Een twaalftal samenspraken
by Desiderius Erasmus · Dutch · Gutenberg #17523 · 464,125 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Een twaalftal samenspraken
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Een twaalftal samenspraken
Author: Desiderius Erasmus
Contributor: Conrad Busken Huet
Translator: N. J. Singels
Release date: January 23, 2006 [eBook #17523]
Most recently updated: December 13, 2020
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/17523
Credits: Produced by Marc D'Hooghe.
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN TWAALFTAL SAMENSPRAKEN ***
Produced by Marc D'Hooghe.
EEN TWAALFTAL SAMENSPRAKEN
VAN
DESIDERIUS ERASMUS VAN ROTTERDAM
UIT HET LATIJN VERTAALD DOOR N.J. SINGELS
TOT INLEIDING: Cd. BUSKEN HUET'S BESCHOUWING OVER ERASMUS
1912
* * * * *
ERASMUS
door Cd. BUSKEN HUET
Mijne lezers mogen niet klagen over dit langdurig vertoeven in de
kraamkamer van ons hooger onderwijs. Maar de opmerking staat hun vrij
dat het eerste beginselen zonder wiekslag geweest zijn. Goede wil,
toewijding, zelfopoffering, niets ontbrak, behalve Erasmus en het genie.
De rotterdamsche Heilige, als Vondel hem noemen zou, wekt onze
belangstelling inzonderheid als landgenoot en omdat hij, in
onderscheiding der vermaarde oorlogslieden welke na hem de Republiek der
Vereenigde-Provinciën zou voortbrengen, op zoo eervolle wijze den
nederlandschen volksaard in vredestijd vertegenwoordigd heeft: anderen
met het penseel in de hand, hij met de pen. Alleen de omstandigheden
zijn oorzaak geweest dat niet reeds door Erasmus eene zigtbare
noordnederlandsche akademie is kunnen gesticht worden, gelijk van hem en
zijne geschriften de eerste onzigtbare dagteekent.
Wel is waar zag na zijn vijfentwintigste of dertigste jaar zijn
geboortegrond hem naauwlijks terug, en is hij daarna meer voor Europa
dan voor Nederland gaan leven. Maar, geen Franschman geworden, geen
Engelschman, geen Spanjaard of Italiaan, geen Zwitser zelfs,--ofschoon
hij te Bazel zich meer op zijn gemak gevoelde dan overal elders,--de
sporen zijner afkomst en zijner opvoeding zijn nooit verdwenen. Welke
vlugt daarna zijne studiën mogen genomen hebben, zoodat hij in het
wetenschappelijke den gezigteinder zijner meeste land- en tijdgenooten
ontvoer, het eerste derde deel zijns levens is op zijne verdere vorming,
door de kracht der aantrekking niet minder dan der afstooting, van
beslissenden invloed geweest. Nederland openbaarde hem aan zichzelf, en
zulke indrukken zijn onuitwischbaar.
Litterarische en theologische vijanden hebben, de eenen bij zijn leven,
de anderen kort na zijn dood, door uit te brengen dat hij de zoon was
van een zuidhollandsch dorpspastoor, in strijd met kerkgeloften bij eene
noord-brabantsche dienstbode of huishoudster gewonnen, een smet op zijne
geboorte meenen te werpen.[1] Uit een maatschappelijk oogpunt teregt,
uit een algemeener en edelmoediger ten onregte. Het strekt den
nederlandschen dienstbodestand en den lageren nederlandschen klerus der
15de eeuw tot eer, zulk een buitengewoon kind het aanzijn gegeven te
hebben. Noem het eene speling der natuur; noem het eene waarschuwing der
Voorzienigheid aan den onwetenden oudnederlandschen adel; eene les aan
den etenden en drinkenden oud-nederlandschen burgerstand; niemand zal
beweren dat er termen waren aan de wetenschappelijke toekomst van een
volk te twijfelen, uit welks onderste lagen, in de ongunstigste
omstandigheden, Erasmus kon voortkomen.
Het verwekken van dit kind was niet de eerste dergelijke fout des
vaders. Dezelfde huishoudster had hem reeds vroeger een zoontje
geschonken; en naar het schijnt legde de kerkelijke overheid, tot straf
van den recidivist, hem eene bedevaart naar Rome op. Zoo verdween hij
voor eene poos uit de omstreken van Gouda, en de huishoudster ging bij
zijne rotterdamsche bloedverwanten hare bevalling verbeiden.[2]
Van Erasmus Senior weet men weinig méér dan dat hij, al spoedig in
Nederland en op zijne standplaats teruggekomen, er overleden is toen
zijn jongste zoon twaalf of dertien jaren telde. De moeder stierf een
weinig vroeger, te Deventer, waar zij met den genialen knaap zich
heenbegeven had, om voor zijne gezondheid te waken, terwijl hij er de
lessen van den aantrekkelijken en onvermijdelijken Hegius volgde. Zij
schijnt eene zorgvuldige verpleegster geweest te zijn. Welligt paarde
zij, dochter van een chirurg uit Zevenbergen, aan haar liefhebbend
moederlijk instinkt sommige technische bekwaamheden. Eene boosaardige
deventersche epidemie nam haar in den bloei des levens weg.[3]
De nederlandsche dorpspastoors der 15de eeuw waren geen suikerlords; en
toen vader en moeder het tijdelijke gezegend hadden, vonden de jonge
Erasmus en zijn broeder eene sobere nalatenschap te deelen. De
zevenbergsche heelmeester, grootvader van moederszijde, ongetwijfeld
tevens baardscheerder van beroep, kan evenmin een man van vermogen
geweest zijn. De rotterdamsche familie van vaderskant, ouders van tien
kinderen, deden om het openhouden van al die monden (vóór de kleine
woning bevond zich eene loofhut) niet onmogelijk een bier- of
wijnhuis.[4] Een voogd, te Gouda, was schoolmeester, was plakmajoor, en
wist de twee jonge weezen, nadat te vergeefs beproefd was den jongste
smaak te doen vinden in een Fraterhuis te 's Hertogenbosch, geen beteren
raad te geven dan in een eigenlijk gezegd klooster den kost voor het
eten te gaan zoeken.
Gewone geesten zwichten voor zulke omstandigheden, en onderwerpen zich.
Buitengewone, maar van den tweeden rang, gaan de voorregten van rijkdom
en geboorte benijden, en beschouwen carrière-maken weldra als het
hoogste. Het bewonderenswaardige in Erasmus is dat, toen in vervolg van
tijd zijn bestaan eenmaal verzekerd was, de aanbiedingen van koningen,
keizers, en pausen, stelselmatig door hem afgeslagen zijn. Door de
ondervinding geleerd haatte hij eene armoede die tot bedelen doemt, eene
afkomst welke aan het platburgerlijke vermaagschapt. Maar zijn edel hart
en zijn groot verstand behoedden hem voor de dwaling, in de eene of
andere rigting aan het uitwendige meer te hechten dan het waard is. Zij
heeft hem diensten bewezen, de nederlandsche schooijerswereld uit welke
hij voortkwam. Het gemeene klooster-zelf is hem eene weldadige
leerschool geweest.
Te Gouda letterwijs gemaakt, is het kind naar Utrecht gezonden om het
kerkgezang te leeren, en te zien of hij als koorknaap zijn brood
verdienen kon. Mogelijk oefende hij reeds toen zich in het teekenen of
schilderen; wat hij, evenals de muziek, naderhand voor goed liet
varen.[5] De letteren, niet de kunsten, waren zijne sterkste natuurlijke
neiging; lezen zijn hartstogt.
Eene midden-nederlandsche litteratuur bestond er voor hem niet, evenmin
als eene middeneeuwsch-europesche in verschillende landstalen. Er zijn
geen blijken dat hij Villehardouin, Joinville, Dante, gekend of bemind
heeft. Naar vaderlandsche auteurs der oudheid, Maerlant, Stoke
(_litterae inamoenae_), zag hij niet om, maar kende op zijn twaalfde
jaar den geheelen Horatius en den geheelen Terentius van buiten.
Van zijne vorderingen te Deventer, naderhand in Den Bosch, weten wij
alleen dat hijzelf op later leeftijd er een geringen dunk van koesterde.
Ondanks merkbare teekenen van beterschap waren de onderwijsmethoden in
Nederland toen nog niet veel zaaks, vond hij.[6] Het is waar dat eerst
zijn eigen vermaardheid als man, en de zucht der nederlandsche filologen
hem opzijde te streven, eene betere toekomst heeft doen aanbreken.
Zijn eerste wezenlijk merkwaardige arbeid in latijnsch proza, te zamen
met vrij wat latijnsche verzen (ook de poëzie werd in vervolg van tijd
door hem losgelaten), dagteekent van zijn achttiende jaar of
daaromtrent: zijn proeftijd als augustijner-monnik in het klooster
Emmaüs, te Stein bij Gouda.[7] In tien of elf korte hoofdstukken, vele
jaren daarna vermeerderd met een korrigerend en herroepend twaalfde, is
het een pleidooi ten gunste van het monachale leven, en handelt _Over
het vlieden der wereld_.[8]
De stijl van dit werkje verschilt zeer van dien der _Imitatio Christi_.
In plaats van uit de hoogte, in naam der nietigheid van het
ondermaansche, een heilig leven te gebieden, zooals Thomas a Kempis
doet, betoogt de jonge Erasmus met tal van redeneringen (de vorm is die
van een brief, door een denkbeeldig oom aan een denkbeeldigen neef
gerigt) dat de belangen van een goed geweten, een onbesproken wandel,
een vredig uiteinde, de belangen ook der vrije, ongestoorde, veelzijdige
studie, het kloosterleven krachtig aanbevelen. Het is reeds eene geheel
andere soort van latijn dan zestig of zeventig jaren te voren Thomas
plag te schrijven en tot het laatst aanhield; meer het klassieke
naderend; beschikkend over een veel grooter aantal woorden en
zegswijzen; getuigend van een veel gemeenzamer omgang met de schriften
der oudheid. Aanhalingen uit den bijbel worden niet gemist, doch zijn
betrekkelijk zeldzaam, en vormen in geen geval den hoofdinhoud, gelijk
bij Thomas het geval is.
Nogtans wortelt ook Erasmus' geschrift regtstreeks in de mystiek van den
tijd en van het land; en de eene augustijner-monnik geeft, waar het op
verheerlijken der kloostergeloften aankomt, den ander niets toe. Een
geheel hoofdstuk bij Erasmus, langer dan één der vorige, is gewijd aan
het schilderen der godsdienstige geestdrift van een vriendinnetje zijner
kinderjaren, toen een volwassen meisje, dat ondanks de gebeden van vader
en moeder, ondanks de tranen en omhelzingen van broeder en zuster, in
het aannemen van den sluijer volhardde. Hij spreekt over deze Margaretha
als over eene voorbeeldige geloofsheldin, en wijst er met bewondering op
dat in den kring der schreijende ouders, bloedverwanten, en huisvrienden
(hijzelf was bij het tooneel tegenwoordig en noemt het
hartverscheurend), zij de eenige was om wier lippen een rustige glimlach
speelde.[9]
Zelfzuchtiger, zoo men wil, doch niet minder warm of welgemeend, is
zijne hulde aan de kloostercel als studeerkamer, waar slechts boeken en
nogmaals boeken gevonden worden ja, maar die onder het lezen den jongen
wijze in een paradijs verkeert, een hof van Eden. Anderen mogen aan de
herberg, anderen aan de danszaal de voorkeur geven, hij houdt het met
dit park der letterwereld; met die stroomen, bosschen, weiden, waar,
tusschen het gras, de rozen en de leliën bloeijen of de violen zich
verschuilen. Verlangt de ziel naar goddelijk onderrigt uit de eerste
hand, de jonge kloosterling grijpt naar het Oude of het Nieuwe
Testament. Wenscht hij een kerkvader of een godgeleerde te raadplegen,
hij haalt het boek voor den dag en slaat op zijne knieën het open. Heeft
hij uit de wereld eene oude liefde voor de ongewijde Muze medegebragt,
hij mag in zijne vrije uren, mits het eene platonische genegenheid
blijve, ook aan déze neiging toegeven. Wie gevormd werd in de school van
profeten, apostelen, kommentatoren, en theologen, weet bij de heidensche
wijsgeeren en dichters de medicinale van de giftplanten te
onderscheiden. In zijn litterarischen bloemtuin is hij koningen te rijk,
en trotseert Sardanapalussen.[10]
Een ander klein prozawerk van Erasmus uit deze periode is zijne lijkrede
op eene goudsche weduwe, moeder van drie huwbare dochters en in de
kracht harer jaren gestorven. Haar echtgenoot of haar vader, schijnt
het, had haar een aanzienlijk vermogen nagelaten, en zij maakte daarvan
een edelmoedig gebruik, zoodat zij als eene weldoenster bekend stond.
Daarbij was zij buitengemeen vroom en eene gulle gastvrouw, die de
kloosterbroeders van Emmaüs geregeld ten eten vroeg. Erasmus, wien zij
meer dan één der andere jongelieden genegen was, bewondert hare
onbegrensde godsdienstigheid, en brengt daarvan voorbeelden bij. Niet
alleen wijdde zij onafgebroken hare zorgen aan een groot hospitaal te
Gouda; maar ieder jaar, op Goeden Vrijdag, noodigde zij te harent
dertien armen, wien zij vóór het aan tafel gaan zelve de voeten waschte.
Eene harer dochters, pas zes weken gehuwd, werd door eene noodlottige
ziekte aangetast. De moeder deed Erasmus hiervan kennis geven; en in de
meening haar doodelijk bedroefd te zullen vinden, snelde hij naar hare
woning. Doch Bertha van Heyen, zoo heette de matrone, zeide tot hem toen
hare dochter den adem had uitgeblazen: "Gij komt mij troosten, als ware
ik gekrenkt in mijne regten of moedwillig geplaagd; maar is niet hij,
die mijne dochter mij ontneemt, dezelfde die haar mij gegeven heeft? Ben
ik tot weeklagen bevoegd? Zij is heengegaan tot straf voor mijne
ongeregtigheden."[11]
* * * * *
Het verdient opmerking dat Erasmus, die later de monniken zoo ijverig
nagezeten, zoo geestig en openhartig de jonge meisjes van de wereld
vermaand heeft geen nonnen te worden,[12] met zooveel ingenomenheid over
het offer der Margareta zijner jonge jaren spreekt en over het "hokje"
van Thomas a Kempis. Maar het is óók merkwaardig dat reeds in de hulde
aan Bertha van Heyen uitdrukkingen voorkomen die op een begin van
ontgoocheling wijzen.
Schier onmiddellijk heeft Erasmus gevoeld dat de meeste hollandsche
monniken zijner dagen onopgevoede lieden waren, en zij in het gezelschap
eener beschaafde vrouw zich niet wisten te gedragen. "Wanneer wij bij
Bertha aan tafel zaten," herinnert hij, "en een onzer zich van
uitdrukkingen bediende die den goeden naam van den medemensen benadeelen
konden, dan maakte zij aan het verderfelijk gepraat terstond een einde,
zeggende: Ik bid u, broeders, laat mij aan mijn disch geen woorden uit
uw mond vernemen waardoor een afwezige beleedigd wordt! Spaart mij ook
het overbrengen van zaken die derden niet tot eer strekken: dit vleit
mijne ooren niet."[13]
Zulk eene vrouw, gevoelde hij, behoefde den sluijer niet aan te nemen om
eene voortreffelijke christin te mogen heeten. Sprekend van hare jeugd:
"Zij was schoon," zegt hij, "zij was rijk, zij was een toonbeeld van
deugd en godsvrucht; waarom trok zij zich niet uit de wereld terug, en
ging zij niet in een klooster? zult gij vragen. Zeker, dit ware
voorzigtiger geweest. Maar volgens mij is het een verreweg schooner
eeretitel, te midden van de verleidingen der ondeugd een rein en
onschuldig leven te leiden, en met zelfbewustheid zijn eigen weg te
gaan, terwijl de wereld om ons heen jaagt en drijft. Alleen de deugd
stelt daartoe in staat."[14]
Vroegtijdig heeft Erasmus het klooster bemind; met welgevallen de
tonsuur aanvaard, en door den bisschop van Utrecht zich tot priester
laten wijden. De drang van buiten, welke daarbij gebezigd mag zijn,
heeft minstens voor de helft uit overreding bestaan. Voor méér dan de
helft was het toetreden vrijwillig.[15]
Doch even vroegtijdig heeft hij gevoeld dat voor het verwezenlijken van
een ideaal als het zijne,--een leven voor de studie, van de studie, om
de studie,--het klooster gemist kon worden, en veeleer den naam van
struikelblok of ergernis dan van hulpmiddel verdiende. Niemand had hem
"in de kap gestoken," gelijk naderhand de minachtende zegswijs luidde.
Uit eigen overtuiging, zoo niet uit eigen beweging, had hij zich den
strop om den hals gehaald. Maar pas was het koord bevestigd of hij
gevoelde dat het een koord was, en zijn bestaan dat van een vogel op een
kruk geleek.
In die stemming schreef hij te zelfder tijd de _Ode aan een vriend_,
welke zulk een diepe neerslagtigheid ademt, en die bewijst dat het hem
gemakkelijker viel anderen met woorden de kloosterkevie smakelijk te
maken, dan voor de vleugelen van zijn eigen geest zich met zoo weinig
ruimte te vergenoegen: "Wee mij! Door droefheid, wanhoop, en arbeid,
word ik verteerd. Een wreed lot gunt mij geen oogenblik verademing,
brengt niet de geringste verzachting voor mijn leed. Treurige dagen
voor, treurige na! Door welke misdaad heb ik den Hemel beleedigd, dat ik
eene straf moet lijden de martelingen waardig van den Styx? De aarde ten
minste wordt na de zomerhitte door lange dagen vol schaduw en nevelen
verkwikt; de sneeuw komt en verdwijnt, naarmate de velden haar behoeven
of kunnen ontberen. Mij brengen de saizoenen geen stilling van pijn;
onafgebroken vervullen de droefgeestige zorgen mijne ziel; tranen doen
gedurig mijne oogleden zwellen."[16]
Is het mogelijk een glimlach te onderdrukken wanneer men bedenkt hoe
weinig de jonge man, die onder zijn leed zoo diep gebukt ging, noodig
had om gelukkig te zijn? Welk gering verschil, voor het uitwendige, er
bestond tusschen de kloostercel zijner jeugd, die hij verwenschte, en de
studeercel van zijn manlijken leeftijd, naderhand zijn hemel op aarde?
Nooit heeft Erasmus naar een huwlijk getaald; nooit het als zijne
roeping beschouwd huisvader te worden; nooit eene openbare betrekking
willen vervullen. Wanneer hij in den vollen bloei der jaren de
zamenspraak van _den Officier en den Karthuizer_ schrijft, dan ontwerpt
hij van den laatste een zoo innemend beeld, dat hijzelf er jaloersch van
schijnt.[17] Maar die geïdealiseerde karthuizer is een monnik op het
geduldig papier; en zoo Erasmus te Stein en in het klooster Emmaüs
gebleven was, dan ware voor het leven zijn lot dat van een monnik der
werkelijkheid geweest. Niet om nieuwe banden of om bandeloosheid was het
hem te doen, maar om vrijheid. Zijn land, gevoelde hij, was grooter dan
zijn klooster, de wereld grooter dan zijn land, en er viel daar buiten
eene even nuttige als roemrijke levenstaak te vervullen. In zijne cel
zelve had de beweging der eeuw hem aangegrepen; uit zijne boeken was de
tegenstelling eener barbaarsche omgeving en van een hoogeren standaard
van beschaving hem openbaar geworden; naar _die_ lucht en _dat_ licht
strekte zijn verlangen zich uit. Zóó ten minste verklaren wij ons zijn
ongeduldig bijten in de staven van zijn tralievenster, tien jaren lang.
Er is in Erasmus' leven, nadat als geleide van een jongen schotschen
koningszoon gunstiger omstandigheden hem eindelijk naar Rome gevoerd
hadden, en hij in de drukkerij van Aldo Manuzio de proefbladen zijner
herziene _Spreekwoorden_ had mogen korrigeren; er is een tijd gekomen
dat één ding bij hem nog boven Italië ging: Bazel en de vrijheid. Met de
jaren is het hem duidelijk geworden dat eene werkzaamheid als die zijner
droomen, niet gebonden was aan het land of de stad waar het toeval de
beschaving der oudheid, uit het Oosten verdreven, eene vlugthaven had
doen vinden. Onverschillig dat de Italianen hem niet noodig hadden; zij
voor het openbaar onderwijs hem niet gebruiken konden; zijn nederlandsch
accent, bij het latijnspreken, een hinderpaal was.[18] Niet in het
spreken lag zijne grootste kracht, maar in het schrijven. Hij was in de
wieg gelegd voor leermeester van Noord-Europa met de pen.
Maar in zijne jeugd hunkerde hij slechts naar Italië; en voor de tweede
maal is hij de wanhoop ten prooi wanneer, na een snel vervlogen uitzigt
op welstand en onafhankelijkheid, de vloek der armoede hem op nieuw aan
de plaats bindt.
Het heeft niet gebaat dat een bisschop van Kamerijk, verlegen om een
bekwaam jong sekretaris, daarover naar Utrecht schreef en op aanbeveling
van den prior van Emmaüs onzen veelbelovenden augustijner in dienst nam.
Het doel waarvoor die prelaat hem wilde gebruiken werd gemist, en het
eenige wat de ex-sekretaris bij zijn wisselen van loopbaan gewonnen had
was, dat hij zich naar Parijs had kunnen verplaatsen.
Zijne studiën kon hij daar voortzetten ja, en door het geven van
privaatlessen aan een rijken engelschen knaap of jongeling, lord
Mountjoy, er in zijn onderhoud voorzien. Verdiende hij eene kleinigheid
extra, door voor boekverkoopers te werken, dan kon hij zich een
uitstapje naar Zeeland, naar Engeland veroorloven, en oude
kennismakingen gaan vernieuwen of nieuwe aanknoopen. Doch wat gaf dit
voor de bevordering der groote zaak, wanneer hij naging dat hij de volle
dertig reeds achter den rug had, en hij van den eenen dag op den ander
nog altijd voor zijn brood moest vechten?
Bovendien was Parijs het einddoel zijner wenschen niet. Parijs had
opgehouden het brandpunt der beschaving van den dag te zijn. Het
vrijzinnig Collège de France bestond nog niet. Officieel had aan de
Sorbonne de middeneeuwsche scolastiek nog het hoogste woord. Parijs werd
tijdelijk overschaduwd door Rome. Wie op dat oogenblik naar kennis uit
de eerste hand haakte, had zich naar Italië te begeven. Alleen een in
Italië gehaalde doktorale hoed stempelde toen den man van studie tot
iets meer dan de meesten.
Wij raken hier aan een maatschappelijken misstand der 16de eeuw, welke
eerst driehonderd jaren later, in sommige groote landen of groote steden
van Europa, weggenomen is. Walter Scott kon, ofschoon hij aanvankelijk
slechts door Engelschen gelezen werd, een fortuin bijeenverzamelen.
Erasmus heeft, in weerwil dat zijn latijn hem den toegang tot de
beschaafde en welvarende kringen van een geheel werelddeel ontsloot, het
nooit verder kunnen brengen dan het vinden van een uitgever.
Het eenige wat wij zeggen kunnen is dat het in de 15de eeuw nog erger
was. De voortreffelijke Froissart, die als dolend ridder van de pen
eenigszins als een voorlooper van Erasmus beschouwd kan worden;
Froissart, óók van afkomst een burgerjongen, óók opgeleid voor priester,
óók als partikulier sekretaris zijne loopbaan aangevangen, heeft geen
andere keus gehad dan òf zijn talent te begraven, òf een tafelschuimer
te worden.[19] Er was voor zulke geboren auteurs, in onmin met de
kloostercel, niet geschikt voor de routine van het openbaar onderwijs,
in de middeneeuwsche zamenleving geen plaats. Al de dichters van dien
tijd, wanneer zij alleen dichters zijn, zijn schooijers. Al de
prozaschrijvers, wier eenig kapitaal in portefeuille hun proza is,
lijden gebrek.
Door het vinden der boekdrukkunst is die wanverhouding allengs
uitgesleten. Doch Erasmus was jong in een tijdperk van overgang, toen er
reeds zeer vele boeken gedrukt werden, maar nog in lang niet genoeg om,
behalve het dekken van de kosten der uitgaaf, ook in het levensonderhoud
van den schrijver te voorzien. Onbemiddelde auteurs verbonden zich als
korrektoren aan de drukkerijen en ontvingen daggelden. Van honorarium
voor werken van eigen geest was geen spraak. Het gold zelfs niet voor
eervol, geld aan te nemen van een uitgever.[20] De onbemiddelde zocht
het vermogend patronaat van een man of eene vrouw van de wereld.
Froissart, die niet studeerde; die met geen ander doel dan het
verzamelen van historische anekdoten uit den mond van tijdgenooten nu
het eene dan het andere land bezocht; die met voorbeeldige vlijt er zich
toe bepaalde zijne reeds voltooide verhalen om- en nogmaals om te
werken,--had genoeg, heden aan de gunst eener henegouwsche prinses,
koningin van Engeland geworden, morgen aan de edelmoedigheid van een
half henegouwschen graaf van Blois. Hij kon zijn werk verrigten zoo maar
zijn bed en zijn disch gespreid waren, en de beschermers niet
onbescheiden veel offers van zijne vrijheid vergden.
Erasmus in geenen deele. Deze had voor zijne studiën onophoudelijk
nieuwe hulpmiddelen noodig; moest op verschillende plaatsen bibliotheken
gaan raadplegen, of gaan spreken met geleerde mannen; kon er niet komen
zonder het minimum eener eigen boekerij of het diminutief eener eigen
studeerkamer.
Niet dat hij van het leven of van zijn vak zooveel eischte als vijftig
jaren te voren den italiaanschen filoloog Filelfo in den schoot gevallen
was. Op zijn achttiende jaar was Filelfo hoogleeraar in het grieksch te
Padua geweest. Venetië had hem het eereburgerschap aangeboden, en
daarbij eene zending naar Konstantinopel, waar hij zijne grieksche
studiën naar hartelust kon uitbreiden. Een hertog van Milaan had hem
overvloedig begiftigd; een paus door schitterende aanbiedingen hem naar
Rome gelokt.[21]
Maar al vlamde Erasmus' eerzucht niet op zulke wijdluftige
onderscheidingen; al zou de herinnering van Filelfo's beklagelijk
uiteinde, het gerucht van Filelfo's ondragelijk humeur, hem eer
waarschuwend afgeschrikt dan aangemoedigd hebben, hij kende zijne
behoeften. Zijne wenschen waren: een mak, maar welgebouwd en welgezadeld
paard voor hemzelf, om naar regts en links zich vrij te kunnen bewegen;
nog een paard voor zijne boeken en schrijfbenoodigdheden; een derde
paard voor een vlug en knap bediende, desnoods in staat uit naam zijns
meesters eene litterarische boodschap te gaan verrigten; eindelijk een
klein vast inkomen, genoeg om in het onderhoud van knaap en dieren
ongestoord te kunnen voorzien, en onverdeeld zich aan zijne studien te
kunnen wijden. Voor het overige niemands knecht, niemands afhankelijke
huisgenoot, niemands loontrekkend dienaar.[22]
Gedurende den geheelen namiddag van zijn zeventigjarig leven is deze
bescheiden overvloed Erasmus' deel geweest; en hij heeft zijne eenmaal
verworven onafhankelijkheid verdedigd met de angstvallige zorg van
iemand die bij ondervinding den bitteren bijsmaak van het brood der
maatschappelijke ballingschap kende, en hoe zwaar het valt vreemde
trappen te beklimmen. Eene nederlandsche Statenvergadering bood wel wat
laat hem een eervol geschenk in geld aan; engelsche vrienden hielpen hem
aan eene of meer prebenden; keizer Karel V benoemde hem tot staatsraad,
met vrijheid zijn traktement (indien het betaald werd) te verteren op de
plaats zijner keus.
Jaren lang heeft Erasmus op die wijze, eerst bij afwisseling, daarna
voor goed, onbezorgd te Bazel kunnen leven; heeft naar welgevallen zich
kunnen verplaatsen; te Freiburg zich een huis kunnen doen bouwen; paus
Paulus III voor een kardinaalshoed kunnen bedanken; het zich niet
behoeven aan te trekken, dat de inkomsten van een door dien kerkvoogd
hem toegedacht deventersch prioraat hem ontgingen.
Hadden de krachten slechts toegereikt, zijn middelen zouden in het
laatste levensjaar hem niet verboden hebben Besançon als woonplaats te
kiezen, en er den bazelschen hervormingsijver te gaan ontwijken. Uit
zijne nalatenschap, die zevenduizend dukaten bedroeg, konden de
algemeene armen te Bazel ruim bedacht worden, en goede vrienden tot een
aandenken een of ander kostbaar voorwerp ontvangen.[23]
Heeft Shakespeare het zaliger gevonden een huis en een inboedel te
kunnen koopen? Of was Erasmus gelukkiger iets te kunnen nalaten? Een
testament te kunnen dikteren aan een notaris?[24]
Wie zich eene voorstelling wenscht te vormen van hetgeen, toen het
zonnetje van den betrekkelijken voorspoed nog door moest breken, Erasmus
in zijne jongelingsjaren uitgestaan en geleden heeft, denke zich een man
als onzen voortreffelijken land- en ouderen tijdgenoot Groen van
Prinsterer (sommige portretten van Erasmus en sommige van Groen
vertoonen een zweem van gelijkenis,[25]) en vrage zich hoe het zulk een
fijnbewerktuigden geest in een tenger ligchaam te moede zou geweest
zijn, zoo hij gedurende de eerste veertig levensjaren met eene gemeene
soort van armoede had moeten worstelen? Te moede, ondanks het gunstig
verschil tusschen de maatschappelijke toestanden en hulpmiddelen in de
eerste helft der 19de eeuw en de laatste helft der 15de. Ondanks het
stammen uit een met onderscheiding bekend geslacht, en het niet
schrijnen of knagen van als een stigma beschouwde kloostergeloften.
Enkel onder het dagelijks stuiten van een groot verstand op eene botte
omgeving; van een gevoelig hart op de algemeene onverschilligheid; van
uitgezochte kundigheden op eene onwetendheid van de ruwste soort. Onder
het botsen, in één woord, van een schuw en stil ideaal op het walgelijke
eener werkelijkheid, die, nachtmerrie bij dag, zulk een geest bovenal
van eene lompe en luidruchtige paardemarkt doet droomen.
Voor alle mannen met buitengewone gaven die als vondelingen in het leven
geworpen worden, is de wereld eene harde leerschool; het hardst voor
mannen met een vrouwelijken aard, op wier genie de tegenspoeden, welke
andere karakters louteren of sterken, de werking van een hagelslag doen.
Het hangt zamen met het bijzondere in Erasmus dat de teleurstellingen
zijner lange leerjaren niet in staat zijn geweest zijn humeur te
bederven, al prikkelden zij in hooge mate zijn ongeduld. In eene eeuw
toen alle menschen in alle dingen met heftigheid partij kozen, en men
geen goed burger scheen te kunnen zijn zoo men niet wit of zwart,
vierkant vóór of vierkant tegen was, wist hij met ongeëvenaarde
geestkracht zich voor uitersten te hoeden en, gelijk hij tot een
werelddeel het woord rigtte, een werelddeel te staan. De lutheranen
hebben hem verweten onverbeterlijk roomsch, de roomschen meer dan een
halve lutheraan te zijn. Humanisten hebben hem gehavend als een
afvallige, en theologen wegens zijn humanisme hem uitgemaakt voor een
libertijn. Een filoloog heeft hem gescholden wegens zijn berispen eener
ciceroniaansche latiniteit; en zijn roem was latijnsche brieven te
kunnen schrijven, fraaijer dan sedert Cicero iemand in Europa gedaan
had. Een paus aanvaardde de opdragt van zijn Nieuw Testament, en een
pausgezind keizer liet door dienaren der Inquisitie de exemplaren
ophalen en vernietigen. Tijd- en landgenooten van hem zijn levend
verbrand wegens het voorstaan van meeningen die ook de zijne waren; en
hijzelf zou al zijne meeningen verloochend hebben, liever dan één zijner
medemenschen op het schavot te brengen. Geboren Nederlander, was hij
tegelijk een geboren kosmopoliet. Voortgekomen uit het volk, haatte hij
noch het volk, noch de burgers, noch de edelen. Gehoorzaam zoon der
katholieke kerk, was hij onvermoeid in het plagen harer bestuurders.
Onkundige monniken waren het schrikbeeld van den gewezen augustijner;
doch hij vond de luthersche hagepredikers geen aanwinst voor de
beschaving. Gekroonde hoofden vereerden hem met hunne vriendschap; toch
ontsnapten zelfs de dragers eener driedubbele niet altijd aan zijne
kritiek. Hij was misschien de wijste man van zijn tijd, en zou blijven
leven als type van den lofredenaar der dwaasheid.
Er bestaan van Erasmus, behalve zijn boeken, meer dan achttien honderd
brieven.[26] Geen ander menscheleven der 16de eeuw is in dezelfde mate,
uit duizend bijzonderheden, bekend als het zijne. Doch te vergeefs zal
men iemand zoeken die meer dan hij een man uit één stuk geweest is;
hetgeen de kunstkenners een rok zonder naad, de manskleedermakers onzer
dagen, in de dievetaal der mode, _un complet_ noemen. Al zijne deugden
hebben de daarbij behoorende gebreken tot foelie; al zijne gebreken zijn
de gebreken zijner deugden.
Of op welke andere wijze te verklaren dat in zijne jeugd, ondanks de
gevoeligheid zijner zenuwen, de armoede gemakkelijker zijn ligchaam dan
zijn geest ten onder zou gebragt hebben; en in de dagen zelf van zijn
verblijf te Parijs of te Orleans, toen een schamel kosthuis de eenige
weelde was die hij zich veroorloven kon, het aandacht schenken aan eene
vechtpartij tusschen zijne hospita en haar dienstmaagd, hem geen
onwaardig tijdverdrijf scheen?
Ik doel op een der brieven uit het jaar 1500 of daaromtrent, die, in
vakantiedagen uit Nederland aan vrienden in Engeland of Frankrijk, op
werkdagen uit Frankrijk aan vrienden in Nederland gerigt, van Erasmus'
toenmalige stemming, en van het ongemeen karakter dat levenslang het
zijne geweest is, ons zulk een goed denkbeeld geven.
Een geletterd en welgesteld nederlandsch koopman, van wien wij niets
anders weten dan dat hij Christiaan heette en een jongere broeder door
hem naar Parijs gezonden was om onder Erasmus' leiding zijne studiën te
voltooijen of aan te vangen, bekomt vandaar nu en dan een schrijven.
"Ik heb," meldt Erasmus hem op een keer, "ik heb het buitengewoon druk
gehad vandaag. Waarmede? zult gij vragen. Antwoord: met het bijwonen
eener tooneel-, eene boeijende tooneelvoorstelling.
"Was het een blijspel, was het een treurspel? Al naar gij het nemen
wilt. Weet alleen dat geen der spelers dramatisch uitgedost was; het
stuk telde maar één bedrijf; geen fluiten begeleidden het koor; de
vertooners hadden geen hooge schoeisels aan, maar gingen barvoets; er
werd niet gedanst; het tooneel was de vlakke bodem, mijn eetvertrek het
amfitheater. Naarmate zij zich verwikkelde werd de handeling
spraakzamer, en omstreeks de ontknooping was de luidruchtigheid
volkomen.
"Gij denkt dat ik voor uw amusement eene klucht verzin? Toch niet,
Christiaan, ik ben historieschrijver. De voorstelling waarvan ik getuige
was werd gegeven door mijne huiswaardin, in tweegevecht met hare maarte.
De klaroen had reeds geruimen tijd weerklonken vóór de strijd aanving;
ik bedoel, er ging eene heftige woordenwisseling vooraf. Op dit gebied
stonden zij elkander, en geen van beide partijen behaalde de
overwinning. De handeling geschiedde in den tuin, terwijl ik voor het
venster der eetkamer zwijgend, doch niet schreijend, stond toe te zien.
"Maar nu de katastrofe! Na afloop van den strijd kwam de gedienstige in
mijne zitkamer de bedden doen, en onder een praatje maakte ik haar mijn
kompliment dat zij wat kraaijen en schelden aanging hare meesteres niets
toegegeven had, doch betuigde tevens mijn leedwezen dat zij dapperder
scheen in het roeren harer tong dan van hare handen. Want de waardin,
een gespierde virago en athletisch gebouwd vrouwspersoon, had de
gewoonte hare knoken te doen nederkomen op het hoofd der arme maarte,
veel kleiner dan zij. Hebt gij geen nagels, vroeg ik haar, dat gij dit
geduldig verdraagt?
"Lagchend antwoordde zij dat het haar minder aan moed dan aan krachten
haperde.--Denkt gij, vroeg ik, dat het in den oorlog bovenal op krachten
aankomt? In iedere militaire ontmoeting is het plan het voornaamste.
--Zij vroeg welk plan ik haar aan de hand kon doen.--De eerste maal dat
zij weder de handen aan u slaat, zeide ik, moet gij onmiddellijk haar de
muts van het hoofd rukken (want te Parijs hebben de vrouwen van zekeren
leeftijd de zonderlinge hebbelijkheid zwarte mutsen te dragen) en haar
dan in het haar vliegen.
"Ik dacht in het minst niet dat zij deze scherts ernstig opnemen zou;
maar 's avonds, tegen etenstijd, kwam een der jonge mannen die met uw
broeder en mij in ditzelfde kosthuis wonen, ademloos naar binnen loopen
en riep: Vrienden, zoo gij een bloedige kloppartij wilt zien, komt dan
spoedig!--Wij repten ons wat wij konden, en vonden onze hospita en haar
meid slaags in den tuin. Niet zonder moeite scheidden wij haar. De
stukken getuigden hoe moorddadig de strijd geweest was. Hier eene muts,
daar een sluijer, de bodem bestrooid met vlokken haar; zoo meedogenloos
waren zij elkander te lijf gegaan.
"Aan tafel verhaalde de waardin, ten zeerste verbolgen, hoe brutaal de
maarte zich gedragen had.--Ik wilde haar teregt zetten, zeide zij (zij
meende: ik wilde haar de kracht mijner vuisten doen gevoelen), toen zij
in een oogwenk mij de muts van het hoofd rukte. (Het werd mij duidelijk
dat ik niet te vergeefs gesproken had). En toen, ging zij voort, toen
smeet de helleveeg mij de muts in het gelaat (dit punt was door mij niet
aangeroerd), en toen, toen trok zij mij hier, en hier, en hier, de haren
uit, ziet!
"Hemel en aarde nam zij tot getuige, nog nooit zulk een boosaardig klein
ding in hare dienst gehad te hebben.
Wij vestigden hare aandacht op het menschelijk: _'t Kan verkeeren_, en
op de wisselvalligheid der krijgskansen. Intusschen wenschte ik mijzelf
geluk dat zij mij niet verdacht zijdelings in de zaak betrokken geweest
te zijn, anders zou ik op mijne beurt ondervonden hebben dat zij eene
tong tot hare dienst had."[27]
Ook bij Dante vindt men ergens zulk een tooneel geschilderd, en zelfs
gaat Dante nog verder; hij deelt de eigen woorden der kijvenden
mede.[28] Doch Erasmus heeft niet, zooals Dante op die plaats, een
litterarisch bijoogmerk. Hij vischt alleen uit den weedom van zijn
knechtsbestaan de vermakelijke anekdote en teekent, met hetzelfde
nederlandsch schilderstalent als zijn toekomstige vriend Quinten Metsys
het in die dagen de antwerpsche woekeraars doet, twee vechtende
parijsche wijven.
* * * * *
De vrouwen hebben in het volgend leven van Erasmus zoo weinig plaats
ingenomen, en hoewel de boeken hem nooit van de gezelligheid konden
vervreemden, doet nogtans zijne bekende kamergeleerdheid dit op een
afstand zoo natuurlijk schijnen, dat wij van zijne verpligtingen aan het
zwakkere geslacht, de keeren dat die voor de geschiedenis zijner
ontwikkeling in aanmerking komen, gaarne melding maken.
Eene nederlandsche vrouw uit het volk, zijne moeder, heeft met liefde
over zijne kinderjaren gewaakt; eene nederlandsche poortersvrouw den
jongen monnik hare vriendschap geschonken, en het eerst hem van zijne
medekloosterlingen onderscheiden; eene nederlandsche edelvrouw het eerst
in zijne toekomst geloofd, en hem ontvangen in haar huis.
Zij was weduwe en deugdzaam, evenals Bertha van Heyen, maar vele jaren
jonger dan deze; eene vrouw van de groote wereld, min of meer patrones
van wetenschappen en letteren; doordrongen van het besef dat zij hare
kinderen, en in de eerste plaats haar eenigen zoon, eene waardige
opvoeding schuldig was. Had het van haar afgehangen, Erasmus' kansen op
lotsverbetering in de moeijelijke jaren van zijn zwerven tusschen
Engeland en Frankrijk zouden niet enkel kansen gebleven, het uitzigt zou
eene werkelijkheid geworden zijn.
Door haar huwelijk met een afstammeling uit het Huis van Bourgondië,
zoon eens halven broeders van Karel den Stoute, was Anna van Borssele
eene prinses van den bloede, vermaagschapt, toen Erasmus haar leerde
kennen, aan den spaanschen troonopvolger Filips den Schoone (1478-1506).
Haar moeder was eene Bourbon; haar vader, met of na den abt van
Middelburg, eerste edele van Zeeland; zijzelve, als eenig kind, de
erfgenaam van al haar vaders inkomsten en bezittingen als heer van
Vlissingen, van Veere, van Cortgene, en verdere plaatsen op de zeeuwsche
eilanden. Hare beeldtenis, in half middeneeuwsch-, half
renaissance-gewaad, vult nog heden eene der zeven nissen van het fraaije
veersche raadhuis, voltooid of aangevangen door haar kleinzoon,
Maximiliaan van Bourgondië.[29]
De geduchte aderlatingen aan welke Karel de Stoute, Maximiliaan van
Oostenrijk, Filips van Spanje, als graven van Holland en Zeeland gewoon
waren hunne zeeuwsche en hollandsche edelen te onderwerpen; heffingen in
geld, in schepen, in troepen, belastingen in den vorm van kostbare
opdragten of gezantschappen; schijnen ten laatste zelfs een zoo
aanzienlijk fortuin als dat van Anna's vader, Wolferd VI van Borssele,
uitgeput te hebben. De schitterende erfdochter aanvaardde eene met
schulden bezwaarde nalatenschap.[30]
Misschien had een tweede huwelijk, met een man van een groot vermogen,
al ware het van minder rang of meer leeftijd, alles weder in het gelijk
kunnen brengen. Doch de dertigjarige weduwe, die in haar eersten echt
niet op rozen gesluimerd had, wilde daar niet van hooren. Juist in den
tijd harer kennismaking met Erasmus, slechts vier of vijf jaren haar
oudere, had zij hare zinnen op een jonkman van buitengewone schoonheid
maar van middelmatige geboorte en weinig inkomsten gezet, zekeren heer
Lodewijk van Montfoort, berooid Adonis. Het pleit voor hare volharding
dat zij ten slotte den man harer keus, dien zij binnen weinige jaren
verliezen zou, als heer van Veere heeft weten te doen huldigen; doch het
huwlijk mishaagde de bloedverwanten van bourgondische zijde zeer.
Processen en inbeslagnemingen waren het gevolg. De schijnbare
millionaire was inderdaad betrekkelijk arm.[31]
Had Erasmus dit alles van het begin af geweten, hij zou, toen een zijner
zeeuwsche of noordbrabantsche vrienden gouverneur van prinses Anna's
zoontje geworden was en in brieven naar Parijs hem een- en andermaal den
lof der moeder en van den knaap gezongen had, zich niet verblijd hebben
met eene doode musch. Deze hersenschim was de laatste groote
teleurstelling zijner jeugd.
Sedert hij gehoor gegeven had aan de uitnoodiging der prinses, haar op
het kasteel Cortgene een bezoek te komen brengen; hij aan haar
voorgesteld was; hij van haar beminlijk karakter, hare degelijkheid,
haar smaak voor de fraaije letteren, den gunstigsten indruk ontvangen
had en verblind was door den schijn van grootheid harer levenswijze,
verbeeldde hij zich dat zij slechts één woord behoefde te spreken om hem
tot het ondernemen der vurig begeerde Italiaansche reis in staat te
stellen. Hare gulle ontvangst; hare beloften in den eersten tijd,--toen
zij zelve nog niet wist hoe vijandig de betrekkingen van haar eersten
man haar gezind waren, en hoe afhankelijk hare nieuwe huwlijksplannen
háár maken zouden,--versterkten hem in dien waan. De herinnering der
goede dagen, op Cortgene doorgebragt, liet hem niet weder los. Eene
vorstin van dien rang, gebiedster over eene halve provincie, nicht van
den souverein, levend op zulk een voet, scheen hem toe zich in goud te
baden. Niemand moest het gemakkelijker vallen, niemand aangenamer zijn
dan haar, een armen augustijner-monnik met een aanleg als den zijnen en
nog zonder betrekking, in de gelegenheid te stellen zijne studiën te
gaan voltooijen. Was het niet eervol voor eene nederlandsche edelvrouw
de erkende beschermster te heeten van een geleerde, die zich voorbestemd
grondlegger der noord-europeesche renaissance gevoelde?
Een half dozijn brieven, onder den verschen indruk der even snel
verijdelde als opgewekte verwachting uit Nederland en uit Parijs
geschreven, doen ons van dit jongste maatschappelijk stormpje in
Erasmus' binnenste met belangstelling getuigen zijn. Twee of drie zijn
gerigt aan den zeeuwschen gouverneur van den kleinen Adolf van
Bourgondië, Jacobus Battus, vriend van Erasmus' jongelingsjaren, man van
niet gewone bekwaamheden, door den dood weggenomen eer hij zijne volle
maat had kunnen geven.[32] Een voert het adres van den jongen Mountjoy,
Erasmus' engelschen élève te Parijs.[33] Een het adres van prinses Anna
zelve. Het is een lofdicht in proza, geschreven toen de schoone
vooruitzigten nog niet vernietigd waren.[34]
Moesten wij alleen naar dien laatsten brief oordeelen, wij zouden van
den stand der zaak geen duidelijke voorstelling, en bovendien noch van
Erasmus' goeden smaak, noch van den goeden smaak der prinses, eene
gunstige meening bekomen. Zulke offers aan de tijdsgelegenheid vormen
zelden, na zoovele jaren, eene aangename lektuur. Het is niet natuurlijk
den briefvorm te bezigen ten einde eene dame hare eigen
levensgeschiedenis te verhalen, uit te weiden in hare verdiensten als
vorstin, als vrouw, als jonge moeder, en de lotgevallen van haar
geslacht in herinnering te brengen. Nog stijver is het, indien zij bij
toeval Anna heet, daarbij de zuster van koningin Dido, de moeder der
maagd Maria, en de moeder van den profeet Samuel, om beurten te pas te
doen komen. Erasmus zelf vond dien stijl even slecht als wij, en hij
heeft voor een keer er zich alleen van bediend, omdat hij zich
voorstelde dat het zoo behoorde.
Zijne eigenlijke meening leeren wij eerst uit de brieven aan Battus
kennen; eenerzijds zijne levendige hoop dat alles nu goed zal gaan, en
tegelijk zeker voorgevoel dat de zaken eene verkeerde wending zullen
nemen. Het treft hem eene zoo beleefde uitnoodiging ontvangen te hebben;
en in zijn schroom is hij maar half zeker, ten huize der prinses eene
goede vertooning te zullen maken. Maar het verwondert hem tevens dat zij
ten behoeve der reis hem een afgeleefd paard zendt, en als reisgeld eene
zoo geringe som dat de kosten daarmede onmogelijk goedgemaakt kunnen
worden. Kan warmte het einde zijn van zulk een koel begin? vraagt hij
zich af.
Na de persoonlijke kennismaking is hij opgetogen over hare
wellevendheid, hare vriendelijkheid, hare goedhartigheid. Zij belooft
hem een jaargeld van twee honderd gouden franken; en hij twijfelt niet
of Battus zal, opdat hij alvast naar Italië vertrekken kunne, haar weten
te bewegen hem een wissel van dat bedrag op een parijsch huis te doen
zenden. Hij is bezig de eerste uitgaaf zijner _Adagia_ (achthonderd
grieksche en latijnsche spreekwoorden, toepasselijk uitgebreid) voor de
pers gereed te maken. Zijn plan is, dat boek op te dragen aan haar
zoontje Adolf. Hij korrespondeert onderwijl met haar in het fransch;
ongetwijfeld vreezend dat te veel latijn haar afschrikken zal. Maar een
vol jaar verloopt, en hij bekomt niets.
Zonder afgunst verneemt hij dat Battus intusschen een anderen jongen
Nederlander aan haar voorgesteld, en zij ook dezen minzaam ontvangen
heeft. Die andere, Willem van Gouda, is een voormalig stadgenoot en
mede-kloosterling, een talentvol dichter, een boezemvriend.[35] Het
pleit, erkent Erasmus, voor het oordeel der prinses, behagen in hem te
vinden. Maar het zou hem niettemin leed doen, zoo hijzelf dien ten
gevolge moest achterstaan; en hij is niet overtuigd dat vriend Willem,
die, als dichters zijn, gaarne in gezelschap gaat en een goed glas
drinkt, van hare gaven een even nuttig gebruik zal maken als door hem
gedaan zou zijn.
Battus schrijft naar Parijs dat de financiën der prinses niet in den
bloeijendsten staat verkeeren; en over niet langen tijd, bij een nieuw
bezoek aan Zeeland, zal Erasmus persoonlijk zich kunnen vergewissen dat
dit helaas geen verzinselen zijn. Hij zal dan bevinden dat hare goederen
op hoog bevel zijn gesequestreerd, haar persoon onder toezicht is
gesteld, en zij veeleer in de termen valt onderstand te ontvangen dan te
verleenen. Doch aanvankelijk, nog onder den indruk van den staat dien
zij voert, houdt hij dit voor praatjes, en schrijft hare verlegenheid
hieraan toe dat zij ter wille van den jongen bruidegom, dien zij
liefheeft, buitensporige verteringen maakt.
"Zij verdoet," schrijft hij terug, "zij verdoet haar tijd en haar geld
aan haar Lodewijk (_nugatur et lusitat_); en zoo _dit_ haar voorwendsel
is om niets te geven, dan voorzie ik dat zij _nooit_ iets geven zal;
want zulke verontschuldigingen hebben de grooten altijd bij de hand.
Eene fraaije zaak, inderdaad, dat zij niet een paarhonderd franken voor
mij kan afzonderen, waar zulke kapitale sommen in den bodemloozen put
der huishouding verdwijnen! Aan middelen voor het onderhoud van ik weet
niet welke domme priesters heeft zij geen gebrek; maar om de
onafhankelijkheid te verzekeren van een die boeken zou kunnen schrijven,
waardig onsterfelijk te blijven voortleven--houd mij deze grootspraak
ten goede!--daarvoor schiet niet over. Laat het zoo zijn dat zij in
ongelegenheid geraakt is; dit is hare eigen schuld. Waarom legt zij het
aan met dien welgemaakten saletjonker (_bellus ille homunculus_), in
plaats van, zooals hare jaren en de hulpbehoevendheid harer sekse
betamen zou, te hertrouwen met een achtbaar en ingetogen man? Zet zij
zich dit niet uit de kruin, dan voorzie ik dat zij nog in grooter
moeijelijkheden raken zal. En meen niet dat ik zoo spreek uit eenigerlei
vijandige gezindheid! Integendeel, ik heb haar lief; gelijk niet meer
dan mijn pligt is, wanneer ik bedenk hoe voorkomend zij mij ontvangen
heeft. Maar ik bid u, welk verschil zou het maken, voor een fortuin als
het hare, zoo ik tweehonderd franken bekwam? Op mijn woord, zeven uren
daarna zou zij zich naauwlijks herinneren het geld te hebben
weggeschonken!"[36]
In deze harde verwijten klinkt iets van den toon die weinige jaren later
door Benvenuto Cellini, overigens door zijne opvliegendheid en zijne
ligchaamskracht den zwakken en stillen Erasmus zoo ongelijk, in zijne
gedenkschriften zal aangeslagen worden. Het is de taal der zelfzucht van
het genie dat van zijne toekomst zich bewust is, de wereld cijnspligtig
aan zich acht, en in den prikkelbaren hoogmoed zijner onstoffelijke
waarde het tusschenbeide komen van nietig geldelijke hinderpalen niet
verdragen kan.
Wij gevoelen dat er in Europa eene nieuwe magt ontstaan is, de magt van
den geest, welke in de binnenkamer, en in vertrouwelijke
gemoedsuitstortingen aan vrienden, op het papier, zich de meerdere van
den rijkdom en den evenknie der geboorte weet. Alleen op zijn talent
laat Erasmus zich voorstaan; niet op deugden waarin hij mag uitmunten,
of op den invloed zijner augustijner orde, of op zijne priesterlijke
wijding. In het ongeduld van zijn hooger verstandelijk gezag, hakend
naar het oogenblik dat wereldlijke en kerkvorsten hem als een gelijke in
hun kring zullen opnemen, verwenscht en vertreedt hij in gedachte de van
wuftheid beschuldigde vrouw, wier nietige bestemming hem bij het
vervullen der zijne, die zooveel gewigtiger is, in den weg staat.
Een andere brief aan Battus, van wat vroeger of wat later dagteekening,
en waarin hetzelfde thema behandeld wordt, maar schertsend, verzacht
aanmerkelijk dezen indruk. Battus bekomt daar het verzoek, bij het
voordragen van de belangen zijns vriends aan de prinses, den kleinen
Adolf als tusschenpersoon te bezigen. Adolf moet als pleitbezorger van
Erasmus, die zulke fraaije brieven aan zijne moeder schrijft, een van
buiten geleerd vertederend lesje opzeggen. Battus zelf moet de prinses
doen opmerken dat Erasmus te bescheiden is om regtstreeks haar met zijne
wenschen bekend te maken; dat iemand met zulk eene zwakke gezondheid
niet naar Italië reizen kan, zonder veel geld uit te geven; dat de
kloosterbroeders in haren dienst hoogstens in eene of twee kerken den
lof harer deugden weten te verbreiden, terwijl de boeken van Erasmus
gelezen zullen worden door Grieken, door Latijnen, door alle volken der
aarde; dat men zulke ongeletterde theologen als de anderen slechts voor
het grijpen heeft, maar _zijn_ gelijke naauwlijks éénmaal in verscheiden
eeuwen voorkomt. "Tenzij," vervolgt de briefschrijver, "tenzij uw
geweten te naauw is om ten behoeve van een vriend wat noodleugens te
verkoopen."[37]
Ik ding niets af op het geestige dezer voorstelling. De plaats is
belangrijk als teeken van het voorgevoel eener vermaardheid, wier meeste
onderpanden op dat tijdstip nog geleverd moesten worden. Toen Erasmus
dit schreef bestond er van hem nog geen ander noemenswaardig boek dan de
oudste zeer onvolledige uitgaaf zijner _Spreekwoorden_. Doch het komt
mij voor dat de boozere brief de eeuw en de verhoudingen juister
schildert.
Het aangenaam verhaal zijner eerste ontmoeting met Anna van Borssele in
een van het kasteel Cortgene gedagteekend schrijven aan lord Mountjoy
(eene overstrooming deed in 1532 dien feodalen burgt in de golven
verdwijnen), is de beste verontschuldiging van Erasmus' daarop gevolgde
onregtvaardige achterdocht. Meer dan twintig jaren heeft hij prinses
Anna overleefd, en lang vóór haar dood hadden zij elkander voor goed uit
het oog verloren. Zijne schuld was het niet dat hij op zijn in
betrekking komen met eene landgenoot van dien rang en die gaven, weleer
verwachtingen bouwde; de hare niet, dat zij hem teleurstellen moest.
Haar onvermogen heeft op den duur _hem_ niet geschaad; en voor hare
welwillende oogmerken heeft in de geschiedenis zijn latere roem _haar_
met eene plaats beloond, die tegen een paar knorrige uitvallen ten dage
van zijn strijd meer dan opweegt.
Als schilderij is de brief aan lord Mountjoy, geschreven in de eerste
dagen eener Februarijmaand, onder het invallen van een halven dooi na
lange en felle vorst, een keurig nederlandsch wintergezigt. De
beschrijving vraagt geen andere toelichting dan dat het kasteel Cortgene
vlak tegenover Veere lag, en het vaarwater tusschen Walcheren en
Noord-Beveland tijdelijk eene ijsbaan aanbood.
"Eindelijk," meldt Erasmus aan lord William, "eindelijk ben ik hier
behouden aangekomen, ik mag zeggen in spijt der vereenigde magten van
hemel en hel. Welk eene verschrikkelijke reis! Spreek niet van Hercules
of Ulysses: voortaan acht ik beiden als kinderen. Iuno, den dichters
steeds ongezind, verklaarde mij den oorlog. Ouder gewoonte stookte zij
Aeolus op; en ware het slechts bij stormen gebleven![38] Alle wapenen
des hemels bragt zij tegen mij in het veld,--vinnige koude, sneeuw,
hagel, regen, mist, één kort begrip der vereenigde vormen van slecht
weêr. Nu zond zij die plagen afzonderlijk, dan te zamen.
"Den eersten nacht ging het, na een overvloedigen regen, weder fel
vriezen; hetgeen den weg zeer moeijelijk maakte. Voeg daarbij eene
overvloedige hoeveelheid sneeuw, vervolgens hagel, vervolgens nogmaals
regen, die, zoodra hij den bodem of een boomstam raakte, ijs werd. De
weg was over zijne volle breedte één ijskorst; niet effen, maar golvend,
en met eene scherpe punt op den top van iederen kleinen heuvel. De
boomen waren met ijs bekleed, zoo dik en zoo zwaar dat de toppen van
sommigen den grond raakten. Van anderen waren de takken afgescheurd, van
anderen de stammen doormidden gespleten; nog anderen waren geheel
ontworteld. Verschillende landlieden, mannen van jaren, betuigden mij
zulk een schouwspel nog niet beleefd te hebben. Intusschen moesten onze
paarden[39] nu door sneeuwhopen waden, dan zich een weg banen door met
ijs begroeide dorenstruiken, dan sporen volgen, hard als steen door de
vorst en daarna door den ijzel gescherpt, dan over eene bevroren
sneeuwkorst treden die niet stevig genoeg was om hen te dragen, maar wel
om hun de enkels te kwetsen.
"Hoe denkt gij dat Erasmus in dien stand van zaken te moede was? De
verbazing van zijn paard deelde zich mede aan den berijder. Zoo vaak het
dier de ooren spitste zonk mijn moed, en telkens als het stortte sprong
mijn hart overeind. Het eene oogenblik bekroop mij de vrees getroffen te
zijn door het noodlot van Bellerofon, het andere verwenschte ik mijne
ligtzinnigheid die geleerdheid en leven mij had doen toevertrouwen aan
een redeloos dier.
"Doch verneem een avontuur dat gij wanen zoudt aan de waarachtige
fabelen van Lucianus ontleend te zijn, ware het niet in levenden lijve
mijzelf overkomen, en ware niet Battus er ooggetuige van geweest.[40]
"Het kasteel lag vóór ons en eene baan van ijs scheidde er ons van. Het
woei dien dag zoo hevig dat van de andere zijde twee mannen te vergeefs
den overtogt beproefd hadden. De wind had hen omvergeworpen en gedood.
Doch ik, gelukkig, had hem in den rug. Ik ging op den rand van den dijk
zitten en liet mij naar beneden glijden, zeilde de ijsvlakte over, en
bestuurde mijne vaart met een stok die dienst deed als roer. Nieuwe
soort van navigatie!
"Op de geheele reis naar hier ben ik bijna geen schepsel tegengekomen;
en niemand kwam mij achterop, zoo ongunstig was het weer. Eerst den
vierden dag is de zon zich komen vertoonen, indien het vertoonen heeten
mag. Eén voordeel was voor mij aan het zamentreffen van al die
tegenspoeden verbonden, dat ik minder bang behoefde te zijn voor dieven.
Niettemin _was_ ik bang voor hen, gelijk de pligt is van ieder die eene
gevulde beurs op zak heeft.
"Ziedaar het verhaal mijner reis. Was zij eene aaneenschakeling van
elenden, hetgeen volgde was louter liefelijkheid. In welstand bereikte
ik het slot van Anna, vrouwe van Veere. Hoe zal ik de beleefdheid, de
vriendelijkheid, de edelmoedigheid dezer dame beschrijven? Rhetorische
bloemen, dit weet ik, zijn verdacht; inzonderheid bij hen die als gij er
slag van hebben ze aan te wenden. Doch in dit geval, geloof mij, maak ik
mij aan geenerlei overdrijving schuldig, en het is veeleer mijne kunst
die te kort schiet bij de werkelijkheid. Eene zediger, verstandiger,
bevalliger of vriendelijker vrouw werd door de natuur nooit gevormd. Van
hare heuschheid heb ik de uitstekendste blijken ontvangen, en zonder dat
ik in de gelegenheid was haar één dienst te bewijzen, heeft zij in de
hoogste mate mij aan zich verpligt."[41]
* * * * *
Hier moeten wij scheiden van Erasmus. Op zijn verderen levensloop, zeide
ik reeds, is door zijne landgenooten weinig invloed uitgeoefend. Zoo de
diensten welke nederlandsche vrouwen hem bewezen niet verder zouden
reiken dan het einde zijner leerjaren, aan de beweging zijner
wandeljaren bleven de nederlandsche mannen nagenoeg vreemd. Ons bestek
eischt alleen dat wij, na zulk een ruim gebruik van zijne brieven
gemaakt te hebben, ook de beteekenis trachten aan te duiden van de twee
andere werken, die ondanks hun idioom tot heden hem doen voortleven als
den man van een nieuwen tijd. De kleine wijsgeerige satire, bedoel ik,
die zijn populairste geschrift blijven zou, en zijne tachtig korter en
langer dialogen over allerlei onderwerpen van den dag.
Men beweert dat de volgende anekdoten historisch zijn niet alleen, doch
men noemt met naam en toenaam de noordnederlandsche stad waar de stukjes
gespeeld zullen hebben.
Te Dordrecht was een priester die heimelijk eenige levende krabben op
het kerkhof zette, aan wier zijden hij brandende waskaarsjes geplakt
had. Het kruipen dezer dieren tusschen de graven, bij avond, deed de
uitwerking eener schrikbarende spokerij, zoodat de gemeente zich
eerbiedig op een afstand hield. "Als het volk hierover zeer verschrikt
was (gaat de oude dordrechtsche stedebeschrijver voort, aan wiens
zelfbehagelijk antipapistische vertolking eener bladzijde van Erasmus ik
deze plaats ontleen), zoo riep de priester van den stoel dat het zielen
waren van afgestorvenen, dewelke baden door missen en aalmoezen van haar
pijn verlost te zijn. Het bedrog kwam uit, doordat twee of drie krabben,
die de priester vergeten had op te nemen, met de kaarsjes onder de
ruigte gevonden werden. Hij verzon nog een ander stuk werks. Hij woonde
bij een nicht die zeer rijk was; en als 't middernacht was kwam hij in
haar kamer met een wit laken om, gelijk of hij een geest ware geweest,
eenige woorden binnen'smonds mommelende, hopende dat de vrouw een
exorcist zou ontbieden of zelve hem zou aanspreken. Maar zij, een
manlijk hart hebbende, heeft heimelijk een van haar neven gebeden dat
hij zekeren nacht in haar kamer wilde waken. Hij, welgewapend zijnde
tegen spokerij, en wel gedronken hebbende om niet vervaard te zijn, werd
in het bed verborgen. De geest kwam op de gewoonlijke manier, ik weet
niet hoe droevig stenende. De exorcist wordt wakker, springt op, en, nog
niet heel nuchteren, kijkt hem aan. De geest meende, hem met huilen en
gebaar te verschrikken. Maar: _Zijt gij de Duivel_, zeide de dronkaard,
_ik ben zijn Moêr_, en sloeg hem lustig met een stuk houts. Hij zou hem
afgemaakt hebben, ten ware de priester, veranderende van stem, geroepen
hadde: _Hou op, ik ben geen geest, ik ben Heer Jan_. Op die bekende stem
sprong de vrouw uit het bed, en scheidde hen."[42]
Een man van Erasmus' rang in de wetenschap had in eene andere omgeving
en een anderen tijd niet behoeven af te dalen tot het boekstaven van
zulke grollen. Het verdient opmerking dat Erasmus' strijd tegen de
eigenlijk gezegde monniken, hunne luiheid, hunne onkunde, hun brassen,
hunne losbandigheid, ons niet bijzonder treft. Sedert den _Roman de
Renart_, den _Roman de la Rose_, de vertellingen van Boccaccio, was deze
satire een afgezaagd onderwerp.[43] Dante laat reeds den Heiligen
Benediktus klagen over het snel verwelken der idealen van het
kloosterleven. "In minder tijd dan een eikel behoeft om eik te worden,"
zucht bij hem de stichter der benediktijner-orde (eerste helft der 6de
eeuw), "ziet men de verhevenste instellingen in haar eigen tegenbeeld
ontaarden."[44] Reeds de Heilige Bonifacius (eerste helft der 8ste)
hangt in zijne brieven een tafereel van monachale misbruiken op, hetwelk
volgende eeuwen niet donkerder kleuren konden.[45]
Het eenige nieuwe in Erasmus' strijd tegen de kloosters was dat hij niet
hunne hervorming bedoelde, maar hunne opruiming, als voortaan overbodig
geworden normaal bestanddeel der zamenleving. Als bijzondere
genootschappen tot bevordering van in- en uitwendige zending, als
instellingen van liefdadigheid, als toevlugtsoorden der vrijwillige
wereldverzaking, als brandpunten eener naar den Heiligen Benediktus te
noemen geleerdheid mogten de kloosters zijnentwege blijven. In alle
andere opzigten hadden zij volgens hem voor goed uitgediend.[46]
Werkelijk was aan de universiteiten voor de wetenschap een nieuw
kweekbed ontsloten. Het onderwijzend personeel voor lagere en middelbare
scholen behoefde niet langer uit de kloosters getrokken te worden. Er
was een onderwijzersstand van leeken ontstaan. Later zou die klasse
dagelijks talrijker worden, naarmate het veldwinnend protestantisme
onder het humanisme der lagere rangen meer aanhangers wierf.
Maar wat regtstreeks Erasmus en zijn tijd kenmerkt is dat partijkiezen
vóór het gezond verstand tegen het bijgeloof, zooals in het ontmaskeren
van dien dordrechtschen boerebedrieger. Dit was iets moderns. Te dezen
aanzien is in den boezem van het katholicisme, wat het onoverwinlijke
van zijn afkeer, de hevigheid zijner satire, het profane of goddelooze
der uitdrukking betreft, Erasmus de Voltaire der 16de eeuw geweest. Hij
moet in de eindelijke zegepraal der rede zeer vast geloofd hebben, dat
hij met een onverdeeld gemoed zoo lustig aan de pijlers der legende
heeft kunnen staan schudden.
In eene zijner _Zamenspraken_ verhaalt hij van een storm op zee, en van
sommige dwaze kerkgeloften der passagiers, wanneer de schipper heeft
aangekondigd dat het hagchelijk oogenblik van pompen of vergaan gekomen
is. Erasmus is in den loop der jaren uit Frankrijk en Nederland zoo
dikwijls naar Engeland overgestoken, dat wij het tooneel der handeling
die hij beschrijft onwillekeurig op de Noordzee of in het Kanaal zoeken.
"En," laat de verteller zich vragen; na reeds door een en ander
voorbeeld de zonderlinge werking van het gevaar op de eensklaps
ontwakende vroomheid der menschen geschilderd te hebben, kenbaar aan het
inroepen der bescherming van verschillende heiligen; "en was er niemand
die aan den Heiligen Christoffel dacht?--Jawel; en zelfs kon ik mijn
lagchen niet houden toen één hunner, bang dat hij niet verstaan zou
worden, den Christoffel der kathedraal van Parijs, een beeld als een
berg, luidkeels eene waskaars beloofde _zoo groot als hijzelf_. Met
inspanning van al zijne krachten had hij dit een- en andermaal
uitgegalmd, toen een goede kennis nevens hem met den elboog hem aanstiet
en fluisterend tot hem zeide: Bedenk wat gij belooft; al verkocht gij al
uw bezittingen, een waskaars van dat gewigt zoudt gij niet kunnen
betalen. Zwijg, domoor, beet de ander hem toe, nog zachter sprekend,
opdat de Heilige Christoffel het niet hooren zou; denkt gij dat ik het
meen? _Een vetkaars zal hij hebben_, meer niet; zoo ik maar eenmaal
weder aan den wal ben.--De botterik! Dat was zeker een Hollander?
--Neen, maar het was een Zeeuw."[47]
Landgenooten zoomin als vreemdelingen, leeken zoomin als priesters
worden, wanneer Erasmus dit onderwerp aanroert, door hem gespaard. Aan
alles is merkbaar dat hij met welgevallen een dier tijden beleeft, welke
men daarna in Duitschland met den naam van _Aufklärungsperiode_ zou
aanduiden. Hij vindt het genoegelijk, te velde te trekken tegen de
"betooverde wereld" zijner eeuw. De vrees, met het onkruid ook de tarwe
te zullen uitrukken, kwelt hem niet. Het zou hem een lust zijn, zelfs
schamele lieden, als marskramers en schepelingen, in eene "verlichte
denkwijze" te zien deelen.
In dit opzigt heeft er in zijn brein, sedert hij het klooster verliet,
eene volstrekte omwenteling plaats gegrepen; en wij kunnen ons
voorstellen dat menig vroom katholiek zijner dagen, over zoovele stoute
spotternijen als hij zich veroorloofde, bedenkelijk het hoofd heeft
geschud. Wat wilde deze Rotterdammer? Aan welk gezag ontleende hij het
regt, op die wijze en in die mate het volksgeloof aan te randen? Zou de
wereld schooner zijn, wanneer hij van hare betoovering haar ontzwaveld
had?
In den ijver zijner polemiek ziet Erasmus dit alles voorbij, en gaat
alleen met de eischen der beschaving en van het maatschappelijke te
rade. Hij die als jongeling het vriendinnetje bewonderde dat ondanks de
gebeden van vader en moeder den sluijer aannam, verheerlijkt in zijne
dialogen, nu hij een man geworden is, de eerbare vrijerij van een
minnend paar: _de Jongeling en het Meisje_.[48] Wanneer geestelijken of
leeken, die geen hebreeuwsch verstaan, alle hebreeuwsche boeken zouden
willen verbranden en zij de nagedachtenis van Reuchlin, uitgever der
eerste hebreeuwsche spraakleer, zoo veel mogelijk zwart maken, dan
schrijft hij, naar de mode van den tijd Reuchlin's naam in het grieksch
vertalend, de _Hemelvaart van Capnio_, en wijst den verlichten geleerde
in de verblijven der gelukzaligen eene eereplaats aan.[49]
In de _Bekentenissen van den Soldaat_ komt de onzin van het oorlogvoeren
aan het licht, beoordeeld naar den huurling die niet voor zijn vaderland
of voor een beginsel vecht, maar alleen om uit plunderen te gaan en zich
te verrijken.--"Dat ziet er geleerd uit: Mercurius bij het vertrek,
Vulcanus bij de thuiskomst!--Van welke Vulcanussen en welke
Mercuriussen spreekt gij?--Ik bedoel dat gij, die bij het heengaan
vleugelen aan de voeten scheent te hebben, thans hinkt.--Zoo doet
gewoonlijk die uit den oorlog komt.--En wat dreef u naar den oorlog,
beminnaar van het hazepad?--De hoop op buit had mij courage
gegeven.--Gij keert dus huiswaarts met een som van belang?--Met een
ledigen buidel, ja.--Dit ontheft u van de zorg het gestolene terug te
geven.--Dat deed ik reeds lang geleden. _Alles_ gaf ik terug.--Aan
wie?--Aan Trijntje, aan Wijntje, en aan het verkeerbord."
Op dien toon gaat de zamenspraak voort, tot ook het plegen van
heiligschennis in de kerken gebiecht wordt--"Ik vrees dat gij naar Rome
zult moeten, om voor zoovele misdaden vergiffenis te bekomen.--Mij is
een kortere weg bekend: ik zal naar de dominikanen gaan en met de
kommissarissen het op een akkoord werpen.--Maar die altaarroof?--Al zou
ik Christus-zelf geplunderd en hem het hoofd van den romp geslagen
hebben, zij bezitten overal aflaten voor; alles wordt door hen
geschikt.--Bekommerde het u niet somtijds wat er van uw ziel worden zou,
indien gij sneuveldet?--Geen oogenblik. Ik was volkomen gerust, want op
een keer had ik mij de Heilige Barbara aanbevolen.--Nam zij u onder haar
bescherming?--Zeker, ik zag haar mij zachtjes toeknikken.--Wanneer
meendet gij dit te zien? Op welk uur van den dag? 's Morgens?--Neen, 's
middags na tafel.--Maar op dat oogenblik, wil ik wedden, zaagt gij ook
de boomen wandelen?--Die man raadt alles!"[50]
De zamenspraak _Charon_ is tegen de oorlogvoerende vorsten gerigt en
duidt stoutweg, bijna met even zoovele woorden, keizer Karel V en de
koningen Frans I en Hendrik VIII als de voorname menscheslagters van het
tijdvak aan, die in zulke mate de markt der onderwereld overvoeren dat
de oude opgelapte helleschuit te klein en te wrak geworden, en Charon
naar de aarde gekomen is om eene nieuwe en grootere te bestellen.
Charon is in zijn schik. Hoe meer zielen, is het ook bij hem, maar niet
in de gezellige beteekenis die de levenden aan het spreekwoord hechten,
hoe meer vreugd. Hij vreest alleen dat "zekere polygraaf daarboven" hem
afbreuk doen zal, door te welsprekend tegen den oorlog te schrijven en
den vrede aan te bevelen.--"Maak u niet ongerust," wordt hem geantwoord,
"die man predikt voor doove ooren."
Behalve om dit ten tooneele voeren van Erasmus door zichzelf, is deze
dialoog ook merkwaardig om eene zinspeling op de meedogenlooze en
bloedige geloofsvervolging in die dagen, teeken van de wassende magt der
ketterij.--"Indien er nu de eene of andere goede God opstaat die de
vorsten met elkander verzoent," klaagt Charon, "dan ben ik een bedorven
man."--"Geen nood," verzekert men hem, "te dien aanzien kunt gij op
beide ooren rustig slapen. In de eerste tien jaren komt er geen vrede.
Alleen de paus van Rome vermaant ijverig tot eendragt; maar hij schuurt
den moriaan. Er zijn ook steden die zuchtend onder zoovele rampen gebukt
gaan; er zijn pruttelende volken die het eene ongeregtigheid noemen dat
ter wille der eerzucht, der bijzondere veeten, van twee of drie personen
de wereld onderstboven gekeerd worde; maar geloof mij, ondanks de
redelijkste vertoogen zal het woord aan de Furiën blijven. Wat ik echter
zeggen wilde: waarom komt gij naar de aarde ten behoeve uwer nieuwe
schuit? Kon Vulcanus u niet helpen?--Nu nog fraaijer! Ik bedank voor een
schip van metaal.--Voor een kleinigheid hadt gij van hier een
scheepstimmerman kunnen ontbieden.--Dat is zoo; maar wij hebben beneden
gebrek aan materiaal.--Hoe nu? En al die bosschen?--Alles gekapt. Zelfs
het hout in de Elysesche Velden.--Mag ik vragen met welk doel?--_Voor
het verbranden van de schimmen der ketters_. Zij komen in zulken getale,
dat wij onlangs steenkolen zijn moeten gaan delven."[51]
In den _Cykloop-evangeliedrager_ worden de slechte lutheranen
tentoongesteld. Een ridder die Polyfemus heet en die men, om zijn
ongunstig uiterlijk, zoo men hem op zee of in een bosch ontmoette, voor
een struikroover of een boekanier zou aanzien, pocht op het bezit van
een Nieuw Testament (een Nieuw Testament in de latijnsche vertaling van
Erasmus) dat hij zorgvuldig heeft doen binden en met kleuren
versieren.[52]--"Een franciscaner bij ons in de buurt," verhaalt hij,
"voer gestadig tegen het Nieuwe Testament van Erasmus uit. Ik ging hem
spreken onder vier oogen, pakte met de linkerhand hem bij de haren en
deed hem de kracht van mijn regtervuist gevoelen. Zijn gansche bakhuis,
zóó takelde ik hem toe, was één bult. Is dat niet een bewijs dat ik het
evangelie liefheb? Daarna heb ik, bij wijze van absolutie, er hem nog
drie builen mede op den schedel geslagen; een in naam des Vaders, een in
naam des Zoons, een in naam van den Heiligen Geest.--Niet onevangelisch,
inderdaad! Dat noem ik het evangelie verdedigen met het evangelie.--Een
ander franciskaan maakte het nog bonter, en ging in zijn razen tegen
Erasmus iedere maat te buiten. Door evangelischen ijver vervoerd trad ik
dreigend op hem toe, noodzaakte hem geknield vergiffenis te vragen, en
te erkennen dat zijne booze woorden waren ingegeven door den Duivel. Had
hij geaarzeld, mijn hellebaard zou zijn nedergekomen op zijn kruin. Ik
blaakte van strijdlust, en zag er uit als een vertoornde Mars.
Verschillende personen zijn van dit tooneel getuigen geweest.[53]--Het
verwondert mij dat de man niet op de plaats zelve doodgebleven is. Maar
zeg mij, om op ons gesprek van daareven terug te komen, hoe staat het
bij u met de kuischheid?--De jaren zullen mij ingetogenheid leeren, hoop
ik; doch ik weiger niet u in vertrouwen te bekennen dat ik nog geen
model-evangelische ben, enkel een uit den grooten hoop. Wij
evangelischen hebben vier evangeliën, en jagen bovenal vier dingen na:
eene goede tafel, inschikkelijke vrouwen, eenig kapitaal, en alles doen
waar wij lust in hebben. Zijn die ons deel, dan heffen wij den beker en
roepen in geestvervoering: Iö Paean! leve het Evangelie! het rijk van
Christus kome!--Zoo leven epikuristen, niet de evangelie-dragers.
--Toegestemd; maar gij weet dat Christus almagtig is, en hij in een
oogwenk andere menschen van ons maken kan.--Ook zwijnen kan hij van u
maken; gemakkelijker zelfs, daar houd ik het voor, dan brave lieden. Het
wordt tijd dat gij van dit beestachtig leven afscheid neemt.--Ik ontken
dit te minder, daar de profeten onzer dagen het naderend einde der
wereld aankondigen. Ik verbeid de hand van Christus.--Zoo? Nu, dan
moogt gij toezien dat die hand u kneedbaar vinde. En waaruit leiden uwe
profeten af dat het einde der wereld aanstaande is?--Omdat, zeggen zij,
de menschen thans evenzoo leven als in de dagen vóór den Zondvloed. Zij
eten, zij drinken, zij tafelen, zij nemen en geven ten huwelijk, zij
loopen vreemde vrouwen na, zij koopen, zij verkoopen, zij woekeren, zij
bouwen; de koningen voeren oorlog, de priesters peinzen op vermeerdering
van inkomsten, de theologen breijen syllogismen, de monniken dweilen
waar men ga, het volk komt in opstand. Erasmus schrijft zamenspraken;
alle plagen tegelijk zijn over ons uitgestort: honger, dorst, inbraak,
oorlog, pest, beroerten, geldgebrek. Zijn dit geen teekenen dat het
menschelijk geslacht zijn einde nadert?"[54]
Bij het beoordeelen van deze en dergelijke plaatsen moet men op het
bijzondere niet te veel nadruk leggen. Erasmus kan onder het schetsen
van zijn Evangeliedrager somtijds aan een bepaald persoon gedacht
hebben, doch de meeste trekken van het beeld zijn aan de onwaardige
lutheranen in het algemeen ontleend. Hij leed er onder dat zulke lieden
zich van zijn naam en zijn Nieuw Testament bedienden als schild van
hunne ondeugden, hunne hartstogten, of hun chiliasme. De fijne smaak van
den filoloog gruwde van dit beduimelen zijner denkbeelden door de
schare; en hij wreekte zich in het latijn.
Verschillende beroemde plaatsen uit Erasmus' _Zamenspraken_, zuivere
kleine genre-schilderijen zonder polemische strekking, kan men overal
aangehaald vinden.[55] Zijne beschrijving van sommige duitsche
logementen, als tegenstelling van sommige fransche, in het hoofdstuk
_Herbergen_.[56] Zijne geschiedenis van den _Paardekooper_ die meende
bedot te hebben en zelf bedot werd.[57] Zijne onschuldige _Tartufferie_:
de ontmoeting van twee litterarische vrienden die zoeken te verbergen
dat het latijnsch proza, waarin zij elkander toespreken, latijnsche
verzen zijn.[58] Zijn _Dichterlijk Gastmaal_, waar eene vrijpostige
dienstmaagd haar onpraktischen meester verwijt slechts verstand te
hebben van konjekturen-smeden, en dat hij beetwortels voor kropsla
aanziet.[59]
Opmerkelijk is de karakterbeschrijving van een zwitsersch
dorpsherbergier, bij wien twee franciskanen logies en eene plaats aan
tafel komen vragen. Erasmus trekt partij voor die regtschapen monniken,
en de waard zelf dankt hen ten slotte voor hun aangenaam onderhoud. Doch
aanvankelijk is de man uit het volk louter achterdocht en onwil; en
wanneer zijne vrouw een goed woord voor de broeders komt doen, dan
snaauwt hij haar af:
"Welke diersoort komt daar aan?--Beste vriend, wij zijn knechten Gods,
zoonen van den Heiligen Franciscus.--Ik kan niet beoordeelen of God
schik heeft in zulke knechten; ik voor mij zou er niet gaarne veel van
in huis hebben. Wanneer het op eten en drinken aankomt, dan zijt
gijlieden heel wat mans; maar om te werken hebt gij handen noch voeten.
Och kom! zijt gij zoonen van den Heiligen Franciscus? Gij spreekt altijd
over Franciscus' maagdelijken staat; hoe komt hij dan aan al die
zoonen?--Wij zijn zijne zoonen naar den geest.--Nu, dan beklaag ik uw
vader; want uwlieder geest is uw slechtste deel.--Gij schijnt ons voor
ontaarde leden onzer orde aan te zien; weet dat wij observanten
zijn.[60]--Des te scherper zal ik u observeren, dat gij niets kwaads
uitvoert; uwe observanten zijn mij bij uitnemendheid tegen de borst.
Tanden brengen zij mede, maar geen geld, en zulke gasten kan ik missen.
Ik weet zeer goed dat gijlieden beweert voor ons te arbeiden; maar zal
ik u toonen hoe gij arbeidt? Kijkt eens naar deze prent hier, aan uw
linkerhand. De vos houdt een boetpredikatie; maar op zijn rug, uit de
kap zijner pij, komt een ganzehals te voorschijn. Die wolf, daar, geeft
de absolutie aan een biechteling; maar onder zijn voorkleed, dat gij
ziet zwellen, is een lamsbout verstopt. Gindsche aap in
franciskanergewaad waakt bij een zieke: de eene hand houdt een crucifix
omhoog, de andere grabbelt in 's kranken beurs."
Nu komt de vrouw tusschenbeide:
"Man, laat die twee van nacht onder ons dak blijven. Ligt dat gij als
boete voor uw vele zonden dit eene goede werk verrigt. Het zijn brave
mannen. Naderhand zal het u tot voordeel gedijen.--Hoor die
wijfjestaalman! Vast ligt gijlieden onder één dek. Ik haat een vrouw die
andere mannen dan den haren braaf noemt.--Zoo meen ik het niet. Maar
bedenk hoe vaak gij misdreven hebt door dobbelen, drinken, vechten,
ruzie maken. Eén aalmoes voor zooveel zonden zal geen weelde zijn. Werp
deze mannen niet uit. Op uw sterfbed zult gij om hen vragen. Potsemakers
en koordedansers laat gij toe bij de vleet; en hen jaagt gij weg?--Zult
gij uitscheiden met uw gepreek? Voort naar uw keuken!--Ik ga al."[61]
* * * * *
Deze toon der _Zamenspraken_; te vaak slechts gedachtewisselingen van
den auteur met zijne lezers, gekleed in vragen en antwoorden welke de
ten tooneele gevoerde personen in den mond gelegd worden; is geheel
dezelfde als van den _Lof der Dwaasheid_. Wie het niet wist zou niet
gelooven dat het kleinere geschrift tien of vijftien jaren vóór het
grootere voltooid werd,--gewigtige jaren in Erasmus' leven, want toen
hij de _Colloquia Familiaria_ uitgaf was hij een beroemd man, terwijl
bij het verschijnen der _Stultitiae Laus_ Europa van zijn bestaan zich
nog naauwlijks bewust was.[62]
De tijdgenooten hebben in dit boekje bovenal eene satire van de
maatschappelijke en kerkelijke misbruiken der eeuw gezien; en werkelijk
behoeft men het slechts te doorbladeren om zich te vergewissen dat de
auteur zich heeft voorgesteld al schertsend een zwaren slag te slaan.
Zijn aanval op de verschillende geestelijke orden is geweldig. "Zonder
het zelfbedrog dat zij aan mijn invloed danken," laat hij de Dwaasheid
zeggen, "zouden deze lieden de rampzaligsten der menschen zijn. De
geheele wereld haat hen; zelfs hen toevallig te ontmoeten geldt voor een
boos voorteeken. Niettemin zijn zij met zichzelven ten hoogste
ingenomen, en laten op hunne goede werken zich zooveel voorstaan dat één
hemel hun te klein dunkt voor hunne verdiensten,--niet bedenkend dat
Christus in den oordeelsdag al die kerkgebaren en nietige overleveringen
versmaden, en alleen vragen zal naar het nakomen van zijn liefdegebod.
Een zal dan zijn buik vertoonen, gezwollen van het visch-eten. Een ander
tien mud psalmen uitstorten. Een derde opsommen hoeveel duizend keeren
hij gevast heeft, en dat zijne maagziekte voortkomt uit het veelvuldig
gebruiken van maar één maaltijd daags. Een zal zulk een stapel
ceremonien komen aandragen, dat zeven vrachtschuiten dien naauwlijks
zouden kunnen laden. Een zich beroemen in geen zestig jaren een stuk
geld te hebben aangeraakt, tenzij met dubbel omwoelde vingers. Een zijne
pij laten zien, zoo vies en vet dat geen schipper haar zou willen
aantrekken. Een zal laten klinken dat hij als een spons vijfenvijftig
jaren heeft vastgezeten aan dezelfde plaats; een bewijzen dat hij door
het gestadig metten-zingen heesch, een dat hij door de eenzaamheid
stompzinnig, een dat door het stelselmatig zwijgen zijne tong stijf
geworden is. Waar, zal Christus hen in de rede vallen, vreezend dat zij
anders honderd uit zullen roemen, waar komen deze nieuwe Joden vandaan?
Er is maar één wet die ik voor de mijne erken, en van haar hoor ik niet
reppen. Onverholen en zonder gelijkenissen heb ik weleer het erfdeel
mijns Vaders toegezegd, niet aan pijen, schietgebeden, onthoudingen van
spijs of drank, maar aan werken der barmhartigheid, ik erken niet voor
de mijnen wie zichzelven in die mate overschatten en heiliger willen
schijnen dan ik.--Met welke gezigten zullen zij elkander aanzien, denkt
gij, wanneer zij deze taal vernemen, en bemerken dat zij de minderen
geacht worden van matrozen en koetsiers? Onderwijl zijn zij zalig in
hope, dank zij mijne gunst."[63]
De lofrede op zichzelve, welke Erasmus de Dwaasheid laat houden, is
gedeeltelijk onopregt, naar men ziet. Eene noodlottige verblinding in
het zedelijke wordt voorgesteld kwanswijs als eene goede gave des
Hemels; voor het minst als eene aangename zwakheid welke men de arme
menschelijke natuur ten goede moet houden. Hoe radeloos ongelukkig
zouden de monniken zijn, indien zij wisten wat Christus eigenlijk van
hen denkt!
Voor iemand die het wapen der ironie wist te hanteren was dit eene
gelukkige vondst, en Erasmus blijft niet in gebreke de ader te
ontginnen. "Indien een bisschop," gaat de schijnbaar zachtmoedige
Dwaasheid voort, "indien een bisschop overwoog om welke reden hij een
linnen overkleed draagt, blank als sneeuw: zinnebeeld van een smetteloos
leven; wat de verbindingsknoop tusschen de twee hoornen van zijn mijter
beteekent: eene volmaakte kennis van beide Testamenten, het Oude en het
Nieuwe; wat het schoeisel zijner handen: de zuivere en door niets
menschelijks verontreinigde bediening der sakramenten; wat de
herderlijke kromstaf: het zorgvuldig weiden der toevertrouwde kudde; wat
het vooruitgedragen crucifix: de zegepraal over alle menschelijke
hartstogten,--zou hij dan niet een verdrietig en kommervol leven leiden?
"Indien de opperste kerkvoogden, Christus' stedehouders, het leven van
Christus poogden na te volgen, zijne armoede, zijn zwoegen, zijn leeren,
zijn kruis, zijne doodsverachting: ware er dan op aarde een
droefgeestiger bestaan denkbaar? Wie zou zijn geheele fortuin opofferen
voor het koopen van den pauselijken rang? Wie door het zwaard, door
vergif, door allerlei geweldenarijen, in het bezit van het gekochte zich
willen handhaven? Geen paus met één grein wijsheid, één korrel van het
door Christus geprezen zout, zou dit verlangen. En zoo heeft de wereld
het aan mij te danken dat geen sterveling weelderiger en onbezorgder
leeft dan Hunne Heiligheden, die in voldoende mate Christus het zijne
meenen gegeven te hebben, wanneer zij te midden van symbolische en
schier bij het tooneel geborgde handelingen hun opperbisschopsbedrijf
uitoefenen. Wonderen verrigten, dit ware ouderwetsch; den volke het
evangelie verkondigen, een vermoeijend werk; den bijbel verklaren,
schoolmeesterachtig; bidden, tijdroovend; tranen storten, onwaardig en
verwijfd; armoede lijden, niet fatsoenlijk; geslagen worden, schandelijk
en onbestaanbaar met den rang van personen die te naauwernood de bloem
der koningen tot het kussen hunner gezegende voeten toelaten; sterven,
eindelijk, hoogst verdrietig; gekruisigd worden, een onuitwischbaar
schandmerk. Bouwvallige grijsaards worden er onder hen gevonden die den
krijgsmoed van jongelingen ten toon spreiden,[64] en noch hunne
schatkist vreezen te ledigen, noch tegen veldtogten opzien, noch het als
een schrikbeeld aanmerken de wetten, de godsdienst, den vrede, en alle
menschelijke zaken onderstboven te keeren."[65]
Bij al de satirieke schrijvers van het tijdvak vindt men deze
invektieven terug; niet het schaarst bij de gewezen monniken onder hen.
Erasmus, Skelton, Luther, Rabelais, allen zijn renegaten van het
klooster- en het priesterleven; allen hebben bij ondervinding den
valschen schijn eener overeengekomen wereldverzaking leeren kennen.
Ongevoelig voor de beschuldiging zich als apostelen des vleesches aan te
stellen, ijveren zij uit alle magt voor het natuurleven, en hameren wat
zij kunnen op het kerkdom. Het eenige wat Erasmus onderscheidt (en na
hem de schrijvers der _Obscuranten-brieven_ onderscheiden zal) is dat
zijn latijn hem ontoegankelijk maakt voor het volk.[66]
In eene andere reeks plaatsen van den _Lof der Dwaasheid_ heeft deze
opgehouden eene ondeugd te zijn, maar blijft zij nog steeds eene
berispelijke neiging. De mensch vindt behagen in uitspanningen die
vergefelijk potsierlijk waren, indien zij er niet toe bijdroegen hem in
zijne aangeboren woestheid te stijven. Aldus de hartstogt der vorsten en
der groote heeren voor het jagtvermaak.
Inzonderheid door zijn herhaald logeren op de landgoederen van engelsche
edelen kende Erasmus uit eigen aanschouwen de tragi-komische praktijken,
destijds bij het jagen in gebruik; en zijn jongste engelsche
levensbeschrijver doet hem regt wanneer hij het volgende,--waar men de
antipathie van den eenzijdig ontwikkelden letterkundige namens het
gezond verstand en de zachte zeden tegen de buitensporigheden en de
wreedheid van het _sport_ hoort opkomen,--voor eene persoonlijke
herinnering houdt:[67]
"Van één soort met de ziende blinden zijn zij voor wie de jagt boven
alles gaat, en wier gemoed, beweren zij, door een niet onder woorden te
brengen gevoel van welbehagen overstroomd wordt, wanneer zij de
verfoeilijke melodie der waldhorens of het bassen der honden vernemen.
Er zijn er, op mijn woord, wier reuk door den drek-zelf der honden
aangenaam wordt geprikkeld, als ware het kaneel. En welk een genot,
wanneer het gevangen dier ontweid ligt te worden! Het gepeupel mag ossen
en schapen slagten: het afmaken van wild is den edelman voorbehouden.
Deze, het hoofd ontbloot, de knie gebogen, trekt een mes dat voor dit
doel bestemd is en voor geen ander gebruikt mag worden. In zekere orde,
met zekere gebaren, snijdt hij plegtstatig zekere stukken uit. Hoewel de
omstanders hetzelfde tooneel ontelbare malen bijgewoond hebben, staan
zij opnieuw eerbiedig-zwijgend toe te zien, niet anders dan of er eene
nog onbekende godsdienstige handeling gevierd werd. Zij wien daarna het
voorregt te beurt valt te mogen proeven van de vangst, stellen dit met
eene bevordering in den adelstand gelijk. Vraagt men of deze jagers,
door hun gestadig nazetten en eten van wild wel iets hoogers bereiken
dan dat zij zelven allengs in weinig minder dan wilde dieren ontaarden?
Neen; maar onderwijl verbeelden zij zich niettemin een koningsleven te
leiden."[68]
Thans komen de plaatsen waar de dwaasheid begint te zweemen naar eene
deugd; in zulke mate dat wij haar niet geheel kunnen veroordeelen zonder
het gemeenebest van een nuttig steunsel, of het leven der bijzondere
personen van een onschuldig en aangenaam tijdverdrijf te berooven.
Tot afwisseling ontleen ik eene bladzijde aan eene andere _Stultitiae
Laus_, geschreven door eene jongere tijdgenoot van Erasmus in Frankrijk,
Louise Labé (1525--1565). Sommige trekken zijner vinding zijn door de
schoone lyonesche Cordière in haar _Débat de Folie et d'Amour_ zoo
gelukkig nagevolgd, dat de europesche letterkunde van het tijdvak
misschien geen volmaakter proeve van erasmiaansche renaissancestijl in
de landstaal heeft aan te wijzen.[69]
Men hoore Mercurius, advokaat van Folie, de merkbare teekenen van
waanzin bij het verliefd jong meisje opsommen. De gedachte en de wending
zijn van Erasmus; maar ons geeft dit oude fransch een betere
voorstelling van den algemeenen toon zijner satire, dan de beste
vertaling in hedendaagsch nederlandsch vermag. "Et dans tous ces actes
de la pauvrette," pleit Mercurius, "quels traits trouvez-vous que de
Folie? Avoir le coeur séparé de soymesme, être maintenant en paix, ores
en guerre, ores en treves; couvrir et cacher sa douleur: changer visage
mille fois le iour: sentir le sang, qui lui rougit la face, y montant:
puis soudein s'enfuit, la laissant palle, ainsi qui honte, espérance, ou
peur, nous gouvernent. Chercher ce qui nous tourmente, feignant le fuir,
et néanmoins avoir crainte de le trouver: n'avoir qu'un petit ris entre
mille soupirs: se tromper soymesme: brusler de loin: geler de près: un
parler interrompu: un silence venant tout à coup: ne sont-ce tous signes
d'une personne aliénée de son bon entendement?"[70]
Nog een thema van Erasmus wordt door de uitnemende prozaschrijfster,
tevens dichteres, niet minder bevallig uitgewerkt. Het is: dat de
zamenleving groote verpligtingen heeft aan den moed en het blind
zelfvertrouwen van enkele onbesuisden: waaghalzen en dwazen inderdaad,
maar gevierder burgers van hun land somtijds dan de wikkende wijzen en
voorzigtigen. Weder voert Mercurius het woord en konkludeert: "Pour le
dire en un mot, mettez moy au monde un homme totalement sage d'un coté
en un fol de l'autre: et prenez garde lequel sera plus estimé. Monsieur
le sage attendra que l'on le prie, et demeurera avec sagesse tout seul,
sans que l'on l'apelle à gouverner les villes, sans que l'on l'apelle en
conseil; il voudra escouter, aller posément où il sera mandé: et on a
afaire de gens qui soient pronts et diligens, qui faillent plus tot que
demeurer en chemin. _Il aura tout loisir d'aller planter des chous_. Le
fol ira tant en viendra, en donnera tant à tort et à travers, qu'il
rencontrera en fin quelque cerveau pareil au sien qui le poussera: et se
fera estimer grand homme. Le fol se mettra entre dix mille arquebuzades,
et possible en eschapera; il sera estimé, loué, prisé, suivi d'un
chacun. Il dressera quelque entreprise escervelée, de laquelle s'il
retourne il sera mis jusques au Ciel. Et trouverez vray en somme que
pour un homme sage dont on parlera au monde, y en aura dix mille fols
qui seront à la vogue de peuple."[71]
Het voorname onderscheid tusschen het _Débat de Folie et d'Amour_ en den
_Lof der Dwaasheid_ is, dat onder de vele beteekenissen waarin Erasmus
om beurten zich van hetzelfde woord bedient, ééne allengs en onopgemerkt
de overhand gaat krijgen. Al vroeg had zijne moeijelijke jeugd hem tot
op den bodem der zamenleving leeren zien, en menig ander zou in zijne
plaats misanthroop geworden zijn. Hem daarentegen vermaakt in de
eenzaamheid de gedachte dat alle menschelijke handelingen en drijfveren
hare humoristische zijde hebben. Hij stelt zijne opmerkingen te boek; en
zoo ontstaat, uit zijne eigen levensbeschouwing, zijne satire. Het treft
hem dat elke vader en elke moeder hun uiltje voor een valk aanzien, elk
jong meisje haar minnaar voor een fenix houdt, elke jonge man in de
oogen zijner beminde zich den Hemel ziet ontsluiten. Echtgenooten
verdragen elkander uit blindheid voor elkanders gebreken, bemerkt hij.
Stokpaarden vormen het gewone vervoermiddel van denkers, dichters, en
geleerden. Volken zijn groote kinderen. De scepters der koningen
gelijken somtijds zotskolven. De voortplanting van het menschelijk
geslacht onderstelt lachwekkende gemeenzaamheden. Ieder heeft zijne
eerzucht, en ieders eerzucht haakt naar eene onderscheiding. Eenvoudigen
ontcijferen somtijds raadselen, aan wier oplossing de wijzen en de
verstandigen hunne vlijt en hunne olie verspilden.
"Zegt niet," vraagt de Dwaasheid, "zegt niet tot lof der Brabanders een
brabantsch spreekwoord: _Hoe ouder hoe gekker_? Hetgeen beteekent dat
dit volk meer dan eenig ander zich door een gezelligen aard
onderscheidt, en door de gebreken van den ouderdom in mindere mate
gekweld wordt. Niet anders mijne Hollanders, door ligging en levenstrant
den Brabanders zoo naauw verwant. En waarom zou ik niet _mijne_
Hollanders zeggen, daar zij aan hun volharden in mijne dienst hun
bijnaam danken, en zij zich dien zoo weinig schamen, dat zij hem als hun
voornaamsten eeretitel beschouwen? Laat anderen dan de Medea's, de
Circe's, de Venussen, de Aurora's, en weet ik welke tooverbronnen
aangaan! Anderen bij andere godinnen het geheim der bloedvernieuwing
zoeken! _Bij mij alleen vindt men daartoe het vermogen, bij mij de
praktijk_.[72]
Even diep als Holbein, die in een verloren oogenblik zijn boekje
illustreerde, gevoelt Erasmus dat het leven der menschen met het
uitvoeren van een doodedans gelijkstaat.[73] De onverbiddelijke god
Terminus is hem geen oogenblik uit de gedachten.[74] Doch de herinnering
verbittert hem niet. Over geen onderwerp kan hij nadenken, of altijd
gluurt in zijne verbeelding over den schouder der godinnen van deugd,
waarheid, schoonheid, de glimlagchende met de bellekap, de
alomtegenwoordige Fantasie.[75] Het geloof, de wetenschap, de liefde, de
geestdrift, de zelfopoffering, alles schijnt hem toe slechts tot op
zekere hoogte ernst te zijn, en geen ernst te kunnen blijven, tenzij
door een _grain de folie_ voor bederf bewaard.
Van eene zijner invallende gedachten, den Hofnar, hebben andere groote
vernuften der 16de eeuw levende wezens weten te maken, even populair
geworden als de algemeene beschaving zelve: Rabelais van Panurge,
Cervantes van Sancho, Shakespeare van Falstaff. Maar allen was hij vóór
met de opmerking dat er een natuurlijk verband bestond tusschen de
vrijpostigheid dier geestige zotten, en het goed humeur waarmede zelfs
ligtgeraakte koningen hunne aanmerkingen verdroegen. Het was een
gelukkig denkbeeld van Erasmus, een van de vele verschijningsvormen der
fantasie op deze wijze aanschouwelijk te maken.
De misbouwde knaap in dienst van keizer Karel V, dien Antonis Mor
voortreffelijk schilderde,[76] treedt onwillekeurig ons voor den geest,
wanneer de Dwaasheid diepzinnig maar lagchend redeneert: "Kan het
ulieden ontgaan dat zelfs magtige vorsten hun gezelschap op den hoogsten
prijs stellen, zoodat zonder dezen de maaltijd noch de wandeling smaakt,
en zij niet één uur buiten mijne narren kunnen? Fluks geven zij die
dwazen de voorkeur boven hunne stemmige wijzen, hoewel ook dezen
fatsoenshalve door hen nagehouden worden. De reden is niet ver te
zoeken, dunkt mij. De wijzen hebben den vorsten niets dan onaangename
zaken mede te deelen, en, steunend op hunne uitgebreide kennis, ontzien
zij zich niet altijd tedere ooren bijtend te grieven. De narren
daarentegen brengen voort hetgeen waarop de vorsten alom en bovenal
belust zijn: kwinkslagen, geestigheden, dingen die doen schaterlagchen
en zich verkneukelen. Voegt daar het niet te versmaden voorregt bij, dat
_zij_ alleen in hunne eenvoudigheid de zaken bij haar waren naam noemen!
En ik vraag u, wat is loffelijker dan de gulle waarheid?
"Maar de ooren der vorsten schuwen de waarheid, zal iemand beweren, en
bovenal om die reden mijden zij de wijzen in hunne dienst; vreezend dat
er onder hen een onafhankelijk man gevonden worde, die den moed heeft
meer te letten op hetgeen is dan op hetgeen behaagt.
"Ik erken dit: den koningen is de waarheid hatelijk. Doch hetgeen ik in
mijne narren bewonder is juist dat niet alleen waarheden, maar
onbewimpelde strafredenen uit hun mond met instemming aangehoord worden;
zoodat dezelfde openhartigheid die een wijze het hoofd zou kosten, in de
hoogste mate welgevallig is indien zij betracht wordt door een dwaas. De
waarheid namelijk bezit, wanneer zij van niets kwetsends vergezeld gaat,
een natuurlijk bekoringsvermogen; maar alleen aan de narren verleenden
de goden die gaaf."[77]
De heldin van Erasmus heet Moria, en gelooft in hare olympische afkomst.
Met niet minder regt zouden wij haar Love-in-Idleness kunnen doopen;
naar den naam van het bloempje door welks sap, uitgedrukt op de oogleden
zijner sluimerende gade, Oberon in Shakespeare's _Midsummernight's
Dream_ Titania met de dwaasste begoochelingen straft. Moria beroemt er
zich op, tegelijk de ziel der wereld en het levend zelfbedrog te zijn.
Zij is het die bij menschen en onsterfelijken de beminlijke chronische
ziekte der hersenschimmen onderhoudt, en door hunne hersenschimmen hen
gelukkig maakt. "Ik rijd bij de stervelingen veelvuldig over de tong,"
is haar eerste woord het beste; "want meent niet dat ik onkundig zij hoe
kwalijk bij de keur der dwazen de dwaasheid aangeschreven staat!"
Nogtans houd ik vol dat mijn genie, en het mijne alleen, goden en
menschen het gemoed verkwikt. Redenaars van beroep slagen te
naauwernood, door lange en langdurig overdachte toespraken, den hoorders
hunne zorgen te doen vergeten: ik, ik behoef mij slechts te vertoonen,
en eene ongekende vrolijkheid verspreidt zich over de aangezigten, eene
onzigtbare hand strijkt de voorhoofden glad, er rijst een vriendelijk,
toejuichend lagchen. Wat mijne herkomst betreft, weet dat ik noch Chaos,
noch Orcus, noch Saturnus, noch Iapetus tot vader heb, of hoe die
afgeleefde en vermolmde goden heeten mogen; maar Plutus, den eenigen
waren aarde- en hemelvader: wat Hesiodus, Homerus, en Iupiter zelf,
beweren mogen. En niet den Plutus van Aristofanes, reeds met één voet in
het graf, reeds van het gezigt beroofd; maar den nog ongedeerden,
tintelend van jongelingsvuur. En niet van jongelingsvuur alleen, maar
ook en vooral van den onversneden nectar dien hij op een keer met volle
teugen aan den godemaaltijd dronk. Mijne moeder was Neotès, aanvalligste
en levenslustigste der nimfen, de beligchaamde jeugd."[78]
Het toppunt zijner paradoxale stelling wordt door Erasmus bereikt,
wanneer hij in de laatste bladzijden van zijn geschrift, met verwijzing
naar teksten uit het Nieuwe Testament, waar gesproken wordt over de
dwaasheid des Kruises, over de dwaasheid Gods welke wijzer is dan de
menschen, ook van het christendom zelf eene goddelijke komedie en van de
christelijke vroomheid, welke alle aardsche voorregten versmaadt ten
einde den hemel te winnen, eene soort van heiligen waanzin maakt.[79]
"Geeft daarbij wel acht," zegt Moria, "dat het de kinderen zijn, de
grijsaards, de vrouwen, de armen van geest, die door de
godsdienstoefeningen het meest bekoord worden en, slechts natuurkinderen
zijnde, het ijverigst zich om de altaren verdringen. Let er ook op dat
de godsdienststichters in den regel felle vijanden der letteren zijn, en
belijdenis doen van eene verwonderlijke eenvoudigheid."
Dit scepticisme is het beste bewijs dat men ten onregte Sebastiaan
Brand's _Narrenschiff_, welks oudste druk tot 1494 teruggaat, als een
voorlooper van Erasmus' _Lof der Dwaasheid _pleegt aan te duiden. Er
zijn vele plaatsen in Erasmus' boekje waar hij op hetzelfde aanbeeld
slaat als Brand en, tot regtvaardiging van zijn geloof aan de algemeene
heerschappij van den onzin, evenzoo op tallooze dwazen wijst
(boeke-narren, vrouwe-narren, gouden kalf-narren, wijn- en bier-narren,
gelijk de straatsburgsche burgemeester ze noemt) die het geluk in
allerlei onwezenlijke genoegens of voorregten zoeken. Brand's
boetpredikers-bedoeling echter is Erasmus vreemd; en bij den
Rotterdammer vormt de ééne, door den Straatsburger onveranderlijk
berispte dwaasheid, slechts een incident. De schuit van Brand is een
platbooms vaartuig, hetwelk desverkiezend op rollen gezet, en op
Vastenavond door de straten gevoerd kan worden.[80] Met Erasmus'
schuitje, vlug getuigd, kan men in weerwil van den ranken bouw eene reis
om de wereld doen. Zijne boot schijnt een wimpel van het fosforescerend
vuur te voeren, dat volgens de etymologen zijn naam aan den Heiligen
Erasmus der christelijke oudheid dankt.[81]
Ondanks het hemelsbreed verschil van taal en omvang komt geen ander
geschrift der 16de eeuw, wat de filosofische strekking betreft, het
boekje van onzen landgenoot nader dan de groote roman van Rabelais,
verschenen van 1533 tot 1554, en insgelijks eene de geheele zamenleving
omvattende satire. Erasmus' _Dwaasheid_ heet bij Rabelais _la Dive
Bouteille_, vertegenwoordigster derzelfde welwillende wijsbegeerte of
levensbeschouwing, die te midden der onzekerheid en dikwijls gemaakte
deftigheid van het ondermaansche, het goed regt van den roes der
vrolijkheid handhaaft.[82] Levendig hebben beiden beseft, Erasmus en
Rabelais, dat de mensch, al spant zijne scherpzinnigheid hare beste
krachten in, toch niet achter het geheim van zijn wezen komen kan;
geloof en eeuwig leven moeten kunnen verdragen, tot het gebied der
fantasie gebragt te worden; en ons bestaan, trots elk onderzoek, een
ondoorgrondelijk mengsel blijft van komisch en tragisch, verheven en
alledaagsch.
Wat de inkleeding betreft is de _Lof der Dwaasheid_ een offer aan de
mode. De geletterde wereld van Erasmus' dagen had voor het eerst weder
kennis gemaakt met de werken van sommige grieksche sofisten, of met de
sofistische uitspanningen van voorname grieksche redenaars en
schrijvers. Als met eene nieuwigheid vermaakte men zich met den _Lof der
Mug_ door Lucianus, met Lucianus' ironischen _Lof van Phalaris_, den
siciliaanschen tiran. Men herinnerde zich met welgevallen dat Glauco
schertsend den _Lof van het Onregt_, Synesius den _Lof der Kaalheid_,
Favorinus den _Lof van Thersites_, den mismaakten homerischen zwetser,
en den _Lof der Derdendaagsche Koorts_ geschreven had. Die voorbeelden
stonden Erasmus voor den geest; en hij verhoogde meteen het pikante van
het genre, door in den mond der Dwaasheid, die niet uit hare rol mogt
vallen eene lofrede op zichzelve te leggen. Zij, niet hij, is de sofist
die van het begin tot het einde der _declamatio_ het woord voert.[83]
In de 18e eeuw is Erasmus geestig nagevolgd door Mandeville, wiens
bije-fabel een vermomde _Lof der Ondeugd_ in de maatschappij; door
Holberg, wiens onderaardsche reis van Klaas Klim vaak een _Lof der
Ligtzinnigheid_ in den Staat is.[84] Doch niemand heeft een geheel
zamengesteld, dat in zoo hooge mate, evenals de schrijver zelf, het
karakter van een natuurprodukt bezit. De _Lof der Dwaasheid_ is niet
diepzinnig gelijk een stelsel van metafysica, maar gelijk een artisjok.
De kern der vrucht smaakt zoet, en geeft eene juiste voorstelling van
den bloedzuiverenden invloed der werken van Erasmus in het algemeen. Een
voor een kan men de puntige bladen, die hare kroon vormen, afplukken.
Zelven eene specerij, behoeven zij niet afzonderlijk in olie en azijn
gedoopt, of met zout en peper gekruid te worden.
Indien onze nederlandsche schilders van den tegenwoordigen tijd te
bewegen waren, voor eene poos zich aan de omhelzing hunner
dorpsvertellingen te ontrukken, dan zouden zij door het behandelen van
een historisch onderwerp roem kunnen behalen: Erasmus te viervoet,
gevolgd door zijn burgerlijken rijknecht, door zijne rijdende
bibliotheek, en opziend uit het schrijfboek waarin hij bezig is
gelukkige invallen voor den _Lof der Dwaasheid_ op te teekenen.
Werkelijk is het kleine geschrift, dat door de vergankelijkheid nu
weldra sedert vier eeuwen geëerbiedigd werd, op deze wijze zoo niet
voltooid, dan toch aangevangen: in den zadel, gedurende de eerste
terugreis uit Italië in 1509.[85] Erasmus telde op dat tijdstip, naar de
gewone berekening, tweeënveertig jaren; had Rome en Venetië gezien; had
te Turin den dokterstitel gehaald;[86] zou in Engeland bij lord Mountjoy
of bij Thomas Morus gaan logeren, buiten; werd op dat oogenblik door
zorgen noch ziekte gekweld; en was, nog onberoemd, juist in de stemming
een werk der verbeelding te dichten, waarin hij onder den sluijer der
allegorie den vrijen teugel vieren kon aan zijne luim.
* * * * *
Betrekkelijk vroegtijdig schijnt Erasmus, hoe jong van harte hij ten
einde toe moge gebleven zijn, vreemden aan een grijsaard te hebben doen
denken; hetgeen, wanneer men zijn zwervend leven en de tien folianten
zijner werken in aanmerking neemt, die lang niet al de weleer door hem
gekorrigeerde drukproeven behelzen, in zichzelf niet buitengewoon te
verwonderen is. Krachtiger ligchamen dan het zijne zouden van zulk een
ingespannen bezig-zijn na verloop van zeker aantal jaren de sporen
vertoond hebben.
Ik maak deze opmerking naar aanleiding der karaktervolle apostrofe aan
Erasmus in het dagverhaal van Albert Dürer's zuidnederlandsche reis van
1521, toen Dürer zelf de vijftig genaderd was, Erasmus hoogstens zes of
zeven jaren ouder kon zijn.
Het is bekend dat Erasmus op dat tijdstip te Antwerpen vertoefde,
bevriend met den stads-sekretaris Aegidius en met Quinten Metsys den
schilder, en dat kort na Pinksteren van genoemd jaar er in de stad een
onrustbarend gerucht liep. Maarten Luther, heette het, die op den
rijksdag te Worms zulk eene stoute taal gevoerd had (men begreep niet
dadelijk dat de keurvorst van Saksen hem met voordacht had doen opligten
en op den Wartburg in veiligheid brengen); Luther was in de handen
zijner vijanden gevallen! Ondanks het keizerlijk vrijgeleide hadden zij
hem gevangen! Vermoord misschien!
Dürer, die in dezelfde dagen te Antwerpen verscheiden openbare personen
portretteerde en onder anderen ook Erasmus uitteekende,[87] kan in de
algemeene dwaling niet lang gedeeld hebben. Bij het eerste vernemen
evenwel maakte de tijding op hem, tevens goed roomsch en goed
hervormingsgezind een verpletterenden indruk. De vereerder van den
onversaagden jongen Luther achtte door dezen slag de zaak der godsdienst
verloren, en teekende, overstelpt door droefheid, in zijn dagboek een
weeklagt in proza op,--bladzijden die voor de geschiedenis te meer
waarde hebben, en van hetgeen destijds omging in de gemoederen, eene te
juister voorstelling geven, omdat hier noch een theoloog, noch een
monnik, noch een letterkundige spreekt, maar een eenvoudig,
welonderwezen burger, slechts buitengewoon als kunstenaar en de
godsdienst enkel om haarzelve liefhebbend, als verhevensten vorm van het
schoone en zuiverste bron der deugd.
Onder het voortschrijven met bewogen gemoed en ongeoefende pen valt het
Dürer in, dat zoo Luther verloren is Erasmus nog leeft, deze op dat
oogenblik zich in zijne onmiddellijke nabijheid bevindt, en zoolang
Erasmus strijdvaardig blijft de christenheid niet behoeft te wanhopen.
"O, gij alle vrome christenmenschen," is het laatste woord zijner hulde
aan Luther, "helpt mij vlijtig beweenen dezen godgeestigen mensch, en
God bidden dat hij ons een ander verlicht man zende! O Erasme
Roterodame, hoor gij ridder des Heeren Christus: rijd nevens den Heer
Christus voort: bescherm de waarheid: verkrijg der martelaren kroon:
_gij zijt toch reeds een oud manneken_. Ik heb u hooren zeggen dat gij
uzelven nog twee jaren toegegeven hebt, in welke gij nog dacht iets te
doen. Leg dezelve wel aan, het evangelie en het ware christelijk geloof
ten goede, en laat u dan hooren. Dan zullen de poorten der helle, gelijk
Christus zegt, niets tegen u vermogen; en schoon gij hier uw meester
Christus gelijkvormig wierdt, en in dezen tijd schande van de leugenaars
leedt, en daarom een kleinen tijd des te eer stierft, zoo zult gij toch
eer uit den dood in het leven komen en door Christus verheerlijkt
worden. O Erasmus, houd u hier zoo dat God u roeme, gelijk van David
geschreven staat; want gij moogt het doen, en voorwaar gij moogt den
Goliath slaan."[88]
In hare huiselijkheid vindt ik dit de merkwaardigste voorstelling welke
de tijdgenooten van Erasmus ons van zijn persoon en zijn karakter
gegeven hebben. Altijd wordt uit zijne brieven het gezegde aangehaald:
"Niet allen bezitten kracht genoeg voor het martelaarschap; ik zou bij
het ontstaan van eenig rumoer, vrees ik, het voorbeeld van Petrus
volgen." Altijd het ironische: "Laten anderen het martelaarschap
begeeren, ik acht mij zulk eene eer niet waardig."[89]
In gewone omstandigheden zou men de braafheid prijzen van den man, die
op het papier durfde stellen hetgeen duizenden niet wagen zichzelf te
bekennen, laat staan aan anderen mede te deelen. Erasmus op het schavot
ware eene even groote tegenstrijdigheid geweest, als in onze dagen het
sneuvelen van een predikant of een pastoor in een tweegevecht zijn zou.
Hem echter heeft het niet gebaat uitdrukkelijk te verzekeren: "Ik ben
bereid te sterven voor Christus, indien hijzelf mij daartoe de kracht
geeft; maar sterven voor Luther, dat doe ik niet."[90]
De gangbare geschiedenis heeft van die vaste zetten. Wanneer paus Julius
II oorlog voert, dan noemen wij hem een onwaardig stedehouder van den
God der liefde; Zwingli daarentegen, die bij de zwitsersche huurtroepen
van Julius als aalmoezenier diende, hem bewonderen wij wanneer hij in
den slag bij Kappel, aanvoerder van een leger, valt met het zwaard in de
vuist; en niets verhindert ons te erkennen dat die soldaat, gewezen
priester, eene zeer verstandige leer van het Heilig Avondmaal heeft
uitgedacht. Wij nemen het Luther noch Kalvyn kwalijk te zijn gestorven
in hun bed, hoewel beiden onschuldig bloed op het geweten hadden; maar
Erasmus, die nooit eene vlieg kwaad deed, nooit om een ander zwaard dan
zijne pen vroeg, Erasmus noemen wij laf, omdat hij terugdeinsde voor den
brandstapel. Hij alleen had door beulshanden behooren om te komen,
vinden wij.
Deze ongelijkheid aan onszelf kan slechts hieruit voortkomen dat Luther,
Zwingli, en Kalvyn, ondanks gebreken die zij met voorbeeldigen ootmoed
de eersten waren te belijden, de zaak van den vooruitgang gediend
hebben; Erasmus, ondanks zijne deugden, de zaak van het behoud of der
reaktie; en het van te voren bij ons vaststaat dat wie dit laatste doet
minder diensten aan de zamenleving bewijst.
De feiten met dat al komen alleen tot hun regt, wanneer wij bij het
beschouwen van Erasmus ons op het medegevoelend standpunt van Albrecht
Dürer plaatsen; die wel is waar hem al vroeg voor een oud manneke, maar
tevens voor een dapperen kleinen David en ridder van den Heer Christus
hield. Het is de schuld van Hendrik de Keyser niet dat de bronzen reus
op de rotterdamsche Markt aan die voorstelling zoo weinig beantwoordt:
op den top eener vendômezuil zou het fraaije beeld beter geplaatst zijn
dan op dat lage voetstuk.[91] De Erasmus van het Louvre-Muzeum, door
Holbein, is eene alles afdoende rechtvaardiging van Dürer's
zienswijze.[92]
Erasmus leefde in zulk een moeijelijken tijd dat het ons niet betaamt
over het gebruik dat hij van zijne bewonderenswaardige gaven gemaakt
heeft een beslissend oordeel te vellen, en wij er ons bij moeten
nederleggen dat hij, gelijk de bijbel zegt, ten volle verzekerd is
geweest in zijn eigen gemoed. Voorts mag het onze nationale eigenliefde
streelen dat slechts driemalen in de geschiedenis van Europa één vernuft
zulk eene europeesche vermaardheid bezeten, en de beschaving van zijn
tijd in zulke mate beheerscht heeft: Petrarca in de 14de, Erasmus in de
16de, Voltaire in de 18de eeuw.
Erasmus is een eenzijdig litterarisch genie geweest. Hij heeft noch in
de wiskunde uitgemunt, noch als jurist, noch als geschiedschrijver. In
de leerstellige godgeleerdheid en de bijbelsche uitlegkunde was hij een
dilettant, in de staatkunde een droomer.[93] Zelfs als wetenschappelijk
filoloog liet hij te wenschen over: zijn tekst van het Nieuwe Testament
heeft te langen tijd voor klassiek gegolden.[94] De _Thesaurus linguae
latinae_ van Robert Estienne (1532), vooral de _Thesaurus linguae
graecae_ van Henri Estienne Jr. (1572), waren werken van blijvender
waarde dan de geleerde uitgaven van _zijne_ hand.
Doch hij was het beligchaamd gezond verstand zijner eeuw, en dankte aan
zijne fabelachtige vaardigheid in het schrijven eener doode taal het
voorregt, in een tijd toen in alle landen van Europa wie maar een glimp
van opvoeding had het latijn even gemakkelijk als de moedertaal
verstond, door het bespelen van één klavier aller aandacht te kunnen
boeijen.
Ook om die reden hield hij van Bazel, en was een zwitsersch typograaf
een zijner bemindste vrienden. Niet in een hoekje met een boekje wilde
hij wonen, zooals Thomas a Kempis, maar tusschen de bergen met eene
drukpers. Met dien hefboom was hij zich bewust eene wereld te kunnen
vertillen, en zijn schoonste eeretitel is misschien dat hij onder dit
gevaarlijk zelfgevoel vergelijkenderwijs zoo nederig en altijd zoo
eenvoudig gebleven is.
* * * * *
NOTEN:
[1] Plaatsen betreffende Erasmus' geboorte, in het woordenboek van
Bayle.--Nieuwe berichten bij Wilhelm Vischer, Erasmiana, Bazel 1876, en
bij R. Fruin in Nijhoff's Bijdragen, N. R., 1878, X 85 vgg.; D. R.,
1881, I 55 vg.
[2] Duifhuis (1531-1581), de voortreffelijke rotterdamsch-utrechtsche
pastoor, had van zijne huishoudster Krijntje Pieters drie kinderen die
in hetzelfde geval als vóór hen Erasmus en zijn broeder verkeerden.
Wiarda, Huibert Duifhuis, 1858, bladz. 8 vgg.
[3] Leven van Erasmus door Beatus van Rheinau, en leven van Erasmus door
hemzelf, vóór de uitgaaf van Le Clerc.
[4] Getuigenis van Calvete de Estrella bij R. Fruin, Erasmiana 1878,
bladz. 99.--Geboortehuis van Erasmus naar eene teekening van Kortebrant,
18e eeuw, in Oude Tijd 1869, bladz. 9.
[5] Als schilder wordt hij in Houbraken's Grooten Schouwburg vermeld I
17 met portret.--De anecdote omtrent de kruisiging door Erasmus, die
Kornelis Musius te Delft zal toebehoord hebben, ook bij Weyerman,
Levensbeschrijvingen, 1729-1769, I 197.--Alles ontleend aan Van
Bleijswijck, Beschrijving van Delft, 1667, bladz. 321, 360.
[6] Hij spreekt ergens over de "barbaarsche" van Hegius, dien hij
overigens dankbaar herdenkt. Reichling, Murmellius, bladz. 7.
[7] Over Emmaüs bij Römer, Kloosters en Abdijen, I 384 vgg.
[8] De contemtu mundi, bij Le Clerc, V 1239-1262.
[9] "Una hilari Margareta." De contemtu mundi, c. ii.
[10] De contemtu mundi, c. ii.--Bij R. Fruin, Erasmiana 1878, bladz. 105
vgg.
[11] Oratio in Funere Bertae de Heijen Goudanae, bij Le Clerc VIII
551.--Inleiding van Ch. Ruelens tot het fotolitografisch facsimile der
Silva Carminum van 1513, Brussel 1864, bladz. XXXIV vgg.
[12] Virgo Misogamos, Virgo Poenitens, Ie Deel der Colloquia Familiaria,
bladz. 158 vgg. en 167 vgg. der Tauchnitz-uitgaaf.
[13] Ch. Ruelens, Silva Carminum, Inleiding bladz. XXXVII.
[14] Ch. Ruelens, Silva Carminum, Inleiding bladz. XXXVI.
[15] R. Fruin, Erasmiana 1878, bladz. 107 vgg.
[16] Ch. Ruelens, Silva Carminum, Inleiding bladz. XLI.
[17] Militis et Carthusiani, in de Colloquia Familiaria, I 184 vgg. der
Tauchnitz-uitgaaf.
[18] Melanchton, Leven Rudolf Agricola.
[19] Kervyn de Lettenhove, Étude sur les Chroniques de Froissart, 1856.
[20] I.C. Scaliger verweet Erasmus, korrektor geweest te zijn bij Aldo
Manuzio te Venetië. Erasmus verweet Ulrich von Hutten, zich door een
boekverkooper te hebben laten honoreeren voor een pamflet.
Plaatsen bij Bayle, op "Erasme," en bij Drummond, II 130 vgg.
[21] Over Filelfo bij Burckhardt I 128 enz., II 172 enz.--Studie door
Eugène Müntz, Revue des Deux-Mondes, 1 Nov. 1881.
[22] Ontleend aan de hierna te noemen brieven van Erasmus uit de jaren
1497 en vgg.
[23] D. Nisard, I 25 vgg.; 140 vgg.; 154 vgg.; 168 vgg. Durand de Laur,
I 634.--Drummond, II 267 vgg.--Feugère, bladz. 101 vgg., 156
vgg.--Wilhelm Vischer, blz. 8 (Pensio Anglica) bladz. 33 (Pension des
Herzogs von Cleve), bladz. 34 (Praepositura Daventriensis)--Dumbar, K.
en W. Deventer, I 329 A en B.
[24] Fotografisch facsimile van Erasmus' testament bij J.B. Kan,
Erasmiana, Rotterdam 1881.
[25] Portret van Erasmus in het 5e deel van Wagenaar's Vad. Historie;
portret van Groen van Prinsterer vóór het Handboek, 1870, 5e druk.
Erasmiana en verzameling portretten van Erasmus, in het Rotterdamsch
stadsarchief: Rariteiten-kamer.--Craandijk en Schipperus, Wandelingen,
III 149, 157, 167.
[26] Ook de aan hem gerigte daaronder zijn belangrijk voor de kennis van
zijn persoon. De verzameling is niet volledig.
[27] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 19.
[28] Adam van Brescia en Sinon, 30ste Zang der Hel.
[29] Teekening naar het origineel door J.A. Altorffer, in het bezit van
H.D. Tjeenk Willink.--Oudere teekening in de portefeuilles van het
Zeeuwsch Genootschap. Lantsheer en Nachtglas, Zelandia Illustrata,
1866-1880, I 577 vg.--Afbeelding van het Stadhuis te Veere in De Aarde
en haar Volken, 1875, bladz. 272.--Artikel over Anna v. Borssele in het
Woordenboek van Bayle.
[30] Gargon, Walchersche Arcadia, 1746, 3e druk, I 279, II 108, en de
verwijzingen naar Reigersbergh, Boxhorn, en Smallegange.--Reigersbergh
van Cortgene, schrijver der oudste Zeeuwsche Kronijk (Antwerpen 1551),
was met het geslacht Bourgondië-Van Borssele persoonlijk bevriend.
[31] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 6 vgg.--Uittreksels bij
Drummond, I 31 vgg., 91 vgg.
[32] Over één of twee Battussen, in Van der Aa's Biografisch
Woordenboek, IIa 175.
[33] Over lord Mountjoy bij Drummond, I 42.
[34] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 92. Door eene schrijf- of
eene drukfout, schijnt het, luidt het opschrift: "Clarissimae Annae
_Bersalae_, principi Verianae."
[35] Over Willem Hermansz van Gouda hiervóór, blz. 298.
[36] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 52.
[37] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 94.
[38] Toespelingen op de Odyssea en de Aeneis.
[39] Van hem en van zijn bediende.
[40] Battus was misschien, tot een niet nader aangeduid punt, van
Cortgene hem tegemoet komen rijden.
[41] Erasmus bij Le Clerc, III No. 6.--Arx Tornehensis of Tornenhensis
vanwaar deze en nog eenige andere brieven uit denzelfden tijd
gedagteekend zijn (No. 6, No. 7, No. 9, cf. No. 95 aanhef) is
vermoedelijk eene schrijf- of eene drukfout voor Cortgenensis of
Cortchenensis, bijvoegelijk naamwoord gevormd van Cortgene.--Over het
voormalig kasteel van dien naam bij Gargon, Walchersche Arcadia, II 223;
bij Lantsheer en Nagtglas, Zelandia Illustrata, II 135.
[42] Balen, Dordrecht, II 809 vg.--Brieven van Erasmus, 22ste Boek der
oudere uitgaven.
[43] Over de zeden van den roomschen klerus enz. in Nederland, eerste
vierdedeel der 16e eeuw, bij De Hoop Scheffer, Kerkhervorming, bladz.
11-13.
[44] Divina Commedia, 22ste Zang van het Paradijs, vs. 85--87.
[45] Brieven en sermoenen van Bonifacius.
[46] De comtemtu mundi, laatste hoofdstuk.
[47] Coll. Fam. Iste deel, bladz. 194 vgg.: Naufragium.
[48] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 148 vgg.: Proci et Puellae.
[49] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 141 vgg.: Apotheosis Capnionis.
[50] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 29 vgg.: Militaria.
[51] Coll. Fam. 2de Deel, bladz. 85 vgg.: Charon.
[52] Facsimilé van Holbein's titelblad voor deze uitgaaf (1519) bij Paul
Mantz, Hans Holbein, 1879, bladz. 58.
[53] Dit en het vorige ziet op de bejegening, welke van Ulrich von
Hutten's zijde, in de burgt van Franz von Sickingen, de keulsche
kettermeester Hoochstraten zal ondervonden hebben.--D.F. Strauss, Ulrich
von Hutten, 1860, 2de Boek, 10de Hoofdstuk; Drummond, II 110 vgg.
[54] Coll. Fam. 2de Deel, bladz. 108 vgg.: Cyclops-evangeliophorus.
[55] Overzigt bij Drummond II 151-179.--Nieuwe fransche vertaling der
Colloquia door Victor Develay, 1876, met etsen van Chauvet.--Fragmenten
bij D. Nisard, Renaissance et Réforme.
[56] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 202 vgg. Diversoria.
[57] Iste Deel bladz. 296 vgg.: Hippoplanus.
[58] Coll. Fam. 2de Deel, blz. 106 vgg.: Impostura.
[59] Iste Deel blz. 213 vgg.: Convivium Poëticum.
[60] Over de minderbroeders-observanten bij Moll, Leven van Brugman, I
101 vgg.
[61] Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 255 vgg.: Ptochoplousioi Franciscani.
[62] Morias Encomium, id est: Stultitiae Laus, Erasmi Roterodami
declamatio, Parijs 1511. Uitgaaf van C.A. Abbing, Leiden 1839.--Overzigt
bij Jacobus Scheltema 1819, Mengelwerk II 225 vgg.--Nieuwe fransche
vertaling van Des Essarts, 1877.--Fragmenten bij D. Nisard, Renaissance
et Réforme.
[63] Stultitiae Laus, bij Abbing bladz. 103 vgg.
[64] Toespeling op den oorlogzuchtigen paus Julius II, toen nog aan het
bestuur.--Negende der houtsneden van Albrecht Dürer's "Groote
Apocalypsis," Cabinet des Estampes te Parijs. Facsimilé door P.W. van de
Weyer te Utrecht, 1875.
[65] Stultitiae Laus, bij Abbing bladz. 118 vgg.
[66] Over Skelton bij Philarète Chasles, Le drame, les moeurs et la
religion au 16e siècle, 1851, bladz. 289 vgg., 319 vgg.
[67] Drummond, Life of Erasmus, I 190.
[68] Stultitiae Laus bij Abbing bladz. 61 vg.
[69] Débat de Folie et d'Amour, in de Oeuvres de Louise Labé, parijsche
uitgaaf van 1871, gedrukt bij Johannes Enschedé en Zoonen.--Studie over
Louise Labé bij Sainte-Beuve, Nouveaux Lundis IV 289 vgg.
[70] Louise Labé, bladz. 95. Bij Sainte-Beuve, bladz. 308.
[71] Oeuvres de Louise Labé, bladz. 7 vg.
[72] Stultitiae Laus, bij Abbing, bladz. 20 vg.
[73] Facsimilé van Holbein's "Simulachres et historiées faces de la
Mort, Lyon 1538," bij Paul Mantz, bladz. 82.
[74] Facsimilé van Erasmus' zegel bij Drummond, II 371.--R. Fruin,
Erasmiana 1878, bladz. 100, noot 4.
[75] Zelfde gedachte bij Goethe: "Meine Göttin," 2de Deel van Cotta's
uitgaaf der Werken, 1850, bladz. 53 vgg.
[76] Louvre-Muzeum, afdeeling Duitsche, Vlaamsche en Hollandsche
Scholen, katalogus 1881, No. 343: "Le nain de Charles-Quint."--Houtsnede
bij Charles Blanc, École Hollandaise, op Antonio Moro.
[77] Stultitiae Laus, bij Abbing, blz. 55-57.
[78] Stultitiae Laus, aanhef. Bij Abbing, bladz. 5 vg., 11 vg.
[79] Stultitiae Laus, bij Abbing, bladz. 131 vgg. tot het einde.--Over
het christendom, bladz. 148: "Videtur omnino Christiana religio quandam
habere cum aliqua stultitia cognationem, minimeque cum sapientia
convenire."--Over het verlangen der vromen naar den hemel, bladz. 154:
"Si paucis demonstraro summum illud praemium nihil aliud esse quam
insaniam quandam."
[80] Voorrede van Karl Simrock bij den gemoderniseerden tekst van
Sebastiaan Brand's "Narrenschiff," met facsimilés der oude platen,
Berlijn 1872.--Narreschip op rollen in Oude Tijd 1870, blz. 289.
[81] De spaansche en italiaansche matrozen der Middellandsche Zee, wier
patroon de Heilige Erasmus is (in 304 onder Diocletianus den Marteldood
gestorven als bisschop van Formiae, thans Mola di Gaëta), verbasterden
zijn naam tot Eramo, Ermo, Elmo, overgebleven in St. Elmsvuur. Zijn
leven in de Acta Sanctorum; schilderij van zijn dood, door Dirc Bouts of
Stuerbout van Haarlem, in de Sint-Pieterskerk te Leuven.
[82] Studie over Rabelais door Albert Réville, Revue des Deux-Mondes van
15 Oktober 1872.
[83] Stultitiae Laus, Opdragt aan Thomas Morus, en bij Abbing blz. 7 vg.
[84] Overzigt van Mandeville's "Grumbling Hive" bij Quack, Studien op
sociaal gebied, 1877, blz. 26 vgg.--Plaatsen uit Holberg's "Iter
Subterraneum" bij Abbing, Inleiding, bladz. VII vgg.
[85] "Superioribus diebes quum me ex Italia in Angliam reciperem cet."
Opdragt der Stultitiae Laus aan Thomas Morus.--"Diversabor id temporis
apud Morum meum, ex Italia reversus cet." Brief aan M. Dorpius bij Le
Clerc, ook bij Abbing, blz. 165.
[86] Opschrift van den gedenksteen, onlangs (4 September 1876) ter
herinnering van Erasmus' promotie op 4 September 1506 in het
akademiegebouw te Turin geplaatst, bij Wilhelm Vischer Erasmiana, bladz.
6.
[87] Facsimilé van Dürer's teekening bij Charles Ephrussi, Albert Dürer
et ses dessins, 1882.
[88] Hollandsche vertaling van 1780, bladz. 53 vg.
[89] Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 547, No. 583.--Ook bij Groen
van Prinsterer, Handboek 5de Druk, bladz. 71 vg., en bij Wijnne,
Geschiedenis van het Vaderland 1879, 5de Druk, bladz. 68.
[90] "Optarem esse Christi martyr, si vires ipse suppeditet; Lutheri
martyr esse nolim." Uit de Spongia tegen Von Hutten bij Le Clerc, X 1631
vgg. Bij Drummond, II 142.--Zie ook de plaatsen in den brief van 1523
aan paus Adriaan VI, bij Le Clerc No. 649, waar Erasmus schrijft
desnoods "ten koste van zijn leven" de zaak van Christus tegen Luther te
willen bevorderen; en van de scheuring in de christenheid: Ik zou niet
aarzelen mijn leven te laten, zoo ik de openbare krankheid daardoor
heelen kon!"
[91] Geschiedenis van het standbeeld van Erasmus, bij Jacobus Scheltema,
1817, Mengelwerk Ia 101 vgg., I 258 vg.
[92] Louvre-Muzeum, Salon Carré No. 201.--Gravure naar dit portret bij
Paul Mantz, Hans Holbein, bladz. 60.
[93] Érasme précurseur de l'abbé de Saint Pierre, bij Durand de Laur, II
501 vgg.
[94] Geschiedenis dier uitgaaf bij Drummond, I 307 vgg.
* * * * *
ERASMUS
SAMENSPRAKEN
* * * * *
CHARON
De veerman van de onderwereld.
PERSONEN: CHARON EN ALASTOR, DE WREKENDE GENIUS.
Deze dialoog, waarin wezens uit de Grieksche fabelleer door Erasmus
sprekend worden ingevoerd, is geheel geschoeid op de leest van een
dialoog van den Griekschen schrijver Lucianus. De knorrige Charon,
die de schimmen der dooden over de rivier de Styx naar hun eeuwig
verblijf moest voeren, houdt een gesprek met een boozen Genius. Hun
samenspraak is een scherpe satire op de heerschzucht en den
twistlust der vorsten en machthebbers van dien tijd, die aangehitst
door de intriges en 't winstbejag der priesters en monniken overal
strijd en oorlog trachtten te verwekken. Erasmus zelf
karakteriseert in zijn betoog "Het nut der Samenspraken," deze
dialoog met de volgende woorden: "In Charon verfoei en vervloek ik
den oorlog tusschen de Christenen."
CHARON: Wat heb jij een geweldige haast, Alastor?--ALASTOR: Dat is net
goed dat ik je tref, Charon. Ik haastte me juist naar je toe.--CHARON:
Wat voor nieuws is er?[1]--ALASTOR: Ik breng een bericht dat u en de
koningin der onderwereld recht veel plezier zal doen.--CHARON: Nu, zeg
dan op wat je komt brengen, ontlast je!--ALASTOR: De Schrikgodinnen
hebben even behendig als gelukkig haar taak vervuld: alle deelen van de
aarde hebben ze met helsche kwellingen bezocht, met tweespalt, oorlogen,
rooverijen, pestziekten en wel in die mate dat ze zoo goed als kaal
zijn, nu ze haar slangenlokken hebben verloren en beroofd van haar gif
rondwandelen, zoekend of er nog ergens iets aan slangen en adders te
vinden is, daar ze zoo glad zijn als een ei, geen haar meer op haar
hoofd hebben en in haar borst geen werkzaam gif. Maak gij nu maar dat ge
uw boot en uw riemen klaar hebt. Want daar zal weldra zóó'n menigte van
schimmen aankomen, dat ik bang ben dat ge geen voldoende middelen zult
hebben om ze over den stroom te zetten.--CHARON: Wat gij daar zegt was
me niet ontgaan.--ALASTOR: Hoe was je dat dan te weten gekomen?--CHARON:
De Faam had mij dat een paar dagen geleden al overgebracht.--ALASTOR:
Daar haalt toch niets bij de vlugheid van die Godin! Maar waarom zit je
hier zoo niets doende neer en hebt ge uw boot in den steek
gelaten?--CHARON: Ja, dat brachten de omstandigheden zoo mee. Ik ben
hierheen gekomen om me een stevige schuit te koopen. Want mijn boot die
van ouderdom rot is en veel water doorlaat, zou voor dat werk niet
voldoende zijn, wanneer werkelijk waar is, 't geen de Faam heeft
verteld. Maar, had ik die Faam wel noodig? De omstandigheden dwongen me
toch al. Want ik heb schipbreuk geleden.--ALASTOR: Ontegenzeggelijk ben
je druipnat. Ik dacht dat je zóó uit 't bad kwam.--CHARON: Neen, dat
niet; maar ik kom net uit de rivier de Styx zwemmen.--ALASTOR: En waar
heb-je dan je schimmen gelaten?--CHARON: Die zwemmen met de kikkers
rond.--ALASTOR: Maar wat heeft de Faam u verteld?--CHARON: Dat drie
monarchiën in doodelijken haat op elkaar aangevallen zijn om elkander te
verdelgen en dat er geen enkel deel van de Christenwereld is waar de
oorlog niet woedt: want die met hun drieën sleepen de anderen mee om
samen te vechten. Allen zijn ze zóó gezind dat niemand aan een ander wil
toegeven. Inmiddels weet ik, dat noch de Denen, noch de Polen, noch de
Schotten, noch zelfs ook Turkije zich rustig houdt: dat zij allerlei
vreeslijke maatregelen nemen; dat overal de pest woedt, in Spanje, in
Engeland, in Italië, in Frankrijk. Dat daarbij een nieuw verderf is
opgekomen, uit meeningsverschil ontstaan, dat alle menschen zóó heeft
bedorven, dat er nergens meer ware vriendschap bestaat; dat de eene
broeder den anderen wantrouwt, dat er tweedracht heerscht tusschen man
en vrouw. We willen er 't beste van hopen dat ook hieruit nog wel eens
een heerlijke ellende voor 't menschdom zal voortkomen, wanneer van tong
en pen de zaak tot handtastelijkheden overgaat.--ALASTOR: Nu, de Faam
heeft u dat alles volmaakt naar waarheid verteld. Want ik zelf heb met
mijn eigen oogen nog meer gezien, ik, die de onafscheidelijke gezel en
helper der Schrikgodinnen ben, die verklaard hebben dat ze haar naam
nooit meer verdiend hebben dan in dezen tijd.--CHARON: Toch bestaat er
gevaar dat de een of andere godheid opstaat om plotseling tot vrede aan
te manen. En de menschen zijn dikwijls zoo veranderlijk. Want naar ik
hoor leeft daar in de bovenwereld een zekere Veelschrijver[2] die niet
ophoudt met zijn pen zich tegen den oorlog te verzetten.--ALASTOR: Nu
ja, maar dat doet hij al lang tevergeefs. Indertijd heeft hij
geschreven: "Klacht van den Vrede, uitgeworpen en vertrapt bij alle
volkeren." Nu heeft hij weer uitgegeven een "Grafschrift op den
overleden Vrede." Maar daar zijn anderen die onze zaak evenzeer helpen
als de Furiën zelf.--CHARON: Wie dan?--ALASTOR: Wel, dat zijn wezens met
donkerkleurige en witte mantels, met aschgrauwe onderkleeren, vogels van
diverse pluimage. Nooit wijken ze van de hoven der vorsten, zij
druppelen in hunne ooren krijgslust in, drijven voornamen en menschen
uit 't volk daartoe aan; in hunne bekende godsdienstige bijeenkomsten
verkondigen ze dat de oorlog rechtvaardig, heilig en vroom is. En opdat
ge u nog meer over de driestheid van die menschen zoudt verwonderen: ze
verkondigen hetzelfde van beide zijden. Bij de Franschen roepen ze den
volke toe: dat God aan den kant der Franschen staat en dat _hij_ niet
kan overwonnen worden die God als beschermer heeft. Bij de Engelschen en
de Spanjaarden: dat deze oorlog niet door den Keizer wordt gevoerd, maar
door God zelf. Als ze zich maar dapper betoonen, dat dan ook de
overwinning vaststaat. En als iemand soms sneuvelt, zoo iemand sterft
niet, maar vliegt regelrecht ten hemel, zóó als hij stierf, met wapens
en al.--CHARON: En gelooft men nu dat alles, wat ge daar
vertelt?--ALASTOR: Wat vermag geveinsde godsdienst niet? Daarbij komen
nog jeugd, gebrek aan ondervinding, eerzucht, verbolgenheid en een
aangeboren neiging om dat, waartoe men geroepen wordt te volbrengen.
Zulke menschen laten zich gemakkelijk verlokken en een wagen die op een
hellend vlak in beweging is, heeft geen sterken stoot noodig.--CHARON:
Nu, ik zou die wezens gaarne eens een pleziertje doen.--ALASTOR: Welnu,
maak dan maar eens een prachtig feestmaal voor hen gereed. Ge kunt hen
geen grooter plezier doen.--CHARON: Een diner van malven, boonen en
prei? Want iets anders oogsten wij bij ons in de onderwereld niet,
zooals ge weet.--ALASTOR: Neen waarachtig niet: van patrijzen, kapoenen
en fazanten, ten minste wanneer ge een gastheer wilt zijn wien men
dankbaar is.--CHARON: Maar wat drijft hen toch aan om den oorlog zoo
dóór te drijven of wat nut oogsten ze daarvan?--ALASTOR: Omdat ze meer
voordeel hebben van de dooden dan van de levenden. Dan komen de
testamenten, begrafenismaaltijden, allerlei vrijdom en vele andere, niet
te versmaden zoete winstjes. Kortom: ze willen liever in een legerkamp
verkeeren dan in hunne kloostercellen. Een oorlog maakt velen tot
bisschoppen, die in vredestijd geen cent waard waren.--CHARON:
Verstandige menschen!--ALASTOR: Maar waarvoor heb je een schip
noodig?--CHARON: O, noodig hebben zou ik 't niet, als ik graag eens wéér
midden in de rivier schipbreuk wilde lijden.--ALASTOR: Door de menigte
van dooden?--CHARON: Wel natuurlijk.--ALASTOR: Maar je vaart toch maar
alleen schimmen over, geen lichamen. En wat hebben die schimmen een
onbeteekenend gewicht!--CHARON: Laten ze zoo licht zijn als mugjes; de
menigte muggen kan zóó groot zijn dat ze mijn boot zwaar maken. En, dan
moet ge ook niet vergeten: mijn boot is ook maar de schim van een
boot.--ALASTOR: Toch herinner ik me wel eens gezien te hebben dat, toen
er eens een groote troep schimmen was om overgebracht te worden en uw
boot ze niet allen kon bevatten, er dikwijls aan uw roer een drieduizend
schimmen hingen terwijl gij er geen gewicht van bespeurdet.--CHARON: Ik
geef toe dat er zulke schimmen zijn die langzamerhand uit het lichaam
weken ten gevolge van tering of aanhoudende koorts. Maar de schimmen die
plotseling uit een goed doorvoed, welgedaan lichaam worden losgerukt,
die dragen nog veel van de lichaamszwaarte met zich mee. En beroerte,
keelziekte en pest zenden mij zulke dingen toe, maar voornamelijk de
oorlog.--ALASTOR: Ik geloof niet dat Franschen of Spanjaarden veel
gewicht meebrengen.--CHARON: Veel minder dan de overigen maar met dat al
zijn hunne schimmen toch ook niet altijd zoo licht als een veertje. Maar
van de Engelschen, van de goed doorvoede Duitschers komen er nog al
dikwijls die zóó zwaar zijn, dat ik nog onlangs, toen ik er tien
welgeteld overbracht, gevaar liep schipbreuk te lijden en als ik er niet
wat van overboord geworpen had, zou ik, met boot en matrozen en veergeld
en al, omgekomen zijn.--ALASTOR: Geen gering verschil tusschen de ééne
schim en de andere.--CHARON: En wat denk-je wel dat er gebeurt wanneer
dikke gouverneurs, fanfarons en ijzervreters aankomen?--ALASTOR: Wel,
als er één van dezen in een echten oorlog sneuvelt, dan komt er geen een
bij u. Want naar men zegt vliegen dezen regelrecht ten hemel.--CHARON:
Waar ze heen vliegen weet ik niet, maar dit alleen weet ik wèl dat, zoo
dikwijls er oorlog is, er zóóveel gewonden en verminkten tot mij komen
dat ik me verwonder, hoe er in de bovenwereld nog één enkele over kan
zijn. En niet alleen komen ze tot mij met haarpijn en met vette
hangbuiken, maar ook met bullen, met priesterambten en allerlei andere
zaken.--ALASTOR: Maar dat alles brengen ze toch niet mee bij u; ze komen
toch naakt hierheen?--CHARON: Daar heb je gelijk in. Maar die zoo pas
aankomen, brengen toch de droombeelden van al dergelijke dingen
mee.--ALASTOR: En maken die droombeelden hen dan nog zoo zwaar?--CHARON:
Ze verzwaren mijn boot. Wat zeg ik: verzwaren? Ze doen haar haast
zinken. En dan, denkt ge dat zooveel muntstukken[3] geen gewicht
hebben?--ALASTOR: Nou, dat zou ik denken, als ze kopergeld
meebrengen.--CHARON: Daarom ben ik dan ook van plan rond te zien naar
een boot die sterk genoeg is voor zulke vrachtjes.--ALASTOR: Jij
geluksvogel!--CHARON: Hoe dan? ALASTOR: Wel, omdat je eerstdaags
schatrijk zult worden.--CHARON: Wegens de menigte van
schimmen?--ALASTOR: Ja!--CHARON: Dàt zou het geval zijn als ze hun
bezittingen meebrachten. Maar nu brengen zij die in mijn boot zitten te
jammeren, dat ze in de bovenwereld hun vorstendommen, hun landvoogdijen,
hun abdijen, hun schatten aan geld hebben moeten achterlaten, niets mee
dan hun muntstukje voor 't veergeld. En zoo moet 't geen ik gedurende
drieduizend jaren bijeengegaard heb, door mij worden uitgegeven voor een
schuit.--ALASTOR: Je moet een spierinkje uitwerpen om een kabeljauw te
vangen.--CHARON: De menschen drijven tegenwoordig vrij wat voorspoediger
handel, daar zij, wanneer Mercurius hen wat begunstigt, binnen drie
jaren rijk worden.--ALASTOR: Ja, maar ze gaan ook vaak failliet. Uw
winst is kleiner, maar ook zekerder.--CHARON: Ik weet niet waarom ge zoo
zegt: zekerder. Als er nu eens een godheid opstond om de zaak tusschen
de vorsten bij te leggen, dan was mijn heele buitenkansje naar de
maan.--ALASTOR: Nu, ik geloof dat je, wat dit betreft, heel gerust op
beide ooren kunt slapen. In tien jaren tijds behoeft men niet voor een
vrede bang te wezen. Alleen de paus zet ijverig tot vrede aan; maar ...
't is boter aan de galg gesmeerd. De burgers in de landen klagen steen
en been over al de rampen; sommige menschen fluisteren wel zachtjes
tegen elkaar, terwijl ze beweren dat 't onbillijk is hoe wegens
persoonlijken wrok of eerzucht van twee of drie menschen alles op de
wereld 't onderst boven wordt gekeerd: maar, geloof me, de rechtvaardige
plannen van de Schrikgodinnen zullen 't winnen. Maar waarom vondt ge het
noodig om ter wille van een nieuw schip naar de bovenwereld te gaan?
Zijn er dan bij ons in de onderwereld geen handwerklieden? We hebben
toch Vulcanus.--CHARON: Heel mooi, wanneer ik een metalen schip noodig
had.--ALASTOR: Voor een kleinigheid zou men er een timmerman kunnen
ontbieden.--CHARON: Jawel, maar 't ontbreekt ons aan
timmerhout.--ALASTOR: Wat zeg je? Zijn in de onderwereld dan geen
bosschen meer?--CHARON: Zelfs de lieflijke bosschen uit de Elyseesche
velden zijn opgebruikt.--ALASTOR: Waarvoor?--CHARON: Voor het verbranden
van de schimmen van ketters. Zelfs zóó, dat we onlangs gedwongen zijn
uit 's aardrijks ingewand kolen op te graven.--ALASTOR: Wat? Kunnen die
schimmen niet op min kostbare wijze worden gestraft?--CHARON: 't Is
Rhadamanthus die aldus besloot.--ALASTOR: En als je nu een boot gekocht
hebt, hoe kom je dan aan de riemen?--CHARON: Mijn taak is 't het roer te
hanteeren: de schimmen moeten roeien als ze den Styx over
willen.--ALASTOR: Maar er zijn er toch ook die niet geleerd hebben te
roeien.--CHARON: Bij mij bestaat voor niemand een uitzondering. Roeien
moeten alleenheerschers, roeien moeten ook kardinalen op hun beurt, of
ze 't geleerd hebben al dan niet.--ALASTOR: Nu ik hoop dat ge onder
bescherming van Mercurius een goeden koop van een boot moogt sluiten. Ik
zal je niet langer ophouden. Aan de onderwereld ga ik een blijde
boodschap brengen. Maar Charon, hoor nog eens even!--CHARON: Nu wat is
er?--ALASTOR: Maak dat je wat gauw terug komt, opdat je niet door de
menigte van schimmen overstelpt wordt.--CHARON: Ja, je zult er al meer
dan tweehonderdduizend op den oever van de rivier aantreffen, behalve
die, welke al in 't water rond zwemmen. Maar 'k zal me haasten zooveel
ik kan. Zeg hun intusschen dat ik er spoedig zal wezen.
NOTEN:
[1] Erasmus schreef dit ongeveer in den tijd toen keizer Karel V met
Hendrik VIII, koning van Engeland, oorlog voerde tegen Frans I, koning
van Frankrijk.
[2] Hiermee duidt Erasmus zich zelven aan, zooals hij dat op meer
plaatsen in zijn geschriften doet.
[3] Als veergeld werd den dooden een koperstukje in den mond gegeven.
* * * * *
DE ONTEVREDEN GEHUWDE OF HET HUWELIJK
EULALIE, XANTIPPE.
Erasmus was een goed kenner der vrouwen. In onderstaand gesprek
toont hij te weten, hoe de vrouwen in zijn tijd soms hunne
echtgenooten behandelden; óók, hoe die verhouding bij anderen veel
beter was. De practische levenswijsheid doet hier menig verstandig
voorschrift aan de hand, dat in zijn tijd zeker vaak nut zal hebben
gesticht, en waarvoor (al zijn de tijden gelukkig in vele opzichten
veranderd) onze eeuw ook nog wel eens de ooren mag openen. "Tracht,
o! vrouwen, door zachtheid, wijsheid, beleid, niet door vinnigheid
en boosheid uw mannen te verbeteren," dat is de leer hier door
Erasmus verkondigd. Een blik wordt hier gegeven in 't burgerlijke
leven dier dagen met zijn ruwe zeden en gewoonten, eigenaardig
zeker in vergelijking met die van onzen tijd.
EULALIE: Hartelijk gegroet, Xantippe: ik ben heel blij dat ik je
zie.--XANTIPPE: Net hetzelfde, lieve Eulalie. Je bent veel mooier dan
gewoonlijk!--EULALIE: Begin je nu met mij met grapjes?--XANTIPPE: Neen
werkelijk niet: maar ik meen het heusch.--EULALIE: Misschien dat mijn
nieuwe japon mijn vormen wat beter doen uitkomen?--XANTIPPE: Dat kan wel
wezen, 'k Heb in langen tijd zoo iets beelderigs niet gezien. Mij dunkt
't is Engelsche stof.--EULALIE: Ja 't is Engelsche wol en Venetiaansche
kleur.--XANTIPPE:--'t Is zachter dan batist. Maar wat een echt mooie
purperkleur. Waar heb je dat van daan gekregen?--EULALIE: Van wie moeten
eerbare vrouwen 't krijgen anders dan van hare mannen?--XANTIPPE:
Gelukskind, als je zoo'n man hebt! 'k Wou liever dat ik een nul getrouwd
had, toen ik mijn Nicolaas huwde.--EULALIE: Alsjeblieft, wat zeg je
daar? Is er al zóó gauw een slechte verhouding tusschen
jelui?--XANTIPPE: Daar zal ook nooit een goede verhouding tusschen ons
komen. Je ziet hoe haveloos ik er uitzie. Zóó laat hij zijn vrouw
loopen. 'k Mag doodvallen als ik me niet vaak schaam zóó op straat te
komen, wanneer ik zie hoe netjes anderen gekleed zijn die met veel armer
mannen getrouwd zijn.--EULALIE: Het sieraad van een getrouwde vrouw zit
niet in haar kleeding of in anderen tooi van 't lichaam, zooals de
Apostel Petrus leert, maar in een kuischen en ingetogen aard en in de
goede geesteseigenschappen. Dat heb ik dikwijls in de kerk gehoord.
Lichtekooien sieren zich voor den blik van velen. Wij zijn mooi genoeg
als we maar aan één man mogen behagen.--XANTIPPE: Maar intusschen brengt
die goede man van mij, die zoo karig is tegenover zijn vrouw, den
tamelijk rijken bruidschat dien ik hem meebracht, aardig door.--EULALIE:
Waarmee?--XANTIPPE: Met dingen waarin hij plezier heeft: met wijntje en
Trijntje en dobbelen.--EULALIE: 't Is zonde!--XANTIPPE: Maar 't is
werkelijk zoo. En als hij dan dronken, diep in den nacht thuis komt,
waar ik hem lang heb zitten wachten, dan snurkt hij den geheelen nacht,
braakt soms het bed vol, om van de rest maar niet te spreken.--EULALIE:
Zoo mag je niet spreken; je doet je zelf schande aan, wanneer je je man
de kroon van het hoofd haalt.--XANTIPPE: 'k Mag sterven wanneer ik niet
liever een pad bij me heb, dan zóó'n man.--EULALIE: En wacht je hem dan
niet op met een flink standje?--XANTIPPE: Zooals hij verdient. Hij merkt
dat ik niet stom ben.--EULALIE: En wat bracht hij daartegen
in?--XANTIPPE: In 't eerst schreeuwde hij woest, omdat hij dacht dat hij
me met groote woorden op de vlucht zou jagen.--EULALIE: En is het van
woorden nooit tot handtastelijkheden gekomen?--XANTIPPE: Als ik het goed
naga dan is de strijd éénmaal zóó hoog geloopen, dat 't heel weinig
scheelde of 't liep op vechten uit.--EULALIE: Wat moet ik
hooren?--XANTIPPE: Hij zwaaide met een knuppel onder woest geschreeuw en
vreeselijke dreigementen.--EULALIE: Was je toen niet bang?--XANTIPPE:
Neen, zeker niet! Ik van mijn kant greep een klein bankje, en als hij me
met een vinger aangeraakt had, zou hij gemerkt hebben dat ik ook handen
aan mijn lijf heb.--EULALIE: Dat is een nieuw soort van schild. Daarbij
ontbrak nog maar de stok van 't spinnewiel als lans.--XANTIPPE: Hij zou
gevoeld hebben dat hij met een manwijf te doen had.--EULALIE: Neen
Xantippe, dat gaat toch zoo niet.--XANTIPPE: Wat gaat niet? Als hij mij
niet als zijn vrouw behandelt, ben ik ook niet van plan hem als mijn man
te beschouwen.--EULALIE: Maar de Apostel Paulus leert toch dat de
vrouwen haar mannen met allen eerbied onderdanig moeten zijn. En Petrus
houdt ons het voorbeeld van Sarah voor oogen, die haar man Abraham
"heer" noemde.--XANTIPPE: Ja, dat heb ik ook wel gehoord. Maar diezelfde
Paulus leert ook, dat de mannen hunne vrouwen moeten liefhebben, evenals
Christus Zijn bruid, de Kerk, heeft liefgehad. Laat _hij_ denken aan
_zijn_ plicht, dan zal _ik_ ook aan den _mijne_ denken.--EULALIE: Maar
als 't nu eenmaal in dit stadium is gekomen dat er één voor een ander
moet wijken, dan is 't toch ook niet meer dan billijk dat de vrouw
toegeeft aan haar echtgenoot.--XANTIPPE: Als _hij_ tenminste werkelijk
echtgenoot mag heeten, die mij beschouwt als zijn dienstmeid.--EULALIE:
Maar zeg eens, Xantippe, is je man later opgehouden te dreigen met
klappen?--XANTIPPE: Ja, en dat is maar goed ook, want hij zou slaag
gehad hebben.--EULALIE: Maar ben jij toen ook niet opgehouden met
kijven?--XANTIPPE: Neen en ik ben ook niet van plan er mee op te
houden.--EULALIE: En wat doet hij dan onderwijl?--XANTIPPE: Wat? Nu,
soms slaapt hij eens en droomt als een mensch; soms doet hij niets dan
lachen; dikwijls grijpt hij een muziekinstrument, waarop nog maar drie
snaren zitten en terwijl hij daarop tokkelt zoo hard hij kan, tracht hij
mijn woorden te overstemmen.--EULALIE: En dat hindert je dan toch
zeker?--XANTIPPE: Meer dan ik je zeggen kan. Soms kan ik mijn handen
maar met moeite thuis houden.--EULALIE: Lieve Xantippe. Permitteer je me
dat ik eens heel vrijuit met je spreek?--XANTIPPE: Zeker.--EULALIE: Jij
moogt dat dan over mij ook doen. De omgang dien wij bijkans van de wieg
af met elkaar gehad hebben, brengt dat mee.--XANTIPPE: Je hebt gelijk;
geen van mijn vriendinnen had ik ooit meer lief.--EULALIE: Hoe je man
ook moge wezen, bedenk dit: je hebt niet het recht om te veranderen.
Vroeger was bij onherstelbare tweespalt de echtscheiding een uiterste
redmiddel. Dat is nu uit. Tot aan den laatsten levensdag moet een
echtgenoot ook je man blijven, en gij de vrouw van uw man.--XANTIPPE: Ik
wou dat God de menschen strafte die ons 't recht om te scheiden hebben
afgenomen.--EULALIE: Spreek niet zoo, Christus heeft 't zoo
ingesteld.--XANTIPPE: Dat kan ik haast niet gelooven.--EULALIE: 't Is
toch zoo. Nu schiet er niets anders over dan dat gij beiden u op
eendracht toelegt, door u te schikken naar elkanders karakter en
aard.--XANTIPPE: Maar hoe kan ik mijn man veranderen?--EULALIE: 't Hangt
heel veel van de vrouwen af, hoe de mannen zijn.--XANTIPPE: Ben _jij_
dan goed met jouw man?--EULALIE: Nu is alles in orde.--XANTIPPE: Dus was
er in den beginne ook wel onraad?--EULALIE: Nooit stormde het. Maar toch
waren er, zooals dat onder menschen wel meer gaat, eenige wolkjes aan
den horizon, wolkjes die een storm hadden kunnen verwekken, wanneer dat
niet door kalm overleg was voorkomen. Ieder heeft zoo zijn
eigenaardigheden, ieder heeft zoo zijn ideeën, en als we de waarheid
willen zeggen: ieder heeft ook zijn eigen gebreken. En zoo ooit of
ergens dan moet men die in het huwelijk kennen en niet
verafschuwen.--XANTIPPE: Wat je daar zegt is waar.--EULALIE: Maar nu
gebeurt het heel vaak, dat de welwillendheid over en weer tusschen man
en vrouw reeds zoek is, vóórdat ze elkander eigenlijk goed kennen. En
daarvoor moet men in de allereerste plaats oppassen. Immers als er
éénmaal een wrok is ontstaan, dan komt dat heel moeilijk weer in orde,
vooral wanneer 't eenmaal tot harde woorden gekomen is. Pas gelijmde
stukken vallen licht van elkander wanneer men er hard tegen stoot, maar
wanneer ze eenmaal flink aan elkander vast zitten, als de lijm gedroogd
en hard is, dan is er niets stevigers denkbaar. Daarom moet het in den
aanvang daarop worden aangelegd, dat de vriendelijke gezindheid tusschen
man en vrouw samengroeie en bevestigd worde. En dat kan 't best
geschieden door elkander te dienen en zich aan elkanders
eigenaardigheden aan te passen. Want een welwillendheid, die alleen maar
voor den vorm wordt aangenomen, is doorgaans van voorbijgaanden
aard.--XANTIPPE: Maar vertel me dan toch alsjeblieft door welke middelen
jij je man tot jouw eigenaardigheden hebt weten te brengen.--EULALIE: 'k
Wil 't je wèl vertellen, maar alleen op voorwaarde dat je tracht 't na
te doen.--XANTIPPE: Als ik kan.--EULALIE: Dat zal heel licht gaan als de
goede wil er maar is. 't Is nog niet te laat. Want hij is nog jong en
jij bent nog haast een meisje. 'k Geloof dat er nog geen jaar sedert je
getrouwd bent, verloopen is.--XANTIPPE: Dat 's waar.--EULALIE: Nu dan
zal ik 't je vertellen, maar: mondje dicht!--XANTIPPE: Goed.--EULALIE:
Mijn allereerste zorg was: om in alles mijn man ter wille te wezen,
zoodat er niets was, waaraan hij aanstoot kon nemen. Ik ging nauwkeurig
zijn lusten en liefhebberijen na, lette goed op alle tijden en
gelegenheden en wat hij bijzonder graag had, óók, wat hem kon prikkelen,
net zooals leeuwen- en olifanten-temmers doen met dergelijke dieren die
men niet met geweld kan behandelen.--XANTIPPE: Zoo'n beest heb ik
thuis.--EULALIE: Menschen die bij olifanten komen doen geen witte jas
aan: bij stieren geen roode; omdat men bij ondervinding weet dat die
kleuren de dieren woest maken. Zoo worden bijv. tijgers door
bekkenslagen zóó wild, dat ze elkander verscheuren. En menschen die met
paarden omgaan, hebben hun gewone woordjes, hun geluiden met de tong, 't
streelen met de hand en allerlei andere gebaren en geluiden waarmee ze
schichtige paarden kalmeeren. Hoeveel te meer moeten wij dan ook die
middelen toepassen op onze echtgenooten met wie wij, of we willen of
niet, ons geheele leven dóór, huis en bed moeten deelen.--XANTIPPE: Nu,
ga door, je bent zoo mooi begonnen.--EULALIE: Dat in 't oog houdend
trachtte ik mij naar hem te voegen, terwijl ik zooveel mogelijk oppaste
dat er geen reden tot aanstoot gegeven werd.--XANTIPPE: Hoe kon je
dat?--EULALIE: In de allereerste plaats door goed te zorgen voor 't
huishouden, de eerste en voornaamste taak van een huisvrouw. Ik waakte
er niet alleen voor dat er niets werd verzuimd, maar ook dat alles naar
zijn zin uitkwam, zelfs in de kleinste zaken.--XANTIPPE: Welke
bijvoorbeeld?--EULALIE: Bijv. wanneer je man van dit of van dat kostje
veel houdt, als een gerecht op deze of die manier klaargemaakt hem
bijzonder bevalt, als zijn bed op een bijzondere manier wordt
opgemaakt.--XANTIPPE: Maar hoe was je in staat je naar hem te voegen als
hij zoo zelden thuis en dan nog dronken was?--EULALIE: Geduld! Dat wilde
ik juist gaan vertellen. Als mijn man soms eens wat somber scheen en de
gelegenheid minder gunstig was om hem aan te spreken, dan lachte of
schertste ik nooit, zooals sommige vrouwen wel eens doen; maar ik zette
zelf ook een erg bedroefd en bekommerd gezicht. Gelijk een spiegel, als
hij goed is, altijd 't gezicht van hem die er in kijkt juist weergeeft,
zoo moet ook de huisvrouw zich weten te voegen naar de gemoedsstemming
van haar man. Ze moet niet vroolijk zijn, wanneer hij somber gestemd is
of zich niet blij toonen wanneer er iets is wat hem hindert. En wanneer
hij dan eens wat opgewonden was, trachtte ik hem met zachte woordjes te
kalmeeren, of ik liet zijn boosheid maar stilletjes bekoelen tot de
gelegenheid zich aanbood 't zij voor hem om zijn boosheid kwijt te
raken, 't zij voor mij om hem eens onder handen te nemen. 't Zelfde
placht ik te doen wanneer hij thuis kwam, na wat meer wijn gedronken te
hebben dan wel dienstig was. Dan zei ik niet anders dan vriendelijke
woordjes tot hem, alleen met een zoet lijntje wist ik hem naar zijn bed
te krijgen.--XANTIPPE: Je moet me toch toegeven dat de positie van de
vrouwen heel ongelukkig is, dat ze maar moeten gehoorzamen aan driftige,
dronken echtgenooten, die alles doen wat ze willen.--EULALIE: Alsof die
volgzaamheid niet wederkeerig was! Zij zien zich toch ook genoodzaakt
veel van ónze eigenaardigheden te verdragen. Er komt evenwel een tijd
wanneer de vrouw de man moet waarschuwen, wanneer er iets van belang
voorvalt. Bij zaken van minder gewicht is 't beter wat door de vingers
te zien.--XANTIPPE: Wat dan?--EULALIE: Wanneer hij niet over iets tobt,
geen muizenissen in 't hoofd heeft, geen reden tot bekommering heeft,
niet gedronken heeft. Dan kan men hem onder vier oogen eens kapittelen,
of liever vragen of hij hierin of daarin niet wat meer zorg kon hebben
voor zijn zaken, voor zijn goeden naam, voor zijn gezondheid. En dan
moet toch ook nog die waarschuwing met wat grapjes en aardigheden
gekruid worden. Dikwijls stel ik vooraf als voorwaarde, dat hij niet
boos op me mag worden, wanneer ik, dwaze vrouw, hem een raad geef die
kan strekken tot zijn eer, tot zijn gezondheid, tot zijn heil. En als ik
hem dan de waarschuwing had gegeven die ik bedoelde, dan sneed ik hem de
woorden af en wendde 't over een anderen, joligen boeg. Want dit is over
't algemeen onze fout, lieve Xantippe, dat wij er geen eind aan kunnen
maken als we eenmaal begonnen zijn te spreken.--XANTIPPE: Ja, dat
beweren ze wel meer.--EULALIE: Maar in de allereerste plaats paste ik er
op, met mijn man nooit in tegenwoordigheid van derden te kibbelen en
niets van onze oneenigheid buiten de deur te brengen. Een breuk wordt
veel gemakkelijker hersteld, als er iets tusschen twee personen is
voorgevallen. En wanneer er eens iets gebeurt zóó dat 't onverdragelijk
is en niet door vermaningen van de vrouw kan worden goedgemaakt, dan is
't passender dat de echtgenoote met haar klacht aankomt bij de ouders
van haar man of bij diens bloedverwanten, dan bij haar eigen familie en
haar klacht zóó matigt dat ze niet den schijn op zich laadt haar man te
haten, maar wèl diens fouten. Maar toch moet ze ook weer niet alles
vertellen, zoodat hij dit opmerkt (ook al zegt hij het niet) en dan de
vriendelijkheid van zijn vrouw zal moeten waardeeren.--XANTIPPE: De
vrouw die dat alles wat gij verlangt kan doen, moet wel wijsgeerig
aangelegd zijn.--EULALIE: Door zulke tegemoetkomingen zullen we onze
mannen tot gelijke welwillendheid prikkelen.--XANTIPPE: Er zijn er die
men door geen vriendelijkheid, welke ook, verbetert.--EULALIE: Nu, ik
geloof dat niet. Maar gesteld eens dat 't zoo was. Bedenk dan dit in de
eerste plaats: we moeten onze echtgenooten nemen zooals ze zijn. Het
verdient dan toch nog maar de voorkeur iemand te verdragen, die
aanvankelijk een zwijn gelijkt, maar langzamerhand wat beter wordt, dan
iemand die met den dag liederlijker wordt, omdat wij onaangenaam tegen
hem zijn. Wat zou je er van zeggen wanneer ik eens voorbeelden aanhaalde
van echtgenooten, die door zoo'n vriendelijke bejegening hunne vrouwen
hebben verbeterd? Hoeveel te meer moeten wij dan 't zelfde doen
tegenover onze mannen?--XANTIPPE: Als je dat doet, dan zul je een
voorbeeld aanhalen geheel anders dan _mijn_ man is.--EULALIE: Ik heb
kennis aan een heer van adel, geleerd, een man van een
allerbeminnelijkst karakter. Hij had een jong vrouwtje getrouwd,
zeventien jaar oud, altijd op 't land, in 't huis van haar ouders
opgevoed, zooals adellijke heeren graag op 't land wonen om de jacht en
de vogelvangst. Hij wilde juist graag een ongevormd en onontwikkeld
meisje huwen om haar des te meer naar zijn zin te kunnen zetten. Hij
begon haar in letterkunde en muziek te onderrichten en haar
langzamerhand te gewennen hem 't geen zij in de kerk had gehoord te
vertellen. Hij begon haar door allerlei wetenswaardigheden te
ontwikkelen, die haar later van nut zouden kunnen zijn. Daar dit alles
voor 't jonge ding vreemd was, omdat ze bij zich thuis was opgevoed bij
nietsdoen en bij de conversatie en scherts van de dienstboden, begon
haar dit te vervelen. Ze wilde zich tegenover haar man niet volgzaam
toonen en als hij daarop aandrong dan huilde en pruilde zij zonder
ophouden. Dikwijls wierp ze zich op den grond, met haar hoofd op den
vloer bonzend alsof zij wenschte dood te zijn. Toen daaraan geen eind
wilde komen, kwam haar echtgenoot, die deed nèt alsof hij volstrekt niet
boos was, met de uitnoodiging dat ze samen voor plezier naar buiten
zouden gaan, naar 't huis van zijn schoonvader. Nu, daar had zijn vrouw
wel ooren naar. Toen ze daar waren aangekomen werd de jonge vrouw door
haar man bij haar moeder en haar zusters gelaten. Hij ging met zijn
schoonvader op de jacht. Onder vier oogen vertelt hij nu aan dezen dat
hij gehoopt had een gezellige levensgezellin te krijgen, maar dat hij er
een gekregen had die niets deed dan huilen en zich kwellen en martelen,
zonder dat er (op welke manier ook) eenige verbetering aan te brengen
was. Dat hij hem dus vriendelijk verzocht een handje te willen helpen in
't genezen van dat, wat werkelijk een ziekte was bij zijn dochter. De
schoonvader antwoordt hem dat hij hem eenmaal zijn dochter heeft [png.
086]afgestaan en wanneer zij niet naar zijn woorden wil hooren, dat hij
dan maar van zijn recht gebruik moet maken en haar met de karwats moet
zien te verbeteren. Toen zei de schoonzoon weer, dat hij wel wist
daartoe 't recht te hebben. "Maar," zei hij, "ik zou ze liever door uw
overredingskracht of door uw invloed willen genezen, dan dat ik tot 't
uiterste middel overga." De schoonvader belooft nu dat hij zijn
maatregelen zal nemen. Na een paar dagen grijpt hij de gelegenheid aan
toen hij met zijn dochter alleen is. Terwijl hij zijn gelaat in een
ernstige plooi zette, begon hij er haar op te wijzen dat ze volstrekt
niet mooi was, maar óók: wat een weinig beminnelijk karakter zij getoond
had en hoe vaak hij gevreesd had dat ze geen man voor haar zouden kunnen
vinden. "Met de grootste moeite heb ik eindelijk een man voor je
gevonden, zooals ieder meisje, zelfs één dat in de meest gunstige
omstandigheden verkeert, voor zich zou kunnen wenschen. En toch verzet
jij je tegen hem, zonder dankbaar te erkennen wat ik voor je gedaan heb
en zonder te willen inzien, dat je een man bezit die, als hij niet
bovenmate vriendelijk was, je niet waard zou achten tot zijn
dienstpersoneel te behooren." Om kort te gaan, uit de woorden van den
vader sprak zóó de gloeiende toorn, dat 't er heel veel van had of hij
slechts met moeite zijn handen kon bedwingen. Hij is een man van groote
slimheid, die elke rol kan spelen, zelfs die geheel buiten zijn eigen
persoon ligt. De jonge vrouw, die bang werd, maar die zich toch ook wel
bewust was dat haar vader waarheid sprak, viel hem te voet en smeekte
hem 't verleden te vergeten, dat ze voortaan zou weten te doen wat haar
plicht was. Haar vader schonk haar vergiffenis en beloofde in 't vervolg
ook een liefhebbend vader te zullen wezen, als zij maar deed wat ze
beloofd had.--XANTIPPE: En verder?--EULALIE: De jonge vrouw gaat nà 't
gesprek met haar vader naar haar kamer, waar ze haar man alleen
aantreft. Ze valt hem te voet en zei: "Lieve man, tot nog toe heb ik
noch u, noch mijzelve gekend. In 't vervolg zal-je zien dat ik anders
geworden ben: vergeet 't vroeger gebeurde." Haar man ving die woorden op
in een kus en beloofde haar alles wat ze maar wilde, zoo ze bij dat
goede voornemen bleef.--XANTIPPE: Nu, en is ze er bij
gebleven?--EULALIE: Tot aan haar laatste uur en er was niets zoo nederig
of laag dat ze niet gewillig en volgaarne op zich nam, wanneer haar man
het verlangde. Zulk een groote genegenheid ontstond er tusschen hen en
zoo werd meer en meer de liefde tusschen hen bevestigd. Na eenige jaren
wenschte zij zich dubbel en dwars geluk dat ze zoo'n uitstekend
echtgenoot had mogen huwen. "Als ik dien niet gekregen had, zou ik de
ongelukkigste vrouw ter wereld zijn geweest."--XANTIPPE: Maar zóó'n man
is dan ook een witte raaf.--EULALIE: Wanneer je er niets tegen hebt dan
wil ik je ook nog een voorbeeld aanhalen, omgekeerd, van een echtgenoot
die door den tact van zijn vrouw in het rechte spoor werd gebracht, wat
onlangs in deze stad hier is gebeurd.--XANTIPPE: 'k Heb op 't oogenblik
niets beters te doen en ik zit zoo gezellig naar je gebabbel te
luisteren.--EULALIE: Daar was een heer van hoogen adel die, zooals dat
onder dat slag van menschen gewoonte is, veel aan de jacht deed. Op 't
platte land trof hij een meisje aan, de dochter van een arm vrouwtje en
ofschoon hij op wat gevorderden leeftijd was, werd hij smoorlijk op 't
kind verliefd. Terwille van haar bracht hij vaak den nacht buiten de
echtelijke woning door. De jacht was altijd een welkom voorwendsel. Zijn
echtgenoote, een vrouw op wie niet 't minste te zeggen viel en van
onkreukbare rechtschapenheid, kreeg eenigen argwaan en ging in 't geheim
de wegen van haar man eens na. Toen hij op een keer ergens heen was
gereisd ging zij naar 't huisje op 't land. Ze vischte de heele zaak
uit, waar hij sliep, waaruit hij dronk, hoe 't servies was enz. enz.
Huisraad was er zoo goed als niet: 't was er armoe troef. De dame ging
heen en keerde weldra terug, terwijl ze een gemakkelijk bed meebracht en
keukengerei, zelfs eenig zilveren vaatwerk. Ook voegde zij er nog wat
geld aan toe, met de nadrukkelijke boodschap dat, als de mijnheer weer
terug kwam, zij hem wat netter moest ontvangen. Zij liet intusschen
volstrekt niet merken dat zij zijn vrouw was, maar gaf voor zijn zuster
te zijn. Na eenige dagen komt die echtgenoot daar heimelijk weer terug.
Hij ziet dat 't huisraad vermeerderd is en dat 't onthaal ruimer is dan
gewoonlijk. Hij vraagt van waar die ongewone weelde komt. Zij zeggen dat
een deftige dame die aan hem verwant is, dit alles heeft laten brengen
en hun heeft opgedragen hem voortaan wat deftiger te ontvangen.
Onmiddellijk komt 't vermoeden bij hem op, dat 't zijn vrouw is die dit
heeft gedaan. Hij gaat naar huis en vraagt of zij 't geweest is. Zij
zegt niet neen. Hij vroeg nu ook, met welke bedoeling zij dat huisraad
daarheen had gezonden. "Wel manlief," zei ze, "je bent gewoon aan een
zekere mate van comfort. Ik zag dat je daar minder netjes dan je 't
gewoon bent, wordt ontvangen. Nu meende ik dat 't mijn plicht was te
zorgen dat je 't daar wat beter kreegt, omdat ik weet dat je daarop
gesteld bent."--XANTIPPE: Nu die dame is wel wat al _te_ goed. Ik zou
liever in plaats van een zacht bed een bundel brandnetels of
spinaziezaad onder hem gestrooid hebben.--EULALIE: Hoor nu hoe het
afliep. Toen de man die rechtschapenheid van zijn vrouw had leeren
kennen en tevens haar vriendelijkheid, is hij nooit meer naar zijn
bijzit gegaan, maar vond zijn genoegen bij zijn eigen vrouw. Ik meen te
weten dat je Gilbert uit Holland wel kent?--XANTIPPE: Ja
zeker.--EULALIE: Hij is getrouwd zooals je weet, ofschoon hij nog jong
en krachtig is, met een vrouw van wat meer gevorderden leeftijd, al
zoo'n beetje "op haar retour."--XANTIPPE: Hij heeft haar misschien
getrouwd "om het gelletje, niet om het velletje" zooals ze dat
noemen.--EULALIE: Je kon wel eens gelijk hebben. Hij had niet veel schik
in zijn vrouw en hield veel van een ander vrouwtje dat hij zoo af en toe
wel eens buitenshuis zag. Zelden gebruikte hij 't ontbijt of het
middagmaal thuis. Wat zou _jij_ in dat geval doen?--XANTIPPE: Wat _ik_
zou doen? Ik zou dat liefje in de haren vliegen en wanneer mijn man
uitging naar haar toe, hem een pot met water over zijn lijf gooien, dat
hij goed gezalfd naar zijn feestmaal zou stappen.--EULALIE: Wat deed die
andere dan toch veel verstandiger! Zij noodde 't liefje van haar man
uit, om bij hem thuis te komen en ontving haar vriendelijk. Zoo hield ze
haar man ook zonder tooverdranken bij zich thuis. En als hij soms eens
buitenshuis met haar at, dan zond ze daar een lekkeren schotel heen met
de boodschap er bij, dat ze 't er maar eens lekkertjes van moesten
nemen.--XANTIPPE: Nu, _ik_ zou liever dood gaan dan mijn mans
koppelaarster te wezen.--EULALIE: Maar ga nu intusschen de zaak eens
goed na. Was dit niet heel wat beter, dan wanneer zij door een
kwaadaardig optreden haar man geheel en al van zich had vervreemd en
verder haar geheele leven in twist en onmin had moeten
doorbrengen?--XANTIPPE: Ik moet toegeven dat er nu minder kwaad is
gesticht. Maar _ik_ zou het niet kunnen.--EULALIE: 'k Zal er nog één
voorbeeld aan toevoegen en dan houd ik op. Onze buurman van hiernaast is
een braaf en rechtschapen man, maar hij is een beetje opvliegend. Op een
goeden dag had hij zijn vrouw, iemand die algemeen als lief en aardig
bekend staat, geslagen. Zij ging in de achterkamer en onder tranen en
snikken verkropte zij daar haar harteleed. Een poosje daarna komt
toevallig haar man ook in die kamer en vindt er zijn vrouw in tranen.
"Wat zit je hier te huilen en te snikken, net als kleine kinderen doen?"
Zij vroeg hem voorzichtig: "Nu, is het niet beter dat ik hier mijn leed
beween, dan dat ik op straat ga staan schreeuwen, zooals andere vrouwen
wel doen?" Door deze zoo echt vrouwelijke en innige woorden brak zij den
toorn van haar man en hij gaf zich gewonnen. Bij handslag beloofde hij
zijn vrouw, dat hij nooit weer de hand aan haar zou slaan--en, hij heeft
't ook nooit weer gedaan.--XANTIPPE: Ik heb 't zelfde van mijn man op
een andere manier gedaan gekregen.--EULALIE: Maar intusschen is het
tusschen jelui beiden altijd vechten.--XANTIPPE: Wat zou je dan willen
dat ik deed?--EULALIE: Vooreerst, zwijgen over alles wat je man verkeerd
doet en zijn liefde langzamerhand winnen door voorkomendheid,
vriendelijkheid en toegevendheid. Dan zul je hem eindelijk wel gewillig
zien of tenminste zul-je hem thuis veel meer naar je hand gezet hebben
dan hij nu is.--XANTIPPE: Hij is veel te heftig van aard dan dat ik hem
zou kalmeeren door voorkomendheid.--EULALIE: Zeg dat niet! Daar is zelfs
geen wild beest zóó woest of 't is door zachtheid te temmen. Daar behoef
je dus bij een mensch nog minder aan te wanhopen. Probeer 't eens enkele
maanden. Je mag 't _mij_ wijten, als je bemerkt dat deze raad je niet
gebaat heeft. Verder zijn er enkele gebreken die je een beetje door de
vingers moet zien. In de allereerste plaats moet je er voor oppassen
geen twist in je slaapkamer of in je bed te verwekken. Je moet
daarentegen zorgen dat 't daar altijd opgewekt en prettig is. Een vrouw
moet er altijd voor zorgen dat haar man aan niets aanstoot kan nemen;
zij moet er haar uiterste best voor doen als ze met haar man samen is,
zich op alle manieren vriendelijk en opgewekt te toonen.--XANTIPPE: Ja,
voor een man, maar _ik_ heb met een _beest_ te doen.--EULALIE: Houd nu
op met kwaadspreken. Over 't algemeen zijn de mannen door ónze schuld
slecht voor ons. Maar om tot ons onderwerp terug te keeren. Zij die
thuis zijn in de oude verhalen der dichters, vertellen ons dat Venus
(zoo noemen zij de godin die het huwelijk beschermt) een gordel heeft,
door de kunstvaardige hand van Vulcanus bewerkt. Daarin moet alles
gewerkt zijn wat kan dienen om liefde te wekken. Dien gordel doet zij
aan, zoo dikwijls zij van plan is naar haar man te gaan.--XANTIPPE: Nu
ja, wat je daar vertelt is een fabeltje.--EULALIE: Daaraan heb je wel
gelijk, maar luister eens wat de bedoeling is van dat
fabeltje.--XANTIPPE: Nu, zeg eens op.--EULALIE: 't Leert ons dat een
vrouw alle moeite moet aanwenden, om als ze met haar man samen is, hem
ter wille te zijn, om de liefde van haar echtgenoot warm te houden en te
doen opvlammen en om uit zijn geest te verdrijven al wat hem aanstoot
kan geven of zijn tegenzin kan wekken.--XANTIPPE: Maar waar halen wij
zoo'n gordel van daan?--EULALIE: Geen heksenkruiden of
bezweringsformules hebben wij noodig. Geen betoovering is machtiger dan
een rechtschapen karakter verbonden met zachtheid.--XANTIPPE: Ik kan
tegen zoo'n man als de mijne is niet vriendelijk wezen.--EULALIE: En
toch hangt 't geheel van je zelve af of hij zal ophouden zóó te zijn als
hij nu is. Als je door de kunsten van een toovenares als Circe je man in
een zwijn of een beer kon veranderen, zou je het dan doen?--XANTIPPE:
Dat weet ik niet.--EULALIE: Weet je dat niet? Of zou je liever een zwijn
tot man hebben dan een mensch?--XANTIPPE: Natuurlijk liever een
mensch.--EULALIE: Welnu, wanneer je dan door tooverkunsten je man van
een dronkenlap tot een matig mensch kon maken, van een verkwister tot
een zuinig persoon, van een leeglooper tot een werkzaam man, zou je dat
dan niet doen?--XANTIPPE: Ja zeker zou ik dat. Maar hoe kom ik aan die
door u bedoelde toovermiddelen?--EULALIE: Wel je hebt ze tot je
beschikking, als je ze maar wilt aanwenden. Hij moet van u zijn, of hij
wil of niet. Hoe beter je hem maakt, des te beter behartig je je eigen
belang. Je hebt nu maar altijd je oogen gericht op zijn gebreken en deze
maken je afkeer van hem steeds grooter. Gij pakt hem altijd juist bij 't
handvatsel aan waar hij niet bij moet worden beetgepakt. Let liever ook
op zijn goede zijden, en vat hem daar aan, waar je wèl hoûvast aan hem
hebt. Vóór ge met hem trouwdet hadt ge tijd om te overwegen welke
slechte eigenschappen hij bezat. Immers men moet niet alleen met de
oogen maar ook met de ooren den man dien men koos, leeren liefhebben. Nu
is de tijd gekomen om fouten te herstellen, niet meer om er een
beschuldiging van te maken.--XANTIPPE: Welke vrouw heeft ooit haar man
"met de ooren" genomen?--EULALIE: Ik zou zoo zeggen: een vrouw neemt
haar man met de _oogen_, wanneer ze op niets anders let dan op zijn
mooie lichaam; met de _ooren_ daarentegen, wanneer ze nauwkeurig nagaat
wat er over hem verteld wordt.--XANTIPPE: Een goede waarschuwing, maar
die wat laat komt.--EULALIE: Een poging om je man te verbeteren, komt
nooit te laat. En daartoe kan heel veel bijbrengen of je je man ook een
kindje schenkt.--XANTIPPE: Dat is er al.--EULALIE: Wanneer?--XANTIPPE:
Al lang.--EULALIE: Hoeveel maanden al?--XANTIPPE: Bijkans
zeven.--EULALIE: Wat hoor ik! Is 't een jongen?--XANTIPPE: Ja.--EULALIE:
Nu, die brengt de zaak tusschen je beiden wel weer in orde, als jij je
zelve maar een beetje inschikkelijk wilt toonen. En hoe spreken anderen,
de vrienden van je man over hem? Met wie gaat hij buitenshuis
om?--XANTIPPE: Ze zeggen algemeen dat hij gemakkelijk van karakter is,
vrijgevig, meegaand, recht hartelijk voor zijn vrienden.--EULALIE: Juist
al die eigenschappen geven mij goeden moed dat jij hem wel zult krijgen
zooals je hem hebben wilt.--XANTIPPE: Alleen tegenover mij is hij niet
zoo.--EULALIE: Maar gedraag jij je nu tegenover hem zooals ik je geraden
heb. En dan mag je mij een leugenaarster noemen, als hij ook niet zoo
tegenover u zal wezen. Bedenk ook wel dat hij nog jong is: 'k geloof nog
niet eens vierentwintig jaar. Hij weet nog niet wat 't zeggen wil
huisvader te wezen. Je behoeft nog niet over echtscheiding te
denken.--XANTIPPE: Nou, ik heb er wàt vaak over gedacht.--EULALIE: Als
je daarover dan wéér gaat denken, overweeg dan eerst eens bij je zelf,
hoe weinig een gescheiden vrouw in de melk te brokken heeft, 't
Schoonste sieraad voor een vrouw is: haar man ter wille en gehoorzaam te
zijn. Zoo heeft de natuur 't ingericht, zoo heeft God het gewild, dat de
vrouw geheel zou afhangen van den man. Denk er verder aan: 't vermogen
behoort den man: een ander kan er niet aanraken. En denk dan aan 't
knaapje dat u beiden toebehoort. Wat zult ge omtrent hem bepalen? Zult
_gij_ hem bij u houden? dan berooft ge uw man van zijn bezit. Zult ge 't
ventje bij _hem_ laten? dan berooft gij u zelf van 't dierbaarste wat ge
hebt. Zeg me ten slotte nog dit: zijn er soms menschen die je een kwaad
hart toedragen?--XANTIPPE: Ja, ik heb een echte stiefmoeder, en
bovendien een schoonvader, net zoo erg als zij.--EULALIE: Zijn die je
zóó kwaadwillig gezind?--XANTIPPE: Ik geloof dat ze mij graag dood
zouden willen zien.--EULALIE: Welnu denk dan ook eens aan die twee. Kunt
ge hun wel grooter genoegen doen, dan wanneer zij je gescheiden zien van
je man; dat je als een weduwe, neen erger dan een weduwe moet leven?
Want weduwen mogen tenminste nog hertrouwen.--XANTIPPE: Ik vind je raad
heel goed, maar ik zie op tegen de langdurige moeite.--EULALIE: Maar
bedenk dan eens hoeveel moeite gij wel hebt moeten doen om dezen
papegaai enkele menschelijke woorden te leeren praten.--XANTIPPE: Heel
wat, dat is zeker.--EULALIE: En dan zou je opzien tegen de moeite om je
man wat te verbeteren om verder met hem een prettig leven te slijten?
Hoeveel moeite getroosten de menschen zich om een paard naar hun zin te
krijgen en mogen wij er dan bezwaar tegen hebben om ons best te doen ten
einde onze echtgenooten meer naar onze hand te zetten?--XANTIPPE: Wat
moet ik dan doen?--EULALIE: Dat heb ik je al gezegd. Zorg dat in huis
alles netjes en proper is: dat niets hem aanstoot kan geven, zoodat 't
hem uit het huis jaagt. Wees vriendelijk tegen hem en tevens met een
zeker eerbiedsvertoon dat een echtgenoote aan haar man verschuldigd is.
Wees opgewekt, maar niet uitgelaten; wees niet stroef, maar ook niet
dartel. Thuis moet hij zijn tafel wèlvoorzien vinden. Je kent den smaak
van je man, kook dus voor hem wat hij 't lekkerst vindt. Toon je ook
voor zijn vrienden toeschietelijk en welwillend. Noodig hen vaak bij je
te gast. Maak aan tafel dat alles vol van vroolijkheid en opgewektheid
is. En wanneer hij dan eindelijk, door den wijn een kleine verheuging
heeft gekregen en op zijn cither gaat tokkelen, welnu begeleid hem dan
met uw zang. Zoo zult gij uw man gewennen aan huiselijkheid en zult gij
tevens zijn uitgaven verminderen. Want ten langen leste moet hij toch
zóó gaan denken: "Ik ben dan toch wel gek dat ik buitenshuis met groote
schade voor mijn beurs en voor mijn goeden naam met een liefje leef,
terwijl ik thuis een vrouwtje heb, veel aardiger en dat dol van mij
houdt en bij wie ik 't veel netter en royaler kan hebben."--XANTIPPE: En
denk je dat 't mij gelukken zal wanneer ik 't probeer?--EULALIE: Zie
maar naar mijn voorbeeld. Richt je naar mij. Intusschen zal ik je man
wel eens te spreken krijgen en ik zal hem aan zijn plicht
herinneren.--XANTIPPE: Ik vind dat wel heel vriendelijk van je, maar pas
op dat hij soms geen lont ruikt: hij zou hemel en aarde
bewegen.--EULALIE: Maak je niet bezorgd. 'k Zal wel zooveel omwegen
gebruiken dat hij mij uit zichzelf vertelt wat voor ongenoegen er
tusschen u beiden is voorgevallen. Wanneer hij dat gedaan heeft dan zal
ik hem, zooals ik dat gewoonlijk doe, heel vriendelijk onder handen
nemen en hem voor u, naar ik hoop, veel handelbaarder maken. En zoo ter
loops zal ik wel eens ter sprake brengen hoe lief jij je over hem hebt
uitgelaten.--XANTIPPE: 'k Hoop dat Christus onze pogingen zal
zegenen!--EULALIE: Hij zal je helpen, als jij je zelve wilt helpen.
* * * * *
HERBERGEN IN DUITSCHLAND
BERTHOLF EN WILLEM.
Voor de cultuurgeschiedenis is de samenspraak die tot titel voert
"Diversoria of Herbergen" hoogst gewichtig. Erasmus heeft veel
gereisd en de schildering die hij geeft van de logementen zal er
wel een zijn, naar waarheid geteekend, al staan wij ook verbaasd
over de mededeelingen van morsigheid, ruwheid, 't gebrek aan alles
wat naar comfort lijkt, de afwezigheid, van iets wat naar
voorkomendheid zweemt. De beschaving was van de logementen en
herbergen nog ver verwijderd: de waarden uit die inrichtingen
zullen Erasmus' hekeltaal wel niet gelezen hebben en zich door haar
niet hebben verbeterd. Als schildering van zeden uit de 15e eeuw
heeft dezer samenspraak groote waarde.
BERTHOLF: Waarom vinden zooveel menschen 't prettig zich twee of drie
dagen te Lyon op te houden? Als ik eenmaal op reis ben rust ik niet voor
'k ben waar ik wezen moet.--WILLEM: Neen, omgekeerd! Ik verwonder er mij
juist over dat iemand zich uit Lyon laat weghalen.--BERTHOLF:
Hoezoo?--WILLEM: Omdat 't daar een plaats is, als die van waar de
gezellen van Ulysses niet konden worden losgerukt; omdat daar de Sirenen
haar verblijf hebben opgeslagen. Niemand wordt in zijn eigen huis beter
verzorgd dan dáár in een hotel.--BERTHOLF: Hoe komt dat?--WILLEM: Wel,
aan tafel staat steeds een vrouwspersoon om de gasten door haar grappen
en geestigheden op te vroolijken. Verder vindt men daar vele vrouwen van
buitengewone schoonheid. Eerst kwam de vrouw des huizes ons begroeten,
terwijl ze ons een opgewekt en vroolijk verblijf toewenschte en de hoop
uitsprak dat wij 't geen ons werd voorgezet ons goed zouden laten
smaken. Daarna kwam haar dochter binnen, een elegant persoontje, rad van
tong, levenslustig en gezellig in haar optreden, zoodat ze zelfs een
brompot als Cato zou kunnen opvroolijken. En ze praatten met haar gasten
niet als met vreemden, maar als met oude vrienden en
kennissen.--BERTHOLF: Daaraan zie je weer de beschaving van 't Fransche
volk.--WILLEM: Maar daar ze toch niet voortdurend bij ons konden blijven
omdat haar huiselijke bezigheden haar riepen en ook de andere gasten
door haar begroet moesten worden, stond er aanhoudend een meisje bij
ons, klaar voor allerlei grapjes. Zij was, in haar eentje best in staat
om alle geestigheden terug te kaatsen: ze speelde haar rol goed en zette
't gesprek voort totdat de dochter des huizes terug zou komen. Want de
moeder was al een beetje op jaren.--BERTHOLF: Maar hoe was nu eigenlijk
wel 't eten? Want praatjes vullen de maag niet.--WILLEM:
Allervoortreffelijkst, zoodat ik er verbaasd over sta, dat zij voor zóó
weinig geld gasten kunnen opnemen. En na den maaltijd onderhouden zij de
menschen weer zóó met aardige vertellingen, dat geen verveling hen
bekruipt. Ik verbeeldde me thuis te wezen en niet in den
vreemde.--BERTHOLF: En hoe was 't in de slaapkamers?--WILLEM: Daar waren
overal steeds eenige kamermeisjes, lachebekjes, dartel, speelsch: uit
zichzelf vroegen ze of we ook vuile kleeren hadden, en die wieschen ze
dan en brachten ze ons gewasschen terug. Om kort te gaan: we zagen daar
niets dan meisjes en vrouwen. Behalve in den stal--ofschoon de meisjes
daar ook dikwijls kwamen binnenstuiven. Bij ons vertrek zoenden ze ons
en waren bij het afscheid zóó hartelijk alsof wij allen broeders waren
of ten minste zeer na-verwanten.--BERTHOLF: Nu die gewoonten zijn
misschien bij de Franschen in eere: ik houd meer van die der Duitschers.
Die zijn manlijker.--WILLEM: Ik heb Duitschland nog nooit mogen bezoeken
en daarom zou ik je wel willen verzoeken, als 't je niet te lastig is,
mij eens te vertellen hoe ze daar een gast ontvangen.--BERTHOLF: Of men
overal dezelfde behandeling ondervindt, weet ik niet, maar ik zal je
vertellen wat ik er zag. Bij je aankomst is er niemand die je begroet.
Dat doen ze om niet den schijn te hebben dat ze je aanhalen. Dat toch
houden ze voor laag en verachtelijk en de Duitsche strengheid onwaardig.
Wanneer je nu lang hebt staan roepen, dan komt eindelijk uit een klein
venstertje van de kamer waar de algemeene haard zich bevindt (want daar
verblijven ze tot ongeveer den langsten dag) een hoofd steken, net als
een schildpad haar kop uit haar schaal steekt. Aan dien persoon nu moet
men vragen of men daar zijn intrek mag nemen. Als hij niet neen zegt,
dan kun je er op rekenen, dat je een plaatsje gegund wordt. Op je vraag
waar de stal is, wijst men u dien met een handbeweging. En daar mag je
dan je paard op je eigen manier behandelen. Geen knecht toch steekt er
een hand uit. Als de herberg wat druk bezocht is, dan wijst een knecht
je de stalling en de minst geschikte plaats voor je paard. Want de
mooiste plaatsen bewaren ze voor hen die nog later komen, vooral voor
edellieden. En als je eenige bezwaren maakt, dan krijg je dadelijk te
hooren: "Als 't je niet bevalt zoek dan maar een ander onderkomen." Hooi
geven ze je in de steden weinig, met mondjesmaat; en je moet dit niet
heel veel goedkooper dan haver betalen. Als er nu voor je paard gezorgd
is, dan verhuist ge naar de gelagkamer en je gaat zitten aan den grooten
haard, met kaplaarzen en bagage, beslikt en wèl. Dat vertrek is voor
allen gemeenschappelijk bestemd.--WILLEM: In Frankrijk wijzen ze je
vertrekken aan om je uit te kleeden of je af te boenen, je te verwarmen
of ook wel uit te rusten als je er lust in hebt.--BERTHOLF: Hier niets
van dat alles. In de gelagkamer doe-je je laarzen uit, trek-je je
schoenen aan, schiet-je een ander hemd aan als je daar behoefte aan
hebt, hang-je naast den haard de door den regen nat geworden kleeren om
uit te dampen. Je schuift er zelf bij, om te droogen. Daar staat ook
water klaar als je je handen wilt wasschen, maar dat is meestal zóó
helder, dat je daarna weer ander water moet vragen om dat sopje af te
spoelen.--WILLEM: Nu, die mannen, zóó weinig verwijfd, verdienen een
pluimpje!--BERTHOLF: En bijgeval je in den namiddag te vier uren
aankomt, eet je toch niet vóór 's avonds negen, soms tien uren.--WILLEM:
Waarom?--BERTHOLF: Ze maken niets klaar vóór ze gezien hebben hoeveel
gasten er zijn, om in ééne moeite voor allen gezamenlijk alles gereed te
maken.--WILLEM: 't Zijn menschen die blijkbaar van beknoptheid
houden.--BERTHOLF: Daar heb-je het. En zoo zijn er wel eens tachtig of
negentig gasten, voetreizigers, ruiters, kooplieden, schippers,
koetsiers, boeren, vrouwen en kinderen, gezonden en zieken bij
elkander.--WILLEM: Dat lijkt wel een echte broedergemeente.--BERTHOLF:
De één kamt er zijn haren, een tweede veegt zich het zweet af, een derde
reinigt er zijn kaplaarzen of zijn slobkousen, een ander weer laat
allerlei onsmakelijke geluiden hooren. Om kort te gaan: daar is een even
groote spraak- en persoonsverwarring als indertijd bij den torenbouw van
Babel. En als ze iemand zien die tot een vreemde natie behoort, die door
een goed verzorgd uiterlijk zich eenigszins aanzienlijk voordoet, dan is
aller aandacht op hem gericht en ze zitten hem aan te kijken alsof hij
een vreemdsoortig wezen is uit Afrika aangebracht, zelfs zóó, dat
wanneer ze later aan tafel aanzitten, ze hem blijven aankijken, terwijl
ze naar hem òmzien en hun oogen niet van hem afhouden, terwijl ze hun
eten vergeten.--WILLEM: Te Rome, te Parijs en te Venetië kijkt niemand
verwonderd naar iets, wàt ook.--BERTHOLF: Intusschen mag men om _niets_
vragen. Wanneer de avond een goed eind gevorderd is, en ze geen gasten
meer verwachten dan komt een oude knecht voor den dag, een kerel met een
grauwen baard, kort geknipt haar, stuursch gelaat en vuile
kleeren.--WILLEM: Zulk slag van menschen moesten de kardinalen te Rome
tot tafelbedienden hebben!--BERTHOLF: Terwijl hij zijn blikken over de
gasten laat gaan, telt hij zachtjes bij zich zelven hoeveel er in de
gelagkamer zijn. Hoe meer hij er telt des te harder stookt hij het
haardvuur onder de schouw op, ook al is 't in den tijd, dat de zon reeds
lastig is door haar gloed. Bij hen geldt het voor een goede behandeling,
wanneer allen 't zweet van 't lijf gudst. En als iemand, aan zooveel
warmte niet gewend, het venster op een kiertje zet om niet te stikken,
dan hoort hij dadelijk: "Doe dicht!" En als je dan antwoordt: "Ja maar,
ik kan 't hier niet uithouden!" dan krijg je te hooren: "zoek dan maar
een andere herberg op."--WILLEM: Maar toch lijkt me niets ongezonder dan
dat zooveel menschen dezelfde warme stiklucht inademen, en vooral
wanneer alle kleeren los zijn, alle poriën van 't lichaam openstaan, dat
men in die atmosfeer gaat zitten eten en daarin eenige uren vertoeft. Ik
laat nu nog zelfs dáár allerlei onsmakelijke en walgelijke uitlatingen:
maar er zijn ook velen die aan verborgen ziekten lijden en elke
krankheid brengt haar eigenaardige besmetting mee. Zeer velen zijn ook
aangetast door de Spaansche (of zooals sommigen 't noemen: Fransche
schurft[1]), terwijl ze toch net zoo goed bij alle volkeren voorkomt.
Intusschen geloof ik dat daarvan even groot gevaar te duchten is, als
van melaatschen. Ga maar eens na of deze kwaal heel veel verschilt van
de pestziekte.--BERTHOLF: 't Zijn moedige mannen, ze lachen er wat om
en--geven er niets om.--WILLEM: Maar ondertusschen zijn ze moedig met
gevaar voor veel anderen.--BERTHOLF: Wat zul-je er aan doen? Zij zijn 't
nu éénmaal zoo gewoon. En 't is een kenmerk van een standvastig man om
niet van zijn eenmaal ingenomen standpunt af te wijken.--WILLEM: Goed,
maar een vijfentwintig jaren geleden was bij de Brabanders niets meer in
zwang dan de publieke badstoven: nu zijn ze overal opgeruimd. Die
vreemde ziekte heeft ons wel geleerd er voor op te passen.--BERTHOLF:
Maar hoor nu verder. Daarna komt die gebaarde schenker weer terug, en
legt op tafel zooveel servetten als hij voor 't getal gasten genoeg
oordeelt. Maar groote goden, wat een grof linnen! Je zoudt zeggen
zeildoek zóó van den mast afgehaald. Voor elke tafel heeft hij op zijn
minst acht gasten bestemd. Zij, die weten hoe 's lands wijs is, gaan
zitten waar ze willen. Daar toch wordt geen onderscheid gemaakt tusschen
rijk en arm, tusschen heer en knecht.--WILLEM: Daar heb je die
gelijkheid uit den goeden ouden tijd, die de dwingelandij uit onze
maatschappij heeft doen verdwijnen. Zoo verkeerde, zou ik denken,
Christus ook met zijn jongeren.--BERTHOLF: Nu, wanneer allen aan tafel
zitten dan komt weer die barsche Ganymedes[2] voor den dag en telt
opnieuw de gasten. Dan komt hij spoedig terug en plaatst voor ieder een
houten bord en een lepel van 't zelfde kostbaar materiaal, verder een
glazen drinkbeker en na een poosje wat brood. Tot tijdverdrijf maakt
ieder voor zich dat glas een beetje schoon, terwijl de brei gekookt
wordt. En zoo zit men dan dikwijls ongeveer een heel uur te
wachten.--WILLEM: En is er dan geen van de gasten die intusschen eens om
eten vraagt?--BERTHOLF: Niemand die weet hoe 't in dit land toegaat.
Eindelijk wordt de wijn op tafel gezet. Maar kerel! wat is dat een jong
en schraal wijntje! De Sophisten moesten geen anderen drinken, zóó'n dun
en scherp kostje is 't. En als een gast vraagt, of hij tegen extra
betaling niet een beter merk kan krijgen, dan doen ze eerst alsof ze hem
volstrekt niet begrijpen, maar met een gezicht alsof ze je willen
vermoorden. Als je aanhoudt, antwoorden ze: "Hier hebben zooveel graven
en markiezen hun intrek genomen, en nooit heeft er een over mijn wijn
geklaagd. Als 't u niet bevalt, zoek dan maar een andere herberg op."
Alleen de edellieden van hun land beschouwen ze als menschen en hunne
wapens toonen ze overal met ophef.--Eindelijk hebben ze de spijs klaar
om die aan uw van honger rammelende maag voor te zetten. Weldra worden
dan ook de schotels met groote praal opgedragen. De eerste schotel
vertoont doorgaans stukken brood geweekt in bouillon, of, als het
vastendag is, in groentenat. Verder een andere soep, daarna iets van
opgestoofd vleesch of een opgewarmde zoutevischschotel. Dan weer eens
brei, verder wat spijs in vasteren vorm, tot ze aan de behoorlijk
getemde maag gebraden vleesch of gebakken visch voorzetten, die niet
geheel en al te versmaden is. Maar ze zijn er zuinig mee en nemen ze
spoedig weer van de tafel af. Op die manier regelen zij den heelen
maaltijd, zooals ook tooneelspelers doen die koren invoegen in hunne
stukken. Zoo voegen zij om den anderen tusschen de spijzen koek en brei.
Ze zorgen er voor dat het slottooneel 't meest pakkende is.--WILLEM: Dat
is zooals een goed dichter zijn taak opvat.--BERTHOLF: Het zou een
doodzonde wezen als iemand onder den maaltijd eens zei: "neem dien
schotel maar weg. Daar eet toch niemand van." Men moet blijven zitten
tot den voorgeschreven tijd, dien ze met wateruurwerken, meen ik,
afmeten. Eindelijk treedt die gebaarde knecht weer op of de herbergier
zelf, die in kleeding al heel weinig van zijn bedienden verschilt. Hij
vraagt of men nog iets belieft? En dan komt er een beetje beter soort
wijn op tafel. Die flink kunnen drinken, mogen zij 't liefst lijden,
ofschoon hij die de grootste hoeveelheid wijn verzwelgt geen cent meer
betaalt dan hij die 't minst dronk.--WILLEM: Vreemd volkje!--BERTHOLF:
Vooral, omdat er wel eens zijn die dubbel zooveel aan wijn verteren, dan
ze voor hun maal betalen. Maar vóór ik nog van de beschrijving van den
maaltijd afstap, kan ik er niet genoeg op wijzen, wat een gedruisch en
gegons van stemmen er ontstaat wanneer allen door den drank een beetje
verhit geraken. Om kort te gaan: hooren en zien vergaan je. Dikwijls
mengen zich onder het gezelschap hansworsten en potsenmakers. Ofschoon
er geen soort menschen is meer verachtelijk dan zij, zou je toch niet
gelooven hoeveel schik de Duitschers daarin hebben. Zij maken door hun
gezang, gekakel, lawaai, gespring en gestamp dat de gelagkamer dreigt in
te storten en men elkaar absoluut niet kan verstaan. Maar dat schijnt
hun nu eerst een recht aardig leventje toe en men moet er, goedschiks of
kwaadschiks, wel bij blijven zitten tot diep in den nacht.--WILLEM: Maak
nu maar een eind aan 't verhaal van dien maaltijd, want ook mij duurt
hij wat lang en hij begint me te vervelen.--BERTHOLF: Nu goed: ik zal
eindigen. Nadat de kaas is weggenomen, die ze alleen lekker vinden als
ze goed rot is en wegloopt van de wurmen, dan komt de baardman weer voor
den dag met een houten bord in de hand, waarop hij met krijt eenige
heele of halve cirkels teekent. Dat bord legt hij op tafel neer,
zwijgend en somber, men zou zeggen dat hij een Charon of zoo iets was.
Zij die weten wat die teekens beduiden, leggen er geld op: daarop volgt
een ander, en weer een ander totdat de plank vol is. Hij noteert wie
geld heeft neergelegd en rekent bij zich zelf na. Als er niets aan
ontbreekt knikt hij met zijn hoofd dat 't goed is.--WILLEM: En als er
eens iets te veel is?--BERTHOLF: Misschien zou hij 't dan wel
teruggeven. En dat gebeurt dan ook wel eens.--WILLEM: En maakt niemand
een aanmerking over te hooge rekening?--BERTHOLF: Niemand die verstandig
is. Want dan zou hij dadelijk te hooren krijgen: "Wat ben jij voor een
mensch? Je zult niets meer betalen dan iemand anders!"--WILLEM: Die
menschen zijn nog al vrij in hun optreden.--BERTHOLF: En als nu iemand,
vermoeid van de reis, spoedig na den maaltijd zijn bed wil opzoeken, dan
zegt men hem om maar te wachten tot ook de anderen gaan slapen.--WILLEM:
Dat is dunkt mij, zoowat de Staat van Plato.--BERTHOLF: Dan wordt aan
ieder zijn nestje getoond, en dat is in den waren zin des woords ook
niets dan een ligplaats. Er zijn alleen maar bedden en verder is er
niets wat je kunt gebruiken of wat je kunt stelen.--WILLEM: En hoe staat
't met de reinheid?--BERTHOLF: Nu, al net als bij 't maal. De lakens
zijn voor een maand of zes misschien wel eens gewasschen.--WILLEM: En
hoe gaat 't intusschen met de paarden?--BERTHOLF: Ze worden naar
denzelfden trant behandeld als de menschen.--WILLEM: Maar ondervindt men
nu overal een dergelijke behandeling?--BERTHOLF: 't Mag hier eens wat
schappelijker zijn dan ik verteld heb, dáár nòg wat minder, maar over
het algemeen is 't toch zoowat hetzelfde.--WILLEM: Als ik je nu eens
ging vertellen hoe gasten behandeld worden in dat deel van Italië dat ze
Lombardije noemen en verder in Spanje, in Engeland, in Wales? Want de
Engelschen hebben deels de gewoonten der Franschen, deels der
Duitschers, daar ze immers uit een mengsel van die beide volkeren
gevormd zijn. De bewoners van Wales zeggen dat ze Engelsche inboorlingen
zijn.--BERTHOLF: Vertel me dat alsjeblieft maar eens. Want ik heb daar
nooit mogen reizen.--WILLEM: Ja, maar op 't oogenblik heb ik geen tijd.
De schipper heeft me gezegd dat ik om drie uur aan boord moest wezen als
ik niet achtergelaten wilde worden en hij heeft mijn bagage. Bij een
andere gelegenheid zullen we samen wel eens kunnen praten zoolang we
willen.
NOTEN:
[1] Erasmus bedoelt de syphilis die toen haar intrede in Europa had
gedaan en o.a. ook door den invloed der publieke badstoven,
onrustbarende uitbreiding had gekregen, zoodat de badgelegenheden dan
ook weldra, als erkende brandpunten der besmetting, op order der
overheidspersonen, verboden werden.
[2] De schenker der Grieksche Goden.
* * * * *
HET SPOOK OF DE DUIVELBANNING
THOMAS EN ANSELMUS.
Hoe Erasmus reeds ver verheven stond boven de bijgeloovige
begrippen van zijn tijd op 't gebied van spoken en duivelbanning,
bewijst onderstaande samenspraak. Vinnig spot hij met de kunsten,
zelfs door priesters en goed-geloovigen uitgehaald, en 't is niet
te verwonderen dat zijn scherptreffende steken en prikken de
geestelijkheid zijner dagen sterk tegen hem innamen. Vooral de
lagere geestelijkheid was fel op hem gebeten en 't was slechts door
hulp van vrienden onder de hoogere machthebbers in de kerk, zelfs
te Rome, dat Erasmus de gevolgen van den door hem gewekten haat
ontging.
Dat die haat diep geworteld zat, blijkt wel uit 't verhaal (waar of
niet-waar) dat een zeker priester nimmer het portret van Erasmus,
dat hij daartoe opzettelijk in zijn woning had opgehangen,
voorbijging zonder er tegen te spuwen.
THOMAS: Wat blij nieuws is er dat je zoo vergenoegd bij je zelven lacht,
alsof je een schat gevonden hadt?--ANSELMUS: Nu, zoo héél ver van de
waarheid was je met je raden niet verwijderd.--THOMAS: Maar wil-je dan
aan je vriend niet eens meedeelen wat dat voor goeds is?--ANSELMUS: 't
Was al lang een hartewensch van me om iemand te hebben aan wiens boezem
ik mijn vreugde kon uitstorten.--THOMAS: Welnu dan, deel mee.--ANSELMUS:
'k Heb daareven een allerleukst verhaal gehoord waarvan je zoudt zweren
dat 't een grappig verzinsel was, als niet plaats, personen en de heele
zaak mij net zoo goed bekend waren als ik u ken.--THOMAS: Je maakt me
brandend nieuwsgierig.--ANSELMUS: Je kent Polus, den schoonzoon van
Faunus?--THOMAS: Heel goed.--ANSELMUS: Nu hij is 't die 't heele stukje
heeft bedacht en heeft gespeeld.--THOMAS: Ik wil 't graag gelooven. Want
hij kan zelfs zonder masker of vermomming elke rol spelen.--ANSELMUS:
Zoo is het. Dan ken-je denk ik ook 't buitentje dat hij niet ver van
Londen heeft?--THOMAS: Of ik! we hebben daar menigmaal een goed glaasje
gedronken.--ANSELMUS: Dan kun-je je ook nog wel dien weg voorstellen aan
beide kanten met boomen op gelijken afstand beplant?--THOMAS: Links van
het huis een paar pijlschoten ver?--ANSELMUS: Juist. Aan den eenen kant
van den weg is een drooge sloot, begroeid met kreupelhout en
doornstruiken. Over een smal bruggetje kom-je van daar in 't open
veld.--THOMAS: Ja, dat weet ik.--ANSELMUS: Al lang liep het gerucht en
't praatje onder de boeren van die plaats, dat bij dit bruggetje een
spook werd opgemerkt, waarvan men zoo nu en dan de klagende jammerkreten
kon vernemen. Men vermoedde dat 't de ziel van den een of ander was die
door vreeslijke pijnigingen werd gekweld.--THOMAS: En van wien ging dat
praatje uit?--ANSELMUS: Wel, van wien anders dan van Polus? Dat was het
voorspel van zijn stuk.--THOMAS: Hoe kwam hij er zoo op om dat alles te
verzinnen?--ANSELMUS: Weet ik? Of 't moet zijn omdat 't een
eigenaardigheid van hem is. Hij houdt er van met de domheid van 't volk
door zulke spelletjes den spot te drijven. Laat ik je eens vertellen wat
van dien aard hij onlangs heeft uitgedacht. Gezamenlijk reden wij in nog
al grooten getale te paard naar Richmond. Daar waren er onder, die je
kloeke mannen zoudt kunnen noemen. Het was een prachtige, heldere hemel,
door geen wolkje verduisterd. Terwijl aller oogen naar den hemel gericht
waren sloeg Polus over zijn voorhoofd en zijn borst een kruis en terwijl
zich op zijn gezicht schrik afteekende, sprak hij half luid in zich
zelf: "God Almachtig, wat zie ik daar?" En aan zijn gezellen die 't
dichtst bij hem reden en hem vroegen wat hij zag, zei hij terwijl hij
nog grooter kruisteekens maakte: "Moge de genadige God dit teeken
afwenden." Toen allen aandrongen om toch te weten te komen wat er was,
zei hij met star op den hemel gevestigde blikken en terwijl hij met zijn
vinger een plek aan den hemel wees: "Ziet ge daar dan niet dien
ontzaglijken draak met vurige horens gewapend en met zijn staart in een
kring gedraaid?" Toen allen zeiden dat ze niets zagen en hij zei dat ze
dan toch hun oogen goed moesten inspannen en hij hun intusschen de plek
bleef aanwijzen zei eindelijk één dat hij 't óók zag, om niet den schijn
te hebben dat hij slechte oogen had. Een tweede volgde hem na en nog
weer een. Want deze schaamde zich niet te zien wat voor anderen zóó
duidelijk scheen te zijn. Om kort te gaan: binnen een drietal dagen was
't gerucht als een loopend vuurtje door geheel Engeland verspreid, dat
zich zulk een verschijning had vertoond. Verwonderlijk evenwel is het,
hoeveel er in den mond van 't volk niet bijgekomen was. Ook waren er die
in vollen ernst gingen uitleggen wat 't wonderteeken eigenlijk moest
beduiden. Natuurlijk had hij die 't geheele stuk in elkaar gezet had
ontzaglijk veel schik in de domheid der menschen.--THOMAS: O, 't is
precies een bedenksel voor hèm. Maar om tot je spook terug te
keeren.--ANSELMUS: Intusschen komt juist bij Polus een zekere priester
Faunus logeeren, één van die orde voor wie 't niet genoeg is dat ze met
den latijnschen naam Regulieren worden genoemd, maar die er ook nog
graag den griekschen naam kanunnik aan zien toegevoegd: kortom, een
parochie-priester uit 't een of ander dorp in de buurt, een man die zich
verbeeldde, vooral van zaken van den heiligen dienst nog al heel wat
verstand te hebben.--THOMAS: Ik begrijp 't. Nu hebben we de acteurs in
het stuk bij elkaar.--ANSELMUS: Aan den maaltijd werd gesproken over de
praatjes aangaande het spook. Toen Polus bespeurde dat Faunus niet
alleen 't gerucht vernomen had, maar 't ook geloofde, begon hij den man
te bezweren dat hij, zoo'n geleerd en vroom man, de arme ziel, die zoo
schriklijke plagen moest verduren, te hulp zou komen. "En," zei hij,
"als ge soms twijfelt, onderzoek dan de zaak, wandel tegen een uur of
tien eens langs dat bruggetje en dan zul-je 't droevig gejammer hooren.
Neem maar mee wien je wilt om je te vergezellen. Dan zul-je veiliger
hooren en tevens zekerder."--THOMAS: Nu, en verder?--ANSELMUS: Na 't
eten gaat Polus, zooals gewoonlijk, weg om te jagen of op de
vogelvangst. Terwijl Faunus oploopt naar 't bruggetje, toen 't al zoo
donker was geworden dat men de omgeving niet duidelijk meer kon
waarnemen, hoort hij eindelijk een klagend gezucht. Polus wist dat
geluid allernatuurlijkst na te bootsen, terwijl hij verborgen zat in een
boschje met een aarden kruik bij zich, waardoor zijn stem, die door de
holte werd weerkaatst, nog ijslijker klonk.--THOMAS: Dit komediestuk
overtreft nog 't spookstuk van den dichter Menander.[1]--ANSELMUS: Je
zult dat nog met meer recht zeggen, wanneer je 't geheel hoort. Faunus
keert naar huis terug, vol begeerte om te vertellen wat hij gehoord had.
Polus was langs een korteren weg al eerder thuis gekomen. Daar vertelt
Faunus aan Polus wat er gebeurd was en dikt het nog wat aan om 't nog
verwonderlijker te maken.--THOMAS: Kon Polus intusschen zijn lach
bedwingen?--ANSELMUS: Hij? Hij heeft zijn gelaatsspieren geheel in zijn
macht. Men zou er op gezworen hebben dat 't een hoogst ernstige zaak
gold. Eindelijk neemt Faunus, op sterk aandringen van Polus de taak van
de duivelbanning op zich en brengt dien ganschen nacht in slapeloosheid
door, terwijl hij overlegt hoe hij op veilige wijze de zaak zal
aanpakken. Want hij was voor zijn eigen hachje leelijk bang. Eerst
werden dus de meest uitwerkende duivelbanningsformulieren
bijeengebracht, en hij voegde er nog eenige nieuwe bij, bijv. één: "bij
de ingewanden der zalige Maagd Maria," een ander: "bij het gebeente van
de Heilige Werenfrieda." Vervolgens wordt er een plaats uitgezocht in 't
open veld, dicht bij 't struikgewas waaruit de stem placht gehoord te
worden: daaromheen was een tamelijk wijde cirkel getrokken, waarin
verscheiden kruisteekens en andere figuren stonden. En dat alles
geschiedde onder 't uitspreken van allerlei formulieren. Daarbij werd
een groote bak geplaatst vol wijwater. Ook hing zich de duivelbanner een
heilige stool om den hals, waarvan een perkament afhing dat 't begin
bevatte van 't Evangelie naar Johannes. In een tasch droeg hij bij zich
een wassenbeeldje, zulk een, als waarover de Paus jaarlijks zijn zegen
uitspreekt en die men doorgaans "het Lam Gods" noemt. Met deze wapens
beschermde men zich oudtijds tegen booze geesten, vóórdat de monnikspij
van den Heiligen Franciscus van Assisi hun schrik had aangejaagd. Al
deze voorzorgsmaatregelen waren genomen om te verhoeden dat de geest,
als 't soms een booze was, op den duivelbanner een aanval zou doen. Maar
hij durfde zich toch niet alleen toevertrouwen aan zijn cirkel. Men
besloot er nog een tweeden priester bij te nemen. Nu werd Polus bang
dat, als er een slimmerd bijgenomen werd, 't geheim van zijn komedie zou
worden verraden, en hij gaf hem tot helper een pastoor uit de buurt, aan
wien hij de geheele toedracht verhaald had. Dat toch eischte de geheele
opzet van 't stuk en 't was iemand die van zoo'n stukje in 't geheel
geen afkeer had. Toen op den volgenden dag alles behoorlijk gereed
gemaakt was, stapt tegen tien uur Faunus met den pastoor zijn gewijden
kring binnen. Polus, die vooruitgegaan was, heft uit het boschje zijn
geweeklaag aan en Faunus begon nu 't banningswerk. Onderwijl sloop Polus
heimelijk naar een naastbijzijnde boerderij. Vandaar brengt hij een
nieuwen persoon mee voor zijn komedie, want die kon alleen gespeeld
worden met behulp van velen.--THOMAS: Wat doen ze?--ANSELMUS: Ze
bestijgen zwarte paarden en dragen brandende lantaarns bij zich, maar
zóó dat ze die verborgen houden onder hun mantels. Toen ze niet ver van
den kring af waren, hielden ze dit licht voor zich uit om Faunus bang te
maken en uit zijn cirkel te verdrijven.--THOMAS: Wat een moeite deed die
Polus toch om den ander te foppen!--ANSELMUS: Ja, zoo is hij. Maar dat
zaakje was bijkans leelijk voor hem uitgekomen.--THOMAS: Hoe
dan?--ANSELMUS: Wel, 't scheelde weinig of de paarden, verschrikt door
dat zoo plotseling vertoonde licht, waren neergestort met hun berijders
en al. Dat is nu 't eerste bedrijf van 't stuk. Toen ze daarop later op
den avond weer bij elkander kwamen en in gesprek geraakten, vroeg Polus
(alsof hij van niets afwist) wat er gebeurd was. Toen vertelt Faunus dat
hij twee afschuwelijke, booze geesten aanschouwd had, uit hun neus vuur
blazende, die geprobeerd hadden den cirkel te betreden, maar er door
zijn krachtige tooverwoorden leelijk waren afgekomen. Toen hierdoor bij
Faunus de moed toegenomen was, keerde hij op den volgenden dag met
grooter praal weer terug in zijn afgesloten kring en nadat hij met
machtige bezweringen 't spook opnieuw had opgeroepen, vertoonde Polus
zich weer met zijn makker in de verte op hun zwarte paarden, met
angstwekkend gesnuif, doende alsof zij binnen den kring wilden
dringen.--THOMAS: Hadden ze hun lantaarns weer bij zich?--ANSELMUS:
Neen: want dat was hun niet goed bevallen. Maar 'k zal je een ander
verzinsel van hen vertellen. Ze brachten een lang touw met zich mee. Dat
lieten ze zachtjes over den grond sleepen en terwijl ze beiden aan
weerskanten voortreden alsof ze door de tooverspreuken van Faunus werden
voortgejaagd, sloegen ze de beide pastoors tegelijk met den pot dien ze
met wijwater gevuld bij zich hadden, tegen den grond.--THOMAS: Kreeg de
arme kapelaan dàt nu als belooning voor zijn medewerking?--ANSELMUS: Ja:
en hij wilde dat liever dulden dan zich aan de eenmaal begonnen komedie
te onttrekken. Toen ze hierna weer bij elkaar kwamen en aan 't praten
gingen, pochte Faunus er tegenover Polus op, in welk een groot gevaar
hij had verkeerd en hoe flink hij door zijn tooverspreuken de beide
booze geesten op den loop had gejaagd. Hij was innig overtuigd dat er
geen geest zóó schadelijk of onbeschaamd kon wezen die binnen den door
hem afgebakenden kring zou durven komen.--THOMAS: Die Faunus heeft heel
veel van een grooten malloot.--ANSELMUS: Stil; je hebt eigenlijk nog
niets gehoord. De komedie was nu zoover gevorderd, toen, juist van pas,
de schoonzoon van Polus er bij kwam. Hij is n.l. met diens oudste
dochter getrouwd. 't Is, zooals je weet, een echt vroolijke
snaak.--THOMAS: Dat weet ik: van zulke grapjes heeft hij geen
afkeer.--ANSELMUS: Een afkeer...? Hij zou elken borg in den steek laten,
als hij zoo'n stukje kon zien vertoonen of er in mee mocht spelen. Zijn
schoonvader vertelt hem de geheele toedracht en draagt hem de rol op, om
voor de ziel te spelen. Hij neemt een vermomming aan en met wàt een
plezier! Hij wikkelt zich in een laken, in zulk een als waarin bij ons
de lijken worden afgelegd: hij neemt een aangeglommen kool in een test
bij zich, die, door 't laken heen, een gloeienden weerschijn gaf. Tegen
den tijd dat 't donker werd gingen ze naar de plaats waar de kom
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/17523