't Bedrijf van den kwade
by Herman Teirlinck · Dutch · Gutenberg #17537 · 442,142 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of 't Bedrijf van den kwade
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: 't Bedrijf van den kwade
Author: Herman Teirlinck
Release date: January 23, 2006 [eBook #17537]
Most recently updated: December 13, 2020
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/17537
Credits: Produced by Marc D'Hooghe
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 'T BEDRIJF VAN DEN KWADE ***
Produced by Marc D'Hooghe
HERMAN TEIRLINCK'S
'T BEDRIJF VAN DEN KWADE
1904
* * * * *
I.
't Loof kleurde om de kruin der boomen, die achterwaarts stonden, statig
en hooge, in den diepen hof; en 't lager plantsoen van 's gelijken
verfde bij plaatsen, onder 't komend gewaai van den herfst, zijn
bladeren geel of rossig, of rood lijk kastanjeslutsen, of klaar lijk een
licht daar ievers.
Goedele keek precies ernaar, door 't venster, en hoe de avond eromme al
donkerend viel, keek ze, en hoe stilaan dieper de holten werden der
wegdeinende dreven--en hoe eene waarachtige droefenisse uit den hemel
zeeg. Ze leunde tegen 't raam. Ze tokkelde met hare vingeren zoetekens
tegen de ruiten, zonder weten, op éenmatige wijs, en ging mee, al wijder
en wijder, met hare verre gedachten. Altemets stortte een streuvelende
wind in den lochting, en een park dahlia's neigden te zaam en rechtten
zich en bijsden tenden hunne stengels nog een tijdeken. Hij asemde
naderhand in 't rotelend geboomte en bleef er luidelijk hijgen en was
seffens voorbij, met een schok--en waar zoefde hij ginds? Goedele voelde
bij zijn sterke doening, heel de moedeloosheid van het najaar. 't Was
haar of de tijd, in zijn haastige vleugeling, nu tastbaar werd, binst
zijn vlucht naar de toekomst, aldoor stichtend 't verleden dat droevig
was. Ze wendde haar hoofd zijwaarts op naar 't horloge, onbewust.
Ze glimlachte even, omdat ze dees uur zoo tsieperig, zoo klein en
niets-beduidend vond, en die gulden plate ook, met zijn verwaande
orneering, zijn praatziek getjok, zijn vies-kruipende wijzers--zoo
onmachtig, zoo kinderlijk, een onnoozel speelgoed. Buiten in 't vrije
geluchte stormde de wind, en Goedele taakte er de eeuwigheid....
Ze ging dan de breede tafel rond en luisterde binstdien met ongevraagde
aandacht naar den slag van haar zij-ruischende kleeren het tapijtsel
langsheen. Ze zette zich neer vóor 't klavier en wroetelde er onachtzaam
in een muziekboek, en werd daarna gewaar dat ze dees alles beu was en
dat heur 't vervelend pianogetamp zeer zou doen. Ze werd ongedurig; ze
wist niets, dat groot genoeg was om mee te klinken met die stijgende
golvingen in haar. Ze wilde niet spelen. Ze zou 't nietig achten, al wat
ze spelen mocht. Het herfsteweer alleen was machtig genoeg.
Ze hoorde rijzekens de korte stem van hare moeder, die weer wat te
gebieden had aan vader of grootvader of de meid. Ze stond rechte en
rustte tegen 't schouwblad en tuurde met roerlooze blikken naar een
hoogen chrysanthementuil, die daar monsterachtig was, midden de tafel,
in zijn laag-zittenden pot, met al die uitermatige kronen, valsch-wit en
valsch-levend en klaterend van kostelijkheid. Ze verwonderde zich nog
dat heur dees grof gedoe was opgezonden door Sebastiaan, haren
verloofde.
--Hij heeft dees van verre besteld, meende zij.
Sebastiaan Vrebos was sinds veertien dagen naar Weenen vertrokken om er
in de Albertina enkele teekeningen van Hieronymus Bos en een paar
tafereelen van een ouden Brueghel te bezien. Van avond zou hij terug
zijn. Sebastiaan was een jong archivaris, onlangs benoemd in de
Koninklijke Bibliotheek, een heel lange en magere vent, liefelijk van
uitzicht, met te groote engelblauwe oogen in een bleek gelaat, sierlijk
omlokt met mat-blonde haren. Hij had langzame gebaren en deed al
sprekend profijtelijk hergaan zijne witte vingeren en was aldoor
verzonken in biddende houdingen. Goedele peinsde dat hij uitermatig
vroom was. Hij was goed. Hij zei nooit een woord, dat sterk klonk of
kwetsen mocht. Hij sprak nooit met drift, en werd nauwelijks een endeken
van begeestering warm als hij 't over de oude Vlaamsche fantasten had,
bijzonderlijk over Bos en Brueghel. Hij vond dan wel een gloeiend
gezegde, maar meerendeels een stil-pieuse daarbij. Goedele had hem voor
't eerst bij mevrouw De Vleeschhouwer ontmoet, nu haast een jaar
geleden. Hij had haar dadelijk met liefelijke gedienstigheid omringd,
en, omdat hij zoo zacht was, kon zij hem goed verdragen rond haar. Hij
kwam naderhand hier thuis, op de half-maandelijksche soepee-vergaderingen.
Goedele ging nooit uit. Ze kende alleen de familie De Vleeschhouwer.
Ze vond het wel aardig dat een djentelijke man om haar in deze droevige
woonste komen wou en 't vleide heur aangenaam. Ze kreeg met welbehagen
de stille bekentenis van Sebastiaan en voelde zich gelukkig omdat hij
zegde door haar zoo gelukkig te zijn. Moeder verklaarde dat dees
huwelijk heur aanstond, en mijnheer Vrebos werd met zijne aanvraag goed
ontvangen. Sindsdien geraakte er een beetje verscheidenheid in 't
eenvormige leven der familie Wilder: Sebastiaan kwam wekelijks een
bezoek afleggen en bleef dan soepeeren, en dat alleen was al een
gewichtige verandering; bij tijden werd ook een concert bijgewoond of
een tentoonstelling bezocht; dan moest er in stad gesoepeerd worden--en
ook dat was zeer gewichtig.
Goedele keek toe naar de chrysanthemen, hoe bombastisch ze daar pronkten
in schitterende ijdelheid, met hunne ommekrullende blaadjes, regelmatig
middenwaarts toegevouwd. En hare gedachten, langs vage wegen, wendden
zich geleidelijk naar de toekomst. Ze probeerde na te gaan, met
waarschijnlijke veronderstellingen, hoe 't zijn zou, als ze dees huis en
vader en moeder en grootvader verlaten zou. Zij en voelde in de verte
geen heimwee, geene aandoening daarom. Ze zou hier uitgaan en zou den
dorpel met haastigheid vergeten. 't Was hier ook zoo leeg, zoo lustloos
en vunzig. Naarmate zij opgegroeid was in sterkte en schoonheid, had zij
zich meer en meer vernepen en bezeerd gevonden, en nu stond zij daar, in
hare volle grootte, een machtige vrouw, gekleineerd en gekwetst door al
wat om haar was en werd. Bij moeder vond ze geen zoetiger toevlucht en
vader was peuterig in zijn dagelijksche manieren; hij en deed maar
bekrompen werken en wist geen doel, en steunde voor gewichtige besluiten
op moeder. Grootvader was hard. Zij vreesde van die drie moeder alleene,
omdat moeder danig struisch was in koppige, strenge besluiten, en korte,
scherpe woorden had. Daarom was heur streelend de brave liefde van
Sebastiaan. Zij en wachtte nooit met koortsig verlangen op hem, noch en
vreesde gejaagd zijn vertrek. Ze liet zich zijn komste welgevallen en
vleide zich een stonde in de lauwte zijner lijze genegenheid. Ze meende
wel dat ze hem liefhad, maar de muren waren hier te eng en te zwaar.
Ze zou met hem trouwen en in 't open geluchte gaan en vrij wezen. Alles
zou nieuw zijn. Ze zou hem liefhebben, omdat hij goed was....
Ze boog zich trage over de chrysanthemen en snoof den kouden geur ervan
en voelde even de blaadjes kittelen over hare wangen. Die jeukte maakte
haar ongedurig en, als zij weer in de boomen van den tuin het blazend
gewaai hoorde roefelen, rechtte zij zich plots op, uit gansch hare
lengte, en bleef roerloos kijken, strak vóór zich heen, naar een
voorbijvliegend beeld. Op dees oogenblik voelde zij gansch haar vleesch
in éene trilling pijnlijk worden en haar bloed slaan in forsche geuten
naar hare slapen. Vluggelings viel om haar al wat bestond en blijvend
zijn zou, en ze rees, grooter en sterker--en moeder en Sebastiaan en het
huis--'t en raakte noch en deerde haar. Ze wou 't weere voelen zoeven
langs hare wangen, ze wou heur haar los laten vlaggelen en ze wou
luisteren naar 't geklapper van 't krakende geboomte....
Seffens neigde haar voorhoofd en ze zocht verlegen naar 't gewone zicht
der dingen, naar die twee visscherstafereelen aan den wand, naar 't
klavier, naar de glazen dresse, met haar menig ruitwerk, zoo drollig van
verve ... en hare oogen steunden erop, alsof zij er fluks naar grabbelen
moest om niet omverre te stuiken. Wanneer ze opnieuw rustig was, tot ze
stille naar 't venster en zonk weg met hare toevallige gedachten, al
over den bonten lochting, een heelen tijd lang.
--Goedele!
Mevrouw Wilder stond in 't deurgat. Mevrouw Wilder was groot boven de
mate, grooter nog dan hare dochter, en struisch ook daarenboven, breed
geschouderd en grove gelend. Haar hoofd was lijk in brutalen steen
gebeiteld, zonder nuttelooze kleinigheden--een laag, plat voorhoofd
tusschen vlakke slapen, blauwe oogen in vierkante holten, sterke kaken
en een stevige kin. Ze zag er uit wel een van tenden de vijftig jaren,
maar effen-zwart bleven heur haren, zorgvuldig te midden open, in gladde
vlechten gekamd en bezij hare ooren in een nat, regelmatig krulleken
vastegeleid. Gerimpeld en was zij niet: haar gezichte bleef gedurig
effen en eenvervig, en nooit en speelde er een vouwken of tintelde er
een kleureken in dat toonloos, gelijkvormig gelaat. Haar breede hals,
ten halve bloot boven de korte krage, was een paal van stoere kracht.
Zij boog zelden. Zij stond, keersrechte, in haar zwarte merinoskleed;
zij droeg haar hoofd daar hooge, waar 't blijvend was en rijzekens
roerde. Zij en droeg oorbellen noch armband noch eenig ander sieraad;
haar trouwring was heel smal en in haren zwellenden vinger vergroeid.
Zij was koud. Ze vereenzaamde zich in een killige atmosfeer, die zij
om haar geschapen had en allerwege meesleepte, overal stichtend een
ongewoon ongemak bij de naderende menschen. Maar, in haren witten blik,
lag anderzijds een verre treurnis, een verre klacht over leed, dat niet
te heelen was. Seffens echter wist zij die zwakte met een stalen schicht
te duiken--en seffens herkwam van wijd de droefheid, kalm en zonder
deernisse. Bij tijden zakten hare lippen van weerskanten neerwaarts....
Zij sprak nu van het avondmaal, met korte, rustige woorden te reke; zij
wachtte zelden op een antwoord, zij zei meerendeels een gebod of een
uitlegginge, en ontving weinig bevelen van anderen.
--'t Eten moet klaar worden.
--De tafel moet ge dekken.
--Deze bloemen kan men andermaal best met ruste laten.
Ze ging langzaam bij de tafel en raapte nauwkeurig eenige verslenste
blaadjes op, naderhand nog uit de bloemen zelve geschonden vlekjes
knippend, aandachtig. Ze keek naar 't horloge en merkte, op haar eigen
zakuurwerk, dat de wijzers voorliepen, en kwam die dan trage goed duwen,
met haren duim.
Goedele zei:
--Ja, moeder.
Ze blikte naar Seppie, 't japansche hondje, dat rondtrippelde, om
mevrouw Wilder's rokken, en nu subiet pal bleef en zijn plat snuitje
ophief naar heur en te kwispelen probeerde met zijnen langharigen
steert. Seppie snoof al eens en loerde zijwaarts, tuk op een zoetig
woord van Goedele of een vriendelijk gebaar. Hij kwam dan endelijk toch
aandrillen, ongeroepen en schuchter, en wreef zijn leelijk koppeken
tegen haren voet.
--Seppie maakt uw schoenen vuil met zijn tonge.
--Wat zou hij?
Ze wilde 't beestje vrij praten, en boog zich en streelde 't al
krabbelend achter zijne ooren. Ze zei dat het koes moest blijven en
braaf zijn en schoone manieren hebben, en was dan te wege weg naar de
keuken bij Marie om alles te schikken. Maar mevrouw Wilder gebaarde dat
zij wat wachten moest.
--Is vader in den lochting?
--'k Zag hem wandelen tusschen de palm-struiken.
--Wiezeken is ziek.
Goedele tort naderbij. Mevrouw Wilder zette zich neer en zuchtte diep,
en hare oogen werden droeve. En ze vroeg:
--Wist ge dat Wiezeken ziek is? Neen, moeder.
Ze staarde scherp naar Goedele en hief hare hand een endeken op. Seppie
keek nieuwsgierig toe, zijn tootje scheef draaiend ten teeken dat hij
luisterde.
--Ze hebben niet ommegezien. Ze zijn samengegaan. Ze hebben hun eigen in
't verderf gestort. Ze hebben mij miskend en hun eigen in 't verderf
gestort....
--U miskend....
--Ja.
Ze stond vluggelings rechte en tort naar heure dochter toe en neigde een
beetje, haren hals uitrekkend om te kunnen fluisteren tusschen hare
tanden:
--Zult gij ze verontschuldigen?... Zwijg!
En hare stemme zonk, laag wordend in holle tonen met kapotte
scandeering:
--Van zijn kindsbeen af heeft hij me danig centen gekost, hij.... Hij
was ziek, of hij kloeg dat hij ziek was. Daar zijn hier dokters geweest
met hoopen en op ons kosten hebben ze hun kwakzalverijen verkocht. Wat
heeft hij al niet gehad aan speelgoed en snuisterijen? Wel! Wel!... En
als hij dan een jongen was die endelijk op zijn pikkels staan kon, wat
heeft hij al niet gehad aan nuttelooze plezierkens? En hij ging ter
schole, en 't kostte allemaal. En hij ging naar de Universiteit ... ge
zult later weten wat het gekost heeft. En al die boeken waaruit hij
leeren leven zou? Wat heeft hij geleerd? Hij was ten langeleste
ingenieur. Ingenieur van wat? waar? wat zou het opbrengen? Wel! Wel! Het
heeft wat opgebracht! 't Is proper alzoo.... En daar zit hij nu, met een
slonse en met een kind.
Ze zweeg, haren mond toesnappend op het laatste woord, en ze ging bij 't
venster staan en kruiste hare armen over hare borst. Daar viel een bange
stilte in de kamer. Goedele leunde tegen 't klavier en hare vingeren
raakten overhand, bij maniere van onbewust spelen, de bovenrandjes van
een koperen kandeleer. Ze wist dat ze zwijgen moest als moeder van den
verloren broeder sprak, en ze had dergelijke uitvallen ook al zoo
dikwijls gehoord, dat het haar nu niet meer taakte en zij, maar liefst
die overdreven gramschap van zelf koelen of vallen liet. Ze zag echter
wel de diepte van moeder's koppige pijnen en ze vergaf haar gewillig een
slechtdadig woord om wille der oorzake, die toch een blijvende en
zeerdoende wonde was. Ze droeg daarom 't gewichte van deze
ongemakkelijke stilte met verduldigheid en voelde deernisse. Mevrouw
Wilder verliet het venster en ging nog een kanten doekje schoon leggen,
dat gefronst en ommegevouwd lag op 't schouwblad. Ze deed naderhand de
dresse open en toetste even de kristallen wijnbekers en een paar
sineesche potjes, alsof zij dat alles schikken moest. Seppie trippelde
in haren weg en ze fronste wrevelig hare wenkbrauwen, geweld doende om
hem niet buiten de deure te stampen. Een geborduurd kussen en lag,
volgens hare goesting, niet op zijn plaatse in een breeden leunstoel.
Ze moest het eens opslaan en zuiver leggen te midden, en een haarken
wegvingeren, dat er ievers vasthaperde.
De avond viel daarbinst. Schuinsche klaarten smeten rood uit op het
donkere wandpapier en speelden in aardige tinten langs een paar bronzen
maskers, die daar te grijnzen hingen. In een hoek kwam een straal noesch
leuterlichten over de randen van een bundel pauwpluimen, sierlijk zich
opendoende uit een groene vaas, heel lang en wonderbaar beklaterd met
gele en oranje vlekken. Hooger op, waar 't al diepe duisterde, blonk bij
plekken 't geschitter van oude wapens. Op den schoorsteen stond nog in
't helle licht het koperen horloge met zijn zonderlinge plate, en,
ernevens, twee hasseltsche potten, grove versierd en zwaar zittend op
hunnen monsterachtigen buik. Onderaan stond de stove. De weggaande dag
kletste tegen de schaterende roeden en ringen en talrijke ornamenten,
en rustte arets in de donkere holten, zorgelijk gepotlood.
Mevrouw Wilder's lippen vielen in een spijtige plooi neerwaarts, en ze
zei:
--Wel! Wel!
Ze sloot de dresse met den sleutel en schoof nog een lade open en haalde
er twee zilveren servetringen uit. Ze zette zich neer daarna en nam
zwijgend Seppie op haren schoot. En Seppie likte en streelde en legde
zijn oorkens, omdat hij 't zoo leutig vond. Hij rondde algauw zijnen
rugge en vleide zich neêre en sloeg met zijnen steert en gaf gedurig
vriendelijke stootjes met zijn voorhoofd, en hij was vies en liefelijk
tezelfdertijd. Mevrouw Wilder streek met hare hand over hem tot hij
bedaarde en stille bleef, en dan keek zij op naar Goedele. Toevallig
stieten hare blikken tegen Goedele's mijmerende oogen. Goedele rilde een
luttel stondeken en werd seffens verlegen, en mevrouw Wilder ook en was
op dat oogenblik van geen vasten wil. 't Was of zij meteen allebei
begrepen, allebei tastten hoeverre zij van mekaar verwijderd waren, en
dat zij wellicht nooit in zoete kommunie zouden bijeen komen om liefde
te voelen, hun warm vleesch te samen, hun lauwen asem te samen. 't Was
of ze de groeve voelden, die diep werd en breed werd en vreeslijk werd.
Ook, in een zelfde zicht en in een zelfden weemoed, zagen ze Romaan, den
broeder en den zoon, verworpen uit het huis, waar nu zijne plaats overal
een leegte was--want overal was zijne plaats....
Mevrouw Wilder rechtte haastig haar zwaar lijf. Ze werd de kriebeling
gewaar der naderende aandoening en ze had schrik daarvan. Ze vreesde
neer te storten in de zoelte van zwakke emoties en palstaande wilde ze
blijven. Alzeere bedwong zij met een vlugge, scherpe beredeneering de
dwaze kuren van haar moederlijk hert, en hare oogen werden, lijk te
voren, van rustig staal. Ze verliet de kamer, wendde zich halvelings
omme bij de deure en riep op Seppie, die schuchter-drummend aandrevelen
kwam. Ze tort echter na een stonde her binnen en lei hare hand op
Goedele's schouder. En ze zei:
--Wiezeken is ziek.
Hare stemme verloor eenigszins de gewone droogte, de scherpe kortheid.
Eene gemoedelijke klankwending wiegde er en brak er de nijpende kilte,
zoodat allengs een zoetigheid boven geraakte en streelend werd.
--Erg ziek....
--Erg ziek?
--Een ziekte in de kele, en zulke zijn de slimste.
Ze was innerlijk tevreden dat Goedele getroffen was, alsof ze eerst
gedacht had dat het nieuws weinig of geen belangstelling zou opwekken
bij hare dochter. Een oogenblik kwam haar herte vol.
--Het dutseken, fluisterde ze.
--Ja, zei Goedele.
--Ik hebbe ook veel triestigheid beleden met Romaan, als hij daar
machteloos te hoesten lag in zijn wiegsken.
Heel dat steenen gebouw, die granieten ziele smolt meteen tot een natte
aandoening weg.
--Ik weet wel, Goedele, wat een nacht is, een slapelooze stilte bij een
kind, dat men met aaiïngen maar niet helpen kan ... Romaan is uw broer.
Goedele keek op naar heur, met verwondering, niet wetende wat ze zeggen
wou en zoekende naar heure oogen om te weten. Maar die oogen staarden,
halfbeloken, naar de granaatbloemen van het tapijt.
--'t Ware goed, als er iemand ging ... als gij gingt....
--Ja ... ja ...
--'t En is niet verre, in 't lage van de stad....
Goedele vatte heure hand, toch rijzekens verschrikt dat die aldoor koud
was gebleven. En te wege was zij te weenen van vreugde, omdat moeder op
een ende toch bedaard was, toch goed was geworden voor haren jongen, die
nu lijden moest--en omdat moeder een deugdelijk woord had gezeid, een
zacht woord van liefde. Ze omvatte moeder's breede vingeren en drukte ze
koortsig, en haar hoofd zeeg voorover en hare wimpers werden heet. Maar
als zij dan moeders oogen zag, blank en puntig, en merkte hoe niet de
minste altratie te speuren was op dit roerloos gelaat, niet de minste
verandering in de hardheid van die vaste wangen, niet een trillend
zierken in de rechte plooi van dien drogen mond, voelde zij zich
gekwetst en ze week permintelijk, instinktmatig, beschaamd omdat zij
zich alzoo bijkans overgaf.
Mevrouw Wilder lei een bankbriefken van twintig frank op de tafel,
zeggende dat Goedele er zorg moest van hebben en 't niet nutteloos
verkwisten en 't maar geven aan Romaan ten uiterste, indien het
waarachtig noodig was.
--'t Kan ook gebeuren dat het niet noodig en is.
Ze verdween, bijna onhoorbaar tertend, en zonder ommezien. En Goedele
zonk trage neer op een stoel, geknakt, gebroken in hare hooghertigheid,
wel wetende nu dat moeder niet edel wilde zijn, niet zachtmoedig wilde
zijn. Ze zat zich af te vragen wat dan in moeder oorzake was van hare
medelijdende woorden, en zij en vond geen uitlegginge om moeders
inzichten te verklaren. Beteuterd tuurde ze naar 't papieren geld, dat
tegenwoordig, ook in haren geest, zoo'n groote beteekenis kreeg.
Moeder's vingeren, daar neerduwend dat vierkante ding, en 't openvouwend
met zorgvuldigheid, en 't naderhand nog een wijlken overstreelend--'t
bleef in haar geheugen een vastgespijkerd beeld. En ze dacht aan
Romaan's spijtige geschiedenis, aan zijn vlucht met Madeleen en aan
moeder's gramschap. En ze dacht aan Sebastiaan en aan zijn goede liefde.
En aan zijn geld.
--Sebastiaan heeft geld.
't Stond haar nu klaar voor, en Sebastiaan kreeg een ander gedaante, en
ze meende nu dat zij hem liefhebben moest, als zelf zij hem in
werkelijkheid niet liefhebben kon. Tegen de rotse van moeders wil zou
zij tevergeefs horten. En moeders minzaamheid voor Sebastiaan steunde op
geld; ze had er de zuivere, de stipte vizie van in 't beeld van moeders
werkzame vingeren, streelend gaande om dat kostbaar briefelken. Maar
Sebastiaan's liefde was oprecht. En ook zij was Sebastiaan genegen.
--We zullen gelukkig zijn.
En ze ging te lore in kalme droomen van stille huiselijkheid, haar eigen
zettend bij 't vredig gefonkel van een duurbaren heerd en er luisterend
naar wisselvallige gepeinzen.
* * * * *
II
Rik Derboven, mevrouw Wilder haar vader, was een visscher van de
Noordzee. Indertijd was hij doodarm. Hij trouwde met een meisen van zijn
prochie, een struisch wijf, die hem zes dochters gaf. Hij labeurde er
voor, dag in dag uit, zich nievers een stonde rustigheid verleenend,
nooit vermoeid en nooit ontmoedigd. 't Was een zwijgende vent met diepe
inzichten, een steenen wil, een stugge kop, met koppigheid alles
doordrijvend. Hij en wankelde noch en keerde; hij rukte met neerstige
hardnekkigheid vooruit, hij en zag geen hinderpaal in 't belang van
andere, hij zag alleen zijn doel. 's Avonds in den late, als hij een
wijlken zich neerzette bij de stove, na den eten, was hij aldoor
verdiept in verre combinaties en keek hij in den rook van zijne pijp
naar de mogelijkheid van wijd-reikende oplossingen. Men mocht hem
binstdien niet lastig vallen. De kinderen moesten te bedde liggen en
moeder moest voorzichtig te werke gaan met hare schotels en haren
avondkuisch. Hij bleef altemets in de donkerte een heel deel van den
nacht, zoo zitten en denken. Hij luisterde dan naar gindsche roerende
zee en zijn gepeins werd machtig. Aldus timmerde hij zijne stille
plannen op, al bouwend en metsend en afbrekend en herdoende 't gansche
idee op eene andere manier. Hij wilde dan tot eene waarschijnlijkheid
geraken en ging niet slapen eer hij die vaste kreeg. Hij en schrikte
voor geen kwade daad, hij en week maar voor den dood. Over een lijk heen
zou hij niet terten. Anderszins wist hij dat hij in staat was tot alles,
wat niet en docht, en brave menschen aanzag hij voor domkoppen. Hij was
overal aanwezig, waar er wat aan zijne vingeren kon blijven haperen. Hij
richtte kleine muiterijen in, onder de visschers, hij hitste de kerels
op met woorden van haat en woorden van deernisse; hij sprak van
bloedhonden en hertevreters, en hij stiet met zijn vollen nijd tegen 't
hoofd zijner makkers, voortdurend kloppend tot ze op een ende daar
gloeiend stonden, koortsig en razend, met veerdige handen. En als 't dan
op een mislukte dolheid uitliep, was er toch éen, die zanten kwam, een
die achterwaarts stond en wachtte, en naderhand 't profijt wegdroeg; en
dat was Rik. Zoo stegen allengs zijne zaken. Hij kocht een boot. Hij
kocht er twee. Hij deed smokkelreisjes, bracht vreemd goed in het land,
bedroog en werd welvarend.
Maar thuis sloeg hem de kans tegen. Een voor éen stierven vijf zijner
dochters aan een zonderlinge hertziekte, die hen met schokjes wegdreef,
in min dan drij jaren. Twee jaar nadien, ook onder de zelfde kwale
lijdend, werd zijne vrouw door eene geraaktheid getroffen. Ze bleef zes
maanden te bedde liggen en sukkelde er en wou, op een voornoene,
redeloos opstaan. Rik was aan het strand. Hij vond bij zijn thuiskomste
zijn wijf temidden van den vloer liggen; twee streepkens bloed liepen
over hare lippen en een paternoster strengelde om hare vingeren. Naast
moeder lag Ursule, het laatste dochterken, flauw asemend en buiten
kennisse....
Rik bleef nu met Ursule alleene. Hij en wilde niet hertrouwen. 't Zou
zoo wel gaan. Ursule was toen dertien jaar oud. Hij leerde haar het
huishouden, en na korten tijd, deed zij 't gansche werk. Het kind
groeide alzoo op tot een stevige deerne en geen moeite was haar te
zwaar. Ze begreep--al zei vader niets van zijne geheime doelen,
--waarnaar de minste inzichten streven moesten. En ze was spaarzaam, en
ze zwoegde, en ze werd sterk en groot in haar rusteloos slameur. Alle
avonden liet Rik het lamplichtje laag komen over de tafel en hij
verklaarde haar het spel der cijfers, de moeielijkste rekenkunde, tot
den nacht tellend en hertellend en alles neerschrijvend te rote, met
stipte nauwkeurigheid. Dat duurde tot haar twintigste jaar. Dan verkocht
hij het armzalige huizeken, het dagelijksch gerief, de meubelen; dan
verkocht hij zijne booten.... En ze trokken naar de stad en openden er
een specerijwinkel. Er werd opnieuw gesmokkeld en gekonkelfoesd. De
waren kwamen aan van tallenkant. Rik had alles meesterlijk geschikt.
Maar Ursule allengerhand werd sterker dan haar vader. Ze speculeerde met
meer vernuft en meer zekerheid ook. Ze bedroog hem en bewees het, en zoo
ontstond bij hem eene pijnlijke angstvalligheid. Hij werd nu zwak en
wankte in zijne minste ondernemingen. De zaken werden ook stilaan zoo
geweldig vooruitgestooten, dat hij 't niet volhouden kon en meende te
verongelukken. Dan bleef hem alleen nog over teenemaal op Ursule te
berusten. En Ursule werd groote meesteresse in huis. Na vijf jaar was de
specerijwinkel een aanzienlijke koffiehandel geworden.
Omtrent dien tijd ontmoette zij Albien Wilder, een jongen van rijke
familie, bevoordeeligd ambtenaar bij 't Ministerie van Binnenlandsche
Zaken. Dagelijks moest hij de hooge poorten der magazijnen voorbij en
dikwijls bemerkte hij Ursule, daar staande in hare volle lengte, breed
en statig. Al dadelijk werd hij door dat struische wijf veroverd. Hij
liet zich door een beursman aan den vader voorstellen. Van weerskanten
werd er gewikt en berekend en uitgeteld, en zeven maand nadien trouwde
Ursule met hem.
't En bracht niet veel verandering in huis. Albien was van nature een
zwakkeling, en algauw lag hij onder Ursule's stalen wil en ging en
handelde naar heure wenken. De koffiehandel, nog door Wilder's kapitalen
gespijst, breidde zich meer en meer uit en werd eene machtige
inrichting. Ursule was nu rijk. Maar niets kreeg een gewijzigd uitzicht
in haar leven: ze wrocht en zwoegde, nievers tijd vindend om haren
rijkdom te bezigen tot eigen genot. Geld winnen was overigens hare
eenige vreugde; rijzekens had ze deugd aan hare moederschap--ze was
moeder van een zoon, dien ze Romaan heette, naar den naam van Albien's
overleden vader. En Albien zelve gewende zich aan die eentonige dagen.
Hij trok 's uchtends naar zijn bureel en kwam 's avonds terug en nam
zijn zuinig maal in de koude eetkamer. Allengs smolt ook zijn ideaal met
Ursule's doelen saam: ze moesten geld verzamelen. Rik sprak bij stonden
ervan:
--We zullen 't ophoopen in stapelkens en nevenseen zetten en 't
bekijken.
't En scheen hem niet belachelijk. 't Waren in zijn meeninge heerlijke
plannen geworden. En gedrijen spaarden ze.
Romaan werd door allerlei ziekten aangetast, vier jaar te rote. Ursule
had het heel druk met de dokters, die zij den eenen na de anderen
wegstuurde. Ze waakte lange nachten bij haar kind en bad dat het genezen
zou. Ze toonde zich, gedurende dien tijd, heel vroom en heel
vreesachtig. De dokters mochten niet meer in huis komen. Ze wilde alleen
op God berusten--halvelings omdat het haar goedkooper viel, halvelings
ook omdat zij in de wetenschap geen het minste vertrouwen had. Romaan
kwam langzaam alle ziekten te boven en werd een droomerig jongetje.
Hij was zes jaar oud, als Goedele geboren werd. Goedele was veel
sterker. De kleinen groeiden op in een killig geluchte. Zij en voelden
nievers de zoetigheid van liefderijke wezens; ze liepen beteuterd en te
lore in hunne jeugd en benijdden ter schole de vriendelijkheid hunner
makkers. Ze zouden echter de bane niet volgen, welke moeder hun door
haar voorbeeld en hare woorden voorschreef, en deze ouders, welke
gedurig en uitsluitend tuk waren op een peute geld, kregen kwistige
kinderen. Romaan, als hij op de universiteit leerde, miek schulden.
Ursule, die meer hechtte aan eenen goeden name dan aan eene eerlijke
ziel, betaalde, maar ze hield naderhand den jongen zoo nauw dat hij
haast niet meer met vrijheid denken kon. Zoo werd hij een zwijgende
opstandeling. Het leven werd hem bitter. Hij droomde mee met
Schopenhauer, wiens boeken hij met razernije verslond. De maatschappije
scheen hem eene verschrikkelijke onrechtveerdigheid, waar de goeden tot
blijvend leed verdoemd waren. Zijn hoofd was vol met utopische
hervormingen--alles moest omgegooid en heropgebouwd worden: de standen,
het huwelijk, de familie. Wat bestond, was slecht, was vort, was
misdadig. 't Zicht der rijken folterde hem.
In een kleine steeg, bezijden de Hoogeschool, woonde een arme weeze met
hare tante. Daar verliefde hij op. Dagelijks trok hij het huizeken
binnen, waar 't meisje te borduren zat. Ze maakte schoone bonte bloemen
met zijden draad en hij had leute met hare liefelijke vingeren--hoe die
met de naaide ieverig waren en hoe daaronder de teekening djentig
zichtbaar werd. Het meisje heette Madeleen en die oude grijze daar, zoo
mager en zoo roereloos, heette tante Olympe. Hij voelde hier warmte.
Hij rookte hier pijpen en keek langs smalle vensterruiten naar de varende
wolken. Hij was hier wel.
--Madeleen....
En ze wendde naar hem hare blauwe kijkers en lachtte even of knikte met
zachte buigingen, bij maniere van gelukkig-zijn. Er zong iets in hem.
Hij lachtte tegen. Ze waren seffens takkoord.
Maar dan begonnen de leelijke dagen. Hij ging alles aan moeder bekennen
op een avond. Hij wilde trouwen.
--Met wie?
Ursule sprong naar hem toe, en vatte zijne armen, en knelde die
onbarmhertig in hare koortsige handen.
--Met wie?
Hij moest het herhalen, hij moest het tot drijmaal toe herhalen. Ze
schoot seffens uit in een schaterlach, een wreed geklater, dat tegen de
naakte muren plofte met vreeslijk lawaai. Ze liet hem los en kruiste
hare armen over hare borst, en ze zwaaide hem dan in 't aangezicht dat
het een slonse was zonder zedige manieren.
--Een ploerte!
Romaan rechtte zijn hoofd. Het deed hem zoo'n zeer wat moeder zei, maar
nu had ze hem op het herte geslagen. Hij werd hard en hij werd koppig.
Drij dagen bleef hij op zijne kamer zitten. Goedele bracht hem eten en
kuste hem. Hij weende bij Goedele, en het was hem een goede troost.
Den vierden dag ging hij vader aanspreken. Albien was verschrikt, en
hakkelde, en voelde zich wegzinken zonder den steun van Ursule's
sterkte. Hij probeerde toornig te zijn; hij was alleen toornig, omdat
hij Ursule vreesde. Hij riep:
--Weg, loop weg!
Hij liep hem nadien zelf achterna, al stamelend dat er wel een oplossing
te vinden zou zijn.
--Allo, jongen, allo....
Maar Ursule bleef onverbiddelijk, en den vijfden dag verliet Romaan
zijne ouders. 't Was den vijfden dag.
Hoe struisch Ursule ook was, 't knakte haar en ze werd ziek. Een volle
weke lag ze te bedde, zuchtend en zich ommewerpend. Voor de eerste maal
van haar leven wist ze geen besluit te nemen. Zij en wilde hem niet
laten trouwen, zij en wilde geen geld geven aan die vreemde kerte. Ze
fluisterde, al kijkend naar de zoldering, heel wijd:
--Geen geld....
Maar ze wilde ook Romaan niet kwijt zijn. Ze verwonderde zich dat ze
hield van hem, na al zijn leelijke doening. En ze hield van hem. En
daarom zou hij trouwen met een rijke juffrouw. Hij was ook rijk. Het
idee dat hij nu toch met die ellendige loete trouwen zou, deed haar
het oogenblik daarna terug raaskallen. En ze bekeek de zoldering met
wijd-open oogen.
--Geen geld....
Ze meende endelijk een oplossing gevonden te hebben, en ze genas. Ze
schreef aan Madeleen dat ze komen moest. Madeleen en kwam niet. Ze
schreef opnieuw. Ze zou Madeleen omkoopen, haar eene ronde somme geven,
als ze Romaan loslaten wou. En Madeleen en antwoordde niet. Ze begon
weer te wanhopen en te klagen, en moest weer een paar dagen neerliggen.
Rik kon haar opbeuren. Hij verzekerde haar dat het allemaal jeugdige
zotternijen waren, en dat die vuurkens fluks uitvlammen zouden. Hij wist
dat de jongen en 't meisje tegenwoordig ongehuwd reeds samenleefden op
eene gemeubeleerde kamer, en die tortelliefde zou haren gang gaan, en
naderhand zou Romaan boetveerdig terug keeren.
--Ze zullen trouwen....
--Zij en zullen niet trouwen.
Waarom zouden ze trouwen? Ze hadden zoo al hun volle pleizier.
--De plodde zal aandringen....
--Zij en doet.
Hij sprak kort. Ze herwon een beetje betrouwen en liet zich genezen.
Maar zij en kon sindsdien niet ten volle meer hare zaken bewerken. Al
hoopte ze stilaan dat Romaan de meid ten langeleste verlaten zou, ze
bleef bij haarzelve klagen over 't verlies van haren zoon, en de handel
leed door hare dagelijksche onachtzaamheden. Albien, die 't wel merkte,
stelde schuchter voor het huis aan een opvolger over te laten. Ze wilde
hier echter niets van hooren, en werd buitengewoon ieverig.
--Denk niet meer aan hem, zei Albien, die er gestadig aan dacht.
--Ja, zei Ursule.
En ze dacht aan hem. Ze deed hem beloeren. Ze stuurde ook altemets
Goedele, en vernam aldus dat Romaan in waarheid ongehuwd bleef en
gemeenzaam leefde met Madeleen en tante Olympe. Hij had ook altijd
gesproken van vrije liefde en nieuwe zeden. Zij was nu tevreden, omdat
hij die dwaze gedachten behouden had. Ze kreeg verder te wete dat hij
als ingenieur aan een bronsfabriek verbonden was, en het stilde haar in
hare moederlijke bezorgdheid; hoe danig zij ook deze bezorgdheid met
sterke beredeneeringen wilde versmooren, zij was bezorgd, tegen wil en
dank zich moeder voelende.
Een nieuw voorval wierp haar ten derde male te bed. Madeleen beviel van
een dochterken. Meteen verzonk haar laatste hoop, want ze wist dat
Romaan nu voor altijd vastegeklonken lag. Ze wilde Rik's noch Albien's
troost ontvangen en Goedele ook moest verwijderd blijven. Van dien dag
af begon de koffiehandel te slabakken. Er ontstonden onlusten onder de
werklieden, en kleine muiterijen maakten Ursule en vooral Rik uitermatig
benauwd. Toevallig konden ze, ver beneden de weerde, het huis koopen van
een gevallen edelman, in een rijkemanswijk der stad. Ursule verkocht
haren handel en nu gingen ze rentenieren. Albien zou voortwerken op zijn
bureel. 't En deerde hem niet te vele, en 't bracht schoon geld op.
De nieuwe woonste was prontelijk gelegen, boven de stedelijke warande,
en over de breede vaart. 't Was een groot hotel, met, achterwaarts, een
heerlijk park en een lochting vol bloemen. Aangename breede wegels
liepen erlangs, allen saamkomend op een open terras, waar 't in den
zomer krioelde van gloeiende of klaterende rozen. Het huis zelve was een
vierkante massa met gelijke vensters. Talloos waren de kamers. Ursule
achtte het nutteloos alles te meubeleeren. Ze had zich het huis voor
eigen genot niet aangeworven: 't Was meer weerd dan 't geld dat zij er
aan besteed had, en zij en zou al die kamers niet nutteloos gebruiken.
Zoo bleven er een groot aantal leeg en vele luiken werden nooit
ontsloten. Dat gaf aan deze woning een doodsch en akelig uitzicht en na
enkele maanden verwierf zij ook in den geest der naburige menschen een
geheimzinnige beteekenisse. Drijmaal daags zagen zij 't zware hekken
opengaan: in den vroegen morgen, als Albien traagtrippelend naar 't
Ministerie trok, later, omtrent tien uren, als Marie, de dienstmeid naar
de markt moest, en 's avonds nog, als Albien terugkeerde. 's Zondags,
bij de eerste uchtendure, gingen Ursule en Rik naar de kerke. Dichte te
noentijd was 't de beurt van Goedele en haar vader. Zoo was de gewone
gang gedurende vier jaren en heel zelden werd er eene verandering aan
toegebracht. De menschen babbelden ondereen.
--'t Is een spokige femilie, zeiden ze.
En ze pinkoogden of plooiden hun lippen heimelijk, gebarende daarmede
dat hier een wonderbare historie onder schuilen moest....
* * * * *
Albien wandelde, te herfstevesperure, in den hof. Hij was nu een oud
ventje geworden, met grijze krulharen om een rondbollig, rood gezichte.
Hij snuffelde den lochting rond, met zijne diepe oogskens wroetelend
links en rechts. Alhier rechtte hij een gebroken stengel, aldaar kneep
hij een dorre bloem weg, alles in profijtelijke doening met voorzichtige
vingeren betastend en bestreelend. Altemets maakte hij zijn eigen lastig
om een vertrapt plantsoen, maar zoetig was zijne ongedurigheid en dan
liep hij verder al mummelend:
--Tet-tet-tet....
Hij tort de wegels langzaam plat, kon nievers een papierken zien liggen
en dook seffens de minste onregelmatigheid. Hij wilde alles in gelijke
effenheid zien schoon wezen. De palmboomen moesten zorgelijk gesnoeid en
gekapt worden, de graspleinen vlak gemaaid. Hij had deugd als niets meer
buitensporig was, en liet zich daarna wat rusten op een der groene
banken. Van daar bewonderde hij den tuin, volgde met liefde de sierlijke
vaart der baantjes, de plezierige reke zonnebloemplanten, de kleine
wilgen met zilveren tronk, en alginds het hooge gebladerte, rossig,
bruin, gloeiend en geel. Hij pinkte af en toe een kruideken of een
stofken van zijn bruine veste, en lei bij tijden een plooi rechtte in de
vouw van zijn knie. Vervolgens trok hij voorzichtig een boeksken uit
zijn zak en zette zich te lezen. Albien was een zwakke geest, geleid
door allerlei manieën. Op zijn bureel was hij een niet-denkend mensch,
een weerlooze schakel in de administratieve keten. Hij ging gewillig met
de omstandigheden mee, zonder die te bespreken; hij bekampte ze in elk
geval nooit. Zijn leven was zonder passie. Hij stortte maandelijks al
het geld, dat hij won in de handen van Ursule, die altijd stiptelijk
naging of de afkortingen voor de pensioenkas goed berekend waren. Hij
hield geen duit achter. Hij kreeg van Ursule alle weken éen frank, en
hij meende dat hij ook niet meer noodig had. Hij kocht daarmee altemets
een dagblad, altemets een pakje nieuw zaad voor den lochting, meermaals
echter een vijfcentenboekje. Die boekjes lagen in een klein winkelken
van de benedenstad te koop achter de ruiten. Hij bleef eerst lang vóor
't raam staan eer hij binnenging. Hij moest ze allemaal eerst
buitenwaarts bekijken, en de titels lezen en in zijnen geest dan
vergelijken, om endelijk goed te weten wat hij nemen zou. 't Waren
raadselboekjes, boekjes met charaden, met goocheltoeren, met
wonderzottigheden.
Hij verkoos over 't algemeen de goocheltoeren of het stekjesleggen, en
dergelijke, waar hij zich tot laat in den avond mee kon bezighouden.
Verhalen en dwaze perten, daar hield hij minder van.
--Onnoozele dingetjes, zei hij.
Hij peinsde dat hij een "vinder" was. Hij kon uren en uren nadenken over
de oplossing van een raadsel. Achteraan in het boekje stonden de
oplossingen gezamenlijk gedrukt, maar hij zocht eerst minstens een dag
of drije eer hij 't opgaf. Dan was hij moedeloos. Hij beweerde dat de
vraag onduidelijk gesteld werd, en achtte zich daarom slechts half
overwonnen.
Hij was nu een boekje over het dominospel aan 't lezen. Hij doordacht
het en herdraaide in zijn hoofd de zinnen. Met een droog takje begon hij
naderhand op den grond teekeningen te scharten--al vierkantjes en halve
vierkantjes. Hij bezag dan dat ruitwerk met gedwongen aandacht, herlas
enkele regels van 't boekje, was weer aan 't kijken en 't wrijven en 't
teekenen.
--Dobbel zesse hier....
Hij was opnieuw bezig.
--Dobbel vijf aldaar....
Hij hief zijn voeten op om plaatse te maken en moest nadien toch
heelemaal op de bank kruipen om zijn beenen uit den weg te krijgen.
Zoo zat hij te raden en te rekenen en te kijven met het boekje of met
zijn eigen vorig idee....
Er werd gebeld en Marie deed het hooge hekken open. Albien zag
Sebastiaan Vrebos door de voorzichtige splete te voorschijn komen,
en hij vouwde fluks zijn blaarkens bijeen om hem vóor te loopen.
--Wel! wie dat er dáar is!
Hij was in den grond wel niet erg met die komste ingenomen. Hij meende
zijn verveling door overdreven wellekomwoorden te moeten verbergen.
--Mijn arme jongen, die zoo verre geweest zijt....
Hij nam hem een pakje af en nog een pakje. Hij vatte hem bij den arm.
--En nu danig vermoeid zijt, zeker danig vermoeid zijt.....
Daarbinst viel 't ijzeren hekken met zijn bekend geruchte toe, achter
hem.
--Niet zoo erg toch, beste heer, lachte Sebastiaan.
--Och!... en Goedele zal zóo tevreden zijn. Ze was ook dagelijks bezig
over u, het brave kind. Ei! dat zal hier een aardige avond zijn.
Hij dacht nu aan het soepee. Ursule zou wat goeds gereed maken bij deze
gelegenheid, en daarvan zou hij evengoed als Rik misbruik maken. De
gewone eetmalen waren ook zoo erg gewoon, zoo eender tevens en zoo grof.
Als Sebastiaan thuis kwam werden ze beter verzorgd en kwam er bovendien
nog een lekker extra bij. Dat bracht hem in zijn schik.
--En hoe liep de reis af? Wat een heerlijk land moet het zijn ginder!
--In de reden, ja--maar het land heb ik juist niet veel bekeken.
--Al bergen en stroomen, meen ik?
--Veel bergen....
--Och!... en daar zult ge ons aan tafel van vertellen.... Wel Djeezes!
als ik nu bedenk dat ik oud ben, en niets hebbe gezien! 't Zijn dingen,
't zijn dingen!
Hij trok hem mee naar het terras. Sebastiaan kende die manieren. Ze
walgden hem voor 't meerendeel; hij deed evenwel zijn best om zich
buiten bereik te houden en liet dan liefst een onbeduidend vriendelijk
lachje op zijne lippen versteenen, bij wijze van antwoord. Hij kon de
familie Wilder moeielijk lijden--Goedele toch had hij innig lief, en
haar schoon gelaat, daar berustte hij in, en het troostte hem over 't
valsche gezwets, dat hem gedurig krenkte.
Op het terras stonden Ursule en de stokoude Rik. Ursule ontving hem met
open aangezicht en een streelenden blik.
--Welkom, mijn vriend.
--Hertelijk dank, mevrouw.
Hij drukte hare hand en de koude vingeren van grootvader. Hij zei een
reke vage woorden, binst dat Marie hem van zijn overjas en zijn hoed
ontlastte.
--De jongen heeft bergen gezien, riep Albien.
--O ja....
Ze omringden hem en vielen hem lastig met allerlei zoetigheidjes. Hij
had een ivoren kistje medegebracht voor mevrouw Wilder en een heel
wonderbaar gedoe voor mijnheer Wilder--een Zwitsersch huizeken,
teenemaal gemachineerd, met een kleppend horloge en een beiaardspel en
twee werkende figuurtjes--en nog een zilveren snuifdooze voor den ouden
heer. Ze moesten alles dadelijk bezien en bewonderen, en hunne
dankbaarheid in breede geuten uitwerpen. En Ursule zei:
--Dat moest ge nu toch niet gedaan hebben.... Ze betastte haar kistje en
beloerde de zilveren dooze van Rik. En Rik sprak met een lage stem, die
ook zich liefelijk te wenden probeerde:
--Ja, dat moest ge nu toch niet gedaan hebben.... Hij had liever een
zwaarder dooze gekregen, maar hij keek zijne oogen algelijk zat op het
schitterend geflikker der ciseleeringen van het deksel.
--'t Is een kunstwerk.
Hij woog het in zijne ervaren handen.
Na een stonde kwam Goedele staan in de opening der deur. De noesche
avondzonne straalde open langs haar lichtbruine kleed en teekende er
gloeiende plooien. Haar gelaat klaarde zonderling op uit de donkere
diepte der kamer, achter heur. Ze keek naar Sebastiaan en een flauwe
glimlach krulde om haren mond, maar hare oogen hadden verre blikken,
verwijd in stille droefenis. Sebastiaan boog zijn lijf naar haar, en
deed een stap voorwaarts, en hief trage en bekoorlijk zijne armen op.
--Goeienavond, Goedele.
Hij voelde zijn herte weggaan van hem. Hij voelde zich leeg worden en
pluimlichte. Hij omvatte in de stille straling zijner liefde deze vrouw,
die groot en schoon en beminnelijk was.
Zonder haaste en zonder drift, met eene zachte moeheid in de stem, zond
ook Goedele hem haren groet.
* * * * *
III
Als mijnheer en mevrouw Devleeschhouwer, en hunne dochter, juffrouw
Bella, en Alfred hun zoontje waren aangekomen, ging men aan tafel
zitten. 't Was eerst een lustig gepraat ondereen, een wederzijdsch
complimenteeren dat wegvlood in luttele woordekens, met lachjes erlangs.
--Wel, mijnheer Vrebos, schetterde het nooit moede stemmeken van
juffrouw Bella, wel, mijn goede heer, hoe zonnig ook het verre land is,
hoe zonnig toch is 't huis waar verlangende herten wachten....
Ze loerde daarbinst naar Goedele met liefelijke blikken, en draaide
haastig omme haar ongedurig lijf en gilde:
--Oh! l'amour!
Elkendeen had zijn aangewezen plaats in de eetzaal. Men zette zich neer
en frommelde de servetten open, naderhand met luie vingeren de vork of
den lepel takend, die bij poozen alzoo te rinkelen begon. Mijnheer
Wilder vroeg met groote belangstelling aan Alfred hoe 't nu zou afloopen
met het najaarsexamen. De jongen was blijkbaar met deze vraag niet erg
ingenomen, en antwoordde al blozend dat hem de uitslag wel gunstig
toescheen.
--De jongens hebben het tegenwoordig zoo druk met het leeren, zei
mevrouw Devleeschhouwer.
Het was ook de meening van mijnheer Wilder.
--Wat zullen ze nu al uitsteken met hun Grieksch en hun Latijn?
Maar mijnheer Devleeschhouwer vond het uitstekend, dat men zonder
deernisse in de athenaea met de leerlingen omging.
--Dat hebben de kerels van doen.
Hij rondde zijnen buik om gewicht te geven aan zijn gezegde en liet de
gouden ketting rotelen, die er als een vloek op te klateren hing.
Mijnheer Wilder was een dik mensch met enge schouders en een uitermatig
hoofd, kaal en zijpelend onder het gaslicht. Hij krulde alle uchtends
zijne rosse knevels met een warm ijzer, zoodat die gedurig triomfelijk
ommebogen en met een scherp puntje rechtkwamen. Te midden zijne vettige
kin vlekte daar zijn bokkebaardje, een donker hoeksken. Hij Wilde er
martiaal uitzien en deed zijn best om zijn lomp hoofd naar een
officiersmodel te scheren. Mijnheer Devleeschhouwer was een man met een
gemist ideaal, daarom ook een diep-ongelukkig wezen. Hij drukte nog
dikwijls zijne spijt uit daaromtrent en deed het altijd met zoo 'n lage,
droeve stemme, dat men algauw beseffen kon hoe danig hij gekrenkt,
geknakt, gebroken was erdoor.
--Ik en hebbe naar 't gebod der Voorzienigheid niet geluisterd, zei hij.
't Gebod der Voorzienigheid, zoo heette hij zijne roeping. Hij werd,
meende hij, voor den degen geboren, tot meerder heil van zijn vaderland
en van zijn vorst. Maar hij had naar 't gebod niet geluisterd; hij had
zelfs in de burgerwacht zijne kans voorbij gekeken. En nu was hij oud.
Nu was het te late. In de burgerwacht, door onlangs gestemde wetten
heromgewerkt, zou hij nooit binnengeraken. Zijn troost berustte
sindsdien op een militair uiterlijke, dat hij bijna verkrijgen kon, dank
zij een gestadige aandacht, een koppige inachtneming. Hij droeg schoenen
met hooge hielen. Hij gaf jaarlijks een rond sommetje om eerevoorzitter
van een oud-korporalenkring te blijven. Zijne kravatspelde was een
gouden kanon met allerliefste diamanten wielkens. Hij had een breeden
ring met een miniature van Leopold I, en binnenwaarts had hij er in
gothische lettertjes doen graveeren: "Pour Dieu, pour le Roi et pour la
Patrie."
Hij sprak grof en probeerde altemets brutaal te zijn.
--Wel--Heere, zei mevrouw Devleeschhouwer, ge vindt het hier aan tafel
wel goed dat men de kinderen afbeult ter schole, en als de jongen
hoofdpijn heeft, zijt-de al seffens zelve aan het janken....
--Eulalie! berispte mijnheer Devleeschhouwer.
Hij en noemde in gezelschap maar ten uiterste zijne vrouw bij haren
voornaam. Zij en mocht hem in zijne weerdigheid niet kwetsen. Maar
Eulalie was een zeer lichtzinnig oud wijveken, met een bijtend karakter
en sluwe manieren. Zij heette haren vent kortaf Nestor. Hij ware
gelukkig geweest, als zij hem op soirée had willen aanspreken met een
deftig "mijnheer Devleeschhouwer".
--Mijn advies is ook dat men streng moet zijn, sprak Rik.
Hij wendde zijne oogen zijwaarts op naar Ursule. Geheel zijn glad,
vierkantig aangezicht lijnde omlage naar 't puntje van zijnen neus, en
zijn tonge sleerde tweemaal overentweer langs zijne droge lippen. Omdat
Ursule zijn gezegde met ruste liet, hief hij met een schokje zijn hoofd
omhooge en zijn mond viel open in een hatelijken grijns:
--Wat een woord niet taken wil, taakt de zweepe!
Ursule zei:
--Vader, ge moet zachte zijn....
Hij droop haast weg in zijnen stoel en bleef er koes ineengedrongen,
endelijk toch schokschouderend en zijn kinne met een koppigen ruk
opduwend. Bella bracht het gesprek op een ander onderwerp, en vroeg,
zoeterig lachend, aan Goedele of Sebastiaan nu wat van zijn reis
vertellen mocht.
--Dwing hem met uw lieve handjes.
Ze schetterde en vond hare eigen woorden dol leuterig, en gilde in een
lachbui:
--Ma chère!
Marie bracht de soep, die al zeere op de tafel, in elkendeens schotel,
te dampen stond. De lepels begonnen hun tsinkelend zilverspel en
schervelden langs de gladde tellooren met wrijvende geluiden. Sebastiaan
boog zich over tafel en zijne linkerhand deed al wuivend een stil
gebaar:
--Laat juffrouw Bella maar bedaren--ze krijgt wel wat praats, als ze mij
hierom genegen is.
--Een beetje soep nog? vroeg mevrouw Devleeschhouwer.
--Wel ja, wel ja, zei Albien.
Goedele at langzaam en was precies zoo heinde en verre met hare
gedachten. Ze keek altemets naar een schitterende lichtvlek op den
spiegel, en bleef er dan staren, alsof ze geerne zich geleidelijk liet
wegvaren in gaande gepeinzen. Sebastiaan keerde zijne oogen naar heur.
Ze voelde meteen den toets zijner blikken en was seffens verlegen, even
glimlachend om vriendelijk te zijn. Hij werd ook hare verwijderingen
gewaar en fluisterde haar af en toe een onbeduidend woord toe, bij
manier van haar terug te roepen, haar bij te houden, dichterbij.
--Waaraan denkt ge?
--Aan niets, mijn vriend....
--Goedele is nooit zonder gedachten.
--Ik bekeek die bloemen....
Hij vond nu ook die bloemen leelijk, monsterachtig. Goedele lachte,
omdat hij zelve ze besteld had. Hij bleef bij zijne meening, dat het
afgrijselijke wangedrochten leken, en dan, al waren ze in waarheid
schoone....
--Ze zijn ondankbaar, zei hij, als ze u wegrukken van mij.
Mevrouw Devleeschhouwer, die naast mijnheer Wilder zat, was druk bezig
met hem over zuinigheid en gulzigheid. Dat was gekomen naar aanleiding
van Alfred's ongemakkelijke doening. Alfred at met ongemeene
schuchterheid, al langetandend en muilkens makend. Aldoor loerde hij
naar Goedele en bouwde in zijn geest romantische toestanden, waar hij
den held en zij de heldinne was, en moeder moest hem stootjes geven om
hem te doen eten.
--Hij eet zoo weinig t'onzent ook, zeide ze aan mijnheer Wilder.
--De jongens moeten eten om groot te worden, was 't idee van Albien.
Mevrouw Devleeschhouwer gaf hem gelijk, maar ze had toch liever een
zoon, die zuinig was, dan een doorvreter met gulzige manieren, die alles
verslinden kon en daar op een ende zou te zweeten zitten lijk een
trampeerd, en geweld te doen om niet onpasselijk te worden.
--En als de examentijd er komt, weten de kinderen zoo vreeslijk van dat
folterend surmenage.... Lust gij nog een beetje spruitjes of wat
vleesch, mijnheer Wilder?
--Wel ja--wel ja....
Alfred zette zich te blozen, omdat moeder hem met dat woord "kinderen"
zoo kleineeren wou. Hij zag noesch op naar Goedele en onderzocht op haar
kalm gelaat, of zij 't beluisterd had. Albien klopte stillekens op zijne
schouders en zijn rood gelaat neeg naar 't zijne, in een breede bui van
vriendelijkheid.
--Allo! allo! mijn jongen, steek nu uw hoofd niet zoo proppensvol met
vreemd gebrabbel en dolle cijferwebben. Vacantiedagen zijn er ook nog,
en die naderen bij tijde.
Hij moest eens niezen, en bracht zijn servet over zijn gelaat, dat
naderhand purpergloeiend te voorschijn kwam, zijpelend van wellust.
't Had hem alzoo deugd gedaan, en hij veegde zijne oogen drooge.
--Vandaag moogt ge u deugd doen, zei hij.
Hij keek naar een rijkelijken hamelbout, die vol souse onder een gulden
korste daar gloorde, triomfelijk en wonderbaar. Hij stelde bovendien een
overgroot belang in de matelijke gebaren van Ursule, die den wijn
inschonk. Mevrouw Devleeschhouwer bleek hem een weerdige gebuur-vrouwe.
--Een glazeken roode? vroeg mevrouw Devleeschhouwer.
--Wel ja, wel ja....
Hij zei 't met geveinsde onachtzaamheid, alsof het hem niet schelen kon.
Hij slurpte zijn beker met korte geutjes leeg, en likte een wegloopend
dropken weg, profijtelijk. Hij gebaarde niet te merken dat Ursule hem
gestadig belonkte en wist wel dat zij hem morgen met allerlei
berispingen lastig vallen zou. Hij liet zich aan geen toekomstig ongemak
gelegen; 't was hier tegenwoordig goed....
Bella en wilde Sebastiaan niet met vrede laten.
--Zal ik u met het weinige, dat ik zag, tevreden stellen? vroeg hij.
Hij vertelde van het landschap, van 't hooge gebergte, zoo heerlijk in
den avond, als 't laatste zonnegestraal in verre sneeuw blijft haperen
en er de zoete schakeering ligt van zijn vele verven; hij beschreef met
overgevoeligheid de subtiele harmonij der kleuren, opgaande van 't diepe
blauw naar 't vurende oranje. Zijne handen wuifden in sierlijke buiging
en zijne lange vingeren teekenden de kleinigheidjes, peuterden aan vage
tinten, beloken in wegdoezelende klaarten, stipten eene eigenaardigheid
ievers aan, of vielen neer, in vrome vouwing, lui en moede en zacht. Hij
kon zoo een stonde lang zich ommedraaien in fijnstemmige gezegden, en
zijne oogen keken binstdien de leegte door. Hij en had nooit driftige
woorden--hij vertelde alles op zangerige rythmen met altemets een
onbepaalde uitdrukking, die hij dan in een stijgen of dalen zijner
stemme verklaarde. En zijn aangezicht bleef djentelijk, omdat geen
sterke klank zijn mond vervormde. Hij was schoon. Hij sprak schoon.
Bella boog zich over tafel en dronk aan zijne lippen die kunstige tale.
--En Weenen?
Hij wist van Weenen weinig. 't Was een moderne stad met veel lucht en
licht. Hij had geen bepaalden indruk. Hij had vooral schilderijen
bekeken.
--O ja--Bos en Brueghel, zei Goedele.
Ze was verlegen dat ze 't gezeid had seffens daarna, omdat het als een
vermindering klonk van Sebastiaans betrachten. Maar hij was niet
gekrenkt en meende dat het haar een vreedzaam geneuchte was daarvan te
hooren spreken. Hij noemde 't werk van Hieronymus Bosch een wonder. Hij
joeg de beelden achter mekaar, deed waarachtig in 't geluchte varen de
mirakelachtige schepsels uit de verbeelding van den schilder geboren.
Hij sprak van eene St. Antonius' tempteeringe, beschreef een vóor een de
monsters daar vereend--konijnenkoppen op kinderbeentjes, menschenbuiken
met oogen en een ooievaarsbek, vliegende draken, schertsende gezichten,
grijnzende muilen. Hij deed ze herleven en benauwd worden in groene
klaarten of wegschemeren in donkere spelonken. Maar hij was tewege warm
te worden als hij over Brueghel begon.
--Brueghel is de meester boven de meesters, juffrouw Bella, en stellig
boven het begrip der menschen. Hij wist het leven uit te drukken in
waarheid en zijne uitdrukking, aldoor een uitslag van stijlsynthesis,
was een zuivere gave der kunst. Bij Brueghel vindt ge kleurharmonieën
die men sinds niet meer heeft kunnen bereiken, en elke kleur op haar
eigen ligt plat, effen, net. Hij dierf een hoop bonte boeren en krijgers
neerwerpen op een vlakken sneeuwgrond, en 't en stoot noch en krenkt
onze esthetische gevoelens: 't streelt en 't verwondert. Ik zag te
Weenen een Babeltoren, waar 'k nu geen woorden voor vinde, schoon
genoeg.
Hij keerde zich zijwaarts naar Goedele.
--Ik wou u dat alles dolgeerne doen zien.
--Ja, mijn vriend?
--Ik wou u doen taken deze hoogste hemelen der kunst, ik wou uwe ziel,
uw gansche vleesch eenstemmig maken met deze wijdste trillingen der
menschelijke ziele....
--Ik ben u dankbaar hiervoor.
Ze was stille, een zachte grens voor zijn uitgeworpen verlangens, stille
en ernstig. Hij voelde wel de vreemdte, die over haar bleef en niet weg
te drijven was met woorden, maar zijn herte lag open, zonder
angstvalligheid noch vreesachtige koorts. Hij betrouwde op haar. Hij was
gelukkig bij haar.
Bella werd gloeiend rood en beet ongedurig op hare lippen. Ze was een
appel aan 't schillen en deed het zoo los en grove, dat mevrouw Wilder
het haar met een kort woord en een lachje opmerken deed. Ze keek met
schuchtere blikken op naar Sebastiaan en een wijlken bibberden hare
wimpers.
--Weet ge nu niets van de menschen aldaar, mijnheer Vrebos? vroeg ze.
Hij wendde naar heur zijne blauwe oogen, nog zat van Goedele's beeld.
--Niets, juffrouw.
--Wel--Heere! wat een zonderlinge reiziger, riep ze.
Ze begon wrevelig en luidruchtig te lachen en smeet haast een kopje
koffie omverre, dat Marie haar even voorgezet had. Ze schetterde, bevend
en schokkend, voort en hare oogen kwamen vol tranen. Dan hief Rik zijnen
witten kop omhooge.
--Hebben die monsters indertijd bestaan?
Sebastiaan sprak van uitbundige verbeeldingskracht en fanatieke tijden
en probeerde klaar te blijven, met eenvoudige zinnen.
--Maar hebben die monsters in tastbare gedaanten bestaan? vroeg Rik.
--Zekerlijk niet....
--Ha!
Hij bukte zich en rok zijnen hals uit, blazend over zijne koffie en hem
trage en matelijk inslurpend. Mijnheer Devleeschhouwer beweerde dat er
nievers draken bestaan hadden.
--En zeemeerminnen? fluisterde Rik.
--Zeemeerminnen ook niet, zei mijnheer Devleeschhouwer.
--Zeemeerminnen wel! zei Rik.
Ze staken allemaal hun hoofd op. Rik was somber geworden.
--Ik hebbe gezien, met deze oogen, die nog onthouden kunnen, een
zeemeerminne in 't witte schuim der baren.
--Tèt ... tèt ... tèt, pruttelde Albien, wiens oogen begonnen te zwemmen
in wellust.
--Ze schoof over 't water, als raakte zij 't niet. Ze dook zich en steeg
weer boven, en zij had een steert, zooals 't afgebeeld staat op de
prenten. Ze zong in den nacht. Ik weet het wel, vermits ik het gehoord
heb. En ik heb gehoord wat ze naderhand zei. Ursule weet het ook wel,
vermits ik het haar verteld hebbe, en van het ijzeren kistje weet ze
ook.... Ha! Ha! Dat weten wij!
Hij knikte en zijn kinne kwam vooruitsteken en hij wierp een brok suiker
in zijn kopje. Ursule wees dat hier geen aandacht op te vestigen was en
met uitermatige vriendelijkheid vroeg ze aan Bella of ze niet eens
zingen wou. Mevrouw Devleeschhouwer prees al dadelijk de nieuwe
zanglessen, die Bella van een Italiaansche dame ontving.
--Een echte artiste ... en zoo heerlijk dat ze trilleeren kan!
Bella moest rechtstaan en iets laten hooren, en dan zou mevrouw Wilder
en mijnheer Vrebos zelf oordeelen kunnen.
--Zing ereis van "Sur la rive solitaire"....
--Een danig oud ding toch niet, mama.
--Ho! maar dat vind ik juist zoo'n schoon stuk!
Sur la rive solitaire,
Loin de toi je désespère....
Het is fijne muziek, Bella.
Mijnheer Devleeschhouwer vond ook dat het fijne muziek was, en dat zij
best dees lied zou kiezen. Juffrouw Bella verkoos echter "Les petits
pavés". Dat was aandoenlijke zang, en Alfred kon ook geen ander
fatsoenlijk begeleiden.
Ze zong met een aangename stem, niet zonder eene gevoelerige
gemanierdheid nochtans. Ze bleef altemets aandringen op een toon en
maakte dramatische effecten daarmee, den klank warm en vol afrondend
in den beginne om hem naderhand te doen uitsterven in smachtende
halve-tinten. Als ze, bedrogen door heur eigen spel, hare oogen voelde
nat worden, neep ze die halvelings toe, zoodat het licht op hare wimpers
in de tranen fonkelde. Erdoor waterden hare bezweken blikken zijwaarts
toe naar Sebastiaan, en hare woorden trilden in deze stonde waarachtig
van hopelooze droefenis. Bij de laatste strofe zonken hare armen neere,
en binst de endakkoorden van 't klavier bleef ze nog staan, en haar
gezichte bewaarde swijlens zijne smartelijke uitdrukking.
--Bravo! bravo! riep mijnheer Wilder.
Elkendeen juichte haar toe.
--Wat een allerliefste stem! zei Ursule.
--En hoe zij die te leiden weet! zei mijnheer Vrebos.
Mijnheer Devleeschhouwer peuterde aan zijn baardje en knikte goedkeurend
en luisterde met welbehagen naar mevrouw Wilder, die de kwaliteiten van
dezen zang overschatte. In den grond hield zij er niet van: het lied was
lamlendig en éentonig, en het docht haar dat Bella lijk een ziekelijke
katte daar te miauwen stond.
--Het is heerlijk! zei ze en, met een veelbeteekenend stootje van hare
onderlip, lachte ze Bella toe.
Alfred droop naar zijne plaats terug en zat er, lijk te voren, met
roerlooze oogen te turen naar Goedele. Maar mijnheer Wilder gaf hem nu
duwkens in zijn zijde en fluisterde hem een breede uitlegging toe
omtrent allerlei mekanische tuigen. Mijnheer Wilder was eenigermate
onder den invloed van den wijn geraakt; zijn aangezicht vuurde lijk
laaie karbonkelgloed, en roode vlekken beglansden zijn bolle voorhoofd.
Het zwitsersch huizeken, dat Sebastiaan hem had meegebracht, kwam
gestadig vóor zijn geest, en hij hoopte dat hij het straks aan Alfred
zou kunnen toonen. Hij wilde bij Alfred belang verwekken voor het
huizeken, omdat hij zelf 't zou te zien vragen. Hij wist dat Ursule hem
niet toelaten zou het uit te pakken, als hij er uit eigen beweging van
spreken zou.
--Alfred zal 't verkrijgen, peinsde hij.
Hij probeerde Alfred te bewegen. Hij wilde 't voorzichtig doen, vertelde
eerst van automobielen, van elektrische trams. 't Begon Alfred alseffens
schrikkelijk te vervelen.
--Te Straasburg is er een wonderlijk horloge, zei Albien.
Hij lei uit hoe daar eenthoeveel apostels en groote personagen bij 't
slaan der klokken te werke gingen en draaiden en keerden en zwaaiden met
hunne bronzen armen.
--Maar een huizeken in hout, een beiaard daar in, en een vrouwken en een
manneken, alles schoone ingewikkeld, jongen--hebt ge dat al ievers
gezien?
--Neen ik, zei Alfred.
--He wel! ik hebbe er zoo een!
Alfred staarde naar Goedele's vingeren, die om een zilveren lepelken
verduldig werkzaam waren.
--Ik hebbe er zoo een, herhaalde Albien, al duwend in Alfred's leên.
Maar een luidelijk gedruisch kwam in de straat, onder de vensters, en
alle woorden vielen meteen. 't Was een stijgende zang uit honderden
kelen, een rommelend rumoer onderbroken door dreunend trompetgeschetter.
Als de ruchtige stoet voorbij was en in een nevensteeg ging wegdoezelen,
lijk somtemets de winden doen alover verre daken, was in de eetkamer een
ongemakkelijke stilte meesteresse.
--Werkvolk, zei Rik na een stonde.
Mijnheer Devleeschhouwer deed onachtzaam al spelend zijn leeg tasje op
tafel ommentweer rollen. Ze begonnen allemaal seffens dooreen te
spreken. Ze wierpen een woord alhier en aldaar en ze waren koortsig.
--Weer een meeting....
--Weer een vechting....
--Weer 't bedrijf van Zondag--een ophitsen, een losloopen van
gewelddoeners.
--Wat een tijd, wat een tijd!
Mevrouw Devleeschhouwer herhaalde:
--Wat een tijd! Wat een tijd!
't Was verkiezingsweke. Onlangs was er geweld gebeurd, een muiterij in
't lage der stad, een omnibus omverre geworpen en steenen uit de
kasseide gehaald. Drij dooden.
Rik mummelde dat het een hoop met beesten was.
--Ze willen muren inbreken met hun voorhoofd.
Mijnheer Wilder meende dat die menschen veeleer ongelukkig dan slecht
waren. Hij zei 't ronduit. De regeering was onrechtveerdig, of zij wilde
niet rechtveerdig genoeg zijn.
--Elkendeen moet te eten krijgen.
--Maar elkendeen moet werken, ronkte Rik, en dees zijn opgestookte
leeggangers.
--Ja, sprak Ursule, kort en hard.
Sebastiaan peinsde ook dat de volksbeweging de maatschappij tot het
uiterste kwaad leiden zou.
--Wij zullen nooit en nievers allen tegelijk gelukkig zijn. Er zijn
uitverkoren en verworpen wezens. Er moeten meesters zijn en slaven.
De huidige democratie is de ondergang der kunsten, en maakt 't
luilekkerland der middelmatigen. 't Getal domme menschen zal altijd
grooter blijven dan 't getal verstandige--zij zouden dus 't
hoofdzakelijke bestuur kiezen? Wij gaan geleidelijk naar 't verderf,
omdat wij, uit leelijke deernisse, de onderste menschenlade niet
opofferen durven.
Goedele meende dat die deernisse niet zoo leelijk was en dat het volk,
tot hooger besef zijner plichten komend, stilaan zich verstandelijk
ontwikkelen zou.... Er geraakte in huis een ongemoedelijk geluchte. Men
voelde allentwege een wrevelige kilte, en men loerde naar de plate van
't horloge. Mijnheer Devleeschouwer moest nog zijne denkwijze kenbaar
maken.
--Kwart over tien, lispelde zijn wijf met geveinsde onverschilligheid.
Maar mijnheer Devleeschhouwer hield er bepaald aan ook zijn woord te
plaatsen en hij deed het met de noodige deftigheid. 't En was, volgens
hem, niet kwaad dat er af en toe een onlustje onder dat sociaal-minnend
boeltje ontstond. Dat was eene gelegenheid om de sterkte der politie te
staven. Hij hief zijne armen omhoog en werd praatziek:
--Hoe loopt zoo'n opstand gemeenlijk uit? De politie neemt stevige
maatregelen, de stoeten worden ontbonden, de burgerwacht, steunpilaar
onzer huiselijke rechten, wordt bijeengeroepen en bezet alle straten.
Als ik zeg alle straten, zal mij niemand tegenspreken. Wat hebben wij
verleden Zondag gezien? Wat hebben wij in de dagbladen gelezen? Ik
ontmoette majoor Cnaps. Hij zei: "De wet zal geëerbiedigd worden." Ja
dat heeft hij gezegd.... Ik vind niets ter wereld schooner en statiger
dan een officier der burgerwacht. Majoor Cnaps is ook een fier en
heerlijk man, niet waar mevrouw Devleeschhouwer? Dat is nu wel de zaak
niet, maar 't is eender. Een oproer blijft voor mij een deugdelijk
verschijnsel.
Elkendeen was allang te wege op te staan. Bella sprong endelijk rechte,
met een lach verwittigend dat het laat werd. Ursule bracht hier tegen in
dat het morgen rustdag zou zijn en er dan geen bezwaar was om nog een
uurken te blijven; ze deed het echter heel lauw en meest bij wijze van
beleefdheid. De stoelen werden alhier en alginds verschoven, en Goedele
ging in de voorzaal 't gaslicht aansteken. Ze hielp mevrouw
Devleeschhouwer en Bella zich aankleeden en schikte hunnen hoed en
speldde hun vool vaste.
Ze hoorde ze op den hof vóor 't hekken nog groeten en naderhand hun
gemompel over de straat stille weghorzelen. Ursule was algauw in de
keuken om inspectie te doen, en Albien scherrelde met zijn Zwitsersche
dooze naar zijne kamer. Rik bleef zitten voor de leege glazen. Goedele
zuchtte diepe. Ze tort naar het terras en bleef er een oogenblik staren
door de donkerte naar de boomen, die in eentonigen avondzang te ruischen
stonden, op de mate van den gelijken wind. Ze werd naderhand Sebastiaan
gewaar achter heur, en draaide zich omme.
--Gij?
--Ja....
Hij nam hare hand en drukte die en omving hare schouders, trage haar
hoofd neerleggend op zijne borst. En in heur haar fluisterde hij zachte
woorden. Ze was gestreeld erdoor en liet zich streelen, en zijn warme
asem was een aangename jeukte over haar hoofd.
--Wat hebbe 'k gedacht aan u, mijn Goedele!
Hij zocht naar lijze zinnen en wrocht ze zorgvuldig zaam in zijn geest
tot een lange lispeling, een lispelende zoetigheid. Hij peuterde aan
zijn gevoelens tot het ruchtlooze vlindervlerken werden of een geest
zonder gedaante. Hij en liet geen vezelken zijner ziele onaangeroerd,
hij zei alles wat in zijn liefde tot een woord kon vervormd worden.
--Ik keek naar een sterre, en voelde precies dat haar stralen u taakten.
En Goedele liet overhaar neerkomen die stroom, die warmte, die
vrede--tot zijne lippen meteen haar voorhoofd toetsen kwamen. Ze boog
zich en sleerde uit zijne armen en stond dadelijk in 't volle licht der
eetzaal. Hij sprak niet meer. Hij nam zijn overjas, en stak een sigaar
aan. Hij drukte even hare hand en kustte die vluggelings, en vertrok.
Moeder kwam aangeloopen en moest nog alles nazien op de tafel, de lepels
tellen, de vorken, de suikertichelkens.
--Waarom ontvangen wij dat volk? mummelde ze.
Ze troostte zich met het idee, dat het nu hare beurt was en dat ze
ongenadig zou zijn bij Devleeschhouwers en maar doorvreten zou. Het was
sinds jaren zoo.
Goedele ging slapen. Ze tort hare killige kamer binnen en miek licht.
Haar venster stond nog open en 't vrije geluchte joeg in breede vlagen
ommentweer. Ze belook de ramen en huiverde een endeken. De keerse stak
weldra een rustig vlammeken omhooge en wierp schier roerlooze schaduwen
tegen de muren. Het bedde stond hagelblank en vouwrijke gordijnen vielen
erlangs, doorzichtig in 't gele uitspattende licht. Vóor een vierkant
tafelken, ook met een witten geborduurden doek bedekt, zette Goedele
zich neere en bleef er den avond herdenken in hare luie gepeinzen.
Ze was moe. Ze haperde aan wrevelige herinneringen, al kleinigheidjes
die groot werden in haren geest en waarmee ze dan een gedwongen
hopeloosheid wilde bewijzen. Ze redeneerde tegen haar eigen zelve en
gebruikte daartoe de minste gebeurtenis. Nimmer had ze met meer
zekerheid de ijdelheid gevoeld van dees huis, de ijdelheid van dees
leven. Het soepee walgde haar. 't Kwam in groote geuten naar haar hoofd,
en al die menschen, elk met zijn particuliere dwaasheid, waren leelijk
en terugstootend. Het beeld van mijnheer Devleeschhouwer krenkte haar,
en zijne nietige vrouw, waanzinnig in kleine eerzuchtjes, kon ze niet
verdragen. Bella ook werd haar een folterend hysterisch popje, aldoor
smachtend en aroetekoeënd en potsierlijk. Hare ouders zelve bezeerden
hare gedachten--moeder was valsch en vader was klein en grootvader was
vrekkig. Ze zag nog den zwaren nekke van Alfred, binstdat hij op 't
klavier spelend was, en zijn droog haar saamloopend, tenden zijn bolle
hoofd, tot een stekelig sterreken....
Ze achtte zich, met een haastigen schok, verveeld en vernederd door
eigen verbeelding. Ze kleedde zich uit en vlocht heur haar bij dichte
stringen en wond die in een kanten kapje saam. Ze stond nadien vóor den
spiegel, bloothemds, en bekeek de schoonvervige naaktheid van haren
hals, hare opwellende borsten, hare armen. Ze was groot en geweldig en
majestatisch. Ze kwam haar eigen meteen voor als een aanbod, als een
koopveerdige voorstelling, als een die zich niet bezittend was en
eigendom zou worden. Een stijgende fierheid sloeg, met den stevigen klop
van haar bloed, tegen hare slapen en ze voelde zich machtig, boven 't
gepeuter en de ellende van dees huisgezin, boven al de luttele woorden,
die flauwasemend neerzegen, menig en vederlichte. Ze wilde een forsig
gezegde beluisteren, den vurigen toets van mannelijke armen belijden,
ze wilde zich verdedigen met hare tastende handen en toch overwonnen
worden....
Ze viel neer op haren stoel, sidderend en hijgend. Ze dacht aan
Sebastiaan, hoorde nog het zoeterig gefluister zijner liefde, zag nog
het vroom gebaar zijner kunstige lippen, en zijne oogen, diepe en
stille, zijne blauwe oogen. Ze werd, in éen scherp zicht, gewaar dat hij
over haar niet heerschen zou, dat zij hem gewillig verdragen zou, en hem
in dankbaarheid voor vredige uren liefhebben. Zij en bereikte, met een
verste gepeins, geen wijde hoop in de toekomst, en haar hoofd zonk op
hare borst, verduldig, begrijpend dat het niet denken mocht. Ze vatte
langs alle kanten van haren geest, dat haar lot verveling was en dat
geen schoon geweld haar driftverlangen zou bedaren.
Ze weende nu en had deugd daaraan, en haar lijf snokte opwaarts, met
haar hortend snikken mee....
* * * * *
IV.
Het was 's anderen daags frisch en leutig weer. De zonne had in den
morgen een lagen mist verscheurd en wapperde tegenwoordig in een blauwen
hemel, lijk bij uitkomend lentegetij. Goedele zou naar Romaan gaan. Het
hekken viel luidelijk dichte achter haar, en nu tort ze over de straat
en hare hielen klonken pleizierig op de koude steenen. Ze voelde zich
vrij en keek alles genegen toe, alles liefelijk ontvangend wat zich
voordeed. Ze bleef altemets de uitstalling der groote magazijnen
bekijken, en 't was een waarachtig geneuchte voor haar. Ze stelde er
algauw een groot belang in en bleef hier en daar haperen en
lanterfanten, kiezend en afkeurend en aannemend met een knikje. Ze
bewonderde in een engelsch confectiehuis een prachtig kareelbruin kleed
uit zwaar laken, ruime pagodemouwen met oranje zijde gevoerd en bezet
met zachten marterpels, een kraag met gulden franjen en zoo nauwkeurig
met blinkende knopjes bezoomd, regelmatig te reke.... Ze had goesting
naar zoo'n dracht, die haar rijkelijk maken zou en begeerig. Ze zou dien
breeden rok voelen kloppen, gewichtig en wijdplooiend, om hare voeten.
Op een hoek der groote middenlaan, stapte een sierlijke dame uit haar
coupé. Even werd haar kleine leest in een ruischend gefrutsel van kant
en satijn zichtbaar, en ze liep, al wippelend, een pasteiwinkel binnen.
Goedele loerde ze nog na, benieuwd voor wat ze koopen zou, en ze merkte,
achter de laden taartjes en suikergoed, hoe zij te kiezen begon en
naderhand zich aan een luttel mokkakoekje te snuisteren zette. En ze
beneed bijna deze vrouw, die schoon en wispelturig en vrij was in hare
doening. Zóo, lijk deze, wilde ze worden--zoo, handelend naar beliefte,
en geliefd naar haren zin. Ze zou ook genieten van den vroegen morgen en
uitrijden in de uchtendkilte. Ze zou ook links en rechts binnen gaan,
toevallig. Ze zou ook bijten in zoo'n taartje, met volle tanden, en ze
zou trek hebben ernaar.
Nu had zij geen trek. Ze had ook geen geld te vele. Ze had, buiten enkel
klein zilver, het bankbriefje dat voor Romaan en zijn kindeken bestemd
was. Geld van moeder. En ze dacht: we maken thuis ons eigen ongeluk....
Binstdat ze vóor een modemagazijn stond en veel lust had in 't zicht van
hoeden en linten, werd ze een jongen man gewaar, die haar sinds durenden
tijd achtervolgde en maar overal stil bleef, waar zij iets te bekijken
had. Ze vond hem onbeleefd en zou hem straks eens duchtig in de oogen
staren, als dat loopje standvastig zijn mocht. In de spiegelvlakte der
ruiten kon zij hem zien--een sterken vent, hoog en goedgeschouderd,
fatsoenlijk aangekleed. Ze vond hem deftig en struisch, bijaldien hij
haar dan toch danig krenkend en ongemanierd scheen. Hij wilde niet in
haar aangezicht blikken, hij deed alsof hij haar niet merkte, voortdurig
echter achterblijvend, gedwee en koppig tevens.
--Hij heeft tijd te vele, meende Goedele.
Ze tort dan haastig door, kronkelend door 't volk, straat in straat uit,
zonder ommezien. Ze spoedde zich tot zij er moede van werd, en bleef
rusten bij een tramhuisje. Tien stappen achterwaarts stond hij.
Verontweerdigd stapte ze naar hem toe, hem bijna takend in 't
voorbijloopen, en hij kon ditmaal haar toornige oogen niet ontvluchten.
Hij bloosde rijzekens en sprong verlegen op een aankomende tram.
Ze had er nu medelijden mee, met dien grooten lummel en lachte met zijne
plotselinge benauwdheid. 't Was haar een onnoozel vermaakje geweest; ze
dacht er aan, lijk aan een piepken-duik-spel van kleine kinderen. Ze
herinnerde zich flauw zijn scherp gelaat, omschaduwd met donkere knevels
en een vierkanten baard. Ze drilde voort, probeerde onderwege zijn
beeltenisse precies af te teekenen en peinsde er later niet meer op.
't Was een dwaze leutigheid.
In de lage stad ontmoette ze, langs de nauwe stegen, meer volk en was er
meer verschillend lawaai. Winkeliers prezen hun waar op hunnen dorpel.
Wijven stonden in donkere poorten te kakelen en te kijven. Allerlei
menschen kwamen saam, bij dichte troppels, hun neuze opheffend, en
turend naar blinde muren, met electorale plakkaten bontgevlekt. Kinderen
draafden gichelend en schreeuwend rond en stormden tegelijk een
ruchtigen brouwerswagen achterna. Uit open kroegen steeg 't rumoer van
hevige redeneeringen. De toekomstige verkiezingen hadden alreeds deze
wijk in rep en roere gesteld.
Goedele kocht in een poppenkraam een poesjenel voor Wiezeken, geheel en
al in een rood en groen pak, met gulden draad geborduurd. Ze dacht:
--Ons pover Wiezeken!...
Ze tort de vaartbrug over en geraakte, zijwaarts ommedraaiend, in een
stille straat, die verder uitliep op de graanmarkt. Arets den hoek
voorbij, was een ellegoedwinkel met hoogen gevel. Hier, op het eerste
verdiep, woonde Romaan. Ze ging seffens den somberen gang door en steeg
de smalle trap op. Er heerschte tallenkant een scherpe geur van lijnwaad
en geverfd katoen. Ze klopte boven stille tegen de deur, hoorde
binnenwaarts tante Olympe antwoorden, en draaide de klinke open.
--Wel! wel! juffrouw Goedele! riep tante Olympe.
Tante Olympe zat alleene aan 't patodders schillen. Ze kwam haastig
aantrippelen, binstdien vluggelings hare handen schoonvegend met haar
blauwe schort, en hielp Goedele zich ontdoen van haren mantel. 't Was
een stokoud wijveken, mager en omlage gekromd. Haar luttel gezicht lag
plat tusschen twee pronte vlechten zilverwit haar, en haar kinneken stak
vooruit en ging huppelend mee met hare minste woorden. Ze droeg een
zwarte kanten kap en getafelde halfmouwen. Twee lange oorbellen
rinkelden van weerskanten tot in haren hals.
--Ho! dat zal Romaan en Madeleen deugd doen, die brave komste van
juffrouw Goedele.... Ik zei 't nog gisteravond bij mezelve: zou ze nu
niet weten dat Wiezeken ziek is, en zou ze nu niet komen?... Maar ze
komt. Dat is goed. Dat is goed.
Ze roefelde met een handdoek over een stoel en schoof hem naar Goedele
toe.
--Och! en Wiezeken is zoo ziek, juffrouw!
--Zoo erg?
--Och ja! Och ja!
Ze zuchtte en zette zich neer en staarde een wijlken naar een varende
wolk, langs het venster.
--Ik hebbe 't gepeinsd en ik hebbe 't gevreesd, juffrouw Goedele. Dat en
kan toch niet deugen, zoo'n valsch huwelijk, niet waar? Ze zijn allebei
braaf en ze hebben een schoon herte. Ze zien mij ook geerne. Romaan is
braaf. En Madeleen is braaf. Maar wat willen ze nu koppig zijn, tegen
den wil van Ons-lieven-heerken? Wat willen ze nu zondig zijn? En ze
verdienen geen straffe. Wat willen ze de straffe met geweld zich
aantrekken? Ik weet niet ... waarachtig.... Ons-Heere is zoo goed! Heeft
hij ooit iemands ongeluk gemaakt? Hij heeft dikwijls iemands ongeluk
vermeden....
Hare oogen kwamen vol tranen en die rolden nadien, dikke en langzaam,
langs hare kaken, in de diepe groeve van hare rimpels. En ze zei:
--Zijn wil is deugdelijk. Ze moesten trouwen en neerknielen in de kerke.
Dan zou alles effen komen.... Ziet-de 't? Ik word ziek daarvan.
Ze blikte weer opwaarts, naar die wolke. Ze slikte een krop weg, die
zeer deed in hare keel.
--Maar nu is ook Wiezeken ziek geworden....
--Is Wiezeken gevaarlijk ziek?
--Ziek. 't En wil eten noch drinken. Keelpijne. 'k Hebbe al gesproken
van lijzemeelpap met regenwater. 't Kindeken hoest, dat het mij pijn
doet, 's nachts. 'k Hoore 't 's nachts hoesten. 't Is een holle hoest,
die dan te huilen begint. 't Ligt in de voorkamer. 't Is bleek en mager
geworden. G'en zult het niet meer herkennen, juffrouw Goedele. 't Zal
wel zijne handjes uitsteken naar u, maar zulke tengere handjes, met
vingerkens van teer hout precies. Madeleen en Romaan en mijnheer
Johannes zijn er nu bij. Mijnheer Johannes komt schier alle dagen
kijken, en Wiezeken ziet hem geerne.
--En komt de dokter er ook bij?
--Dagelijks. Hij wringt beulenijzers in Wiezeken's kele. Ik en kan 't
niet zien, waarachtig. En dan moet ze citroen nemen tot heur tanden
rabauwen. De dokter zegt dat het zal overgaan. Ze zeggen dat allemaal.
Maar ik weet wel dat het ongeluk hier is binnen gekomen, en dat het niet
wijken zal, als Romaan niet tot inkeer geraakt.
Goedele stond recht.
--'t Kindeken ligt in de voorkamer, zei tante Olympe.
Ze was te wege Goedele vóor, om haar de deuren te openen. Ze mummelde
gestadig en schudde haren witten kop, tenden raad. Ze keerde zich dan
haastig omme en blikte zonder overgang vlak in Goedele's oogen, en ze
vroeg:
--Wilt gij Romaan overhalen?
Ze beweerde dat Goedele het zonder moeite bekomen zou. Romaan sprak alle
avonden van haar. Zij zou hem dadelijk tot zijn schoon verstand brengen.
--Hij is nu buiten zijn gedachten versmeten.
Goedele weerde zich zachtjes af.
--Wilt ge niet? bad tante Olympe en hare lippen vielen in diepe droefenis
neerwaarts, zoodat naar dezen nieuwen rimpel al de andere te gelijk
negen, een beeld stichtend van onzeglijke smert. Goedele troostte
haar--dat was niet zoo erg, en God hield zich niet zoo bepaald bezig met
schadelijke uiterlijkheden.
--Schadelijk?
--Want als Romaan trouwt, dan sterft zijne moeder. Romaan doet het
wellicht uit menschlievendheid, en doet hij niet best zoo? Moeder was
niet edel jegens Madeleen, tante Olympe, maar ze blijft, spijts al haar
ongelijk, zijne moeder, Madeleen weet toch dat Romaan haar niet verlaten
zal. Zij mag niet willen dat Romaan's moeder sterft.
Tante Olympe week achterwaarts tot tegen de dresse en ze hief
permintelijk haren kromme rugge rechte. Haar aangezicht verloor meteen
zijn lijdende uitdrukking en werd hard, puntig, stekelig.
--Ja?... Ja?... Ja, juffrouw Goedele?
Hare kin begon te trillen en ook hare beide handen beefden, en haar hals
rok ze uit, de bruine pezen toonend boven hare witte krage, tusschen de
blinkende oorbellen schijnbaar bruiner nog. Hare stemme steeg uit lage
diepten, werd koortsig en sidderde, schoot weg in klaterende klanken en
schorrelde thoope, lijk een pak blekken schervels, droge en ruig.
--Maar nu sterft Wiezeken? Maar nu sterft het arme dutseken door den wil
van God, door ulder koppigheid, ulder te gare. En als Romaan en Madeleen
buiten geworpen werden, uit het andere huis, omdat ze niet wettig
getrouwd waren, en als we samen het moeielijk hadden en aleens honger
kregen--is dan mevrouw Wilder dankbaar geweest, dankbaar omdat Madeleen
zich, naar hare goesting alzoo, lijk een slonse gedroeg?... Ik hebbe
gewerkt met mijne oude vingeren, en met mijne oude oogen hebbe 'k
gewerkt, en nu wonen we in een leelijk huis, waar Madeleen zich voort
lijk een slonse mag gedragen. En nu sterft mevrouw Wilder niet. Ze zal
wel gezond zijn, als Wiezeken sterft. Dan is Wiezeken uit de voeten....
--Ho! Ho!... tante Olympe....
Goedele was niet toornig--ze berispte stille, omdat tante Olympe bedaren
zou. Maar tante Olympe moest uitspreken en naarmate hare stemme gebroken
en afgemat, luttel werd, liepen sneller en zwaarder hare tranen over
haar roerend aangezicht.
--Ik mag het u zeggen, juffrouw Goedele. Ge zijt ons allen lief en
genegen....
Ze begon meteen te snikken. Het groote geweld was over, en ze kloeg nu,
al hakkelend en schokkend. Haar lijf zakte ineen en ze was moe, kromme
en scheef lijk te voren.
--Och! kind, we doen zoo moedig ons devooren, gedrijen. Romaan is nog
altijd op de fabriek; hij wint daar niet veel en we moeten hem helpen
met borduurwerk. We doen het geerne, we doen het geerne.... Maar laat ze
trouwen, als 't u belieft. Ik heb al zooveel geleden voor Madeleen, van
toen ze klein was en hare ouders had verloren. Ik heb ze opgebracht en
ze leeft in mijn herte. Laat ze nu trouwen, laat ze haar eer hebben, die
'k zoo jaloersch hebbe bewaard. Laat ons hier weggaan, uit dees open
huis, en laat Wiezeken later een naam dragen ... niet waar? Ben ik nu
redeloos? Mag mevrouw Wilder redeloos zijn? En zou ze sterven, omdat een
meisje eerlijk blijven wil? Zou ze? Maar ik, ikke, juffrouw, ik ga nu
ook weg, door hare schuld dat voele 'k--en ik zie Romaan en Madeleen
allebei zoo geerne....
Ze moest gaan neerzitten op een stoel, en Goedele klopte zoetekens op
hare schouders, een braaf woord zeggend, dat haar opbeuren zou. Ze werd
kalm naderhand en snoot zich in haren grooten rooden neusdoek, en veegde
trage hare oogen droge. Ze fluisterde, met een droef lachje, Goedele toe
dat ze niets hiervan bij Romaan mocht laten gebaren. En vriendelijk, nog
even na 't eerste woord een snik meeduwend, vroeg ze:
--Wilt ge nu Wiezeken zien?
Goedele nam de bonte pop, die zij medegebracht had, en ging vóor. Maar,
bij de deure, bedacht zij zich en tort niet verder.
--Wie is die mijnheer Johannes?
Tante Olympe werd seffens praterig en lei uit hoe deze vriend van
Romaan, een rijke kunstschilder, op een avond in huis gekomen was en hoe
hij sindsdien wekelijks kwam en hen allen zeer genegen was.
--Een brave ziele, juffrouw Goedele. Hij heeft de beeltenisse van 't
kindeken gemaakt, op min dan drij dagen. Wel! dat is een stuk, schaap.
Ge zult het zien. Ge zult peinzen dat Wiezeken in waarheid u komt
toegeloopen....
--Hoe is zijn name?
--Ameye, Johannes Ameye--wij zeggen gemeenlijk hier mijnheer Johannes.
't Is een gouden hert.
De deur werd precies opengestooten, en daar stond Madeleen. Ze viel
dadelijk in Goedele's armen, haar kussend en groetend met dankbare
woorden, en ze bezagen malkander naderhand met vochtige oogen. En
Madeleen lispelde gestadig dat het braaf was, dat het goed was.
--Och ja! ik ben tevreden.
Romaan liep ook fluks bij en drukte zijne zuster op zijne borst, en dan
stonden ze gedrijen een wijle sprakeloos ondereen, te kijken naar een
gedacht van deugddoende liefde. De stilte is altemets een licht gewaad
met gulden twijn geweven, waar de ziele te rusten blijft, te rusten en
te luisteren naar schoone aandoeningen.
Romaan nam nadien Goedele bij de hand en stelde haar vóor aan zijnen
vriend. Ze dierf in den beginne niet opzien. Ze voelde iets ongemeens
in 't geluchte, alsof deze man geen vreemde zijn zou en haar met een
bevrienden lach bejegende.
--Dees is haast mijn broeder, zei Romaan, zijn plaats in mijne liefde is
nevens u.
Ze keek er naar en herkende hem, zooals zij hem bij 't venster van den
modewinkel voor 't eerst ontmoet had, en zooals zij er, bij het
tramhuisje, toornig was op afgegaan. Hij bloosde en boog.
--Hebbe 'k mejuffer niet elders gezien? Ik vrees dat ik een leelijk
hoekje krijg in haar geheugen....
Zijne stem was vol en zwaar, en sloeg in sierlijke golving om.
--'k En hebbe u nooit ontmoet, zei Goedele.
Tante Olympe had seffens de voorkamerdeur geopend en was aan 't babbelen
met Wiezeken van een popje met djentige dracht en met twee drollige
bulten. Madeleen begon over 't arme dutseken te klagen en vertelde hoe
het toch zoo geleden had, den vorigen nacht, hoe 't hoestte en kuchte en
pijnelijk zich wrong, hoe 't dan neerlag zonder couragie, bleek en
afgemat, hoe 't zin had in niets, in niets van al wat het vroeger
begeerde,--en hoe dat alles danig smertelijk was om zien.
Ze gingen allemaal nog eens kijken. 't Beddeken stond in een luchtige
kamer, naast de breede koetse van Romaan en Madeleen. Drij vensters
wierpen licht op den blooten vloer en, bij kletsende geuten, tegen 't
vermoeide muurpapier, vaag-bebloemd met bruinroode tulpen. En 't
beddeken was sneeuwwit en zuiver en prontelijk, gewend aan de zorg van
aandachtige moederhanden. Goedele bukte zich langzaam erover.
--Dag, Wiezeken, mijn zoete boeleken....
Wiezeken lag in 't blanke kussen, zoo luttel, zoo klein.... Haar hoofdje
dook schier weg onder de sargie, een hoofdje bleek en vaal, met
loodvervige schaduwen, oogjes diepe en wijd-denkend, en een mondje
teenemaal verslenst. Ze lachte stille als ze Goedele herkende, en hare
handjes gingen op naar heur, nadien weer neervallend, lui, onbeweeglijk,
broos. Hare lippen ontsloot ze swijlens en ze wou zeggen: daáag!... en
ze haperde in een zuchtje en zweeg. De pop werd nevens haar geleid, en
ze was daarmee bovenmatelijk gelukkig. Ze bekeek haar met welbehagen en
had plezier met de schitterende kleuren en die koperen knoppen en die
domme bulten van weerskanten.
--'t Is een poesjenel voor de brave kinderen.
De poesjenel kon zijne armen toeklappen, als men op zijn buik neep, en
dan rinkelden de twee bellekens, die aan zijne mouwen hingen. Tante
Olympe neep maar gedurig op den houten buik en de poesjenel smeet zijne
klinkende armen gedurig saam, en Wiezeken was bovenmatelijk gelukkig.
Maar ze werd algauw weer slaperig en wendde haar hoofd omme, en dan
moest Tante Olympe aan 't voetende het lieve lam pakken, dat mijnheer
Johannes had meegebracht. En tante Olympe moest op het onderst plankje
duwen tot het lam te bleeten begon. En 't lam zei:
--Bêe-êe-êe-êe....
Wiezeken lachte flauw en streek met hare vingerkens in de witte wolle en
bleef er peuteren tot meteen hare oogen opnieuw heel verre staarden en
ernstig werden. Het was alsof dees kind zijn moeielijke gepeinzen volgde
en in diepe beschouwingen verzonk, aldoor mijmerend langs
bovennatuurlijke zaken. Langzaam vielen zijne wimpers dicht en zijne
handjes bleven stille.
--'t Slaapt.
Het sliep. Zijne wangen en zijn voorhoofd en zijne lippen--'t werd alles
effen wit.
Ze tuurden allemaal zwijgend ernaar. Romaan boog zijn hoofd en zijn kin
rustte op zijne borste, en van onder zijne neergeduwde wenkbrauwen
loerden droomend zijne rechte blikken. Hij hield zijn kind, dat
beeldeken van smerte, in zijne hersens vaste en zijn hopeloos gedacht en
wilde zich niet losrukken daarvan, hoe 't hem folterde en martelingen
aandeed. Dat witte gelaat, in nauwmerkzame tinten opschaduwend uit al
het blanke bedlinnen, dat heele broze koppeken, rijzekens een diepte
wegend in 't donzig kussen, en dan de teekening daarin van beloken
oogen, neerplooiende lippen, een luttel neusje, met kantewaarts een
zoetvervig blauw--al wat nu Wiezeken was, 't hiew met pijnlijke slagen,
een steenen herinnering in zijn geest. Madeleen keek schuw op naar hem,
en ze toetste met haar hert zijn droevig gepeins, en een groot verdriet
zeeg over haar.
--'t Is een deugdelijke slaap, fluisterde tante Olympe.
Ze kromde haren ronden rugge over 't bedde en lei den poesjenel aan 't
voetende, nevens 't schaapje, en dook voorzichtig de lichte handjes van
Wiezeken onder het deken. En ze prevelde nog:
--Morgen zal 't ten halve genezen zijn.
Ze rechtte zich en zag omme binstdien, en Romaan stond daar, vóor haar,
te staren, heinde weg, roerloos en zonder uitkomste. En ze merkte, zóo
blootliggend op zijn aangezicht, zijn endelooze leed. En ze herhaalde
met onzekere stem, om toch wat leven in dees bange geluchte te krijgen:
--Morgen zal 't ten halve genezen zijn.
Maar de stilte en wilde niet breken, en hare woorden stierven seffens
uit, zonder naklank, zonder een bijblijvend gedacht, dat mocht de
angstige leegte vullen. En dan zweeg ze ook, met de anderen mee, en dan
hoorde ze somtemets het snorkend asemken van 't zieke kind.
Tot, op een ende, allengs 't rumoer van voorbijrijdende karren en een
standvastig gebas van honden hier binnen drong en hoofdzakelijk werd,
ten teeken dat stilaan elkendeen zich van Wiezekens' beeld lostrekken
wou. Daar was buiten een man die riep:
--Scherre-scherre-scherresliep!
En hij deed een krissend wiel draaien, dat lijk een scheur door de
ruimte kreesch. Naderhand klonk boven, op het tweede verdiep, 't geronk
van een naaimachine, en bij poozen, een blijde meisjesstem vrij trillend
in een leutig lied. Goedele lei haren arm op Romaan zijnen schouder, en
Madeleen wendde met een diepen zucht haar aangezicht van hem af. En
mijnheer Ameye zei:
--We mogen hier alzoo niet blijven, en de kamer vullen....
En terwijl allemaal stille wegdrumden, vroeg hij wat een lieve
gebuurvrouw daar zong, ginder hooge. Tante Olympe trok voorzichtig de
deure dicht, en begon seffens te vertellen van het zonderlinge
huishouden.
--Een blinde met zijn dochter.
Ze noemde de dochter "een verloren maarte". De oude vader knorde en
ronkte en keef den heelen godschen dag door, en 't meissen zong
swijlens. Men hoorde ze van den morgen tot den avond. 't Waren goede
herten.
--En hoe geraken ze aan hun brood?
--Ja, hoe geraken ze aan hun brood!...
Tante Olympe zette zich bedenkelijk neer, en lonkte naar Madeleen, en
vouwde hare handen over haren schoot, daarna eens smakkend, alsof ze
iets zeggen zou van gewichte. Ze deed hare duimen overeen draaien.
--Ja, mijnheer Johannes ... ze naait.
Ze zei 't zoo beteuterd dat Ameye lachen moest, en elkendeen, met
gemaakt geweld, meelachte. Ze werd dan een beetje rood, vlak naast de
gouden oorbellen, en ze begon alzeere en vluggelings te babbelen om hare
verlegen manieren te verbergen.
--Ze staat laat op in den morgen. De oude is altijd eerst te been, en ik
hoore zijne voeten scherrelen over 't plankier en zijn stok matelijk
kloppen. Hij maakt zijn eigen fluks kwaad en dan staat hij te grollen of
loopt mompelend rond. De man moet veel geleden hebben. 'k Zie 't op zijn
gelaat. Hij heeft een moeden mond en zijn doode oogen liggen in een
rimpelkrioelinge bijkans te lore. Zijn lippen hergaan bij stonden, alsof
hij een antwoord gaf op een invallende gedachte. "Ja!" zegt hij, kort,
droog, met tot ruk van zijn kinnebakkes, en niemand weet tot wien hij 't
zegt. 'k Zeg hem al eens tegen, al lachend: "Neen!" als om te strijden
met hem. Hij blijft dan staan op de trap en heft zijnen stok op, en 't
getril van zijn neuze is een teeken van komende gramschap. Maar zijn arm
valt omlage en zijn gezicht druipt neerwaarts in een verdraagzame
droefenis, en hij zegt schuddebollend: "Och! Och! Och!" ... en zijn
doening is dan van een, die mij gelijk geeft. 't Is een aardige vent,
mijnheer Johannes.
--En de dochter?
Goedele vroeg hoe haar naam was.
--Mariëtte, zei tante Olympe.
Ze bleef, saamvouwend opnieuw hare handen, zitten, en riep nadien, met
geveinsde belangstelling, de katte, die even van onder de dresse te
voorschijn kwam en voorzichtig ruiken ging aan het tjopken van haren
wenkenden vinger. Madeleen vertelde hoe Mariëtte gestadig leutig was en
aldoor zong. De naaimachine geraakte wel eens in druk bedrijf, maar dat
en gebeurde niet dikwijls. Mariëtte hield zich meer met hare twee
kanarievogels en met hare begonia's bezig. In den uitkomende was 't een
plezier hare werkzaamheid te zien, hoe ze aan 't sproeien was, en heel
't venster vol hing met kapucijnebloemen, schoone opgeleid langs een
kunstmatige webbe van draden en touwtjes. En de vogels werden in dat
getij buiten gehangen, boven 't raam, in de gouden zonne. Gestadig
schikte ze de muitjes en spreidde er voolkens over om den wille van
muggen en ander stekend ongedierte. En als ze niets te verrichten had,
boog ze zich over de bloempotten heen en bracht hare lippen bijeen tot
een toeterken en floot hare lievelingen voor. En lachen deed ze, zoo
geheel alleene.
--Maar....
--Een herte zonder lusten dan? vroeg Ameye.
--Ja, maar ... daar hapert iets....
--Wat kan er haperen, dat niet in zooveel leutigheid weer loskomt?
lachte Goedele.
Madeleen knikte en lachte mee. Ze probeerde in een uitbundig gepraat
Romaan's voorhoofd effen te krijgen, en sprak luidruchtig met overdreven
golvingen van haar stemme en met wijde gebaren, zich buigend, en wijkend
en zijlings wiegend, tot ze warm werd en te blozen begon. Romaan stond
vóor 't venster en tuurde naar de wolken. Madeleen zei:
--In den avond, als we al zinnens zijn naar bed te gaan, hooren we de
trap onder voorzichtige terten kraken. Naderhand zijn er geen zangers
meer boven, geen minste rumoer, geen getrippel van Mariëtte hare zotte
voetjes. Alleen nog, somtemets, een kort gegrommel van den oude, die
aleens poogt de deur open te doen. De deur is vaste....
--De deur is vaste, ja, prevelde tante Olympe.
--Omtrent twee uren in den morgen, kraakt opnieuw de trap en rotelt de
sleutel in de klinke.
--En Mariëtte...? vroeg Goedele.
--Ja, Mariëtte zelve. 't Zijn hare eenige wandelingen. Ze gaat anders
nooit uit.
Romaan wendde zich omme.
--Ssjt!... Hoore 'k Wiezeken niet?
Elkendeen luisterde en de ongemakkelijke stilte heerschte lijk te voren,
alle geluiden der strate groot makend. Tante Olympe ging kijken of
Wiezeken sliep. Ze kwam weer op hare teenen, elkendeen geruststellend.
--'t Slaapt lijk een engelken. Overmorgen is het te been.
Ameye boog zich naar Goedele en vroeg, oolijk lachend, wat hare meening
was omtrent Mariëtte. Madeleen trachtte de vraag af te weren, omdat die,
volgens haar, zoo direkt in 't intiem denken dringen wilde. Men mocht
niet oordeelen. 't Gold hier eene zeer delikate gevoelstoestand.
Maar Goedele vond hier zoo diep een ernst niet in, en ze lei uit wat,
haar inziens, een rechtveerdige uitspraak zijn zou.
--Ik neem aan dat Mariëtte gelukkig is. Zij heeft heur eigen niets te
verwijten.
--Djeezes-Maria! kreet tante Olympe.
--Zij mint het Lenteweer, de bloemen, de vogels, 't vrije geluchte, dat
neervalt uit de blauwe hemelen. Ze voelt haar vleesch, haar heele lijf
opengaan in schoonheid, in nature. Hare doening 's nachts en zal niet
tegen nature zijn. Dat ware onmogelijk. En, overigens, wat doet ze dan?
Ze gehoorzaamt misschien aan 't geheime bevel van haar wezen. Ik meen
niet dat ze misdadig is. 't Ware in elk geval onwaarschijnlijk.
--Ja, zei Romaan.
--'t Is een slette, zei tante Olympe.
Ameye lachte luid en stond recht. Hij trok zijn overjas aan en moest nu
gaan--nog een paar zaakjes afhandelen vóor den noene--en morgen zou hij
eens binnenloopen nog, rond den elven. Hij drukte forsig de hand van
Romaan en groette tante Olympe minzaam, haar met een dwaas woord tot
bedaring brengend, en lachte nog als hij Madeleen goeiendag wenschte.
--'k Zal eens 't portret maken van Mariëtte....
Hij boog vóor Goedele en drong nadien met zijne klare blikken heel diepe
in hare oogen.
--Voor u, juffrouw.
--Ja, doe dat, sprak Goedele.
Ze wist niet goed wat hare eigen bedoeling was met deze woorden. Ze had
zoo werktuigelijk geantwoord, meerendeels om hare lippen te roeren en
aldus eene wrevelige verlegenheid te duiken, die over heur aangezicht
kwam. Ze hoorde naderhand alleen in ver lawaai al wat nog gezeid werd,
en Ameye was lang verdwenen, als zij nog zijne blikken voelde, heel
zonderling daar blijvend, vóor haar, met een bovennatuurlijken wil....
Wanneer ze ook dees huis verlaten had, en de straten doorliep, werd ze
droevig en was te wege weer te keeren. Ze asemde daar zoo vrij, en nu
zou opnieuw moeder nevens haar komen, en grootvader en van avond
Sebastiaan--heel die koude wereld, die gemanierde wereld; tusschen al
die naakte muren haar nijpend en knellend en zeer doende. En 't povere
kamerken, waar Wiezeken te lijden lag en was zoo eendelijk niet als
gindsch vierkante steenmassa.
Ze bleef droomend lanterfanten langs de uitstalling van den modewinkel
en peinsde:
--Die mijnheer Ameye is een leege man.
Ze joeg hem seffens uit hare gedachten en verzinde 't beeld van
Mariëtte. Ze vond daar behagen in--een kap met blonde lokken, een
gezichteken als van een zoete deugniet, rond en rood en donzig, en een
natte mond en gloeiende oogen en lieve vingeren, gewend aan 't bedrijf
van kanten geluksweefsels. Ze liep bijna een kindje omverre. Ze werd
beschaamd en stamelde en drilde voort, haastig. Ze zag een tram meteen
stilstaan vlak vóor haar. Ze peinsde:
--Die mijnheer Ameye is ongemanierd--en niet vriendelijk ... en niet
schoon....
En vlugger spoedde ze zich, zonder reden af en toe stil blijvend bij een
schitterende kleur ievers aan een venster, of bij een hoog geluid, dat
voorbij gilde. Ze hield van niets een vast gedacht. 't Sleerde allemaal
over hare hersens. Ze wilde bij stonden tante Olympe oproepen in haar
hoofd, haar zien trippelen en snokken met haar kinne en wuiven met haar
armen. Ze wilde Wiezeken herdichten, het bleeke wicht. Ze zag den
poesjenel. Ze zag het witwollig lam. Ze peinsde:
--Waarom vroeg hij, wat ik over Mariëtte denk?
En verder drevelde ze, koortsiger wordend naarmate hare gevoelens meer
verward dooreen stringelden. Als ze in de stille wijk van blinde
rijkemanshuizen geraakte, hijgde ze en was danig opgehitst. 't Docht
haar dat de toekomst luchtig werd en dat er klaarten kwamen en een breed
zicht. Ze voelde heel vaag eene grondige verandering in haar lijf, een
ongewoon trillen, een ziedende leven. Ze hijgde, en zij en was niet moe.
Ze was zeker dat iets heel schoons zich had veropenbaard in hare ziel.
Ze vroeg niet naar een oorzake. Niets was bepaald. Ze baadde zoo in een
streelende warmte, daaraan deugd hebbende en zonder verlangen
voortgenietend. Haar bloed sloeg forsig omme en, in haren hals, tegen
hare hooge krage, werd zij den sterken klop ervan gewaar.
Ze stond meteen vóor 't donkere hekken. Ze hoorde de wind zoeven in de
boomen van den hof. Alles brak, viel in haar. Ze moest zich vóor den
drempel ontdoen van alle geestdrift, alle gejubel. Ze keek naar de koude
muren en naar al die beloken vensters en onderaan naar de vier
ontsloten--gladde ruiten, met de franjen van donker roode gordijnen en
de witte beelden van twee steenen poedelhondjes. Ze boog haar hoofd en
zuchtte. Het zware geluchte van daarbinnen sloeg haar tegen het
aangezicht....
* * * * *
V.
Ursule vroeg haar of zij 't geld gebruikt had. Goedele had het
bankbriefken bij 't uitgaan in tante Olympe's hand gestopt. Ze sprak nu
heel onverschillig, terwijl ze haren hoed afnam en vóor den spiegel heur
haar een beetje schikte:
--Och! ja, moeder....
Ursule antwoordde niet en ging een krulleken witte wolle wegknipperen,
van Goedele's kleed.
--Ge hebt wolle op uw kleed.
Ze zette zich neer vóor 't venster en kruiste hare beenen en deed haar
pantoffel bijzen op 't ende van haren opgeheven voet. Ze lei hare armen
op de leuning van twee naaststaande stoelen en vroeg hoe 't met Wiezeken
was. Goedele zei dat het haar niet goed voorkwam, dat het kind daar wel
deerlijk lag, zoo wit over zijne kaken, zoo wassig, en zoo teerblauw op
de randen van zijne lippen.
--'t Zou moeten de buitenlucht hebben. 't Zou moeten kunnen breed
asemen. Zijne longetjes zijn geheel vernepen, geheel klein en
nutteloos....
--En hijgt zijn borste?
--Bij stonden.
--En ... zou 't eraan kunnen ... weggaan...?
--Watte?
Ze keerde zich fluks omme en staarde in Ursule's oogen, zich buigend om
indruk te maken. Maar moeder bleef roerloos en liet hare blikken
geleidelijk meewiegen, met de bijzing van haren voet, kalm verklarend
onderwijl dat ze dat zoo maar vroeg....
--Uit belang ... zekerlijk.
Met een ruk, alsof ze peinsde een wrokkig woord neer te gooien, zei
Goedele dat Wiezeken den dood nabij was. Ze werd rood en voelde eene
dwaze verontweerdiging haar hoofd dol maken. Ze joeg bijtende zinnen
achter malkaar:
--Ge moet het wel weten hoe Romaan nu lijdende is, gij die zoo geleden
hebt om ons, indertijd, als we zieke wichten waren. Hij beseft nog niet
hoe verre Wiezeken alreeds van hem verwijderd is. Hij ziet wel overal
donkerten ommendom, maar hij hoopt. Gij weet het wel, niet waar? hoe die
toestand is.... Gij zijt zijne moeder. Ik heb uw bankbriefken afgegeven.
Ze ontzenuwde alzoo haar eigen zelve, en moest, na een stonde, wegloopen
om niet haar drift uit te storten in geweldige gezegden.
Mevrouw Wilder bleef nog beweegloos zitten, liet zich wegvaren in verre
gepeinzen, streelde in haar brein 't vooruitzicht van een toekomst die
wellicht weer goed worden zou. Ze voorspelde in hare hoopvolle
mijmeringen nieuwe dagen van ijverig werk: Romaan en Goedele saam
gespannen aan een reuzentaak, en, in een harrewatrije van voordeelige
zaken, een versche geldstroom.... een weelde van rinkelend goud....
Dàn wilde ze sterven, alleen dàn.
Ze sprong rechte en duwde hare vuisten op de tafel. Ze siste tusschen
hare tanden:
--De prije zal ik wegkrijgen.
Ze had het al lange gecombineerd, hoe ze Madeleen zou weggekregen
hebben. Als Wiezeken dood was, zou alles wel braaf van stapel loopen.
--Dat arme Wiezeken....
Ze prevelde drij keeren:
--Dat arme, arme Wiezeken....
Ze beluisterde geerne hare stemme, wanneer ze 't onnoozel kindeken
bekloeg. Ze had somtewijlen groote angsten. Ze dorst het aan haar zelve
niet bekennen, dat ze Wiezeken's dood verzocht. Ze wilde dat verlangen
wegjagen met een deerlijk woord, en verlangde maar gedurig naar dat
ende.
--'t Zou 't ende zijn.
Ze redeneerde dan. 's Nachts werd ze altemets wakker en voelde hare
vreezen naderen, een zonderling, verwijt, dat altijd opkwam bij bange
uren en haar folterde. Ze redeneerde seffens--Wiezeken was zoo'n luttel
ding, zoo ziekelijk van nature ... en wat zou er van geworden als het in
leven bleef?... 't zou toch allengerhand wegtsieperen, stillekens....
't was beter dat men 't maar dadelijk verloste uit zijn pijnen ... het
dutseken ... in den hemel zou 't gelukkig zijn....
Tegenover Goedele dorst ze daarvan niet spreken.
Na 't diner--ze hadden gevieren sprakeloos hun soep en hun vleesch met
groenten gegeten--sloot Ursule zich in hare kamer op en Goedele
lanterfantte bij 't klavier, behagen vindend in eene fantastische reeks
van Grieg. Albien bleef zitten bij haar en, als de oude Rik ook langs de
trap weggeraakte, schoof hij een stoel dichte bij de groote tafel en
nam, bezij den schoorsteen, de dooze, die Sebastiaan hem had
meegebracht. Hij zei:
--Dat is een nar ding, wat ge daar speelt, mijn kind!...
Hij zette zich goed op zijn gemak en bracht het Zwitsersch huizeken te
voorschijn. Hij bekeek het al glimlachend, in kinderlijke bewondering,
en leunde achterover om beter te genieten, een oogenbliksken, van het
heerlijke zicht. 't Was een huizeken witgeverfd, met een hoog
schalieblauw dak en groene luiken langs de gevels. Vooraan was precies
een terras van bruine steenen met versiersels in eikenhout. Boven het
dak steeg een vierkante toren. Daar hingen de klokken in. Men kon ze
echter niet zien. Hij had zich dikwijls afgevraagd of 't in waarheid wel
klokken waren en of dat beiaardspel niet feitelijk een snarenspel zou
zijn.
--Een bedriegsel, een bedriegsel, menschen....
Maar schoone was 't gansche gedoe. Kantewaarts, onder de euzie, was een
slot. Hij moest daar nu een sleutel insteken en draaien tot de
binnenzijdsche mekaniek opgewonden was en een kort getjok er klopte, ten
teeken dat de veêren gespannen waren. De sleutel hing aan zijn
horlogieketen, naast een paar Hollandsche dubbeltjes, waar hij zelf een
gat in geboord had, en een bronzen medalje van de onlangs gesloten
nijverheidstentoonstelling--een geschenk van mijnheer Devleeschhouwer
--een klein zonnewijzerken en een sigarenknipper, waar 't koper van
ouderdom zich doorsmeet. Hij moest rechtstaan en zijn buik opsteken om
den sleutel te bezigen. Hij zette zich nadien met een vroolijken zucht
neder, en wachtte, en lei zijn rugge deugdelijk tegen de stoelleuning.
Het binnenwerk begon te ratelen en seffens schoof een dubbele deure open
op het terras. Twee poppen schoven, met een krijschend geruchte, naar
buiten, en 't beiaardspel ving aan. 't Was nu een matelijk dansen. 't
waren snokkende sprongskens begeleid door een roteleere van krakende
wieltanden, naar 't oordeel van Albien allemaal wonderschoon. En de
beiaard speelde een oud veuzeken, liefelijk en huppel-licht, en 't was
hem een diep geneuchte ernaar te luisteren, elk toontje op te nemen,
achtereen, en te troetelen in zijn hoofd, dat zat werd van de zoete
harmonije. Hij mummelde, blozend van geluk:
--Dat is nu mijn eigendom.
Goedele keerde zich omme en keek hem na, hoe hij schuddebolde en meeging
met den kleinen zang, hoe zijne handen ommentweere bijsden, rythmisch en
half-beloken, en hoe zijn voorhoofd blonk en zijpelde van overvloedige
wellust. Als de mekaniek stilaan verslapte en, met nog een laatste
rukje, stillebleef, herwond hij ze op, en weer vergenoegde hij zich in
't zelfde deuntje en in 't eentonig gebaar der poppen. Hij verdeelde nu
zijne aandacht en loerde meer bepaald naar den gang der blikken armen,
nadien naar 't nijgen der steenroode koppekens, dan naar een haperinge,
die, op gelijke afstanden, gebeurde en zich hernieuwde gedurig. 't Was
't wijveken, dat meteen roerloos viel, en, na een stonde, terug
opsprong. Hij zocht beteuterd naar de oorzake van die onregelmatigheid.
Goedele zag hem triestig worden en zijne lippen herdoen en schrik
krijgen middelerwijl.
--Mishandt er iets? vroeg ze.
--Wel neen, wel neen, zoo precies....
Hij sprak dan verlegen en verwonderde zich:
--Ge kijkt ook hiernaar?... Hoe mirakelachtig dat is!
Hij mooschte en prutste en draaide nog eens het spel in gang. Goedele
keek naar hem en voelde groote deernisse. 't Klonk, in deze hooge kamer,
zoo deerlijk, dat onnoozel muziekhuizeken. Op strate was er weinig
rumoer--af en toe het tijdelijk gerij van een sjeeze. In den hof
ruischte het zoevend geboomte. Hier, alleene en gelukkig, maakte Vader
een zottig lawaai, gedurig bezig met zijn nutteloos bedrijf, alsof zóo
eeniglijk zijn leven was en niets hem aanging daarbuiten. Ze vroeg:
--Hebt ge daar wel zin in, vader, dat ik met Sebastiaan trouw?
--Ba ja....
--Wenscht ge dat uit ganscher herte, vader?
Hij hief zijn ronden kop omhooge en zijne oogen zeiden genoegzaam dat
hij nooit daarover nagedacht had. Het was besloten: ze zou trouwen met
Sebastiaan. Ursule had het zoo besloten. En Sebastiaan was geen kwaad
aanbod ook.
--'t Is een brave jongen....
--Dat is de zaak niet.
Ze wilde hem doen aarzelen, eene onzekerheid brengen in dezen
hinderlijken geest. Maar Albien kende slechts éene waarheid, en die lag
besloten in de wet van Ursule. Even ontwaarde hij in de woorden van
Goedele een opstand tegen die wet.... Hij bleef verbijsterd zitten, niet
goed begrijpende zoo'n daad, die, naar zijne meening, de menschelijkheid
te boven ging. Hij struikelde in een hakkelend gezegde:
--Moeder heeft toch ... gesproken ... niet waar ... toch kenbaar gemaakt
haren wil?... 't is haar wil toch?... van moeder?...
Het rammelend huizeken viel stil en het deurken flapte toe. Goedele
begon meteen luidruchtig te lachen van koortse. Dan keek ze Albien met
natte oogen aan en boog zich over de tafel, zoekende met hare handen
naar zijne luie vingeren.
--Och, mijn goede vader, die nooit verdriet en hebt....
Hij lachte mee en verjoeg alzoo het angstig oogenblik, dat over zijne
slapen gekomen was.
--Ha! Ha!... dat is een aardige perte ... 'n fameuze!...
Hij vond het allerbest dat het zoo op een ende afliep. Hij was nu
overgelukkig. Hij nam een kaartspel en begon voor zijn eigen kunsten te
probeeren, die hij in Snoeck's boekjes aangeleerd had. Hij wond eerst
nog eens het Zwitsersch huizeken op, en, binst dat de poppen op mate van
het beiaardspel hunnen snokkigen dans deden, lei hij de kaarten
nevenseen en deed toeren. Zoo was 't geluchte vol om hem. Zoo was overal
de tastbare aanwezigheid van zijn eigendom en al wat leeg was in deze
kamer, werd weelde, zijne weelde.
--Denk ereis 'n kaartje uit, Goedele, van de éen en twintig die 'k hier
openlegge ... toe ...
Hare genegenheid deed hem deugd, omdat hij die gebruiken kon als een
ernstige belangstelling in zijn doening. Hij vroeg:
--Hebt-ge ze alreeds?
--Ja ik, zei Goedele met een zucht, al leunend op hare ellebogen.
--Nu moet-ge toogen in welk van deze drij pakjes uw kaarte ligt, de
kaarte van uw keuze, zegt het boekje.
--In 't deze, rechts....
Hij mengelde 't spel, opgehitst, aangeprikkeld door Goedele's schijnbare
aandacht. Hij sloeg de kaarten dooreen met een gedwongen sierlijkheid en
trachtte zwierig te blijven in zijn minste gebaren. Hij hoopte de
kaarten nadien weer in drij pakjes.
--En nu?
--In 't deze opnieuw, rechts....
Hij herbegon, en een oolijk glimlachje straalde open over zijn gansche
aangezicht. Hij verdeelde de kaarten.
--En nu?
--In 't pakje te midden....
--In 't pakje te midden.
Hij maakte zich een wellustige dobbelkinne. Met een haastige stemme
verwittigde hij Goedele, dat ze nu goed opletten moest, en haar kaarte
niet vergeten.
--Hebt-ge ze nog vast in uw hoofd?
--Ja....
--Ik zal ze er seffens uithalen ... attentie, als 't u belieft ... een
beetje attentie....
Het huizeken was stil gevallen. Hij draaide vluggelings den sleutel erin
en deed de wielkens werken lijk te voren, zoodat de beiaard zijn
veuzeken hernam. Hij was goddelijk in zijn schik, en dees stonde was hem
een onzeglijke verrukking. De wereld was vol van hem. Hij deed de
kaarten overeen schuiven, telde en gebaarde, met geveinsde aandacht, de
hulp van bovennatuurlijke geesten in te roepen. Hij bleef een wijlken
dubben, zette zijn hoofd scheef en tuurde bedenkelijk naar de zoldering,
in de afwachting der wonderbare machten.
--Kijk nu!
Hij smeet de kaarten overhand verre weg van hem en keerde fluks de elfde
omme.
--Koekelaas!
Hij riep ze triomfantelijk uit, zonder aarzeling, en steeg van zijn
stoel op, in glanzende glorie. Hij herhaalde:
--Koekenaas.... Hee!
--'t Was koekenaas.
--Ik wist het, ge hoeft het mij niet te zeggen. Dees is tooveren ...
eigenlijk....
Goedele keek hem aan met zachte oogen. Ze was tevreden dat hij zoo
gelukkig scheen, en prees zijn kunste. Hij viel haar in de rede,
verklarende dat niets boven het dominospel en het kaarten reiken kon,
en dat hij 't al zoo dikwijls gezegd had aan Alfred ... maar Alfred was
niet vlug, moest hij bekennen, en had lompe gepeinzen, aldoor meenende
dat hij 't beter wist dan de boekjes zelve. Alfred kon ook niet lang een
zake bezien.
--'t Is een kind nog.
Hij lachte daarmee, alsof hij wel medelijden ten slotte gevoelde voor
den jongen, die nog zoo kleinzielerig was ... omdat 't verstand voor de
jaren niet en komt. Hij was te wege het huizeken nog eens op te winden,
en verwonderde zich als Goedele bad dat hij 't maar niet doen zou. Hij
vroeg, bedrukt:
--Houdt ge niet hiervan?
Ze stond recht. Ze stilde hem. Ze hield veel van dat wonder dingen,
beweerde ze. 't Zou echter kapot geraken, als hij 't zoo dikwijls
bezigde, en zag hij bovendien nog 't manneken en 't wijveken?
--'t Wordt avond....
Zij en merkte geen verven meer. Van uit de hooge vensters, langs de
franjen der gordijnen, zijpelde het vage licht, in de kamer te lore zich
verdeelend tot het wegdeemsterde in de hoeken. Zonderlinge klaarten
blikkerden van tijd ievers op, als 't noesche verspergestraal tegen een
koperen ornement botste of tegen een glazen pot, een porseleinen
beeldeken, een witgeschuurde tinnen teele. Drij laatste krysanthemen
vlekten de naderende donkerte met hun blanke trossen. Van tallenkant
rees de plechtigheid der schemering, alles omvattend in zoetig gewaad,
voordeelig voor de droomende stilten....
Er werd gescheld aan 't voorhekken, en binst dat Albien zijn speelgoed
wegdook in de dooze, tort Sebastiaan de kamer binnen. Het was zijn ure.
Hij was altijd heel stipt. Goedele ontving hem met koortsachtige
opgewondenheid, sprak luttele woordekens en was danig vriendelijk.
Ze ontdeed hem van zijn overjas, omringde hem met hare dienstveerdige
handen, bekommerde zich om zijne bleekte.
--Zijt-ge vermoeid?
--Een beetje.
Hij voelde geerne hare hulpzame genegenheid en glimlachte geaffecteerd,
zich neervleiende in zijn eigen weerde, herkend door haar, die hij
liefhad. Hij vroeg aan mijnheer Wilder of hij 't huizeken schoon vond,
en Albien vertelde hem hoe 't ineenstak, hoeveel tijd het in gang bleef
en hoe schoon veuzekens de beiaard speelde. Terwijl Goedele een kopje
koffie gereed maakte boven 't alkoollampje, en 't gaslicht aanstak, bood
hij mijnheer Wilder een sigaar aan.
--Dat zijn weer van die fijne sigaren, zei Albien.
Ze smoorden en praatten ondereen. Goedele was uiterst gezellig en
aangenaam. Ze schonk de koffie, wierp de klontjes suiker erin, roerde en
wilde alles zelf doen.
--Gebruikt ge melk van avond?
--Als 't u belieft, een geutje....
Ze beloerde op Sebastiaan's aangezicht hoe gelukkig hij was, hoe
gevoelig voor hare dienstwillige gebaren, en hoe hij daar nu wegzonk in
zijne onnoozele verwaandheid, tevreden en zat. En Vader nevens hem was
ook een beeld van gezapig geneuchte. 't Was een gulden avond. Sebastiaan
zei 't:
--'t Is een gulden avond.
Daar kropte dan iets in hare keel en ze zwolg geweldig om 't weg te
krijgen, en glimlachte rijzekens ... maar heure oogen werden schaduwen.
En ze overdreef daniger nog hare vriendelijkheid. Ze sprak zonder
diepten, aldoor hare stem buigend in streelingen van korte,
oppervlakkige gezegden. Ze schertste met Devleeschhouwer, maakte kleine
portretjes, draaide hare meeningen tot lollige zetten en schaterde
vroolijk daarbij.
--Hebt-ge gemerkt de dwaze manieren van Bella?... Wel Jeezes!
Door den rook der sigaren en 't geronksel van die vlugge babbelingen was
Albien thoopegezakt en in slaap geraakt. Hij schoot altemets wakker,
sluimerde seffens weer weg, en zijn hoofd bijsde ommentweere, zijn bolle
glanzende hoofd.
--Bella? vroeg Sebastiaan.
--Wel ja, herinner u ... ze zat lijk een katte te lonken....
--Ik weet niet....
Ze ging voort. Ze spotte en peuterde aan diverse gezichtjes en had leute
met die potsierlijke menschen. Sebastiaan duwde den damp zijner sigaar
in ringen en krullekens omhoog, en liet zich dat grillig gepraat
welgevallen. Het kwam alles zoo in zijn schik. Hij hield zich als een,
die boven deze meisjesdoening staat, maar in waarheid had hij er deugd
aan. Te dezer stonde was hij werkelijk de man, die thuis keert van zijn
moeielijk en bovenzinnelijk werk, en zich nu vergenoegt in 't naïeve
gesnater van zijne vrouw, die lieve, de mindere.... Hij luisterde en 't
maakte hem dronken. Hij zei stille:
--Later zullen wij interessante vrienden op diner ontvangen.
--Wij?
Goedele keek hem diep in de oogen, en ze voelde dat hare ziel zich op
een ende losrukken zou. 't Zicht der toekomst, dat hij opriep, walgde,
folterde haar. Ze wilde niet dat hij de toekomst aanroeren zou. De
huidige uren wilde zij gelukkig maken, en ze zou meegaan, dag-in,
dag-uit ... en wat er gebeuren moest, zou gebeuren. Ze was gedwee....
Maar den sluier wilde zij ongeraakt zien hangen. Wat er achter was,
bezeerde haar.
Ze werd somber. Ze kon niet het onmogelijke doen en voortlachen. Ze
staarde mijmerend in hare gepeinzen, wachtend tot de schoone eenzaamheid
komen zou. Sebastiaan, verloren in zijn standvastig geneuchte, merkte
niet hoe plotseling zij zich van hem verwijderd had. Onbewust vulde hij
de stilte, die nu heerschend was; hij sprak van zijn zoeken, van zijn
studie. Hij was bovenmatelijk gelukkig als hij daaromtrent verhalen
mocht.
--Dat doet u dan ook plezier, niet waar?
Ze tuurde naar 't licht en zag de verte, die onzeker was.... Ze zei,
niet wetende:
--Ja....
Hij deed seffens Hieronymus Bos herleven, en zijne handen begonnen te
wuiven, te keeren in 't geluchte, sierlijk en vroom. Hij teekende die
uitermatige figure, dien ziender van monsters en wangedrochten.
Hij had ontdekt hoe een ellendig mensch Bos geweest was, hoe hij geleden
had tot zijn doodsure alle weeën, die een ziele dragen kan, en hoe hij
toch ten langeleste eronder was bezweken. Hij vertelde hoe de kunstenaar
dan gewerkt had, hoe zijn koortsige geest al die akeligheden geschapen
had en gebeeld in kleuren, en hoe in dat schijnbaar-drollige werk van
Bos een verwijt lag voor de menschen. Nadien had hij zijne eigenlijke
studie kunnen aangevangen: de invloed van Bos op Filips II van Spanje.
Hij schilderde Filips als een ziekelijke mystieker, die behagen vond in
de nare tafereelen van Bos. Hij zag den koning, met koortsige
nieuwsgierigheid, die tafereelen ontleden en beweegbaar maken. Hij zag
hem wreed worden in de nabijheid der hellegeesten van Bos, omdat hij
niet vreezen wilde.
--En hij vreesde!...
Allangerhand joeg Sebastiaan, in 't spreken, zijn bloed op, en zijne
gebaren schokten aleens zenuwachtig uiteen bij een woord, dat
hoofdzakelijk moest zijn. Hij meende Goedele's gedacht te boeien. Hij
merkte hoe zij hem nu nakeek, hoe hare oogen roerloos op zijn gelaat
zich vestigden. Hij wendde zijne blikken af en staarde gedwongen naar de
poedelhondjes, die op 't vensterblad pronkten, maar innerlijk was hij
tevreden dat zij hem in zijn rede zoo nauwkeurig volgen wou....
Tot ze hem meteen het woord afnam:
--Is dàt uw werk?
Ze hoorde zelf, hoe koud haar gezegde klonk. Hij zweeg een oogenblik:
't was of met een ruk de poedelhondjes waren opgesprongen. Hij bleef
beteuterd, vernederd zitten. Goedele, eerst verwonderd dat haar uitval
zoo pijnlijk was geworden, wilde niet meer wijken, en koppig dreef ze
door, slaande op elken zin, om zich op te hitsen.
--Is dàt uw doode werk?... En zal ik leven in 't bijzijn van al die
schimmen? Zult genievers een woord vinden, dan om die oude namen tot
levende gepeinzen herop te wekken?... Maar voelt ge niet dat ik
uitkwijnen moet in dien fantastischen rommel, in die beschimmelingen
zonder kleur noch gedaante?... Ik weet niet, wat ik noodig hebbe. 't Is
mij te onduidelijk, omdat ik ziek wordt stilaan. Maar mijne armen, mijne
handen, mijn nekke dien'k plooien moet, mijn gansche lijf wil lucht en
beweging. Van wat is en voelbaar is, wil ik genieten.... Ik vraag het
mij dagelijks af: 'k betaste mij en 'k vrage ... waar 'k zeer heb, waar
ge mij zeer doet, gij allen, die niet leven wilt!...
Ze stond rechte, lengde zich uit, groot wordend en hare sterkte
uitspreidend om haar.
--Mijn vleesch is struisch--maar binnenwaarts zegeviert de pijne. Ge
martelt mij aldus, ge nijpt mijn herte thoope in enge banden van koud
metaal. Waarom is alles dood wat ge mij te geven hebt? Waarom en toets
ik niets dan doode dingen, allentwege doode dingen? Hebt gijlie geen
polslag? hebt gijlie geen warme handen? hebt gijlie geen voelenden
geest?
--Goedele!
Hij vatte haar bij den arm. Hij was gekrenkt. Hij zei kort, met bevende
lippen:
--Dat is slecht, wat ge doet.
--Slecht?... Maar mijn hoofd berst en breekt. Wat hebbe'k miszeid? Mijn
hoofd is een zware kasse, en 't weegt me, 't weegt me zoo pijnlijk. Wat
draag ik daar al niet in, sinds jaren opgeraapt tallenkant! Die muren
hier folteren mij. Ge zult mijn man worden. Mag ik me niet ontlasten bij
u? Moet ik de sterkste zijn, en ben ik slecht, omdat ik u een part geef
van 't schrikkelijk gewichte? Ik wil niet meer leven alzoo. In dees huis
ben ik onvolledig en voel ik nood. Gij zijt gekomen. Gij zegt dat gij me
lief hebt....
Ze werd gewaar dat hare stem zeeg en te trillen begon; ze hief hare kin
omhoog en rok haren hals uit. Ze wilde hare woorden niet belijden, ze
zoo maar uitspreken, zonder dat ze een smertelijke herinnering opwekken
mochten.
--Dat ge ... mij lief hebt ... ja. Leef nu! Doe niet mee met de doening
van heel dees huisgezin. Kijk rond u.... Vader speelt met popjes.
Grootvader is een roerende schaduw. Moeder ... och, moeder ...
Sebastiaan ... is me vaak lijk een noodlottige figure, gaande in steenen
stilzwijgendheid.... En gij nu nog vingert in een vunzig verleden.... Is
zóo de wereld, zóo de menschelijkheid?... Ik weet niet meer, ik twijfel
en ik lijd: ben ik abnormaal?
Ze dwong stille haren arm los.
--Ben ik buiten nature, en gijlie te zaam, leeft gij waarachtig naar 't
gebod van uw wezen? Ik word onzeker. Ik haper in mijn gepeinzen. Ik
bekijk alles te vergeeft ... te vergeeft, want uw aller zicht drijft me
slechts tot opstand.... En dulden wil ik, verdraagzaam, gedwee ... en ik
ween als ik eenzaam zit--Mocht ik dat alles ú niet zeggen?
Hij lei zijn magere handen, in blank gebaar, over zijn aangezicht en
liet ze erover trage neerwaarts zijgen. Hij sloot zijn oogen en verdroeg
een oogenblik de stilte. Dan sprak hij met veel droefenis en zijne
woorden, onderbroken bij poozen door onregelmatige zuchten, kregen in 't
luisterend geluchte, na 't verwilderd krijten van Goedele, een ongemeen
belang. Hij zei dat ze hem diepe pijn veroorzaakte, dat hij haar liefhad
boven al wat hem anderszins lief was, en dat hij zou ommekeeren in zijne
levensbaan, als het haar zoet mocht zijn. Hij kon niet nalaten, ook op
dezen stond van waarlijke smert, zijn gezegden te meten en schoon te
sieren in passende golvingen. Hij beluisterde zijn eigen. Hij vroeg:
--Wat moet ik doen? Ge hebt mij zeer gedaan....
Ze viel terug neer op haren stoel, afgemat, en haar gemoed kwam vol.
Ze stortte dan voorwaarts op de tafel en begon te snikken. Ze voelde
Sebastiaan's vingeren streelend over hare schouders gaan en hoorde hoe
hij daarbinst haar troostte met schoone uitdrukkingen. Ze jammerde dat
hij haar vergeven moest, dat ze koortsig was en hem wel geerne bij haar
had, dat hij goed was voor haar en niet hoefde te veranderen ... dat zij
de schuld was van haar gemaakte wee, door haar wrevelige zenuwen, door
hare lichtzinnigheid, door hare vreesachtige zwakte.
--Ge moogt niets zeggen hiervan aan moeder.... 'k ben ziek, ik verzeker
u. Ik ben onrustig en hebbe sinds gisteren hoofdpijn--slagen in de
hersens.
Ze huilde en haar gansche lijf schokte op. Ze wilde niet kijken naar
Sebastiaan. Ze bleef liggen; haar gelaat dook weg in hare saamgebrachte
armen.
--'t Is best ... dat moeder niets weet ... getweeën zullen we 't
gemakkelijker ... vergeten....
Maar moeder stond al in 't deurgat. Haar stevig aangezicht rees bleek op
uit de gapende donkerte, en 't licht kletste open op haar voorhoofd. Ze
tort naar voren. Hoe dof ook hare stappen smoorden over het dichte
tapijtsel, toch voelde meteen Goedele hare aanwezigheid. Ze sidderde en
haar asem bleef hangen in hare keel. Hare vroegere vreezen bevingen haar
op een nieuw en verlamden hare spieren. Ze dierf moeder's blikken niet
taken met haren blik. Ze wachtte.
--Ik mag u ook wel troosten, mijn kind, zei Ursule met effen
bedaardheid.--Ze kwam naderbij, ging de tafel rond en schudde onderwege
Albien, die seffens rechtsprong en kinderlijk-benauwd daar te gapen
bleef. Ze stond nu in de volle klaarte. Ze was uitermatelijk groot en
meesteresse. Ze wenkte met hare hand ten teeken dat mijnheer Wilder zich
verwijderen mocht, onverwijld, en, als hij sprakeloos wegdrummelde, keek
ze rustig naar haar zakuurwerk. Men hoorde rijzekens het horloge tikken.
Ze sprak:
--Het alkoollampje brandt nutteloos.
Ze ging het uitdooven. Ze nam de sigaar op, die uit Albien's vingeren
geglibberd was, en blies de assche uiteen langs het tafellaken. Met
streelende zachtheid boog ze zich over Goedele en vroeg wat er deerde.
--Ge moogt u niet ophitsen en schadelijke gepeinzen voeden. Wilt ge een
druppelken munte?
--Danke, moeder ... ik ben ongemakkelijk, ik lust niets ... 't zal
geleidelijk overgaan.
--Dat meen ik ook ... Mogen wij u morgen verwachten, Sebastiaan?
Hij stond seffens recht en beloofde dat hij stellig komen zou.
--'t Wordt nu late, voegde hij erbij, wel een endeken vernederd, omdat
zij hem zoo dadelijk wegzond. Hij was echter min in zijn schik nu en
vond het om dieswille niet onpasselijk, dat hij vertrekken mocht. Hij
wist niet wat zijne houding zijn moest. Hij zou morgen meer weten.
Goedele droogde hare oogen en bracht hem zijn overjas en zijn hoed.
Niemand sprak daarbinst. Gedurig heerschte de wegende stilte. Op
elkendeen's lippen lag een onbeduidend gezegde, dat iets verroeren zou
in 't geluchte en een beetje rustigheid stichten, een beetje
verstrooidheid te gelijk.... Naar niemand en dierf noch en sprak. Men
haastte zich, in schijn onachtzaam en lui zich toonend, en de leegte die
overal was, werd onverdraaglijk....
Sebastiaan vertrok.
Ursule kwam vóór Goedele staan en kruiste hare armen over hare borst.
Ze beet haar toe:
--Kijk òp!
Ze wilde in de hersens wroeten van haar onwillig kind en tusschen hare
tanden heen sisten hare woorden.
--Wat zijt ge van zin?... Ik vraag u--wat zijt ge van zin? ... Kijk òp,
zegge 'k. Wat zijt ge van zin.... Laat me zien in uwe oogen. En duik uw
voorhoofd niet.... Op! wat is er?
Ze bukte zich en stiet haar kinne naar voren, en een rimpel duwde de
hoeken van haren mond neerwaarts.
--'t Wordt tijd dat ik het weet.... Nu zal ik alzoo gesteend en
gejammerd hebben om 't kwade gedrag van Romaan; nu zal ik alleen zijn
rechte gebleven om de hoop, die ik stelde in u ... en nu zoudt ge 't
leste gebouw omverre storten?
Ze sloeg haar hoofd met een snok achterover, en stond daar een oogenblik
met hatelijke blikken en dichtbeloken lippen, zich in te houden precies,
om geen uiterst geweld te zeggen. Dan schoot ze uit, lijk een razende,
onbeteugeld en afgrijslijk.
--'t En zal!... Hoe gij 't ook draait of keert, hoe oolijk gij 't
aanlegt, hoort ge?--'t En zal! Ik zal u vasterijgen.... Ik zal u
vasteketenen.... Ik zal u dwingen tot eerbied voor mijn wil.... Luister
goed--ik heb mijn leven lang gezwoegd en geslaafd om geld ... met mijne
vingeren, tot mijn nagels sleten ... en tot de nacht al verre was ... en
van heel vroeg in den morgen ... om geld.... Dat geld zou vruchtbaar
zijn. Luister goed: ik wil dat het vruchtbaar zij ... ik wil dat nog
zien om mijn ouderdom blij te maken.... Romaan heeft mij verraden ...
die laf hertig is en liever zijn moeder beleedigt ... dan zijn
slette.... Maar gij, ik zegge 't u, wees voorzichtig.... Ho! Ho! ik
zegge 't u.... Rechtgaan ... de weg is dáar--ik heb hem u gewezen....
Ze merkte nu hoe Goedele, eerst verschrikt, zich allangerhand hervatte
en tot bezinning kwam, hoe zij zich tegenwoordig rustig neerzette en al
die harde woorden zonder aandoening liet wegslibberen, zijwaarts. Een
onzeglijke woede verdonkerde haar aangezicht en vierkantig viel haar
mond open.
--Haâ-aâ-aâ....
Maar ze wrong hare kaken regelmatig thoope en zweeg. Vluggelings begreep
ze dat het dwaas was met koppigheid tegen Goedele's koppigheid aan te
stooten, en hare gewone sluwheid dook op, almachtig. Hare minste gebaren
werden lijk te voren berekend en geleid, en hare gramschap liet ze
meteen wegvallen in een diepen zucht:
--Och, Heere-lief!...
Ze zakte naderhand ineen op een stoel, vouwde stille hare handen over
haren schoot, en, haar voorhoofd neerbuigend, staarde in droef gepeins
op 't gebloemte van het tapijt. Ze bleef een stonde sprakeloos en daar
zeeg over heur gelaat een groote droefenis. Met een ontroerde stemme zei
ze:
--Ik heb ongelijk.... Ik voel dat ik niet wel ben.... Ik had u dat
anders moeten zeggen ... niet zoo brutaal, mijn kind ... maar ik ben
niet wel, zekerlijk.... Ik ben koortsig. Ge moogt die leelijke dingen
... daar even ... niet kwalijk opnemen. Ik heb u lief, ik wil uw
geluk....
--Ik ben niet gelukkig.
--Ja ... daarom wil ik zoo hardnekkig uw geluk. Ik mag u niet laten
onzinnig zijn. Ik moet u leiden, ik moet u doen opgaan ... naar dat
later geluk.... Wat scheelt er?... Ge vindt het hier eng. Ge moet u
opbeuren. Het is hier niet eng. Wat scheelt er? Ge beeldt u dat allemaal
in, omdat ge te veel alleene zit. Ge timmert al die akeligheden op, in
uwe eenzaamheid.... Laat Bella hier komen!... na het diner ... 's
avonds, en praat wat, zing wat....
--Bella moet hier niet komen.
--Laat Sebastiaan alle dagen zijn bezoek doen!... na het diner ... dat
deert immers niet!
--Dat deert mij.... Kijk! Ik ben weer kalm. Alles kan gerust blijven
zooals vroeger. Maak u niet meer lastig om mijnentwille nu, moeder....
--Denk ook een beetje aan mij, Goedele ... zult ge?
--Ik denk aan u....
--En beloof me dat ge braaf zult blijven.... Wel! Wel! een mensch heeft
al heel veel harde dingen voor in zijn leven ... hij mag niet zoo dwaas
zijn en kleine vervelingen opketsen tot smetten! Geef me een zoen....
Goedele stond recht en ging Ursule kussen op haar voorhoofd. Ze keerde
zich daarna langzaam omme en vertrok. Even bleef ze stille in 't
deurgat.
--Goeien avond.
Ze tort de trap op.
--Goeien avond, antwoordde Ursule.
Tot ze, dan boven, Goedele's kamerdeur hoorde sluiten, zat mevrouw
Wilder onbeweeglijk vóor zich uit te kijken, zonder zien. De zoetigheid,
die zij om haren mond geleid had, viel meteen en haar bloed sprong in
een machtige geute naar heur slapen. Ze hief haar vuist omhooge en liet
ze met een forsig gezwaai neerploffen op het tafelberd. Een koffiekopje
joepte kantewaarts rinkelend omme en, over het witte laken, spreidde een
bruine vlek, die geleidelijk openging....
In de voorkamer stond Rik, en hij lachte stillekens, een diepe leute
gevoelend, zóo op een keer.
* * * * *
VI.
Goedele, als ze op hare kamer kwam, stak haar nachtlichtje aan en ging
neerzitten bij 't venster. De tuin was in dichte donkerte gezonken.
't Had al gesmokkeld in den avond, en nu begon het te regenen. Tegen de
ruiten sloegen de druppels, menig en leuterig, aldus een tokkelveuzeken
makend, dat eentonig en klagend was. Altemets vulde de wind zijn
zoevende flanken en dan roefelde de volle vlage ineens langs het raam.
Andermaal was 't weer zoete, en de regen trippelde in gelijke maten, zoo
smertelijk van zin, dat Goedele om haar herte een endelooze droefenis
voelde, die in warme aandoening opjoeg, kriebelend binnen hare oogen.
Ze zat in hare schoone eenzaamheid den dag te overpeinzen, die verleden
was. Ze herdichtte den pronten morgen, vol zonne en klare droogte, de
levende stad, het levende volk daar krioelend langs luidelijke straten,
al het geruchte, dat deugddoende was, en dan, bij Romaan en Madeleen,
de vrije, heldere huiselijkheid. Ze zag Wiezeken; ze had Wiezeken danig
lief. Ze voelde hoe vol leven ook dit huis ginder was, met dat heel
zieke kindeken, en hoe dood die muren hier, die zoldering, die heele
monsterachtige doening van kouden steen. Ze voelde 't overal. Ze krinste
met hare schouders en bibberde van de killigheid die hier tallenkante
blijvende was ... en ze keek seffens naar de duisternis, den nacht in
den hof, om los te geraken met nieuwe gedachten, die klaarten brengen
moest in haar hoofd. Al wat ze hier met hare zinnen toetste, was haar
eene vernedering en woog op hare hersens.
De regen klabbetterde welluidend voort. Van tijd was 't of hij wegdropte
en 't geluchte binstdien leeg en open aan 't worden was; de ruiten
bleven ongetaakt ... een stondeken ... maar opnieuw vingerde 't natte
weer algauw, en 't werd een reesem rappe geluiden, zich haastend om de
stilte in te winnen. En Goedele onderging den invloed van dezen
trippelzang, en langzaam baadde haar gansche lijf-en-ziele in 't zoete
gerucht, dat rijzende of zijgende ging. Ze bepeinsde zich en wroette in
haar binnenste, en legde somtijds een gevoel vaste, dat overanderlijk
blijven zou. Nadien was ze bezig met Ameye. Ze had bewondering voor zijn
groote figure--dien hoogen man met een sterk gezichte en een breede
borst. Ze zag nog duidelijk zijne witte handen: ze konden zoo struisch
een gebaar teekenen, en de vingeren gingen dan allen zaam en vouwden
zich thoope of rokken zich uit. 't Waren, lijk woorden, heldere
gezegden. Ze dacht:
--Maar hij sprak zoo gek!
Ze maakte zich met moeite wijs dat hij een grove lummel was en wellicht
brutaal moest wezen. Naderhand was ze zeker dat hij een drinkebroer of
een nachtraaf was.
--Hij loopt in kroegjes....
Ze herkende het aan zijne goedzakkige manieren en aan de moeheid die
soms zoo zoetig zijne blikken maakte. Ze veronderstelde dat hij met
lichte meiskes omging.
--De stad is zoo vol daarvan!
Doch allicht veranderde ze van oordeel: 't was dan een "blasé", een
ontgoocheld wezen, een kalme ziender van andermans leed en plezier--een
zonder doel en zonder verlangen, zonder drift ... ontzenuwd.... Ze had
gewild dat hij anders was. Romaan, zoo gauw begeesterd en zoo gauw
verslagen, had ze lief. Ze wou een man treffen, die op haar broeder
geleek. 't En duurde maar een vlage van den regen, en ze vond dat Romaan
in den grond een zwakkeling was....
Ze hoorde moeder slapen gaan, en naderhand Rik, en bleef nog turen aan
't venster. De tijd verstreek langzaam, en 't was haar of zij 't niet
tasten kon: de ure bleef stille, alles hing in verwachting, zonder angst
noch ongeduur. Bijwijlen steeg in de boomen de asem van den wind, en
rijzekens werd ze den gang gewaar der stonden, die overhand wegzijpelden
in 't verleden, achterwaarts.
De volle nacht, geheimzinnig en zwijgend en roerloos, begon in huis....
Maar meteen merkte Goedele een varende klaarte in bewegende vlekken
loopende van heester tot heester over den hof, dichtbij de woonste. 't
Was wel iemand, die in de eetzaal was en licht maakte en ermee, langs de
voorkamer wandelde, zoodat de teekening der ruiten laaierig in den tuin
zich openbreidde. Ze werd bang. Elkendeen was te bedde, of ... was Marie
in de keuken gebleven?
--Maar wat verricht Marie in de eetplaats?
Ze herinnerde zich dat ze ook Marie had hooren opgaan, naar hare kamer.
Het licht verdween. Voorzichtig tort iemand langs de trap naar boven,
en ging Goedele's deure voorbij: door de splete herkende zij Rik. Hij
stapte gebukt door en trachtte 't gestraal der keerse, die hij droeg,
met vreesachtige vingeren weg te bergen. Ze hoorde dat hij de leege
zalen binnenging.
Deze leege zalen bezocht nooit iemand. Om de maand werden ze
schoongeschuurd en verlucht. Goedele had ze altijd met benauwdheid
genaderd, omdat hier, tusschen die papieren behangsels met gulden wapens
en heraldieke leeuwen nog precies heerschte de geest van den ouden
markies. Rik had dikwijls daarover zitten mompelen en beweerde dat hij
ten twaalve al eens een spook had zien rondwaren, om de vensters. Ze
hechtte nooit geloof aan Rik zijn gekke gezegden; hij was gestadig bezig
met schimmen en bange verschijningen en zeemeerminnen, en ze wist wel
dat dit al maar ziekelijke verzinsels waren, die hij broeide in zijn
ouden kop. Ze vond het nu echter danig zonderling, dat hijzelf, zonder
aarzeling, in de leege kamers drong. Ze ontsloot stille hare deur, liet
hare sloffen op den drempel en tort kousevoets in den gang. De eerste
zaal was leeg en de daaropvolgende ook. Van hier bemerkte ze 't
keerselicht dat op de muren danste, in de vierde. Voorzichtig naderde
ze, sloop langs de donkerte der hoeken naar voren, tot ze zien kon wat
er gebeurde. Ze bleef staan en hield haren asem op om geen 't minste
geruchte te maken, en ze keek verwonderd toe.
Rik had zijn keersepan neergezet op 't roode plankierken, nabij den
schoorsteen. Hij knielde en boog zijn krommen rugge en maakte in de
schouwe een planke los. Hij tastte dan in de holte, en op zijn
aangezicht kwam seffens een groote blijdschap.
--Ze zijn er nog! mompelde hij.
Hij trok een blauw zakje te voorschijn en lei 't neere voor hem, en nam
vervolgens nog een grooter zakje, in getafeld linnen, en lei 't nevens
't andere. Hij bekeek ze dan allebei met troetelende oogen, en zijn
tonge sleerde tweemaal over zijn lippen ten teeken dat hij tegenwoordig
gelukkig was. Hij ontknoopte zijn jas en over zijn beenen heen zeeg het
ivoren kistje, dat Sebastiaan aan moeder ten geschenke gegeven had.
Juist bij tijde kon hij 't grabbelen, en een subiete warmte schoot op
naar zijne wangen, bij 't gedacht dat het in zijn val op den vloer groot
gedruisch hadde gemaakt. Hij keek onwillekeurig omme, en Goedele zag
zijn oogen van schrik openstarren en zijn neuze, langgeworden, over zijn
mond een schaduw leggen, lijk een bange holte. Hij bukte zich opnieuw.
Hij ontsloot het getafeld zakje en goot in het kistje, profijtelijk om
niet de stilte te storen, den rinkelenden inhoud. 't Waren koperen en
zilveren muntstukken en allerlei kleine dingen van stoffelijke weerde:
gulden franjen, oude knoopen, kragen en borduursels van
marine-officiers, allerlei metalen platen en rondekens, schitterende
gesteenten. Goedele herkende in den kostelijken schat een duurbaren
halsband van peerlen en koralen stekjes met onderaan een schoon geel
kruis. Ze had het juweel overjaar verloren, meende ze. Ze merkte nog een
paar ringen, die Sebastiaan peinsde te zijn zoek geraakt bij de pompe,
een dag in den Zomer, als hij moegetennist was en zijn handen wou
wasschen. Vele kleinoodiën lagen daar ondereen in wanorde. Rik wroette
met zijne vingeren erin en stak zijn kinne uit naar voren, en neep zijne
oogen dichte om diepe zijn wellust te voelen. Hij scharrelde in de
schitterende gesteenten, hij streelde langzaam dien overvloed van
weelde, peuterde om robijnen en diamanten, bepootelde de zware
kettingen, zich deugddoende aan zijn tastelijk eigendom. Zijn lippen
hergingen bijwijlen. Hij reutelde, zingend zoetekens:
--Al 't mijne ... àl 't mijne....
En zijn hoofd bijsde overentweer, op mate van het durend gedoe zijner
handen. Hij ontbond naderhand de snoeren van het kleine zakje, bracht de
keersepanne dichterbij, zoodat het vlammeken meteen wispelturig al links
en al rechts wiegde, en Rik zijn ronde schaduwe op den muur, over de
zoldering, tallenkante te dansen begon. Hij schudde 't zakje leeg in
zijn zijden klakke, die hij vóór zijn knieën neergelegd had. 't Waren al
goudstukken, groote en kleine dooreen, en ze belden wel een oogenblik in
de ruimte, maar zwegen seffens als ze dof in de klakke sleerden. En Rik
zijn hoofd gloeide stilaan van ongemeene koortse, en zijne vingeren, die
weer aan 't schefferen waren in dien rijkdom, bibberden van
ongeduldigheid. En hij lispelde:
--Al 't mijne....
Hij sprong meteen op en zijn gelaat werd wild, ruw, wreedaardig. Goedele
vreesde dat hij haar bemerken zou. Hij bleef rondkijken, en trok
geweldig zijn asem op langs zijn neuze, alsof hij een ongewonen reuk
opsnoof en weten wilde.... Hij tort naar een der vensters en keek door
een splete der luiken de donkerte in van den nacht. Hij zakte nadien
ineen op den grond, lengde zich uit en sloot zijn oor aan tegen den
vloer. Hij kroop seffens rechte en stond op een nieuw te staren en te
luisteren. Dan blikte hij neerwaarts op het volle kistje en de volle
klakke, en zijne armen gingen van weerskanten in liefderijke bewondering
omhoog.
--Al 't mijne....
Zijn lijf rilde en zijn beenderen konden niet stille staan. Het
keerselicht klaterde in 't stralende goud en druppelde in 't geperel der
juweelen. Hij trippelde errond, en 't was of hij dansen wilde en maar
niet in kadense geraken kon. Zijne knieën kluppelden tegeneen aan en
zijne hielen wendden en keerden zich waaiewijs omme. Hij was vier, vijf
maal tewege neer te hurken en zijne handen reikten subiet naar die
schitteringe daar--en dadelijk sloeg zijn rugge opwaarts en hij huppelde
her en rond, lijk te voren....
Aldoor heviger schokten zijne schouders. Zijne blikken werden lijk staal
zoo puntig, en zijn mond, neerplooiend, viel in stuipachtige snokjes
scheef. Langs zijne slapen zijpelde een overdadig zweet, en zijne haren
plekten toe in natte strengen, van weerskanten. En hij hakkelde schor:
--Al ... al ... 't mij-ij ... ne ... á-á-ál....
Tot hij tegen den schoorsteen aanstruikelde, zich koortsig aan 't
marmeren schouwblad vastklampte, en langzaam neerviel, een
thoopezinkende klodde gelijk. Hij zat een oogenblik te hijgen belook
zijne wimpers, en zijn aangezicht, nu regelmatig en drifteloos, werd
uitermatelijk bleek....
Met een ruk rok hij zijnen hals uit en staroogde, benauwd en verwilderd
om zich heen. Maar fluks glimlachte hij en kroop over den vloer tot hij
't kistje en de klakke taken kon. Haastig dook hij weer alles weg, en
schoof de plank over de heimelijke holte, binstdien nog zuchtend, alsof
hij spijt had dat hij op een ende toch weg moest van hier.
--Wel! wel! pruttelde hij binnensmonds, Ursule ... gij onnoozele....
Goedele ijlde vluggelings naar heur kamer terug en zakte ontzet neer op
een stoel. Ze kon rijzekens hare gedachten bijeenrapen en voelde een
zeerdoende moeheid in hare beenen. Ze kon 't niet gelooven, wat zij
gezien had, en ze was danig ongerust, niet begrijpende die schrikkelijke
doening van Grootvader. De eenzaamheid werd haar onuitstaanbaar en haar
herte klopte om te breken. Ze vatte haar hoofd in beide hare handen.
--'k Hebbe zoo'n pijn!...
Ze meende dat hare hersens uiteenspatten zouden. In haar nekke vliemde
een borende smette en tot door hare lenden woog haar onverdragelijk
leed. Ze vroeg zich af:
--Wat is 't?
Zij en vatte niets. Zij en kon hare zinnen niet bijhouden. Ze zag
gedurig Rik zijn verwrongen gelaat, en de keerse, die er witte vlekken
op kletste. Ze wilde slapen en alles licht opnemen, lijk een gewone
gebeurtenis. Maar gestadig werkten hare teugellooze gepeinzen,
slingerden dooreen in haren kop, snokten en klopten tegen haren schedel
daarboven. En 't geluchte werd endeloos bang.
Ze ontkleedde zich spoedig, kroop in haar bedde, blies het nachtlichtje
uit ... De donkerte spookte om haar; daar waarden heimelijke wolken in
de kamer. Ze moest seffens het lamplichtje weer aansteken, en dook zich
onder de dekens, drong huiverig ineen, hare knieën saambrengend in hare
armen. Het huis werd haar nu een schrikkelijke woonste en ze blikte met
afgrijzen in de toekomst. Ze herinnerde zich nog goed den koffiehandel
en den onverpoosden ijver van moeder. Ze wist dat moeder van nederige
afkomste was, dat grootvader op vischvangst leefde. Hoe was zoo gauw de
groote rijkdom gekomen? In een flikkering zag ze de gouden galonnen van
marine-officiers uit het getafeld zakje rollen. Ze dorst niet verder
denken. Ze neep met geweld hare oogen dicht en wilde op andere dingen
peinzen. Maar ze kon niet buiten het huis geraken, buiten dees huis van
gevaarlijke geheimzinnigheid, buiten deze knellende muren, en die deuren
allemaal....
--Is mijn deure goed vaste?
Ze stapte uit haar bedde en ging de klinke herdraaien, om zeker te zijn.
Ze kroop bibberend onder de sargie. Ze dacht: hoe gelukkig is Romaan ...
en Madeleen ... en tante Olympe.... Ze zou alles aan Romaan vertellen,
hem raad vragen. Ze wist zelve geen raad.
--Johannes zal meehelpen ... om raad....
Ze voelde Ameye nu van dichtebij: 't en was geen vreemdeling meer. Ze
verwonderde zich niet dat ze zoo plotselings zijn naam hoorde in haar,
en zij en schaamde zich ook niet daarover. Al wat hier bestond, had zich
meteen van haar verwijderd, en wat buiten het hekken leefde naderde tot
haar. Ze voelde nievers zoo pijnlijk eene vreemdte dan hier. Ameye was
een vriend.
Geleidelijk voortmijmerend, kon ze op een ende 't zicht van dees
misdadig huis verlaten; ze sliep, oververmoeid, in en droomde van den
markies, van zijn zonderlinge gewoonten, van zijn wapens met kronen en
klauwende leeuwen.... en ze vond het zoo plezierig dat hij een pruike
droeg en dat het witte steertje, ommekrullend, daar boven zijn krage
gestadig met een gele lintje aan 't vlaggelen was....
Heel late in den morgen werd ze wakker. Ze was gestild. Ze herinnerde
zich seffens wat er gebeurd was, en 't en wekte in haar geen
buitengemeene aandoening. Hare gedachten waren verdraaid naar nieuwe
richtingen: ze had, docht haar, deze leelijkheid al lange aangenomen.
Als ze in de eetkamer binnenkwam, zag ze Ursule heel bleek en
thoopegedrongen in een leunstoel zitten.
--Zijt ge ziek, moeder? vroeg ze.
Ursule begon seffens te klagen en te jammeren: zij en had van den
ganschen nacht geen gebenedijd ooge dichte gekregen, en dezen uchtend
was ze opgestaan met een kwalijke slapte in de beenen.
--'t Is of het rheumathiek ware....
En dan moest ze subiet hijgen, bij haar minste gedoe was ze afgemat; ze
was met groote moeite alleen beneden geraakt. En dan hadden ze haar nog
gefolterd.
--Gefolterd ... wie?
--'k Hebbe Marie weggezonden ... al dieveggen, die 'n mensch uit
medelijden van de strate raapt....
--Zoo dan terug op strate gesmeten?
--Ze heeft me brutaal geantwoord.... Ze heeft geweigerd mij een
hoofdkussen te halen ... dat heeft ze.
Op de trap hoorde Goedele een stille gesnik en dadelijk daarop een ruw
gemompel van Grootvader.
--Toe-de ... toe-de ... ronkte Rik ... gij leelijke kerte ... en kus uw
handje ... dat ge er zoo zoetekens van af komt....
De deur in de voorkamer werd met een ruk toegesmeten, en nadien piepte
't zware hekken.
--Ze is weg, zei Ursule.
Ze dorst niet spreken van het ivoren kistje dat haar ontstolen
was--Marie was een dievegge--en ze herkloeg met gelijke woorden over
haar leed: de pijne zonk tot in hare lenden en straalde van daar uit in
gansch haar lijf, en bijwijlen had ze een hevigen harteklop--haar kele
stropte toe en 't was alsof ze niet meer asemen zou.
--En die rheumatiek daarenboven....
--Ge moet den dokter halen.
--Och! Och!...
Ze haalde de dokters alleen op 't laatste oogenblik, als geen andere
doening meer helpen kon. Ze was overtuigd dat de dokters prutsen, tot ze
de menschen voor goed ziek krijgen, en dat ze best later maar kwamen.
Toen ze, na Romaan zijn vlucht van huis, te bedde lag en endelijk den
dokter bij haar liet roepen, en dan hoorde van hem hoe ze in der
waarheid gevaarlijk ziek was, had ze werkelijk deugd, altijd maar
vreezende te voren, dat haar kwale slechts een tijdelijke
onpasselijkheid zou zijn. Ze wilde nu niet luisteren naar Goedele. Ze
liet zich gewillig pramen, oolijk-tevreden om Goedele's aandringende
deernis. Ze keek diep-mijmerende naar 't onbijt van hare dochter en
legde in hare oogen een geveinsde droefheid. Ze tuurde sprakeloos naar
de koffiekanne en het tinnen melkpotje en de witte teelkens en
koppekens, die daar ondereen in 't noesche licht te klateren stonden--en
naar Goedele's vingeren, die verduldig werkzaam waren eromme. Ze liet
een peinzende stilte vallen en wachtte tot het geluchte langs hare
woorden voordeelig werd. En ze herbegon dan vage dingen te zeggen, al
treurende, op een moeden toon en met slepende stemgolvingen. Ze sprak
van haar verleden, van ijverige tijden, tijden van duurbaar werk, van
voortdurend zwoegen.
--Ho! ik hebbe gezwoegd!...
Ze volendde eentonig hare klagementen en vroeg dan met spijtige
gezegden, wat zij voor zooveel slaafsch gedoe verwachten mocht. Ze
zanikte zoo. Ze werd het zelf gewaar hoe vervelend ze werd, en ze was
dan boos op haar eigen. Ze loerde zijlings naar Goedele, merkte hoe
rustig ze voortdeed met haar ontbijt, hoe ze soms weggeraakte met hare
gedachten en niet meer luisterde. Ze sprak luider, al op eens een vrage
doende om Goedele weer tot zich te trekken:
--Wat is mijne belooninge?
Goedele schrikte even op en boog subiet haar hoofd.
--Wel ... moeder....
En Ursule jammerde verder, al voelde ze dat ze hare dochter maar niet
taken kon, niet vatten met iets. Wantrouwig meende ze nu dat Goedele
verdoken geheimen had, verdoken inzichten. Ze folterde haren geest met
nieuwe oolijkheid, aldoor tuk op versche subtiliteiten.
En Goedele bleef sprakeloos.
Rik tort binnen. Hij zei:
--'k Hebbe ze op strate gegooid.
Hij lachte met wel genoegen en wreef zijne handen overeen en zette zich
bij 't vuur te warmen. Hij schudde zijnen kop, ten teeken dat hij in
zijn geest aan 't redeneeren was, en hij deed zijne knieën tegeneen
knokkelen, in koortsige vroolijkheid.
--Ze dorst nog weenen, de valsche leegloopster!
't Walgde Goedele. Ze stond recht en keek naar 't horloge, lijk iemand
die op de ure wacht om heen te gaan. Ursule bemerkte 't seffens.
--Vertrekt ge?
--Wiezeken bezoeken....
--'t Is half-elf.
--'k Ben gauw terug ... rijzekens hooren hoe 't is ... daar ginder....
Rik lachte meteen luidop, en Goedele kreeg een pijnlijker stoot in haar
herte. Maar zij en keerde zich niet omme en ging zich aankleeden,
verlangend om weg te zijn van hier, waar nievers een gezellige warmte
komen wou....
Buiten voelde ze opnieuw haar lijf in vrije lustigheid, en algauw
verdreef ze uit haar hoofd de lastige gedachten, die daar woonden. 't
Was alsof zij zich op den drempel ontdeed van al wat binnen den huize
haar wrevelig miek. Ze haastte zich tot ze buiten bereik was, tot ze de
stille strate verlaten had en baden kon in 't gejoel der lawaaierige
stad.
De regen had de steenen klaar gekletst en, bij plaatsen, speelde de dag
er met lichtende vlekken. De hemel bleef grijs en beloken, maar
zilverige tinten liepen er, ten teeken dat bovenwaarts de zonne aanwezig
en klaterend was. De huizen, in vlakke reken van weerskanten, zonder
zichtbaar dak en zonder wispelturigen gevel, stonden omhuld in vale
verven. De vensters waren holten rotewijs geschikt en de deuren,
tallenkante op eender hoogte, legden gelijke, donkerten er onder. De
drempels bleven zwijgend: geen troppels kinderen of kijvende vrouwen
waren eromme levend, lijk in 't zomertij of in de voorjaarszoelte. De
herbergen waren ruchtig en de winkels. Er roerde haastig volk.
Goedele deed seffens mee met het rumoer; ze voelde zich wegsmelten in 't
gedruisch, dat ronkte om haar, en zij en was geen eenigheid meer in de
woeling der bezorgde menschen. Ze liet zich beïnvloeden, ze liet zich
zwak worden, al-vergetend wat achterwege was, en nu een kinderlijk
belang stellend in de minste straatgebeurtenis. Ze huppelde door,
drentelend bij stonden, haperend aan schoone uitstallingen van
wintergoed. Ze dacht somtemets aan Romaan en Madeleen en het kindje.
Ze zou Wiezeken geerne wat lekkergoed meedragen en liep een bakkerijtje
binnen. Ze koos van ditte en van datte een pakje vol, en had een drollig
plezier in den naam van al deze snuisterijen. De bakker, een ronde man
met een zijpelend wezen en een neuze daar te midden, waar de teekening
der ruiten bijkans schitterwit op uitblonk, lichtte haar gulzig toe en
deed zijn beste moeite om zijn waar ordentelijk aan te prijzen.
--Geen muntebollen, juffrouw? Geen lekkers op stokjes? Eerste klasse
juffrouw, en niet geverfd.
Ze wees die gloedroode stampers af met een weigerend knikje.
--Kletskoppen ... puur honing en een hemelsche bete, dat verzeker ik u.
--Ja, dat wel.
Ze keek in de wissen mandekens, die bij 't venster stonden, vol met
veranderlijke zoetigheid, en bloosde meteen als ze Ameye herkende, welke
vóor 't raam te wachten stond. Hij groette haar met een buigen van zijn
hoofd, en ze was daardoor subiet in de war. Ze werd ongedurig en wilde
maar dadelijk gedaan maken met den dikken bakker, die 't haar met zijn
uiterste vriendelijkheid lastig maakte. Hij moest zich spoeden. Ze
voelde eene wrevelige warmte naar heure slapen opschieten, als de brave
man, een guitig lachje zettend, gulhertig verklaarde dat hij _sito-sito_
klaar zou geraken.
--Even nog een koordeken--hier--met een strikje ... Zóo!
Ze keerde zich fluks omme en hoorde hoe hij haar met dienstwillige
woorden achterna volgde, overdreven en stilspottend, alsof hare
aandoening belachelijk bloot lag op haar aangezicht:
--Als 't u zal believen, juffrouw--tot een naaste keer.... Anders,
juffrouw, anders de klinke draaien ... zóo ... let op de trap ...
zóo.... danke wel!
De deur viel toe achter haar en zij stond vlak vóor Ameye. Hij lachtte
en knikte, en prees de voorzienige stonde, die hem bij haar had
gebracht. Hij vroeg, in een vloed van hoffelijke woorden, hoe zij 't
maakte. De wolkenlaag in den hemel scheurde open en de zonne viel in
witte stralen tallenkant. Daar kwam een bedwelmende leutigheid in 't
geluchte.
--Ik was naar uw broer tewege.
--Ik óok, precies....
Ze zei 't gretig, met een dwaze haastigheid, die haar blozen deed.
Ze dierf er niet bijvoegen dat het wel meeviel, alzoo, en wist zelf een
beetje tegen te stribbelen, in schijnbare verlegenheid, als hij haar
voorstelde om saam de bane te doen. Ze kon echter niet weigeren en
verheugde zich om die onmogelijkheid. Hij moest niet lang aandringen.
Ze praatten ondereen, gezellig, en 't en duurde maar weinigen tijd, eer
ze teenemaal vrij werden in hunne uitdrukkingen, los van alle gedwongen
beleefdheid. Hij sprak bijzonder zwaar, diep ernstig, en had altijd een
particulier zicht op de zaken. Ze voelde in hem een, die haar meester
was en waar ze leerlustig naar luisteren kon. Hij vatte het leven heel
breed op, heel menschelijk. Allerwege zag hij entwat, dat liefderijk was
en goedheid asemde. De menschen op strate, de peerden en de honden....
Goedele keek ernaar, omdat hij er kon over klappen met zoo'n innigheid,
zoo'n belang. Hij groef in hare hersens diepe prenten, een nieuwe vizie
der dingen, en ze was nooit moe, ze hoorde hem aan met groote aandacht.
De zonne bracht een spelend licht overal, lanterfantte langs de vele
ruiten, stortte met lustig gestraal, menig en rijkelijk, op de natte
steenen. Bij plaatsen was de hemel geheel en al blauw. 't Lawaai der
stad zwol op en het volk krioelde al thoope. Het docht Goedele dat er
veel kinder stemmekens tusschen stegen en tegelijk een schelle geklepper
deden omgaan, dat haar deugd deed. Ze werd vroolijk en antwoordde op
Ameye's grondige gezegden, met haar volle gemoed, en redeneerde met hem,
liet zich kwaadgezind omdat hij haar te vroeg gelijk gaf, en schaterde
het uit. Hij hoorde haar geerne bezig, voelde wel de nadering van deze
rijkbegaafde vrouw, en hij raadde hoe vernepen ze gehouden werd,
naarmate ze zich nu wild en begeesterd overgaf.
Ze keken alles omme en na. Hij deed haar overal iets opmerken, dat ze
genoeglijk bezag, verwonderd dat zij zelve het niet merken kon. Vóor hen
stapte een heer met een macferlan en een dame in kostelijke kleeding.
De dame hing aan den arm van den heer, die groot en struisch was en
matelijk voorttort. Ze kon hem haast niet opvolgen, en drilde nevens
hem, altijd een stap te late. 't Was alsof ze getweeën kreeftsgewijs
doorgingen, allebei noesch weg. De dame deed den heer af en toe
stilblijven voor een modewinkel, en de heer haperde gewillig vóor de
uitstalling van een boekhandelaar. Ze zeiden maar luttele woorden.
--Dat zijn brave getrouwde menschen, sprak Ameye.
--Zoo verschillend van meeningen toch?
--Ze geven malkander toe. Ze zijn redelijk. Zie! De heer kijkt naar de
illustratie van het uithangbord, binstdat de dame nauwkeurig de hoeden
beloert. Hij is verduldig. De dame zal straks verduldig zijn.
--Maar dat is een zotte leven! meende Goedele.
--Die menschen zijn getrouwd, zei Ameye. Hij liet haar naderhand vragen
wat hij omtrent het huwelijk dacht, en hij beweerde dat de beteekenis
van het huwelijk grootendeels in die boutade besloten lag.
--Het huwelijk is wel een beetje onzedig.
--Onzedig?
--Maar een noodzakelijke instelling, die dan weinig te maken heeft met
wat we liefde noemen. De liefde kan in het huwelijk bestaan, en heel
vaak slijt eruit weg, omdat twee saamgebrachte wezens van nature sluw
worden, door ikzucht, en geen wederzijdsch vertrouwen bewaren kunnen.
Aldus spreek ik nog maar van gezonde, billijke huwelijken. Onze
maatschappij is echter zóo ingesteld, dat over 't algemeen met een echte
liefde geen rekenschap gehouden wordt.
--O ja!...
Hij voelde hoe zij met nadruk dat zei en seffens droeve werd. Hij bleef
een oogenblik zwijgen en sprak nadien met een daling van zijn stemme:
--De liefde daarenboven is waar zij is, en wij, zijn niet meester over
haar. Wij zijn allemaal zoo'n zwakke, slaafsche schepsels, juffrouw.
En als de liefde buiten het huwelijk komt, wat kunnen wij doen?...
De liefde is _overal_ heilig.
--Dat wil zeggen: de liefde mag wispelturig zijn?
--De liefde is niet wispelturig, maar wij noemen altegauw liefde, wat
geen liefde is, wat een klein gevoel is zonder wortelingen. De liefde is
heilig, als zij grondelijk is en ons gansche vleesch beheerscht--en dan
heeft ze paal noch perk, en dan kennen wij geen mate om ze te meten en
geen banden om ze te dwingen. Dan is ze ons zelf, geheel en al, en
heilig ... en overal....
--Ik weet zoo geen liefde.
Hij boog zijn hoofd, precies om een hevig gestraal der zonne te
ontvluchten en zichtbaar hergingen rijzekens zijne lippen. Hij zag de
waterplaskens en de grijze droogten wegsleren onder zijne voeten. Op
deze stonde, waar ze beide stille voorttorten, ontstond er een wrevelig
ongemak. Goedele voelde dat hare oogen moe werden, lijk die van iemand,
die te lang in warme kamers bleef. Ze zei:
--We loopen buiten onzen weg!
Ze keerden zich alletwee naar links en rechts, en begonnen te lachen.
Ze waren nabij de St. Anne markt.
--Ja, sprak Ameye, we loopen buiten onzen weg....
Ze was tewege hem te vragen waarom hij zoo zonderling op zijn woorden
aandrong, maar ze gebaarde dat ze niet geluisterd had.
't Was hier een groote drukte. De menschen liepen dooreen in ijverig
bedrijf. De markt was zwaar van rumoerig leven. Vrouwen met paanders
drumden tegen malkander aan rond de kramen, en kozen hun waar, eromme
pootelend en tastend en wroetelend om niet bedrogen te worden. Uit een
zijstrate kwam een vlote stootkarrekens aangereden, met een gulden
vracht appelsienen beladen en door ruchtige meissens gevoerd. Vóor 't
portaal van de St. Anne-kerke stond een liedjeszanger te brullen van "de
lieve Genoveva" binstdat zijn wijf, bezorgd voor al te strenge politie,
een endeken verder de wacht hield. En de zonne wemelde tusschen die
luidelijke beweging, smeet open haar bundels licht, klaterde langs de
zwellende tenten, waaronder de wind zich toornig miek.
Goedele lanterfantte een beetje, een toenemend belang stellend in de
doening van die werkzame menschen, ook om de koelte te vergeten, die
over haar en Ameye gezonken was. Ze verwonderde zich over 't een en 't
ander, lachte altemets luidop of werd weemoedig van deernisse.
--Aai-Jezes! Kijk hier!...
Een oud manneken was daar dichtebij, ronddrevelend met een houten
kistje, vol met muskaatnoten en kruidnagels. Zóo klein was hij, dat hij
zich gedurig met de ellebogen te voorschijn moest worstelen en alleen
zichtbaar werd door zijne uitbundige gebaren. Hij had luttele handjes.
Hij droeg een grijze veste, en een roste broek, bleek en donker
getafeld, slodderde om zijne kromme beenen. Hij dretste onhoorbaar op
palullige sloffen, en een roode halsdoek, geelgebloemd, waaide rond
zijnen korten hals. Zijn hoofd was rond en groot, en zijn gezichte, heel
nietig tusschen twee uitschelpende ooren, lonkte en loerde, uiterst sluw
en uiterst beweeglijk. Hij riep met een pieperig stemmeken:
--Nikske van doen?... Alla-dan, madameken,... alhier! alhier!
Hij zag Goedele, en hoe ze daar onthutst hem aan te kijken stond, en rok
zijn nekke naar heur uit, en kwam vriendelijk zijn:
--Toe-da, madameken, een dozijntje? Groffels, lijk er nievers meer te
vinden zijn--en lekker ook voor tandpijne! Hoeveel? 't Zijn de leste.
Hij merkte Ameye en werd seffens hoffelijk, aldoor buigend en groetend:
--Mijnheere!
Hij nam een kruidnagel met zijn duim en zijn wijsvinger en hief dien
omhooge, profijtelijk:
--'n Volle mate voor vijf centen!... Kijk nu toe! Zoo donker als de
nacht en zoo sappig als de lente! Ge moogt kijken, madameken, en
betasten ook... Alla-alla-de! een dozijn groffels voor 'n jong
huishouden....
Goedele bloosde, en Ameye moest den dwerg afwijzen met een strengen
blik. 't Oudje hinkte zijlings weg en schetterde in een uitval:
--Jè-dan ... schoon koppel....
En 't gewone rumoer herbegon, breed en allerwege aanwezig, golvend over
de menigte, die langs de kramen scharrelde.
--Loopt ge aldus geerne in het razend gewoel? vroeg Ameye.
--Wel ja ik, redelijk.
--De tast van het volk is niet altijd zuiver....
--Zeker, maar ik voel me hier zoo volledig leven, zoo gezond en zoo
volledig. Ik weet niet--vandaag word ik mijn eigen zoo allerzijds
gewaar, en alles is mij goed. Ik ben lijk iemand die lang ziek te bedde
lag en nu uit mag ... en ik dartel in de zonne. Dat leelijk ventje was
me niet leelijk. Die wijven te gare, die 'k zie staan met hun vuisten op
hun heupen ... ik merk het wel: ze zijn gemeen.... Maar 'k bezie ze van
een anderen kant precies ... en alles is mij goed....
Ze wond zich op in 't spreken, probeerde haar vaag gevoel met stipte
woorden uit te drukken en wijdde uit in vele zinnetjes, nooit tevreden
omdat ze nooit iets bepalen kon. Ze jubelde en liet zich meegaan met den
slag van haar driftig herte. Ameye was sprakeloos geworden. Hij stapte
nevens haar en luisterde met gretigheid, seffens weer neerslachtig als
er een korte stilte tusschen beide viel.
Ze geraakten in de groote laan. Hij kocht van een leurend meisje een
rankje hulstgroen met roode peerlen, en bood Goedele het takje aan.
--Voor de aardigheid, zei hij.
Hare hand bibberde even, als zij het broze takje aannam. Ze keek naar
hem en hare blikken stieten geweldig tegen de zijne aan. Een bedwelmende
flikkering schoot door haren geest en ze bleef een oogenblik
verbijsterd, alsof zij haar ziele in zijne oogen opklaren zag, nu in
lichtende waarheid zich veropenbarend aan haar eigen zelve, en een
overgroot geneuchte maakte haar dronken....
Ze stapten haastig door, zonder spreken, en geen vond het zonderling dat
de andere zwijgende was. Ze spoedden zich om straks alleen te zijn, om
te te peinzen in eenigheid--want nu was hun hoofd vol met aanzienlijke
gedachten. Achterwege lag de gansche wereld. Achterwege was moeder en
vader en het vreeselijke huis. Vooruit bestond de endelooze verte, de
wijde ontijdelijkheid. Het was of ze nu deel gingen uitmaken van iets,
dat machtig was boven de sterkte van menschenarmen--en eeuwig zijn zou.
Ze verheerlijkten hun lijf en geest in een nieuwen dageraad ... en wat
komen moest, was niet te weerhouden.
Ze gingen alzoo. De wagens en sjeezen reden door, holderdebolder over de
kasseide. De trams tjinkten van verre. Jongens ventten rond met
dagbladen en riepen luidkeels het nieuws van den dag.
--Zijn we nu op goeden weg? vroeg Goedele.
--Ginder is de brugge.
Bij de vaart werd-het stil. De luie schepen lagen vast tegen de kaaien
en donkere mannen losten de koolvracht. Men zag ze over de planken
wiegen, hun duistere gestalte, verlengd nog in het water, waar ze door
vlug golvengeklets ziggezagsgewijs uiteen werd gezwabberd.
Als ze in de doode straat kwamen, waar Romaan woonde, vertraagde Ameye
zijnen gang, en hij sprak weemoedig, zonder naar Goedele op te zien:
--We zijn er alreeds....
--Ge tert zoo zoetekens!
Hij vertelde dat hij een beetje moe was: gisteren heel den avond gewerkt
aan een dringende bestelling, en dezen uchtend heel vroeg te been. Ze
vroeg:
--Werkt ge veel?
--Als ik alleen ben.
--Zijt gij dikwijls alleen?... Ge hebt nog uwe moeder?
--Moeder is ... weg.
--Zoo eenig leeft ge!
Ze had medelijden met hem. Ze herdacht wel het vierkante huis ginder en
hare ouders achter het hekken, maar vond het dan bij Ameye veel
droever--een woonste zonder heerd en altijd zonder geruchte.
Hij bleef staan. Ze begreep niet waarom hij zoo aarzelend deed, waarom
een groeve boven zijne oogen zichtbaar werd ten teeken van pijnlijk
gemijmer. Ze praamde hem om door te stappen.
--'t Wordt noene straks.
--Ja.
Hij tort verder zonder opkijken, en, vóor de drempel, als Goedele het
linnenwinkeltje ingaan wou, vatte hij hare hand. Hij deed haar zeer,
hij knelde hare vingeren in de zijne, en zijn gelaat kwam naderbij.
Hij fluisterde:
--Gij weet niet?
Zijn asem taakte haren hals en deed haar rillen in al heure leden.
--Niet?
Ze bad dat hij haar los zou laten. Ze was bang omdat zijne blikken zoo
hopeloos werden, en ze werd niet seffens gewaar hoe onredelijk zijn
doeninge was: ze bekommerde zich om hem. Hij zuchtte zwaar en slokte
eens om zijn kele nat te krijgen.
--Niet?...
Ze hoorden, binnen in den winkel, een paar vrouwen hun keuze doen, en
heel omhooge, tenden de zoldertrap, een vroolijk liedeken van Mariëtte.
Ah! Môsieu le capucin,
T'as d' la veine--
T'as d' la veine!...
Ameye zei:
--Ik ben getrouwd ... al vier jaren....
Goedele rukte zich vrij. Ze voelde geen juiste verhoudingen meer. Ze
voelde niet meer wat ze was tegenover dezen man, niet meer dat hij voor
haar een vreemdeling was. Ze kon zich zoo seffens niet hervatten, en ze
werd heel bleek. Omdat ze leed, wilde ze straffen en geweldig handelen.
Maar hare armen zonken neerwaarts en haar bloed deed een smertlijken
ommedraai. Over hare wangen rolden twee tranen, die ze niet had kunnen
verdringen en die nu in de hoeken van haar lippen haperen bleven. Ze
stamelde, haar gezicht verwringend tot een treurigen glimlach:
--Ho!... ja ... zoo!...
Ameye raapte het witte pakje met suikergoed en het rankje hulstgroen op,
die, nevenseen, op de zulle waren neergevallen.
* * * * *
VII.
Eenige dagen verstreken voor Goedele in eendelijke onverschilligheid.
Ze was heel korten tijd bij Romaan gebleven, had geweend omdat Wiezeken
er zoo deerlijk uitzag en was weggeloopen, seffens. Tante Olympe met haar
gestadig geklaag maakte haar zenuwachtig, en Madeleen ook, die daar met
gebogen hoofd aldoor te kijken zat in de toekomst. Ze was weggeloopen.
Ameye walgde haar.
En de dagen waren verstreken alzoo. Ze wilde niet meer terug bij haar
broer, ginder waar ze geleden had een onverklaarbare pijne, nievers nog
geleden. Ze was bang. Ze wilde geerne alles wisschen uit haren geest,
maar niets anders wekte hare belangstelling, en ze voedde haar wee.
Al wat gebeurde om haar, werd haar onverschillig. Allentwege was 't
nietigheid, en de woorden, die gesproken werden, waren ijdel.
Ze werd naderhand door opvretende eenzaamheid, streng voor wat buiten
het leven stond van hare droefenis. Ze had ruwe woorden met vader. Ze
verdroeg zijn onnoozel gespeel niet meer en zei het hem met een ruk.
En Albien keek dan verwonderd op, niet begrijpende die stoere manieren,
getaakt in zijne liefde, als hij nu dacht, in kinderlijke vreezen:
--Zij ook ... en ziet mij niet geerne....
Omdat ze zoo verduldig was met hem, had hij gemeend dat zij hem dan toch
vatte. Hij vroeg:
--Zijt ge ziek, mijn kind?
Ze was getroffen omdat zijn stemme zoo diep een grondslag had, omdat hij
zoo innig bedrukt was, en meteen zoo vaderlijk. Ze zag hoe hij het
nieuwe Snoeckboekje met onverschillige vingeren van zich afduwde en
nader kwam, dichte bij haar, en zoetekens hare handen toetste.
--Nu ben ik in waarheid triestig van zin, zei hij.
Hij boog zich om goed in haar gezicht te blikken, om te zoeken naar heur
leed, dat wel ievers in hare oogen zou na te speuren zijn.
--Hebt ge zeer?... Toe-de, mijne dochter.... waar is 't dat ge zeer hebt?
Voor de eerste maal voelde Goedele in dezen zachten man haar vader
levendig zijn en goed. Ze werd gewaar dat ze weenen zou, als ze geweld
moest doen om te spreken. Haar borste zwol.
--Wat is 't, zei Albien, dat hier ommegaat, sinds dagen? Ge loopt rond
lijk te lore in dees huis, en ge zwijgt ... en het wordt van alle kanten
zoo bang. Ik heb nu geen lust meer in ditte ... noch datte.... Moeder is
ziek en gij?... Wat deert er? Ik heb nu permintelijk geen lust meer....
Wáar, wáar, mijn kind.
Stille kwamen zijne woorden te reke, en ze brachten eene treurige
stemming alom. Maar Goedele stiet dan aan tegen 't beeld van haar eigen
lot en ruw werd ze op nieuw.
--Bah!
Ze draaide op hare hielen rond, lijk een meisje licht van gemoed, en ze
liet vader alleen. Als ze de deur uit was, wilde ze wel terugkeeren en
den man meteen in hare armen prangen, al streelende dat brave hoofd, dat
kinderlijke, vol kleine gepeinzen. Ze kon niet: ze moest lachen luidop,
ten gebare dat ze hier alles potsierlijk vond, en ze drilde verder,
langs leege uren zich voortsleepend, lijk een schaduw in noesche licht.
Ursule lag in haren leunstoel te denken. Seppie, het hondje, moest
gedurig op haren schoot stille blijven, en ze streelde met luiere
vingeren in zijn lange haren, wijlend achter zijne oorkens, waar 't hem
uitermate deugd deed. De dagen gingen omme en ze was gestadig aan 't
wroeten in hare hersens, overentweere wiegend met blijvende mijmeringen.
--Daar heerscht een geheim in 't geluchte. Ze voelde 't zoo, ze tastte
't. De doening van Goedele ontsnapte haar niet, en ze was zeker dat een
gevaarlijke gebeurtenis aan 't zieden was en aan 't zwellen. Omdat ze
nooit anders dan meesteresse geweest was en nievers door verborgen
machten bekampt, wilde ze klare wegen zien en vaste staan. Ze begreep
wel dat Goedele wegslibberen wou, en ze vreesde dat zij er toe komen
mocht. Om dwaze plannen te kunnen tegenwerken, moest ze Goedele's
inzichten kennen. En Goedele was ondoordringbaar....
Ursule's vroegere strijdlustigheid geraakte wakker stilaan: ze zou weer
door oolijke listen hare dochter overwinnen, lijk ze vroeger haar vader
overwonnen had. Ze deed Goedele door Justa, de nieuwe meid, bespieden.
Justa moest al de brieven over den moordamp in de keuken openbreken,
moest in Goedele's kamer snuffelen en laden met valsche sleutels
ontsluiten, alles omkeeren en inzien en beloeren. Ze had Justa voor
dergelijk werk bijzonderlijk aangenomen.
Justa was een klein vrouwken, levendig en minzaam. Ze ontving alle
boodschap met een vriendelijk glimlachje en sprak iemand nooit anders
aan dan in den derden persoon. Ze had uiterst leelijke handen, met
omkrullende vingers, en hoekige kneukels. Ze bracht die gedurig bij
malkaar, in profijtelijke houding, boven haren buik en wreef ze trage
overeen, al schattend somtemets met vierkante nagels. 't Was een
Westvlaamsch meisen. Ursule kende hare ouders, gebogen eerde-wroeters
zonder hope, etende en biddende wezens, den dood nabij. Justa, de eenige
dochter, had met blij gemoed hare broers en de oudjes verlaten. Haar
doorslepen zinnen, waar ze aldoor in de parochie gebruik had van gemaakt
om oolijke daden te stichten, meende ze nu eens ten dienste van vrijer
bedrijvigheid te kunnen stellen. Als Ursule haar met korte woorden
uiteengeleid had wat in werkelijkheid van haar verlangd werd, had ze
aldadelijk heel de zake begrepen en aanveerdde gretig het nieuwe gebod.
Ze was bovendien werkzaam en net, bracht goede orde in de keuken en
leerde veel van Ursule, die haar in kookkunde hielp. Ze werd een
voortreffelijke meid. Men had haar een schoone belooning beloofd, als ze
dienstveerdig zijn wou naar Ursule's volle goesting.
--Zóo is mijne goesting! had Ursule gezeid.
Ze moest Goedele tot in haar minste bedrijf bespieden....
Ursule vernam echter niets. Goedele bleef thuis, liep de kamers door,
zat altemets een endeken te borduren, te knippen aan een kunsttapijtje,
te kijken meerendeels langs het venster naar 't gewaai dat bijsde in de
boomen. Hare kleeren, hare laden, hare brieven--'t werd alles besnuffeld
en befrutseld: nievers lag een verraad van haar geheim gedoe. Justa
luisterde achter de deure, als ze saam met Sebastiaan in de eetzaal was.
--Wat zeggen ze? vroeg Ursule.
--Bijna niets ... een woord ... een ja--een neen....
--Maar, hoofdzakelijk?
--Niets! zei Justa.
Ursule werd koortsig daarvan, hetgeen haar dan niet het minst voordeelig
was, want al nijpender drong de pijne van haar "rheumatiek" in hare
braaien en ze kon soms rijzekens opstaan uit haren zetel. Ze wilde geen
dokter.
--'t Is rheumatiek.
Dat was zóo haar zeker zijn. Ze hechtte daarenboven niet veel belang aan
die tijdelijke ziekelijkheid. Haar geest was voortdurend anderszijds
gespannen en wilde klaar krijgen de vaagheid om Goedele's manieren ...
Zij deed op een uchtend Goedele bij haar komen en neerzitten nevens 't
raam, vlak onder het nieuwe daglicht. Ze begon te klagen: ze had sinds
nachten geen ooge meer beloken, ze was zóo lijdende, ze voelde dat het
erg worden zou, en de nachtmerrie bezocht haar....
--Och! Och!... dat is vreeslijk!
Ze praamde Goedele dat ze maar goed opletten moest, en in geen tocht
mocht blijven, en 's avonds aandachtig de vensters zou sluiten, en een
dobbele sargie vragen aan Justa.
--'t Is nu 't gevaarlijke seizoen.
Dan was 't een ander thema: ze wilde bovenal Goedele's geluk, ze dacht
er altijd, altijd aan, en ze zou alles doen om dat geluk te verzekeren.
--Willen we verhuizen?
Goedele hief onverschillig hare schouders op en zuchtte. Ursule drong
aan:
--We zullen hier weggaan, we zullen een Engelsche villa betrekken,
ievers in den omliggende, waar er bloemen zijn, buiten de wilde stad.
Ik zie dat ge hier wegkwijnt en ik weet niet de reden.
--Daar is geen reden ... en ik kwijn niet weg, moeder....
--Kom! Kom!...
Ze stoop zich voorover en lonkte met droeve teerheid, wenkend dat
Goedele naderen zou. Ze sprak met zoetigheid: ze zag alles, ze was
moeder daarom, ze wist dat iets mishandde.
--Voel ik dan niet?... Ik voel uw treurende gepeinzen. Niet neen zeggen,
kind, niet neen zeggen.... Ge draagt een last. Ik mag u helpen. Ik wil
doodgeerne uw leven zacht maken, uw wegen zacht maken. Duik niets voor
mij, die boven alles uwe moeder ben. Ik heb al doen uitzien naar een
villa, een djentig dingetje diepe in het loover. Ik wil ook niet dat ge
hier zoo eenig loopt. Bella zal na den noene komen, een paar uren, met
haar borduurwerk.... Zoo slijt de leege tijd. Ik ben vol zorgen om
uwentwil, mijn kind. Waarom wilt ge u verbergen voor mij?
--Toch niet, moeder ... maar, kijk, ik ben moe en ziek. Romaan is zoo
buiten reden triestig en Madeleen ook ... en Wiezeken is verre,
verre....
--Is dat alleen uw droefenis?
--Dat is een groote droefenis.
Ursule bukte zich meer nog en vatte Goedele's hand. Ze vroeg, al
starrelings turend dwars in hare oogen:
--En Sebastiaan?... Ge zit zwijgend nevens hem. Ge zegt hem niet wat uwe
tranen beduiden. Ge zegt niets. Dat zijn toch geen geheimen?... Mijn
pover kind, gij hebt Sebastiaan niet lief!
Ze bleef uitermatig zachte en Goedele keek verwonderd op, niet wetende
wat er uit zoo'n gesprek komen moest en vreesachtig, om den wille van
moeder's sluwe manieren. Ursule vroeg;
--Wenscht ge niet te trouwen met hem? Laat ons vertrouwelijk zijn.
We zullen saam beramen wat we doen moeten, en wel vinden, wel iets
vinden.... Ik wil u niet in iemands armen gooien, tegen uwen zin. Ik heb
goed nagedacht.... Spreek nu, laat uw herte vrij daar liggen vóor mij,
uwe moeder. Hebt ge, buiten Sebastiaan, een man ontmoet, en voelt ge een
andere liefde?
Goedele sprong koortsig rechte en schoot uit in eenen schokkenden lach.
Ze werd heel rood en haar oogen baadden in glinsterende tranen. Ze moest
haren neusdoek over haar aangezicht brengen en 't was of ze nadien te
niezen begon. Ze bedaarde. Ze riep:
--Wel, moeder, onnoozele moeder!
Ze wilde wegloopen, maar Goedele gebood dat ze blijven moest. Ze bleef.
Ze lachte lijk een zottin en joepte met snokjes opwaarts. Ze gichelde
bij poozen:
--Ikke?... Ikke?... Wel hemelsche deugd! mijn moederken!... Liefde voelen
of andermans liefde ontvangen!... Bespottelijk, zoo'n idee!... Ik zegge
't u: stel u in ruste... Ik trouw met Sebastiaan.
Ze nam Seppie op, schudde hem boven haar hoofd, zoodat het beestje daar
in de leegte, met luie pootjes, te slodderen hing. Ze knikte hem toe,
smeet hem omhooge en grabbelde hem tegen hare borst vaste. Ze lei hem
naderhand op moeder haren schoot terug, merkte hoe ze nu vol met
haarkens was, langs hare schouders en op hare mouwen, en mummelde met
pruilende lippen:
--Hatje! het leelijke jong!...
Ze werd seffens heel ernstig, knipte de haarkens weg, zenuwachtig en
kort. Ursule jubelde in haar eigen, als ze de verklaring kreeg dat het
gewenschte huwelijk ten slotte toch gebeuren zou, maar nadien, bij 't
zonderling gesnap van Goedele, werd ze wantrouwig opnieuw. Ze zweeg
echter en rolde binstdien in haar hoofd een versche golving spijtige
gepeinzen.
Al pratend, en dooreengooiend een reesem lichtzinnige woorden, drilde
Goedele langs de trap naar heur kamer, en sloot zich op. Ze viel lijk
een massa op haar bedde en begon hevig te schreemen. Dat duurde een
lange stonde, tot Justa haar opzoeken kwam voor 't noenmaal. Ze waschte
zich haastig, liet 't kille water vloeien over hare slapen en baaide
hare oogen. Ze had deugd aan die prille frischheid en voelde een klaarte
komen in hare onrustige gedachten. Ze tort dan de eetzaal binnen en ging
neerzitten, naar gewoonte, tusschen vader en moeder.
Na den eten werd aan 't groote hekken gescheld. Bella schoot huppelend
in huis en vloog blozend en schaterend aan Ursule's hals.
--Hoe gaat ge, beste mevrouw?... Wel! men kan het niet eens zien op uw
wezen, dat ge ooit ziek geweest zijt?... Dag, Goedele, dag, beste
heer.... 't Is wel koud buiten, hoor! Dan zet ik het op een drafken
langs de straten ... en de menschen kijken me na.... Ik loop geerne in
't koude weer....
--Ja ... ja ... de jonkheid, lachte Albien.
--Ik ben met de gauwte naar hier gedreveld ... Wilt ge even mijn paletot
helpen uittrekken, Goedele? Dat is een dwaas ding--ik geraak er nooit
van af. Mijn mouwen zijn ook zoo potsierlijk ingewikkeld.... Hai!
mijlieve, ge snokt me haast de armen van het lijf.... Ja! Ja! Ja!
Ze danste van ongedurigheid, bijsde hare heupen en lachte. Ze tikte met
hare vingeren dolle haarkrullekens weg, die op haar voorhoofd belden en
jeukten in hare wenkbrauwen. Ze reikte dan aan Ursule een ranke mimosa,
die ze met haar hermelijnen mofje op de glazen dresse had neergeleid.
--Djentig, hee?
--Heerlijk, mijn kind--Onnoozel dat ge ervoor zoo'n dwaze onkosten doet.
't En was in waarheid niet noodig....
--Ja!... ja!... ja!...
--Danke.
Bella weerde zich om drollerig te zijn en sprak van heur magere
spaaroordekens. Anders had ze een heelen ruiker meegebracht.
--Ge weet wel--zoo zacht-witte winter-rozen ... maar dat kost! dat kost!
Ze zette zich neer en vingerde ongedurig om de gulden korreltjes van
hare halsketen en, omdat nu een tijd de stilte neerviel langs deze
ongezellige kamermuren, zocht ze opgewonden in haren geest naar spelende
woorden. Ze vertelde van thuis--hoe moeder sinds een paar dagen
aanhoudend aan maagpijn leed en hoe ze dan zoo lastig van humeur was,
en hoe vader dan wegliep, om ongemakken te vermijden. Ze tuurde naar 't
kille gezichte van Ursule, daar roerloos rustend tegen de hooge leuning
van haren stoel, schoon-gelijk van weerskanten en effen lijk gladde
marmersteen, even hard ook en zonder warmte van binnen. Ze voelde wel
dat ze met hare vroolijke zinnetjes kwam zonder uitslag aanstooten tegen
de roerlooze vlakten van dees gewillig gelaat. Ze loerde omdieswille
rijzekens naar Goedele, die opstaarde langs 't venster naar de varende
doening der wolken. Ze had een zonderlinge bangheid over zich, lijk
iemand die zondigt entwat en meent dat elkendeen 't kan lezen. 't En was
precies niet dat ze gezondigd had, maar toch vreesde ze den diepen,
droomenden blik van Goedele. Aan dien blik kon ze geen geheime gedachte
verbergen. Daarom taterde ze aldoor, haar eigen vergetende en alles om
haar vullende met ijdel gebabbel. Ursule knikte stillekens of
fluisterde:
--Ja ... zekerlijk ... ik peinze aldus....
Bella was erdoor opgehitst en sprong mateloos van 't eene nietig voorval
naar 't andere. Ze wilde met woorden alles opjagen tot een gewichtige
gebeurtenis, en verzinde tallenkant eromme een kantwerk van
belangwekkende detailleeringen. Ze belonkte op Ursule's wezen of daar
endelijk geen snare bewegen zou en, als bijwijlen een rimpel langs den
neuze zonder reden dieper viel, bleef ze om haar gezegde met opzet
haperen en vertijen, meenende dat Goedele zoo meteen zeer aandachtig
werd. Ze was aan 't vertellen van de verkiezing.
--Och! mevrouw-lieve, gijlie gaat nooit buiten huize! De stad is éen
strijd, éen roepen van kwade of geestdriftige menschen. Ge moet al die
gezichten eens zien uitrekken naar de brutale kleuren van politieke
plakkaten. De eene peinzen: 't is waarheid! De andere vloeken: ze
liegen! Daar loopt soms een heerken tusschen, dat zwijgt en niets en
denkt en in 't gewoel zijn dansend buiksken laat wiegen.... Die ziet er
gelukkig uit.
Goedele liet over haar gaan die reesems huppelende zinnen en 't werd
haar in den beginne een aangenaam gezeur, lijze streelend langs hare
slapen. Ze voelde alzoo een korte bedaring ruste brengen in hare
opgeketste leden en ze mijmerde. Ze vaarde geleidelijk met onbepaalde
gedachten weg, en de ruimte daarbuiten, de schoone ruimte met hare vrije
golvingen en hare pluimlichte endeloosheid, kwam om haar. Ze zweefde er
in, en ze werd haar eigen aandoeningen nauwelijks gewaar. Ze kon wel in
't zoete geharrewar van al hare ommentweer doezelende ideeën 't zicht
herkennen van Madeleen en Romaan, van Wiezeken en tante Olympe, van
Ameye.... Ze tastte nog het werkelijke leven, maar 't en bezeerde haar
niet. En Bella babbelde. En daarhooge togen de wolken voorbij. Ze kreeg
de heel grijze emotie van heur kinderjaren, eene vluchtige verschijning
van verre herinneringen, ginds in den hemel, rotewijs. En dan,
plotseling, de val van een takje hulstgroen met roode perels....
Ze bracht misnoegd hare hand over haar voorhoofd en het gekwetter van
Bella tjokte onwelluidend in hare ooren. Ze fronste hare wenkbrauwen,
stond seffens rechte en merkte opeens dat een nijpende hoofdpijne haren
kop tot in haar nekke omknelde. Ze stapte langzaam de deur uit. Ze bleef
aarzelen bij de zoldertrap en tort na een oogenblikje toch naar boven.
Ze had nu een leelijke kure, een ziekelijke wreedheid. Ze ontmoette vóór
hare slaapkamer grootvader, die er kousevoets stond, met angstige oogen,
te loeren kantewaarts naar heur. Ze herkende in zijne blikken de valsche
lichten, die hij niet duiken kon, en ze moest op die stonde door een
helsche kwaadwilligheid gedreven, hem treiteren, hem nijpen met
dubbelzinnige woorden, hem zeer doen met brutale gezegden. Dat voelde
ze.
--Wat doet ge daar?
Hij grinnikte en schokschouderde. Ze wilde hem wegjagen.
--Uit mijne kamer! Wat doet ge, in mijne kamer tewege? Weg, zeg ik u!
Ze fluisterde hem toe:
--'k Hebbe toch al mijn laden vaste gesloten....
Rik rilde een tijdeken. 't Viel hem nu kwalijk, dat gedoe van Goedele.
Hij probeerde zijn lijf verontweerdigd achterover te snokken. Ze zei
dadelijk:
--Haal moeder's kistje!
Hij zakte ineen. Zou hij op dees oogenblik kapot gaan? Hij grabbelde
achterwaarts naar den muur om steun te vatten. Hij kon zijne oogen van
Goedele's hand niet krijgen, die, gebiedend, naar de hooge deur der
leege zalen wees. Hij zeeg lijk een vodde thoope en zijn asem wilde uit
zijn kele niet. Hij snakte. Hij deed zijn kop gedurig hergaan, lijk
iemand die jaknikt, en zijne vingeren scharrelden over den muur, wilden
zich ievers vasthaken.
Goedele keerde zich vluggelings omme en tort klaar-lachend de trap af.
Hare lach klonk heel wit en eendelijk, en ze hoorde Bella beneden even
ophouden met tateren, binstdat moeder vroeg met ontstelde stem:
--Wat gebeurt er?
Ze kwam in de kamer weer en zette zich op een stoel. 't Was hier nu
danig droeve. Ze zei:
--Ge moet mij alzoo niet bekijken, menschen.... Ik heb daar een vieze
leute gehad!
Bella lachte subiet mee.
--Vertel eens, Goedele....
--Straks!
Ze ging vóor den spiegel staan en schikte nauwkeurig eenige losse
haarstrengen. Ze peuterde nadien aan een strikje, dat leelijk viel op
haren rechterschouder, en vroeg, onverschillig:
--Hebt ge uw borduurwerk mee, Bella?
--Ja ... wacht even....
Ze zetten zich allebei onder 't noesche vensterlicht, en Goedele schoof
het kleine werktafelken bij. 't Duurde een heelen tijd, eer ze hun
tamboerijn gespannen hadden en de vele zijden strengetjes klaar gemaakt.
Bella was bezig aan een bleek-groen fichu, waar ze teer-gele
boterbloemen op stikte, in kransjes liefelijk saamgebracht. Ze was
seffens aan den gang, haastte zich gejaagd alsof 't gauw afmoest. Ze
boog zich lage over haar werk, en moest bijwijlen scheef gaan zitten om
licht te krijgen op de luttele teekening. Ze werkte altijd zoo,
gauw-weg, zonder goesting en zij en zocht nooit naar een fijne
nuanceering. Ze naaldde de tinten te gare, nagenoeg zooals ze aangeduid
waren op 't model, en ze was alzeere moe, om een beetje te rusten al
zuchtend.
Goedele zat meestendeels met luie vingeren te wachten, te kijken naar
Bella, en ze merkte dan 't een en ander op, bitsig een woord zeggend,
dat onaangenaam klonk. Endelijk geraakte in huis een zwaar en moedeloos
zwijgen, en onderwijl zoefde alover den tuin een grillige wind. Ursule
had hare oogen dichtgedaan en hare handen lagen bijeen, rijzekens mekaar
takend, op haren schoot.
--Zie! sprak Goedele, trouwen, daar moest ge eens aan denken, Bella!
--Trouwen?
Bella giechelde en de strengskens zijde schoven van haar knieën op het
voettapijt. Ze was tevreden dat ze, bukkend om 't lichte gerief op te
rapen, alzoo haar blozende wangen kon verbergen. Een leelijke rimpel
groef een nijdige schaduw om Goedele haren mond. Ze zei, koud:
--Doe nu niet gek! Ik zie wel dat ge geerne er aan denken zoudt....
Maar helpt mijnheer De Vleeschhouwer u niet hierin? Moeder heeft me aan
Vrebos geholpen.... A-propos, die komt straks weeral!
Ze blikte naar 't horloge en vroeg:
--Is 't hier 't juiste uur, moeder?
Ursule ontlook langzaam hare oogen, trok haar uurwerk te voorschijn en
bracht het aan, heur oor. Ze keek nadien vluggelings er naar en
antwoordde:
--Half-vijve.
Hare wimpers vielen trage toe.
Goedele vroeg een versche naalde aan Bella, en merkte hoe Bella's hand
even bibberde, al reikende over de werktafel. Dezelfde plooi zakte van
weerskanten, bezij hare lippen. Ze kreeg een kwaad en onweerstaanbaar
verlangen, precies lijk daarboven, als ze meteen vóor grootvader stond.
Ze veranderde van stem en liet hare woorden met scherpe ruwte hakken in
de stilte.
--Zeg eens, Bella, wat is eigenlijk uw idee omtrent mijn verloofde?
Ze genoot in waarheid de ongesteldheid van het meisje, dat daar verlegen
en hopeloos tegen haar vrage spartelde. Het was haar een ongewoon
geneuchte, een deugddoend gevoel, dat uit een kwaden drift opwalmde en
spelemeide in hare hersens, heel zacht. Bella vingerde zonder aandacht
om haar borduurwerk en stamelde dat ze niets dacht.
--Wat heb ik te denken, lieve, en wat bedoelt ge met zoo'n advies?
--Juist uw advies. Ge meent zelve best wat ik bedoelen wil. Een advies.
Is hij schoon?
--Och!
--Is 't een vent met een lijf voor de liefde?
--Zotte kappe!
--Peinst hij diepe en drukt hij 't sierlijk uit? Enfin, ge joept daar nu
stotterend en ongedurig op uw stoel....
--Ik vind het hier bang....
--Ja--bang.
Ze blikten subiet op naar mekaar en Bella beukte tegen de harde oogen
van Goedele. Ze zonk precies weg, niets meer doende, zich overgevend,
tewege te weenen. Ze wilde geerne opstaan en buiten loopen en lucht
krijgen. Ze fluisterde:
--Ik word ongemakkelijk....
Omdat niemand haar opbeurde en te helpen naderde, werd de gloeiing om
hare slapen onverdragelijk. Ze voelde den scherpen stoot van Goedele's
blikken gedurig. Goedele zei:
--Ge windt uzelve op.
--Neen.... maar 't zal wel overgaan. De stove brandt geweldig.
--De assche ligt dood.
--Mag de deure niet open met een reetje?
Ze stond op en werd eene knikkende slapte gewaar in hare knieën. Ze
bleef een endeken in het deurgat staan. Ze zag Rik zitten op de trap,
heel bleek, en staren met diepe oogen, grauw ommendomme beschaduwd.
Ze probeerde zich te hervatten en lachte den grijzaard even toe, al
groetend:
--Dâag--dâag--
Rik grommelde onachtzaam, en ze tort binnen opnieuw, teenemaal
ontredderd. Er werd aan de straatpoorte gescheld. Ze bracht schokkend
hare hand over haren boezem, binstdat Goedele lachte:
--We hebben van den duivel gesproken: daar is nu Sebastiaan!
Bella hijgde. Het docht haar dat de tijd niet voort wilde, dat hij zich
langzaam uitrok en dat er geen ende aan dees folterend oogenblik zou
geraken. Ze vreesde de stonde, waar Sebastiaan zou binnen komen, en
seffens daarna verlangde zij die, benauwd voor de eeuwigheid die zij
meende van dit oogenblik af te zien aanbreken. Ze hoorde door 't getuit,
dat ziedde in hare ooren, de stemme van Ursule.
--'t Ligt hier zoo alles in wanorde!
En ze had dan nog een haastige beweging om de zijden draadjes, die
tallenkant uiteengewaaid waren, een beetje te schikken. Een haastige
stap klonk op den drempel. De peizelijke groet van Vrebos viel haar
zwaar te moede en ze kon nauwelijks glimlachen. Ze staarde naar de
boterbloempjes op het borduurtamboerijn. Als Goedele sprak, was 't
haar of heel de kamer instortte onder 't klabetterend lawaai. Ze lei
rijzekens hare hand in de uitgereikte hand van Sebastiaan. 't Was eene
nieuwe emotie. Goedele zei:
--Kijk! Basti, ik en deug niet voor u. Ge moest eens goed ommezien en
met Bella trouwen!
Bella gilde. Haar bloed schoot ineens weg en haar kinne schokte op hare
borst. Ze stortte achterwaarts over en lag, met een doffen slag,
roerloos op het tapijt. Elkendeen sprong toe. Men klopte in hare handen
en wreef over haar voorhoofd.
--Djeezes-Maria! stotterde Ursule.
Goedele stond een oogenblik triomfelijk rond te turen. Een donkerroode
blos kleurde hare wangen. Langs de open deur, merkte ze toevallig nog
Rik, die 't ivoren kistje aan 't bergen was, achter een fuchsiapot,
gebarende dat het daar ievers wel mogelijk was zoek geraakt.
Ze was nu niet schoon. De twee rimpels in de hoekjes van haren mond
lagen heel diepe.
* * * * *
VIII.
Goedele had in den nacht hevige traanbuien, en zij en kon maar lichte
insluimeren, gedurig weer wakker opschietend in bange droefenis. Ze
weende bij 't naderen van haar onredelijk wee: ze dacht aan haar zelve,
aan de toekomst, en ze voelde dat haar leven gebroken was. Ze snikte
seffens. Ze had geen gramschap in haar, geen toornige uitvallen wolkten
met heete walmen op uit haar herte. Ze bekeek elkendeen zonder wrok.
Moeder was haar geen hardvochtig wezen meer en ze kon peinzen op heur,
zooals ze peinsde op vader: een groot medelijden verlamde haar oproerig
karakter en ze weende, duikende haar brandend gezichte in 't zakkend
geveder van haar hoofdkussen.
In den morgen verzwakte haar uitermatig leed, maar ze bleef den dag door
turen naar den komenden winter, verslonden in vaag gemijmer, aldoor
treurig en maf. Ursule trachtte meermaals met zoet gevlei haar op te
beuren. Ze sprak weer van een cottage, waar ze zouden gaan inwonen, bij
't naderen van de lente. Ze dierf echter het gezelschap van Bella niet
meer oproepen. Het was gisteren al te bar verloopen en de herinnering
eraan zou geen goed stichten.
De weke liep door. De verkiezingen gebeurden met groot lawaai en een
nagalm ervan drong in dees spokig huis. Men sprak van 't voorval, en dat
bracht een beetje verscheidenheid binnen. Ook een heele zake was 't, als
Justa, in 't voorkamertje, het ivoren kistje ontdekte. 't Was tooverij.
Maar Ursule had voorloopig gewichtiger gepeins en Goedele was niet uit
haar droomen te leiden, zoodat het kistje algauw vergeten werd.
Op een nacht begon 't nijpend te vriezen. Schoone bloemen waren 's
ochtends zichtbaar op de ruiten, witte bloemen met divers geblaan,
allemaal zuiver en sierlijk van vormen. De tuin lag met blanken rijmel
bestoven en de strate, onder den tert der menschen en 't gerammel der
wagens, klonk bijzonder luidelijk. De postbode bracht, al heel vroeg,
een brief voor Goedele.
--Wat is 't? vroeg Ursule.
Hij werd koortsig opengebroken. Er kwamen hier bijna nooit brieven toe,
behalve somtemets een kort schrijven van Vrebos of een welruikend
kaartje van mevrouw De Vleeschhouwer. Deze brief was van tante Olympe.
--Nieuws van Romaan, fluisterde Goedele, heel laag.
Hare blikken schoven vluggelings over de zwarte onregelmatige letters,
heel die brave, gebrekkige taal van 't oude wijveken, en stilaan
geraakten hare oogen vol. Ze moest rap pinken om de tranen weg te duwen
en verder klaar te zien. 't Was slecht nieuws.
Ursule lengde haren hals uit, en op dees oogenblik overviel haar
werkelijk een breede moederlijke aandoening. Ze stotterde, een ongemak
voelend in haar kele:
--Watte?... Watte?... Hein?
Ze beloerde 't stille geween van Goedele, elken traan te reke, die rond
werd onder de donkere wimpers, klaar optikkelde met een sterreken
veranderlijk licht en trage neerwaarts droop. Goedele stamelde:
--Slecht nieuws....
--'t Is van Wiezeken, niet waar?
--Wiezeken is aan het sterven.
Ze zaten nu allebei rechtover mekaar, in stilte te schreemen. In langen
tijd had Ursule zoo 'n ware emotie niet gehad en ze verwonderde zich dat
dees waarachtige droefheid, die haar week maakte en afmatte, haar zacht
was en deugdelijk. Ze voelde dat ze met dees leed tot dichtebij Romaan
naderde en ze jubelde zoete, al snikkend, omdat Romaan zoo dichtebij
was. Ze werd bijna tegen hare vingeren de warmte gewaar van zijn
geliefde voorhoofd.... Ze zei:
--Ge moet gaan....
--Ja.
--Ge moet zeggen ... iets van mij ... iets van zijne moeder ... aan
Romaan.
Goedele voelde dadelijk dat moeder rechtzinnig was en ze wilde haar
geerne kussen, dankbaar om hare goede smert. Binstdat ze zich met haast
aankleedde, vertelde ze van den verloren broer, zooals ze er nog nooit
hier in huis over had verteld. Ze wist vele bijzonderheden aan te halen,
waaruit het gulden hert van Romaan stralend te voorschijn kwam. Het was
alsof ze tewege was ook van Madeleen te spreken. Het woord verzoening
geraakte bijkans op hare lippen.... Ze zweeg echter, op dat woord juist,
nog aarzelend en nog vreezend.
Buiten, op de koude straat, tort ze dapper door. Ze was weer in 't
gewoel van de haastige menschen, ze taakte weer het drukke werk van al
die dravende lijven, en, hoe onzeker ook, ze genoot de luchtige vrijheid
lijk overrijd. Maar gauw drilden hare voeten, al slaande tegen hare
rokken, en ze beluisterde den slag, hem gauwer aanzettend, om gauwer
ginder te zijn. De winkels met hunne breede vensters en veelvervige
uitstallingen sleerden zijlings voorbij. Ze herkende ievers een
confectiehuis en wierp hare blikken subiet anderzijds. Een oud ventje
hinkte krukkebeenend op haar af en reikte eene bevende hand uit. Ze
bleef staan en vingerde in haar geldtasje en gaf een stuiver aan den
man. Hij boog en een kistje met solferdoosjes, dat hing op zijne borst,
kwikte schier omme.
Ze hoorde niet wat hij mompelde. Ze was tevreden dat ze hem iets gegeven
had en dat het niet lang geduurd had. Ze geraakte zoo in 't lage van de
stad. De trams zoefden en kruisten malkaar. De karren waggelden met
ongemeen gedruisch. Een kindje riep haar na:
--Juffrouw! Juffrouw!
Ze keek omme en zag het dutseken aandrevelen met een zakdoekje.
--'t Uwe, juffrouw?
Ze tastte in haar pelsen mofje en bloosde, omdat een oude heer haar heel
scherp aankeek binstdien.
--Ja, lieveken.... Danke.
Verlegen liep ze verder. Tenden de strate lag de vaart. Nog de brug over
en dan een klein draf ken. Wat zou ze zien? Een rappe angstigheid kwam
over haar.
--Wat zal ik zien?
Op de brug was al meer moedeloos haar gang en ze tort langzaam, swijlens
starende naar 't water van weerskanten. Het water was bij plaatsen
dichtgevrozen, maar om de schepen, die lui en diepe lagen, allemaal
bijeen langs de dokken, klotsten de vrije golfjes overhand. De grijze
hemel klaterde erheen, in zilveren schervels, en altemets sprong een
vliemken stralend licht er te midden op, naar den willekeur van het
toevallig gespeel. Goedele's blikken bleven daar onbewust haperen en
hare oogen waren wijd-open aan 't zien. 't Geflikker spatterde aardig
in haar hoofd en 't herbegon altijd zijn veranderlijke wiegeling. Ze kon
precies niet verder uitkijken, recht vóor haar, waar haar weg gebaand
was. Hare handen werden heel warm in het doezelig mofje, en ze hervroeg,
een vaag zicht krijgend van de leelijke werkelijkheid, die naderend was:
--Wat zal ik zien?
Aan 't klein gesleer van hare voeten werd ze meteen gewaar dat ze te
lanterfanten stond. Een brouwersgast met zwaar gespan riep, om ze uit
zijn weg te krijgen. Ze liep. Ze beluisterde weer den korten klop van
hare beenen in 't matelijk gedruisch van hare rokken slaan.
Ze bleef uitasemen op den drempel van den ellegoedwinkel. De nijpende
geur van dees huis kwam haar ontstellen, en, al wilde ze gestadig denken
aan 't akelige zicht van Wiezeken, zich daarmee bedwelmend, ze dacht ook
aan Ameye, die daarboven waarschijnlijk was. Gauw probeerde ze te
verzinnen welke houding ze aannemen zou, maar seffens schudde ze haar
hoofd, alsof ze meende:
--Wat scheelt het mij, en wat ben ik tot hem? Ze ging de trap op. Het
docht haar dat het hier wel akelig zijn moest: de winkel lag stille en
ginder hooge lag stille insgelijks het leutige lied van Mariëtte. De
trap kraakte. Ze zag in de hoeken de gewone stofkens herroeren met het
kleine gewaai van haar kleeren. Ze merkte 't allemaal op, tot de
luttelste dingen, en ze klampte zich permintelijk eraan vaste, gestadig
het oogenblik wegschuivend, dat toch al gelijk aanbreken moest. Ze keek
naar hare hand endelijk, hoe die trage zich naar de deurklinke reikte en
hoe de deurklinke daar precies te wachten hing....
Ze tort beraden binnen. Niemand was hier in de keuken. Hare blikken
vielen links en rechts op 't vele tinnen en koperen gerief. De koffie
stond te dampen op de stove en daar walmde allentwege de goede geur.
Tante Olympe stak loerend de zijkamer open en fluks, als ze Goedele
herkende, kwam vóor haar staan, treurig doende met haar gerimpeld witte
gezichtje. Ze zeiden mekaar geen goeiendag. Dat lag zoo verre van haar.
Goedele vroeg, lage sprekend:
--Wiezeken?...
Tante Olympe zeeg neer op een stoel en bracht haren voorschoot over haar
wezen. Goedele moest nevens haar gaan zitten en herhaaldelijk vragen
nog, eer het oude wijveken haar geween kon breken. Ze stotterde op een
ende:
--De dokter is er bij.... Ze hebben er aan gewerkt dezen nacht, met
drijen.... Ze hebben er aan gesneden ... en Wiezeken haar keelken ligt
open.
--Wat zegt de dokter?
--Niets ... en durft hij--maar ik, juffrouw, ik weet wel wat sterven is
en hoe de Dood doet, als ze nadert.... Dat arme boeleken!
--En Romaan?
Ze had een flauwen lach over hare magere lippen, om te beteekenen dat
het ook met hem deerlijk gelegen was. Ze blikte dan zuchtend langs 't
venster naar den wit-grijzen hemel en ze fluisterde:
--We zijn hier in dees huis, nu juist twee jaar geleden, binnengekomen.
Ze vouwde hare vereelte handen op haren schoot te gare en voortdurend
tuurde naar het effen geluchte, met schokj
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/17537