Dramatische werken
by Henrik Ibsen · Dutch · Gutenberg #17524 · 764,242 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Dramatische werken
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Dramatische werken
Author: Henrik Ibsen
Translator: J. Clant van der Mijll-Piepers
Release date: January 23, 2006 [eBook #17524]
Most recently updated: December 13, 2020
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/17524
Credits: Produced by Marc D'Hooghe
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DRAMATISCHE WERKEN ***
Produced by Marc D'Hooghe.
HENRIK IBSEN
DRAMATISCHE WERKEN
VERTAALD NAAR DE OORSPRONKELIJKE NOORSCHE UITGAVE
DOOR J. CLANT VAN DER MIJLL-PIEPERS
& MET EENE INLEIDING VAN Dr. W.G.C. BIJVANCK
* * * * *
INHOUD
INLEIDING TOT IBSEN DOOR W.G.C. BIJVANCK
STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ
NORA (EEN POPPENHUIS)
SPOKEN
EEN VIJAND DES VOLKS
* * * * *
[Illustratie: HENRIK IBSEN. Naar het schilderij van E. WERENSKJÖLD (1895)]
INLEIDING TOT IBSEN DOOR W.G.C. BIJVANCK
* * * * *
I.
DE TIJD, HET WERK EN DE MAN.
Toen, in 1828, Henrik Ibsen ter wereld kwam, koos hij het juiste
oogenblik van geboorte voor zijn roeping als "staats- en
samenlevings-satyricus"[1] der 19e eeuw.
Wie an dem Tag, der Dich der Welt verliehen,
Die Sonne stand zum Grusse der Planeten,
Bist alsobald und fort und fort gediehen
Nach dem Gesetz, wonach Du angetreten.
So musst Du sein, Dir kannst Du nicht entfliehen....[2]
De stand der lichten aan den hemel, bij het eerste begroeten van het
levenslicht, bepaalt ons lot en onze bestemming,--zoo spreekt de
dichter-profeet, en er is zeker aan elk der menschenkinderen een weg van
ontwikkeling voorgeschreven en gezet van de vroegste kindsheid af, maar
of die baan uit de sterren valt af te lezen?--wij willen den dichter
gelooven, wanneer hij het zegt, en toch liever wat nader bij den grond
uitzien om onze overtuiging de rechte verzekerdheid te geven.
* * * * *
Heeft Ibsen's geboortejaar, het jaar 1828, als ik het noem en voor mijn
verbeelding opstel, niet zijn eigen min of meer expressieve physionomie?
Het is een grensjaar. De wereld, ondanks de doorstane Revolutie, ligt
dan nog in banden. Wat oud is en vervallen en niet meer mocht bestaan,
overheerscht nog schijnbaar. Maar dat oude is al hol en verbrokkeld,
zijn tijd is voorbij, en een gevoel van vernieuwing herleeft; ja
zachtjes begint de wind reeds te blazen die de belofte van het nieuwe
brengt....
Laat mij, om de beteekenis aan te toonen van het jaar 1828, als
uitgangspunt voor den dichter, een overzicht nemen over de afgeloopen
eeuw.
* * * * *
Het hoofdmoment van de 19e eeuw is de Revolutie die haar inleidt, de
groote Omwenteling. Men denkt daarbij het eerst aan Frankrijk, aan een
staatsorde die werd omgekeerd, aan staatsgrenzen die werden gewijzigd en
opgeheven; maar het was niet uitsluitend een politieke gebeurtenis; zij
had ruimer gebied in Europa, zij greep den geheelen mensch aan en zij
hervormde menschengeest en menschengevoel.
Wat men noemt de revolutionaire beweging of de hervorming van het eind
der 18e eeuw, dat heeft de dingen der wereld verplaatst en in een ander
licht gesteld: de menschen naderden tot elkander over de afscheiding van
hun stand en volksaard, de dingen verlieten hun vakken en indeelingen,
alles werd bezield door een geest van eenheid en verwantschap. Een nieuw
leven komt over het aangezicht van de aarde. Men staat anders dan
voorheen tegenover de natuur en tegenover zijn medemensch, tegenover
zijn verleden en zijn toekomst. Eenheid is het wachtwoord, en het is
alsof nu eerst de menschheid bezit gaat nemen van de wereld door haar
medegevoel.
Men leerde toen den band onderscheiden en begrijpen die alle kennis en
wetenschap verbindt, onderling en met den geest zelf van den mensch;
en de doode massa van feiten en waarnemingen verrees daardoor tot een
opstanding. Het was een albezieling. De menschen vonden zich op eenmaal
terug, rijker, machtiger, grooter. Nieuwe krachten werden in hen
ontbonden. Verbeelding, inzicht, energie van denken groeiden aan[3].
Het was een nieuwe spanning der vermogens....
Wanneer men zich de laatste jaren der 18e en nog de allereerste jaren
der 19e eeuw voorstelt, moet men dien krachtigen, alles meeslependen
adem van het nieuwe geestesleven voelen heengaan over de wereld.
* * * * *
Het Scandinavische Noorden deelde eerst laat in de beweging. Hendrik
Steffens[4], een man uit Noorwegen maar van Nederduitsch bloed, ging
naar Duitschland om zijn ziel in de atmosfeer van groote ideeën te
bevrijden van haar druk. Hem had in zijn engte en eenzaamheid het
heimwee overvallen naar een vereeniging met "de volle" menschheid en
natuur, en het was geweest als de drang van een behoefte aan godsdienst;
maar zijn heftige, wilde aard liet hem geen rust voordat hij zich had
doorgekampt tot zijn bestemming.
Hoe gevoelt men aan het voorbeeld van den jongen Steffens, met wat voor
macht de trillingen van de grootere wereld zich langs onbekende wegen
voortplantten in de uithoeken van Europa! De staatkundige gebeurtenissen
van het eind der 18e eeuw gaven maar een stoot en een opwekking;--men
mag hun invloed niet over 't hoofd zien, evenmin als Steffens zelf
vergat met wat voor opwinding zijn vader thuis kwam op een dag--hij was
toen, in 1789, zestien jaar--en aan de kinderen vertelde van den val der
Bastille en het aanbreken van een nieuwen grooten tijd van vrijheid en
geluk[5].
"Het waren wonderbare dagen," zegt Steffens in zijn herinneringen,
"... het eerste oogenblik van geestdrift ... heeft iets reins en heiligs
gehad om nooit te vergeten." Maar het dwepende verlangen dat hem dreef
tot de natuur "in haar gansche volheid," zooals hij het uitdrukt, lag op
den grond van zijn hart; dat heimwee naar zielsbevrijding drong en
prikkelde den jongeling met onstuimiger kracht dan de voorbijgaande roes
van indrukwekkende gebeurtenissen. Hij moest de wijde wereld in om met
eigen oogen te zien wat de nieuwe tijd aan nieuwe menschen en nieuwe
ideeën deed opbloeien, hij moest zijn geest laven aan de bron van het
geestesleven in Duitschland: de wijsgeeren, de dichters, de mannen der
wetenschap moest hij kennen, en uit hun mond, door hun omgang moest hij
het wezen der nieuwe ideeën direct opnemen in zijn hart, als het
beginsel van een "voller" leven.
* * * * *
Toen hij--het was in het voorjaar 1802--uit Duitschland naar Kopenhagen
terugkwam, met het plan om voorlezingen te houden over zijn geestelijke
ondervinding, vond Steffens in Denemarkens hoofdstad onder zijn
enthousiaste hoorders, den dichter, den man geroepen om een levende
gestalte te geven aan zijn denkbeelden. "Ik gaf hem aan zichzelf," zegt
Steffens van zijn eerste kennismaking met Adam Oehlenschläger, "hij werd
zich bewust van zijn rijkdom, en ik schrikte bijna van de onstuimigheid
waarmede die jonge frissche bron mij tegemoet stroomde."[6]
Het verhaal is bekend hoe die weeke, voor alle indrukken vatbare en toch
hartstochtelijke trotsche geest van Oehlenschläger het bezielende woord
van zijn ouderen tijdgenoot aannam en dadelijk in zijn poëzie liet
weerklinken,--veel te bekend om het hier nog eens te geven. Maar ik kan
toch niet zonder even een vermelding dat tafereel voorbijgaan van
opbruisende geestdrift, waar de jonge dichter, eerst ik weet niet door
welk vooroordeel weerhouden, bij Steffens aarzelend een bezoek brengt,
om met hem te blijven spreken, wandelen, etend, rustend, van elf uur 's
morgens tot drie uur in den nacht, dan thuiskomt en een gedicht schrijft
voor zijn vriend tot bewijs voor zijn dichterschap, voor zijn pasgeboren
"volle" dichterschap.
Daar raakt ons de ademtocht van den tijd onmiddellijk aan. Het krachtige
leven ontspruit dadelijk en natuurlijk. Het vindt zijn terugslag in de
gedachten. "Zoon van de Natuur," zoo karakteriseert Oehlenschläger den
held van zijn poëtische vertelling "Aladdin of de wonderlamp." Aladdin's
genie is geluk. Het geluk komt tot hem zonder gezocht te worden, als tot
het voorwerp van zijn liefde.
Tegenover Aladdin stelt de dichter Nureddin, den zorger en zwoeger, den
nachtwroeter en peinzer, gelijk hij het menschentype noemt, dat de
fortuin den rug toekeert.
Oehlenschläger en het tijdstip dat hem dichter zag worden, stonden aan
den zonnekant. De genialiteit van de jeugd drong toen het sombere,
bleeke nadenken en zich bezinnen terug naar de schaduwen van den
nacht[7]. Want het waren toch nog iets meer den twee poëtische typen,
Aladdin en Nureddin,--het zijn twee soorten van karakters in de
menschenwereld: de levensvolle, de toegrijper, de improvisator van geluk
en de twijfelaar, de peinzer, de levensloochenaar[8]. Hun contrast
openbaart en teekent zich niet slechts in de poëzie, maar ook in de
opvolgende tijdvakken en in de groote mannen van het Scandinavische
Noorden. Oehlenschläger heeft door zijn voorstelling die typen aan de
menschen van het Noorden getoond. Ja, men kan misschien zeggen dat hij
buitendien en in 't algemeen een vorm gaf aan de elementen, waaruit de
nieuwe letter- en levenskunde van het Noorden zich begon op te bouwen.
Dat alles was weliswaar door hem nog niet in vaste, scherpe lijnen
getrokken, en de samenhang der karakters was dikwijls oppervlakkig en
onbepaald:--voor de toekomst viel nog iets te doen:--maar hij beproefde
het ten minste om de heele wereld in zijn werk af te spiegelen en zich
te doen bewegen. Hij hield het oog op het geheel....[9]
* * * * *
Een tien- of twaalftal jaren na Oehlenschläger's opgang keerde de
stemming zich om. De troostelooze en magere jaren kwamen aan. Het was
bij Napoleon's val, toen de nieuwe denkbeelden, na nog een opbruising,
hun krachten hadden verspild, toen de mannen van het Heilig Verbond zich
gereed maakten om onder den schijn van het Heilige de oude rechten weder
te doen gelden....
Men kent de gewoonte der dichters van het Noorden om hun helden op de
beslissende momenten van hun leven een hoogte te doen beklimmen tot het
houden van een alleenspraak in de eenzaamheid van den natuur. Nu gaat
het landschap waarop zij zelf en hun helden uitzien, zich verduisteren;
wolkgevaarten legeren zich daarover, en het gezicht van de hoogte is op
teleurstelling en smart.
"Ik stond eenmaal," zoo leest men in een brief van het jaar 1814[10],
die als een karakteristiek van den tijd beschouwd moet worden,--"ik
stond eenmaal op een hoogen berg en keek rond in een heerlijke
streek.... En de oneindige zegen en de oneindige liefde vervulden mijn
hart door hun machtige nabijheid.... Die tijden zijn voorbij en het
leven is me een enge gevangenis geworden, de natuur een kille
regen-Novemberdag. Dikwijls bekroop mij het verlangen weer op dien
hoogen berg te stijgen en het uitzicht te hebben op de oneindige wereld.
Maar tevergeefs wachtte ik op den goddelijken geest en de onzegbaar
heerlijke nabijheid; en klagende ging ik van de hoogte af, bitter
weenende"....
* * * * *
Zoo scherp was de val. De vrije geest, en de scheppende verbeelding
moesten bukken onder het wicht van den tijd.
Ze lag heel zwaar op de menschheid, de Restauratie, de Herstelling van
het verledene;--ze onderdrukte en ze weerhield.
Welke kiemen van groei konden ook wel die jaren aan Europa verschaffen?
Wat vermochten ze aan de menschheid te schenken, de vorstencongressen en
vorstendecreten waarmede de wereld toen werd bestuurd? Een voorwendsel
van nà- en overleven voor wat verouderd was en vermolmd!
Niets meer.
* * * * *
Wij wenden ons tot Noorwegen, want daar is vooreerst onze standplaats[11].
Ook voor Noorwegen had nog even het licht opgeblonken te midden der
volkenverwarring.
Het jaar 1814 gaf aan het land de vrijheid en een grondwet: vrijheid
tegenover de Deensche monarchie waarvan Noorwegen tot dien tijd deel had
uitgemaakt,--en door zijn grondwet van 17 Mei zelfstandigheid tegenover
Zweden waarmee het onder een zelfden koning kwam.
Maar Noorwegen was verarmd en uitgedoofd. De inspanning om zijn grondwet
te verkrijgen had de laatste krachten verbruikt.
Zoo scheen het. En voordeel van de constitutie had men niet. Niet
dadelijk ten minste. Wat in de toekomst lag kon niemand voorzien.
Op 't oogenblik toonde de boerenstand, de kern der bevolking, zich
onverschillig. Gehecht aan hun oude overleveringen, waren de boeren van
de nieuwe vrijheid niet gediend, ja zij gedroegen zich tegenover haar
zelfs vijandig. Gevolg van hun armoede en hun geestesarmoede. Maar de
bureaucratie, de kring van regeeringsambtenaren, nam het bestuur in
handen, en zij kon zelfs het woord van vrijheid niet verdragen, evenmin
als den naam der constitutie, uitvloeisel van den revolutionairen geest
uit het begin der eeuw.
Zoo was er nergens van vrijheid sprake of 't moest zijn van de overoude,
eeuwengeheiligde Noorsche vrijheid om de dingen te laten gaan, zooals
zij wilden....[12]
Diep onder het oppervlak welde en woelde er toch iets in den geest van
die menschen.
* * * * *
[Illustratie: Ibsen's geboortehuis te Skien (het huis rechts, tegenover
de Kerk)]
Een Noorman heeft een ingeschapen trots. Hij zal niet licht het
denkbeeld loslaten van een grootsche bestemming voor zich en voor zijn
volk. Maar de natie zelf, in haar teruggedrongen, armelijk bestaan,
miste persoonlijkheid. En daar kwam het in de eerste plaats op aan. Wat
in dien tijd aan Noorwegen, zoowel als aan de andere kleine volkeren van
Europa ontbrak, dat was een energiek nationaal karakter, een krachtige
physionomie. Het leek wel of de stormen der oorlogs- en geestesberoering
van de Revolutie de trekken van het gezicht hadden weggevaagd. Of paste
de oude verbleekte gelaatsuitdrukking niet meer bij het scherper licht
der nieuwe vrijheid?...
Binnen het verloop van weinig jaren kwam er dan meer voortgang in de
zaken van het land. Het was zoo nog geen welvaart, dan toch een voorbode
van welvaart. Sinds 1825[13] kan men een groei der bevolking waarnemen.
En daarmee gepaard gaat een ontwikkeling. Het volkskarakter, zwijgend
nog, maakt zich gereed tot spreken en uitspreken, de trekken worden meer
gemarkeerd, en bij de nadering van het jaar 1830 neemt de spanning toe.
Dat alles uitte zich nog op studentenmanier, woelig en roezig, bij
feesten ter gelegenheid van de constitutieviering: men wilde de overheid
trotseeren. Toch in alle geval kwam er toon en kracht in de menschen en
de dingen.
"Een taak[14] zoo onmetelijk groot, dat Miltons werk in vergelijking
daarmee eenvoudig schijnt, heeft me bezig gehouden en zal me nog maanden
bezighouden ook," schreef in 1828 een student van twintig jaren aan zijn
geliefde. "Het gedicht heet "Hemel en Aarde"--."[15] Is het niet alsof
men een van de jonge Titanen hoort, op het punt om 't luchtruim te
bestormen?
* * * * *
En zoo stormt hij ook die stille geschiedenis van Noorwegen binnen, de
onbesuisde dichter en patriot, Henrik Wergeland. Hij brengt tocht en
hartstocht met zich mee, de jongeling wien de wilde haren om het naïef
geestdriftige gezicht zwieren.
Ik weet niet of er nog menschen gevonden worden die het "hemel en aarde"
gedicht met voldoening kunnen lezen;--het werd in 't voorjaar van 1830
voltooid en met een opdracht aan Henrik Steffens in de wereld
gezonden,--zoo vormloos zweeft het reuzenpoëem door ijle sferen van
hemel en aarde, zoo stapelen zich beelden en gedachten op om te
bemachtigen wat zij toch niet kunnen bereiken, zoo heerscht er een volte
en overvolte in het werk, en ze kan toch niet de leegte en de magerheid
der heele gestaltenis bedekken. Maar er is gang in de holle grootsche
uiting van den theologischen student. Hij heeft een ideaal, en hij
verpandt er zijn leven aan. Het "hemel-en-aarde"-gedicht stelt een datum
voor in de geschiedenis, en een opening en een toegang tot nieuwe
geschiedenis.
* * * * *
Wergeland was de zoon van een der mannen aan wie het land de constitutie
van het jaar 1814 was verschuldigd; hij leefde eenige jaren in het
stadje Eidsvold, waarna de grondwet werd genoemd. Men mag hem een kind
der revolutie noemen[16]. Maar hij staat een eind daarvan af. Wat hem
kenmerkt en wat het gedicht over het Menschenlot merkwaardig maakt is
het gevoel van een scheiding, van een soort breuk in de vermogens van
den mensch. De dichter liet zich niet dragen door den stroom, het was
voor hem geen uitstorting en geestdriftvolle overgaaf zooals 't aan den
dageraad der eeuw was voor de eerste jongeren van de groote beweging;
neen, hij zag het vooruit- en opwaartsdringende hoogere leven aan voor
een element van strijd in de menschenziel, tegen den rustigen,
harmonieuzen, natuurlijken ontwikkelingsgang in. Die strijd is hard en
scherp, maar hij moet leiden tot een overwinning. Aldus zegt het den
dichter zijn naïef vertrouwende kinderlijke aard. Want is hij een
bittere kamper, hij heeft tegelijk behoefte aan liefde, aan vertrouwen,
aan harmonie. Hij is onverbeterlijk een optimist.
Zoo heeft Wergeland in zijn dramatisch-episch wereldgedicht het type van
het echte Noorsche karakter aangegeven, al kon hij 't nog niet voluit
teekenen: dat karakter opgebouwd uit sluwheid en weekheid, uit liefde
en onbuigzamen trots van persoonlijkheid. Men zou in het werk van
Oehlenschläger misschien de beide bestanddeelen kunnen terugvinden,
ik heb het al gezegd, maar Wergeland geeft eerst de echt Noorsche
overzetting. Voor hem, voor den Noorschen dichter, wordt de menschheid
geleid en bezield door den genius van mokkende, wrokkende onrust, die
eigenzinnig overmoedig buiten zichzelf uit wil, en door den genius van
de overgaaf der liefde die, buigend voor de eigenwilligheid, haar
opvoert tot vrede en verlossing. De menschheid zoekt naar harmonie; zij
zal haar vinden, dit is Wergelands denkbeeld. Op een hooger peil geland,
treedt de mensch den Paradijsstaat weer binnen.
Wergeland geloofde in zijn volk. Laat hem in zijn poëem met luchtbeelden
schermen, achter de woorden en over elkaar tuimelende symbolen klopte
wel degelijk het hart van een man. Hij had de zienersgaaf, en den moed
in een dorren tijd om te zijn: een volksman. Daarom kwam hij voor den
dag uit zijn poëzie, en hij trok de conclusies van zijn "hemel-en-aard"-
gedicht op den vasten grond der aarde, op Noorwegens bodem. Het in hart
en ziel onverdorven menschenslag, dat de grondstof moest wezen voor het
rijk der toekomst, vond de dichter terug in zijn vaderland. Het was de
boerenbevolking waarop hij zijn verwachting grondde. Wanneer zij zich
bewust werd van haar waarde en haar geest vrijmaakte van de al te
beperkende banden, dan zou Noorwegen herleven. Hij zag in hen de "zonen
der natuur", met den aanleg en de voorbestemming om den idealen staat
tot een werkelijkheid te maken, een rechtop uit de eigen volkskracht
gegroeiden staat.
* * * * *
Er is een intieme tegenspraak in Wergelands opvatting. Ongetwijfeld.
Het denkbeeld van den harden strijd- en twijfeldrang in de menschenborst,
verdraagt zich niet goed met het natuurlijk ontvouwen van het nationaal
karakter. Maar dat contrast--daarin bestond juist zijn individuele
leven. Met die twee polen van zijn gevoel, verlangen naar kamp en naar
harmonie, raakte zijn bijzonder leven den omvang van het algemeene
leven, en die levensgevoeligheid, dat levensgevoel stelde hem in staat
om het Noorsch karakter uit zijn dofheid en verdooving te redden en te
bevrijden[17]. Wergeland opent de periode der "Noorschheid" voor het
Noorsche volk.
* * * * *
Een heelen afstand moet men doorloopen om van Oehlenschläger tot
Wergeland te komen. De een gebruikt zijn scheppende verbeelding om
verbeelding te scheppen: hij woont in een tooverland, zijn "Zoon der
Natuur" is een onbevangen dichter--de ander staat nabij de
werkelijkheid, zijn verbeelding wil een volk wekken en vormen: zijn
"Zoon der Natuur" is een boer.
* * * * *
Björnsterne Björnson, toen hij de inwijdingsrede uitsprak bij de
onthulling van Wergelands standbeeld op den nationalen feestdag van 17
Mei (1881), vertelde van den dichter hoe hij een tijd lang gewoon was
geweest om op wandeltochten zijn zakken vol te hebben met boomzaden; nu
en dan onder weg, deed hij een greep en strooide daarvan uit; bij zijn
vrienden drong hij er op aan hetzelfde te doen. "Want niemand kan weten,
wat daaruit groeien zal."
Het is de weg van een dichter door het leven, maar ook het leven van een
man, wiens handelen was poëzie.
* * * * *
Niet dat Wergeland veel geluk heeft gevonden.
Hij heeft een bitter leven gehad; hij spaarde zich niet, hij gaf en
werkte, in volkomen zelfonbekommernis, als leider van het volk; tot
belooning heeft men hem niet gespaard. Ook de natuur spande mee tegen
den "zoon van de natuur", zij gunde Wergeland maar een korten
arbeidstijd. "Ik ben niets anders geweest dan een dichter," zeide hij op
zijn sterfbed; maar dat dichterschap, ik herhaal het, was op zijn beurt
niet anders geweest dan een idealiseering van het woord waarmee hij de
loopbaan van volksman intrad:
"Mijn doel is een nuttig Noorsch burger te wezen."[18]
* * * * *
Ik noem hier alleen Wergeland, omdat ik slechts de hoofdlijnen trek:
hij had zijn medearbeiders, dat spreekt van zelf, en hij volgde op
origineele manier de opkomende richting van de andere Scandinavische
landen,--van Denemarken vooral, dat den toon aangeeft in het
Noorden,--en van heel Europa[19].
De menschen werken niet, maar werken meê, zoo moet men zeggen. Er ligt
iets grooters om hen heen. Wanneer wij ons een voorstelling willen maken
van geestelijk bewegen in een bepaalden kring, dan zullen wij ons dien
kring denken omringd door al wijder cirkels: zij deelen elkander hun
kracht van strooming mede, en dikwijls is het moeilijk te onderscheiden
of de wijdere cirkel het leven en de beweging opwekt in den kleineren
kring, dan wel of de algemeene richting niet eerder ontstaat als een
samentelling en uitkomst van het pogen en dringen en zich uiten van al
die kleinere en kleinste kringen.
Er is een Europeesch geestesleven. Men heeft in Noorwegen den looden
druk der restauratie van het oude gevoeld, al hebben de congressen der
Restauratie-jaren er hun invloed niet laten gelden; en toen de
Juli-revolutie van 1830 uitbrak en zegevierde, toen ondervond men de
verruiming van het leven ook in het Noorden,--de Juli-revolutie die een
verburgerlijking was van de groote Omwenteling. Zij was immers een
voortzetting en een vervolg van de kosmopolitische beweging, maar nu
binnen de landsgrenzen van ieder volk, evenals Wergeland en zijn
genooten een nationale transpositie volvoerden van de geestesmuziek der
Steffens' en Oehlenschlägers uit het begin der eeuw[20].
* * * * *
Wordt het nu mogelijk, na dezen rondgang door den tijd, zich een idee te
maken van het jaar 1828, Ibsen's geboortejaar?
Het is een schemerjaar. Nog heerscht er stilte in de wereld. Maar in die
stilheid dreunt eerstens een klank door van den machtigen storm die over
Europa heengetrokken is, en die voor een tijd is ondergegaan in een
duister zwijgen;--tegelijk ook rijst er een gerucht van komende dingen.
Bleek besloten ligt nog de dag, maar in zijn blankheid en nauw gebroken
rust spiegelt hij de voorbijgegane en de naderende uren in een witten
nevelspiegel van trillende onzekerheid en onwezenlijkheid.
Dagschemering, morgenstond van herinnering, van berouw, van
voorgevoelens!
* * * * *
Wie in dat jaar 1828 werd geboren, diens jeugd ligt als in een lijst
tusschen de Juli-revolutie van 1830 en de Februari-revolutie van 1848:
de Juli-revolutie die een opfrisschende windvlaag is, de Februari-
revolutie welke dieper lagen van het volksbewustzijn omwoelt en die
evenbeeld wil worden van de groote Omwenteling.
Hoe moest het hart opengaan van den twintigjarige, als daar in 1848 bij
zijn intreden in het mannelijk leven de onstuimige tijd hem de belofte
toewaaide van de expansie en uitbreiding van het leven! Maar licht en
schaduw gaan in de aanstaande jaren met elkander afwisselen, druk en
verruiming vervangen elkaar, vrijheid strijdt met absolutisme, en volk
kampt met volk. Die twintig of drie-en-twintig jaren van '48-'71, de
krachtigste leeftijd van den man wien 1828 als geboortejaar werd
toebeschikt--wat zal hij er al niet in doorleven, al leeft hij ook
alleen in zijn verbeelding met hen mee als met een schouwspel!
1848 tot 1871,--dat is de revolutie en de nieuwe heerschappij van een
Bonaparte die de Februari-revolutie besluit, evenals de groote
Omwenteling uitliep op het het keizerrijk van Napoleon den Groote; dat
is de oorlog in het Oosten van Europa en de burgerkrijg in Amerika; dat
is de vereeniging van Italië en Duitschland tot nationale staten; dat is
de val van het keizerrijk, dat is de Commune en de brand van Parijs.
Wij denken ons 'n tien- of vijftiental jaren verder dan het Communejaar,
en wij hebben in de tijdruimte die door '85 gesloten wordt, een periode
van staatkundige werkzaamheid beleefd. Europa bevindt zich in het teeken
der groote staatslieden: een Bismarck, een Gladstone, een Gambetta,
opbouwend en hervormend de innerlijke structuur van den staat hunner
landen, om hun kracht te geven en stand te doen houden te midden der
groote verhoudingen van de toekomst.
Het is een tijdvak van inwendigen politieken strijd meer dan van groot
Europeesch leven.
Wederom 'n tien of vijftien jaar later, en het eind der 19e eeuw is
nabij. Een nieuw verlangen trekt door de wereld. Niet langer is 't de
staat waarom de krachten zich scharen, het zijn geen staatkundige
hervormingen waarvoor de geestdrift opvlamt, neen, dieper en
uitgebreider tevens golft het bewegen der menschheid; de ziel der
samenleving zelf is in beroering, en zij zendt haar machtige trillingen
naar alle kanten uit. De tijd was gekomen voor de maatschappelijke
vraagstukken. Wie misdeeld is in het leven, gaat zijn aandeel eischen
van een levenswaard bestaan, de arbeiders, de vrouwen verdedigen hun
recht. En dit wordt het probleem: of de staat nog het vermogen heeft om
zich te transformeeren in een anderen, hoogeren vorm van samenleving dan
hij tot nu toe is geweest.
Nieuwe standen, nieuwe krachten, nieuwe verlangens, maar ook een nieuw
verlangen. Als een lang onderdrukt heimwee naar vereeniging met het
onbekende, het toekomende, rijst er in het hart der menschheid een
behoefte aan overgaaf en opgaan in een onpersoonlijk leven, dat het
persoonlijk bestaan steunt en wijdt. Is het een zucht naar godsdienst,
of het haken naar een gelukstaat boven het leed der verteederende
wereldsmart? Is het een voorgevoel van den groei der individualiteit
buiten haar eenmaal getrokken grenzen, of de lust om breeder en intenser
in contact te treden met het leven en het genot van het leven?--Vreemde,
vage gevoelens doordringen de atmosfeer, wisselend van vormen, nu
deemoed en begeerte naar opoffering en zelfverloochening, dan bewustheid
van macht, van verheffing, van zaligend leed. Het zijn de hervormers, de
wijsgeeren, de dichters, de kunstenaars, die den toon aangeven, niet de
staatslieden meer....
En bij haar overgang naar de 20e eeuw, loopt het eind van de 19e in veel
opzichten evenwijdig met den uitgang van de 18e eeuw. Men mag ook hier
spreken van vernieuwing, van aaneensluiting en van een groot verschiet.
Alleen, er ontbreekt de hartstocht, het geweld, de majesteit en de
eenheid der beweging, en vooral de vreugd ontbreekt. Een omwending, geen
omwenteling.
* * * * *
[Illustratie: HENRIK IBSEN op 29-jarigen leeftijd]
Zoo volgt ons oog den stroom van den tijd, wanneer hij, telkens
afgebroken, neerdaalt over drie streng gescheiden terrassen: het eerste
grenspunt, de stichting van het Duitsche Rijk en de opstand der
Parijsche Commune; de tweede grens, het bevestigen van het Europeesche
staatswezen,--waarna de stroom in uiteenloopende richting zijn loop
volgt.
Geeft ons de Europeesche letterkunde, gesteld dat wij haar als een
voorstelling van het leven nemen, een getrouwen indruk van die
voorbijgaande jaren tijdvakken?
Een volledig beeld zeker niet. De eerste periode werd nog geheel
beheerscht door de groote namen van auteurs wier opkomst samenviel met
de eerste helft der eeuw. Victor Hugo, George Sand, Dickens, om enkelen
te noemen, voerden het woord en lieten het zich niet ontnemen. Hun werk,
als 't het geheel van de samenleving wil omvâmen, heeft iets gekunstelds,
het spreekt niet dadelijk uit het hart van de maatschappij. Het zoekt een
eenheid van het leven, maar het leven zelf is al buiten het kader van hun
werk gegroeid.
In het tweede tijdvak was Zola de overnam. Ook hij wilde in zijn romans
een wereld samenvatten. Maar 't is meer een product van het innig
meeleven met zijn tijd. En zoodra wij op het derde terras van de laatste
helft der eeuw zijn aangeland, bemerken wij dat de behoefte om de
samenleving als een eenheid te grijpen, niet meer bestaat. De kunst in
haar intiemsten grond is lyrisch en individueel geworden. Zij wil een
invloed zijn, zij wil niet langer een spiegel wezen.
Houdt de poëzie--poëzie hier in ruimste beteekenis genomen--ook wel
gelijken tred met den gang der maatschappij?
Niemand zal ontkennen dat zij altoos de sporen draagt van den tijd
waarin ze opbloeit--hoe zou men zich de schepping van Zola kunnen denken
zonder den achtergrond van het "Schrikkelijk jaar"?--maar toch geeft zij
dikwijls antwoorden op vragen, lang geleden gesteld en zonder beteekenis
geworden, en zij stelt vragen waarop de toekomst het antwoord zal
brengen, als het geslacht dat vroeg, is voorbijgegaan....
Dit daargelaten echter,--want wij willen thans alleen weten hoe een man
van het jaar 1828 de wereld van de tweede helft der 19e eeuw zou zien.
Wij moeten zijn weg kennen en zijn houding, te midden der historie en
der literatuur van zijn tijd.
Om Henrik Ibsen's gestalte in de wereldletterkunde te doen uitkomen,
kies ik ter vergelijking met den Noorschen dichter van 1828, een van de
allergrootsten, al mag men hem nog niet noemen: een van de
allerbekendsten, George Meredith[21].
* * * * *
George Meredith is van het zelfde jaar, ja van denzelfden winter, maar
hij had het rijke, beschavingsleven van Engeland om in te aarden. Daarom
is het werk van den Engelschman breeder uitgegroeid....
Maar wij vragen niet naar den rijkdom en de weelderigheid van zijn
arbeidsveld,--wij hebben te maken met de ziel van den man en met de
gestalte, de teekening zijner ziel.
Meredith is een stem, en er weerklinken van alle kanten stemmen in de
ruimte die zijn poëzie vult. Het is de stem van het water en het
wuivende riet aan den waterrand, het zijn de stemmen van vogels in haar
eindelooze modulaties, en het zijn vrouwenstemmen in haar kristalreine
verheffing van geluid; het is ook zijn eigen zielestem, onmiddellijke
uiting van zijn gevoeligheid. Geestdriftig zou die stem en die stemming
zich hebben willen aansluiten en zich hebben overgegeven aan al wat er
voor grootsch bewegen in de wereld is omgegaan. Ze heeft gedweept met de
bevrijding van Italië en geklaagd en getroost bij de verduistering van
Frankrijk's lot,--maar dan heeft ze zich schuw teruggetrokken,
weerhouden door het teedere van haar innigheid. Een Swinburne en een
Morris, in rijper tijd, 'n tien of meer jaren na Meredith geboren,
konden door de breede muziek en den vollen krachtigen gang van hun taal
hun ouderen tijdgenoot overstemmen, evenals Björnsterne Björnson het
Henrik Ibsen heeft gedaan, in deze eerste periode van Europeesche
historie: Meredith was dat niet gegeven, en hij moest achteruitzetting
en het vergeten-worden dragen, evenals Ibsen 't deed. Er was nacht in
zijn talent en zijn geest.
"Zij hield het oor van den nacht gevangen,"[22] zegt hij van eene,
wanneer ze in nachtelijke stilte zingt, en haar stem, door de
eenzaamheid gedragen, met het bewustzijn van haar macht en haar bekoring
den Nacht als dwingt tot luisteren. In Meredith's geest bestaat ook de
nauwe aanraking en gemeenschap tusschen zijn gevoeligheid en het
nachtelijke van zijn ziel.
Hij heeft van nature de wijsheid van den nacht die de geheimen bezit van
een groot verleden.
Zijn bezieling wordt gescherpt en voortgeleid door zijn kennis en zijn
verstand. En als de verbeelding bij hem uitgaat om gestalte te verleenen
aan het leven van zijn tijd, dan mag zij niet rusten eer de voorstelling
van het leven tot aan den tragischen rand is gebracht en het bloeiende
leven zelf, geknakt en getroffen, met angstig vragende oogen staat
tegenover den meedoogenloozen dood.
Zoo rijst de blanke heerlijkheid van het pas ontknoppende bestaan voor
het oog van den dichter omgeven door een kring van duisternis[23]. Hij
heeft er toch het leven niet minder lief om, al zit hij 't als een
illusie, maar evenmin doet hij afstand van zijn gevoel van innige
verwantschap met die duisternis, die het mysterie van het leven in zich
besloten houdt.
En het maakt dat hij zich bewust wordt van een scheiding tusschen zich
en de uiterlijke wereld, en tegelijk maakt het dat hij weet van een
afstand tusschen zijn innerlijke wereld en zichzelf, zijn eigenste zelf.
Want ook zijn innerlijke wereld heeft haar illusies waar toch niemand
buiten kan: zij spreekt van liefde, en hij, de dichter, kan den nacht
niet weren uit zijn hart--hij antwoordt met: eenzaamheid....
Afstand te bewaren ook tegenover het eigen liefdegevoel! Zich te
bezinnen, en zonder het levensgevoel op te geven, de vrijheid van geest
te handhaven![24] Dus luidt de wijsheid gesproten uit herinnering,
berouw en voorgevoelens, dus spreekt de morgenstond, nog onder de
kennis-zwangere schaduwen van den nacht, als het licht onwezenlijk
huivert en trilt over de goede dingen dezer aarde.
"_Modern Love_"[25], Meredith's _Comedie der liefde_--maar het werk van
den Engelschen dichter is geen comedie, 't is een stem die klaagt en
berust--zegt in een reeks van gedichten zijn levenssmart en zijn
zelfbezinning. Het is als het roepen van een die zijn krachten
bijeenhoudt voor den komenden wedloop met het leven;--en ervaren,
doorstreden, gaat hij zijn grooteren werkkring binnen.
Hij komt dan in die tweede periode van moderne Europeesche historie
welke ik, in tegenstelling tot de sociale, de politieke heb genoemd.
* * * * *
Meredith's talent ontwikkelde zich tot kunst van satire in grooten
stijl. Terwijl vragen van het hoogste staatkundig gewicht de partijen in
den staat bezig hielden, legde hij zijn hand heel zacht en heel rustig
tegen een van de steunpilaren der Engelschen maatschappij, en hij voelde
het ding wankel, hij toonde het van binnen hol.
De zuil en stut van de Engelsche samenleving was de vermogende
landedelman, wel opgevoed en wel doorvoed, toongever van fatsoen en
ideaal van mannelijkheid. Meredith nam hem van zijn voetstuk af in zijn
breed opgezetten roman _The Egoïst_[26], dien hij een comedie noemt. Het
leven strijkt daar binnen en toetst den heros en afgod, niet aan eenigen
maatstaf van politiek of economisch gewicht, maar zuiver naar zijn
gehalte aan menschheid. Het schepte leegte om hem heen, waar eerst de
volheid van het bestaan hem wijd en zijd omgaf, en 't lijkt wel alsof
het van alle kanten de dwergen en geesten verzamelt, om naar het rijk
der leugen die leugen der zelfzucht weg te voeren, die zich voor een
beginsel van levensbehoud uitgaf.
Maar dan verheft zich toch de satire; zij is gelijk aan een straal van
den morgenstond, vallend te midden van een gekunstelde wereld, en zij
toont in haar eigen innig licht de waarheid en de vrijheid van het
leven.
Comedie van den nacht en zijn spoken, en uit de schoot van den nacht
breekt los de eerste dageraad!
* * * * *
Als de tijd voortging en een nieuwe zedelijke orde werd voorgevoeld, nam
de macht en het vermogen van den kunstenaar toe, zijn schildering werd
breeder en menschelijker. Want het was hem waarlijk niet te doen om een
van de bijzondere vraagstukken die de aandacht van de wereld op 't
oogenblik troffen. Neen, hij lette alleen op den mensch in de eeuwige
verhoudingen van het natuurlijk leven.
Hij zag hem wel bezig met zijn zaken en zijn eerzucht, begeerig naar
genot, naar geld, naar macht; maar in den grond kende hij hem alleen
in zijn zuiver menschelijke betrekkingen. Man en vrouw kende hij den
mensch, en hij schiep vrijheid om de vrouw, en hij wilde eerbied
scheppen in den man voor de liefde van de vrouw. De samenleving--wat is
ze hem anders en meer dan het samenzijn van man en vrouw in opofferenden
arbeid voor het groote leven[27]?
Hoezeer was de dichter zich daarbij bewust van den afstand der
werkelijkheid! Hij legde om die reden zijn voorstelling van het leven
ook wel in een verleden tijd en won daarmee het recht om de lijnen van
zijn teekening grooter te trekken. Eindelijk ging hij zich alleen nog
geven in symbolische gedichten. Zoo rondt zich zijn bestaan af en uit
het diepst van zijn wezen spreekt hij de woorden:
Lo where the eyelashes of night are raised
Yet lowly over morning's pure grey eyes[28].
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Een enkel voorbeeld geeft nog geen geldige aanwijzing van den koers dien
het geslacht van 1828 moest opgaan,--het spreekt vanzelf. Er is meer
noodig dan het geval van George Meredith om de ontwikkeling en opvolging
te toonen van hun loopbaan. Laat mij daarom nog een naam noemen, bv.
dien van Taine[29].
* * * * *
Ook Henri Taine werd in 1828 geboren. Hij is bij de reconstructie van
Frankrijk na den oorlog van 1871 de satiricus in grooten stijl geweest,
die met zij _Origines de la France contemporaine_ aan de regeerders van
den dag het tafereel heeft voorgehouden van de werking der
Revolutie-hartstochten.
Tot waarschuwing?
Zoo was het niet bedoeld. Het boek stond op zijn eigen basis. Maar door
het scherpe en nijdige van zijn voorstelling waarschuwde het wel degelijk
tegen de vrijheid die de passies ontketent en de regeeringsbeginsels
vernietigt, en legde het allen nadruk op het gewicht van de steunpilaren
der samenleving, wier val niets dan verwarring geeft in den staat.
Dus was Taine een tegenvoeter van Meredith en Ibsen!
Laat dat zoo zijn, laat ons het voor 't oogenblik aannemen,--want de
volledige beteekenis van Taine's werk, dat zijn waarde behoudt buiten
den tijd, waarin het verscheen, kan men moeilijk in een paar woorden
ontvouwen. De hoofdzaak is, dat het met zijn bijtende ernst, tegenover
het oppervlakkig staatsbeleid van den dag, de elementen van het
menschelijk samenleven wilde toonen in den grooten samenhang van het
historisch leven. Daardoor is het aangesloten,--hoe verwijderd het ook
moge schijnen--bij het werk van de anderen.
En de principes van Taine's geestelijken arbeid zijn dezelfde.
Men moet daarbij in 't oog houden, natuurlijk, dat hij minder een artist
was en eerder een wetenschappelijk denker en literator. Maar dan vindt
men ook bij hem wederom de trillende nervositeit tegelijk met het
omvattend verstand. Zijn aandoeningen zijn intellectueel, zijn
verbeelding gaat uit op de dingen van den geest, daarom is het echter
niet de ijver van een geleerde die hem van zijn eerste jeugd af
aanspoort om het gebied van letteren, geschiedenis, kunst, philosophie
en zielsleven in bezit te nemen. Neen, er is een stem in zijn hart die
hem drijft in de ruimte om zijn lust en zijn dorst naar kennis te
verzadigen, en uit de diepste bron van zijn menschelijken aanleg rijst
een behoefte aan overgaaf, een zucht naar vereeniging met de natuur[30].
Door zijn arbeid nadert hij haar, de Natuur.
Hij wil en hij doet meer; hij verlangt zichzelf te beproeven en te
leeren kennen aan dien kring van kennis die voor hem de uiterlijke
wereld voorstelt. Want ook hij gevoelt den afstand tusschen zichzelf, en
wat buiten hem staat, en eveneens tusschen zijn eigenste zelf en zijn
innerlijke wereld.
Die problemen grijpt hij aan als man van wetenschap in zijn groote werk
de l'_Intelligence_, en tevens geeft hij hun een persoonlijke vorm in
het boek dat men Taine's comedie der liefde en der samenleving zou
kunnen noemen, en dat heet _Vie et opinions de Thomas Graindorge_.
Als wetenschappelijk onderzoeker gaat hij door tot de uiterste
consequenties. Taine ziet in het heelal slechts een schakel van oorzaken
en gevolgen; voor hem worden alle betrekkingen tusschen feiten--en er
zijn niet anders dan feiten--volledig uitgedrukt door een wet. Hij is de
strengst mogelijke determinist. Aan den anderen kant, op de vragen van
zijn persoonlijk leven, vindt hij geen antwoord dan: eenzaamheid.
Taine vertoont daarom heel duidelijk het karakter van het geslacht van
1828. Hij is pessimist, omdat hij achter de illusies de bloote
werkelijkheid zoekt als een harde wet; maar hij heeft een grootsch
denkbeeld van het menschelijke. "Il s'agit toujours de décrire une âme
humaine ou les traits communs à un groupe naturel d'âmes humaines."[31]
Dat is hem zijn taak: het menschelijke. Uit den nacht breekt het licht
te voorschijn.
Van Beethoven heeft hij eens gezegd: "Il ressemble à un homme qui, après
une nuit d'angoisses,... aperçoit tout d'un coup un paysage reposé et
matinal."[32] Zoo moet men zich ook Taine voorstellen in die eerste
periode, den tijd van het tweede keizerrijk: een tumultueusen denker,
die kampt met de stof om haar te beheerschen, maar die een uitweg zoekt
en hem vindt in de beschouwing van de kunst[33], het hoogste menschelijk
vermogen, scheppende de menschengestalte in haar volle evenwicht en
majesteit.
* * * * *
[Illustratie: Titelblad van het Manuscript van Ibsen's eerste Drama
"Catilina" (1849) op 21-jarigen leeftijd geschreven.]
De Fransch-Duitsche oorlog door den Commune-opstand gevolgd, heeft een
diepe insnede in Taine's leven getrokken. Hij kwam al meer en meer door
zijn werk in oppositie tegen de tijdstrooming--maar ik heb reeds over
die levensperiode en de _Origines de la France contemporaine_ gesproken.
Zijn langdurige kwaal en zijn dood--Taine is in 1893 gestorven--hebben
zijn taak onvoltooid gelaten. Een oordeel over de derde periode heeft
daardoor zijn bezwaren....
* * * * *
Maar kan men zich door al dit opgenoemde niet een beeld vormen van de
typische mannen der generatie van 1828? Zij bezitten niet eenheid, niet
directheid van gaaf; neen, hun verbeelding spruit voort uit weten en
gevoel, uit verstand en gevoeligheid; zij komen van een grensjaar.
Zij behooren tot een afloopenden grooten tijd, en er is nog iets in hen
van de macht en den drang uit het begin der eeuw, tegelijk met iets
bezonnens en ouds, dat terugdringt;--zij zijn opgegroeid onder den
invloed van de Juli-burger-omwenteling, en er blijft hun altoos iets bij
van het karakteristiek nationale, dat het teeken is van 1830....
Het revolutiejaar van 1848 brengt hun geest naar buiten. Dan gebruiken
zij het eerste groote tijdvak van hun leven om hun gebied en zichzelf in
bezit te nemen. Maar de gelijkmatige gang wordt in 1871 gewelddadig
afgebroken. Er was een toenadering geweest tusschen de volken van
Europa, en er had zich een soort van Europeesche maatschappij gevormd
onder de leiding van Frankrijk. Dat grootere samenleven hield op met den
val van het keizerrijk; de staten, die zich als in een familie wilden
vereenigen, trokken zich vijandig ieder in zijn staatsleven terug, en
ook in iedere afzonderlijke samenleving heeft de angst voor de Commune
een verscherping van het standenleven bewerkt.
Men zou het zoo kunnen noemen, dat de maatschappelijke geest na 1871 een
inkrimping ondervindt, en zijn krachten beperkt tot het gebied van den
staat. Het talent der mannen waarvan hier sprake is, ondergaat daardoor
een ombuiging. Waren hun krachten minder geoefend geweest, hadden zij
niet reeds hun terrein verkend en vermeesterd, zij zouden misschien
stille beschouwers zijn geworden;--nu stelden zij hun eigen wereld,
tegenover de wereld die zij zagen; zij maakten oppositie, zij werden,
zooals het in die dagen heette, satirici.
Totdat een nieuw Europeesch samenleven opkwam in de laatste jaren der
19e eeuw.... En het werk dier mannen begon zich meer aan te sluiten
bij de behoeften van den tijd. Zij namen deel aan den nieuwen
beschavingsarbeid. Maar zij waren in hun hart geworden: mannen van het
verleden. Van een groot verleden, zeker, dat het teeken droeg van het
algemeen menschelijke,--toch van het verleden.
Zoo kwamen zij op een afstand van de gewone menschenwereld; en voor het
oog van hun tijdgenooten, verloren zij zich eenigszins, ondanks hun
scherp geprente trekken, in lichte nevelen en een blank onbestemd
schijnsel--overgang der heentrekkende schaduwen van den nacht tot het
eerste teêre licht van den grijzenden morgen....
* * * * *
Misschien heb ik bij deze zaken te lang stil gedaan en de aandacht door
een algemeen intermezzo vermoeid, in plaats van haar bij Noorwegen en de
Noorsche dingen te bepalen. Ik moet dan vragen om die beschouwingen over
den toestand van Europa en over Europeesche menschen te laten wijken
naar den achtergrond, zonder dat men ze daarom toch geheel uit het oog
mag verliezen. Ze zijn als een wijdere kring dien ik om den engere van
mijn onderwerp moest trekken, en de beweging van dien ruimeren cirkel
was het zeker wel noodig te volgen, nu het te doen is om Henrik Ibsen
die echt een Noor was, maar die zich soms in de eerste plaats gevoeld
heeft als een burger van Europa.
De Scandinaviërs die zoo trotsch zijn op hun Noorden, kunnen van tijd
tot tijd heel uit de hoogte neerzien op hun land en zijn beschaving.
Wat heeft Kierkegaard niet op Denemarken en zijn hoofdstad, dat nest,
gevloekt! En hoor Ibsen:
"Waarom," vraagt hij[34], "staan wij die een Europeesch standpunt
innemen, zoo alleen in ons vaderland?--Wijl dit ons vaderland niet den
samenhang bezit van een staat; wijl men in het vaderland gemeentelijke
gedachten en gevoelens heeft, geen nationale, geen Scandinavische....
Denkt ge dat dit fragment van Europeërdom een grondslag kan wezen voor
beschaving? Alleen een natie, wanneer ze een geheel uitmaakt, kan
meewerken aan een cultuurbeweging. Wij Scandinaviërs zijn in de oogen
van Europa nog niet verder gekomen dan het gemeenteraads-standpunt. En
nergens ter wereld houdt een gemeenteraad er zich mee bezig om het rijk
van de toekomst, "het derde rijk", te verwachten of voor te bereiden."
* * * * *
Zoo sprak Ibsen wel in zijn boosheid. En echter volgde Noorwegen, op
zijn manier zeker, maar toch trouw en regelmatig, in de tweede helft der
19e eeuw, de lijn van ontwikkeling van geheel Europa. Alleen behoorde
het niet altijd tot de gelukkige landen van het werelddeel.
Toen de revolutie van 1848 uitbrak, had Noorwegen zijn groote vraagstuk
voor zich[35], evenals de staten van Duitschland en van Italië het
hadden. Het was een vraag van expansie en van nationale vereeniging. Men
noemde het streven naar dat ideaal, Scandinavisme, en het bedoelde niet
alleen een verbroedering maar ook een nauwe aaneensluiting van de drie
rijken van het Noorden.
De Pruisisch-Oostenrijksche campagne tegen Denemarken van het jaar 1864,
heeft aan de geestdrift voor het Scandinavisme een harden slag
toegebracht, toen het bleek hoe weinig "de broeders" geneigd waren
elkander bij te staan in nood: de vestiging van het Duitsche rijk in
1871 heeft daarop voor goed een eind gemaakt aan het plan,--omdat de
inbezitneming van Sleeswijk Duitschland dwong tot vijandschap tegenover
al die Scandinavische grootheid. En voor het prestige van het Duitsche
rijk moest het ideaal van het Noorden bukken.
Björnsterne Björnson heeft toen, en onder die omstandigheden, aan
Noorwegen zijn leus gegeven.
"Laat ons," zeide hij op een feestelijke bijeenkomst, (in 't eind van
het jaar 1866, na Köninggrätz), "vooreerst en voor alles Noren zijn, en
op die wijs, daarna, Scandinaviërs. Want ieder van de drie volken moet
zijn eigen aard hebben, om iets in ruil te kunnen geven aan de
anderen."[36]
Het Scandinavisme in de verre toekomst!--te beginnen met Noorwegen voor
de Noren!
Zoo is men ook in Noorwegen na 1870 begonnen met het opbouwen van den
modernen staat[37]. Het werd een verwezenlijking van Wergeland's idee.
De Noorsche boer kreeg zijn rechten, de constitutie kreeg haar
uitbreiding en Noorwegen kreeg, met zijn "reine" vlag, volle
zelfstandigheid tegenover Zweden.
In 1882 is de crisis. Noorwegen speelt dan zijn "er op of er onder"
tegen de koninklijke macht. 1884 brengt de eindbeslissing, en het
volgend jaar ziet een nieuwe periode geopend, den tijd van
maatschappelijke en partieele hervormingen. De politieke ideeën hebben
toen hun dag gehad.
* * * * *
Ibsens leven toont wel duidelijk de indeeling der drie perioden. De tijd
van 1864 tot 1871--de ondergang van het Scandinavisme, de vestiging van
de Pruisische macht, en de Commune-opstand te Parijs--heeft hem, na zijn
eerste half schoolse, half spontane ontwikkeling, tot die rijpheid van
bewustzijn gebracht, die hem als een modern Europeesch man het volledig
bezit gaf van zijn talent. In de 70er jaren viel dan het begin van zijn
werk als "staats- en samenlevingssatiricus", en Ibsen nam met zijn
bitter boos aanvallend werk zijn scherpe aandeel aan het gevoels- en het
gedachtenleven van zijn volk. Het scheen wel alsof hij 't er op had
aangelegd, het uit de engte van zijn dorpelijk en gemeentelijk leven te
prikkelen tot het innemen van een hooger standpunt in de Europeesche
maatschappij. Sinds 1884 en '85 eindelijk, toen in Noorwegen de
politieke strijd was uitgestreden, verruimde en verbreedde zich zijn
talent[38]. Wat zijn land noodig had,--zoo zag hij den toestand in,--dat
waren sociale en praktische hervormingen, niet langer politieke
theorieën, en Ibsen's dramatische kunst weerspiegelt--maar 't is een
vrije ontvouwing van zijn dichtergaaf--die onvervulde, dringende
behoefte aan een energieke beschaving.
Zoo wondervol loopen in het werk van den kunstenaar de draden samen die
de richting aangeven van het nationaal Noorsche en van het gezamelijk
Europeesche leven!
* * * * *
Ik moet thans dat werk nog overzien als een uiting van zijn
persoonlijkheid.
Wat men het eerst hoort van den dichter is een klacht. Het gedicht dat
als eersteling in zijn verzamelde werken is opgenomen heet "_Berusting_".
Het is alsof de twintigjarige zijn droomen van grootheid en geluk niet
meer voor zich heeft, maar ze achter zich heen in 't verleden ziet
verdwijnen. Hoe eng is de atmosfeer in zijn werk! Er ligt een beklemming
over.
De revolutie-storm van 1848 streek wel met een vlaag neer in het kleine
Noorsche stadje waar hij zijn gedrukte leven leidde, en de tocht van de
groote beweging wekte den armen apothekers-assistent wel uit zijn
dofheid, ontvlamde zijn geest; maar het bleef ten slotte bij hem een
kamp in het hart. Zoo ergens is hier, in Ibsen's dichtergeest, de
duisternis van den nacht.
Maar ook hoogheid van gedachten-verbeelding en voorstelling. Het bewijs
is _Catilina_[39], het stuk dat de reeks van zijn drama's opent (1850).
Men denkt misschien een schoolthema in handen te krijgen, en men ontdekt
in de tragedie een hartekloppenden geest verdeeld tusschen wijd
uitgaande plannen en een berouwvol bewustzijn van zonde en onmacht.
De revolutie neemt er haar rol in--en woelt in een gemoed, vervuld van
mysterie en van de tradities van piëtisme. Want dat werd, zoo men hem
wel beziet, Ibsen's Romein, Catilina: een revolutionaire, mysterieuze
piëtist[40].
Het was voor den dichter een worsteling om van den nacht tot het licht
te komen, maar de schaduwen hebben het gewonnen.
Hij gevoelde heel sterk de verdeeldheid van het leven, en de afscheiding
van de natuur. Ibsen heeft wel geprobeerd in den trant van Oehlenschläger
en zijn volgelingen romantische drama's te schrijven, maar de helden van
die tooneelspelen zijn in hun hart van Wergeland'sche structuur en echt
Noorsch. Twee zielen wonen in hun borst, en zij komen moeilijk uit hun
kampende schemerleven te voorschijn.
De scherp logische consequentie van zijn geest noopte den dichter dan om
voor het onderwerp zijner drama's ook een zuiver Noorschen vorm te
kiezen. Zoo verschenen hard en streng als een Noorsche saga zijn
_Krijgers op Helgeland_[41] (of _Noorsche Krijgstocht_) ten tooneele
(1885). Het was Ibsen's tijd van "Noorschheid". Stug als de vorm zijn
ook de karakters van het verhaal. Wij krijgen den zedelijken indruk van
een wilde eenzaamheid. De dichter brengt in zijn tragedie het leven tot
den rand van den afgrond,--den dood in verlatenheid.
De klagende stem is den nacht ingegaan.
* * * * *
Ik moet hier melding maken van een gedicht dat tot de lievelingsverzen
van den dichter behoorde. Het heet _De mijnwerker_[42], en het trotseert
den dag. Want wat de mijnwerker wil, als de dichter, in de diepte de
oplossing der raadsels zoeken die de natuur aan de menschheid opgeeft.
Hij keert zich af van het licht, omdat het zijn oogen verblindt met een
bedriegelijke klaarheid, en hij wil de schatten zien in de geheime kamer
van de aarde opgeborgen, hij wil de levenswetten naspeuren, daar waar ze
bloot liggen, aan de wortels van het bestaan.... Maar geen straal
schijnt nog in den afgrond om hem te toonen dat hij op 't goede pad is:
de hoop verzwakt, het vertrouwen daalt. Geen nood: in het donker is
vrede en rust. Hij blijft het houweel hanteeren; en 't gaat, hamerslag
op hamerslag, de diepte in aan den boezem der Natuur.
Het is het hart van den dichter dat zich met geweld aandrukt, dat klopt
tegen het hart van den Nacht, hamerslag op hamerslag, met felle
hamerslagen.
En wij worden gedachtig aan dien Henrik Steffens[43] die op den overgang
van 18e tot 19e eeuw uit het Noorden naar Duitschland toog, om daar zich
in de nieuwe wijsheid te laten inwijden. Want Steffens, een dichter
slechts in verlangen, was in werkelijkheid met zijn gedachten den weg
opgegaan van Ibsen's poëtische verbeelding. Hij had in de diepe
aardlagen den sleutel van het leven gezocht en er de oorspronkelijke
levenswet gevonden. Ibsen trad met zijn fantasie in 't spoor van den
enthousiasten onderzoeker, en zijn gevoel voor mysterie was een
terugslag der natuurmystiek van een halve eeuw geleden.
Met dit onderscheid echter, dat Steffens in zijn jeugd het licht en de
verruiming genoot, en steunend op de machtige beweging van zijn tijd,
zijn persoonlijkheid kon opbouwen,--terwijl Ibsen moeilijk de steile
duisternis moest doorworstelen. Maar hij groeide in talent en in
vastheid van greep op het leven. Hij dichtte zijn _Comedie der Liefde_
(1862), hij schreef zijn Koningsdrama, de _Kroonpretendenten_ (1863).
De _Kroonpretendenten_ waren voor den Noorschen dichter wat
Oehlenschläger's Aladdin en Nureddin, het Arabische tooververhaal van
het gelukskind en den ongeluksvogel, voor den Deenschen dichter zijn
geweest. Ibsen heeft den strijd in zijn hart tusschen zijn wil en zijn
peinzende onmacht in twee historische gestalten, twee tegenbeelden,
dramatisch geprojecteerd, en 't is door het scherp contrast van licht en
donker, een historie van leven geworden, ten minste voor zoover hij die
reeds geven kon.
In de _Comedie der Liefde_ trad de dichter eindelijk, buiten het gebied
der sage en der historie, het gewone dagelijksche leven in. Hij
sprak,--op het tooneel altijd,--midden tusschen de toehoorders en de
menschen op het toneel,--van zijn hart tot zijn hart. Het de _comedie_
van het ideale streven, dat door liefde bewust wordt van zichzelf,--de
_comedie_ van het ideaal, omdat het zich eenzaam voelt en moet gevoelen,
in zijn tegenstelling tegen een wereld, die niet anders dan het gewone
wil erkennen en kent.
Schaduwen hangen er, zoowel over het historisch drama als over het
burgerlijk tooneelspel. Nog maken zich de personen en de
persoonlijkheden niet geheel los uit de lijst der gebeurtenissen en
gebeurlijkheden; maar zij spreken niet langer met gedrukte stem. Het
geluid heeft zich in de borst van den dichter ontbonden en ontwonden,
ook al hooren wij nog niet den vollen klank, alleen den weerklank.
't Is als het kloppen van het hamerend hart in den mijngang, uit de
verte vernomen.
De dichter was namelijk wel niet langer onzeker van zijn weg, maar hij
ging hem alleen[44]. Niemand heeft zijn verlatenheid zoo moeten gevoelen
als die trotsche schuwe geest. Hij had zijn gaaf vermeesterd, zijn
rijkdom zag hij vóór zich--in de diepte. Zou hij dien schat ooit aan het
licht kunnen brengen? De wereld was tegen hem, daar in het Noorden[45],
en hij had niets daartegenover dan zijn genie, dat door de wereld--daar
in het Noorden--niet meer geacht werd dan het poover talent van een
vlakken, handigen teekenaar.
Hij bleef nog in schemering.
"De dood! ik ken nog erger dan den dood--het is het grauwe schemeren,"[46]
zegt Jatgeir, de skalde in Ibsen's _Kroonpretendenten_.
* * * * *
[Illustratie: Ibsen's echtgenoote Suzanna Ibsen.]
Daar naderde het jaar 1864, de inleiding tot de grootheid van
Duitschland en de vernedering van het Scandinavische Noorden. Een
oogenblik had een straal van grootsche verwachting den geest van den
dichter verhelderd, hij had gehoopt op een krachtige samenwerking der
drie broedervolken. Maar het kwam anders uit. Ook dit was een _comedie_
der liefde; zij had tot besluit een vereenzaming. Maar het was een
alleenstaan zonder ideaal. Het ideaal nam de dichter met zich mede, toen
hij mismoedig afscheid nam van zijn geboortegrond, en troosteloos door
het triumfeerende Duitschland heentrok naar het Zuiden.
Hij had zijn vaderland verloren; hij herwon, hij herschiep het in zijn
hart, onder de zon van Italië. In Rome, te midden der atmosfeer van een
groote, eeuwige wereld schudde Ibsen de wolken en schaduwen van zijn
geest weg. Zijn ziel nam haar sprong. Hoe krachtig zwaaide hij den
hamer! En uit het doodsche, grijze blok van zijn herinnering en zijn
wrok, van zijn liefde en zijn norschen wil, beeldde hij de gestalten van
Brand en van Peer Gynt te voorschijn!--_Brand_ (1865), de stoere,
sombere held en martelaar van het ideaal, _Peer Gynt_ (1867), de
zorgelooze deugniet, wien de fortuin toch niet anders kan doen dan
toelachen.
Hier zijn ze nu, maar ieder op zijn eigen grondstuk en levend voor
zichzelf, de Nureddin en Aladdin van de tooversprook, maar
getransformeerd, bijna onherkenbaar, tot nationale typen, en gedragen
en vervuld door de eigen passie, en door het eigen leed en de eigen
fantasie van hun dichter. Hoe is zijn kracht gestegen, hoe is niet
alleen zijn stem maar ook zijn verbeelding losgekomen in deze twee
scheppingen van de ochtendschemering!--De eene schepping rauw als de
morgen en kloek als het morgenbesluit tot hardnekkigen arbeid, de andere
speelsch en steelsch als de dartele dageraad, overmoedig vertrouwend in
de bedriegelijke hoop van het jonge licht!
* * * * *
Wijder strekten intusschen zijn gedachten[47]. Rome had het hem
aangedaan. Hij wilde eeuwigheid opnemen in zijn geest. Het onderwerp van
Julianus den Afvallige lokte hem aan, den keizer die op de samenkomst
van twee wereldwegen stond, Keizermacht en Christendom:--hier, de oude
wereld door het Romeinsche Keizerrijk tot een eenheid gebracht en
gevormd; daar, de nieuwe Christelijke wereld, haar eenheid zoekend in
een beginsel hooger dan de menschengemeenschap;--den keizer die, als in
morgenschemering gehuld, het matte oog gericht hield op een nevelige
toekomst waarin het hoogere beginsel, met de menschenwereld verzoend,
een nieuweren vorm van beschaving en gemeenschap zou vestigen.
De tijd werkte aan de conceptie van den dichter mee[48], en moest
daaraan meewerken. Want de geest van Ibsen had distantie noodig[49]. En
't is al opmerkelijk, dat de dichter pas voor goed aan den dramatischen
arbeid voor zijn keizersthema kon beginnen, toen hij Rome verlaten had
en in Duitschland zijn woonplaats had opgeslagen, zoo was het niet
minder van gewicht voor hem, dat hij ook nog de ervaring kreeg van het
groot gebeuren tusschen de jaren 1864 en 1871[50]. Die ondervinding
bevrijdde eerst zijn geest volledig: de neêrgang van het Fransche
Keizerrijk, de opkomst en het snel vergaan der Commune van Parijs, de
jonge macht van het Duitsche Rijk,--dat alles gaf zijn blik eerst de
energie om in de verte te zien.
Hij keek niet langer in een benepen omgeving, noch van menschen, noch
van eigen hart. Neen, hij doorbrak met den zwaai van zijn hamer den
nauwe mijngangen van piëtisch zondegevoel en berouwvolle verslagenheid,
hij verruimde zijn ziel; en hij ging iets begrijpen, buiten den
benauwden kring om van zijn persoonlijkheid, buiten den beperkenden
cirkel van het oogenblik om,--iets begrijpen van het wereldgebeuren, hoe
daar machten waren die ondergingen en die toch de toekomst voor zich
hadden, maar die toekomst niet konden verkrijgen, wanneer zij niet op
hun tijd en voor een tijd waren ondergegaan.... Het lot zwaaide den
hamer hard, maar het hamerde vast.
Er kwam, gelijk ik heb gezegd, iets van eeuwigheidsgevoel in Ibsen's
geest. De jonge Wergeland had, in het jaar van 's dichters geboorte, het
idee opgevat om het boek van de bestemming der menschheid in geniale
verzen te vertolken, en zijn dichtsel was een luchtverheveling gebleven;
nu, na meer dan veertig jaren, zette Ibsen zich aan het werk, en hij kon
zijn gedicht met trots een "werelddrama" noemen. Zijn periode van
"Noorschheid" was voorbij.
* * * * *
Op die wijs, door eigen stoeren en pijnlijk geduldigen arbeid, verwierf
hij zich zijn aandeel in de groote Europeesche beschaving: aan de
anderen, aan een Meredith en een Taine, was zij van nature gekomen door
hun gestadige aanraking met een wereldcentrum: voor Ibsen was zij een
veroverd en wel gewonnen gebied.
Welk was het voornaamste kenmerk van de moderne geestesstemming?
Zij rustte op het wetenschappelijk geloof aan het determinisme--het
voorbeeld van Taine heeft het getoond[51]. En hoe hard het denkbeeld der
onverbiddelijke wet ook moge schijnen, Ibsen koos dat geloof tot het
zijne met gelatenheid, ja misschien met vreugde.
Hij nam ze op in het bloed van zijn brein, de verzekerdheid en
gedetermineerdheid van den gang van het leven. De vaste bepaaldheid van
het bestaan gaf houding en bevrijding aan zijn geest. Het was een
wijsheid gegrond op de granietlaag van de aarde.
Ibsen's tragedie van Julianus den Afvallige beweegt zich in de atmosfeer
van het determinisme. Dat geeft eenheid, en vooral ook eenheid van
horizon, aan het noodzakelijk wijd uiteenloopende verhaal van het
historisch drama. En door het toevallige van de gebeurtenissen weg te
nemen, heeft de dichter het tooneelspel, dat in de oudheid speelt,
tegelijk een beteekenis gegeven voor zijn eigen tijd.
Wanneer men het gedicht zou moeten noemen dat het best de Europeesche
jaren van het tweede Keizerrijk weerspiegelt--die jaren met een
grootheid tusschen schijn en werkelijkheid in, half verraderlijk
illusoir en half idealistisch, de jaren van Napoleon III,--dan zou men
misschien het best doen om Victor Hugo en de overige dichters van het
tijdvak minder te tellen, en vooreerst te wijzen op den Julianus van
Ibsen, zijn _Keizer en Galilaeër_.
Niet, dat het aan alle eischen voldoet. Ibsen zelf kon met het werk dat
hij zijn hoofdwerk heette, niet tevreden zijn. Iets ongelijks heeft het
en iets onvoldragens. Het is alsof de omvang der tragedie haarzelf in
den weg is geweest....
* * * * *
Zij was onvoldragen, omdat de tijd veranderde. Toen het drama van
Julianus den Afvallige in het licht verscheen (1873), was er reeds een
ander aanschijn over de dingen gekomen. Voor den dichter werd het een
gesloten tijdvak; aan den eenen kant staat er zijn tragedie _Catilina_
en aan den tegenovergestelden kant staat _Keizer en Galilaeër_, ieder
van beiden een teeken hoe ver zijn eerzucht reikte. Maar hij schreef
voortaan geen "werelddrama's" meer.
Want de wereld was voor den dichter kleiner geworden.
Dat lag aan hemzelf, nu hij zijn hoog standpunt innam en zijn talent
gerijpt en gedegen in zich droeg; maar dat lag ook aan de wereld, daar
in werkelijkheid veel grootheid of schijn van grootheid van haar was
weggegaan.
Ibsen's gedachten keerden weer naar huis, zooals men naar den
moedergrond terugverlangt, bij een teleurstelling. En van dezen tijd af,
bleef hij met zijn verbeelding bij het geboorteland.
Ik weet niet of iemand die dien tijd niet heeft meebeleefd, zich een
voorstelling kan maken van het gevoel hoe de wereld toen minder werd,
of liever hoe zij minder helder in haar groote verhoudingen voor het oog
lag. Er was teruggang. Dat zelfde determinisme dat een man als Ibsen
groot en wijd had leeren zien, werd door de kunst van de komende periode
op de détails van het leven toegepast, en het leven werd een object van
waarneming voor den kunstenaar. Men constateerde verval; en men
behandelde het leven grof en klein.
Was het niet een periode als tusschen licht en donker? Er ging al wel
een eerste nieuwe beweging en een geheime trilling over de aarde, maar
het geschiedde onder een lichtlooze, rauwe lucht.
* * * * *
Ibsen zag zijn land aan met den blik van een vreemdeling. Het lag op een
afstand. Hij voelde zich geen burger van Noorwegen. Kon hij, die voor
zich den rang veroverd had van lid der Europeesche samenleving, nog
langer wezen een staatsburger?--Maar hij had behoefte met de
maatschappij van het Noorden mee te leven.--Kon hij er zich anders
gedragen dan als satiricus?
Ibsen als een man van het "tusschen donker en licht", een onzekere, een
vrager, een twijfelaar, was een geboren satirist. Hij is begonnen met
satirische kluchten te schrijven, evenals Wergeland zijn "farcen" in de
wereld heeft gestuurd, evenals in iedere opkomende beschaving de man van
vernuft zich lucht verschaft door te hekelen. Midden onder zijn groote
werk[52] aan Brand, Peer Gynt en Julianus den Afvallige, had de dichter
een politieke comedie geschreven, het _Verbond der Jeugd_ (1869), en
reeds vroeger--wat kan men de _Comedie der Liefde_, als geheel genomen,
anders noemen dan een satire? Maar dit alles moet men toch alleen
aanzien voor een aanleiding en een inleiding[53]. De comedie van Ibsen
in zijn tweede groote periode is satire van een verschillend gehalte.
* * * * *
Ik heb ergens gelezen van een gesprek tusschen een Parijzenaar en een
bezoeker van Parijs uit een van de kleinere naties. Spoedig gaf de
Parijzenaar een woord ten beste over volken die geen geschiedenis
hebben.--"Maar wij hebben een geschiedenis, en wel een zeer
belangrijke...." viel hem de bezoeker in de rede.--"Ik heb er nooit
iets van gemerkt," zei de ander droogweg.
* * * * *
En dit is het eerste wat Ibsen's satire en comedie heeft vermocht:
voorheen kon men het bestaan van een samenleving in Noorwegen alleen
vermoeden; de dichter heeft haar tot een werkelijkheid gemaakt waarvan
men in Europa "merkte".
Hij heeft de burgermaatschappij van zijn vaderland getoetst aan het
grootere leven dat hij voor zichzelf had verworven, en hij haalde uit
die maatschappij de echte qualiteit van zielen-essentie welke zij in
zich borg. Daartoe sloeg hij lustig met zijn hamer, en hij perste en
kwelde zijn menschen tot dat ze waardig waren uit hun beklemming te
ontsnappen naar de ruimte, naar de vrijheid, naar het grooter leven.
Hoe heeft hij de arme Nora van het _Poppenhuis_--want ik spreek hier
niet van de _Steunpilaren der Maatschappij_ (1877), waar het echte leven
nog wat boven op ligt,--hoe heeft hij die arme Nora tot vertwijfeling
gebracht, door haar alle illusies over zichzelf en haar edelste daden en
haar hoogste liefdesverwachting te ontnemen en te ontscheuren! Hoe heeft
hij haar geprangd en benauwd met schuldgevoel en gewetensangst, om haar
dan uit te stooten in het donker van het leven!
En nog verpletterender, nog grievender, nog dieper tot in diepste
diepten van het moederhart komen de hamerslagen neer op de echtgenoote
en moeder die het middelpunt is van Ibsen's drama _Spoken_. Hier vallen
geen illusies te bestrijden, maar het zijn spoken die het vreedzame huis
der zorgzame, verstandig goede weduwvrouwe belegeren en insluiten. Zij
rijzen op al dreigender en dreigender tot het verschrikkingsmoment van
het slot, wanneer ze haar het vergift in de hand duwen om haar
moordenaarster te maken van haar eenig kind!
Die vrouwen heeft de dichter gebruikt, om aan haar de waarheid van het
leven hunner omgeving te beproeven;--de eene een zorgeloos-zorgend,
bewegelijk zonnekind, met een kern van innige harte-goedheid: zij was
een "dochter der natuur"; de andere is de overlegd-zorgende huisvrouw,
met een hart dat, bij al zijn behoefte aan licht, nooit vreugde heeft
gekend: zij heeft in de schaduw van het leven gestaan. En wanneer Nora,
bevrijd, het onbekende donkere leven intreedt, zal het duister van haar
pad wijken,--maar, vrouwe Alving, de heroïne van het drama _Spoken_,
gaat door den ijzigen nacht, en de schimmen van den Nacht geven haar het
geleide.
Vereenzaming--dat is het nijpend-pakkend gevoel waarop de satirische
tooneelspelen van Ibsen uitloopen; eenzaamheid tegenover de wereld,
eenzaamheid ook tegenover het eigen hart zijn daarin de uitsluitende
voorwaarde om te zijn wat men moet zijn, om te hebben, wat onze
menschen-aanleg zegt dat wij moeten hebben: een eigen persoonlijkheid.
De drama's van Ibsen staan in bitter geweldige oppositie tegen de
maatschappij; de samenleving, zoo zeggen zij, door haar conventies, door
haar wetten, door haar ziekten--want zij heeft haar ziekten en haar
besmetting--verdrukt en verwringt het hoogste bezit van de menschheid,
en de individualiteit is alleen te redden in ballingschap, in de
vrijheid der vereenzaming.
* * * * *
[Illustratie: Brief van Ibsen aan Georg Brandes.]
Thans naderen wij de levenskern der gedachte van den dichter.
Persoonlijkheid is voor hem geen toeval: men kan niet anders zijn dan
men is, en men moet zijn wie men is. Ibsen was determinist, gelijk ik
heb uitgelegd. Vrijheid bestaat voor hem in het wezenlijk zijn, niet in
het anders zijn als de aard meebrengt, en er is een gedetermineerdheid
van het individu. Zijn ballingschap, zijn vereenzaming, beteekent dat
het de kracht geeft om de atmosfeer en den grond te zoeken waarin het
kan aarden.
Welke is de elementairen macht: het individu of de gemeenschap door den
staat gesteund?--Ibsen, met zijn gemis van "het talent om staatsburger
te wezen", plaatst, in dezen tijd van triomfeerende staatkunde, het
volle gewicht in de schaal van het individu. Gedetermineerdheid
tegenover gedetermineerdheid,--het individu gaat hem voor; die van staat
en maatschappij is maar quasi.
En dit is het groote leven in Ibsen's satirische drama's, dit gaf hun
dadelijk hun plaats in de Europeesche letterkunde, dat zij door hun
strengen bouw, door hun klemmende logica van gevoel, de gebeurtenissen
der kleine Noorsche maatschappij verhieven tot een typisch voorval van
het menschenleven, zonder daaraan karakter of kleur te ontnemen. Toen
Nora er eenmaal was, kon men zich den tijd niet voorstellen dat zij er
niet was geweest. Zij had noodzakelijkheid.
Maar het groote van die comedies heb ik nog niet genoemd. Zij hebben een
voorgrond, waarop het verwarrend verdriet en de burleske brutaliteit
zich breed uitspreiden;--maar zij hebben ook een achtergrond van
aangehouden zwijgen, een diep verschiet van schemering met een heel
flauwen, grauwen morgenstraal.
In _Brand_ en _Peer Gynt_ klaagt en treurt een nevenstem; in _Nora_ en
_Spoken_ hoort men haar eveneens, ofschoon ze bijna altoos zwijgt, ja,
zwijgend wacht om te spreken.
* * * * *
_Nora_ is van 1879, _Spoken_ van 1881, de _Volksvijand_ die zich bij de
vorigen aansluit, van 1882. Het is de tijd der Europeesche satire in
grooten stijl. Ibsen ging het scherpst vooraan.
* * * * *
Hij wist wat hij deed. Want daarin is hij een recht kind van den Nacht,
berekenend en kennend als de Nacht, dat hij zijn talent soms geheel in
handen overlaat van zijn logisch verstand. Toen in 1885 de politieke
strijd beslist was en het Noorsche volk mondigheid en zelfstandigheid
had verkregen, zeide Ibsen zelfbewust[54]: "Ja, het land is minder
bekrompen; men zou er zich nu wel kunnen roeren.... De politici zullen
dat aan hùn inspanning toeschrijven en zich alle eer van de overwinning
geven, maar wij zijn het, wij dichters, die haar voorbereid hebben en
den strijd hebben ontbonden. Zonder ons was er noch strijd geweest, noch
zege".
In de jaren 1884 en '85 is de ombuiging. Mag ik zoo noemen, dan slaat
Europa, en slaat Noorwegen, een hoek om. Het uitzicht verwijdt zich;
een andere periode vangt aan. En zie eens wat uiterste gevoeligheid de
richting en de breed uitgebreide vleugeldrift van Ibsen's genius
bestuurt!--hij volvoert de wending mede. Op eenmaal zwenkte hij in zijn
scherpe vaart.
Het komt bij den dichter niet als iets heel ongewoons. Want hij gaat wel
meer tot het uiterste in een lijn, om dan plotseling een nieuwen kant
van zijn talent te ontwikkelen. Zoo was hij na den grauwen nevelstorm
van nacht en eenzaamheid der _Krijgers op Helgeland_, zoo was het
eveneens thans na de stormachtige drama's der in vrijheid vereenzaamde
individualiteit. Waarlijk, het heeft er iets van alsof Ibsen het gevoel
had van iemand die lang op een hoogte heeft geleefd buiten het bereik
van het menschdom, en eensklaps krijgt hij het uitzicht op een ruime,
bevolkte vallei. Hij kwam van zijn bergtop af, de dichter, en hij begon
te spreken,--heel hoog en ironisch voorzeker,--maar toch ook met een
wonderbaar zachtmoedigen en schroomvallig teêren toon.
Zijn _Wilde Eend_[55] is het drama van de kleine burgerlieden (1884).
De last van het leven wordt in het verhaal gedragen door de illusie van
twee vrouwen; de eene vrouw is laag bij de grond, en het leven gaat over
haar heen zonder haar een andere impressie te geven dan dat zij moet
voortgaan te zorgen en te slaven voor haar gezin; de andere is het kind,
het jonge meisje, in den eersten bloei van fantasie en aandoenlijkheid;
en aan het leven dat haar verdrukt en vernietigt, geeft ze al bij de
eerste aanraking haar uiterste van opoffering en toewijding.
In de _Wilde Eend_ toont de dichter de samenleving in miniatuur met haar
goedheid en haar wreedheid, met haar zelfbedrog, haar lafheid, haar
onverschilligheid, maar ook met haar _poëzie_,--een onnoodige poëzie,
die in de ruimte verstuift en verklinkt. Het is een wereld, waarmee het
nog niet meenens is; zij denkt wel te bestaan, maar uit het niet bestaan
kan zij nog niet te voorschijn komen. Rechtaf herinnert het stuk aan het
eerste morgengrauwen,--half een illusie van teederheid, half een ijzige
adem van rauw nijpende nachtkoû.
Krachtiger en grootscher gaat het dan in _Rosmersholm_[56] (1886), waar
de nieuwe beschaving met haar onstuimig bloed en haar gaven hartstocht
aandruischt tegen het verfijnde, zichzelf al vreemder en vreemder
wordende, leven der oudere beschaving.
En drama volgt op drama; de _Vrouw van de zee_ (1888) komt na
Rosmersholm, dat het hoogtepunt van Ibsen's dramatisch vermogen
voorstelt, en na de Vrouw van de Zee verschijnen _Hedda Gabler_ (1890),
_Bouwmeester Solness_ (1892), _Kleine Eyolf_ (1894)....
* * * * *
Zij weerspiegelen de ongelijkmatige bewegingen der samenleving in de
moderne maatschappij.
Is het wel een samenleving?
Zoo verschillend zijn haar elementen. Geen van die elementen wil zich
aan gestelde orde ondergeschikt houden, en aan elk ontbreekt iets; toch
verlangt ieder hunner voor zich de eerste plaats.
In _Rosmersholm_, zijn meest beteekenende schepping, heeft Ibsen nog de
voorstelling van een mogelijke verzoening der disparate bestanddeelen,
maar hij kan die voorstelling niet geheel geven, hij vindt er geen vorm
voor. Het nieuwe gaat in Rosmersholm aan het oude te gronde, en het oude
gaat met het nieuwe in den dood. In het verschiet alleen rijst de betere
tijd voor onze gedachten,--slechts even voor onze verbeelding.
Dezelfde indruk en aandoening van het onbestemde en gebrokene krijgt de
toeschouwer van de daarop volgende drama's nog sterker, en ook, in 't
eerste oogenblik, misschien meer verwarrend;--omdat de dichter, wanneer
het woord veroorloofd is, den achtergrond van zijn tooneel hoe langer
hoe meer naar voren brengt. Twee motieven kruisen elkander in die
stukken, en ze zijn aan elkander tegenovergesteld. Het hoofdmotief
spreekt soms van verzoening en vereeniging, zooals in de _Vrouw van de
zee_, maar dan is er een ander motief dat wijst op scheiding; of, gelijk
in _Hedda Gabler_, spreekt het hoofdmotief van verstoring en het
nevenmotief duidt opbouwing en stichting aan. Soms ook, als in _Kleine
Eyolf_, houden de motieven evenwicht met elkaar. Daar hebben wij wel het
tegenstrijdige en tegenstrevige der moderne maatschappij.
* * * * *
Zoo krijgt het theater van Ibsen perspectief en beweging. Wij komen
waarlijk in de grootere wereld zelf wanneer we met hem op het tooneel
zijn. Want hij weet de gebeurtenissen samen te vatten in een kort
bestek, en toch neemt hij er ruimte en tijd en ook distantie in op; hij
laat de verhoudingen met elkaâr contrasteeren, maar ze weerspiegelen
zich ook in elkander; en hoeveel beelden en reflexen ontstaan daardoor
niet, die het verhaal uit zijn plankenomgeving losmaken en in ons brein
voort doen spelen!
Alsof het daarbij alleen te doen was om het zien en het denken! Neen, er
rijst een muziek van verlangen uit die rij van dichterlijke scheppingen,
en een toon van fantastisch heimwee-gevoel, van hartstochtsbegeerte en
van hartstochtssmart klinkt voor ons op, of de zachte stem der
verdrukten die op uitkomst hopen, der stille geduldigen die in het leed
hun vertrouwen willen redden, bereikt ons oor, dringt door tot ons hart;
opofferingszucht en eigenzinnigheid, verslagenheid en trots trekken als
met vlagen van geluiden onzen geest voorbij ... en tot accompagnement
--stil, luister!--die klank van geregelde hamerslagen in de verte,
hamerslag op hamerslag; en men weet niet of zij bezig zijn weg te breken
en af te breken, dan wel of ze timmeren aan een nieuw gebouw voor het
nieuwe leven.
* * * * *
Ibsen, die het leven van zijn tijd meeleeft en doorleeft, treedt,
gedurende deze derde periode van zijn loopbaan, op die wijs in
verbinding met de maatschappij van het Noorden. Zij hebben elkander
eindelijk dan ontmoet, de dichter en zijn volk.
Maar hij, de dichter, hield zich daarom niet op met de speciale vragen
van den dag. Naar den mensch alleen vroeg hij, in zijn natuurlijke
verhoudingen; hij vroeg hem naar zijn hart en zijn liefde, naar zijn
eerlijkheid en trouw. En het waren vooral geschiedenissen van vrouwen
die hij tot onderwerp koos van zijn voorstelling.
"Een vrouw wanneer ze iets onderneemt, gaat gewoonlijk het verst," heeft
Ibsen gezegd. Dat "verst gaan" van de vrouwen beviel aan den dichter.
Hoe zou hij ingestemd hebben met de gedachte van Meredith, als hij haar
had hooren uitspreken: "De vrouw is wat er natuurlijks is overgebleven
in den mensch!"
Misschien ging hij de samenleving meer waarderen, omdat hij de vrouw
meer leerde liefhebben. Want zoo wreed als vroeger laat hij haar niet
meer de duistere eenzaamheid binnengaan, en zelfs wanneer hij ze ten
dood voert, zooals hij met Hedda Gabler en de Rebekka van _Rosmersholm_
doet, dan brengt hij haar dadelijk om, of hij geeft haar een geleide in
den geliefde--hand in hand. _Bevrijding_[57] is Ibsen's woord geworden,
en niet langer het scherpe woord: _vrijheid_.
* * * * *
Hij kwam zijn volk nabij, en toch kon Ibsen het niet meer geheel
naderen. Want hij ging al behooren tot het verleden.
Er is een contrast in de motieven zijner laatste drama's waarop ik nog
niet voldoende heb gewezen: de tegenstelling tusschen een oude en een
nieuwe generatie van menschen. Langzamerhand wordt, in Ibsen's drama's,
de oppositie sterker van het opvolgende geslacht tegenover het
voorgaande, en de bruisende jeugd scheidt er zich af van de ouderlijke
woning om haar eigen weg van begeerte op te gaan (_John Gabriel
Borkman_, 1896).
Ook die tweespalt van de moderne samenleving noteert de dichter, in zijn
eigen hooge stemming tegenover het leven; hij spaart de ouderen niet, en
hij erkent het recht van de jongeren. Maar men voelt dat het hem niet
gemakkelijk afgaat. Daar is iets hards, en daar is een breuk. Ibsen was
toch een man van het verleden geworden.
Ja, erger: in veel opzichten was hij ouderwetsch....
Zijn groote ondernemers van zaken dateeren van dertig, veertig jaren
her, toen de ondernemingen nog niet zoo heel groot waren, zijn _grandes
coquettes_ hebben trekken die aan een voorbijgegane mode van coquetterie
herinneren, zijn beroemde beeldhouwer Rubek (_Wanneer wij dooden
ontwaken_) doet, wat het beeldhouwvak betreft, denken aan Thorwaldsen,
niet aan Rodin, of, om een Noorweger te noemen, aan Sinding....[58]
Blijft ook de echt-Noorsche naïveteit[59] van oude dagteekening Ibsen
niet bij?... Maar ik ga niet voort met bijzaken op te tellen. Wat hem in
waarheid onderscheidt van zijn omgeving, dat zijn toch niet alleen zijn
gebreken, maar dat is in de eerste plaats zijn grootheid. Hij steekt een
hoofdlengte boven de anderen uit, door zijn behoefte en zijn vermogen om
in ieder fragment van het leven een geheel van leven te zien. De groote
Hervorming van het begin der 19e eeuw laat nog bij hem haar invloed
gelden,--in hem werkt nog een stemming door van de groote Revolutie....
* * * * *
Daarom is hij, in onze hoogst moderne wereld, iemand van het verleden;
en Ibsen's werk ook trekt zich op 't eind terug uit de werkelijkheid van
de wereld. Het wordt symbolisch, dat is: het wil wat meer en wat anders
zeggen, dan het inderdaad zegt; het heeft overal heen betrekkingen[60].
Maar de voornaamste betrekking is van den dichter tot zijn eigen ziel.
Hij staat voor me, in die symbolische drama's,--en zij beginnen reeds
met Bouwmeester Solness (1892), maar de twee laatste werken _John
Gabriel Borkman_ (1896) en _Wanneer wij dooden ontwaken_ (1899) zijn bij
uitnemendheid symbolisch te noemen,--ik zie hem voor me, afgewend van de
bedrijvige wereld, starend in de diepe verte, voor zijn geestesoog
oproepend het eigen leven en het leven der menschheid, tot voorwerp van
innig ene eeuwig beschouwen en overpeinzen.
* * * * *
[Illustratie: Ibsen's woning te Christiania tevens sterfhuis (1e etage)]
Gedrongen en gebukt, met ik weet niet wat voor trotseerende macht in het
naar beneden gebogen voorhoofd, zit hij daar, in zich gekeerd en
verzonken, een denker van het bestaan. En hoe wijd verschillend is de
aanblik der dingen, gelijk hij ze in den spiegel zijner gedachten
opneemt, van den schijn waarmee de menschen hen omgeven!
De menschen meenen dat hij, de dichter, tot een hoogtepunt van glorie
geklommen, rustig en zeker zijn triomf viert en geniet. Zij weten niet
dat, waar de wereld spreekt van een overwinning, dikwijls in het hart
van den overwinnaar een gevoel leeft van nederlaag. Maar hij weet het,
de dichter-peinzer. Wanneer hij aan een victorie denkt, dan is het aan
een van de toekomst. Zijn zegepraal,--daarvan is nog nooit het
bewustzijn tot hem doorgedrongen. Het is een triomf in afwachting en
verlangen. En hij weet dat die nooit zal komen.
Hij gelijkt op den John Gabriel Borkman dien hij heeft geschapen, den
groot-ondernemer, den man met grootsche plannen van mijnbouwbedrijf en
ontwikkeling van welvaart. Borkman heeft de schatten van den grond uit
hun gebondenheid willen losmaken, en de menschen hebben hem hun
vertrouwen gegeven; maar hij is gestruikeld over een hinderpaal, een
hinderlaag, hij heeft zijn eerzucht geboet met opsluiting in de
gevangenis, daarna met opsluiting in het leven. Zijn eenige
vrijheid,--de illusie over de toekomst; zijn eenig vertoon van
trots,--de pose van gewaande grootheid.
De dichter heeft, als zijn koopman, in de diepte willen graven; hij
wilde den rijkdom, gehouwen uit den mijngang van het hart, voor zijn
volk ontplooien, dat een stroom van energie zou uitgaan over zijn
Noorwegen, en hij moest onderdoen voor zooveel kleine verhoudingen in de
wereld,--hij moest zijn nederlaag erkennen tegenover de kleinheid van
zijn eigen geest, die de innigste eigenste kern en kracht van het leven
niet machtig en teeder genoeg vermocht te grijpen.
En verder nog, tegelijk in 't verleden en in de toekomst zag de dichter.
Hij heeft gefaald, omdat hij zijn hart gaf aan den schijnrijkdom van het
leven. Wat deed hij daarmee anders dan het voorbeeld volgen van zijn
vader, zijn lichamelijken vader, Knut Ibsen, den rijken koopman, die
vertrouwend op zijn vermogen, zijn rijkdom had opgeofferd aan den
schijn, en die zijn weidsche uitzichten had zien ondergaan in een
failliet,--een gevangene voortaan van het leven?
Maar hij, de zoon, hij, Henrik Johan Ibsen, had de engte van het
huiselijk bestaan niet kunnen verdragen. De begeerte en het zelfgevoel
en de trots van een eigen leven te voeren met zijn genot en zijn
grootheid had hem in de wijde wereld gelokt, en die vereenzaamden van
zijn huisgezin doen verstooten en vergeten. Die mokkende gevangenen die
op hem hun hoop hadden gebouwd, evenals het gezin van John Gabriel
Borkman zijn verwachting stelde op den zoon, die den naam van het
geslacht weder tot eere zou brengen,--hij had hun verlatenheid niet
gevoeld, en even als Erhard Borkman, gedreven en gezweept door zijn
wereldsche verlangen, had hij de ruimte gekozen....
Zoo peinsde en schouwde de dichter, en biechtte aan zichzelf de wreede
raadsels van het onontwijkbare lot--met hun schijnoplossing voor het
verstand van de wereld, hun onvervuldzijn in het wrakende besef van het
hart.
En toch een illusie van vertrouwen, een pose van trots, een glimp van
verzekerdheid, een enkele flauwe lichtstraal, een dichter-overtuiging
van grootheid!...
Of, in zijn meditatie over het gehalte van zijn kunst, rustte het oog
van den dichter op de drievoudige gestaltenis van zijn leven (_Wanneer
wij dooden ontwaken_). Het rees voor hem statuarisch in een enkelen
groep. De kunstenaar tusschen twee vrouwenbeelden: de eene vrouw, de
illusie van het ideaal, Irene, de vredebelovende bezielster der jeugd,
troosteres van den ouderdom; de andere, illusie der werkelijkheid, Maja,
de schijn, schijngezellin van zijn leven; de groep wordt afgesloten door
een achtergrond van gebergte, en een satyr, genius van den roes van het
natuurlijke levensgenot, ziet van die wilde hoogte op haar neer.
Kunnen wij den dichter beluisteren en zijn fluisterende gedachten voor
ons gehoor opvangen, wanneer hij tegenover Irene, het in zijn jeugd
verlaten ideaal, en Maja, de wereldsche levensgenoote, gemeenschap houdt
met zijn ziel?
Was er hem niet eenmaal een erfenis meêgegeven uit den grooten zonnigen
dag van het levensgloren aan het begin der eeuw? maar zij was
weggezonken gedurende den nacht van den tijd in de mijnschacht van zijn
geest....
Het ideaal!
Onder al de scherpte en bitterheid van zijn talent, onder den twijfel en
de vertwijfeling van zijn ziel, had de dichter toch den geheimen schat
van zijn ideaal bewaard. Een uniek verlangen doortrilde zijn
verborgenste hartekamer naar den reinen adel van de vrouwelijke
lentegestalte, het beeld der hernieuwing en herschepping van het jaar,
van het leven. En het was iets grooters dan het verlangen van zijn
persoonlijkheid; het was de behoefte en het heimwee van het stugge ras
waartoe hij behoorde, de zucht naar een wederopluiking van den teederen
luister van het leven, van de liefdevolle harmonie,--dat smachten en
haken en hijgen, dat eenmaal Wergeland's onbeholpen verzen doorgloeid
had, en dat de poëzie van het Noorden met heimweevleugelen heeft doen
opstijgen.
Maar trotsch en schuw, had de dichter de waarheid van zijn hart niet aan
eenig levend ideaal durven geven. Hij was teruggeweken voor de liefde:
in de werkelijkheid kende hij alleen de _comedie_ van de liefde, en hij
had zijn hart, de overgaaf van zijn geheele persoonlijkheid, niet over
voor een _comedie_. Zoo schiep hij, dichter en kunstenaar, in
vereenzaming zijn ideaal als dat van een eenzame tegenover het leven,
alsof er geen andere macht van vernieuwing bestond dan het eigen talent
en de eigen wil (_Brand_). De kunstenaar sloot zich op in zijn sfeer van
kunst.
Wat hij voortaan van zijn kunst gaf voor het leven van zijn volk, dat
waren satires en "fratsen", "diergestalten" en caricaturen,--verwrongen
schaduwbeelden van het nooit meer te vervullen ideaal dat in zijn hart
bleef opgeborgen,--het ideaal dat de verholen achtergrond was voor zijn
misvorming van het leven. En de dichter-kunstenaar was in 't oog van de
wereld gehuwd met Maja, den schijn van de werkelijkheid.
Daar ontmoette hem weder, midden in het gewone leven, de illusie van het
ideaal. Het ideaal kwam als een droomgestalte, en het was alsof het den
dichter in het leven had gevolgd en gezocht, nu hij zelf het ideaal niet
meer in 't leven wilde zoeken of volgen.
Maar kon zij, Irene, de eenmaal verstootene, de zwaar beproefde, nog
langer de illusie geven van het ideaal? Was deze Irene nog een
vredebrengster die het leven zou vervullen en vernieuwen? De harde
lotsbestemming had haar in handen overgeleverd van het brutale
levensgenot. Zij was gekneusd, verminkt, bijna ontzield, een
levend-doode,--de ideale kunst was ten prooi geweest aan naturalisme en
grove zinnelijkheid.
Toch....
De dichter zag haar in de oogen. Zijn medelijden met het leven was
ontwaakt, en met het ontwaken van zijn levensgevoel ontsloot zich in
zijn hart de teruggedrongen en opgepreste behoefte aan een vereeniging
van ideaal en leven, van kunst en gevoel. Hij zag haar in de starre
oogen: daar lag alleen rust en bevrediging; liefde welde in hem op voor
wat geslagen was en verbroken,... zijn liefde zou redden en heelen. De
oude scheppingsdrang hernieuwde zich.... Laat Maja, de schijngezellin,
vrij zijn, laat haar den satyr in 't gebergte volgen of hem bedriegen,
't is den kunstenaar om 't even: hij wil zijn weergevonden ideaal,
Irene, opvoeren op hoogten van bergen in de reinheid en den glans van
het hooggestemde leven,--het brenge dan wat het wil.
* * * * *
Op die wijze houdt de dichter overzicht van de drie perioden van zijn
leven, den tijd van de _Comedie der Liefde_ en _Brand_[61], van satires,
van de wederaansluiting bij de samenleving. En hij ziet ze niet, zooals
wij ze zien, naar evenredigheid van wat ze hebben gebracht aan de
wereld, maar in vergelijking van wat ze misten ter voldoening aan de
behoeften van zijn ziel. Wij zien de volvoering, hij echter ziet het
ontbrekende. Zijn zegepraal en zijn glorie, ze zijn niet een zaak van
het verleden; hij heeft ze voor zich uitzweven,--in verlangen. Het is
hem alsof eerst nu, aan het eind van zijn levensweg, zijn oogen
opengaan. _Wanneer wij dooden ontwaken_! wanneer wij, die gemeend hebben
te leven, en die ons nauwelijks aan ons niet-bestaan konden
ontworstelen, eerst de oogen opslaan en het leven gewaar worden in zijn
oprechtheid en eenvoud!...
Maar dan is het einde nabij.
De dichter-peinzer weet het. Hij weet zichzelf, hij weet de afdwalingen
en afdalingen van zijn levensbaan, hij weet ook zijn glorie. Op de
hoogte van het leven verkeert hij in stille samenspraak met het Leven.
Een schijnsel omstraalt hem van het komende licht. Wat nood of de nacht
voor hem nabij is gekomen. Is hij ook niet een kind van den Nacht, hij
de mijnwerker, de graver en groever. De nacht, de aanstaande nacht,
brengt rust en vrede.--Laat hem genieten, dat eene, unieke oogenblik,
van het rein ontwaken zijner oogen.
En van de hoogte kijkt de dichter uit op de hoogtepunten van zijn eigen
leven.
Hij denkt aan zijn _Catilina_, het stuk van den somberen gewetens- en
wereldnacht, dat zijn trots was in de opgang van zijn jeugd; hij denkt
aan zijn _Julianus den Afvallige_[62], de schemerschepping geschapen op
de middaghoogte van zijn weg; en hij denkt aan het licht van het ideaal
dat voor hem oprijst en om hem heen rijst, nu de duistere schaduwen zijn
leeftijd overvallen.
Zijn glorie is zijn opstanding, voor een oogenblik, uit den nijpenden
dood van het leven.
Zie, de schemering heeft den nacht verjaagd, de morgenstond breekt zich
baan, brengt het licht; de morgenstond, het bleeke uur van herinnering,
van berouw, van voorgevoelens,--het ophelderende en oplichtende uur van
voorgevoel en verlangen, van verwachting, van Verrijzenis....
* * * * *
AANTEEKENINGEN OP DE INLEIDING
[1] _Staats-satyricus_.--Zoo noemt zich Ibsen een paar maal in
tegenstelling zeker tot "staatsburger". "Ik heb het talent niet om
staatsburger te zijn," schreef hij aan G. Brandes. 3 Jan. 1882.
[2] _Versregels_.--Goethe _Urworte_. W. A. III 95.
[3] _Aangroeien v. verbeelding_.--W. Dilthey. _Das Erlebnis und die
Dichtung_. p. 284, 295.
[4] _Steffens_.--H. Höffding. _Henrik Steffens. Tilskueren_. Jaarg.
1902. p. 942 vv. H. Steffens. _Was ich erlebte_. X. 269. "In der stillen
einsamen Jugend ward ich von einer Sehnsucht ergriffen, die mich der
Religion und der Natur in ihrer ganzen Fülle entgegenführte. Ein
unruhiges, ja wildes Temperament lockte mich im grellen Gegensatz."
[5] _Steffen's vader over den val der Bastille_.--Vgl. Steffens ibid. I
362-364.
[6] _Steffens over Oehlenschläger_.--_Was ich erlebte_ V. p. 26 vv. Ad.
Oehlenschläger _Meine Lebenserrinnerungen_. I 204, vv. Kr. Arentzen.
_Baggesen og Oehlenschläger_. Kopenh. 1872, II p. 21 vv.
[7] _Genialiteit_.--Arentzen l.l. II. 147.
[8] _Oehlenschläger als voorganger_.--Vgl. o.a. V. Birkedal. _Persönlige
Oplevelser i et langt Liv_. III p. 66.
[9] _Hij hield het oog op het geheel_.--Zie Oehlenschläger's voorwoord
tot de _Poetiske skrifter_ van 1805, de passage die begint: "Fundamentet
for den sande Kunst er Harmonieen...."
[10] _Een brief van_ 1814.--Zie Arentzen l.l, Voorwoord van het derde
deel: vgl. ook Arentzen dl. VIII, p. 111.
[11] _Toestand van Noorwegen_.--Zie H. Jaeger. _Literaturhistoriske
Pennetegninger (Norskhedsperioden)_ p. 140 vv. H. Lassen. _Henrik
Wergeland og hans Samtid_ (2e ed.) p. 76 v. H. Steffens l.l. IX p. 233.
[12] _Het woord van vrijheid_.--De feestdag van den 17en Mei, datum der
constitutie, mocht gedurende geruimen tijd niet worden gevierd. In
Skien, Ibsen's geboortestad, liet men het alleen oogluikend toe, zelfs
als er na 1830 een verandering in de stemming was gekomen, uit vrees
voor een machtig man in de nabijheid der stad. H. Jaeger. _Henrik
Ibsen_. Et literaert livs billede. p. 15.
[13] _Sinds_ 1825.--H. Jaeger. _Pennetegninger_. p. 146 naar
Schweigaard. _Norges Statistik. Schreef_ in 1828.--Lassen H.
_Wergeland_. p. 13, 30.
[14] _Opdracht aan H. Steffens_.--Jaeger. l.l. p. 158 noot.
[15] _Het hemel en aard gedicht_.--Van Wergelands _Skabelsen, Menensket
og Messias_ ken ik de eerste uitgaaf slechts uit Welhaven's kritiek
(_Samlede Skrifter_ dl. I). In de literatuurhistoriën wordt gewoonlijk
de door Wergeland kort voor zijn dood herziene uitgaaf van 1845 (met den
titel _Mennesket_) aangehaald en besproken. Een exemplaar daarvan is in
Potgieters bibliotheek.
[16] _Kind der revolutie_.--Zie behalve de bovengenoemden de belangrijke
inleiding van J.E. Sars tot W's _Norges Konstitutions historie_. H.W's
_Skrifter i Udvalg_, Kristiania, 1898. Dl. III. Voor Wergelands
denkbeelden in dezen eersten tijd, vlg. ook vooral zijn verhandeling
_Hvi skrider Menneskeheden saa langsomt frem_? (1831). _Skrifter i
udvalg_ I p. 600 vv.
[17] _Levensgevoel_.--Men vgl. de mooie inleiding van C. Naerup tot W's
_Skrifter_. Dl. I en de bekende redevoering v. B. Björnson bij de
onthulling van W's standbeeld.
[18] _Wergelands woorden_.--Zie L. Dietrichson. _Omrids af den norske
Poesis Historie_ II P. 58.
[19] _Richting in Denemarken_.--Bedoeld is het zoogenaamde
Grundtvigianisme; voor de verhouding daarvan tot Oehlenschläger zie o.a.
Arentzen l.l. Dl. III en vv.
[20] _Samenhang v. Europeesch geestesleven_. Het voorbeeld is ontleend
aan de citaten uit gelijktijdige dagbladen bij Jaeger l.l. p. 152.
[21] _G. Meredith_.--Meredith is 12 Februari 1828 geboren in Hampshire
(R. le Gallienne. _G. Meredith. Some characteristics_. p. LVI.) Ook
Dante Gabriel Rossetti is in 1828 geboren, maar deze kan moeilijk ter
vergelijking gebezigd worden om zijn exotische afkomst--half Italiaan,
half Engelschman. Ook is zijn baan in 't midden afgebroken, en zijn
dichttalent werd voor een groot deel bepaald door zijn schildersneiging.
Bij Ibsen is het schildertalent geheel geweken.
[22] _Zij hield het oor van den nacht gevangen_.--Meredith. _Sandra
Belloni_ ch. II.
[23] _Zoo rijst de blanke heerlijkheid_ enz.--Meredith. _The ordeal of
Richard Feverel. Beauchamp's Career_. Vgl. mijn studie over M. in de
Gids van October, 1896.
[24] _Zich te bezinnen_.--Allusie op de versregels van _Modern Love_
XLVIII: More brain, O Lord, more brain! or we shall mar Utterley this
fair garden we might win.
[25] _Modern Love_ is in 1862 uitgekomen. Ibsen is zijn _Kjaerlighedens
Komedie_ in 1860 begonnen. (R. Woerner. _Henrik Ibsen_. I p. 493). Den
besten commentaar op _Modern Love_ geeft G.M. Trevelyan. _The poetry and
philosophy of G.M._
[26] _The Egoist_.--Meredith's roman is uitgekomen in 1879.
[27] _Romans uit Meredith's 3e periode:--One of our conquerors, Lord
Ormont and his Aminta, The amazing marriage_ verschenen van 1890-'95.
[28] _"Lo, where"_ etc.--Aanhaling der slotregels van _The Sage
anamoured and the honest Lady_. Voor 't eerst gepubliceerd in 1894.
[29] _Taine_.--Het 1e deel der _Origines de la France contemporaine_
kwam uit in 1875, de volgende deelen die de Revolutie behandelen--en
daarom is 't hier vooral te doen--verschenen sinds 1878.
[30] _Zucht naar vereeniging met de natuur_. Taine. _Vie et
correspondance_, de brief van 10 Maart 1849 aan Prévost Paradol.
[31] "_Décrire une âme humaine._"--_De l'Intelligence_. (3e ed.) I
p. 21.
[32] _"Il ressemble à un homme."_--_Vie et opinions de M. Graindorge_.
p. 324.
[33] _Beschouwing van de kunst_.--_De l'idéal dans l'art_ (ed. 1867)
p. 129-131.
[34] _Vraagt hij_.--Aan George Brandes, brief van 30 Januari 1875.
[35] _Het groote vraagstuk_.--Zie Julius Clausen. _Scandinavismen
historisk fremstillet_, p. 85 vv. over de ontwikkeling dier richting in
1845.
[36] _De leus van B. Björnson_.--J. Clausen l.l. p. 211.
[37] _Het werk in Noorwegen na 1870_.--Vgl. vooral het programma van
Johan Sverdrup, den grooten Noorschen staatsman, in een brief van 1870
meegedeeld in Halvorsen's _Norsk Forfatter-lexicon_. V p. 574, en voor
het staatsleven in Noorwegen, verder het geheele artikel. Zie ook de
inleiding van H. Haug's art. _Det norske Samlingsparti. Tilskueren_,
1905. p. 792.
[38] _Sinds_ 1884 en '85.--Vgl. Ibsen's brief aan B. Björnson van 28
Maart 1884, en H. Jaeger. _Henrik Ibsen_ p. 280 over Ibsen's bezoek aan
Noorwegen in 1885. Zie ook Laura Kieler. _Silhouetter_. p. 12.
[39] _Revolutie en piëtisme in Catilina_.--Vgl. H. Jaeger. _H. Ibsen og
hans vaerker, en fremstiling i grundrids_. p. 8, 9. R. Woerner. _H.
Ibsen_. p. 29.
[40] _Piëtisme en mysterie_.--Vgl. Collin. _H. Ibsen's dramatiske
Bygningsstil. Tilskueren_. Aug. 1906.
[41] _De krijgers op Helgeland_.--In Augustus 1857 voltooid, in November
1858 te Christiania vertoond.
[42] _De mijnwerker_.--Reeds 1851 verschenen. Een eerste omwerking
verscheen in 1863. In de uitgaaf der gedichten van 1871 (In de 4e
uitgaaf der _Digte_, die ik gebruik, 1882, staat _Bergmanden_ p. 17)
komt dan een tweede ingrijpende omwerking voor. Ik volg in mijn
_Inleiding_ natuurlijk de eerste versie, die het zuiverste beeld geeft.
Een vergelijking der beide eerste versies geeft R. Woerner's _Henrik
Ibsen_ I p. 397, zie ook aldaar p. 327. Hij heeft echter niet het belang
begrepen van de oorspronkelijke voorstelling van het gedicht.
[43] _H. Steffens_.--Toespeling op zijn _Beiträge zur inneren
Naturgeschichte der Erde_. 1801. Vgl. daarover R. Haym. _Die romantische
Schule_. p. 626-630.
[44] _Ibsen's twijfel aan den voortgang van zijn werk_.--Vgl. het
gesprek tusschen Jatgeir, den skalde en hertog Skule in het 4e bedrijf
van de _Kroonpretendenten_.
[45] _Oordeel van de wereld_.--Vgl. o.a. H. Jaeger. p. 165. R. Woerner I
p. 139. Magdalene Thorensen's (schoonmoeder van Ibsen) oordeel over den
dichter in dezen tijd in G. Brandes' _Levned_, p. 149: "Hvad han
skriver, er fladt som en Tegning." etc.
[46] _Grauwe schemeren_.--Tausmörket.
[47] _Intusschen_.--Sommige uitdrukkingen van Duitsche schrijvers, b.v.
van R. Lothar _Henrik Ibsen_, p. 91, zouden doen veronderstellen dat het
drama van Julianus den Afvallige door Ibsen na _Brand_ en in gevolge van
_Brand_ werd geconcipieerd; inderdaad is het een vroegere conceptie,
vgl. brief aan B. Björnson van 16 Sept. 1864, en L. Dietrichson.
_Svundne Tider_ I p. 336.
[48] _Meewerking aan den tijd_.--Vgl. brief aan E. Gosse, 14 Octob.
1872.
[49] _Distantie_.--Vgl. brief aan Magd. Thorensen, 3 December 1865.
[50] _Het grote gebeuren tusschen_ 1864 en 1871.--Vgl. brief aan J.
Hoffory. 26 Febr. 1888.
[51] _Determinisme_.--Hierbij mag ook de directe invloed van H. Taine
niet onopgemerkt blijven, met wiens werk Ibsen door G. Brandes bekend
werd.
[52] _Midden onder zijn groote werk_.--Het eerste plan van het _Verbond
der Jeugd_ dagteekent denkelijk van 1874, vgl. den brief van 16 Sept.
1864 aan Björnson en de aanteekening daarop Ibsen's _Sämmtl. Werke_. X
p. 428.
[53] _Het Verbond der Jeugd een inleiding_.--Vgl. A. Kerr. _Das neue
Drama_, p. 16-18.
[54] In 1885_zeide Ibsen_.--Vgl. L. Kieler. _Silhouetter_. p. 12.
[55] _De Wilde Eend_.--Voor de juiste opvatting van dit drama (de
beschouwing heeft haar oorsprong in den naasten kring van Ibsen), vgl.
H. Jaeger. _H. Ibsen og hans vaerker_. En _fremstilling i grundrids_. p.
176 vv. Zie ook van mijn hand _Poëzie en Leven in de 19e eeuw_. p. 359
vv.
[56] _Rosmersholm_.--Vgl. A. v. Berger. _Studien en Kritiken_ p. 214 vv.
en het hierboven aangehaalde _Poëzie en Leven_ p. 370 vv.
[57] _Bevrijding_.--Vgl. Lou Andreas Salomé. _H. Ibsen's Frauengestalten_.
[58] _Sinding_.--Vergelijking van Sinding met Rodin in M. Bigeon. _Les
révoltés Scandinaves_, p. 83.
[59] _Noorsche naïeveteit_.--Vgl. L. Kieler l.l.
[60] _De symbolische werken hebben overal heen betrekkingen_.--Vgl. b.v.
H. Dikmar's studie over Ibsen's _Bygmester Solness_ in _To literaere
Studier_. Kristiania 1894 en E. Holm. _H. Ibsen's politisches
Vermächtnisz_. Wien, 1906.
[61] _De Comedie der Liefde_ als een voorlooper van _Brand_.--Vgl. brief
aan T. Hegel van 31 Augustus 1866.
[62] _Julianus de Afvallige_.--Vgl. brief aan L. Daae, 23 Februari 1873:
(Duitsche uitg.) "Im Charakter Julians findet sich mehr geistig
Durchlebtes, als ich dem Publikum gegenüber verantworten möchte."
* * * * *
DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ
TOONEELSPEL IN VIER BEDRIJVEN
* * * * *
PERSONEN:
KARSTEN BERNICK, Consul.
BETTY, zijn vrouw.
OLAF, hun zoon dertien jaar oud.
MARTHA BERNICK, zuster van den consul.
JOHAN TÖNNESEN, jongere broer van mevrouw Bernick.
LONA HESSEL, haar oudere halve-zuster.
HILMAR TÖNNESEN, neef van mevrouw Bernick.
RÖRLUND, hulpprediker.
RUMMEL, groothandelaar.
VIGELAND en
SANDSTAD, kooplieden.
DINA DORF, een jong meisje bij Bernick in huis.
KRAP, procuratiehouder van Bernick.
AUNE, scheepsbouwmeester.
Mevrouw RUMMEL.
Mevrouw HOLT, vrouw van den postdirecteur.
Mevrouw LYNGE, vrouw van den dokter.
HILDA RUMMEL.
NETTA HOLT.
Burgers en andere inwoners, vreemde zeelui, stoomboot-passagiers
enz.
Het stuk speelt in een klein Noorsch havenstadje, in het huis van
den heer Bernick.
* * * * *
EERSTE BEDRIJF
Een ruime tuinkamer in het huis van consul Bernick. Links op den
voorgrond een deur leidend naar de kamer van den consul; wat verder
aan denzelfden wand een dergelijke deur. In 't midden van den
tegenovergestelden wand een groote entree-deur. De achterwand is
bijna geheel van spiegelglas met een openstaande deur die naar een
breede tuintrap leidt, waarover een zonnescherm gespannen is. Onder
aan de trap is een gedeelte van den tuin zichtbaar, omheind door
een hekje dat een uitgang heeft. Buiten langs het hekje loopt een
straat, die aan den overkant bebouwd is met kleine in lichte
kleuren geverfde houten huizen. Het is zomer en de zon schijnt
warm. Enkele menschen gaan nu en dan voorbij in de straat; zij
blijven staan en praten samen; in een winkel op den hoek worden
klanten bediend, enz. enz.
Binnen in de tuinkamer zit rondom de tafel een gezelschap dames. In
het midden zit mevrouw Bernick. Aan haar linkerkant zit mevr. Holt
met haar dochter; daarnaast mevr. Rummel en haar dochter. Rechts
van mevr. Bernick zitten mevr. Lynge, Martha Bernick en Dina Dorf.
Alle dames houden zich bezig met een handwerk. Op de tafel liggen
groote stapels halfgereed of geknipt linnengoed en andere kleeren.
Wat verder weg bij een klein tafeltje waarop twee bloempotten en
een glas suikerwater staan, zit Rörlund en leest voor uit een
verguld-op-snee-gebonden boek, doch zóó dat maar enkele woorden
voor de toeschouwers verstaanbaar zijn. Buiten in den tuin loop
Olaf rond en schiet af en toe met een boog.
Een beetje later komt Aune zachtjes binnen door de deur rechts. Dat
brengt een beetje stoornis in het voorlezen; mevr. Bernick knikt
hem toe en wijst naar de deur links. Aune gaat er zachtjes heen en
klopt een paar keer met eenige tusschenruimte op de deur van
Bernick's kamer. Krap komt met zijn hoed in de hand en stukken
onder den arm er uit.
* * * * *
KRAP. O, ben jij het die klopt?
AUNE. Mijnheer Bernick heeft om me gezonden.
KRAP. Dat heeft hij ook; maar hij kan je niet ontvangen. Hij heeft mij
opgedragen....
AUNE. U? Ik wou nog liever!
KRAP. ... mij opgedragen het je te zeggen. Je moet ophouden met die
Zaterdag-avonds-voordrachten voor de werklui.
AUNE. Zoo? Ik zou toch denken dat ik mijn eigen vrijen tijd mocht
gebruiken....
KRAP. Je mag niet je vrijen tijd gebruiken om de menschen onbruikbaar te
maken in hun werkuren. Verleden Zaterdag heb je gesproken over de schade
die de werklui zullen lijden door onze nieuwe machines en door de nieuwe
methode van werken op de werf. Waarom doe je dat?
AUNE. Dat doe ik om de maatschappij te steunen.
KRAP. Dat is zonderling! De consul zegt juist dat zoo iets de
maatschappij onderste boven gooit!
AUNE. Mijn maatschappij is niet die van den heer Bernick, meneer Krap.
Als president van den werkliedenbond moet ik....
KRAP. Je bent in de allereerste plaats meesterknecht op de werf van den
heer Bernick. Je hebt in de allereerste plaats je plicht te doen jegens
den bond genaamd "de firma Bernick", want daarvan leven wij allemaal....
Ziezoo, nu weet je wat de consul je te zeggen had.
AUNE. De consul zou het niet op die manier gezegd hebben, meneer Krap!
Maar ik begrijp best aan wien ik dit te danken heb ... aan dien
vervloekten Amerikaan die hier in reparatie ligt. De menschen willen dat
hier net zoo gewerkt zal worden als zij daarginder gewend zijn, en
dat....
KRAP. Nou ja, hoor ... met die praatjes kan ik me niet inlaten. Je weet
nu hoe mijnheer Bernick er over denkt, en dus basta! Ga nu alsjeblieft
naar de werf terug, ze kunnen je daar noodig hebben; ik kom zelf straks
ook. Excuseert dames! (_Hij groet en gaat door den tuin de straat op.
Aune gaat stil naar rechts. Rörlund, die gedurende dit op gedempten toon
gevoerde gesprek is blijven doorlezen, heeft even daarna het boek uit en
slaat het dicht_).
RÖRLUND. Ziezoo, lieve toehoorderessen, hiermee is het uit.
MEVR. RUMMEL. Och, wat een leerrijk verhaal!
MEVR. HOLT. En zoo stichtelijk!
MEVR. BERNICK. Zoo'n boek geeft waarlijk heel wat om over na te denken.
RÖRLUND. O ja; het is een weldadige tegenhanger van al de dingen, die
wij helaas, iederen dag zoowel in couranten als tijdschriften te lezen
krijgen. Die vergulde en geblankette buitenzijde die de groote
maatschappij ten toon stelt, wat verbergt die eigenlijk? Leegheid en
verrotting als ik het zoo zeggen mag. Daar is heelemaal geen moreele
vaste ondergrond onder de voeten. In één woord, het is een gepleisterd
graf, die groote hedendaagsche maatschappij.
MEVR. HOLT. Ja ... dat is maar al te waar.
MEVR. RUMMEL. Wij hoeven alleen maar te zien naar de Amerikaansche
zeelui, die tegenwoordig hier in de haven liggen.
RÖRLUND. Och, van zulk uitschot der menschheid wil ik niet eens spreken.
Maar zelfs in de hoogere kringen ... hoe is het daar gesteld? Twijfel
en gisting overal; onrust in de gemoederen en onvastheid in alle
verhoudingen. Wat is het familieleven niet ondermijnd daarginder. Wat
een dringen en drijven om zelfs de hoogste waarheden onderste boven te
halen.
DINA (_zonder op te zien_). Maar gebeuren daar ook niet wel groote
dingen?
RÖRLUND. Groote dingen...? Ik begrijp niet....
MEVR. HOLT (_verbaasd_). Maar lieve hemel, Dina...!
MEVR. RUMMEL (_tegelijkertijd_). Maar Dina, hoe verzin je 't...?
RÖRLUND. Ik zou het niet als een geluk beschouwen als zulk soort van
dingen hier ook gebeurden. Neen, dan mogen wij God nog wel danken dat
het hier is zooals het is. Wel groeit ook hier helaas veel onkruid onder
de tarwe, maar wij doen toch braaf ons best om dat zoo goed mogelijk uit
te roeien. Het komt er op aan, dames, al het onreine en verderfelijke
ver van ons te houden, dat een onrustige tijd ons wil opdringen.
MEVR. HOLT. En daarvan is hier ook al meer dan genoeg, helaas!
MEVR. RUMMEL. Ja, 't heeft verleden jaar toch maar een haartje gescheeld
of wij hadden hier ook al een spoorweg gekregen.
MEVR. BERNICK. Dat heeft Bernick gelukkig nog kunnen tegenhouden.
RÖRLUND. De Voorzienigheid, mevrouw. U kan er van overtuigd zijn, dat uw
man het werktuig was in de hand van een Hoogere Macht, toen hij weigerde
zich met die zaak in te laten.
MEVR. BERNICK. En toch werd hij zoo aangevallen in de couranten. Maar
wij vergeten heelemaal u te bedanken, mijnheer Rörlund. Het is waarlijk
meer dan vriendelijk van u ons zooveel van uw kostbaren tijd te geven.
RÖRLUND. Geen kwestie van ... nu in de vacantie....
MEVR. BERNICK. Nu ja ... maar het is toch heusch wel een offer....
RÖRLUND (_haalt zijn stoel dichterbij_). Spreek daar toch nooit van,
lieve mevrouw. Brengt u niet allemaal een offer ter wille van een goede
zaak? Of brengt u het soms niet gewillig en blijmoedig? Deze
moreel-verdorvenen, aan wier verbetering wij arbeiden, zijn te
beschouwen als gewonde soldaten op een slagveld. U, dames, zijt allemaal
de diaconessen, de liefdezusters die pluksel maken voor de arme
ongelukkigen, met zachte hand verbanden aanlegt om de wonden, ze
verpleegt en geneest.
MEVR. BERNICK. Het moet toch wel een hemelsche gaaf zijn om alles in
zoo'n mooi licht te kunnen zien.
RÖRLUND. Veel is er in zoo iets aangeboren, maar veel kan men ook
verwerven. 't Komt er maar op aan de dingen te zien in het licht van een
ernstigen levenstaak. Wat zegt u er van, juffrouw Bernick? Vindt u niet
dat u om zoo te zeggen op een steviger grondslag staat, sedert u zich
wijdt aan de school?
MARTHA. Och, ik weet eigenlijk niet wat ik zeggen moet. Soms als ik
daarginder de school binnenga, wou ik dat ik ver weg was op de wilde
zee.
RÖRLUND. Ach ja, dat zijn de booze aanvechtingen, lieve juffrouw. Maar
voor dergelijke onstuimige gasten moeten wij onze deur streng gesloten
houden. De wilde zee ... dat meent u natuurlijk niet letterlijk; u
bedoelt de groote golvende menschenwereld daarbuiten, waar zoo velen te
gronde gaan. En hecht u dan waarlijk zooveel waarde aan dat leven dat u
daarginder hoort bruisen en ruischen? Kijk eens op straat. Daar loopen
de menschen zweetend en zwoegend in de brandende zon en maken het zich
druk met al hun zaken. Neen, dan hebben wij het toch heusch beter, wij,
die hier in de koelte zitten en onzen rug kunnen keeren naar den kant
van waar de moeilijkheden komen....
MARTHA. Och Heer, ja, u heeft stellig wel gelijk....
RÖRLUND. En in een huis als dit ... in een goed en rein thuis, waar het
familieleven zich in zijn mooiste gestalte vertoont ... waar vrede en
eendracht wonen.... (_tegen mevrouw Bernick_) Waar luistert u naar,
mevrouw?
MEVR. BERNICK (_naar de eerste deur links gewend_). Wat praten ze hard
daar in de kamer.
RÖRLUND. Is er dan iets bizonders gaande?
MEVR. BERNICK. Ik weet 't niet. Maar ik hoor dat er iemand bij mijn man
is.
(_Hilmar Tönnesen, met een sigaar in den mond, komt uit de deur rechts
... hij blijft staan als hij al die dames ziet_).
HILMAR. O, pardon.... (_wil zich terugtrekken_)
MEVR. BERNICK. Neen Hilmar, kom maar hier, je hindert ons niet. Wou je
iets?
HILMAR. Neen, ik kwam maar eens kijken. Goeden morgen, dames (_tegen
mevr. Bernick_). Nou, wat komt er nu van?
MEVR. BERNICK. Waarvan?
HILMAR. Wel, Bernick heeft immers een vergadering bij elkaar getrommeld.
MEVR. BERNICK. Zoo? Maar wat is er dan eigenlijk aan de hand?
HILMAR. Och, 't is dat gezanik weer over dien spoorweg.
MEVR. RUMMEL. Neen ... maar dat kan toch niet!
MEVR. BERNICK. Die arme Karsten, moet hij daar nu nog al meer
onaangenaamheden over hebben....
RÖRLUND. Maar hoe is dat mogelijk, mijnheer Tönnesen? Consul Bernick
heeft toch verleden jaar zoo duidelijk te kennen gegeven dat hij geen
spoorweg wilde hebben.
HILMAR. Ja, dat dacht ik ook. Maar ik heb daar straks Krap ontmoet en
die vertelde dat die spoorweghistorie weer op het tapijt was gebracht,
en dat Bernick zou vergaderen met drie geldmannen uit de stad.
MEVR. RUMMEL. 't Wou mij ook al voorkomen of ik Rummel's stem zoo even
hoorde.
HILMAR. Ja, mijnheer Rummel is er natuurlijk ook bij, en dan Sandstad
van den Steenweg en Michel Vigeland ... de "Heilige Michael" zooals ze
hem noemen.
RÖRLUND. Hm....
HILMAR. Pardon, mijnheer Rörlund.
MEVR. BERNICK. En 't was hier nu juist zoo rustig en vredig.
HILMAR. Nou, wat dat betreft, ik heb er niets tegen dat ze weer eens een
beetje beginnen te bakkeleien. Dat is ten minste nog eens een afleiding.
RÖRLUND. Mij dunkt zulk soort van afleidingen kunnen wij wel missen.
HILMAR. Dat is een kwestie van temperament. Sommige naturen hebben nu en
dan eens een beetje opwekkenden strijd noodig. Maar zoo iets levert het
kleine stadsleven helaas maar weinig op, en niet iedereen is het
gegeven.... (_hij bladert in het boek van Rörlund_) "De vrouw als
dienstbare in de Maatschappij". Wat is dat voor onzin?
MEVR. BERNICK. Hè, Hilmar, zeg dat nu niet. Je hebt zeker dat boek niet
gelezen?
HILMAR. Neen, en ik ben ook heelemaal niet van plan het te doen.
MEVR. BERNICK. Je voelt je zeker niet erg lekker vandaag.
HILMAR. Neen, dat doe ik ook niet.
MEVR. BERNICK. Heb je misschien van nacht niet goed geslapen?
HILMAR. Neen, ik heb heel slecht geslapen. Ik wandelde nog een eindje om
gisteren avond, voor mijn zenuwen; liep toen nog even op in de societeit
en las daar een reisverhaal van de Noordpool. Dat is nog eens iets om
een mensch te stalen, als je ze zoo volgt in hun strijd met de elementen.
MEVR. RUMMEL. Maar dat schijnt u toch niet goed bekomen te zijn,
mijnheer Tönnesen.
HILMAR. Neen, het is mij heel slecht bekomen. Ik heb mij den heelen
nacht om-en-om gerold tusschen waken en slapen en droomde dat ik
achterna gezeten werd door een afschuwelijken walrus.
OLAF. Is u nagezeten door een walrus, oom?
HILMAR. Dat heb ik gedroomd, jij domoor! Maar loop jij nou nog altijd te
spelen met dien mallen boog? Waarom zie je toch niet een behoorlijk
geweer te krijgen?
OLAF. Nou, ik zou wat graag willen, maar....
HILMAR. Want een geweer dat beteekent ten minste wat; daar is altijd
iets spannends in als je vuren gaat.
OLAF. En dan zou ik beren kunnen gaan schieten, hè oom? Maar dat mag ik
toch niet van Papa.
MEVR. BERNICK. Je moet hem heusch niet zulke dingen in het hoofd praten,
Hilmar.
HILMAR. Hm ... een mooi geslacht dat ze opkweeken tegenwoordig! Maken ze
me daar een groote drukte over allerlei lichaamsoefeningen ... lieve god
ja!... en 't is niets dan een spelletje. Nooit een ernstig streven naar
dat echte stalende, dat er steekt in het manmoedig een gevaar te gemoet
gaan. Sta daar niet zoo met dien boog naar me te wijzen, jij lummel, die
kon wel eens losschieten.
OLAF. Neen oom, er is geen pijl op.
HILMAR. Dat kan je niet weten; er kan toch wel een pijl op zitten. Leg
ze weg, zeg ik.... Wat drommel, waarom ben jij niet meegevaren naar
Amerika met een van je vaders schepen? Daar kon je nog eens een
buffeljacht of een gevecht met Indianen bijwonen misschien.
MEVR. BERNICK. Och maar, Hilmar....
OLAF. Nou, dat zou ik wat graag willen, oom; en misschien zou ik dan ook
Johan en tante Lona ook wel ontmoeten.
HILMAR. Hm ... nonsens.
MEVR. BERNICK. Olaf, je kunt nu wel weer in den tuin gaan.
OLAF. Hè Ma, mag ik ook op straat gaan?
MEVR. BERNICK. Ja, maar niet te ver weg. (_Olaf loopt het hekje uit_).
RÖRLUND. U moet dat kind niet zulke dwaasheden in het hoofd praten,
mijnheer Tönnesen.
HILMAR. Neen, natuurlijk niet. Hij moet zoet hier blijven bij moeders
pappot, zooals zooveel anderen.
RÖRLUND. Maar waarom maakt u dan zelf die reis niet eens?
HILMAR. Ik? Met mijn zenuwlijden? Nou ja, dat spreekt, daar wordt hier
niet veel notitie van genomen. Maar buitendien ... een mensch heeft ook
plichten in acht te nemen jegens de wereld waarin hij verkeert. Er dient
toch wel _iemand_ te zijn om de vaan der idee hoog te houden. Hè! wat
schreeuwt hij weer!
DE DAMES. Wie schreeuwt er?
HILMAR. O dat weet ik niet. Ze praten een beetje erg hard daar binnen,
en dat maakt mij zenuwachtig.
MEVR. RUMMEL. Dat zal mijn man wel zijn, mijnheer Tönnesen. Maar weet u,
hij is zoo gewend in groote vergaderingen te spreken....
RÖRLUND. De anderen praten nu ook zoo zachtjes niet, vind ik.
HILMAR. Neen, godbewaarme, als het er op aan komt de handen op de zakken
te houden, dan.... Alles gaat hier immers òp in kleine materieele
berekeningen. Bah!
MEVR. BERNICK. Dat is in alle geval beter dan vroeger toen alles in
plezier-maken opging.
MEVR. LYNGE. Was het hier heusch zoo erg vroeger?
MEVR. RUMMEL. O mevrouw, als u dat eens wist! U mag blij zijn dat u toen
niet hier woonde.
MEVR. HOLT. Ja, hier is heel wat verandering gekomen! Als ik denk hoe
het was in mijn meisjestijd....
MEVR. RUMMEL. O ga maar eens in gedachten een veertien, vijftien jaar
terug. Lieve, goede hemel, wat een leven was dat! Toen bestonden nog de
dansclub en de muziekvereeniging....
MARTHA. En het tooneelgezelschap. Dat herinner ik mij nog heel goed.
MEVR. RUMMEL. Ja, daar werd toen uw stuk gespeeld, mijnheer Tönnesen.
HILMAR (_gaat naar den achtergrond_). Och wat!...
RÖRLUND. Een stuk van den student Tönnesen?
MEVR. RUMMEL. Ja, dat was lang vóór dat u hier kwam, mijnheer Rörlund.
Maar het is maar één enkelen keer gespeeld.
MEVR. LYNGE. Heeft u mij niet verteld dat u in dat stuk de rol van de
minnares gespeeld heeft, mevrouw Rummel?
MEVR. RUMMEL (_kijkt op zij uit naar Rörlund_). Ik? Dat herinner ik mij
heusch niet meer, mevrouw. Maar ik herinner mij nog wel heel goed hoe
vreeselijk veel er toen werd uitgegaan.
MEVR. HOLT. Ja, ik weet nog best in welke families er tweemaal in de
week een groot diner was.
MEVR. LYNGE. En een rondreizend tooneelgezelschap is er ook eens
geweest, heb ik gehoord.
MEVR. RUMMEL. Ja, dat was wel het allerergste!...
MEVR. HOLT (_onrustig_). Hum ... hum....
MEVR. RUMMEL. O? Een tooneelgezelschap? Neen, daar weet ik niets meer
van.
MEVR. LYNGE. Ja, de menschen moeten hier heel wat rare stukjes
uitgehaald hebben. Wat waren dat eigenlijk voor histories?
MEVR. RUMMEL. Och, mevrouw, dat had eigenlijk niets te beduiden.
MEVR. HOLT. Lieve Dina, geef mij dat linnen eens aan.
MEVR. BERNICK (_gelijktijdig_). Beste Dina, ga eens vragen of Katrine de
koffie brengen wil.
MARTHA. Ik ga met je mee, Dina. (_Dina en Martha gaan weg door de
laatste deur links_).
MEVR. BERNICK (_staat op_). En ik moet u ook verzoeken mij even te
verontschuldigen, dames; misschien kunnen wij aanstonds wel buiten
koffie drinken. (_Zij gaat de tuintrap af en dekt de tafel. Rörlund
staat in de deur en praat met haar. Hilmar zit buiten te rooken_).
MEVR. RUMMEL (_zachtjes_). Lieve hemel, mevrouw Lynge, wat heeft u mij
doen schrikken!
MEVR. LYNGE. Ik?
MEVR. HOLT. Ja, maar u begon er toch zelf over, mevrouw Rummel.
MEVR. RUMMEL. Ik? Maar mevrouw Holt hoe kan u zoo iets zeggen? Ik heb
toch geen enkel woord losgelaten.
MEVR. LYNGE. Maar wat is er dan toch?
MEVR. RUMMEL. Hoe kon u daar nu over praten...! Zag u dan niet dat Dina
in de kamer was?
MEVR. LYNGE. Dina? Maar lieve hemel, is er dan iets gebeurd met ...?
MEVR. HOLT. En hier in huis nog al! Weet u dan niet dat de broer van
mevrouw Bernick...?
MEVR. LYNGE. Wat dan toch? Ik weet heelemaal niets; ik ben hier pas
gekomen....
MEVR. RUMMEL. Heeft u niet gehoord dat...? Hm,... (_tegen haar
dochter_). Hilda, jij moest maar eens een beetje in de tuin gaan.
MEVR. HOLT. En jij ook, Netta. En wees maar heel vriendelijk tegen die
arme Dina als ze komt. (_Beiden gaan de tuin in_).
MEVR. LYNGE. En wat was er nu met dien broer van Mevrouw Bernick?
MEVR. RUMMEL. Weet u dan niet dat hij die leelijke geschiedenis heeft
gehad?
MEVR. LYNGE (_wijzend naar Hilmar_). Heeft mijnheer Tönnesen een
leelijke geschiedenis gehad?
MEVR. RUMMEL. Och, welneen; dit is immers haar neef. Ik spreek van haar
broer....
MEVR. HOLT. ... den verongelukten Tönnesen....
MEVR. RUMMEL. Johan heette hij. Hij ging naar Amerika....
MEVR. HOLT. Hij _moest_ naar Amerika ... begrijpt u?
MEVR. LYNGE. En had hij nu die leelijke historie?
MEVR. RUMMEL. Ja, het was iets ... hoe zal ik het noemen...? Het was
iets met Dina's moeder. O, ik weet 't nog of het gisteren was. Johan
Tönnesen was toen op het kantoor bij de oude mevrouw Bernick. Karsten
Bernick was pas van Parijs teruggekomen ... was nog niet eens
geëngageerd....
MEVR. LYNGE. Nou ja ... maar die geschiedenis?
MEVR. RUMMEL. Ja, ziet u ... dien winter was het tooneelgezelschap van
Möller hier in de stad....
MEVR. HOLT. ... en bij dat gezelschap was de acteur Dorf met zijn vrouw.
Al de jongelui hier waren dol op haar....
MEVR. RUMMEL. Ja, hoe 't mogelijk was dat ze _die_ mooi vonden.... Maar
op een keer komt Dorf 's avonds laat thuis....
MEVR. HOLT. ... heel onverwacht....
MEVR. RUMMEL. ... en vindt daar ... neen dat kan ik u heusch niet
vertellen!
MEVR. HOLT. Maar mevrouw, hij vond niemendal, want de deur was van
binnen gesloten.
MEVR. RUMMEL. Nou ja, dat is net wat ik zeg; hij vond de deur gesloten.
En hij die binnen was, u begrijpt me wel, moest uit het raam springen.
MEVR. HOLT. Heelemaal boven uit een zolderraam!
MEVR. LYNGE. En was dat de broer van mevrouw Bernick?
MEVR. RUMMEL. Ja zeker, die was het.
MEVR. LYNGE. En is hij toen naar Amerika gegaan?
MEVR. HOLT. Ja, dat moest hij toen wel doen, dat begrijpt u.
MEVR. RUMMEL. Want achterna werd er iets ontdekt, dat al haast even erg
was. Verbeeld u, hij had de kas bestolen....
MEVR. HOLT. Ja maar, daar weet men het rechte niet van, mevrouw Rummel;
dat zijn misschien maar praatjes geweest.
MEVR. RUMMEL. Neen maar, dat is nu óók! Was het dan niet bekend in de
heele stad? Is de oude mevrouw Bernick daardoor niet bijna failliet
gegaan? Dat heeft Rummel me zelf verteld. Maar _ik_ zal er wel zalig
over zwijgen....
MEVR. HOLT. Nou, madam Dorf kreeg in elk geval het geld niet, want
zij....
MEVR. LYNGE. Ja, hoe liep dat toen af tusschen Dina's ouders?
MEVR. RUMMEL. Wel, Dorf liet zijn vrouw en kind in den steek. Maar dat
mensch was zoo brutaal om nog een heel jaar hier te blijven. Op het
tooneel durfde zij zich niet meer te vertoonen. Eerst is ze gaan
wasschen en naaien voor den kost....
MEVR. HOLT. En toen heeft ze geprobeerd om danslessen te geven.
MEVR. RUMMEL. Maar dat ging natuurlijk ook niet. Welke ouders zouden hun
kinderen aan zoo'n schepsel willen toevertrouwen? Maar het duurde ook
niet lang meer met haar; die fijne madam was niet gewend te werken. Zij
kreeg het op de borst en stierf.
MEVR. LYNGE. Hè, dat zijn echt leelijke histories!
MEVR. RUMMEL. U kan begrijpen hoe naar dat allemaal was voor de
Bernicks. Dat is de donkere vlek in hun gelukszon, zooals Rummel het
eens uitdrukte. Daarom moet u maar nooit hier in huis er over spreken,
mevrouw Lynge.
MEVR. HOLT. En ook alsjeblieft niet over haar halve zuster!
MEVR. LYNGE. Zoo? heeft mevrouw Bernick ook nog een halve zuster?
MEVR. RUMMEL. Gehad ... gelukkig! Want nu is alle betrekking met haar
afgebroken. Ja, dat was me ook een mooie! Stel u voor, die liep met
kortgeknipte haren en hooge heerenlaarzen als 't vuil weer was!
MEVR. HOLT. En toen die halve broer van haar, dat ongeluk, er nu van
doorgegaan was, en de heele stad natuurlijk diep verontwaardigd was over
hem, weet u wat zij toen deed? Toen is ze hem nagereisd!
MEVR. RUMMEL. O, maar dat schandaal dat zij gemaakt heeft nog eer ze weg
ging, mevrouw Holt!
MEVR. HOLT. Sst, praat daar toch niet van.
MEVR. LYNGE. Gut, maakte zij ook al schandaal?
MEVR. RUMMEL. Neen maar, dat moet u hooren, lieve mevrouw. Bernick was
net geëngageerd met Betty Tönnesen; en zoo als hij met haar aan zijn arm
bij haar tante komt om zijn meisje te presenteeren....
MEVR HOLT. ... staat Lona Hessel op van haar stoel, en geeft den
knappen, fijngemanierden Karsten Bernick een oorvijg, dat hij
suizebolde.
MEVR. LYNGE. Neen maar heb je nu ooit!
MEVR. HOLT. Ja, het is heusch waar.
MEVR. RUMMEL. En toen pakte zij haar koffer en vertrok naar Amerika.
MEVR. LYNGE. Maar dan had ze misschien zelf een goed oogje op hem gehad?
MEVR. RUMMEL. Ja natuurlijk, dat begrijpt u wel. Zij had zich verbeeld
dat hij met haar trouwen zou als hij terugkwam uit Parijs.
MEVR. HOLT. Ja verbeeld je, dat zij zoo iets denken kon! Bernick, de
jonge elegante man van de wereld ... volleerd gentleman ... de lieveling
van alle dames....
MEVR. RUMMEL. ... en daarbij zoo fatsoenlijk, mevrouw Holt, en zoo
braaf!
MEVR. LYNGE. Maar wat is die juffrouw Hessel daar in Amerika gaan
uitvoeren?
MEVR. RUMMEL. Ja, ziet u, daarover ligt, zooals Rummel zich eens
uitdrukte, een sluier, die maar liever niet moet worden opgelicht.
MEVR. LYNGE. Wat beteekent dat?
MEVR. RUMMEL. Alle betrekking met de familie is al lang afgebroken, dat
begrijpt u wel. Maar zooveel weet de heele stad er toch wel van, dat zij
daar ginder in café's voor geld gezongen heeft....
MEVR. HOLT. ... en lezingen gehouden....
MEVR. RUMMEL. ... en een allerdolst boek geschreven heeft....
MEVR. LYNGE. Neen, maar!
MEVR. RUMMEL. Ja, ja, Lona Hessel is ook wel een van de zonnevlekken in
het geluk van de familie Bernick. Maar nu is u dus op de hoogte, mevrouw
Lynge. De hemel weet dat ik er alleen over gesproken heb omdat u nu op
uw woorden zou kunnen passen.
MEVR. LYNGE. Wees gerust daarop, lieve mevrouw. Maar die arme Dina Dorf!
Ik heb heusch medelijden met haar.
MEVR. RUMMEL. Och, voor haar was het eigenlijk een groot geluk. Verbeeld
u eens dat zij bij haar ouders gebleven was! Wij hebben ons natuurlijk
allemaal veel met haar bemoeid en haar vermaand, zoo goed wij konden.
Later zette juffrouw Bernick het door dat zij hier in huis kwam.
MEVR. HOLT. Maar een moeilijk kind is zij altijd geweest. Denk ook maar
eens aan ... al die slechte voorbeelden! Och, zoo'n kind is ook van zelf
heel anders dan een van de onzen; wij moeten wat toegevend voor haar
zijn, mevrouw.
MEVR. RUMMEL. Sst ... daar komt ze. (_hardop_). Ja, die Dina, dat is een
echt flinke meid. Zoo? ben jij daar Dina? Wij scheiden net uit met
werken.
MEVR. HOLT. O wat geurt je koffie heerlijk, lieve Dina! Ja, zoo'n kopje
koffie 's middags....
MEVR. BERNICK (_buiten op het terras_). Als u lust heeft om buiten te
komen dames! (_Martha en Dina hebben intusschen het dienstmeisje
geholpen het koffie-servies klaar te zetten. Al de dames gaan buiten
zitten; zij praten overdreven vriendelijk tegen Dina. Even later gaat
zij naar binnen en zoekt haar handwerk weer op_).
MEVR. BERNICK. Dina, wil jij ook niet...?
DINA. Neen, dank u ... liever niet. (_Zij gaat zitten met haar naaiwerk.
Mevr. Bernick en Rörlund wisselen een paar woorden; een oogenblik daarna
komt hij ook in de kamer_).
RÖRLUND (_verlegt iets op de tafel en zegt zachtjes_). Dina!
DINA. Ja....
RÖRLUND. Waarom wil je niet buiten zitten?
DINA. Omdat, toen ik met de koffie binnenkwam, ik kon merken aan die
vreemde mevrouw, dat er over mij gesproken was.
RÖRLUND. En heb je dan ook niet gemerkt hoe vriendelijk zij zoo even
tegen je was?
DINA. Maar dat kan ik juist niet uitstaan!
RÖRLUND. Je bent erg weerspannig van aard, Dina.
DINA. Ja.
RÖRLUND. Maar waarom ben je zoo?
DINA. Ik ben nu eenmaal niet anders.
RÖRLUND. Zou je er niet naar kunnen streven anders te worden?
DINA. Neen.
RÖRLUND. Waarom niet?
DINA (_ziet hem aan_). Ik hoor immers tot de moreel-verdorvenen.
RÖRLUND. Foei, Dina!
DINA. Mijn moeder hoorde ook tot de moreel-verdorvenen.
RÖRLUND. Wie heeft met je over zulke dingen gesproken?
DINA. Niemand; ze zeggen nooit iets. Waarom? Ze pakken me allemaal zoo
voorzichtig aan alsof ik breken zou als.... O, wat haat ik die
goedhartigheid!
RÖRLUND. Lieve Dina, ik begrijp heel goed, dat je je hier gedrukt voelt,
maar....
DINA. O, kon ik maar weggaan, ver weg! Ik zou mij wel redden en vooruit
komen, als ik maar niet hoefde te leven onder menschen die zoo ...
zoo....
RÖRLUND. Wat zoo?
DINA. Zoo fatsoenlijk en zoo braaf zijn.
RÖRLUND. Maar Dina, dat meen je toch niet!
DINA. Och, u begrijpt heel goed hoe ik het bedoel. Iederen dag komen
Netta en Hilda hier, opdat ik een voorbeeld aan hen nemen zal. Ik kan
nooit zoo hoogst fatsoenlijk worden als zij. Ik _wil_ zoo niet worden.
O, was ik toch maar ver weg, dan zou ik wel flink worden.
RÖRLUND. Maar je bent immers flink, Dina-lief.
DINA. Wat helpt mij dat hier?
RÖRLUND. Dus weggaan ... denk je daar in ernst over?
DINA. Ik zou hier geen dag langer blijven als u hier niet was.
RÖRLUND. Zeg me eens Dina ... waarom vindt je het eigenlijk zoo prettig
om met mij samen te zijn?
DINA. Omdat u mij zooveel mooie dingen leert.
RÖRLUND. Mooi? Noem je dat wat ik je leeren kan "mooie dingen"?
DINA. Ja. Of eigenlijk ... u leert mij wel niets, maar als ik u hoor
spreken, dan ga ik allerlei mooie dingen zien.
RÖRLUND. Wat versta je eigenlijk onder iets moois?
DINA. Daar heb ik nooit over nagedacht.
RÖRLUND. Denk daar dan nu eens over na. Wat versta je onder iets moois?
DINA. Mooi is iets dat groot is ... en ver weg.
RÖRLUND. Hm!... Lieve Dina, ik maak mij erg bezorgd over je.
DINA. Anders niets dan dàt?
RÖRLUND. Je weet toch wel, hoe onuitsprekelijk lief je mij bent.
DINA. Maar als ik Hilda of Netta was, zou u niet bang zijn het aan
iemand te laten merken.
RÖRLUND. Ach Dina, je kunt zoo weinig al de consideraties beoordeelen
die ik in acht nemen moet.... Als een man een positie bekleedt, waarin
hij moet optreden als zedelijke steunpilaar van de wereld, waarin hij
verkeert, dan ... kan hij niet voorzichtig genoeg zijn. Als ik er maar
zeker van was, dat men mijn motieven goed zou begrijpen en er geen
verkeerden uitleg aan geven.... Maar dat is tot daaraan toe. Je _moet_
en _zult_ voort geholpen worden. Dina, zal dit onze afspraak zijn, dat,
als ik kom ... als de omstandigheden mij toestaan te komen ... en ik
zeg: hier is mijn hand ... dat je die dan wilt aannemen en mijn vrouw
worden? Beloof je me dat, Dina?
DINA. Ja.
RÖRLUND. Dank je, dank je! Want ook voor mij.... Och Dina, ik hoû toch
zoo veel van je.... Sst; daar komt iemand. Toe, Dina, doe 't voor mij
... ga naar de anderen toe. (_zij gaat naar de koffietafel. Op hetzelfde
oogenblik komen de heeren Rummel, Sandstad en Vigeland uit de eerste
kamer links, gevolgd door den heer Bernick, die een pak papieren in de
hand houdt_).
BERNICK. Nou, de zaak is dus afgedaan.
VIGELAND. Ja. In 's hemels naam dan maar.
RUMMEL. 't Is afgedaan, Bernick! Het woord van een Noor staat vast als
een rots in de zee, dat weet je!
BERNICK. En niemand zwicht, niemand wordt afvallig, hoeveel tegenstand
wij ook ontmoeten.
RUMMEL. Wij staan en vallen met elkaar, Bernick!
HILMAR (_in de tuindeur_). Vallen? Permitteert! Is het dan niet de
spoorweg die valt?
BERNICK. Integendeel; die zullen wij wel aan het rollen krijgen....
RUMMEL. Met stoom, mijnheer Tönnesen.
HILMAR (_dichterbij_). Zóó?
RÖRLUND. Hoe dat?
MEVR. BERNICK (_in de tuindeur_). Maar Karsten-lief, wat beteekent dat
eigenlijk?
BERNICK. Och, Betty-lief, wat kan jou dat nu interesseeren? (_tot de
drie heeren_). Maar nu moeten wij de lijsten opmaken, hoe eer hoe beter.
't Spreekt van zelf dat wij vieren het eerst teekenen. De positie die
wij in de maatschappij bekleeden, maakt het ons tot plicht hierin voor
te gaan.
SANDSTAD. Natuurlijk, mijnheer Bernick.
RUMMEL. Het mòèt gaan, Bernick; dat staat vast.
BERNICK. O ja, ik ben heelemaal niet bang voor den uitslag. Wij moeten
er ons best voor doen, ieder in zijn eigen kring van kennissen; en als
wij maar eerst eens kunnen wijzen op een levendige deelneming in alle
maatschappelijke kringen, dan volgt daaruit van zelf, dat ook de
gemeente het hare moet bijdragen.
MEVR. BERNICK. Maar Karsten, nu moet je ons toch eigenlijk eens
vertellen....
BERNICK. Och, lieve Betty, dat is iets waar dames heelemaal niet in
komen kunnen.
HILMAR. Je wilt je dus toch met die spoorweggeschiedenis inlaten?
BERNICK. Ja, natuurlijk.
RÖRLUND. Maar verleden jaar, mijnheer Bernick....
BERNICK. Verleden jaar was dat heel iets anders. Toen was er sprake van
een lijn langs de kust....
VIGELAND. ... die ten eenenmale overbodig zou zijn, meneer; want wij
hebben immers de stoombooten....
SANDSTAD. ... en die zoo onzinnig veel geld gekost zou hebben....
RUMMEL. ... ja, en die inderdaad de wezenlijke belangen van de stad zou
geschaad hebben....
BERNICK. De hoofdzaak was dat die in wijder kring geen nut gedaan zou
hebben. Daarom verzette ik er mij tegen; en zoo werd toen de binnenlijn
aangenomen.
HILMAR. Die zal de steden in den omtrek toch niet aandoen.
BERNICK. Maar die zal ònze stad aandoen, mijn waarde Hilmar, want nu
wordt er een zijlijn aangelegd.
HILMAR. O zoo; een nieuw plan dus.
RUMMEL. En wat een prachtig plan ook, hè?
RÖRLUND. Hm....
VIGELAND. 't Kan niet ontkend worden dat de Voorzienigheid als 't ware
het terrein heeft klaar gemaakt voor een zijlijntje.
RÖRLUND. Meent u dat in ernst, mijnheer Vigeland?
BERNICK. Ja, ik moet toegeven, dat ik het ook als een bestiering
beschouw dat ik in 't voorjaar voor zaken op reis was op 't land, en
toevallig langs een weg door 't dal kwam, waar ik vroeger nooit geweest
was. Als een lichtstraal kwam het denkbeeld in mij op, dat hier een
zijlijn naar onze stad te maken moest zijn. Ik heb een ingenieur er heen
gezonden en den weg laten opnemen; hier heb ik de voorloopige
berekeningen en kostenopgaven; niets staat den aanleg in den weg.
MEVR. BERNICK (_met de andere dames vooruitgekomen in de tuindeur_).
Maar lieve man, dat je dat alles zoo voor ons verborgen hebt gehouden.
BERNICK. Och, mijn goede kind, jullie zoudt immers toch niet begrepen
hebben hoe dat alles in elkaar zat. Ik heb er overigens met geen levende
ziel over gesproken, vóór van daag. Maar nu is het beslissende oogenblik
gekomen, nu moet er openlijk en met alle kracht gewerkt worden. Ja, al
moest ik mijn heele bestaan er aan geven, ik zal de zaak doorzetten.
RUMMEL. Wij ook, Bernick, daar kan je op vertrouwen.
RÖRLUND. Heeft u dan waarlijk zooveel verwachtingen van die onderneming,
heeren?
BERNICK. Ja, dat zal waar zijn. Wat een hefboom zal die niet kunnen
worden voor onze heele maatschappij? Denk maar eens aan de groote
bosschen die toegankelijk gemaakt zullen worden; denk aan de rijken
ertslagen die in exploitatie kunnen worden genomen; denk aan de rivier
met haar talrijke watervallen! Wat een industrie kan zich daar
ontwikkelen!
RÖRLUND. En vreest u niet dat een drukker verkeer met een verdorven
buitenwereld...?
BERNICK. Neen, wees maar gerust, mijnheer Rörlund. Ons klein nijver
stadje staat, Goddank, tegenwoordig op een standpunt van gezonde
moraliteit. Wij hebben allen ons best gedaan om den bodem te draineeren,
als ik 't zoo noemen mag; en dat zullen wij ook verder doen, ieder op
zijn manier. U, mijnheer Rörlund, blijft voortgaan met uw zegenrijk werk
in school en huisgezin. Wij, de mannen der praktijk, steunen de
maatschappij door welvaart onder de menschen te brengen in de wijdst
mogelijken kring;... en onze vrouwen, ja, komt maar dichterbij dames, u
moogt het wel hooren,... onze vrouwen, zeg ik, onze echtgenooten en
dochters,... ja, u moet ongestoord voortwerken in den dienst der
weldadigheid, en zijt verder een hulp en een troost voor die u het naast
staan, zooals mijn lieve Betty en Martha dat voor mij en Olaf zijn....
(_Kijkt rond_). Waar zit Olaf vandaag?
MEVR. BERNICK. O, nu in de vacantie is het niet mogelijk hem in huis te
houden.
BERNICK. Dan is hij zeker weer beneden aan den waterkant! Je zult zien,
hij laat het niet voor er een ongeluk gebeurd is.
HILMAR. Kom ... laat hij zich maar eens meten met de natuurkrachten....
MEVR. RUMMEL. Wat vind ik het mooi van u, dat u zooveel gevoel voor het
gezin heeft, mijnheer Bernick!
BERNICK. O, het gezin is immers de kern der maatschappij. Een goed
tehuis, achtenswaardige en trouwe vrienden, een kleine, gesloten kring,
waarin geen storende elementen hun schaduw werpen....
(_Krap komt met brieven en couranten van rechts_).
KRAP. De buitenlandsche post, mijnheer de consul;... en een telegram van
New-York.
BERNICK (_neemt het aan_). Ah, van de reederij ... over de "Indian
Girl".
RUMMEL. Zoo? is de post gekomen? Ja, dan moet ik naar huis.
VIGELAND. Ja, ik ook.
SANDSTAD. Tot weerziens, mijnheer Bernick.
BERNICK. Tot weerziens, heeren. En denkt er aan dat wij van middag om
vijf uur vergadering hebben.
DE DRIE HEEREN. Ja, ja ... zeker ... dat spreekt. (_zij gaan naar rechts
af_).
BERNICK (_die het telegram gelezen heeft_). Neen maar, dát is waarachtig
echt Amerikaansch! Eenvoudig stuitend....
MEVR. BERNICK. Hemel, Karsten, wat is er?
BERNICK. Kijk eens Krap, lees dit eens!
KRAP (_leest_). "Minst mogelijke reparatie; stuur "Indian Girl" terug
zoodra zeilklaar; goed seizoen; drijft desnoods op lading." Nou, ik moet
zeggen....
BERNICK. Drijft op lading! De heeren weten best dat met die lading het
schip zinkt als een baksteen, als er iets gebeurt.
RÖRLUND. Ja, daar kan u nu eens zien, hoe het toegaat in die
veelgeprezen groote maatschappij.
BERNICK. Daar heeft u gelijk in. Zelfs menschenlevens worden niet geteld
zoodra er winst of verlies in het spel is. (_tegen Krap_). Kan de
"Indian Girl" in zee gaan over vier of vijf dagen?
KRAP. Ja, als meneer Vigeland het zoo schikken kan dat het werk op "de
Palmboom" zoolang stilstaat.
BERNICK. Hm; dat zal hij niet doen. Enfin. Wil u misschien de post even
doorzien? Zeg eens, heeft u Olaf niet beneden op den steiger gezien?
KRAP. Neen, mijnheer. (_af in de eerste kamer links_).
BERNICK (_kijkt weer in het telegram_). Acht menschenlevens wagen die
heeren zoo maar kalm-weg er aan....
HILMAR. Och, 't is nu eenmaal het beroep van een zeeman om de elementen
te trotseeren. Daar moet toch iets spannends in zijn, zoo enkel met een
dunne plank tusschen jezelf en den afgrond....
BERNICK. Ja, ik zou den reeder bij ons wel eens willen zien die zich tot
zoo iets leenen zou. Niet één ... geen enkele.... (_krijgt Olaf in het
oog_). Zoo, Goddank dat hij heelhuids weer thuis is. (_Olaf met een
hengel in de hand is de straat opgekomen en komt door de tuindeur
binnen_).
OLAF (_nog in de tuin_). Oom Hilmar, ik ben beneden geweest en heb de
stoomboot gezien.
BERNICK. Ben je nu alweer op den steiger geweest?
OLAF. Neen, ik ben enkel maar met een boot uit geweest. Maar oom, er is
een heel gezelschap kunstrijders aangekomen, met paarden en andere
dieren, en een heele boel passagiers!
MEVR. RUMMEL. Wat? Krijgen we hier heusch kunstrijders te zien?
RÖRLUND. Wij? Dat kan ik toch niet aannemen.
MEVR. RUMMEL. Neen, _wij_ natuurlijk niet ... maar....
DINA. Ik zou ze wel graag zien.
OLAF. Ja, ik ook.
HILMAR. Je bent een lummel. Is daar nu iets aan te zien? Louter
dressuur. Neen, een Gaucho op zijn snuivenden mustang door de pampas te
zien jagen, dat is wat anders! Maar godbewaarme hier in dit nest....
OLAF (_trekt Martha aan haar japon_). Tante Martha, kijk, kijk ... daar
komen ze!
MEVR. HOLT. Hemel ja, daar heb je ze.
MEVR. LYNGE. O foei, die afschuwelijke menschen!
(_Veel reizigers en een heele troep stadsvolk komen de straat langs_).
MEVR. RUMMEL. Ja, dat is je echte kermisvolk. Ziet u die daar, met die
grijze japon, mevrouw Holt; zij draagt den knapzak op haar rug.
MEVR. HOLT. Ja, en ze draagt hem aan haar parasol-stok! Dat is
natuurlijk de vrouw van den directeur.
MEVR. RUMMEL. En daar heb je den directeur zelf, die met dien baard. Hij
ziet er net uit als een roover. Niet kijken, Hilda!
MEVR. HOLT. Jij ook niet, Netta.
OLAF. Mama, de directeur groet ons.
BERNICK. Wat is dàt?
MEVR. BERNICK. Wàt zeg je, kind?
MEVR. RUMMEL. Ja, lieve hemel, daar groet die vrouw ook al!
BERNICK. Neen, dàt is toch te erg!
MARTHA (_onwillekeurig_). Ah....
MEVR. BERNICK. Wat is er, Martha?
MARTHA. Och niets, ik dacht maar....
OLAF (_schreeuwt van plezier_). Kijk, kijk, daar komen de anderen met de
paarden en de andere dieren! En daar heb je de Amerikanen ook! Al die
matrozen van de "Indian Girl".... (_men hoort Yankee-Doodle zingen
begeleid door een klarinet en trommels_).
HILMAR (_houdt zijn ooren dicht_). Oeh, oeh, oeh!
RÖRLUND. Mij dunkt, wij moesten ons een beetje afzonderen, dames; dat is
toch niet iets voor ons. Laat ons weer aan ons werk gaan.
MEVR. BERNICK. Wij konden misschien de gordijnen dicht doen?
RÖRLUND. Ja, dat is juist wat ik bedoelde (_de dames nemen hunne
plaatsen aan de tafel weer in; Rörlund sluit de tuindeur en doet de
gordijnen dicht; het is half-donker in de kamer_).
OLAF (_die uitkijkt_). Ma, nu staat de vrouw van den directeur aan de
fontein haar gezicht te wasschen.
MEVR. BERNICK. Wat? Midden op de markt!
MEVR. RUMMEL. En dat op klaarlichten dag!
HILMAR. Nou, als ik op reis was door de woestijn en een waterput
aantrof, zou ik mij ook niet lang bedenken om.... Au, die vreeselijke
klarinet!
RÖRLUND. 't Zou waarlijk wel noodig zijn dat de politie zich er eens mee
bemoeide.
BERNICK. Och wat; met vreemden moet men dat zoo nauw niet nemen; die
menschen hebben immers niet het aangeboren gevoel van fatsoen, dat ons
binnen de juiste perken houdt. Laat hen maar wat buitensporig doen. Wat
gaat ons dat aan? Al dat ongeregelde gedoe dat in strijd is met fatsoen
en goede zeden, raakt gelukkig onze maatschappij heelemaal niet, als ik
't zoo zeggen mag.... Wat is dàt? (_de vreemde dame komt snel binnen
door de deur rechts_).
DE DAMES (_verschrikt maar zachtjes_). De paardrijdster! De vrouw van de
directeur!
MEVR. BERNICK. Hemel! wat moet dat beteekenen?
MARTHA (_opspringend_). Ah...!
DE DAME. Dag lieve Betty! Dag Martha! Dag zwager!
MEVR. BERNICK (_met een kreet_). Lona...!
BERNICK (_tuimelt achteruit_). Zoo waar ik leef!...
MEVR. HOLT. God zij ons genadig...!
MEVR. RUMMEL. 't Is toch niet mogelijk...!
HILMAR. Nou! Oeh!
MEVR. BERNICK. Lona! Ben je het heusch...?
LONA. Of ik het ben? Ja, bij mijn ziel, ik ben het. Je kunt mij wat dat
betreft gerust om den hals vallen.
HILMAR. Oeh! Oeh!
MEVR. BERNICK. En kom je nu hier als...?
BERNICK. ... en je wilt hier optreden?
LONA. Optreden? Hoezoo optreden?
BERNICK. Ja ... ik bedoel ... met de kunstrijders....
LONA (_hardop lachend_). Hahaha! Ben je niet wijs, zwager? Denk je dat
ik bij de kunstrijders hoor? Neen; ik heb wel allerlei kunsten
uitgehaald en mij dikwijls gek aangesteld....
MEVR. RUMMEL. Hm....
LONA. ... maar kunststukken op een paard heb ik nooit vertoond.
BERNICK. Dus toch niet....
MEVR. BERNICK. O, goddank!
LONA. Neen, wij reisden heusch net als andere fatsoenlijke menschen ...
wel tweede klasse, maar dat zijn wij gewend.
MEVR. BERNICK. _Wij_, zeg je?
BERNICK (_een stap naderbij_). Wie "wij"?
LONA. Ik en mijn kind, natuurlijk.
DE DAMES (_verschrikt_). Haar kind!
HILMAR. Wat!
RÖRLUND. Nu, ik moet zeggen...!
MEVR. BERNICK. Wat bedoel je toch, Lona?
LONA. Ik bedoel natuurlijk John; ik heb geen ander kind dan John, zoover
ik weet,... of Johan, zooals jullie hem noemden....
MEVR. BERNICK. Johan...!
MEVR. RUMMEL (_zachtjes tegen mevr. Lynge_). De beruchte broer!
BERNICK (_weifelend_). Is Johan bij je?
LONA. Zeker, zeker; ik reis nooit zonder hem. Maar jullie ziet er zoo
bedrukt uit. En je zit hier in 't halfdonker en naait aan iets wits....
Er is toch geen sterfgeval in de familie?
RÖRLUND. Mejuffrouw, u bevindt zich hier in de "Vereeniging voor moreel
Verdorvenen"....
LONA (_halfluid_). Wat zegt u? Deze nette deftige dames zouden...?
MEVR. RUMMEL. Neen ... daar is nu toch het eind van weg....
LONA. Och zoo, ja! Begrepen ... begrepen! Maar wat drommel, dat is
mevrouw Rummel! En daar ginds zit mevrouw Holt ook! Nou, we zijn er alle
drie niet jonger op geworden sedert wij elkaar het laatst gezien hebben.
Maar luistert nu eens, lieve menschen, laat nu de moreel-verdorvenen een
dagje wachten; daar worden zij niet slechter van. Een oogenblik van
vreugde als dit....
RÖRLUND. Een terugkeer is niet altijd een oogenblik van vreugde.
LONA. Zoo? Wat leest u dan in uw Bijbel, dominee?
RÖRLUND. Ik ben geen dominee.
LONA. Nou, dan wordt u 't toch zeker wel eens.... Maar foei, foei,...
dat moreele linnengoed heeft zoo'n lucht van bederf ... precies een
lijkwâ. Ik ben gewend aan de lucht van de prairieën zal ik je maar
zeggen.
BERNICK (_veegt zijn voorhoofd af_). Ja, 't is hier waarlijk een beetje
bedompt.
LONA. Wacht maar; we zullen wel uit dien grafkelder naar boven zien te
komen. (_Trekt de gordijnen open_). Het volle daglicht moet hier
invallen als de jongen komt. Dan zal je eens een jongen zien die zich
gewasschen heeft.
HILMAR. Oeh!
LONA (_zet deur en ramen open_) ... ja, dat is te zeggen, wanneer hij
zich gewasschen zal hebben in het hôtel. Want op de boot werd hij zoo
smerig als een varken.
HILMAR. Oeh! Oeh!
LONA. Oeh? Ja, waarachtig, is dat niet...? (_wijst op Hilmar en vraagt
aan de anderen_). Boemelt hij nog altijd hier rond zonder iets anders te
doen dan oeh! te zeggen?
HILMAR. Ik boemel niet rond; ik moet beweging nemen omdat ik lijdend
ben.
RÖRLUND. Nu dames, ik geloof niet....
LONA (_die Olaf in het oog gekregen heeft_). Is dat jouw jongen,
Betty?... Geef mij een poot, vent! Of ben je misschien bang voor je oude
leelijke tante?
RÖRLUND (_zijn boek onder den arm nemend_). Dames, ik geloof niet, dat
er meer stemming is voor ons, om verder te arbeiden van daag. Maar
morgen zullen wij immers weer samenkomen?
LONA (_terwijl de vreemde dames opstaan om afscheid te nemen_). Wel ja,
laat ons dat doen. Ik zal present zijn.
RÖRLUND. _U_? Met verlof, juffrouw, wat wil _u_ in _onze_ vereeniging?
LONA. Ik wil een beetje versche lucht binnen laten, dominee.
EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF.
[Illustratie: De Heer C. de Vos als consul Bernick in De steunpilaren
der Maatschappij]
* * * * *
TWEEDE BEDRIJF
Tuinkamer in Consul Bernick's huis.
Mevrouw Bernick zit alleen aan de groote tafel met haar naaiwerk.
Even later komt de heer Bernick van rechts met zijn hoed op het
hoofd; handschoenen en stok in de hand.
* * * * *
MEVR. BERNICK. Zoo, ben je al terug, Karsten?
BERNICK. Ja, ik heb iemand ontboden.
MEVR. BERNICK (_zuchtend_). Och ja, Johan zal zeker wel weer hier komen.
BERNICK. 't Is een man, zeg ik. (_zet zijn hoed af_). Waar blijven al de
dames van daag?
MEVR. BERNICK. Mevrouw Rummel en Hilda hadden geen tijd.
BERNICK. Zoo? Afgezegd?
MEVR. BERNICK. Ja, ze hadden thuis zooveel te doen.
BERNICK. Begrepen. En de anderen komen natuurlijk ook niet?
MEVR. BERNICK. Neen, die hebben ook verhindering van daag.
BERNICK. Dat had ik je wel vooruit kunnen vertellen. Waar is Olaf?
MEVR. BERNICK. Ik heb hem een beetje met Dina laten uitgaan.
BERNICK. Hm; Dina, dat lichtzinnige schepsel.... Om het gisteren
dadelijk zoo druk aan te leggen met Johan...!
MEVR. BERNICK. Maar, man-lief, Dina weet immers heelemaal niet....
BERNICK. Nou, maar dan moest Johan in elk geval takt genoeg gehad hebben
om geen bizondere notitie van haar te nemen. Ik zag heel goed wat voor
oogen Vigeland opzette.
MEVR. BERNICK (_met haar naaiwerk op haar schoot_). Karsten, begrijp jij
wat ze hier eigenlijk komen doen?
BERNICK. Hm; hij heeft immers daarginder een "farm", waar het nog niet
zoo heel goed mee gaat; en _zij_ vertelde gisteren dat zij tweede klasse
reizen moeten....
MEVR. BERNICK. Ja, helaas, zoo iets moet het wel zijn. Maar dat _zij_
meegekomen is! Zij! Na de doodelijke beleediging die zij je heeft
aangedaan....
BERNICK. Och, denk toch niet meer aan die oude geschiedenissen.
MEVR. BERNICK. Hoe kan ik tegenwoordig aan iets anders denken? Hij is
toch mijn broer;... och, het is niet om hèm, maar al de onaangenaamheden
die jij daardoor ondervinden kunt.... Karsten, ik ben zoo doodelijk bang
dat....
BERNICK. Waarvoor ben je bang?
MEVR. BERNICK. Kunnen zij hem niet in de gevangenis zetten, voor het
geld dat je moeder ontstolen werd?
BERNICK. Och wat, malligheid! Wie kan bewijzen dat er geld ontvreemd
werd?
MEVR. BERNICK. Och God, dat weet immers de heele stad; en je hebt het
zelf gezegd....
BERNICK. Ik heb niets gezegd. De stad weet niets van die zaken af; dat
waren allemaal maar losse praatjes.
MEVR. BERNICK. O wat sta jij toch hoog, Karsten!
BERNICK. Laat die oude herinneringen toch rusten, zeg ik je! Je weet
niet hoe je me pijnigt met dat alles weer op te halen (_hij loopt op en
neer in de kamer ... dan gooit hij zijn stok weg_). Dat ze juist nù
moesten terugkomen ... nu ik juist in de stad en in de couranten een
onvermengd zuivere stemming jegens mij noodig heb. Er zullen in de
bladen van de omliggende plaatsen berichten over geschreven worden. Of
ik hen goed of slecht opgenomen heb ... over het een zal net zooveel
gekletst en geleuterd worden als over het ander. Ze zullen dien ouden
boel weer oprakelen,... net als jij doet. In een wereldje als het onze
... (_gooit zijn handschoenen op de tafel_). En geen enkel mensch heb ik
met wien ik praten kan of bij wien ik steun vinden kan.
MEVR. BERNICK. Heelemaal niemand, Karsten?
BERNICK. Neen ... ik zou niet weten wie. Dat ze mij nu juist op mijn dak
gestuurd zijn! Het is buiten kwestie dat ze niet op de een of andere
manier schandaal zullen maken ... vooral zij! 't Is me toch een ongeluk
zulke menschen in je familie te hebben!
MEVR. BERNICK. Ik kan het toch niet helpen dat....
BERNICK. Wat kan je niet helpen? Dat ze familie van je zijn? Neen, dat
is een heel waar woord.
MEVR. BERNICK. En ik heb hen ook niet verzocht om terug te komen.
BERNICK. Jawel! Daar hebben wij het! ik heb hen niet verzocht om terug
te komen; ik heb hun niet geschreven; ik heb hen niet bij de haren
hierheen gehaald...! O, dat heele liedje ken ik al van buiten!
MEVR. BERNICK (_barst in tranen uit_). Wat ben je vreeselijk
onaardig!...
BERNICK. Juist, zoo is 't goed; ga nou maar grienen, dat de heele stad
ook dáárover kletsen kan. Schei uit met die aanstellerij, Betty! Ga
buiten zitten; hier kan licht iemand komen. Moeten ze soms mevrouw met
rood-behuilde oogen zien zitten? Jawel, dat zou iets heerlijks zijn als
het onder de menschen kwam dat.... Wacht, daar hoor ik iemand in de gang
(_er wordt geklopt_). Binnen! (_Mevrouw gaat de tuintrap af met haar
naaiwerk. Aune komt van rechts binnen_).
AUNE. Goeden dag, meneer Bernick.
BERNICK. Goeden dag. Wel, je kunt zeker wel nagaan wat ik je te zeggen
heb, hè?
AUNE. Meneer Krap zei mij gisteren dat meneer de consul niet tevreden
was over....
BERNICK. Ik ben ontevreden over den heelen toestand op de werf, Aune. Je
schiet niets op met de reparaties. "De Palmboom" had al lang onder zeil
moeten zijn. Mijnheer Vigeland komt hier iederen dag er over zaniken;
hij is een lastige man om mee samen te werken.
AUNE. "De Palmboom" kan overmorgen in zee gaan.
BERNICK. Zoo, eindelijk. Maar die Amerikaan, de "Indian Girl," die hier
nu al vijf weken ligt en....
AUNE. De Amerikaan? Ik had begrepen dat wij in de eerste plaats al onze
krachten zouden wijden aan uw eigen schip.
BERNICK. Ik heb je toch geen aanleiding gegeven om dat te denken. Met
den Amerikaan moet ook zooveel mogelijk voortgemaakt worden, maar dat
gebeurt niet.
AUNE. De bodem van die schuit is door en door verrot, meneer; hoe meer
wij er aan lappen, hoe erger het wordt.
BERNICK. Dat is niet de ware reden. Mijnheer Krap heeft mij gezegd wat
de eigenlijke reden is. Je kunt niet overweg met de nieuwe machines die
ik heb aangeschaft,... of liever, je _wilt_ er niet mee werken.
AUNE. Meneer Bernick, ik ben nu al diep in de vijftig; van jongsaf ben
ik gewoon geweest op de oude manier te werken....
BERNICK. Daar kunnen wij het tegenwoordig niet meer mee doen. Je moet
niet denken, Aune, dat het mij te doen is om het grootere voordeel; dat
heb ik gelukkig niet noodig; maar ik moet rekening houden met de
maatschappij waarin ik leef, en met de zaak waarvan ik aan het hoofd
sta. 't Is van mij dat de vooruitgang moet uitgaan, anders komt er nooit
iets tot stand.
AUNE. Ik ben ook zeer voor vooruitgang, meneer.
BERNICK. Ja, voor je eigen kleinen kring, voor den werkmansstand. O, ik
ben wel op de hoogte van je drijven; je houdt toespraken; je stookt de
menschen op; maar als het er op aan komt iets nieuws aan te pakken,
zooals nu met onze machines, dan wil je er niet aan meedoen, dan wordt
je bang.
AUNE. Ja, ik word nèt bang, meneer Bernick. Ik word bang voor velen wie
de machines het brood uit den mond nemen. Meneer de consul spreekt zoo
dikwijls van rekening houden met de maatschappij, maar ik geloof dat de
maatschappij toch ook wel haar plichten heeft. Hoe durven de wetenschap
en het kapitaal het wagen die nieuwe uitvindingen in te voeren, vóór de
maatschappij een geslacht heeft opgekweekt dat ze weet te gebruiken?
BERNICK. Je leest en denkt te veel, Aune; dat doet je geen goed;
daardoor wordt je ontevreden met je stand.
AUNE. Neen meneer, dat is het niet; maar ik kan het niet aanzien dat de
eene brave werkman na den andere wordt weggezonden en broodeloos gemaakt
om die machines.
BERNICK. Hm; toen de boekdrukkunst werd uitgevonden, werden er ook heel
wat schrijvers broodeloos gemaakt.
AUNE. Zou meneer zich over die kunst zoo verheugd hebben, als hij toen
een schrijver was geweest?
BERNICK. Ik heb je niet laten komen om met je te redetwisten. Ik heb je
laten roepen om je te zeggen dat de in reparatie liggende "Indian Girl"
klaar moet zijn om overmorgen uit te zeilen.
AUNE. Maar, meneer....
BERNICK. Overmorgen, hoor je, gelijk met ons eigen schip; geen uur
later. Ik heb goede redenen om daar achter heen te zitten. Heb je van
ochtend de courant gelezen? Zoo; dan weet je ook dat de Amerikanen weer
opstootjes gemaakt hebben. Die bandelooze troep zet de heele stad
overeind; er gaat geen nacht om dat er niet gevochten wordt in de
herbergen en op straat; van andere gemeene dingen spreek ik nu maar
niet.
AUNE. Ja, het is gemeen volk, dat is zeker.
BERNICK. En wie krijgt de schuld van dat alles? Ik natuurlijk. Ja, op
mij wordt er over gescholden. De krantenschrijvers schimpen er in
bedekte termen op, dat wij al onze werkkracht aan "de Palmboom"
besteden. Ik, op wie de taak rust, door mijn voorbeeld invloed uit te
oefenen op mijn medeburgers, ik moet mij zulke dingen onder den neus
laten wrijven. Dat duld ik niet. Ik ben er niet van gediend dat mijn
naam op die manier beklad wordt.
AUNE. O, meneer's naam is zoo best ... die kan daar wel tegen ... en nog
wel tegen veel meer!
BERNICK. Nù niet. Juist tegenwoordig heb ik alle achting en
welwillendheid, die mijn medeburgers mij schenken willen, zeer noodig.
Ik heb, zooals je misschien al gehoord hebt, plannen voor een groote
onderneming; maar gelukt het slecht-gezinde menschen het onbepaalde
vertrouwen in mij aan het wankelen te brengen, dan kunnen daaruit voor
mij de grootste moeilijkheden voortkomen. Daarom wil ik, het koste wat
het wil, de kwaadaardige en lasterende krantenschrijvers geen vat op mij
geven, en daarom heb ik de termijn op overmorgen bepaald.
AUNE. Meneer de consul, u zou evengoed de termijn op van middag kunnen
bepalen.
BERNICK. Je bedoelt dat ik iets onmogelijks verlang?
AUNE. Ja, met het aantal werklui, waarover wij nu kunnen beschikken....
BERNICK. Goed ... best;... dan zullen wij ons van elders voorzien.
AUNE. Wil u waarlijk nog meer van onze oude werklui ontslaan?
BERNICK. Neen, daar denk ik niet over.
AUNE. Want ik geloof zeker dat het kwaad bloed zetten zou, zoowel in de
stad als in de kranten, als u dat deed.
BERNICK. Dat 's niet onmogelijk. Daarom zullen wij het dan ook niet
doen. Maar, als de "Indian Girl" overmorgen niet zeilklaar is, dan
ontsla ik jou.
AUNE (_met een schok_). Mij! (_hij lacht_). Dat zeit meneer toch zeker
maar voor de grap.
BERNICK. Daar zou ik maar niet te veel op vertrouwen, als ik jou was.
AUNE. Zou u er waarlijk over denken om _mij_ weg te zenden? Mij, terwijl
mijn vader en mijn grootvader hun leven lang op de werf gediend hebben,
en ik zelf ook....
BERNICK. En wie is het, die er mij toe noodzaakt?
AUNE. U verlangt het onmogelijke, meneer.
BERNICK. O, met wat goeden wil is niets onmogelijk. Ja of neen; geef mij
een bepaald antwoord, of ik ontsla je op slag.
AUNE (_een stap nader_). Meneer de consul, heeft u goed bedacht wat het
beteekent, een oud werkman te ontslaan? U denkt, dan moet hij maar wat
anders zoeken. O ja, dat kan hij ook wel; maar is het daarmee afgedaan?
U moest er eens bij zijn, in het huis van zoo'n weggestuurden werkman,
als hij 's avonds thuiskomt en zijn gereedschapskist binnen zijn deur
zet.
BERNICK. Denk je dat ik zoo maar luchthartig-weg laat gaan? Ben ik niet
altijd een goede patroon geweest?
AUNE. Des te erger, meneer. Juist daarom zullen ze thuis niet _u_ de
schuld geven; zij zullen er mij niet over aanspreken, want dat durven
zij niet; maar ze zullen naar me kijken als ik het niet merk, en denken:
dat zal zeker wel verdiend zijn. En ziet u, dàt,--dat kan ik niet
verdragen. Al ben ik maar een burgerman, toch ben ik altijd gewend
geweest thuis nommer één te zijn. Mijn eenvoudig thuis is ook een
maatschappij in het klein, meneer. Die kleine maatschappij heb ik kunnen
steunen en er boven op houden, omdat mijn vrouw in mij geloofde en mijn
kinderen in mij geloofd hebben. En nu moet dat alles in duigen vallen.
BERNICK. Ja, als het niet anders kan, dan moet het mindere voor het
meerdere wijken; het bizondere moet in Gods naam voor het algemeene
opgeofferd worden. Anders weet ik je niet te antwoorden, en het gaat ook
niet anders toe in de wereld. Maar je bent een koppige kerel, Aune! Je
verzet je tegen mij, niet omdat je niet anders kunt, maar omdat je niet
wilt erkennen, dat machinewerk boven handenarbeid staat.
AUNE. En u houdt er juist zoo aan vast, omdat u weet, dat u de pers
althans uw goeden wil toont, als u mij weg jaagt.
BERNICK. En al was dat zoo? Je hoort immers wat er voor mij aan vast is
... of de pers mij aanvalt of welwillend voor mij gestemd wordt op een
oogenblik dat ik voor een groote zaak van algemeen belang werkzaam ben.
Zeg zelf: kan ik dan anders handelen dan ik doe? Ik kan je zeggen, het
is een kwestie van òf jouw thuis staande te houden, zooals je het noemt,
òf misschien honderden te beletten zich een eigen thuis te maken, een
eigen haard te bezitten, indien het mij niet gelukt dàt door te zetten,
waar ik nu voor werk. Daarom is het dat ik je voor de keus stel.
AUNE. Ja ... als de zaken zoo staan, dan heb ik niets meer te zeggen.
BERNICK. Hm;... mijn waarde Aune, het doet mij oprecht leed dat wij nu
van elkaar moeten gaan.
AUNE. Wij zullen niet van elkaar gaan, meneer.
BERNICK. Hoezoo?
AUNE. Een eenvoudig man heeft ook iets hoog te houden in de wereld.
BERNICK. Zeker,... zeker...; en je denkt dus te kunnen beloven...?
AUNE. De "Indian Girl" kan overmorgen uitgaan.
(_Hij groet en gaat af naar rechts_).
BERNICK. Ziezoo! Dien stijfkop heb ik dan toch doen buigen. Dat neem ik
als een goed voorteeken aan....
(_Hilmar, met een sigaar in den mond, komt door de tuindeur op_).
HILMAR (_op de trap_). Dag Betty! Dag Bernick!
MEVR. BERNICK. Goeden dag.
HILMAR. Zoo, jij hebt gehuild, zie ik. Je weet 't dus zeker al?
MEVR. BERNICK. Wàt weet ik al?
HILMAR. Dat het schandaal in vollen gang is? Oeh!
BERNICK. Wat beteekent dat?
HILMAR (_binnenkomend_). Jawel, de twee Amerikanen loopen de stad rond
en vertoonen zich in de straten in gezelschap van Dina Dorf.
MEVR. BERNICK (_loopt hem na_). Maar Hilmar, dat kan toch niet waar
zijn...?
HILMAR. Jawel, het is helaas volkomen waar. Lona was daarbij nog zoo
taktloos om mij aan te roepen; maar ik deed natuurlijk alsof ik het niet
hoorde.
BERNICK. En dat is zeker niet onopgemerkt gebeurd?
HILMAR. Neen, dat kan je begrijpen. De menschen stonden stil om hen na
te kijken. 't Leek wel als een loopend vuurtje door de stad te zijn
gegaan ... ongeveer zooals een brand in de prairieën in het verre
Westen. In alle huizen stonden de menschen te wachten voor de ramen tot
de optocht voorbij zou komen; hoofd aan hoofd achter de gordijnen ...
oeh! Ja, je moet me niet kwalijk nemen, Betty, dat ik oeh! zeg, want dat
alles maakt me zenuwachtig;... als dat nog lang duren moet, dan zal ik
genoodzaakt zijn plannen te maken om een tijdlang op reis te gaan.
MEVR. BERNICK. Maar je hadt hem toch liever eens moeten toespreken en
hem onder het oog brengen....
HILMAR. In 't publiek? Op straat? Neen ... dat moet je me niet kwalijk
nemen. Maar dat die man zich hier nog in de stad durft vertoonen! Nou,
we zullen eens zien of de pers er niet een stokje voor steken kan. Ja,
neem me niet kwalijk, Betty, maar....
BERNICK. De pers, zeg je? Heb je dan al iets van dien aard gehoord?
HILMAR. Jawel, er hangt wel zoo iets in de lucht. Toen ik gisteren avond
van je weg ging, liep ik nog even binnen in de societeit, om beter te
kunnen slapen. Ik merkte best aan de stilte die ontstond, dat er over de
twee Amerikanen gesproken was. Daar komt die onbeschaamde kerel, Hammer,
de redacteur, binnen en feliciteert mij hardop met de terugkomst van
mijn rijken neef.
BERNICK. Rijken...?
HILMAR. Ja, dat zei hij. Ik keek hem eens goed van onderen naar boven
aan en gaf hem te verstaan dat ik niets wist van Johan Tönnesen's
rijkdom. "Zoo," zei hij, "dat is toch vreemd; in Amerika maken de
menschen toch gewoonlijk fortuin als zij iets hebben om mee te beginnen,
en uw neef ging immers niet met lege handen weg."
BERNICK. Hm; doe mij nu een plezier....
MEVR. BERNICK (_bezorgd_). Nu, zie je toch eens Karsten....
HILMAR. Ja, mij heeft hij alvast een slapeloozen nacht bezorgd. En dan
loopt hij daar door de straten met een gezicht alsof er nooit iets met
hem gebeurd was. Waarom bleef hij nu maar niet voor goed weg? Sommige
menschen zijn toch ook zoo onuitstaanbaar taai!
MEVR. BERNICK. Maar Hilmar, wat zeg je dáár nu!
HILMAR. O, niemendal. Maar zoo'n kerel ontkomt daar heelhuids aan
treinongelukken, Californische beren en Zwart-Voet Indianen, ja is zelfs
niet eens gescalpeerd.... Oeh! daar heb je ze!
BERNICK (_kijkt de straat op_). Olaf is er ook bij!
HILMAR. Ja natuurlijk; ze willen de menschen laten zien dat ze tot de
eerste familie van de stad behooren. Kijk, kijk, daar komen al de
dagdieven uit de apotheek om ze aan te gapen en het hunne er van te
zeggen. Dat is heusch te veel voor mijn zenuwen; hoe een man onder zulke
omstandigheden de vaan der idee hoog houden moet, dat....
BERNICK. Zij komen hier naar toe. Hoor eens Betty, het is mijn
uitdrukkelijk verlangen dat je ze zoo vriendelijk mogelijk bejegent.
MEVR. BERNICK. Mag ik dat doen, Karsten?
BERNICK. Ja zeker; zeker; en jij ook, Hilmar. Zij zullen hier, hoop ik,
niet zoo heel lang blijven; en als wij onder elkaar zijn geen
toespelingen alsjeblieft; wij mogen hen op geen manier kwetsen.
MEVR. BERNICK. O Karsten, wat ben jij toch grootmoedig.
BERNICK. Nu ja ... nu ja ... 't is goed.
MEVR. BERNICK. Neen, laat mij je danken; en vergeef mij dat ik daar
straks zoo driftig was. O, je hadt immers alle reden om....
BERNICK. 't Is goed; 't is goed ... laat dat nu maar rusten!
HILMAR. Oeh!
(_Johan Tönnesen en Dina, daar achter Lona Hessel en Olaf, komen den
tuin door_).
LONA. Goeden dag, goeden dag, lieve menschen!
JOHAN. Wij zijn er op uit geweest en hebben al de oude plekjes eens
opgezocht, Karsten.
BERNICK. Ja, dat hoor ik. Heel wat veranderingen, niet waar?
LONA. Consul Bernick's groote en goede daden overal. Wij zijn boven in
het plantsoen geweest dat jij de stad cadeau gedaan hebt.
BERNICK. Zoo? Daar?
LONA. "Geschenk van Karsten Bernick," zooals er boven den ingang staat.
Ja, jij bent hier wel de Groote Piet.
JOHAN. En prachtige schepen heb je ook. Ik ontmoette den kapitein van
"de Palmboom", een ouden schoolkameraad van me....
LONA. En een nieuw schoolgebouw heb je ook laten zetten; en de
gasleiding en ook de waterleiding hebben ze aan jou te danken, hoor ik.
BERNICK. Nu, men moet toch wàt doen voor de maatschappij waarin men
leeft.
LONA. Ja, dat is flink, Bernick. Maar het is ook verblijdend om te zien
hoe trotsch de menschen op je zijn. Ik ben niet ijdel, geloof ik; maar
ik kon toch niet nalaten om sommige menschen met wie wij praatten, te
laten hooren dat wij familie waren.
HILMAR. Oeh!
LONA. Zeg jij daar oeh! voor?
HILMAR. Neen, ik zeg hm....
LONA. Nou, ga jij je gang maar, sukkel! Maar ben jullie van daag zoo
heel alleen?
MEVR. BERNICK. Ja, van daag zijn wij alleen.
LONA. O, we ontmoetten zoowaar een paar van die "moreelen" op de markt;
zij deden of zij het ijselijk druk hadden. Maar we hebben nog heelemaal
niet eens samen kunnen praten. Gisteren waren eerst die drie
spoorwegmannen hier, en toen kwam die dominee....
HILMAR. Hulpprediker....
LONA. _Ik_ noem hem dominee. Maar wat zeg jullie nu wel van _mijn_ werk
in deze vijftien jaar? Is hij niet een flinke kerel geworden? Wie zou
den wildzang nog herkennen die van hier wegliep?
HILMAR. Hm...!
JOHAN. Zeg, Lona, bluf nou maar niet te veel.
LONA. Ja, ik ben daar nu echt trotsch op. Lieve Hemel, dat is het eenige
wat ik uitgevoerd heb in de wereld; maar dat geeft mij toch wel een
beetje recht van bestaan. Ja, Johan, zeg, als wij daaraan terug denken
hoe wij tweeën daarginder begonnen met onze vier leege klavieren....
HILMAR. Handen.
LONA. Ik zeg klavieren, want smerig waren ze.
HILMAR. Oeh!
LONA. En leeg waren ze ook.
HILMAR. Leeg? Nou ik moet zeggen...!
LONA. Wat moet je zeggen?
BERNICK. Hm!
HILMAR. Ik moet zeggen ... oeh! (_gaat de tuintrap af_).
LONA. Wat mankeert die vent?
BERNICK. Och, stoor je maar niet aan hem; hij is een beetje zenuwachtig
tegenwoordig. Maar wil je den tuin niet eens zien? Daar ben je nog niet
geweest, en ik heb nu nog een uurtje vrij.
LONA. Ja, heel graag; je kunt denken dat ik genoeg met mijn gedachten
hier in den tuin bij jullie ben geweest.
MEVR. BERNICK. Daar is ook veel veranderd, dat zal je zien.
(_Bernick, Mevr. Bernick en Lona gaan den tuin in, waar men hen af en
toe ziet gedurende het volgende_).
OLAF (_in den tuindeur_). Oom Hilmar, weet u wat oom Johan mij vroeg?
Hij vroeg of ik met hem mee wou gaan naar Amerika.
HILMAR. Jij, zoo'n lummel die hier aan je moeders rokken hangt....
OLAF. Maar dat wil ik nu ook niet langer. U zal eens zien als ik groot
ben....
HILMAR. Nonsens; jij hebt geen aanleg in je voor dat stalende dat er
gelegen is in.... (_zij gaan den tuin in_).
JOHAN (_tegen Dina die haar hoed heeft afgezet en in de deur rechts
staat, terwijl zij het stof van haar japon schudt_). U heeft het knapjes
warm gekregen van de wandeling.
DINA. Ja; het was een heerlijke wandeling. Zoo'n heerlijke wandeling heb
ik nog nooit gemaakt.
JOHAN. U wandelt misschien niet dikwijls zoo in den voormiddag?
DINA. Jawel, maar enkel met Olaf.
JOHAN. Zoo.... U heeft misschien ook lust om in den tuin te gaan, of
blijft u liever hier?
DINA. Neen, ik heb veel meer lust om hier te blijven.
JOHAN. Ik ook. En dat is dus afgesproken, dat ik u iederen ochtend kom
afhalen om te wandelen.
DINA. Neen, mijnheer Tönnesen, dat moet u niet doen.
JOHAN. Waarom niet? U heeft het toch beloofd.
DINA. Jawel; maar nu ik er over nadenk ... neen, u moet niet met mij
uitgaan.
JOHAN. Maar waarom dan toch niet?
DINA. U is hier vreemd; u begrijpt dat niet; maar ik zal u zeggen....
JOHAN. Wel?
DINA. Och neen ... ik spreek er liever niet over.
JOHAN. O, tegen mij kan u gerust over alles spreken wat u wil.
DINA. Dan zal ik het u zeggen: ik ben niet zooals andere jonge meisjes;
er is iets ... er is iets bizonders met mij. Daarom moet u het niet
doen.
JOHAN. Daar begrijp ik heelemaal niets van. U heeft toch niets misdaan?
DINA. Neen, ik niet, maar ... ik kan er niets meer van zeggen. U komt
het wel te weten door de anderen.
JOHAN. Hm.
DINA. Maar er was nog iets anders dat ik u graag vragen zou.
JOHAN. En wat is dat dan?
DINA. In Amerika is het immers zoo gemakkelijk om een betrekking te
krijgen?
JOHAN. Nou, zoo heel gemakkelijk is het nu altijd niet; in het begin
moet je dikwijls heel wat uitstaan en hard werken.
DINA. Daar zou ik ook niet tegen opzien....
JOHAN. U?
DINA. Ik kan wel werken; ik ben gezond en sterk, en tante Martha heeft
mij van alles geleerd.
JOHAN. Maar, wat drommel, ga dan met ons mee!
DINA. Och, nu maakt u maar gekheid; dat heeft u tegen Olaf ook gezegd.
Maar wat ik eigenlijk wilde weten is, of de menschen daarginder erg ...
erg braaf zijn?
JOHAN. Braaf?
DINA. Ja, ik bedoel of ze ook zoo fatsoenlijk en in den vorm zijn, als
hier?
JOHAN. Nou, ze zijn in elk geval niet zoo slecht als ze hier denken.
Daar hoeft u niet bang voor te zijn.
DINA. U begrijpt mij niet. Ik zou juist willen dat ze niet zoo
fatsoenlijk en braaf waren.
JOHAN. Niet? En hoe moeten ze dan zijn?
DINA. Ik zou willen dat ze natuurlijk waren.
JOHAN. Jawel, jawel, dat zijn ze misschien juist wel.
DINA. Dan zou het goed voor mij zijn om er heen te gaan.
JOHAN. Welzeker, en daarom moet u met ons meegaan.
DINA. Neen, met u ga ik niet mee; ik moet alleen gaan. O, ik zou het nog
wel tot iets kunnen brengen; ik zou wel flink worden....
BERNICK (_beneden aan de tuintrap bij de beide dames_). Blijf maar,
blijf; ik zal het wel halen, Betty-lief. Je zoudt licht kou kunnen
vatten. (_Hij komt de kamer binnen en zoekt naar een châle_).
MEVR. BERNICK (_in den tuin_). Jij moet ook meegaan, Johan. Wij gaan
naar de grot.
BERNICK. Neen, Johan moet nu eens hier blijven! Hier, Dina, neem jij de
châle mee van mijn vrouw en ga met haar meer. Johan blijft bij mij,
Betty-lief. Ik moet nog eens het een-en-ander hooren over de toestanden
daarginder.
MEVR. BERNICK. Goed! Maar kom gauw weer bij ons; je weet waar wij te
vinden zijn. (_Mevr. Bernick, Lona en Dina gaan door den tuin links
af_).
BERNICK (_kijkt hen een oogenblik na, gaat dan de verste deur links
sluiten; dan gaat hij naar Johan toe, grijpt zijn beide handen die hij
schudt en drukt_). Johan, nu zijn wij alleen: laat mij je nu eens
danken.
JOHAN. Ach wat!
BERNICK. Mijn huis en haard, mijn huiselijk geluk, mijn heele positie in
de maatschappij ... heb ik aan jou te danken.
JOHAN. Wel, dat doet mij plezier, beste Karsten, dan is er toch nog iets
goeds uit die gekke geschiedenis voortgekomen.
BERNICK (_schudt hem opnieuw de hand_). Toch dank, dank, en nogmaals
dank! Niet één uit de tienduizend zou gedaan hebben wat jij toen voor
mij deedt.
JOHAN. 't Is ook wat! Waren we niet allebei jong en loszinnig? Een van
ons beiden moest de schuld toch op zich nemen....
BERNICK. Maar wie was daar nader aan toe dan de schuldige zelf?
JOHAN. Stop! Toen was de onschuldige er nader aan toe. Ik was immers
heelemaal vrij en ouderloos. En 't was een waar geluk om van die
kantoor-slavernij af te komen. Maar jij hadt je oude moeder nog, en
daarbij was je net stil geëngageerd met Betty, die zoo veel van je
hield. Wat zou ze begonnen hebben als ze te weten was gekomen...?
BERNICK. Zeker ... zeker ... alles waar, maar....
JOHAN. En was het niet juist om Betty dat je een eind ging maken aan dat
scharrelpartijtje met madam Dorf? 't Was immers daarom dat je bij haar
boven was dien avond....
BERNICK. Ja, die onzalige avond, toen die dronken kerel thuiskwam...!
Ja, Johan, dat was om Betty; maar toch ... dat je zoo grootmoedig den
schijn tegen je zelf keerde en weg ging....
JOHAN. Heb maar geen gewetensbezwaren, beste kerel. We waren het er
immers over eens dat het zoo zijn zou; je _moest_ gered worden, en je
was immers mijn vriend. Ja, op die vriendschap was ik wat trotsch! Ik
liep hier rond als een gewoon huisbakken inlander; en toen kwam jij
terug, elegant en voornaam, van je groote buitenlandsche reis. Je was in
Parijs en in Londen geweest. En toen koos je mij tot intiemen vriend,
hoewel ik vier jaar jonger was dan jij;... nou ja, dat was omdat jij
Betty het hof maakte, dat begrijp ik nu wel. Maar wat was ik daar
trotsch op! En wie zou dat niet geweest zijn? Wie zou zich niet graag
voor je opgeofferd hebben; vooral omdat er toch niet meer aan vast was
dan een maand lang wat kletspraatjes in de stad, en ik meteen de wijde
wereld kon intrekken.
BERNICK. Hm; mijn beste Johan, ik moet je eerlijk zeggen, dat die
geschiedenis nog niet zoo heelemaal vergeten is.
JOHAN. Zoo? Niet? Nou wat raakt mij dat, als ik weer daarginder op mijn
farm zit....
BERNICK. Dus je gaat weer terug?
JOHAN. Ja, stellig.
BERNICK. Maar toch niet zoo heel gauw, hoop ik?
JOHAN. Zoo gauw mogelijk. Ik ben alleen maar meegekomen om Lona plezier
te doen.
BERNICK. Zoo? Om Lona?
JOHAN. Ja, zie je, Lona is niet jong meer, en in den laatsten tijd begon
het verlangen naar haar eigen land haar te kwellen; maar zij wou het
nooit bekennen. (_Glimlachend_). Hoe zou zij zoo'n lichtzinnig wezen
durven achterlaten, dat zich, toen hij negentien jaar oud was al had
afgegeven met....
BERNICK. En...?
JOHAN. Ja, Karsten, nu moet ik je iets biechten, waarover ik me schaam.
BERNICK. Je hebt haar toch niet verteld hoe de zaak in elkaar zit?
JOHAN. Ja, dat heb ik wel. Het was verkeerd van mij maar ik kon niet
anders. Je kunt je niet voorstellen wat Lona voor mij geweest is. Jij
hebt haar nooit goed kunnen uitstaan, maar voor mij is ze als een moeder
geweest. In de eerste jaren, toen wij het zoo spaansch hadden
daarginder, wat heeft ze toen niet gewerkt. En toen ik langen tijd ziek
lag en niets kon verdienen, en het ook niet kon verhinderen, toen is zij
liederen gaan zingen in café's, voordrachten gaan houden, waar de
menschen om lachten; en toen heeft ze een boek geschreven waar zij
naderhand om gelachen en geschreid heeft,... allemaal om mij in leven te
houden. Daarom kon ik het niet langer aanzien hoe zij van den winter
verteerde van heimwee, zij, die gezwoegd en geslaafd had voor mij! Neen,
dat kon ik niet, Karsten. En daarom zei ik: ga terug Lona, je hoeft voor
mij niet bang te zijn; ik ben niet zoo lichtzinnig als je denkt. En zoo
... zoo kwam zij het te weten.
BERNICK. En hoe nam zij het op?
JOHAN. Nou, ze vond, wat ook waar was, dat als ik wist niets misdaan te
hebben, ik er ook niets tegen hebben kon de reis mee te maken. Maar wees
gerust, Lona verklapt niets, en ik zal ook nu wel weer mijn mond houden.
BERNICK. Ja ... ja ... daar vertrouw ik ook op.
JOHAN. Daar heb je mijn hand er op. En nu zullen wij niet meer spreken
over die oude geschiedenis; gelukkig is dat de eenige dolle streek,
zoover ik weet, die een van ons heeft uitgehaald. Nu wil ik van de
enkele dagen dat ik hier ben ten volle genieten. Je weet niet wat een
heerlijke wandeling wij van morgen gemaakt hebben. Wie zou gedacht
hebben dat die kleine dreumes, die hier rondliep en voor engeltje
speelde op het tooneel...! Maar zeg toch eens,... hoe is het toen verder
met haar ouders afgeloopen?
BERNICK. Och, ik weet er niet meer van te vertellen dan ik je schreef
kort nadat je weg was. Je hebt immers die twee brieven wel gekregen?
JOHAN. Jawel; jawel; ik heb ze nog allebei. Die dronkenlap liep immers
van haar weg?
BERNICK. En is later in de jenever gestikt.
JOHAN. Zij stierf immers ook kort daarop? Maar jij hebt zeker alles voor
haar gedaan wat je in stilte doen kon?
BERNICK. Zij was trotsch; zij heeft nooit iets verraden en ze wilde
niets aannemen.
JOHAN. 't Is in elke geval goed dat je Dina in huis genomen hebt.
BERNICK. Ja, maar het is eigenlijk Martha geweest die dat heeft
doorgedreven.
JOHAN. Zoo was dat Martha's werk? Ja, Martha ... dat is waar ook ...
waar zit die toch van daag?
BERNICK. O, _die_,... als die niet aan 't les geven is op school, dan
is ze bij haar zieken.
JOHAN. Dus Martha heeft zich met haar bezig gehouden.
BERNICK. Ja, Martha heeft altijd een zeker zwakje gehad voor alles wat
opvoeding is. Daarom heeft zij ook een betrekking aan de volksschool
aangenomen. Dat was een groote dwaasheid van haar.
JOHAN. Ja, zij zag er gisteren erg vermoeid uit; ik vrees ook dat zij
daarvoor niet sterk genoeg is.
BERNICK. Och, wat haar gezondheid betreft zou het wel gaan. Maar het is
onaangenaam voor _mij_; 't staat net of ik, haar broer, geen lust heb om
haar te onderhouden.
JOHAN. Te onderhouden? Ik dacht dat zij zelf geld genoeg had om....
BERNICK. Geen cent. Je herinnert je nog wel wat voor een benauwde tijd
het was voor moeder toen jij weg ging. Zij hield het toen met mijn hulp
nog wel een tijdlang vol; maar dat kon op den duur toch zoo niet gaan.
Daarom liet ik mij in de firma opnemen; maar zoo ging het toen ook
alweer niet. Ik moest dus de heele zaak overnemen, en toen wij onze
balans opmaakten, bleek het dat er van het aandeel van mijn moeder zoo
goed als niets overbleef. Toen moeder kort daarna overleed, was er
natuurlijk ook voor Martha niets.
JOHAN. Die arme Martha!
BERNICK. Arme? Waarom? Je denkt toch niet dat zij iets te kort komt?
O neen, ik durf gerust zeggen dat ik een goede broer ben. Zij woont
natuurlijk bij ons in en eet aan onze tafel; van hetgeen zij verdient
kan zij ruim zich kleeden, en een vrouw alleen ... wat zal die met meer
uitvoeren?
JOHAN. Hm; in Amerika denken wij daar anders over.
BERNICK. Ja, dat geloof ik wel; in zoo'n vrijgevochten maatschappij als
de Amerikaansche. Maar hier, in ons kleine kringetje, waar Goddank de
verdorvenheid tot op heden althans, nog niet is binnengedrongen, hier
stellen de vrouwen zich er mee tevreden een gepaste, al is het dan ook
een bescheiden plaats in te nemen. Het is bovendien Martha's eigen
schuld; zij had waarachtig al lang bezorgd kunnen zijn, als zij maar
gewild had.
JOHAN. Je bedoelt dat zij had kunnen trouwen?
BERNICK. Ja, zij had zelfs meer dan eens een heel goede partij kunnen
doen; zij heeft verscheidene goede aanzoeken gehad. Merkwaardig genoeg;
een onbemiddeld meisje, niet jong meer, en daarbij hoogst onbeduidend.
JOHAN. Onbeduidend?
BERNICK. Nou, ik maak er haar geen verwijt van. Ik verlang haar niet
anders dan ze is. Je begrijpt, in een groot huis als het onze, is het
altijd gemakkelijk zoo'n eenvoudig persoontje te hebben die je voor
alles gebruiken kunt.
JOHAN. Jawel, maar zij...?
BERNICK. Zij? Hoe dat?... Nu ja, zij heeft natuurlijk ook wel wat om
zich voor te interesseren. Zij heeft mij toch, en Betty en Olaf en mij.
Een mensch moet niet altijd in de eerste plaats aan zich zelf denken, en
allerminst een vrouw. Wij hebben toch allemaal een kleinere of grootere
maatschappij om te steunen en voor te werken. Zoo doe _ik_ althans
(_wijst naar Krap, die van rechts komt_). Daar heb je net het bewijs
voor mijn stelling. Denk je dat het mijn eigen zaken zijn die mij in
beslag nemen? Volstrekt niet. (_Snel tegen Krap_). Wel?
KRAP (_zacht, laat een pak papieren zien_). Alle koopcontracten in orde.
BERNICK. Prachtig! Uitmuntend!... Ja, beste jongen, nu moet je mij
heusch voor een poosje excuseeren. (_Gedempt en met een handdruk_).
Dank, dank, Johan; en wees er van overtuigd, dat ik alles, waarmee ik je
van dienst kan zijn,... nu, je begrijpt mij wel.... Kom, mijnheer Krap.
(_Zij gaan Bernick's kamer binnen_).
JOHAN (_kijkt hen een poos na_). Hm.... (_hij wil den tuin ingaan. Op
hetzelfde oogenblik komt Martha met een mandje aan haar arm van
rechts_).
JOHAN. Kijk eens aan, Martha!
MARTHA. O ... Johan ... ben jij het?
JOHAN. Ook al zoo vroeg op het pad?
MARTHA. Ja. Wacht maar even, als je wilt; de anderen zullen wel dadelijk
komen. (_Wil naar links weggaan_).
JOHAN. Hoor eens, Martha, heb je altijd zoo'n haast?
MARTHA. Ik?
JOHAN. Gisteren liep je ook al weg, zoodat ik geen woord met je kon
praten, en van daag....
MARTHA. Ja, maar....
JOHAN. Vroeger waren wij toch altijd bij elkaar, wij twee oude
speelkameraden.
MARTHA. Och, Johan, dat is zoo heel, heel lang geleden.
JOHAN. Wel, het is op den kop af vijftien jaar geleden, niet meer en
niet minder. Vindt je soms dat ik zoo erg veranderd ben?
MARTHA. Jij? O ja, jij ook, hoewel....
JOHAN. Nou wat?
MARTHA. Och ... niets.
JOHAN. Je schijnt niet erg blij te zijn om me terug te zien.
MARTHA. Je heb zoo lang gewacht ... _te_ lang.
JOHAN. Gewacht? Dat ik terugkomen zou?
MARTHA. Ja.
JOHAN. En waarvoor dacht je dat ik terugkomen zou?
MARTHA. Om goed te maken wat je misdaan hebt.
JOHAN. Ik?
MARTHA. Heb je vergeten dat er een vrouw in ellende en schande gestorven
is door jouw schuld? Heb je vergeten, dat door jouw schuld de beste
jaren van een opgroeiend meisje vergald werden?
JOHAN. En dat moet ik van jou hooren? Martha, heeft je broer dan
nooit...?
MARTHA. Wat?
JOHAN. Heeft hij nooit...; nu ja, ik bedoel, heeft hij nooit zooveel als
een woord tot mijn verontschuldiging gezegd?
MARTHA. Och, Johan, je kent immers Karsten's strenge principes wel.
JOHAN. Hum..., ja zeker, zeker ken ik de strenge principes van mijn
ouden vriend Karsten wel.... Maar dat is toch...! Wel!... Ik sprak zoo
even met hem. Ik vind dat hij opvallend veranderd is.
MARTHA. Hoe kan je dat zeggen? Karsten is toch altijd zoo'n uitstekend
mensch geweest.
JOHAN. Zoo was het eigenlijk niet bedoeld; maar dat doet er niet toe.
Hm; nu begrijp ik pas in welk licht je mij gezien hebt; je hebt gewacht
en uitgekeken naar de terugkomst van den verloren zoon.
MARTHA. Johan, ik zal je zeggen in welk licht ik je gezien heb (_wijst
naar den tuin_). Zie je haar, die daarginder in het gras met Olaf
speelt? Dat is Dina. Herinner je je nog dien verwarde brief dien je mij
schreef toen je weg ging? Je schreef dat ik in je gelooven moest. Ik heb
in je geloofd, Johan. Al die slechte dingen die later van je verteld
werden, moeten in de verwarring, zonder nadenken, zonder overleg gebeurd
zijn....
JOHAN. Wat voor dingen bedoel je?
MARTHA. Och, je begrijpt mij heel goed;... daarover praat ik niet meer.
Maar je moest immers weg, van voren af aan beginnen, een nieuw leven.
Zie je, Johan, ik ben je plaatsvervangster hier geweest, ik, je oude
speelkameraad. De plichten die jij hier verzuimde te vervullen, of niet
vervullen kon, die heb ik op mij genomen en voor je vervuld. Ik vertel
je dit omdat je je ook niet dàt nog te verwijten zoudt hebben. Voor het
arme, verongelijkte kind, ben ik een moeder geweest; ik heb haar
opgevoed zoo goed als ik kon....
JOHAN. En je heele leven daaraan verspild....
MARTHA. Dat is niet verspild. Maar je bent laat gekomen, Johan.
JOHAN. Martha ... als ik je alles zeggen kon.... Wel, laat ik je in elk
geval danken voor je trouwe vriendschap.
MARTHA (_met een droevig lachje_). Hm.... Zoo, nu heb ik ten minste
gezegd wat ik op 't hart had. Sst; daar komt iemand. Adieu; ik kan nu
niet.... (_zij gaat weg door de verste deur links. Lona Hessel komt uit
den tuin, gevolgd door Mevr. Bernick_).
MEVR. BERNICK (_nog in den tuin_). Maar om 's hemels wil, Lona, wat
verzin je toch!
LONA. Laat mij toch maar begaan; ik wil en moet met hem spreken.
MEVR. BERNICK. Maar dat zou toch het grootst mogelijke schandaal geven!
O Johan, ben jij daar nog?
LONA. Maak dat je wegkomt, jongen; blijf niet hier in de kameratmosfeer
omhangen; ga den tuin in en praat een beetje met Dina.
JOHAN. Dat was ik juist van plan.
MEVR. BERNICK. Maar....
LONA. Hoor eens, Johan, heb je Dina al eens goed aangekeken?
JOHAN. Ik geloof van ja.
LONA. Je moet haar maar eens heel nauwkeurig opnemen, jongen. Dàt zou
iets voor jou zijn!
MEVR. BERNICK. Maar Lona!
JOHAN. Iets voor mij?
LONA. Ja, om naar te kijken, meen ik. Ga nu maar!
JOHAN. Maar al te graag! (_hij gaat den tuin in_).
MEVR. BERNICK. Lona, ik sta verstomd over je. Dit kan je toch onmogelijk
ernst zijn.
LONA. Ja waarachtig is het mij ernst. Is zij niet frisch en gezond en
braaf? Zij is net een vrouw voor Johan. Zoo een heeft hij daarginder net
noodig; dat zal wat anders zijn dan een oude stiefzuster!
MEVR. BERNICK. Dina! Dina Dorf! Denk toch eens aan!...
LONA. Ik denk in de eerste plaats aan het geluk van mijn jongen. Want
hem een beetje helpen moet ik wel; zelf is hij niet heel handig in zulke
dingen; voor meisjes en vrouwen heeft hij nooit veel oog gehad.
MEVR. BERNICK. Hij niet? Johan! Nou, mij dunkt dat wij van het tegendeel
de treurige bewijzen wel gehad hebben....
LONA. Naar den drommel met die malle geschiedenis! waar is Bernick? Ik
moet hem spreken.
MEVR. BERNICK. Lona, je doet het niet, zeg ik je!
LONA. Ik doe het wèl. Heeft de jongen zin in haar ... en zij in hem ...
dan zullen ze elkaar krijgen ook. Bernick is immers zoo'n knappe man;
die moet dan maar een uitweg vinden....
MEVR. BERNICK. En geloof je dat zulke Amerikaansche onwelvoegelijkheden
hier geduld zullen worden....
LONA. Leuterpraat, Betty.
MEVR. BERNICK. ... dat een man als Karsten, met zijn streng moreele
begrippen....
LONA. Och wat! Die zullen wel zoo overdreven streng niet zijn.
MEVR. BERNICK. Wat durf je daar te zeggen?
LONA. Ik durf zeggen dat Bernick wel niet zooveel braver zal zijn dan
andere mannen.
MEVR. BERNICK. Zoo diep zit dus de haat nog in je! Maar wat wil je dan
toch eigenlijk hier, als je nooit hebt kunnen vergeten dat...? Ik
begrijp niet dat je hem onder de oogen durfde komen na de schandelijke
beleediging die je hem hebt aangedaan.
LONA. Ja, Betty, toen heb ik mij leelijk vergaloppeerd.
MEVR. BERNICK. En hoe grootmoedig heeft hij het je niet vergeven, hij,
die toch nooit iets misdaan had! Want hij kon toch niet helpen dat jij
je hier illusies gemaakt hadt. Maar sinds dien tijd heb je ook een hekel
aan mij. (_Begint te schreien_). Je hebt mij mijn geluk nooit gegund. En
nu kom je hier om mij al die narigheid te bezorgen ... om de heele stad
te laten zien in wat voor een familie ik Karsten gebracht heb. Ik zal er
op aangezien worden, en dat is het juist wat je wilt. O, het is
afschuwelijk van je! (_Ze gaat schreiend weg door de verste deur
links_).
LONA (_haar nakijkend_). Arme Betty! (_Bernick komt uit zijn kamer_).
BERNICK (_nog in de deur_). Ja, ja, dat is best mijnheer Krap; dat is
uitstekend. Stuur vierhonderd kronen voor voedsel voor de armen. (_keert
zich om_). Lona! (_dichterbij_). Ben je alleen? Komt Betty niet hier?
LONA. Neen. Zal ik haar soms gaan halen?
BERNICK. Neen, neen, neen, niet doen! O Lona, je weet niet hoe ik er
naar verlangd heb eens openhartig met je te praten ... om je vergeving
af te smeeken.
LONA. Hoor eens, Karsten, laat ons niet sentimenteel worden; dat staat
ons niet.
BERNICK. Je _moet_ mij aanhooren, Lona. Ik weet wel hoezeer de schijn
tegen mij is, nu je gehoord hebt van die zaak met Dina's moeder. Maar
ik zweer je, dat het maar een korte opwinding geweest is; ik heb ééns
heusch eerlijk en oprecht van je gehouden.
LONA. Waarvoor denk je dat ik teruggekomen ben?
BERNICK. Wat je ook van plan bent, ik smeek je niets te ondernemen vóór
ik mij gerechtvaardigd heb. Ik kan het, Lona, ik kan mij in elk geval
verontschuldigen.
LONA. Nu ben je bang.... Je hebt eens van mij gehouden, zeg je. Ja, dat
heb je me dikwijls genoeg verzekerd in je brieven; en misschien was het
ook wel waar ... in zekeren zin ... zoolang je nog daarginder in een
ruimer en vrijer wereld leefde, die je den moed gaf zelf vrij en ruim te
denken. Je vondt misschien bij mij meer karakter en eigen wil en
zelfstandigheid, dan bij de meesten hier. En dan was het ook een geheim
tusschen ons beiden; niemand kon je uitlachen over je slechten smaak.
BERNICK. Lona, hoe kan je toch denken...?
LONA. Maar toen je terugkwam, toen je allerlei spotternijen hoorde, die
als hagel op me neervielen, toen je hoorde hoe er gelachen werd over
alles wat ze hier mijn dwaasheden noemden....
BERNICK. Maar je wàs toen ook erg excentriek.
LONA. Toch voornamelijk om al die stijve harken te ergeren, die in
pantalons en rokken door de stad slenterden. En toen je dan die jonge
verleidelijke actrice ontmoette....
BERNICK. Het was een kwajongensstreek ... anders niets; ik zweer dat er
geen tiende deel waar was van al de praatjes en den laster die in omloop
waren.
LONA. 't Kan zijn; maar toen nu Betty thuis kwam, mooi, bloeiend, door
allen vergood ... en het bekend werd dat zij het heele fortuin van tante
erven zou, en ik niets zou krijgen....
BERNICK. Ja, dat is nu juist de zaak, Lona; en nu zal je ook alles
zonder omwegen hooren. Ik had Betty toen niet lief. Ik maakte het niet
af met jou om een nieuwe verliefdheid. Ronduit gezegd, het was om het
geld. Ik was er toe gedwongen; ik _moest_ dat geld hebben.
LONA. En dat zeg je mij zoo maar vlak in mijn gezicht?
BERNICK. Ja, dat doe ik. Luister eens, Lona....
LONA. En toch schreef je mij dat een onoverwinnelijke liefde voor Betty
zich meester van je gemaakt had, deed je een beroep op mijn
grootmoedigheid, bezwoer je mij ter wille van Betty te zwijgen over wat
er tusschen ons geweest was....
BERNICK. Ik _moest_ het wel doen, zeg ik je immers.
LONA. Nou, dan weet de hemel dat ik er geen berouw van heb dat ik mij
toen zoo vergaloppeerde.
BERNICK. Laat ik je eens koel en kalm vertellen hoe de toestand was in
die dagen. Mijn moeder stond, zooals je je herinnert, aan het hoofd van
de zaak; maar zij had absoluut geen verstand van zaken. Ik werd haastig
teruggeroepen uit Parijs; de tijden waren kritiek; ik moest de zaak weer
op de been helpen. Wat vond ik? Ik vond, wat natuurlijk diep geheim
gehouden moest worden, een zoo goed als geruïneerd huis. Ja, het was zoo
goed als geruïneerd, dit oude aanzienlijke huis, dat al sedert drie
geslachten had bestaan. Wat had ik, de zoon, de éénige zoon, anders te
doen dan òm te zien naar een reddingsmiddel?
LONA. En zoo redde je het huis Bernick ten koste van een vrouw.
BERNICK. Je weet wel dat Betty van mij hield.
LONA. Maar ik dan?
BERNICK. Geloof mij ... Lona ... je zoudt met mij nooit gelukkig
geworden zijn.
LONA. Was het uit bezorgdheid voor mijn geluk dat je mij losliet?
BERNICK. Denk je soms dat ik uit egoïsme handelde zoo als ik het deed?
Als ik toen alleen gestaan had, dan zou ik flink en moedig van voren af
aan begonnen zijn. Maar je hebt geen idee hoe een zakenman, onder den
druk van een onmogelijke zware verantwoordelijkheid, samengroeit met de
zaak die hij erft. Weet je wel dat het wèl en wee van honderden, ja
duizenden, van hem afhangt? En bedenk je wel dat de heele maatschappij,
die wij allebei ons thuis noemen, op de gevoeligste manier de gevolgen
van den val van het huis Bernick zou ondervonden hebben?
LONA. En is het ook ter wille van de maatschappij dat je al vijftien
jaar lang die leugen volgehouden hebt?
BERNICK. Die leugen?
LONA. Wat weet Betty van alles, wat te grond ligt aan je vereeniging met
haar, en daaraan vooraf ging?
BERNICK. Waarom zou ik haar zonder eenig nut pijn doen, met haar die
dingen te vertellen?
LONA. Zonder eenig nut, zeg je? Ja, ja, je bent een man van zaken; jij
moet weten wat nuttig is of niet.... Maar hoor nu eens, Karsten, nu zal
ik ook eens koel en kalm spreken. Zeg mij eens ... ben je nu ook heusch
gelukkig?
BERNICK. In mijn gezin, bedoel je?
LONA. Ja.
BERNICK. Ja, Lona, dat ben ik. O, je bent niet voor niets zoo'n
opofferende vriendin voor mij geweest. Ik durf zeggen dat ik ieder jaar
gelukkiger ben geworden. Betty is lief en meegaande. En wat heeft zij in
den loop der jaren geleerd zich naar mijn eigenaarigheden te voegen...!
LONA. Hm.
BERNICK. Vroeger had zij een heeleboel overspannen idees over de liefde;
zij kon zich maar niet vereenigen met de gedachte dat die zachtjes aan
moest overgaan in een kalme vriendschap.
LONA. Maar berust zij nu daarin?
BERNICK. Volkomen. Je kunt begrijpen dat de dagelijksche omgang met mij,
haar ook veel heeft gerijpt en niet zonder invloed op haar gebleven is.
De menschen moeten leeren van beide kanten wat water in hun wijn te
doen, als zij in de maatschappij waarin zij leven waardig hun plaats
zullen innemen. Dat heeft Betty later ook leeren inzien, en daarom is
ons huis nu een voorbeeld voor onze medeburgers.
LONA. Maar die medeburgers weten niets van de leugen?
BERNICK. Van de leugen?
LONA. Ja, van de leugen waarin je nu al vijftien jaar volhardt.
BERNICK. En dat noem je...?
LONA. Een leugen, noem ik het. Een drievoudige leugen. Eerst tegen mij;
toen tegen Betty, en dan de leugen tegen Johan.
BERNICK. Betty heeft nooit verlangd dat ik spreken zou.
LONA. Omdat zij niets wist.
BERNICK. En jij zult het ook niet verlangen ... uit consideratie voor
haar.
LONA. Neen, zeker niet. Ik zal hun spot nog wel langer verdragen; ik heb
een breeden rug.
BERNICK. En Johan zal het ook niet eischen; dat heeft hij mij beloofd.
LONA. Maar jij zelf, Karsten? Is er niets in je binnenste dat verlangt
uit dien toestand van leugen te komen?
BERNICK. Ik zou vrijwillig mijn huiselijk geluk en mijn positie in de
maatschappij opgeven!
LONA. Welk recht heb je om die positie te behouden?
BERNICK. Gedurende vijftien jaar heb mij iederen dag een beetje recht
daarop gekocht met mijn levenswandel en met wat ik bereikt heb.
LONA. Ja, je hebt veel gedaan en bereikt, zoowel voor je zelf als voor
de anderen. Je bent de eerste en rijkste man van de stad; niemand durft
zich tegen jouw wil te verzetten, omdat je doorgaat voor iemand zonder
smet of blaam. Je thuis gaat door voor een modelthuis, je levenswandel
voor een voorbeeld. Maar al die heerlijkheid, en jij er bij, rust op een
onvasten moerasgrond. Een oogenblik kan er komen, één woord gesproken
worden ... en jij met al je heerlijkheid gaat naar de diepte, als je je
niet bij tijds bergt.
BERNICK. Lona, wat kom je hier eigenlijk doen?
LONA. Ik wil je helpen om vasten grond onder je voeten te krijgen,
Karsten.
BERNICK. Wraak nemen! Je wilt je wreken? Ik dacht het al. Maar dat zal
je niet gelukken! Er is maar één mensch die met autoriteit zou kunnen
optreden, en hij zal zwijgen.
LONA. Johan?
BERNICK. Ja, Johan. Indien iemand anders mij aanklaagt, dan ontken ik
alles. Als ze mij willen vernietigen dan zal ik vechten op leven en
dood. Maar het zal je nooit gelukken, zeg ik je! Hij, die mij zou kunnen
neervellen, zwijgt ... en hij gaat weer ver weg.
(_Rummel en Vigeland komen van rechts_).
RUMMEL. Goeden dag, goeden dag, m'n waarde Bernick; je moet met ons mee
naar de handelsmaatschappij; we hebben vergadering over de
spoorweg-kwestie, zooals je weet.
BERNICK. Ik kan niet. Onmogelijk op 't oogenblik.
VIGELAND. U _moet_ waarlijk, mijnheer Bernick....
RUMMEL. Je moet, Bernick. Er zijn menschen die ons tegenwerken. Hammer,
de redacteur en de anderen die voor de kustlijn waren, beweren dat er
particuliere belangen steken achter het nieuwe plan.
BERNICK. Nu, leg hun dan uit....
VIGELAND. Dat geeft niets wat wij zeggen, mijnheer de consul....
RUMMEL. Neen neen, je moet zelf komen; van jou waagt natuurlijk niemand
zoo iets te veronderstellen.
LONA. Neen, dat zou ik ook denken.
BERNICK. Ik kan niet, zeg ik je; ik ben onwèl;...
(_Rörlund komt van rechts_).
RÖRLUND. Pardon, mijnheer Bernick, u ziet mij hier hevig ontsteld....
BERNICK. Ja ... wat scheelt u?
RÖRLUND. Ik moet u een vraag doen, mijnheer Bernick. Is het met uw
goedvinden dat het jonge meisje, dat een toevlucht onder uw dak gevonden
heeft, zich op de openbare straat vertoont in gezelschap van een
persoon, die....
LONA. Van welk persoon, dominee?
RÖRLUND. Van den persoon dien zij, van alle menschen ter wereld, het
eerst van zich af houden moest.
LONA. Hoho!
RÖRLUND. Is dat met uw goedvinden, mijnheer Bernick?
BERNICK (_die hoed en handschoenen zoekt_). Ik weet nergens van. Pardon,
ik heb haast; ik moet naar de handelsmaatschappij.
HILMAR (_komt uit den tuin en gaat naar de verste deur links_). Betty,
Betty, hoor eens!
MEVR. BERNICK (_in de deur_). Wat is er?
HILMAR. Je moet eens naar de tuin gaan en een einde maken aan dat gevrij
van een zeker individu met die Dina Dorf. Mijn zenuwen zijn er heelemaal
door van streek, alleen maar van het aan te hooren.
LONA. Zoo? Wat heeft dat individu dan gezegd?
HILMAR. O, anders niet dan dat hij wil dat zij met hem mee naar Amerika
zal gaan. Oeh!
RÖRLUND. Hoe is het mogelijk!
MEVR. BERNICK. Wàt zeg je?
LONA. Maar dat zou juist uitstekend zijn!
BERNICK. Onmogelijk, je hebt 't niet goed verstaan.
HILMAR. Vraag het hem dan zelf. Daar komt het paartje. Maar laat mij er
alsjeblieft buiten.
BERNICK (_tegen Rummel en Vigeland_). Ik kom dadelijk ... een oogenblik
maar.... (_Rummel en Vigeland gaan af naar rechts. Johan en Dina komen
uit den tuin_).
JOHAN. Hoera, Lona, ze gaat met ons mee!
MEVR. BERNICK. Maar, Johan,... wat een onbezonnenheid...!
RÖRLUND. Is dat waar? Zoo'n verregaand schandaal! Met welke
verleidingskunsten heeft u...?
JOHAN. Nou, nou, mijnheer; let een beetje op uw woorden!
RÖRLUND. Antwoord mij Dina, is dat je plan? Heb je uit eigen beweging
die beslissing genomen?
DINA. Ik moet hier van daan.
RÖRLUND. Maar met hem ... met hém!
DINA. Noem mij eens een ander hier die den moed zou hebben om mij mee te
nemen.
RÖRLUND. Dan zal je ook weten wie hij is!
JOHAN. Zeg niets.
BERNICK. Geen woord meer.
RÖRLUND. Dan zou ik de maatschappij, voor wier zedelijkheid en
welvoegelijkheid ik waken moet, een slechten dienst bewijzen. En
onverantwoordelijk zou ik handelen jegens dit jonge meisje, wier
opvoeding ik ook voor een groot deel geleid heb, en die mij....
JOHAN. Neem u in acht voor wat u gaat doen!
RÖRLUND. Zij _moet_ het weten! Dina, dit is de man die schuld heeft aan
al de ellende en de schande van je moeder.
BERNICK. Mijnheer Rörlund...!
DINA. Hij! (_tegen Johan_). Is dat waar?
JOHAN. Karsten, geef jij antwoord.
BERNICK. Geen woord meer! Van daag zal hier verder over gezwegen worden.
DINA. 't Is dus waar.
RÖRLUND. 't Is waar ... 't is wáár. En meer nog dan dat. Die kerel, aan
wien je je vertrouwen geschonken hebt, liep niet met leege handen van
huis weg;... de kas van weduwe Bernick ... de consul kan het getuigen!
LONA. Leugenaar!
BERNICK. Ah...!
MEVR. BERNICK. O God! O God!
JOHAN (_loopt op hem toe met opgeheven arm_). En dat waag jij!...
LONA (_afwerend_). Sla hem niet, Johan!
RÖRLUND. Ja, vergrijp je maar aan mij. Maar de waarheid moet toch aan
het licht komen; en dit _is_ de waarheid; mijnheer Bernick heeft het
zelf gezegd en de heele stad weet het.... Ziezoo, Dina, nu ken je hem.
(_Kort zwijgen_).
JOHAN (_zachtjes, hem bij den arm pakkend_). Karsten, Karst
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/17524