den in de mode
komenden Offenbach en andere dergelijke "muziekfabrikanten", zooals
hij ze noemde.

Er lag over zijn geheele persoon een waas van klassieke waardigheid,
dat bijna op de grenzen van het vermakelijke kwam. Geen zweem van
artistieke losheid lag er in den vorm van zijn hoofdhaar, dat geheel
achterover gekamd als door een grijzen sluier de schedelhuid liet
doorschemeren. Zijn diepliggende grijsblauwe oogen zagen eenigszins
mat de wereld in en met zorg gekweekte bakkebaarden, steeds kort
geknipt, begrensden een paar bleeke wangen, die zich alleen dan
hooger kleurden, als hij zich in Polyhymnia ergerde over de sopranen
of alten, die geen maat wisten te houden, hoezeer hij ook met zijn
schepter zwaaide of met den rechtervoet stampte. In zijn mond, die
goed besneden, meestal vriendelijk lachte, stonden een paar tanden te
veel vooruit en gaven daardoor iets zonderlings aan het overigens vrij
regelmatige gelaat. Hij was gewoon een pince-nez te dragen, die hem,
zoodra hij op repetitiën in vuur kwam, regelmatig van den neus viel,
en hij dweepte met lange gekleede jassen, die door een staanden boord
en een zwarte halsdas waardig werden ter zijde gestaan, om aan zijn
geheelen persoon een deftig uiterlijk te geven. Zijne kleine handen
waren bijzonder zorgvuldig verpleegd en zijn voeten staken altijd in
keurig net schoeisel. Hij was van Fransche afkomst, en zij, die dit
wisten, verklaarden dat hij de voorliefde en zorg voor zijn handen
en voeten daaraan dankte.

Zijn kleindochter Augusta, die sedert den dood harer ouders bij
hem woonde, was het zonnetje in huis; hij had zijn kleinkind, dat
zoo vroeg reeds wees werd, afgodisch lief, en als het bruingelokte
hoofdje van het bijna veertienjarige meisje zich vertrouwelijk tegen
zijn arm legde en het fijne handje zijn wangen liefkoosde, terwijl
de donkere fluweelige oogen zoo innig hartelijk in de zijne keken,
was er niet veel wat de oude aan zijn kleinkind weigeren kon.

Augusta was niet bepaald mooi te noemen; het krullend, bruine haar
en de prachtige oogen waren haar grootste sieraad; voor het overige
was haar gezichtje goed besneden, ofschoon de ietwat te groote mond
er iets onregelmatigs aan gaf.

De nog weinig ontwikkelde vormen en de eigenaardige onbeholpenheid
aan haar leeftijd eigen, maakten, dat haar vrij lang opgeschoten
gestalte bij den eersten indruk weinig aantrekkelijks had; bij nadere
kennismaking en opmerkzame beschouwing echter was het aan te nemen,
dat zich uit de nog slechts half ontloken knop weldra een schoone
frissche bloem ontwikkelen zou.

Iets was er, wat iedereen aangenaam bij haar aandeed, namelijk haar
melodieuse stem, en grootvader Tournel was er trotsch op als kenner te
kunnen zeggen: "Augusta zal eenmaal een sieraad van Polyhymnia worden,
zoodra ze wat meer "school" heeft."

Een nicht van Tournel, juffrouw Barbara, bestuurde het kleine
huishouden en hield rekening met de inkomsten, iets wat de
muziekmeester zelf niet deed. In dat opzicht was hij artistiek en
had geen "school". Ware Barbara er niet geweest om, zooals zij het
noemde "den duim op 't laadgat te houden", Tournel zou het lot gedeeld
hebben van velen zijner kunstbroeders, die meer schulden hebben dan
contanten en die van de hand in den tand leven. Nu echter heerschte
er een zekere mate van welgesteldheid in het gezin, en al wees de
huishoudelijke balans gewoonlijk geen batig saldo aan, toch sloten
Debet en Credit op weinig na.

't Was niet tegen te spreken, dat juffrouw Barbara, al was 't dan
ook maar zachtjes, de pantoffel hanteerde, maar zij deed het met
verstand en overleg, en ofschoon de toon van haar humeur enkele malen
"in mineur" klonk, zooals Tournel beweerde, was zij toch goedhartig
en braaf, ja zelfs te braaf, te vroom naar den zin van haar neef,
die, volstrekt niet kerksch, zich met Barbara's begrippen over den
godsdienst niet vereenigen kon en beweerde, dat zij alleen de dominees
naliep, omdat het zoo de mode was.

Toch was het niet zoo. Juffrouw Barbara was een nauwgezet mensch,
die de uiterlijke vormen van den godsdienst in eere hield, haar
lievelingspredikant had, getrouw elken Zondag naar de kerk en viermaal
's jaars naar 't avondmaal ging. Zij bad voor het eten lang, at gauw
en dankte weer lang. Hoekig en beenig van gestalte, met een grof tanig
gelaat, kleine, scherpe, donkere oogjes en een weinig vaalbruin haar,
droeg zij haar muts en haar vijf-en-veertig-jarigen maagdelijken
staat met gelatenheid.

Toen Tournel haar den voorslag van dokter Abels, om Dorus in huis te
nemen, mededeelde, had zij haar wenkbrauwen gefronst en gezegd: "Als je
er wat mee verdient, Tournel, is 't goed, maar anders zou ik er niet
op gesteld zijn zoo'n kermisklant in huis te nemen. 't Is gewoonlijk
raar soort, halve heidens, die van God, noch zijn gebod weten; als ik
last van den jongen krijg, moet hij de deur uit. 'n Virtuoos steekt in
dien jongen, zeg je? 't Zal wat wezen, als 't voor de heeren komt..."

Augusta daarentegen had zich op de komst van Dorus verheugd. Vooral de
omstandigheid, dat de knaap "kermisklant" was geweest, maakte hem in
haar jeugdig oog belangwekkend en haar levendige verbeelding tooverde
haar een vluggen clown, vol jolige grappen en kuren, voor de oogen.

Tournel, geheel vervuld met de gedachte aan het onmiskenbaar talent van
den jongen, had met geen enkel woord van zijn mismaaktheid gesproken;
hij zag in hem alleen den muzikant, niet den bultenaar.

't Was dus geen wonder, dat op den avond, toen Dorus voor 't eerst
de woning van den muziekmeester binnentrad, Augusta een kreet van
teleurstelling niet kon onderdrukken en halfluid uitriep:

"Ba! een bochel!"

Juffrouw Barbara zei: "Wat een ongelukkige kromme krates", en Tournel
antwoordde: "Dat doet er niet toe; hij heeft talent."



Nog nooit had Dorus zich zoo vreemd en onbehaaglijk gevoeld als in
den eersten tijd, toen hij bij Tournel was. Hij had een gewaarwording,
alsof men hem in een kooi had opgesloten! Instinctmatig gevoelde hij,
dat hij er misplaatst was; maar vlug van begrip en bevattelijk als
hij was, opmerkende en in zijn brein verwerkend wat hij zag, hoorde en
ondervond, verdween dat gevoel van dwang en gedruktheid spoedig genoeg.

Hij lette op, hoe de anderen deden, als zij aan tafel zaten; en
juffrouw Barbara zelfs zeide: "Hij merkt goed op en neemt aan; hij
zit nu al fatsoenlijker bij 't eten en dat is al veel, want je kunt
aan iemand zien van welken komaf hij is, naarmate hij aan tafel zit."

Augusta riep nu niet meer: "Ba! een bochel," want eenige maanden waren
voldoende geweest om haar een zekere genegenheid voor den knaap in
te boezemen en hem zelfs tegen de soms vrij heftige uitvallen van
nicht Barbara te beschermen.

Dorus van zijn kant deed alles wat mogelijk was om zich aangenaam te
maken; hij bewees duizend kleine diensten in het huishouden, zonder
dat men er hem om vroeg en zijn oogen glinsterden van vreugde, als
Augusta hem met een vriendelijken blik er voor dankte.

Met juffrouw Barbara stond hij soms op niet al te goeden voet;
haar meestal knorrige toon van spreken hinderde hem, en als haar
humeur in "mineur" gestemd was, stond het zijne in denzelfden toon:
eenmaal zelfs, toen zij om de een of andere kleinigheid boos geworden,
zich het woord "kermisklant" liet ontvallen, vergat hij zich zoover,
dat hij haar "een serpent" noemde.

Bijna had dat woord aan zijn verblijf bij Tournel een plotseling
einde gemaakt, en 't was Augusta, die hem overreedde om aan nicht
Barbara vergiffenis te vragen voor dit woord.

Trouwhartig zei Dorus: "'k Doe het, omdat u het hebben wilt,
jongejuffrouw, en ik zal haar zeggen, dat 't mij spijt, maar dat ze
toch een serp...."

"Stil, Dorus! zoo moog je niet spreken; je hebt ongelijk," antwoordde
Augusta, terwijl ze haar hand op zijn arm lei.

"Ben ik dan nu nog een kermisklant?"

"Neen, dat niet, maar je bent somtijds wel wat ruw."

"Ben ik dan een heiden, zooals zij zegt, omdat ik me in de kerk
verveel en liever thuis viool studeer?"

"En waarom ga je er dan naar toe?"

"Omdat u het graag heeft; om juffrouw Barbara doe ik 't waarachtig
niet."

"Zoo; maar je moet er om je zelf heen gaan."

"Om mij zelf?"

"Ja, omdat God 't wil."

"Hm! 't zal God wat kunnen schelen, of een jongen als ik in de
kerk komt."

"Foei, Dorus, je moogt niet spotten." Augusta kon nauwelijks een
lach bedwingen.

"Ik spot niet."

"Dat doe je wel. Je bent ook nog wel een beetje heiden want als wij
aan tafel 's middags bidden, dan...."

"Dat is ook geen bidden, jongejuffrouw."

"Niet? Wat is dan bidden?"

"Dat weet ik zelf niet recht."

"Heb je dan nooit gebeden, wezenlijk gebeden?"

"Ja, éénmaal." Plotseling werd Dorus' gelaat ernstig en bleek, zijn
oogen vestigden zich een oogenblik als op iets, dat in de verte alleen
voor hem zichtbaar was, en hij herhaalde zachtjes: "Ja, éénmaal,
toen heb ik geloof ik, wezenlijk gebeden."

Verwonderd keek Augusta hem aan, terwijl zij vroeg: "Wanneer, Dorus?"

"Toen _zij_ stierf, daar 's morgens vroeg in de herberg te
Groenendaal. Ziet u, jongejuffrouw, destijds wist ik het zelf niet,
maar nu geloof ik, dat ik toen gebeden heb; en zóó bidden ze in de
kerk niet, ook niet op de catechisatie, waar ik naar toe moet."

"Moet?"

"Nu, waar ik naar toe ga, als u dat liever hoort; juffrouw Barbara
heeft 't mij gebakken, dat ik er heen moet, om...."

"Ha, ha, Dorus, wat sla je weer door," lachte Augusta. "Dokter Abels
vond het ook goed, en daarom .... Zie je wel, dat je nog een heiden
bent en ruw; wie zegt er nu "gebakken".

"Ik zal het niet meer zeggen, jongejuffrouw."



Langzamerhand veranderde Dorus zoowel innerlijk als uiterlijk De
invloed van de beschaafde omgeving, waarin hij zich bevond, deed zich
duidelijk merkbaar gevoelen. Ontsnapte hem nu en dan nog eens een ruw
woord of een onhebbelijke uitdrukking, dan was een verwijtende blik
van Augusta, of een fronsen der wenkbrauwen van Tournel voldoende
om hem te doen begrijpen, dat hij verkeerd had gedaan. Met ijver
en lust had hij zich op de studie van zijn viool-methode toegelegd,
en als hij voor zijn lessenaar stond met het instrument onder de kin
en den strijkstok in de hand, netjes en eenvoudig gekleed, zag hij
er niettegenstaande zijne mismaakte gestalte fatsoenlijk uit.

't Kostte hem geen geringe inspanning om weer van voren af aan de
geheele _Violinschule_ van Kreutzer door te studeeren, maar Tournel
hield niet op om hem het groote nut van die studie voor oogen te
houden, en toen een half jaar verloopen was, zei de oude muziekmeester,
hem goedkeurend de

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/17549