Onder Moeders Vleugels
by Louisa May Alcott · Dutch · Gutenberg #17337 · 577,566 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Onder Moeders Vleugels
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Onder Moeders Vleugels
Author: Louisa May Alcott
Editor: G. W. Elberts
Release date: December 17, 2005 [eBook #17337]
Most recently updated: December 13, 2020
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/17337
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
Character set for HTML: ISO-8859-1
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ONDER MOEDERS VLEUGELS ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
Onder Moeders Vleugels
Louise M. Alcott
HOOFDSTUK I.
KLEINE PELGRIMS.
"Kerstmis zal geen Kerstmis zijn, zonder presenten," bromde Jo,
die languit op het haardkleedje lag.
"Het is verschrikkelijk, arm te zijn!" zuchtte Meta en keek naar haar
oude japon.
"Ik vind het heel oneerlijk, dat sommige meisjes allerlei mooie dingen
hebben, en andere meisjes niets," voegde kleine Amy er ontevreden
snuivend bij.
"Wij hebben in elk geval toch Vader en Moeder en elkander," zei Bets
vriendelijk uit haar hoekje.
De vier jonge gezichtjes, bestraald door het haardvuur, klaarden bij
die bemoedigende woorden op, maar betrokken weer, toen Jo droevig zei:
"Wij hebben Vader niet, en zullen hem in lang niet hebben." Ze zei
niet: "Misschien nooit weer," maar allen voegden het er in hun hart
bij, en dachten aan den vader, die verre was, op het tooneel van
den strijd.
Niemand sprak gedurende de eerste oogenblikken; toen begon Meta weer
op vroolijker toon:
"Jullie weet, waarom Moeder voorstelde, dat we dit jaar geen
Kerstpresenten zouden hebben: omdat het een moeilijke winter zal
zijn voor iedereen, en ze vindt, dat wij geen geld mogen uitgeven
voor ons pleizier, terwijl onze soldaten zooveel moeten doorstaan in
het leger. Véél kunnen we niet doen, maar we kunnen ons wel zonder
mopperen kleine opofferingen getroosten; maar ik geloof, dat ik te
egoïstisch ben," en Meta schudde haar hoofd, terwijl ze met spijt
dacht aan al de mooie dingen die ze graag wilde hebben.
"Ik geloof niet, dat het beetje, dat wij te besteden hebben, veel
zou kunnen uitrichten. We hebben elk een rijksdaalder, en het leger
zou er niet veel bij winnen, of wij dien nu al gaven. Ik geef toe,
dat ik niets van Moeder of van jou moet verwachten, maar ik zou zoo
dol graag "Udine en Sintram" voor mezelf willen koopen, ik heb er al
zoo lang naar verlangd," zei Jo, die een boekworm was.
"Ik was van plan mijn geld te besteden aan nieuwe muziek," zei Bets
met een zuchtje, dat echter door niemand gehoord werd.
"Ik zal een mooi doosje met Faber's teekenpotlood koopen; die heb ik
bepaald noodig," zei Amy vast besloten.
"Moeder heeft niets gezegd van ons eigen geld, en ze zal toch niet
verlangen, dat we alles opgeven. Laten we ieder iets koopen wat we
graag willen hebben en wat pret maken; we zwegen heusch hard genoeg
om het te verdienen," riep Jo, terwijl ze de hakken van haar laarzen
op jongensmanier bekeek.
"Ik tenminste wel,--die elken dag die gruwelijke kinderen moet
leeren, terwijl ik er naar snak prettig thuis te zijn," begon Meta
op klagenden toon.
"Jij hebt het niet half zoo hard als ik," vond Jo. "Hoe zou jij het
vinden, uren lang opgesloten te zijn met een zenuwachtige, zeurige,
oude dame, die je al maar heen en weer laat loopen, nooit tevreden
is, en je plaagt, tot je in staat zou zijn het raam uit te springen,
of haar een oorveeg te geven?"
"Het is slecht om ontevreden te zijn,--maar ik geloof, dat borden
wasschen en alles netjes houden het naarste werk van de wereld is. Het
bederft mijn humeur, en mijn handen worden zoo stijf; ik kan haast
niet studeeren." En Bets keek naar haar ruwe handen met een zucht,
die ditmaal heel goed te hooren was.
"En ik geloof niet, dat een van allen het zoo erg heeft als ik,"
riep Amy, "want jullie hoeven niet naar school te gaan met nuffen,
die iemand plagen, als hij zijn lessen niet kent, of uitlachen om
zijn kleeren, en met "étain" op iemands vader neerzien, als hij niet
rijk is, en iemand beleedigen, als hij geen mooien neus heeft."
"Als je "dédain" bedoelt, dan moest je dat zeggen en niet over "étain"
praten, alsof Vader een tinnen peperbus was," spotte Jo lachend.
"Ik weet heel goed, wat ik zeggen wil, en je hoeft er niet zoo
"satiriek" over te zijn. Het is heel goed om juiste uitdrukkingen te
gebruiken en zoo je "vocabulaire" te verrijken," zeide Amy deftig.
"Nu, vlieg elkaar maar niet aan, kinderen! Zou jij niet willen, Jo,
dat we al het geld nog hadden, dat Vader verloor, toen we nog klein
waren? Hè, wat zouden we gelukkig en goed zijn, als we niets hadden,
wat ons hinderde," zei Meta, die zich betere dagen herinnerde.
"En gisteren heb je nog gezegd, dat je ons veel gelukkiger vond dan de
kinderen King, omdat die altijd vochten en kibbelden, niettegenstaande
ze zooveel geld hebben."
"Dat heb ik ook gezegd, Bets; en ik geloof ook wel, dat het waar is,
want al moeten wij ook werken, we hebben toch pret onder elkaar,
en zijn een "moppig" troepje, zou Jo zeggen."
"Jo gebruikt ook zulke platte uitdrukkingen," zei Amy en zag afkeurend
naar de lange gestalte op het haardkleed. Jo ging dadelijk rechtop
zitten, stak de handen in de zakken van haar schort en begon te
fluiten.
"Doe het toch niet, Jo, 't is zoo jongensachtig."
"Daarom doe ik het juist."
"Ik heb het land aan ruwe, onbeschaafde meisjes."
"En ik aan gemaakte, opgeprikte nuffen."
"Ieder vogeltje zingt, zooals het gebekt is," zei Bets, de
vredestichtster, met zulk een grappig gezichtje, dat de beide scherpe
stemmen zich in lachen oplosten en het "aanvliegen" voor 't oogenblik
gedaan was.
"Kinderen, jullie hebt beiden schuld," zei Meta, en begon als
oudste zuster de les te lezen. "Jo, je bent nu oud genoeg om die
jongensmanieren af te schaffen en je verstandig te gedragen. Het kwam
er niet zooveel op aan, toen je nog een klein meisje was, maar nu je
zoo lang bent geworden en je haar opgestoken draagt, moet je bedenken
dat je langzamerhand een dame wordt."
"Dat ben ik gelukkig nog niet! en als het van het opgestoken haar komt,
dan zal ik het tot mijn twintigste jaar in twee staarten laten hangen,"
dreigde Jo, terwijl ze haar haar lostrok en haar kastanjebruine manen
schudde. "Ik wil er niet aan denken, dat ik volwassen moet worden en
"Juffrouw March" moet heeten, lange japonnen moet dragen en er zoo
deftig uitzien als een oude baker. Het is al erg genoeg een meisje te
zijn, nu ik van jongensspelen, jongenswerk en jongensmanieren houd. Ik
kan er maar niet overheen komen, dat ik geen jongen ben, en ik gevoel
het tegenwoordig erger dan ooit, want ik sterf van verlangen om met
Vader te gaan vechten, en ik kan niets doen dan thuisblijven en breien,
als een grommige, oude vrouw," en Jo schudde de blauwe soldatensok,
dat de naalden klepperden als castagnetten en haar kluwen door de
kamer vloog.
"Arme Jo, het is vreeselijk voor je! maar er is niets aan te doen;
wees dus maar tevreden met je jongensachtigen naam en blijf maar voor
broer spelen bij ons meisjes," zei Bets en streek met een hand, die
al het bordenwasschen en stoffen ter wereld niet onzacht kon maken,
over het warhoofd, dat tegen haar knie leunde.
"En jij, Amy," vervolgde Meta, "jij bent veel te stijf en te
deftig. Die airs zijn nu wel grappig, maar je zult een geaffecteerde
kleine gans worden, als je niet oppast. Ik houd van je aardige
manieren en beschaafde spraak, als je niet probeert een volwassen
dame na te apen; maar jouw pedante woorden zijn soms even erg als
Jo's platte uitdrukkingen.
"Als Jo een halve jongen is en Amy een gans, wat ben ik dan?" vroeg
Bets, die ook haar deel aan de strafpredikatie wilde hebben.
"Jij bent een snoes, anders niets," antwoordde Meta hartelijk; en
niemand sprak haar tegen; want het "muisje" was de lieveling van
het gezin.
De vier zusjes zaten in den schemer te breien, terwijl de
Decembersneeuw zachtjes buiten neerviel en het vuur vroolijk
knetterde in den haard. Het was een gezellige ouderwetsche kamer,
hoewel het kleed verschoten en het ameublement heel eenvoudig was,
maar aan den muur hingen een paar goede schilderijen, in alle hoeken
stonden boekenstandaards of kleine tafeltjes, chrysanthemums en late
roosjes bloeiden in het venster, en over het geheel lag een waas
van huiselijkheid.
Meta, de oudste van het viertal, was zestien jaar, en zag er heel
lief uit. Ze was gevuld en blank, had groote oogen, zwaar, zacht,
bruin haar, een vriendelijk mondje en witte tanden, waar ze nog al
trotsch op was. De vijftienjarige Jo was heel lang, mager en donker,
en deed iemand aan een veulen denken, want ze scheen nooit te weten,
wat zij moest beginnen met haar lange ledematen, die haar erg in
den weg stonden. Ze had een beslisten mond, een grappigen neus en
verstandige grijze oogen, die alles schenen op te merken, en nu eens
fel, dan weer guitig of peinzend keken. Het lange, dikke haar, haar
eenige schoonheid, was gewoonlijk stijf in elkaar gedraaid, om uit
den weg te zijn. Jo had ronde schouders, groote handen en voeten,
iets slordigs in haar kleeding en een zekere linkschheid in haar
manieren, die duidelijk deed zien, dat ze den kinderlijken leeftijd
ontgroeide en dit alles behalve plezierig vond. Elisabeth, of Bets,
zooals ieder haar noemde, was een blozend, blond dertienjarig kind, wat
verlegen, met heldere oogen, een zacht stemmetje en een vriendelijke
uitdrukking, die zelden verstoord werd. Haar vader noemde haar
"Kleine Tevredenheid," en die naam paste volkomen bij haar; want
ze scheen in een gelukkig eigen wereldje te leven, waar ze alleen
nu en dan uitkwam, om de weinigen, die ze vertrouwde en liefhad, te
ontmoeten. Amy, hoewel de jongste, was een zeer gewichtig persoontje,
ten minste in haar eigen schatting. Een blank, blond kind, met blauwe
oogen en mooie krullen, die tot op haar rug hingen; bleek en tenger,
en zich altijd gedragende als een welopgevoede dame.
't Sloeg zes uur; en nadat Bets den haard had bijgeveegd, zette ze
een paar pantoffels te warmen. Het gezicht van die oude schoenen had
een goede uitwerking op de meisjes; want Moeder zou weldra thuiskomen
en aller gezichten klaarden op om haar te verwelkomen. Meta hield op
met preeken, en stak de lamp aan; Amy ging, zonder dat iemand iets
zei, uit den leuningstoel, en Jo vergat haar vermoeidheid, en ging
overeind zitten om de pantoffels dichter bij het vuur te houden.
"Ze zijn totaal versleten; Moeder moet een nieuw paar hebben."
"Ik was van plan haar een paar nieuwe te koopen voor mijn rijksdaalder"
zei Bets.
"Neen, dat wou ik doen!" riep Amy.
"Ik ben de oudste," begon Meta, maar Jo brak alles af met een beslist:
"Ik ben de man van het gezin, nu Vader weg is, en _ik_ zal de
pantoffels koopen, want hij heeft mij opgedragen vooral op Moeder te
passen, zoolang hij weg was,"
"Neen, weet je wat we moesten doen?" bedacht Bets, "laten wij haar
alle vier iets geven met Kerstmis en niets voor onszelf koopen."
"Dat is juist iets voor Bep! Wat zullen we geven?" riep Jo.
Allen dachten een poos na; toen kondigde Meta aan, alsof zij door
het zien van haar eigen mooie handjes op dien inval was gekomen:
"Ik geef een paar handschoenen."
"Ik een paar flinke laarzen; de beste die er te krijgen zijn!" riep Jo.
"Ik wat zakdoeken, zelf gezoomd," zei Bets.
"Ik koop een fleschje eau de cologne; Moes houdt er veel van, en
't zal niet zoo erg veel kosten; dan blijft er nog iets over om voor
mezelf wat te koopen," voegde Amy er bij.
"Hoe zullen we alles geven?" vroeg Meta.
"Alles op tafel leggen en dan Moeder binnen laten komen, dan zien we,
hoe ze de pakjes openmaakt. Weet je niet meer, dat we dat vroeger op
onze verjaardagen deden?" vroeg Jo.
"Ik vond het altijd zoo griezelig als 't mijn beurt was om in den
grooten stoel te zitten met een krans op, en als jullie dan allemaal
binnenkwamen om mij de presenten te geven en te kussen, maar ik vond
het verschrikkelijk de pakjes open te maken, terwijl iedereen naar me
zat te kijken," zei Bets, die, te gelijk met het brood voor de thee,
haar gezichtje voor het vuur roosterde.
"Laat Moeder denken, dat we presenten voor onszelf koopen en haar dan
verrassen. We moeten er morgenmiddag op uit, Meet; er is nog heel wat
te doen voor de comedie op Kerstavond," zei Jo, die, met de handen
op den rug en den neus in de lucht, de kamer op en neer liep.
"Ik ben niet van plan in 't vervolg mee te spelen, ik word te oud voor
die dingen," zei Meta, die zich intusschen nog kinderlijk verheugde
over een verkleedpartij.
"En ik wed, dat jij niet aan uitscheiden zult denken, zoolang je
nog wandelen kunt in een witte japon, met hangende haren en een
goudpapieren diadeem. Jij bent onze beste actrice, en als jij de
planken vaarwel zegt, valt alles in duigen," zei Jo. "We moesten
vanavond eens repeteeren. Kom hier, en doe de flauw-val-scène eens,
want dat doe je zoo stijf als een lantaarnpaal."
"Daar kan ik niets aan doen, ik heb nog nooit iemand zien flauw vallen,
en ik heb geen lust mij bont en blauw te maken door zoo maar plat
op den grond te rollen, zooals jij. Als ik me gemakkelijk neer kan
laten zakken, zal ik het doen; maar kan dat niet, dan ben ik van plan
zoo gracieus mogelijk op een stoel te vallen; ik geef er niets om,
of Hugo met een pistool op mij afkomt," zei Amy, die de gave voor
't dramatische miste, maar gekozen was, omdat zij, als de kleinste,
door den held van het stuk gillende kon worden weggedragen.
"Zoo moet je 't doen; wring zoo je handen, waggel dan door de kamer en
roep wanhopig: "Roderigo! red mij, red mij!" en Jo viel in onmacht,
met zulk een hartroerenden kreet, dat hij de anderen door merg en
been ging.
Amy trachtte het haar na te doen, maar ze stak haar handen zoo houterig
voor zich uit en zwaaide heen en weêr, alsof zij door touwtjes in
beweging werd gebracht. Ook deed haar "Auw!" eerder denken dat ze
met spelden geprikt werd, dan dat ze bezweek van schrik en angst. Jo
zuchtte wanhopig en Meta lachte hardop, terwijl Bets haar brood liet
verbranden, door al te aandachtig naar het spel te kijken.
"Het geeft geen steek! doe het zoo goed je kunt, als de tijd daar is,
maar als de toeschouwers fluiten, moet je 't _mij_ niet wijten. Kom
Meta, ga door."
Alles ging verder goed, want Don Pedro tartte de wereld, zonder een
woord te haperen in een speech van twee bladzijden lang. Hagar, de
heks, zong een verschrikkelijk lied over haar ketel kokende padden,
wat een ontzaglijke uitwerking had; Roderigo verbrak met mannenmoed
zijn ketenen, en Hugo stierf, onder vreeselijke folteringen van berouw
en arsenicum, met den wilden kreet: "ha! ha!" op de lippen.
"Dat is nog het beste, wat we gehad hebben," vond Meta, toen de doode
schavuit opzat en zijn ellebogen wreef.
"Ik begrijp niet, hoe je zulke prachtige dingen kunt maken en
spelen! Jo, je bent een tweede Shakespeare!" riep Bets, vast overtuigd,
dat haar zuster, vóór alle dingen, een bewonderenswaardig groot talent
had gekregen.
"Niet precies," antwoordde Jo bescheiden. "Ik geloof wel, dat "de
Vloek van de Heks" nogal aardig is, maar ik zou zoo graag "Macbeth"
eens probeeren, als we maar een valdeur hadden voor Banquo. Hè, ik gaf
wat om de partij van den moordenaar eens op me te nemen! Is dat een
dolk, dien ik daar voor mij zie?" prevelde Jo, met rollende oogen en
met de vuist in de lucht slaande, zooals ze een beroemd acteur eens
had zien doen.
"Neen, het is de roostervork met Moeders pantoffel er aan, in plaats
van een boterham. Bets is een en al spel!" riep Meta, en de repetitie
eindigde onder algemeen gelach.
"Ik ben blij jullie allemaal zoo vroolijk bij elkaar te vinden,
kinderen," zei een vriendelijke stem, en spelers en toeschouwers
keerden zich verrast om, naar een gezette dame, die iets echt
gezellig moederlijks over zich had. Ze was niet bepaald mooi, maar
moeders zijn altijd lief in de oogen van hun kinderen, en de meisjes
vonden de dame in den grijzen mantel en den ouderwetschen hoed de
bewonderenswaardigste vrouw ter wereld.
"Wel, lievelingen, hoe is het vandaag gegaan? Er was zooveel te doen
met het inpakken van de kisten, die morgen verzonden moeten worden,
dat ik niet thuis kon komen eten. Is er iemand geweest, Bets? Hoe is
het met de verkoudheid, Meta? Jo, je ziet er doodmoe uit. Kleintje,
kom mij eens een kus geven!"
Onder deze moederlijke vragen deed Mevrouw March haar natte
bovenkleederen af, haar warme pantoffels aan, zette zich in den
gemakkelijken stoel en trok Amy op haar schoot, om nu eens recht te
genieten van het gelukkigste uur van den ganschen dag. De meisjes
liepen rond om alles prettig in orde te maken, Meta zette de theetafel
klaar, Jo legde blokjes op het vuur, schoof de stoelen om de tafel,
liet alles vallen, gooide alles om en stootte tegen alles, wat ze
aanraakte. Bets liep van de kamer naar de keuken en omgekeerd, stil
en bedrijvig, terwijl Amy iedereen aanwijzingen deed en met de armen
over elkaar zat toe te kijken.
Toen allen gezeten waren zei mevrouw March met een blij gezicht:
"Ik heb een heerlijke verrassing voor jullie na de thee." Het was of
een zonnestraal over al de gezichtjes ging. Bets klapte in de handen,
zonder te denken om de beschuit, die ze juist opgenomen had, en Jo
gooide haar servet in de lucht, en riep: "Een brief, een brief! Drie
hoera's voor Vader!"
"Ja, een heerlijke lange brief. Vader is heel wel, en denkt, dat
hij den winter beter door zal komen dan we dachten. Hij zendt alle
mogelijke goede wenschen voor het Kerstfeest en een afzonderlijke
boodschap voor jullie vieren," zei mevrouw March, over haar zak
strijkende, alsof zij daar een schat bewaarde.
"Maak dan wat voort, dat wij gauw klaar zijn. Houd ons nu maar niet
op, met je pink te bekijken en op je bord te knoeien, Amy," riep Jo,
die half stikte in haar thee, en in haar haast om klaar te komen,
haar boterham, met den gesmeerden kant naar onderen, op het kleed
liet vallen.
Bets at niet meer, maar sloop naar haar rustig hoekje, om daar te
soezen over het genot, dat haar wachtte, als de anderen klaar waren.
"Ik vind het zoo prachtig van Vader, dat hij mee is getrokken als
veldprediker, nu hij te oud was om met het detachement te gaan en
niet sterk genoeg meer, om soldaat te zijn," zei Meta met warmte.
"Wat zou ik me graag als trommelslager of als marketentster of als
verpleegster opgeven, om bij hem te zijn en hem te helpen," zuchtte Jo.
"'t Lijkt mij afschuwelijk, in een tent te slapen en allerlei akelige
dingen te eten en uit een tinnen kroes te drinken," zei Amy.
"Wanneer komt hij terug, Moeder?" vroeg Bets met een bevende stem.
"Nog in verscheiden maanden niet, kindlief, tenzij hij ziek werd. Hij
zal daar blijven en zijn werk doen, zoolang hij kan, en wij willen
hem niet vragen een minuut vroeger terug te komen dan hij gemist kan
worden. Komt nu naar den brief luisteren.
Ze gingen allen bij het vuur zitten, Moeder in den grooten stoel,
Bets aan haar voeten, Meta en Amy ieder op een arm van den stoel,
en Jo over den rug leunende, waar niemand eenig teeken van ontroering
kon opmerken, als de brief soms aandoenlijk mocht zijn.
Zelden werd in die moeilijke dagen [1] een brief geschreven, die
_niet_ aandoenlijk was, vooral wanneer een vader er een naar huis
zond. In dezen werd echter weinig gezegd van de geleden ontberingen,
de doorgestane gevaren, of het verlangen naar huis; het was een
opgeruimde, hoopvolle brief, vol van levendige beschrijvingen van
het kamp, de marschen en allerlei oorlogsnieuws; en eerst aan het
einde vloeide het hart van den schrijver over van vaderlijke liefde
en verlangen naar de dochtertjes thuis.
"Groet ze alle vier recht hartelijk van mij met een kus. Zeg hun,
dat ik den heelen dag aan hen denk en voor hen bid, en mijn grootsten
troost te allen tijde vind in de gedachte, hoe lief ze mij hebben. Een
jaar zonder ze te zien, schijnt me ontzettend lang toe, maar herinner
ze, dat we al wachtende werken kunnen, zoodat die moeilijke dagen
niet verloren hoeven te gaan. Ik weet, dat ze alles zullen onthouden,
wat ik hun gezegd heb, dat ze lief en hartelijk voor je zullen zijn,
getrouw hun plichten zullen vervullen, hun kleine zonden moedig
bestrijden, en zoo leeren beheerschen, dat ik, wanneer ik terugkom,
trotscher dan ooit zal kunnen zijn op mijn kleine meisjes."
Allen snuften bij dat gedeelte; Jo schaamde zich niet over den dikken
traan, die van haar neus droppelde, en Amy gaf er niet om, dat haar
krullen in gevaar kwamen, toen zij haar gezicht verborg op haar moeders
schouder en snikkend uitriep: "Ik _ben_ een zelfzuchtig spook! maar
ik zal heusch mijn best zien te doen, dat Vader niet teleurgesteld is,
als hij terugkomt."
"We zullen allemaal ons best doen!" zei Meta. "Ik denk er veel te
veel over, hoe ik er uitzie en mopper op mijn werk, maar dat zal ik
niet meer doen--tenminste, ik zal het probeeren."
"En ik zal trachten te worden, wat hij me zoo graag ziet: "een _echt_
meisje", en niet zoo ruw en wild zijn; maar hier mijn plichtjes
doen en niet altijd naar iets anders verlangen," beloofde Jo, die
het echter veel moeilijker vond thuis in haar humeur te blijven,
dan tegenover een paar rebellen te staan.
Bets zei niets, maar veegde haar tranen af met de blauwe soldatensok en
begon uit alle macht te breien, alsof ze geen tijd wilde verliezen in
het volbrengen van den plicht die het eerst voor de hand lag, terwijl
ze in haar zacht hartje het besluit nam, alles te zijn, wat haar
vader hoopte in haar te zullen vinden, wanneer over een jaar de blijde
hereeniging voor de deur stond. Mevrouw March verbrak de stilte, die
op Jo's woorden volgde, door op vroolijken toon te zeggen: "Herinneren
jullie je nog wel, hoe dikwijls jullie "De Pelgrimstocht" [2] speelden,
toen jullie nog kleine kinderen waren? Niets was prettiger dan wanneer
ik jullie kussens op den rug bond bij wijze van pak, en hoeden en
stokken gaf en rollen papier, en jullie door het huis liet trekken,
van den kelder, die de "Stad des Verderfs" was, naar boven al maar
naar boven, tot aan het platte dak, waar we alle mogelijke aardige
dingen bijeenverzameld hadden om een "Hemelsche Stad" te maken."
"Ja, ja, dat was dol!" riep Jo, "vooral als we de leeuwen voorbij
moesten, of met Apollyon moesten vechten, of de vallei doortrokken
waar de booze geesten waren."
"Ik hield het meest van de plaats, waar onze pakken afvielen en van
de trappen rolden," zei Meta.
"Mijn lievelingsplekje was boven op het platte dak, waar de bloemen
en prieeltjes waren en onze mooie dingen, als we daar allemaal van
blijdschap in den zonneschijn stonden te zingen," zei Bets glimlachend,
alsof ze dat heerlijk oogenblik nog eens doorleefde.
"Ik herinner er mij niet veel meer van, behalve dat ik bang was voor
den kelder en den donkeren ingang, en het heerlijk vond, als ik de
koek en de melk had, die wij boven kregen. Als ik niet veel te oud was
voor zulke dingen, zou ik het graag nog eens over spelen," zei Amy,
die er, op den gevorderden leeftijd van twaalf jaar, over begon te
praten kinderlijke spelen te laten varen.
"Voor dat spel zijn we nooit te oud, kindlief, omdat we het op de
een of andere wijze altijd spelen. Ieder heeft zijn last te dragen,
onze weg ligt vóór ons, en het verlangen om goed en gelukkig te zijn
is de gids, die ons door allerlei moeilijkheden en misgrepen tot het
vredige geluk leidt, dat met de Hemelsche Stad bedoeld wordt. Denk
er maar eens over, om den pelgrimstocht nog eens weer te beginnen,
niet spelend maar in ernst, en te zien hoever jullie 't brengen kunt,
voordat Vader thuis komt."
"Maar, Moeder, wat zijn onze pakken dan?" vroeg Amy, die alles
letterlijk opvatte.
"Wel, behalve Bets, hebben jullie allemaal al gezegd, wat je bezwaarde,
en ik zou haast denken, dat zij niets heeft," zei mevrouw March.
"Ja zeker wel; ik houd niet van vuile borden wasschen en stof afnemen;
ik benijd altijd de meisjes, die een mooie piano hebben, en dan vind
ik zoo naar, ik altijd verlegen ben voor vreemde menschen."
Het pak van Bets scheen de anderen zoo grappig toe, dat ze moeite
hadden niet te lachen; maar ze bedwongen zich, want het zou haar erg
gegriefd hebben.
"Als we 't eens deden," zei Meta peinzend. "Het is maar een andere
naam voor probeeren om goed te zijn, en het verhaal zal ons misschien
helpen; want al willen we ook nog zoo graag, het is vreeselijk
moeilijk, en we vergeten het telkens weer."
"We waren van avond in den "Poel der Moedeloosheid" tot Moeder kwam
en er ons uittrok, zooals "Helper" in het boek deed. We moesten
onze perkamenten rollen hebben met de aanwijzing, zooals Christiaan
van Evangelist kreeg. Wat zullen wij daarvoor gebruiken?" vroeg Jo,
verrukt over dien inval, die een kleurtje gaf aan de zoo drooge taak
van haar plicht doen.
"Kijk op Kerstmorgen maar eens onder je kussen, daar zul je je gids
vinden," zei mevrouw March.
Terwijl de oude Hanna de tafel opruimde, spraken ze over het nieuwe
plan; toen werden de vier kleine werkdoosjes voor den dag gehaald,
en de naalden vlogen door de lakens, die de meisjes voor tante
March naaiden. Het was een vervelend werk, maar niemand was vanavond
ontevreden. Ze volgden Jo's idee om de lange zoomen in vier deelen te
verdeelen en ze Europa, Azië, Afrika en Amerika te noemen; zoo kwamen
ze een heel eind vooruit, onder 't praten over de verschillende landen,
die ze al zoomende moesten doortrekken.
Om negen uur werd het werk opgeborgen en zongen ze zooals altijd, eer
ze naar bed gingen. Niemand, behalve Bets, kon nog muziek ontlokken aan
de oude piano; 't was of zij de gele toetsen op een bijzondere manier
aanraakte, en de eenvoudige liederen, die zij zongen, wist ze altijd
even prettig te begeleiden. Meta had een stem als een lijster en zij
en haar moeder leidden het kleine koor. Amy zong als een krekeltje,
en Jo kwinkeleerde naar welgevallen, maar kwam altijd verkeerd uit
met een triller of iets dergelijks, hetgeen elke droefgeestige melodie
totaal bedierf. Dat hadden ze altoos gedaan van het oogenblik, waarop
ze konden lispelen:
Weet gij hoeveel hejde terren,
Aan den blauwen hemel taan.
en het was eene vaste gewoonte geworden, want Moeder March was eene
geboren zangeres. 's Morgens was haar stem het eerste wat gehoord werd,
als ze het huis doorliep, zingend als een leeuwerik, en het laatste
geluid 's avonds was hetzelfde lieflijke lied, want de meisjes werden
nooit te oud voor dat overbekende wijsje.
HOOFDSTUK II.
EEN VROOLIJK KERSTFEEST.
Jo werd het eerst wakker op den grauwen, schemerachtigen
Kerstmorgen. Er hingen geen kousen bij den haard, en gedurende een paar
minuten voelde ze zich even teleurgesteld, als toen, jaren geleden,
haar kleine kous op den grond viel, omdat die zoo volgestopt was met
lekkernijen. Toen herinnerde ze zich de belofte van haar moeder,
stak haar hand onder het kussen en haalde er een rood gebonden
boek onder uit. Ze kende het heel goed, want het was de mooie, oude
geschiedenis van het beste leven, dat ooit geleefd is, en Jo voelde,
dat het een trouwe gids was voor elken pelgrim, die de lange reis
ging aanvaarden. Ze maakte Meta wakker met "een gelukkig Kerstfeest"
en riep haar toe eens gauw te zien wat er onder haar kussen lag. Een
groen boek kwam te voorschijn, met hetzelfde plaatje er in en een paar
woorden door haar moeder geschreven, waardoor dit eenige kerstgeschenk
heel kostbaar werd in de oogen der meisjes. Weldra werden Bets en
Amy ook wakker, zochten en vonden hun boeken ook dadelijk--het eene
grijs, het andere blauw; en alle vier zaten ze er naar te kijken
en over te praten, terwijl het Oosten rood gekleurd werd door den
aanbrekenden dag.
In weerwil van haar kleine ijdelheden was Meta een zacht, goedhartig
meisje, dat onbewust een goeden invloed uitoefende op haar zusters,
vooral op Jo, die innig veel van haar hield en dikwijls haar raad
volgde, omdat Meta haar op zoo'n vriendelijke manier terecht wees.
"Kinderen," zei Meta ernstig, en keek van het verwarde hoofd naast
haar, naar de twee krullebollen in de andere kamer. "Moeder hoopt,
dat we de boeken zullen lezen, en er naar handelen, en we moeten er
dadelijk mee beginnen. Wij deden het vroeger heel trouw, maar sedert
Vader weg is en al de drukte van den oorlog ons uit ons gewone doen
bracht, hebben wij 't schandelijk verwaarloosd. Jullie kunt doen,
wat je wilt, maar _ik_ zal mijn boek hier op tafel laten liggen en
er elken morgen, als ik wakker word, wat in lezen."
De daad bij het woord voegende, deed Meta dadelijk haar nieuwe boek
open en begon. Jo sloeg een arm om haar heen en las ook, tegen Meta
aangeleund, met een zeldzaam rustige uitdrukking op haar beweeglijk
gezicht.
"Wat is Meta toch goed! Kom Amy, laten wij ook gaan lezen. Ik zal
je wel helpen met de moeilijke woorden, en de anderen zullen het
ons wel uitleggen, als we iets niet begrijpen," fluisterde Bets,
die sterk onder den indruk was van de mooie boeken en het voorbeeld
van haar oudste zuster.
"Ik ben blij, dat het mijne blauw is," zei Amy. Daarop werd het stil
in de kamer, terwijl de bladzijden zachtjes omgeslagen werden, en het
winterzonnetje naar binnen sloop om de frissche, ernstige gezichtjes
een kerstgroet te brengen.
"Waar is Moeder" vroeg Meta, toen zij en Jo een half uur later naar
beneden liepen om voor het cadeau te bedanken.
"De hemel mag 't weten! Het een of ander arm schepsel kwam bedelen en
je Ma ging er dadelijk heen om te zien wat ze noodig had. Er is geen
tweede mensch zoo op de heele wereld; om zoo maar eten en drinken
en kleeren en brandstof weg te geven," zei Hanna, die in het gezin
gewoond had, sedert Meta geboren was, en door allen meer als een
vriendin dan als een dienstbode werd beschouwd.
"Ze zal wel gauw terugkomen, denk ik; maak dus maar alles klaar," zei
Meta en zag de cadeaux nog eens na, die in een mandje bij elkaar lagen
en onder de canapé verborgen waren, om op het rechte oogenblik voor
den dag te komen. "Maar waar is Amy's fleschje eau de cologne?" voegde
ze er bij.
"Ze heeft het een oogenblik geleden weggenomen en is er mee
weggeloopen, om er een lint of zoo iets om te doen," antwoordde Jo,
door de kamer springende, om de eerste stijfheid weg te dansen van
de nieuwe pantoffels.
Wat zien mijn zakdoeken er netjes uit, niet? Hanna heeft ze voor me
gewasschen en gestreken en ik heb ze alle geborduurd," zei Bets,
met voldoening de min of meer onregelmatige letters bekijkende,
die haar zooveel moeite gekost hadden.
"Och, goed schaap, daar heeft zij er "Moeder" op gezet in plaats van
"M. March"; hoe kom j'er bij!" riep Jo en nam er een in de hand.
"Is het niet goed? ik dacht, dat het juist beter was zoo, omdat Meta's
letters ook "M.M." zijn, en ik liever niet wou, dat iemand anders ze
gebruikte dan Moeder," zei Bets verlegen.
"Het is heel goed zoo, Bets, en heel aardig bedacht; heel slim ook,
want nu is er geen vergissing mogelijk. Moeder zal er erg blij mee
zijn, dat weet ik," zei Meta met een afkeurend gebaar voor Jo en een
glimlach voor Bets.
"Daar is Moeder, stop het mandje gauw weg," riep Jo, toen er een deur
werd dicht gedaan en stappen in de gang weerklonken. Amy kwam haastig
binnen en keek wel wat verlegen, toen ze zag, dat al de zusters op
haar wachtten.
"Waar ben je geweest, en wat hou je daar achter je rug?" vroeg Meta,
verbaasd dat luie Amy, naar haar mantel en hoed te oordeelen, al zoo
vroeg was uit geweest.
"Lach mij niet uit, Jo; ik had gehoopt, dat niemand het van te voren
zou gemerkt hebben. Ik ben alleen maar het kleine fleschje gaan
verruilen voor een grooter, en ik heb er _al_ mijn geld voor gegeven,
want ik wil _echt_ probeeren niet meer egoïstisch te zijn."
Al sprekende liet Amy de groote flesch zien, die in de plaats van de
goedkoope was gekomen. Ze zag er zoo ernstig uit in haar streven naar
zelfverloochening, dat Meta haar omhelsde en Jo haar de bovenste beste
noemde, terwijl Bets naar het raam liep en haar mooiste roos plukte,
om er de statige flesch mee te versieren.
"Zie je, ik schaamde me eigenlijk over mijn cadeau, na ons praten
en lezen over goed zijn, en toen ben ik gauw uitgegaan om het te
ruilen. Hè, ik ben er zóó blij om, want nu is mijn cadeau het mooiste."
Weer werd de voordeur toegedaan en vloog de mand onder de canapé. De
meisjes stoven naar de tafel, vol verlangen uitziende naar het ontbijt.
"Een gelukkig Kerstfeest, Moeder! En nog vele jaren na dezen! Dank
u wel voor uw boek; we hebben er al in gelezen en zijn van plan het
elken dag te doen," riepen ze in koor.
"Een gelukkig Kerstfeest, mijn dochtertjes! Ik ben blij dat jullie
dadelijk begonnen bent en hoop, dat je er mee voort zult gaan. Maar
ik moet jullie eerst iets vertellen, voordat we gaan zitten. Niet
ver van ons huis is een arme vrouw met een pas geboren kindje. Zes
kinderen zijn bij elkander in één bed gekropen om niet te bevriezen,
want zij hebben geen vuur. Er is niets om te eten; en het oudste
jongetje kwam mij vertellen, dat ze honger en kou leden. Meisjes,
willen jullie je ontbijt afstaan voor een Kerstgeschenk?"
Van 't lange wachten hadden alle vier ergen honger, en gedurende
een oogenblik antwoordde niemand; maar ook slechts één oogenblik;
toen riep Jo ontstuimig:
"Ik ben zoo blij, dat u kwam, voordat we begonnen waren."
"Mag ik meegaan en alles helpen dragen voor de arme kindertjes?" vroeg
Bets.
"En ik den room en de krentenbroodjes brengen," verzocht Amy, manmoedig
afstand doende van de dingen, waar ze het meest van hield.
Meta was al bezig de kadetjes en krentenbroodjes te smeren en stapelde
ze op een groote schaal.
"Ik dacht wel dat jullie het zoudt doen," zei mevrouw March, tevreden
glimlachend. "Je kunt allemaal meegaan om me te helpen dragen, en
als we terugkomen, zullen wij met boterhammen en melk ontbijten en
van middag onze scha inhalen."
Zoodra ze klaar waren, zette de optocht zich in beweging. Gelukkig was
het nog vroeg, en gingen zij door achterstraatjes; weinig menschen
zagen hen dus en niemand lachte om de grappige processie. Ze vonden
een armoedige, leege, ellendige kamer, met gebroken ruiten, zonder
vuur, eene zieke moeder, een schreiende baby, en een troepje bleeke,
hongerige kinderen onder één oude gescheurde deken gestopt, in de hoop
warm te blijven. Wat zetten zij groote oogen op, en hoe glimlachten
de blauwe lippen, toen de meisjes binnenkwamen!
"Ach, lieber Gott! dat zijn goede engelen, die daar komen!" riep de
arme vrouw en stortte tranen van vreugde.
"Grappige engelen, met hoeden en gebreide handschoenen," zei Jo en
maakte ze aan het lachen. Binnen weinige minuten zag het er waarlijk
uit alsof goede geesten aan het werk waren geweest. Hanna, die wat
hout had gebracht, maakte een vuurtje aan en stopte de gebroken ruiten
met oude kranten en haar eigen doek. Mevrouw March gaf de moeder
wat thee en sago, en troostte haar door beloften van hulp, terwijl
ze het kleine kindje zoo teeder aankleedde, alsof het haar eigen was
geweest. De meisjes dekten intusschen de tafel, zetten de kinderen om
het vuur, en voedden hen, alsof ze hongerige vogeltjes waren, lachten
en praatten, en probeerden hun grappig gebroken taaltje te begrijpen.
"Das ist gut!" "Die Engel-kinder!" riepen de arme schapen, terwijl
ze zaten te eten, en hun verkleumde handjes in den heerlijken gloed
koesterden. De meisjes waren nooit te voren engelen-kinderen genoemd,
en vonden het heel aardig, vooral Jo, die sinds haar geboorte als
de clown van de familie beschouwd was. 't Was een heerlijk ontbijt,
hoewel zij er niets van mee kregen; en toen ze naar huis gingen,
zooveel geluk achterlatende, waren er geloof ik in de gansene stad
geen vroolijker schepseltjes dan de vier hongerige meisjes, die hun
ontbijt hadden weggegeven en zich op dien Kerstmorgen tevreden stelden
met brood en melk.
"Dat is zijn naasten liever hebben dan zich zelf; ik vond het toch
wel prettig," zei Meta, terwijl de meisjes hun cadeautjes uitstalden,
en mevrouw March boven bezig was wat kleeren voor de arme hummels
bij elkaar te zoeken.
Het was volstrekt geen prachtige vertooning, maar er was veel
liefde in de kleine pakjes; en de groote vaas met roode rozen, witte
chrysanthemums en afhangende wingerdranken, die in het midden stond,
gaf bepaald een elegant aanzien aan de tafel.
"Daar komt ze! Vooruit, Bets! Doe de deur open, Amy. Drie hoera's
voor Moeder!" riep Jo, heen en weer springende, terwijl Meta naar
haar moeder liep om haar naar de eereplaats te geleiden.
Betsy speelde haar vroolijksten marsch, Amy rukte de deur open,
en Meta leidde haar moeder met de grootste waardigheid op. Mevrouw
March, te gelijk verbaasd en ontroerd, glimlachte met de oogen vol
tranen, terwijl ze haar cadeaux bekeek en de briefjes las, die er
bij lagen. De pantoffels werden dadelijk aangetrokken, een nieuwe
zakdoek ging aanstonds in den zak, bevochtigd met Amy's eau-de-cologne,
de roos prijkte al heel gauw in haar japon en de mooie handschoenen
bleken keurig te passen.
Er werd heel wat gelachen, gekust en verteld, op de eenvoudige
gezellige manier, die huiselijke feestjes op 't oogenblik zelf zoo
prettig maken, en zoo'n heerlijke herinnering achterlaten, en toen
gingen allen weer aan het werk.
De morgenbezigheden namen zooveel tijd in beslag, dat het
overige van den dag gewijd werd aan toebereidselen voor de
avondvermakelijkheden. Daar de meisjes nog te jong waren om dikwijls
naar de komedie te gaan, en niet rijk genoeg om zich groote uitgaven te
veroorloven voor de voorstellingen thuis, moesten zij hun verbeelding
meestal te hulp roepen, en daar de noodzakelijkheid de moeder is der
uitvinding, maakten ze zelf alles, wat ze noodig hadden. Sommige
van hun voortbrengselen waren wezenlijk heel aardig; gitaars van
bordpapier, antieke lampen van ouderwetsche sauskommetjes gemaakt
en met zilverpapier beplakt, prachtige japonnen van oud katoen,
schitterend van tinnen loovertjes, uit een fabriek van ingelegd
zuur afkomstig en wapenrustingen met stukjes van dezelfde metalen
edelgesteenten versierd: afval van de deksels van inmaakblikken. Het
huisraad werd gewoonlijk onderste boven gehaald en de groote kamer
was het tooneel van menig onschuldig feest.
Heeren werden niet toegelaten; dus kon Jo naar hartelust de
mannenrollen op zich nemen, en ze was telkens weer verrukt over een
paar bruinleeren laarzen, die ze van een vriendin gekregen had, die een
dame kende, die weer een acteur kende. Deze laarzen, een oude floret en
een oud fluweelen riddercostuum, dat eens door een schilder gebruikt
was voor een schilderij, waren Jo's grootste schatten en kwamen bij
elke gelegenheid op de proppen. Daar het gezelschap uit zoo weinig
leden bestond, moesten de twee voornaamste acteurs noodzakelijk in
verscheidene rollen optreden; en ze verdienden ongetwijfeld grooten lof
voor de inspanning, die ze zich getroostten, drie of vier verschillende
partijen van buiten te leeren, pakken te verwisselen en daarenboven de
leiding en tooneelschikking op zich te nemen. Het was een uitmuntende
oefening voor het geheugen, een onschuldig genoegen, en vulde menig
uur, dat anders met luieren, vervelend zou zijn doorgebracht.
Op Kerstavond nam een dozijn meisjes plaats in het ledikant dat de loge
voorstelde, en zat achter de blauwe en gele sitsen gordijnen in een
staat van gespannen verwachting. Er was nogal geritsel en gefluister
op het tooneel, het rook naar het stoomen van een lamp, en af en toe
hoorde men het gesmoord gegichel van Amy, die zenuwachtig werd door
de opwinding van het oogenblik. Weldra luidde de bel, de gordijnen
werden weggetrokken, en de tragedie nam een aanvang.
"Een somber woud," volgens het eenige programma, werd voorgesteld
door enkele heesters en potten, een stuk groen baai op den vloer en
een hol op den achtergrond. In dit hol, dat een paardendek tot dak en
kasten tot muren had, brandde een klein vuurtje in volle kracht; een
zwart ijzeren potje hing er boven en een oude heks boog er zich over
heen. Het tooneel was donker, en de gloed van het vuur maakte een fraai
effekt, vooral wanneer er wezenlijk stoom kwam uit den ketel, toen de
heks er het deksel aflichtte. De toeschouwers kregen een oogenblik om
van de eerste verbazing te bekomen, toen trad Hugo, de ellendeling,
op, met een rinkelend zwaard, een gedeukten hoed, zwarten baard, een
geheimzinnigen mantel en de laarzen. Na een poosje zeer opgewonden
heen en weer gestapt te hebben, sloeg hij zich tegen het voorhoofd,
barstte los in een hartstochtelijk gezang waarin hij den haat uitte,
dien hij Roderigo toedroeg, de liefde die hij voor Sara koesterde en
zijn lieftallig besluit den een te dooden en de andere voor zich te
winnen. De diepe toon van Hugo's stem, die nu en dan in een heesch
geschreeuw oversloeg, wanneer zijn gevoel hem te sterk werd, maakte
geweldigen indruk, en de toeschouwers juichten hem toe, zoodra hij
maar even stil hield om adem te scheppen. Buigende, met het air van
iemand aan bijval gewoon, ging hij naar de grot en gelastte Hagar er
uit te komen, met een gebiedend: "Halo! oude heks, ik heb u noodig!"
Daar verscheen Meta, met een grijs paardenharen pruik, die haar over
't gezicht hing, een rood en zwart gewaad, een staf en allerlei
kabalistische teekens op haar mantel. Hugo verlangde een drankje van
haar om Sara's liefde te winnen, en een om Roderigo van kant te maken.
Hagar beloofde beide in een fraai dramatisch lied en slaagde er in
den geest op te roepen, die den minnedrank moest brengen:
"Daal neder, gevleugelde geest, o, daal neer,
Verlaat uwe woning bij 't geestenheir!
Gij, dochter der rozen, weldadige fee,
Ach, breng ons uw kostlijken liefdedrank mee.
Maar maak hem heel geurig, heel zoet en heel sterk,
Opdat hij zeer spoedig volbrenge zijn werk.
Ja kom, goede geest, en voldoe aan den wensch
Van dezen verliefden, wanhopigen mensch."
Plotseling klonk een zachte muziek, en toen kwam uit den achtergrond
der grot een kleine, in wolken van gaas gehulde gedaante te voorschijn,
met schitterende vleugels, gouden lokken, en een krans van rozen op
het hoofd. Een staf zwaaiende zong deze geest:
"Hier daal ik neer
Uit hooger sfeer.
Ver boven lucht en maan,
En bied den drank u aan.
Hij werkt zeer snel
Gebruik hem wel,
Opdat de kracht niet moog' vergaan."
en liet een klein verguld fleschje vallen voor de voeten der heks,
waarna ze verdween. Een tweede lied van Hagar riep een tweeden geest
te voorschijn, geen liefelijken, want--bons, daar sprong een leelijke
dwerg het tooneel op, stootte een antwoord uit en wierp Hugo een donker
fleschje toe, waarna hij met een honend gelach verdween. Hugo kweelde
zijn dankbetuigingen, stak de drankjes in zijn laarzen en ging somber
heen. Daarop deelde Hagar het publiek mee, dat ze hem, omdat hij in
vervlogen tijden eenige van haar vrienden had gedood, vervloekt heeft,
en nu voornemens is zich op hem te wreken door de verijdeling van zijn
plannen. Toen viel het gordijn en konden de toeschouwers uitrusten,
en onder 't genot van bonbons, de verdiensten van het stuk bespreken.
Er moest heel wat getimmerd worden, eer het gordijn weer weggetrokken
werd; maar toen het bleek welk een meesterstuk er tot stand was
gebracht, klaagde niemand over het oponthoud. 't Was in één woord
schitterend! Een toren reikte tot aan de zoldering; halfweg zag
men een venster met een wit gordijn, waarachter een lamp stond
te branden, en achter dit witte gordijn verscheen Sara, in een
bekoorlijke blauwe japon met zilver versierd, in afwachting van
Roderigo. Prachtig gekleed kwam hij aangestapt, met een gepluimde muts,
een rooden mantel, kastanjebruine lokken, een gitaar, en de laarzen
natuurlijk. Nederknielend aan den voet van den toren, bracht hij zijn
aangebedene in smeltende tonen een serenade. Sara antwoordde en stemde
er, na een gezongen gesprek, in toe, met hem te vluchten. Toen kwam het
glanspunt van den avond; Roderigo haalde een touwladder te voorschijn,
van vijf treden, wierp het eene eind omhoog en noodigde Sara uit er
langs af te dalen. Angstig stapte ze uit het venster, legde haar hand
op Roderigo's schouder, en maakte zich juist gereed om bevallig naar
beneden te springen, toen ze, arme, arme Sara! haar sleep vergat,
die in het raam bleef haken; de toren wankelde, helde over, viel met
een slag om en bedolf de ongelukkige gelieven onder zijn bouwvallen!
Een algemeen gegil verhief zich, toen de bruine laarzen woest heen
en weer schopten tusschen de ruïne, en een goudlokkig hoofdje
te voorschijn kwam, dat verontwaardigd riep: "Ik heb 't je wel
gezegd!" Met verwonderlijke tegenwoordigheid van geest vloog Don
Pedro, de wreede vader, toe en rukte er zijn dochter uit, met een
gejaagd ter zijde: "Lach niet, net doen of alles in orde is!" Hij
beval Roderigo op te staan, en verbande hem barsch en toornig uit
zijn koninkrijk. Hoewel klaarblijkelijk verdoofd door den val,
trotseerde Roderigo den ouden heer en weigerde zich van de plaats
te verroeren. Dit onverschrokken voorbeeld vuurde Sara's moed aan;
zij ook weerstond haar vader, totdat hij gebood beiden naar den
donkersten kerker van zijn kasteel te sleepen. Daarop kwam er een
dappere kleine lakei binnen, met ketenen beladen, en leidde hen weg,
blijkbaar zoo verschrikt dat hij de heele speech vergat, die hij had
behooren op te zeggen.
Het derde bedrijf speelde in de zaal van het kasteel. Hier kwam Hagar
weer op de planken, om de gelieven te bevrijden en Hugo van kant te
maken. Zij hoort hem komen en verbergt zich; ziet dat hij de drankjes
in twee bekers wijn doet en hoe hij den bedeesden kleinen bediende
gelast: "Breng dien wijn den gevangenen in hun cel en zeg hun, dat
ik weldra kom." Terwijl de bediende Hugo even ter zijde roept om hem
iets mee te deelen, verwisselt Hagar de twee bekers met twee andere,
die geen kwaad bevatten.
Ferdinando, de bediende, brengt ze weg en Hagar zet den beker met
het vergif, voor Roderigo bestemd, weer op tafel. Hugo, die na een
roerende tirade dorstig begint te worden, drinkt hem leeg, raakt
zijn bezinning kwijt, valt, na de noodige stuiptrekkingen, op den
grond en sterft, terwijl Hagar hem in een krachtig, melodieus lied
meedeelt wat ze gedaan heeft.
't Was heusch een treffend tooneel, al vonden sommigen ook, dat
het plotseling te voorschijn komen van een massa lange lokken,
het effect van den dood des ellendelings min of meer bedierf. Hij
werd teruggeroepen en kwam heel zedig te voorschijn. Hagar bij de
hand leidende, wier gezang mooier werd gevonden, dan al het andere
bij elkaar.
Het vierde bedrijf stelde den wanhopigen Roderigo voor, op het punt
zichzelf te doorsteken, omdat men hem gezegd heeft, dat Sara hem
ontrouw geworden is. Reeds richt hij den dolk op zijn hart, als
eensklaps een liefelijk lied onder zijn venster wordt aangeheven,
waarin hem verteld wordt, dat Sara getrouw bleef, maar in gevaar
verkeert, en dat hij haar, indien hij slechts wil, kan redden. Er wordt
een sleutel naar binnen geworpen, om de gevangenisdeur te openen,
en opgetogen van vreugde rukt hij zijn ketenen los, en snelt weg om
zijn geliefde te vinden en te bevrijden.
Het vijfde bedrijf begon met een stormachtig gesprek tusschen Sara
en Don Pedro. Hij wil, dat zijn dochter in een klooster zal gaan,
maar zij wil er niet van hooren en is op het punt flauw te vallen,
als Roderigo binnenvliegt en haar hand vraagt. Don Pedro weigert,
omdat de minnaar niet rijk is. Onder luid getwist en een geweldig
spektakel is Roderigo juist van plan de uitgeputte Sara weg te dragen,
als de bedeesde lakei binnenkomt met een brief en een zak van Hagar,
die op geheimzinnige wijze verdwenen is. In dezen brief deelt de heks
het gezelschap mee, dat ze ongehoorde rijkdommen op het jonge paar
doet nederdalen en Don Pedro met een vreeselijke vervloeking dreigt,
als hij ze niet gelukkig maakt. De zak wordt geopend en een stroom
tinnen geldstukjes valt op het tooneel, zoodat het schittert van al
die pracht. Dit verzacht den strengen vader geheel en al; hij geeft
zonder verdere tegenwerping zijn toestemming, allen heffen samen
een vroolijk lied aan, en het gordijn valt, terwijl de gelieven,
in de allerbevalligste houding, voor Don Pedro geknield liggen om
zijn zegen te ontvangen.
Een luid applaus volgde, maar werd plotseling gesmoord; want het
bed, waarop de loge gebouwd was, viel eensklaps in en verzwolg het
opgewonden publiek. Roderigo en Don Pedro vlogen te hulp en allen
werden ongedeerd weer opgehaald, hoewel de meesten sprakeloos waren
van 't lachen. Nauwelijks was dit tumult tot bedaren gekomen, toen
Hanna binnenkwam met "de complimenten van mevrouw, en of de dames
beneden wilden komen om te soupeeren."
Dit was een verrassing, zelfs voor de spelers, en toen zij de tafel
zagen, keken zij elkaar opgetogen en verbaasd aan. "Echt iets voor
Moeder, ons eens te trakteeren!" Maar zooiets als dit was ongekend,
sedert de vervlogen dagen van overvloed. Er was room-ijs, wezenlijk
twee schaaltjes, rood en wit, en taart, en vruchten en heerlijke
Fransche bonbons, en in het midden van de tafel stonden vier groote
bouquetten kasbloemen! Met een kleur van blijdschap keken de meisjes
eerst naar de tafel, en toen naar hun moeder, die er uitzag, alsof
ze innig genoot.
"Zijn er goede feeën geweest?" vroeg Amy.
"Neen, Sinst Nicolaas," zei Bets.
"Moeder heeft het gedaan," en Meta lachte met haar vriendelijksten
glimlach, in weerwil van haar grijzen baard en witte wenkbrauwen.
"Tante March had zeker een goede bui, en heeft al dat lekkers
gestuurd," riep Jo, die een plotselinge ingeving kreeg.
"Allemaal mis; de oude heer Laurence zond het," antwoordde mevrouw
March.
"De grootvader van dien jongen, hiernaast? Wat ter wereld bracht hem
dat in 't hoofd? Wij kennen hem niet eens!" riep Meta.
"Hanna vertelde toevallig aan een van zijn dienstboden van jullie
ontbijtpartij; hij is een zonderlinge oude heer, maar dat beviel
hem. Hij kende mijn vader jaren geleden, en hij schreef me van middag
een beleefd briefje, om me te vragen of hij zijn vriendelijke gevoelens
jegens mijn kinderen eens mocht toonen, door wat lekkernijen te sturen
tot viering van den dag. Ik kon niet weigeren, en zoo komt het, dat
jullie van avond een feestje hebt om je schadeloos te stellen voor
het ontbijt van vanmorgen."
"Dat heeft hem stellig die jongen in 't hoofd gebracht, ik weet het
zeker! 't Is een aardige jongen, en ik wou maar, dat we kennis met hem
konden maken. Hij ziet er net uit of hij 't heel prettig zou vinden
om ons te kennen; maar hij is dood verlegen en Meta is zoo deftig,
ze wil niet hebben, dat ik in het voorbijgaan een woordje tegen hem
zeg," zei Jo, terwijl de schaaltjes rondgingen, en het ijs onder
verrukte uitroepen van o! en hè! aanmerkelijk begon te verminderen.
"Bedoel je de menschen, die in dat groote huis hiernaast wonen?" vroeg
een der meisjes. "Moeder kent mijnheer Laurence wel, maar zegt, dat hij
heel trotsch is, en niet graag met zijn buren omgaat. Hij houdt zijn
kleinzoon altijd in huis, behalve wanneer hij gaat rijden of wandelen
met zijn gouverneur; en hij laat hem vreeselijk hard studeeren. Wij
hebben hem op onze partij gevraagd, maar hij is niet gekomen. Moeder
zegt, dat hij heel aardig is, maar nooit tegen meisjes spreekt."
"Toen laatst onze kat was weggeloopen, bracht hij die terug, en wij
stonden juist even te praten over de schutting, over honkbal en zoo,
toen hij Meta zag aankomen en wegliep. Jammer, we schoten best op,
en ik ben ook vast van plan op een goeden dag verder kennis met hem
te maken, want hij heeft wel een opvroolijking noodig, daar ben ik
vast van overtuigd," zei Jo beslist.
"'t Lijkt me een aardige nette jongen, en ik heb er niets tegen, dat
jullie kennis met hem maakt, als de gelegenheid zich voordoet. Hij
bracht de bloemen zelf, en als ik gerust geweest was op hetgeen
boven voorviel, zou ik hem gevraagd hebben om te blijven. Stakkerd,
hij zag er zoo nieuwsgierig uit, toen hij al de pret hoorde en hij
trok zoo sneu weg."
"'t Is een zegen, dat u het niet deedt, Moeder," lachte Jo, met een
blik op haar laarzen. "Maar wij zullen later een andere voorstelling
geven, die hij _wel_ mag zien. Misschien doet hij dan wel mee; zou
dat niet heerlijk zijn?"
"Ik heb nog nooit een bouquet gekregen; wat is dit een mooie," en
Meta bekeek haar bloemen met de grootste aandacht.
"Zij _zijn_ beelderig, maar Bets' rozen zijn mij nog liever," zei
Mevrouw March aan het verlepte bouquetje in haar ceintuur ruikende.
Bets kroop dicht tegen haar aan en fluisterde zacht: "Ik wou dat ik
mijn bloemen aan Vader kon sturen. Ik ben bang dat hij niet zoo'n
vroolijke Kerstmis heeft als wij."
HOOFDSTUK III.
"DIE JONGEN VAN HIERNAAST."
"Jo! Jo! waar zit je?" riep Meta onder aan de zoldertrap.
"Hier," antwoordde een doffe stem van boven, en toen Meta de trappen
opgeloopen was, vond zij haar zuster bezig appels te eten en te
schreien over "De Erfgenaam van Redclyff," met een dikken doek om,
op eene driepootige canapé bij het zonnige venster. Dit was Jo's
geliefkoosde toevlucht, en hier sloot zij zich op met een half
dozijn appelen en een mooi boek, genietende van de stilte en van het
gezelschap van een lievelingsrat, die daar dichtbij huisde en zich
niet aan haar stoorde. Toen Meta kwam, trok Knabbelaar zich in haar
hol terug. Jo veegde haar tranen af en wachtte geduldig op het nieuws.
"Verbeeld je eens, hoe heerlijk, een invitatiekaart van mevrouw
Gardiner voor morgenavond!" riep Meta, met het kostbaar document
wuivend, en toen met jeugdige opgewondenheid voorlezend:
"Het zal mevrouw Gardiner veel genoegen doen de jonge dames Meta en
Josephina March tegenwoordig te zien bij een danspartijtje, dat ze
voornemens is op Nieuwjaarsavond te geven." Moeder vindt het goed,
dat wij gaan; maar _wat_ zullen we aandoen?"
"Dat hoef je niet te vragen, je weet heel goed, dat wij niks anders
kunnen aandoen dan onze zomerjurken, omdat wij niets anders hebben,"
antwoordde Jo met een vollen mond.
"Had ik maar een zijdje," zuchtte Meta. "Moeder zegt, dat ik er
misschien een krijg, als ik achttien ben; maar twee jaar is een
eeuwige tijd om te wachten."
"O kom, onze lichte japonnen zijn goed genoeg voor ons. De jouwe is
zoo goed als nieuw, maar o jé, ik vergat heelemaal dat ik de mijne
gescheurd en gebrand heb. Wat zal ik doen? Dat gezengde is erg te
zien en ik kan er niets uitnemen."
"Je moet maar veel blijven zitten en je niet van achteren laten zien;
van voren is alles in orde. Ik krijg een nieuw lint voor mijn haar,
en Moeder zal me haar kleine juweelen broche leenen, en mijn nieuwe
lage schoentjes zijn keurig en mijn handschoenen kunnen nog wel eens
mee, al zijn ze niet zoo héél frisch meer."
"De mijne zitten vol limonadevlekken, en ik kan geen nieuwe koopen,
dus zal ik zonder dienen te gaan," zei Jo, die zich nooit veel om
haar toilet bekommerde.
"Je _moet_ handschoenen hebben, of ik ga niet!" riep Meta vast
besloten. "Handschoenen zijn van nog meer belang dan iets anders; je
kunt zonder handschoenen onmogelijk dansen, en als je ze niet aandoet,
schaam ik me dood."
"Dan zal ik maar stil blijven zitten; ik geef niks om die deftige
dansen en dat statige voortzeilen. 't Is veel prettiger rond te
vliegen en eens een bokkesprong te maken."
"Je kunt Moeder niet om een paar nieuwen vragen, zij zijn zoo duur en
je bent zoo wanhopig slordig. Moeder zei, toen je de andere bedorven
hadt, dat je dezen winter geen nieuwe kreeg. Kun je 'r niets op
bedenken?" vroeg Meta bezorgd.
"Ik zal ze in mijn hand moffelen, dan kan niemand zien, hoe smerig ze
zijn; dat is al wat ik kan doen. Neen! ik weet wat, laat ons ieder
één goeden aantrekken, en een slechten in onze hand houden, vind je
dat geen schitterend idee?"
"Maar jou handen zijn grooter dan de mijne, en dan rek je mijn
handschoen zoo vreeselijk uit," begon Meta, wier handschoenen een
teere plek in haar hart besloegen.
"Dan zal ik maar zonder gaan. Ik geef er niet om wat de menschen
zeggen!" riep Jo, haar boek weer opnemende.
"Och, neen, neem er dan maar liever een van mij, maar toe, wees er
netjes op, en gedraag je ordentelijk; houd je handen niet op je rug,
en sta niet te staren en zeg niet "verdraaid" en zoowat, toe, Jo?"
"Maak je maar niet ongerust, ik zal zoo deftig zijn als een boonestaak
en geen dommigheden begaan, als ik het maar eenigszins laten kan. Ga
jij nu het antwoord maar schrijven en laat mij alstjeblieft mijn
boek uitlezen."
Meta ging dus naar beneden om "gaarne gebruik te maken van de
vriendelijke invitatie," haar japon na te zien en een vroolijk deuntje
te zingen, terwijl ze haar eenigen echt kanten kraag in orde maakte,
terwijl Jo haar verhaal uitlas, haar appels opat en krijgertje speelde
met Knabbelaar.
Op Nieuwjaarsavond was de zitkamer verlaten, want de twee jongere
meisjes speelden voor kamenier en de twee oudsten gingen heelemaal op
in die allergewichtigste bezigheid: zich kleeden voor de partij. Hoe
eenvoudig de toiletjes ook waren, viel er toch heel wat heen en weer
te loopen onder druk gelach en gepraat, en op een zeker oogenblik
was er een erge brandlucht door het huis. Meta wou graag van voren
een paar krullen hebben en Jo nam op zich de papillotten er met een
gloeiende tang in te branden.
"Moeten ze zoo rooken?" vroeg Bets van haar zetel op het bed.
"Dat is het vocht dat verdampt," zei Jo.
"Wat een rare lucht! het ruikt net naar verbrande veeren," vond Amy
en streek hare eigen mooie krullen met voldoening glad.
"Ziezoo, nu zal ik ze uit de papieren doen en dan zul je eens zien,
wat allerliefste krulletjes het geworden zijn," zei Jo, de tang
neerleggende.
Ze haalde de papillotten los, maar er kwamen geen krulletjes
te voorschijn, want het haar kwam met de papiertjes mede, en de
verschrikte kamenier legde een rijtje kleine, verschroeide hoopjes
haar, op de tafel voor haar slachtoffer neer.
"O, o, Jo! wat _heb_ je gedaan? Nou is álles bedorven! Ik kan niet
gaan! Mijn haar! o mijn haar!" jammerde Meta, terwijl ze wanhopig
het ongelijke kroes op haar voorhoofd bekeek.
"Dat is alweer mijn ongeluk! je hadt het mij ook niet moeten vragen;
ik bederf altijd alles. 't Spijt me allervreeselijkst, maar de tang
was te heet, en zoo is het gekomen," kermde de arme Jo, en zag met
tranen van berouw naar de zwarte pruikjes.
"Het is nog niet bedorven; kam het maar op en steek dan den strik
er achter, dat lijkt nogal op de laatste mode. Ik heb er verscheiden
meisjes mee gezien," troostte Amy.
"Dat komt omdat ik mij mooi wou maken. Ik wou, dat ik mijn haar maar
met rust had gelaten," zei Meta wrevelig.
"Dat wou ik ook, het was zoo mooi. Maar het zal wel gauw weer
aangroeien," zei Bets, en kuste en troostte het geschoren lam.
Na eenige kleinere tegenspoeden was Meta eindelijk gereed, en door
de vereende krachten der familie kwam Jo's haar in orde en haar japon
aan. Ze zagen er heel aardig uit in hun eenvoudige kleeding. Meta in
een zilvergrijsje met een fluweelen lint in het haar, kanten kraag
en mouwen en de juweelen broche; Jo in 't licht lila, met een open
boordje en een paar witte chrysanten als eenig versiersel. Ieder trok
één netten lichten handschoen aan, en ieder hield één bevlekten in
de andere hand, en de heele familie verklaarde, dat het zoo heel best
kon en heel vlug stond. Meta's hooggehakte schoentjes waren vreeselijk
nauw en deden haar pijn, hoewel zij dat niet wilde erkennen; en Jo's
negentien haarspelden schenen allemaal regelrecht in haar hoofd te
steken, wat niet precies plezierig was; maar, lieve hemel! liever
sterven, dan niet naar de mode zijn.
"Veel plezier, kinderen," zei mevrouw March, toen de zusters vroolijk
wegtrippelden. "Eet maar niet te veel, en Hanna zal jullie om elf
uur komen halen; dadelijk meegaan hoor!"
Toen het hek achter hen toeviel, riep een stem hen nog achterna:
"Meisjes! meisjes! _heb_ jullie wel allebei een net zakdoekje?"
"Ja, ja, keurig hoor, en Meta heeft eau-de-cologne op den hare!" riep
Jo en voegde er lachend bij: "Ik geloof heusch, dat Moeder daar nog
naar vragen zou, al vluchtten wij allemaal voor een aardbeving."
"Dat komt omdat Moeder op en top een dame is, want een echte dame kun
je dadelijk herkennen aan nette laarzen, handschoenen en zakdoek,"
antwoordde Meta, die vond dat ze zelf nogal damesachtig was.
"Denk er nu aan om die leelijke plek uit het gezicht te houden,
Jo. Zit mijn ceintuur recht; en is mijn haar _erg_ leelijk?" vroeg
Meta, terwijl ze zich, na een ernstige beschouwing, afwendde van den
spiegel in mevrouw Gardiner's kleedkamer.
"Ik weet wel haast zeker dat ik het vergeten zal. Als je me iets ziet
doen, dat niet goed is, geef mij dan maar een wenk, wil je!" antwoordde
Jo, trok eens aan haar jurk en streek haastig haar haar glad.
"Neen, wenken is niet netjes; ik zal mijn wenkbrauwen optrekken,
als iets niet goed is, en knikken als alles in orde is. Nu, doe nu je
schouders naar beneden en neem kleine stappen en steek niet dadelijk
een hand uit als iemand aan je wordt voorgesteld, dat hoort niet."
"Hoe is het toch mogelijk al die dingen te onthouden? Ik zie er geen
kans toe. Hè wat vroolijke muziek!"
Zoo gingen ze naar beneden, wel wat verlegen, want ze kwamen zelden
op partijen, en hoe weinig deftig deze ook was, het bleef toch een
gebeurtenis van gewicht voor de zusjes. Mevrouw Gardiner, een statige,
oude dame, ontving hen vriendelijk en gaf hen over aan de zorg van
de oudste harer zes dochters. Meta kende Sallie en was dadelijk op
haar gemak; maar Jo, die niet veel gaf om meisjes of meisjespraatjes,
stond met haar rug tegen den muur geleund en voelde zich even weinig
op haar plaats als een veulen in een bloemtuin. In een anderen hoek
der kamer stond een troepje jongens over schaatsenrijden te praten,
en Jo verlangde niets liever dan zich bij hen te voegen, want
schaatsenrijden was een der grootste genoegens van haar leven. Ze
telegrafeerde haar wensch naar Meta, maar de wenkbrauwen werden zóó
verschrikt opgetrokken, dat ze zich niet durfde bewegen. Niemand kwam
haar aanspreken, en langzamerhand verliep het groepje in haar buurt,
totdat de arme Jo geheel alleen overbleef. Vrij heen en weer loopen
kon ze niet, want dan zou de verzengde plek in 't gezicht komen,
zoodat zij min of meer ongelukkig naar de anderen stond te kijken, tot
het dansen begon. Meta werd dadelijk gevraagd, en de nauwe schoentjes
trippelden zoo vroolijk rond, dat niemand de pijn kon vermoeden die
hun eigenares met een glimlach verdroeg. Toen zag Jo een grooten,
roodharigen jongen haar hoekje naderen, vreezende, dat hij van plan
mocht zijn haar te vragen, sloop zij gauw in een aangrenzend kamertje,
dat door een gordijn was afgeschoten, in de hoop ongestoord te kunnen
kijken en zich zoo amuseeren. Ongelukkig had een andere verlegen gast
dezelfde schuilplaats gekozen; want toen het gordijn zich achter haar
sloot, stond Jo van aangezicht tot aangezicht tegenover "die jongen
van hiernaast."
"O, hemel! ik wist niet, dat hier iemand was," stamelde Jo, en maakte
zich gereed even spoedig te verdwijnen als zij verschenen was.
Maar de jongen lachte en zei vriendelijk, hoewel hij wat verlegen keek:
"Stoor je niet aan mij maar blijf als je'r lust in hebt."
"Hinder ik je niet?"
"Volstrekt niet; ik kwam alleen hier omdat ik niet veel menschen ken,
en mij in het eerst nogal vreemd voel."
"Ik ook. Ga als 't je blieft niet weg, of je moest liever willen."
De jongen ging weer zitten en keek naar zijn laarzen, totdat Jo,
die beleefd en spraakzaam wilde zijn, begon:
"Ik geloof, dat ik het genoegen gehad heb je al eens vroeger te
zien. Je woont naast ons, is 't niet?"
"Vlak naast jullie," en hij keek haar lachend aan, want Jo's deftigheid
was nog al grappig na hun gesprek over het balspel, toen hij de
kat terugbracht.
Dat bracht Jo op haar gemak, en ze lachte ook, terwijl ze op
hartelijken toon zei:
"We hebben zoo'n prettigen avond gehad door jullie heerlijk cadeau
op Kerstavond!"
"Grootpapa zond het!"
"Maar jij hebt hem zeker op de gedachte gebracht, hè?"
"Hoe gaat het met uw kat, juffrouw March?" vroeg de jongen plechtig,
al zijn best doende om ernstig te kijken, terwijl zijn zwarte oogen
glinsterden van pret.
"Heel goed, dank u, mijnheer Laurence, maar ik ben niet juffrouw March,
ik ben alleen maar Jo," antwoordde de jonge dame.
"Ik ben niet mijnheer Laurence, ik ben alleen maar Laurie."
"Laurie Laurence? Wat een vreemde naam."
"Mijn voornaam is Theodoor, maar ik houd niet van dien naam, want de
jongens noemden mij Dora, en toen heb ik me Laurie laten noemen."
"Ik heb ook een hekel aan mijn naam--zoo sentimenteel! Ik wou dat
iedereen Jo zei, in plaats van Josephine. Hoe heb je er de jongens
toe gekregen om niet langer Dora te zeggen?"
"Ik ranselde ze."
"Ik kan tante March moeilijk ranselen, dus zal ik het moeten
verdragen," en Jo schikte zich met een zucht in haar lot.
"Houdt u niet van dansen, juffrouw Jo?" vroeg Laurie; haar aankijkend
alsof hij vond, dat de naam goed bij haar paste.
"Ik houd er dol van, als er maar ruimte genoeg en iedereen jolig is. In
zoo'n mooie kamer gooi ik zeker iets om, of trap op iemands toonen,
of doe iets, dat onbehoorlijk is; daarom laat ik Meta er maar voor
opkomen en blijf zelf buiten gevaar; dans jij niet?"
"Soms. Zie je, ik ben verscheiden jaar in Europa geweest, en nog niet
lang genoeg hier om te weten, hoe alles hier toegaat."
"In Europa!" riep Jo. "O vertel er mij eens wat van! Ik hoor zoo
dolgraag over reizen vertellen."
Laurie scheen geen begin te kunnen maken; maar Jo's vurige vragen
brachten hem weldra op streek, en hij vertelde haar, hoe hij te
Vevey op school was geweest, waar de jongens nooit hoeden droegen,
en bootjes hadden op het meer, en in de vacantie met hun meesters
voetreisjes door Zwitserland deden.
"Hè, wat wou ik graag, dat ik daar geweest was!" riep Jo. "Ben je
ook in Parijs geweest?"
"We zijn er den vorigen winter geweest."
"Kun je goed Fransch spreken?"
"Wij mochten te Vevey niet anders praten."
"Zeg eens wat in 't Fransch. Ik kan het wel lezen, maar niet goed
spreken."
"Quel nom a cette jeune fille en les pantoufles jolis?" zei Laurie
goedhartig.
"Wat spreek je het mooi uit! Laat eens zien, je zei: Wie is die jonge
dame met die mooie schoentjes, is 't niet?"
"Oui, mademoiselle."
"Dat is mijn zuster Margaretha, en dat wist je heel goed! Vind je
haar mooi?"
"Ja, ze doet mij denken aan de Duitsche meisjes; ze ziet er zoo frisch
en kalm uit en danst zoo netjes."
Jo glom van genoegen bij dezen jongensachtigen lof over haar zuster
en onthield het goed om het aan Meta te vertellen. Beiden gluurden
en critiseerden en keuvelden, tot zij een gevoel hadden, alsof ze
oude kennissen waren. Laurie's verlegenheid ging heel gauw over,
want Jo's jongensmanieren zetten hem op zijn gemak, en Jo was zoo
vroolijk en natuurlijk als altijd, omdat zij niet meer aan haar
japon dacht en niemand de wenkbrauwen tegen haar optrok. Ze vond
"die jongen van hiernaast" erg aardig, en nam hem eens goed op, om
hem aan de zusjes te kunnen beschrijven; want ze hadden geen broers,
weinig neven, en jongens waren bijna onbekende wezens in hun kring.
Krullend zwart haar, bruinig vel, groote zwarte oogen, lange neus
en mooie tanden, kleine handen en voeten, zoo lang als ik; heel
beleefd voor een jongen, en over het geheel genomen aardig. Hoe oud
zou hij zijn?
De vraag brandde haar op de tong: maar ze bedwong zich bijtijds,
en zocht het, met ongewonen tact, langs omwegen te weten te komen.
"Je gaat zeker gauw naar de academie? Ik zie je zoo vaak over je
boeken zitten blokken--ik bedoel hard studeeren," en Jo bloosde over
het onbeleefde "blokken" dat haar ontsnapt was.
Laurie glimlachte, maar scheen niets geschokt en antwoordde
schouderophalend:
"Nog in geen twee of drie jaar; ik ga in geen geval vóór ik zeventien
ben."
"Ben je dan pas vijftien?" vroeg Jo, en zag den langen jongen aan,
dien ze wel zeventien jaar gegeven had.
"De volgende maand word ik zestien."
"Ik wou, dat ik naar de academie kon gaan; jij schijnt het niet zoo
heel prettig te vinden."
"Ik heb er een hekel aan; het is hard werken of fuiven; en ik vind
dat ze hier in Amerika geen van beide op een leuke manier doen."
"Wat zou jij dan willen?"
"In Italië wonen en mij op mijn eigen manier amuseeren."
Jo zou erg graag gevraagd hebben, wat die eigen manier was, maar zijn
zwarte wenkbrauwen zagen er nogal dreigend uit, als hij ze samentrok;
dus veranderde zij het onderwerp van gesprek en zei, terwijl ze met
haar voet de maat sloeg: "Dat is een heerlijke wals, waarom doe je
niet eens mee?"
"Als jij 't ook doet," antwoordde hij met een spottend buiginkje.
"Ik kan niet, ik heb het Meta beloofd, omdat...." hier hield Jo op
en wist niet, wat ze doen zou, het vertellen of lachen.
"Omdat?" herhaalde Laurie nieuwsgierig.
"Zul je het aan _niemand_ zeggen?"
"Nooit."
"Nou, ik heb de slechte gewoonte om vlak voor 't vuur te staan,
en dan verbrand ik mijn jurken, en zoo is deze ook geschroeid, wel
versteld, maar het valt toch erg op, en Meta zei, dat ik maar stil
moest blijven zitten, dan zou niemand het zien. Je mag er gerust om
lachen, als je wilt, ik weet heel goed, dat het gek is."
Maar Laurie lachte niet; hij keek een oogenblik naar den grond. Jo wist
niet, wat van zijn gezicht te maken, totdat hij zeer vriendelijk zei:
"Stoor er je niet aan; maar zeg, ik weet wat: er is hier een lange
gang, daar kunnen wij heerlijk in dansen, zonder dat iemand ons
ziet. Kom als 't je belieft mee."
Jo bedankte hem hartelijk en ging vroolijk mee, hoewel de wensch naar
een paar nette handschoenen bij haar opkwam, toen ze het nieuwe witte
paar zag, dat haar cavalier aantrok.
De gang was leeg en ze dansten naar hartelust, want Laurie danste
heel goed en leerde haar de Duitsche polka, die Jo verrukkelijk vond,
omdat je er zoo heerlijk bij kon rondzwaaien. Toen de muziek zweeg,
gingen ze even zitten om weer op adem te komen, en Laurie was juist
midden in een verhaal van een studentenfeest te Heidelberg, toen Meta
haar zuster kwam zoeken.
Ze wenkte, en Jo volgde haar met tegenzin in een zijkamer, waar Meta
op een sofa zat, bleek en met een pijnlijken voet.
"Ik heb mijn enkel verstuikt. Die akelige hooge hak zwikte, en
't hindert mij afschuwelijk. Ik kan bijna niet meer staan, en ik
weet niet, hoe ik thuis moet komen," zei ze, van pijn heen en weer
wiegelend.
"Ik wist wel, dat je je voet met die malle dingen bezeeren zou. Het
spijt me, maar ik weet ook niet wat je doen moet: een rijtuig nemen
of hier den heelen nacht blijven," antwoordde Jo, den armen enkel
zachtjes wrijvend.
"Een rijtuig is zoo duur; ik denk zelfs, dat ik er geen zal kunnen
krijgen, want de meeste menschen komen in hun eigen, en de huurkoetsier
woont zoover af en er is ook niemand, dien we er heen kunnen sturen."
"Ik zal wel gaan."
"Neen zeker niet; het is over tienen en pikdonker. Ik kan hier ook
niet blijven, want het huis is vol; Sallie heeft al een paar meisjes
te logeeren. Ik zal blijven zitten, totdat Hanna komt en dan zien,
hoe het gaat."
"Laat ik het Laurie vragen; hij zal wel gaan!" zei Jo, en haar gezicht
klaarde op bij die gedachte.
"O, toe, alsjeblieft niet; zeg het aan niemand. Krijg even mijn
overschoenen en zet deze schoentjes bij ons goed. Ik kan toch niet
meer dansen; maar zoodra het souper is afgeloopen, moet je op de
wacht gaan staan voor Hanna en me dadelijk waarschuwen als ze komt."
"Ze gaan nu soupeeren. Ik zal bij je blijven, dat doe ik wel graag."
"Neen Jo, haal me veel liever een kop koffie. Ik ben zoo moe, dat ik
me niet kan verroeren."
Meta zette zich op haar gemak en hield de overschoenen zorgvuldig
verborgen, en Jo ging de eetkamer zoeken, die ze niet vond, dan nadat
ze een provisiekamertje was binnengeloopen en de deur had opengedaan
van een kamer, waar de oude heer Gardiner in alle stilte zich een
weinig zat te "restaureeren". Zij vloog op de tafel toe en maakte
zich meester van een kop koffie, waarvan ze in haar haast echter het
grootste gedeelte op haar japon morste, zoodat de voorbaan er nu al
even erg uitzag als de achterbaan.
"Och, wat ben ik toch een sukkel!" riep Jo, en bedierf Meta's
handschoenen door er haar japon mee af te slaan.
"Kan ik soms helpen?" vroeg een vriendelijke stem, en daar stond Laurie
met een vol kopje in de eene en een schoteltje in de andere hand.
"Ik zocht iets te bemachtigen voor Meta, die heel moe is, maar stootte
me en nu zit ik er mooi mee," antwoordde Jo, terwijl ze mistroostig
haar oogen liet gaan over de bevlekte japon en den koffiekleurigen
handschoen.
"Dat is een gek geval! Ik zocht juist iemand om dit aan te geven;
mag ik het aan je zuster brengen?"
"O, als 't je belieft; ik zal je wijzen, waar zij is. Ik zal maar niet
aanbieden het zelf te dragen, want als ik het deed, zou ik zeker weer
in nieuwe moeilijkheden komen."
Jo wees den weg, en Laurie, die naar het scheen gewend was, dames te
bedienen, trok een klein tafeltje naar Meta toe, bracht eene tweede
bezending koffie en ijs voor Jo, en was zoo gedienstig, dat zelfs
Meta erkende, dat hij een aardige jongen was. Ze maakten gekheid
over de bonbons en ulevelpapiertjes, en waren in het midden van een
geanimeerd spelletje met twee of drie andere jongelui, die zich bij
hen gevoegd hadden, toen Hanna verscheen. Meta vergat haar voet,
en stond zoo haastig op, dat ze genoodzaakt was Jo bij den arm te
pakken met een schreeuw van pijn.
"Stil, zeg niets," fluisterde ze en voegde er hardop bij: "Het is
niets, ik verzwikte mijn voet even, dat is alles," en ze hinkte naar
boven om haar goed om te doen.
Hanna knorde, Meta schreide en Jo wist niet wat te doen, tot ze
besloot zelf de zaak in handen te nemen. Stil wegsluipende liep ze naar
beneden en een knecht tegenkomend, verzocht zij hem, of hij niet een
rijtuig voor haar kon bestellen. Ongelukkig was het een vreemde knecht,
die de buurt niet kende, en Jo zag rond naar hulp, toen Laurie, die
gehoord had wat ze vroeg, naar haar toekwam en het rijtuig van zijn
grootvader aanbood, dat juist voor hem was gekomen, zooals hij zei.
"Het is nog zoo vroeg,--je zult nu toch nog niet heengaan," begon Jo,
verlicht, maar nog aarzelend om het aanbod aan te nemen.
"Ik ga altijd vroeg,--wezenlijk. Kom, laat ik jullie thuis brengen,
het ligt in mijn weg, dat weet je, en ze zeggen, dat het regent."
Dat gaf den doorslag; en nadat Jo hem op de hoogte had gebracht van
Meta's ongeval, nam ze het voorstel dankbaar aan en vloog naar boven
om de anderen te waarschuwen. Hanna had evenveel afkeer van regen als
een poes en maakte dus geen tegenwerpingen; en even later rolden ze
weg in het gemakkelijke dichte rijtuig, echt feestelijk en voornaam
gestemd. Laurie was op den bok gaan zitten, zoodat Meta haar voet op
de bank kon leggen, en de meisjes vrij over de partij konden spreken.
"Ik heb een heerlijken avond gehad en jij?" vroeg Jo, haar haar wat
losmakend en zich gemakkelijk achterover vleiend.
"Ja, totdat ik mijn voet bezeerde. Sallie's vriendin, Anna Moffat,
scheen me nogal aardig te vinden en vroeg, of ik een week bij haar
wou komen logeeren, gelijk met Sallie. Ze gaat in 't voorjaar, als de
opera begint, dol, hè, als Moeder me maar laat gaan," antwoordde Meta,
door de gedachte aan de invitatie opgevroolijkt.
"Ik zag je dansen met dien roodharige, waar ik voor weggeloopen ben;
was hij aardig?"
"O ja, heel aardig; zijn haar is kastanjebruin, niet rood; hij was
heel beleefd en ik heb zóó pleizierig met hem gedanst!"
"Hij zag er uit als een sprinkhaan, die een stuip krijgt, toen hij
dien nieuwen pas deed. Laurie en ik hebben gebruld van 't lachen;
kon je ons hooren?"
"Neen, maar het is heel ongemanierd. Wat heb je toch al dien tijd
achter dat gordijn uitgevoerd?"
Jo vertelde haar avonturen, en toen ze er mee klaar was waren ze
thuis. Onder hartelijke dankbetuigingen namen ze afscheid, en slopen
stil naar boven, in de hoop niemand te zullen storen; maar op het
oogenblik dat de deur van hun kamer kraakte, kwamen twee hoofden te
voorschijn en twee slaperige, maar verlangende stemmen riepen:
"Vertel wat van de partij, o, toe, vertel wat van de partij!"
Jo had,--Meta vond het "ongemanierd"--wat lekkers voor de zusjes
bewaard, en nadat deze de gewichtigste gebeurtenissen van den avond
gehoord hadden, gingen ze tevreden slapen.
"'k Heb net een gevoel of ik een rijke jonge dame ben, die in haar
eigen rijtuig van een bal thuiskomt en nu in haar kamer zit met een
kamenier tot haar dienst," zei Meta, terwijl Jo haar voet inwreef
met arnica en daarna haar haar borstelde.
"Ik geloof niet, dat rijke jonge dames meer pret hebben dan wij,
ondanks verbrande krullen, oude japonnen, één handschoen per hoofd,
en nauwe schoentjes, die je laten zwikken, als je zoo dwaas bent ze
te dragen," antwoordde Jo, en ik geloof dat ze gelijk had.
HOOFDSTUK IV.
LASTEN.
"Hè! wat is het moeilijk onze pakken weer op te nemen en voort te
gaan," zuchtte Meta 's morgens na de partij; want nu de vacantie
om was, maakte de week van pretmaken haar weinig geschikt tot het
opgewekt hervatten van een taak, waar zij nooit mee ophad.
"Ik wou, dat het altijd Kerstmis of Nieuwjaar was; zou dat niet
genoeglijk zijn?" vroeg Jo, akelig geeuwende.
"Wij zouden niet half zooveel plezier hebben als nu. Maar het _is_
zoo heerlijk soupeetjes bij te wonen en bouquetten te krijgen, en naar
partijen te gaan, en in een eigen rijtuig naar huis te rijden, veel te
lezen en te rusten en niet te werken. Dat is zooals rijke menschen het
hebben, en ik benijd altijd meisjes, die zulke dingen kunnen doen. O,
ik houd eigenlijk zoo dol veel van weelde," bekende Meta, terwijl ze
onderzocht, welke van twee versleten japonnen de minst versletene was.
"Kom, laten we maar niet zaniken, we kunnen het nu eenmaal zoo niet
hebben; laten we onze pakken dus maar opnemen en even tevreden
voorstappen als Moeder. Jullie weet, Tante March is een echte
nachtmerrie voor me, maar ik denk dat--als ik geleerd heb, haar
nukken zonder klagen te verduren, de last van mij af zal vallen,
of zoo licht worden dat ik er niets meer om geef."
Deze gedachte prikkelde Jo's verbeelding en bracht haar in een goed
humeur; maar Meta klaarde er niet door op, want haar last, uit vier
bedorven kinderen bestaande, scheen zwaarder dan ooit. Ze had zelfs
geen lust zich als naar gewoonte zoo mooi mogelijk te maken, door
een blauw dasje om haar boord te knoopen en haar haar op de netste
manier op te steken.
"Wat doet het er toe, of ik me netjes aankleed, als niemand me ziet,
behalve die lastige apen. Niemand geeft er een zier om, of ik er netjes
uitzie of niet," pruttelde ze en deed haar la met een ruk dicht. "Ik
zal mijn heele leven door moeten tobben en zwoegen, en alleen nu
en dan eens een pretje hebben, en oud en leelijk en kribbig worden,
omdat ik arm ben, en niet van mijn leven kan genieten zooals andere
meisjes. 't Is ellendig!"
Meta ging naar beneden met een verongelijkt gezicht en was aan 't
ontbijt alles behalve vriendelijk gestemd.
Iedereen scheen wel uit zijn humeur en knorrig. Bets had hoofdpijn en
lag op de canapé, troost zoekende bij de kat met haar drie kleintjes;
Amy pruilde omdat ze haar lessen niet geleerd had en haar overschoenen
niet kon vinden; Jo _wilde_ niet uitscheiden met fluiten en maakte
veel onnoodige drukte en beweging om klaar te komen; mevrouw March deed
haar uiterste best een brief af te krijgen, die volstrekt dadelijk op
de post moest en Hanna had een booze bui, want laat opblijven vleide
haar niet.
"Ik heb nog nooit zoo'n brompotten-familie gezien!" riep Jo, die
uit haar humeur raakte, toen ze een inktkoker omgegooid, haar veters
gebroken had, en op haar hoed was gaan zitten.
"En jij bent de brommerigste van allemaal!" antwoordde Amy en veegde
de som, die maar niet lukken wou, uit, met de tranen, die op haar
lei vielen.
"Bets, als je die akelige katten niet beneden in den kelder opsluit,
laat ik ze verdrinken!" dreigde Meta boos, terwijl ze zich zocht te
ontdoen van het katje dat langs haar rug was opgekropen en zich als
een klis aan haar vastklemde.
Jo lachte, Meta bromde, Bets smeekte om genade, en Amy huilde, omdat
zij niet kon onthouden, hoeveel negen maal twaalf was.
"Kinderen, kinderen! wees toch een oogenblik stil. Ik moet dezen brief
afmaken en jullie brengt mij totaal in de war door dat gekibbel,"
riep mevrouw March die voor den derden keer een zin in haar brief
doorhaalde.
Er was een poosje rust, onderbroken door Hanna, die naar binnen
stormde, twee heete blikken puddingvormen op tafel zette en weer
wegvloog. Dit was een vaste gewoonte, en de meisjes noemden ze
"moffen," want ze hadden geen andere, en op koude ochtenden warmden
ze hun handen aan die heete blikjes. Hanna vergat nooit ze te maken,
hoe druk of knorrig ze ook mocht zijn, want de wandeling was lang
en eentonig, en "de arme schapen" kregen niets anders dan die kleine
trommelkoek voor hun twaalfuurtje en kwamen zelden vóór drieën thuis.
"Liefkoos je katjes maar en beterschap met de hoofdpijn, Betsje. Goeden
dag, Moeder, we zijn van morgen een troep akeligheden geweest, maar
we komen als engelachtige wezens thuis. Kom Meta," en Jo stapte weg,
ten volle overtuigd dat de Pelgrims niet volgens hun plicht de reis
aanvaardden.
Voor ze den hoek om gingen, keken ze altijd nog eens om, want mevrouw
March stond altijd aan het raam om ze nog eens toe te knikken en na
te wuiven. 't Was net of de meisjes den dag niet goed zouden kunnen
doorkomen, als ze dat moesten missen. Want in welke stemming ze ook
mochten zijn, de laatste glimlach van Moeders lief gezicht liet nooit
na als een zonnetje op hen te werken.
"Als Moeder haar vuist tegen ons balde, in plaats van ons zoo
vriendelijk na te wuiven, zouden we ons verdiende loon hebben, want
ondankbaarder spoken dan wij zijn, heb ik nooit gezien!" riep Jo,
en trotseerde met een zekere voldoening den modderigen weg en den
scherpen wind.
"Gebruik toch zulke krasse uitdrukkingen niet," zei Meta van uit den
dichten sluier, waarin ze zich gehuld had als een non, die wars is
van de wereld.
"Ik houd van flinke, krachtige woorden, die iets beteekenen,"
antwoordde Jo, haar hoed grijpende, die op het punt stond weg te
vliegen.
"Geef jezelf zooveel scheldnamen als je verkiest; maar ik ben noch
een akeligheid, noch een spook, en verkies niet zoo genoemd te worden."
"Jij bent de verdrukte onschuld en vandaag bepaald ongenietbaar, omdat
je niet altijd "in den schoot der weelde" kunt zitten. Arm schatje,
wacht maar tot ik mijn fortuin heb gemaakt, dan zul je genieten
van rijtuigen en van vanilleijs, en van hooggehakte schoentjes en
bouquetten en van roodharige jongens om mee te dansen."
"Wat ben je toch dwaas, Jo!" maar Meta lachte om den onzin, en voelde
zich, of ze wilde of niet, toch opgevroolijkt.
"Wees blij, dat ik dwaas ben, want als ik mij ook zoo beleedigd
aanstelde en net zoo diep neerslachtig trachtte te zijn, als jij,
zouden wij een heerlijk leven hebben. Gelukkig maar dat ik altijd iets
kan vinden om het hoofd boven water te houden. Toe, mok niet langer,
maar kom vroolijk thuis, dan ben je de beste."
Jo gaf haar zuster een bemoedigend tikje op den schouder, toen ze
afscheid namen, waar ieder een verschillenden kant opging, drukte
haar klein warm trommeltje aan het hart en deed haar best opgeruimd
te zijn, in weerwil van het koude winterweer, het harde werk, en veel
onvoldane begeerten.
Toen mijnheer March zijn vermogen verloor, door een ongelukkigen
vriend bij te staan, hadden de twee oudste meisjes verzocht of zij
niet iets zouden mogen doen, om tenminste in hun eigen behoeften te
voorzien. Daar hun ouders meenden, dat ze niet te vroeg konden beginnen
met zich te gewennen aan werk en te streven naar onafhankelijkheid,
gaven ze hun toestemming, en beiden vatten hun werk op met dien vasten,
goeden wil, die in spijt van alle moeilijkheden ten laatste zeker
slaagt. Meta vond een plaats als gouvernante, en gevoelde zich rijk
met haar klein salaris. Ze kwam er rond voor uit, dat ze hunkerde naar
weelde, en armoede haar grootste verdriet was. Geen geld te hebben viel
haar zwaarder dan de anderen, omdat zij zich een tijd kon herinneren,
toen alles in huis mooi, het leven vol gemak en genot, en ontbering,
van welken aard ook, onbekend was. Terwijl ze haar best deed niet
jaloersch of ontevreden te zijn, was het niet meer dan natuurlijk,
dat ze dikwijls verlangde naar mooie dingen, vroolijke vrienden en
een gemakkelijk leven. Bij de familie King voelde ze dagelijks wat
haar ontbrak, want de oudere zusters dier kinderen gingen dien winter
voor het eerst uit, en Meta zag dikwijls met een oogwenk keurige
baljaponnen en dure bouquetten, woonde levendige gesprekken bij
over comedies, concerten, sleevaarten en pretjes van allerlei aard,
en zag geld weggegooid voor kleinigheden, die voor haar schatten
zouden geweest zijn. De arme Meta klaagde zelden, maar een gevoel
van onrechtvaardigheid maakte, dat ze soms bitter gestemd was jegens
iedereen, want ze had nog niet leeren beseffen, hoe rijk ze was in
datgene, wat alleen het leven waarde geeft.
Jo viel in den smaak van Tante March, die verlamd was en behoefte
had aan een bedrijvig persoontje om haar te bedienen. Toen de slag
viel had de kinderlooze oude dame aangeboden een van de meisjes als
haar kind tot zich te nemen, en zich zeer beleedigd getoond, omdat
haar aanbod werd afgeslagen. Andere vrienden deelden de Marches mee,
dat ze alle kans verloren hadden op een legaat van de oude rijke dame,
maar de onbaatzuchtige Marches hadden geantwoord:
"Wij kunnen onze meisjes niet afstaan; voor geen dozijn legaten. Rijk
of arm, we blijven bij elkaar en zullen samen gelukkig zijn."
Geruimen tijd wilde de oude dame niet tegen hen spreken, maar toen ze
Jo op zekeren dag bij een vriendin ontmoette, werd ze getroffen door
een zeker iets in haar grappig gezicht en vrije manieren en stelde ze
voor haar als gezelschapsjuffrouw te nemen. Dit viel volstrekt niet
in Jo's smaak, maar ze nam de betrekking aan, omdat zich niets beters
voordeed, en, tot ieders verbazing kon ze het zeer goed vinden met
haar oploopende bloedverwant. Nu en dan had er wel een stormachtig
tooneel plaats, en eens zelfs was Jo thuisgekomen met de verklaring,
dat ze het niet langer kon uitstaan, maar Tante March draaide altijd
gauw weer bij en verzocht haar nichtje met zulk een aandrang te willen
terugkomen, dat ze niet kon blijven weigeren, want in haar hart hield
ze veel van de oude, snibbige dame.
Ik geloof eigenlijk, dat de ware aantrekkingskracht zat in een groote
bibliotheek, die sinds den dood van Oom March een prooi geworden was
van stof en spinnen. Jo herinnerde zich den ouden, vriendelijken heer
nog zeer goed, die haar van zijn groote woordenboeken spoorwegen en
bruggen liet bouwen, haar vertelseltjes vertelde over de wonderlijke
plaatjes in zijn Latijnsche boeken, en lekkers voor haar kocht,
telkens als hij haar op straat tegenkwam. De sombere, stoffige kamer,
waar de bustes haar van de hooge boekenkasten aanstaarden, de globes,
maar vooral de onafzienbare massa boeken, waarin ze zich naar hartelust
kon begraven, maakten de bibliotheek een paradijs voor haar. Zoodra
deed Tante March niet haar dutje of kreeg ze bezoek, of weg vloog
Jo naar dat rustige plekje, nestelde zich in den grooten stoel, en
verslond dichtwerken, romans, geschiedboeken, reisbeschrijvingen en
plaatwerken, als een echte boekworm. Maar ook dat geluk duurde als
naar gewoonte niet heel lang; Jo kon er zeker van zijn, dat zoodra ze
het beslissend punt in een roman, het aandoenlijkste couplet in een
lied, of het gevaarlijkste avontuur van haar reiziger genaderd was,
een schrille stem zou roepen:
"Jose-phine! Jose-phine!" en dan moest ze haar Eden verlaten om
wol te winden, den poedel te wasschen, of urenlang uit "Belsham's
Verhandelingen" voor te lezen.
Jo's eerzucht ging er naar uit, iets groots te doen; ze kon zelf
niet zeggen wat, maar ze liet het aan den tijd over dit te openbaren,
en inmiddels bestond haar grootste verdriet hierin, dat ze niet naar
hartelust kon lezen, loopen en beweging nemen. Een driftig humeur,
een scherpe tong en een rustelooze geest brachten haar telkens
in moeilijkheden, en haar leven bestond uit vallen en opstaan,
aandoenlijk en grappig tegelijk. Maar de oefenschool, die ze bij
Tante March doormaakte, was juist wat ze noodig had, en de gedachte
dat ze iets deed voor haar eigen onderhoud maakte haar gelukkig,
in spijt van het onophoudelijk: "Jose-phine!"
Bets was te teer en te verlegen om naar school te gaan; er was een
proef mee genomen, maar ze had zooveel geleden, dat men het had moeten
opgeven; ze leerde nu thuis bij haar vader. Zelfs na zijn vertrek, en
terwijl haar moeder geroepen was om haar beste krachten te wijden aan
een vereeniging tot hulp en ondersteuning van de militairen te velde,
ging Bets trouw alleen voort en deed haar uiterste best. Ze was een
huishoudelijk schepseltje en hielp Hanna het huis netjes en gezellig
houden voor de werkende leden van het gezin, zonder ooit eenige andere
belooning te wenschen dan de liefde der haren. De dagen waren lang en
stil voor haar, maar werden niet eenzaam of in ledigheid doorgebracht,
want haar kleine wereld was bevolkt met denkbeeldige vrienden en
ze was van nature een werkzaam bijtje. Elken morgen moesten er zes
poppen opgenomen en aangekleed worden, want Bets was nog een kind en
hield nog evenveel als vroeger van haar lievelingen, al was geen van
de zes ook meer gaaf of mooi; het waren allemaal afgedankte invaliden,
want toen haar zusters te groot waren geworden voor die liefhebberij,
gingen ze op haar over, omdat Amy nooit iets wilde hebben, dat oud en
leelijk was. Bets vertroetelde ze juist om die reden en richtte een
hospitaal op voor gebrekkige poppen. Nooit stak ze een speld in hun
katoenen ledematen, nooit hoorden ze een onvriendelijk woord of werden
ze geslagen; het hartje van de meest terugstootende zelfs werd nooit
gekrenkt door verwaarloozing, maar allen werden met onuitputtelijke
teederheid gevoed en gekleed, verzorgd en geliefkoosd. Eén zwerveling
uit het poppendom had aan Jo toebehoord, en was, na een stormachtig
leven in de prullemand terecht gekomen, uit welk somber armhuis
ze bevrijd werd door Bets en naar het hospitaal gebracht. Daar de
stakkerd haar achterhoofd kwijt was, zette Bets haar een lief klein
mutsje op, en daar de armen en beenen in den slag waren gebleven,
wikkelde ze haar in een deken, om dit gebrek voor aller oogen te
bedekken, terwijl ze haar beste kribje aan deze kwijnende zieke
afstond. Indien iemand getuige was geweest van de zorg, aan dit popje
besteed, zou het zeker zijn hart getroffen hebben, al wekte het ook
tegelijkertijd den lachlust op. Bets bracht haar kleine bouquetjes,
las haar voor, ging met haar in de lucht, warm ingestopt onder haar
mantel, zong wiegeliedjes voor haar, en zou nooit naar bed gaan, zonder
een kus te drukken op het verveloos gezichtje en zacht te fluisteren:
"Ik hoop, lieveling, dat je een goeien nacht zult hebben."
Bets had haar moeilijkheden zoo goed als de anderen, en daar zij geen
engel was, maar een zeer menschelijk klein meisje, schreide ze dikwijls
een deuntje, zooals Jo zei, omdat ze geen muziekles en geen mooie
piano kon krijgen. Ze hield zooveel van muziek, deed zoo haar best
om vooruit te komen en studeerde zoo gelukkig op het rammelende oude
instrument, dat de een of ander (om niet van Tante March te spreken)
haar waarlijk wel helpen mocht.
Maar niemand deed het, en niemand zag hoe Bets, wanneer ze alleen
was, de tranen afwischte van de gele oude toetsen, die zoo ontstemd
waren. Ze deed haar werk zingend als een kleine leeuwerik, was nooit
te vermoeid om voor Moeder en de meisjes te spelen, en zei telkens
weer opnieuw hoopvol tot zichzelve: "Ik weet, dat ik mettertijd mijn
muziek nog eens krijgen zal, als ik maar goed oppas."
Er zijn veel van die Betsy's in de wereld, verlegen en stil in een
hoekje verscholen, tenzij men ze noodig heeft, en zoo opgeruimd zich
zelf vergetend voor anderen, dat niemand hun opofferingen ziet, totdat
de kleine krekel aan den haard ophoudt met zingen en de liefelijke
zonnige verschijning verdwijnt, stilte en schaduw achterlatend.
Als iemand aan Amy gevraagd had, wat de grootste beproeving van haar
leven was, zou ze zonder aarzelen geantwoord hebben: "Mijn neus." Toen
ze nog heel klein was, had Jo haar bij ongeluk in het kolenhok laten
vallen, en Amy hield vol, dat die val voor altijd haar neus bedorven
had. Hij was niet dik of rood, alleen maar een beetje stomp, en al het
knijpen ter wereld kon hem geen sierlijke punt geven. Niemand dan zij
zelf vond het bizonder betreurenswaard, en het lichaamsdeel deed zijn
best te groeien, maar Amy gevoelde diep het gemis van een Grieksch
neusje, en teekende vellen vol mooie exemplaren om zich te troosten.
"De klein Raphaël," zooals de zusjes haar noemden, had een bepaald
talent voor teekenen, en was niet gelukkiger dan wanneer ze bloemen
copieerde, of verhaaltjes met allerlei zonderlinge plaatjes kon
versieren. Dikwijls klaagden haar onderwijzers er over dat ze in plaats
van haar sommen te maken, haar lei vol teekende met dieren; de witte
bladen van haar atlas gebruikte ze om kaarten op na te teekenen en de
bespottelijkste caricaturen fladderden op een ongelukkig oogenblik
uit al haar boeken. Ze rolde zoo goed ze kon door haar lessen, en
wist aan straf te ontkomen door een voorbeeldig goed gedrag. Daar ze
een goed humeur had, en de gelukkige gave bezat te behagen, zonder er
moeite voor te doen, was ze de lieveling van al haar kennisjes. Haar
kleine gemaaktheden en pedanterieën werden zeer bewonderd, evenals
haar talenten, want behalve teekenen, kon zij twaalf stukjes spelen,
aardig handwerken en Fransch lezen, zonder meer dan twee derde der
woorden verkeerd uit te spreken. Daarbij kon ze op zoo'n droevigen
toon zeggen: "Toen Papa rijk was, deden wij zoo en zoo," dat het
heusch aandoenlijk klonk; en de meisjes op school vonden haar lange
woorden wel wat driftig, maar toch "leuk".
Men was mooi op weg Amy te bederven, want iedereen vertroetelde
haar, en de kiemen van ijdelheid en zelfzucht ontwikkelden zich
voorspoedig. Er was echter iets dat die ijdelheid beteugelde; Amy moest
de kleeren van haar nichtje afdragen. Nu had Florence's mama volstrekt
geen smaak, en Amy vond het vreeselijk, dat ze een rooden, in plaats
van een blauwen hoed moest opzetten, bij jurken die haar niet kleurden,
en akelig mooie boezelaars, die haar niet pasten. Alles was goed,
netjes gemaakt en weinig versleten, maar Amy's kunstenaarsoog werd
pijnlijk aangedaan, vooral dezen winter, nu haar schoolpak bestond
uit een donker paarse jurk met gele moesjes en zonder eenig garneersel.
"Mijn eenige troost is, dat Moeder tenminste geen opnaaisels in mijn
jurken doet, telkens als ik ondeugend ben, zooals de moeder van Mary
Park," zei ze met tranen in de oogen tegen Meta. "O, dat is wezenlijk
iets verschrikkelijks; want Mary is soms zoo brutaal geweest, dat haar
jurk tot boven haar knieën komt en ze niet naar school durft. Als ik
aan zoo'n _deggeradatie_ denk, heb ik nog liever mijn platten neus
en mijn paarse jurk met gele stippen."
Meta was Amy's vertrouwde en raadsvrouw, en door de wonderlijke
aantrekkingskracht die er dikwijls tusschen twee tegenovergestelde
naturen bestaat, was Jo die van de zachte, vriendelijke Bets. Alleen
aan Jo vertelde het schuwe kind haar gedachten, en zonder het te
weten oefende ze op haar groote, wilde zuster meer invloed uit, dan
eenig ander lid van het gezin. De twee oudste meisjes waren veel voor
elkander, maar beide namen een van de jongere onder hun bescherming
en zorgden er voor op hun manier; "bemoederden" ze, zooals ze het
noemden, en gaven de zusjes de plaats der onttroonde poppen, met het
moederlijk instinct van aankomende meisjes.
"Heeft niemand iets te vertellen? 't Is zóó'n saaie dag geweest,
dat ik naar een opvroolijking verlang," zei Meta, toen ze 's avonds
bij elkaar zaten te naaien.
"Ik heb nogal een grappigen dag bij Tante gehad, en ik trok vandaag
aan 't langste eind," begon Jo, die heel graag vertelde. "Ik moest
natuurlijk uit dien eindeloozen Belsham lezen, en dreunde maar voort,
zooals gewoonlijk, want Tante valt gauw in slaap, en dan haal ik
het een of ander mooi boek voor den dag en lees als een bezetene,
totdat ze wakker wordt. Vandaag werd ik er zelf slaperig van, en
voor dat ze nog begon te knikkebollen, gaapte ik zoo hoorbaar, dat ze
mij vroeg, wat ik er mee bedoelde mijn mond zoo wijd open te zetten;
't was of ik het heele boek wel zoo wou opslokken.
"Ik wou dat ik het kon, dan was ik er af," zei ik met een ernstig
gezicht.
"Jullie begrijpt, toen kreeg ik een lange preek over mijn verkeerdheden
en raadde ze me aan er eens stil over te blijven nadenken, terwijl zij
zich eens voor een oogenblikje "van binnen zou gaan bekijken." Nou,
dat "oogenblikje" duurt gewoonlijk nogal heel lang, en zoodra ik dus
haar muts zag heen en weer wiebelen als een topzware dahlia, haalde ik
"De predikant van Wakefield" uit mijn zak, en las zoo vlug ik kon,
met één oog op hem en één op Tante. Ik was juist gekomen, tot waar
de heele familie in 't water valt, toen ik hardop begon te lachen. Ik
_dacht_ niet meer aan Tante, dat snap je! Ze werd wakker, maar bleek
na haar slaapje wat beter gehumeurd, commandeerde me, haar een eindje
voor te lezen en eens te laten zien, welk beuzelachtig boek ik de
voorkeur gaf boven den waardigen en leerzamen Belsham. Ik deed mijn
uiterste best en 't beviel haar puik, maar ze zei niets anders dan:
"Ik begrijp niet waar dat allemaal over is; begin nog eens van voren
af aan, kind!"
Ik begon opnieuw en maakte de Primroses zoo belangwekkend
mogelijk. Toen 't haar juist erg boeide, hield ik midden in een passage
op en zei zachtzinnig: "Ik ben bang, dat het u vervelen zal, Tante;
wil ik nu maar uitscheiden?"
Ze nam haar breiwerk op, dat ze had laten vallen, keek mij heel scherp
aan door haar bril en zei kortaf:
"Lees het hoofdstuk uit en wees niet brutaal, jongejuffrouw."
"Erkende ze later, dat ze 't mooi vond?" vroeg Meta.
"Wel neen! maar ze liet den ouden Belsham gelukkig rusten, en toen ik
van middag terugkwam om mijn handschoenen, zat ze weer zoo verdiept
in haar lievelingsschrijver, dat ze niet eens hoorde, hoe ik in de
gang liep te springen en te dansen, uit blijdschap over den goeden
tijd, die ophanden is. Wat zou ze een plezierig leven kunnen hebben,
als ze maar wou. Ik benijd haar niets, al heeft ze ook nog zooveel
geld, want alles wel beschouwd, hebben rijke menschen bijna evenveel
moeilijkheden als arme, geloof ik," voegde Jo er philosofisch bij.
"Nu schiet mij ook iets te binnen om te vertellen," zei Meta. "Het is
niet zoo leuk, als dat van Jo, maar ik heb er op mijn terugwandeling
over loopen denken. Bij de Kings vond ik vandaag alles van
streek, en een van de kinderen zei, dat haar oudste broer iets heel
verschrikkelijks had gedaan en dat Papa hem weggejaagd had. Ik hoorde
mevrouw King schreien en mijnheer King heel hard spreken, en Grace
en Ellen keerden hun gezicht af, toen ze mij voorbijgingen, om niet
te laten zien hoe rood hun oogen waren. Ik vroeg natuurlijk naar
niets; maar 't speet me zoo voor hen allemaal, en ik was eigenlijk
blij, dat ik geen broer had, die slechte dingen deed en de familie
onteerde. Ontzettend lijkt me dat."
"Nu maar, ik vind, op school te pronk gezet te worden ook iets
ontzettends," zei Amy en schudde haar hoofd, alsof haar ondervinding
in het leven al bijzonder treurig was. "Susie Perkins kwam van
morgen op school met een beelderig ringetje aan, met een donkerrood
steentje. Ik wou het vreeselijk graag hebben, en dacht maar al: hè,
'k wou dat ik Susie was! Maar later teekende ze een portret van meneer
Davis, met een monsterachtigen neus en een bochel, en de woorden:
"Jonge dames, mijn oog is op u gevestigd," kwamen uit zijn mond
in een soort van ballon. Wij stikten er om, maar opeens _was_ zijn
oog op ons gevestigd, en schreeuwde hij Susie toe, hem haar lei te
brengen. Ze was _geparalitizeerd_ van schrik, maar ging toch en o,
wat denk jullie, dat hij deed? Hij trok haar bij een oor, verbeeld
je! is het niet verschrikkelijk en duwde haar onder het bord, waar
ze een half uur moest blijven staan en haar lei zóó voor zich houden,
dat iedereen de teekening zien kon."
"Moesten de meisjes niet onbedaarlijk lachen?" vroeg Jo, die erg veel
schik had in het geval.
"Lachen! geen een, ze zaten zoo stil als muizen en Susie schreide
vreeselijk, dat kan ik je wel zeggen. Ik benijdde haar toen heusch
niet meer, want ik geloof, dat zelfs duizend gouden ringetjes mij
na zooiets niet meer gelukkig zouden hebben gemaakt. Nooit, nooit
zou ik zoo'n vernederenden morgen hebben kunnen doorkomen," en Amy
naaide weer voort, in het trotsch bewustzijn van haar braafheid en
het gelukkig ten einde brengen van zoo'n sierlijke zinsnede.
"Ik heb heelemaal vergeten aan tafel te vertellen, wat ik van morgen
voor aardigs gezien heb," kwam nu ook Bets uit den hoek, terwijl
ze al pratende Jo's rommelig mandje opruimde. "Toen ik voor Hanna
oesters ging halen, was mijnheer Laurence in den vischwinkel, maar
hij zag me niet, want ik stond achter een ton en hij was bezig met
Cutter, den vischboer. Toen kwam er een arme vrouw met een emmer en
luiwagen en vroeg Cutter, of ze de straat mocht schrobben voor wat
visch, omdat ze geen eten had voor haar kinderen en haar werk was
misgeloopen. Cutter had haast en zei nogal knorrig: "Neen," en ze wou
al hongerig en bedroefd weggaan, maar toen schoof mijnheer Laurence
haar met zijn wandelstok een grooten visch toe. 't Arme menschje was
zoo blij en verbaasd, dat ze den visch in haar arm nam en mijnheer
wel tienmaal bedankte. Hij zei, dat ze nu maar gauw heen moest gaan
en den visch dadelijk koken; en toen liep ze dolblij, op een drafje,
naar huis. Aardig van hem, hè? O, ze zag er zoo grappig uit, toen
ze dien grooten, glibberigen visch zoo aan haar hart drukte en zei,
dat mijnheer Laurence er den hemel aan had verdiend."
Toen allen over Bets' verhaal waren uitgepraat, vroegen de meisjes
of Moeder niets beleefd had en na een oogenblik nadenkens begon
Mevrouw March:
"Terwijl ik van morgen blauw baaien borstrokken zat te knippen in
het magazijn, voelde ik me ongerust over Vader, en dacht er over
hoe eenzaam en bedroefd we toch zouden zijn, als hem eens iets
overkwam. Dat was nu wel niet heel wijs van me, maar ik bleef aan
het tobben, totdat er een oud man binnenkwam met een briefje voor
enkele dingen. Hij ging dicht bij me zitten en ik sprak hem eens toe,
want hij zag er zoo arm en vermoeid en bezorgd uit.
"Heb je zoons in 't leger?" vroeg ik, want het briefje, dat hij bracht,
was niet voor mij.
"Ja mevrouw," vertelde de man, ik had er vier, maar er zijn er al
twee doodgeschoten en één zit gevangen, en nu ga ik den vierden eens
opzoeken. Die ligt hard ziek in een hospitaal in Washington."
"Je hebt wel veel voor je vaderland over gehad," zei ik, en ik voelde
nu eerder hoogachting dan medelijden.
"Geen zier meer dan ik moest, mevrouw. Ik zou zelf gaan, als ik maar
iets waard was; omdat ik het niet ben, geef ik mijn jongens, en ik
geef ze van heeler harte."
"Hij sprak zoo opgeruimd, keek me zoo oprecht aan, en scheen zoo
gelukkig, dat hij zijn alles geven kon, dat ik mij over mijzelf
schaamde. Ik had maar één man gegeven en vond het veel, terwijl hij
er vier gaf zonder morren; ik had al mijn dochtertjes thuis om mij
te troosten, en zijn laatste zoon wachtte mijlen ver op hem, om hem
misschien voor altijd vaarwel te zeggen. Ik voelde mij zoo rijk, zoo
gelukkig, toen ik mijn voorrechten overdacht, dat ik een flink pakje
voor hem maakte, hem wat geld gaf en hem hartelijk dankte voor de les,
die hij me gegeven had."
"Vertel nog eens wat, Moeder, zoo'n soort verhaal, als dit. Ik denk
er graag later nog eens over na, als het wezenlijk gebeurd en niet
te preekachtig is," zei Jo, na een oogenblik van algemeen stilzwijgen.
Mevrouw March glimlachte en begon terstond, want ze had sinds jaar
en dag vertelseltjes verteld aan dit kleine gezelschap, en wist,
hoe ze bezig te houden.
"Er waren eens vier meisjes, die alles bezaten, wat ze noodig hadden;
kleeren, eten en drinken in overvloed, tal van gemakken en genoegens,
lieve vrienden en ouders, die ze innig liefhadden, en toch waren ze
niet tevreden. (Hier wierpen de hoorderessen elkander steelsgewijze
blikken toe en begonnen ijverig te naaien). Deze meisjes verlangden
niets liever dan goed te zijn en namen veel flinke besluiten, maar--ze
kwamen ze niet al te best na en zeiden gedurig: "Als wij dit maar
hadden," of: "Als we dat maar konden doen," heelemaal vergetende,
hoeveel ze al hadden, en hoeveel prettige dingen ze toch al konden
doen; daarom vroegen ze eens aan een oude vrouw, of ze hun niet een
toovermiddeltje kon geven om zich gelukkig te voelen, en het oudje
antwoordde: zoodra als je ontevreden bent, denk dan eens na, over je
zegeningen, en weest dankbaar." (Hier keek Jo plotseling op, alsof
ze iets wilde zeggen, maar ze veranderde van gedachte, toen ze zag,
dat het verhaal nog niet uit was).
"Daar ze verstandige meisjes waren, besloten ze haar raad op te
volgen en weldra waren ze verbaasd over de goede uitwerking. De eene
ontdekte, dat geld niet bij machte is schande en droefheid uit de
huizen der rijken te bannen; een andere, dat zij, hoewel arm, vrij
wat gelukkiger was door haar jeugd, gezondheid en opgeruimd humeur,
dan zekere knorrige, zwakke, oude dame, die niet genieten kon van haar
schatten; een derde dat, hoe onaangenaam het ook wezen mocht het eten
te helpen klaarmaken, 't nog veel harder was er om te moeten bedelen,
en de vierde, dat zelfs gouden ringetjes niet zooveel waard zijn als
een goed gedrag. Daarom sloten ze een verbond, niet langer te klagen,
maar te genieten van het geluk dat ze hadden en te trachten zich dat
waardig te maken; en ik geloof, dat ze nooit teleurgesteld werden of
berouw kregen, dat ze den raad van die oude vrouw hadden opgevolgd."
"Moeder, Moeder, dát is ondeugend van u, om onze eigen verhalen als
een wapen tegen ons te gebruiken en ons een preek te geven, in plaats
van een lang verhaal," riep Meta.
"Ik houd wel van dat soort van preeken; ze lijken op die van Vader,"
zei Bets, terwijl ze peinzend de spelden op Jo's kussentje gelijk stak.
"Ik klaag niet _half_ zooveel als de anderen, en ik zal nu meer dan
ooit mijn best doen, want ik heb een waarschuwing gehad door Susie,"
zei Amy op zedigen toon.
"We hadden het lesje noodig en zullen het niet vergeten. _Als_ we het
soms doen, moet u maar tegen ons zeggen, wat Tante Chloe in de negerhut
zei: "Denk aan je voorrechten, kinders, denk aan je voorrechten,"
voegde Jo er bij, die, al zou het haar ook haar leven gekost hebben,
niet nalaten kon uit de kleine preek een grapje te halen, hoewel ze
die even goed ter harte nam als de anderen.
HOOFDSTUK V.
GOEDE BUREN.
"Wat ter wereld ga je nu doen, Jo?" vroeg Meta op een sneeuwachtigen
middag, toen haar zuster de gang door kwam stappen, met overschoenen
aan, een ouden mantel om, een versleten hoed op het hoofd, een bezem
in de eene hand en een schop in de andere.
"Buiten wat bewegingen nemen," antwoordde Jo met van ondeugendheid
flikkerende oogen.
"Ik zou denken, dat twee lange wandelingen per dag genoeg waren. Het
is koud en akelig buiten, en ik raad je, liever warm en droog bij
't vuur te blijven, zooals ik van plan ben," zei Meta huiverend.
"Ik volg nooit iemands raad op, ik kan niet den heelen dag stilzitten,
en omdat ik nu eenmaal geen poes ben, houd ik er niet van bij het
vuur te zitten dommelen. Ik houd van avonturen, en ik ga ze opzoeken."
Meta ging weer in de kamer om haar voeten te roosteren en "Ivanhoe"
te lezen, en Jo toog met grooten ijver aan 't werk. De sneeuw lag
niet hoog en met haar bezem had zij gauw een pad schoon geveegd, de
heele lengte van den tuin, zoodat Bets, als de zon doorkwam, zou kunnen
wandelen, want de zieke poppen hadden behoefte aan frissche lucht. Het
huis der familie March grensde aan dat van den heer Laurence; beide
lagen in een der buitenwijken, waar het nog landelijk was, met boschjes
en laantjes, groote tuinen en stille straten, en een lage heg scheidde
de twee eigendommen. Aan de eene zijde stond een oud, bruin huis,
dat er wel wat kaal en armoedig uitzag, nu het beroofd was van de
dichte wijngaard-blâren, die in den zomer zijn muren bedekten,
en van de bloemen, die het dan omgaven; aan de andere zijde een
statig steenen gebouw, dat duidelijk de kenteekenen droeg van gemak
en weelde: van het groote koetshuis en den goed onderhouden tuin af,
tot de serre toe, terwijl men hier en daar tusschen de zware gordijnen
door, een kijkje kon nemen van de weelde daar binnen. Toch scheen het
een eenzaam, uitgestorven soort van huis, want geen kinderen stoeiden
op het grasveld, geen moederlijk gelaat glimlachte ooit achter de
vensters en zelden ging er iemand in of uit, behalve de oude heer en
zijn kleinzoon.
Voor Jo's levendige verbeelding scheen de mooie villa een soort van
betooverd paleis, vol heerlijke, wonderlijke dingen, waarvan niemand
genoot. Ze had er al lang naar gehunkerd deze verborgen pracht eens
te zien en "die jongen van hiernaast" te leeren kennen, die er wel
naar uitzag, alsof hij kennis wilde maken, als hij maar wist hoe te
beginnen. Sedert de partij was ze begeeriger dan ooit geweest en had
ze menig plan gemaakt om vriendschap met hem te sluiten; maar in den
laatsten tijd scheen hij nooit voor den dag te komen, zoodat Jo al
begon te denken, dat hij weg was, toen ze op zekeren dag voor een
der bovenvensters, een gebruind gezicht zag verschijnen, dat met
verlangende oogen naar hun tuin tuurde, waar Bets en Amy elkander
met sneeuwballen gooiden.
"Die jongen snakt naar gezelschap en vroolijkheid," zei ze tot zich
zelf. "Zijn grootvader weet niet wat goed voor hem is en houdt hem
eenzaam opgesloten. Hij heeft behoefte aan een troep jongens om mee
te spelen, of aan iemand die jong en vroolijk is. Ik heb grooten lust
eens over te wippen en dat aan den ouden heer te gaan vertellen."
Dat denkbeeld vatte post bij Jo, die graag waagstukken volbracht en
Meta altijd ergerde door haar wonderlijke bedenksels. Het plan om "over
te wippen" werd niet vergeten, en toen de sneeuwmiddag kwam, besloot
Jo eens te probeeren wat ze kon doen. Zoodra ze mijnheer Laurence zag
wegrijden, stapte ze naar buiten om een pad tot aan de heg te maken,
waar ze even rust hield en eens rondkeek. Alles was stil, de gordijnen
beneden waren neergelaten, de bedienden niet te zien, en nergens iets
te bekennen, behalve een donker hoofd voor een der bovenramen.
"Daar is hij," dacht Jo, "arme jongen! heelemaal alleen en ziek op
zoo'n somberen dag. Het is schande! Ik zal een sneeuwbal naar boven
gooien, dan zal hij wel eens kijken, en dan zal ik hem eens een
vriendelijk woordje toeroepen."
Een stevige bal vloog de lucht in, en het hoofd keerde zich dadelijk
om en vertoonde een gezicht, dat onmiddellijk begon te glimlachen. Jo
knikte, lachte terug en riep, zwaaiend met haar bezem:
"Hoe gaat het? Ben je ziek?"
Laurie schoof het raam op en riep met een schorre stem:
"Wat beter, dank je. Ik ben geweldig verkouden geweest en heb een
week huisarrest gehad."
"Dat spijt me. Wat voer je uit?"
"Niks, 't is hier zoo stil als in een graf."
"Lees je niet?"
"Niet veel; ze willen het niet hebben."
"Kan niemand je voorlezen?"
"Grootpapa doet het soms, maar hij vindt mijn boeken vervelend en ik
heb er een hekel aan, het altijd aan Brooke te vragen."
"Is er dan niemand, die je eens komt opzoeken?"
"Er is niemand, dien ik graag zou willen zien. Jongens maken zoo'n
kabaal en ik heb erge hoofdpijn."
"Is er niet het een of ander aardig meisje, dat je zou willen
voorlezen en gezelschap houden? Meisjes zijn stil en spelen graag
voor ziekenoppasster."
"Ik ken er geen een."
"Je kent mij toch!" begon Jo lachend en zweeg toen.
"Dat is waar! Wil jij komen?" riep Laurie.
"_Ik_ ben toevallig _niet_ stil en aardig, maar ik wil wel komen,
als Moeder 't goedvindt. Ik zal 't haar even vragen. Doe het raam nu
weer dicht als een brave jongen en wacht tot ik kom."
Met die woorden nam Jo den bezem op haar schouder en wandelde naar
huis, in nieuwsgierige afwachting, wat de anderen wel tegen haar
zeggen zouden. Laurie, wat opgewonden bij de gedachte, dat hij bezoek
zou krijgen, vloog rond om alles in orde te maken; want hij was,
zooals mevrouw March het uitdrukte, "een heertje", en ter eere van
de verwachte gast, borstelde hij zijn haar glad, deed hij een schoon
boord om, en begon hij de kamer op te ruimen, die er, ondanks een
half dozijn dienstboden, alles behalve netjes uitzag. Na een poosje
werd er haastig aan de bel getrokken en een flinke stem vroeg naar
"mijnheer Laurie", waarop een verbaasde dienstbode naar boven liep
om een jonge dame aan te dienen.
"In orde, laat haar maar boven komen, 't is juffrouw Jo," zei Laurie
en ging Jo tot aan de deur van zijn kleine zitkamer te gemoet. De
bezoekster zag er blozend en vriendelijk uit en was volmaakt op haar
gemak; in de eene hand hield ze een dekschaaltje en in de andere Bets'
drie kleine katjes.
"Hier ben ik met pak en zak," zei ze vroolijk. "Moeder laat je
vriendelijk groeten en was heel blij, dat ik iets voor je kon
doen. Meta wou, dat ik wat blanc manger meenam; ze heeft ze zelf zoo
lekker klaargemaakt, en Bets dacht, dat je haar katjes wel aardig
zou vinden. Ik wist wel, dat je er om lachen zou, maar ik kon het
haar niet weigeren, ze wou zoo graag iets voor je doen."
Het toeval wilde, dat Bets' pleegkinderen juist van pas kwamen, want
Laurie vergat al lachende om de jolige jonge poesen zijn verlegenheid
en was dadelijk heel gezellig.
"Dat ziet er te lekker uit om op te eten," zei hij glimlachend, toen
Jo het deksel van het schaaltje nam en den blanc manger vertoonde,
omgeven door een krans van groene blaadjes en de vuurroode bloemen
van Amy's lievelings-geranium.
"Het is niet veel bijzonders, maar ze waren allemaal even
vriendschappelijk gestemd en wilden dat ook graag toonen. Zeg
aan de meid, dat ze het bewaart voor van avond bij de thee; er is
niets scherps in, zoodat j'er gerust van kunt eten; 't is een echt
ziekenkostje en glijdt gemakkelijk naar binnen, zonder je pijnlijke
keel zeer te doen. Wat is dit een gezellige kamer."
"Dat zou hij kunnen zijn, als 't hier maar wat netter was, maar de
meiden zijn lui, en ik weet niet hoe ik het aan moet leggen om te
maken, dat ze den boel onderhouden; 't is vervelend."
"Ik zal 't binnen een paar minuten in orde brengen; want er mankeert
niets aan, dan dat het om den haard wat aangestoft moet worden, zoo--en
nu de ornamenten recht op den schoorsteen,--zoo en de boeken hier en de
fleschjes daar, en je canapé met den rug naar het licht en de kussens
een beetje opgeschud. Ziezoo, nu is het prettig."--En dat was waar,
want al lachend en pratend had Jo de dingen op hun plaats gezet en de
kamer een heel ander aanzien gegeven. Laurie keek in eerbiedige stilte
naar haar; en toen ze hem uitnoodigde op de canapé te gaan zitten,
zette hij zich met een zucht van voldoening neer en zei dankbaar:
"Dank je wel! Ja, dat ontbrak er aan. Neem nou als t' je belieft dien
grooten stoel en laat ik iets doen om mijn gast te amuseeren."
"Neen, ik kwam juist om jou te amuseeren. Zal ik iets voorlezen?" en Jo
keek verlangend naar een stapeltje uitlokkende boeken in de nabijheid.
"Dank je, ik heb ze allemaal al gelezen en als je 't goedvindt zou
ik liever wat praten," antwoordde Laurie.
"Heel goed, ik kan den heelen dag wel praten, als je me maar aan den
gang brengt. Bets zegt, dat ik nooit weet op te houden."
"Is Bets niet het meisje met de roode wangen, dat veel thuis blijft
en soms uitgaat met een mandje?" vroeg Laurie belangstellend.
"Ja, dat is Bets, ze is mijn lievelingetje en een echte dot."
"De mooie is Meta, en de kleine met de krullen Amy, is 't niet?"
"Hoe ben je dat te weten gekomen?"
Laurie bloosde, maar antwoordde oprecht: "Och, zie je, ik hoor jullie
dikwijs elkaar roepen, en als ik hier boven alleen ben, kan ik niet
nalaten naar je huis te kijken; jullie schijnt altijd zooveel pret
te hebben. Neem me niet kwalijk, dat ik zoo gegluurd heb, maar je
vergeet soms wel eens het gordijn te laten vallen voor het raam, waar
de bloemen staan, en als de lamp dan aangestoken is, lijkt het precies
een plaatje: het vuur en jullie allemaal om de tafel met je moeder;
ze zit met haar gezicht hier naar toe en ze ziet er zoo vriendelijk
uit achter die bloemen, dat ik niet kan laten er naar te kijken. Ik heb
geen moeder zooals je weet," en Laurie pookte in het vuur om een lichte
trilling van zijn lippen, die hij niet kon bedwingen, te verbergen.
De droefgeestige, hongerige blik in zijn oogen vond rechtstreeks den
weg naar Jo's warm hart. Ze was zoo eenvoudig opgevoed, dat er geen
oogenblik dwaze gedachten in haar hoofd kwamen en ze op vijftienjarigen
leeftijd even onschuldig en open was als een kind. Laurie was ziek
en eenzaam; en gevoelende hoe rijk zij was aan huiselijk geluk en
onderlinge liefde, wilde ze dien schat graag met hem deelen. Haar
donkere oogen keken heel vriendelijk en haar scherpe stem klonk
ongewoon zacht, toen ze zei:
"We zullen dat gordijn nooit meer dicht doen, en ik geef je permissie
zooveel te gluren als je wilt. Maar ik zou veel liever willen, dat je
in plaats van naar ons te zitten kijken, ons eens kwam opzoeken. Moeder
zou zoo hartelijk voor je zijn, en Bets kon voor je zingen, als ik
het haar vroeg en Amy dansen; Meta en ik zouden je aan 't lachen
kunnen maken met onze gekke vertooningen en zoo konden we samen een
dolprettigen tijd hebben. Zou je grootvader het goed vinden?"
"Ik denk het wel, als je moeder het hem vroeg. Grootpapa is heel
aardig, al ziet hij er niet naar uit, en hij laat me vrij wel doen wat
ik wil; hij is alleen maar bang, dat ik lastig zou zijn voor vreemden,"
zei Laurie opgevroolijkt.
"Wij zijn geen vreemden, wij zijn buren, en je hoeft nooit te denken,
dat het ons lastig zou zijn. Wij _verlangen_ er naar dat je komt;
ik heb al zoo vaak geprobeerd kennis te maken. We wonen hier nog niet
lang, maar we kennen toch al onze buren, behalve jullie."
"Ja, zie je, Grootpapa leeft in zijn boeken, en geeft niet veel om
de buitenwereld. Mijnheer Brooke, mijn gouverneur, woont hier niet
in huis, en ik heb niemand om met mij te loopen, dus blijf ik maar
thuis en breng, zoo goed en zoo kwaad het kan, mijn tijd door."
"Wat saai. Je moest het maar eens wagen om overal, waar je gevraagd
wordt, een visite te gaan maken; dan zou je een massa vrienden krijgen
en gelegenheid hebben om uit te gaan. Je moet j' er niet aan storen, of
je wat verlegen bent; dat zal wel overgaan, als je maar veel uitgaat."
Laurie kreeg weer een kleur, maar werd toch niet boos, dat hij zoo van
verlegenheid beschuldigd werd, want Jo scheen zoo welgezind, dat het
niet mogelijk was haar rondborstige verklaringen anders op te nemen,
dan ze bedoeld waren.
"Ga je op een prettige school?" vroeg hij, van onderwerp veranderend
na een kleine pauze, waarin hij in het vuur had zitten staren en Jo
voldaan had zitten rondkijken.
"Ik ga niet naar school, ik ben een man van zaken, een "meisje" van
zaken, bedoel ik. Ik houd mijn tante gezelschap, een lieve, kribbige,
oude ziel," antwoordde Jo.
Laurie opende zijn mond om nog een andere vraag te doen, maar zich
bijtijds herinnerende, dat het niet beleefd is te veel naar iemands
omstandigheden te informeeren, deed hij hem weer dicht en keek min of
meer verlegen voor zich. Jo vond zijn bescheidenheid heel aardig en
had er niets tegen, tante March tot onderwerp van het gesprek te maken;
ze gaf hem dus een levendige beschrijving van die knorrige oude dame,
haar vetten poedel, de papegaai, die Spaansch sprak, en de bibliotheek,
waarvan ze genoot. Laurie had er veel plezier in, en toen ze hem
vertelde van den deftigen ouden heer, die tante March eens het hof
kwam maken, en hoe Poll hem, in het midden van een teederen volzin,
tot zijn groote ontzetting, zijn pruik had afgerukt, viel de jongen
achterover en lachte totdat de tranen langs zijn wangen liepen, en de
meid haar hoofd binnen de deur stak om te zien wat er aan de hand was.
"Prachtig! Je maakt me heelemaal beter; vertel nog meer als 't je
blieft," zei hij rood en stralend van pret uit de canapékussens
opduikende. Opgewonden door dien bijval, vertelde Jo verder over hun
spelen en plannen, hun hoop en vrees voor vader, en de belangrijkste
gebeurtenissen uit de kleine wereld, waarin de zusjes leefden. Toen
begonnen ze over boeken te praten, en bemerkte Jo tot haar verrukking,
dat Laurie evenveel van lezen hield als zij, en nog meer gelezen had.
"Als je zooveel van boeken houdt, kom dan eens mee naar beneden om
onze bibliotheek te zien. Grootpapa is uit, dus je hoeft niet bang
te zijn," zei Laurie opstaande.
"Ik ben nergens bang voor," antwoordde Jo, trotsch het hoofd
oprichtend.
"Dat geloof ik ook!" riep de jongen haar bewonderend aanziende,
hoewel hij bij zichzelf dacht, dat ze toch alle reden zou hebben
bevreesd te zijn voor den ouden heer, als ze hem in een van zijn
booze buien aantrof.
Daar er in het heele huis een zomersche temperatuur heerschte, leidde
Laurie haar van kamer tot kamer en liet haar rustig alles bekijken
wat haar aandacht trok, tot ze ten laatste bij de bibliotheek kwamen,
waar Jo in de handen klapte en stond te trippelen van plezier, zooals
ze altijd deed, wanneer ze bijzonder opgetogen was. De muren waren
bezet met boekenkasten, er hingen mooie platen, hier en daar stonden
statuetten, en allerliefste kleine kastjes met munten en curiositeiten,
en heerlijke, gemakkelijke stoelen en aardige tafeltjes en bronzen
ornamenten, en het best van alles was een groote open haard, met
ouderwetsche tegels gevoerd.
"Wat is 't hier mooi!" zuchtte Jo en zonk in een uitlokkenden armstoel
neer, met een uitdrukking van de grootste voldoening om zich heen
ziende. "Theodoor Laurence, jij moet wel de gelukkigste jongen op de
wereld zijn," voegde ze er met nadruk bij.
"Och, je kunt niet van boeken alleen leven," zei Laurie, terwijl
hij op een tafel tegenover haar wipte. Eer hij er nog meer kon
bijvoegen, werd er gescheld, en Jo sprong op, verschrikt uitroepend:
"O, hemel! daar is je grootpapa!"
"Nou, wat zou dat? Jij bent immers voor niemand bang," antwoordde
Laurie ondeugend.
"Ik geloof toch, dat ik een beetje bang voor hem ben, al zou ik niet
weten waarom. Moeder zei, dat ik mocht gaan, en ik geloof niet,
dat jij er erger door bent geworden," zei Jo op bedaarden toon,
hoewel ze haar oogen op de deur gevestigd hield.
"Ik voel me veel beter en ben er heel dankbaar voor. Als jij door al
dat praten maar niet moe bent geworden, maar 't was _zoo_ prettig,
dat ik je niet kon laten ophouden," zei Laurie hartelijk.
"Daar is de dokter, jongeheer," en de meid wenkte hem terwijl ze sprak.
"Mag ik je een oogenblikje alleen laten? Ik moet even naar hem toe,"
zei Laurie.
"Bekommer je niet om mij. Ik ben hier zoo gelukkig als een krekel,"
antwoordde Jo. Laurie ging heen en zijn gast vermaakte zich op haar
eigen wijze. Ze stond voor een mooi portret van den ouden heer, toen
de deur weer openging en ze, zonder zich om te keeren, op beslisten
toon zei: "Ik geloof nu zeker, dat ik niet bang voor hem zou zijn,
want hij heeft heel vriendelijke oogen, maar zijn mond is streng,
en hij ziet er uit, of hij een ontzettend vasten wil heeft. Hij is
niet zoo knap als _mijn_ grootvader, maar hij lijkt me aardig."
"Dank u, juffrouw," zei een barsche stem achter haar; en zich
omkeerende, zag ze tot haar grooten schrik den ouden heer Laurence
voor zich staan.
De arme Jo bloosde tot achter de ooren, en haar hart begon geweldig te
kloppen, toen ze bedacht wat ze gezegd had. Een oogenblik overviel
haar een onweerstaanbare begeerte weg te loopen; maar dat was laf
en de meisjes zouden haar uitlachen. Ze besloot dus te blijven,
en zich zoo goed mogelijk uit de verlegenheid te helpen. Een
tweede blik overtuigde haar, dat de levendige oogen onder de dikke,
grijze wenkbrauwen nog vriendelijker waren dan de geschilderde, en
er speelde eene lichte flikkering in, die haar vrees voor een groot
deel wegnam. Maar de barsche stem was barscher dan ooit, toen de oude
heer na een vreeselijke pauze kortaf vroeg:
"Je bent dus niet bang voor me, hè?"
"Niet erg, mijnheer."
"En je vindt me niet zoo knap als je grootvader?"
"Niet precies, mijnheer."
"En ik heb een ontzettend vasten wil, nietwaar?"
"Ik heb alleen maar gezegd, dat ik dat dacht."
"Maar ik lijk je toch wel aardig?"
"Ja, mijnheer."
Dat antwoord beviel den ouden heer. Hij lachte, gaf haar een hand,
en haar bij de kin nemende, lichtte hij haar gezicht op, bezag het
ernstig en liet haar toen weer los, zeggende: "Je aardt naar je
grootvader, al lijkt je dan ook uiterlijk niets op hem. Hij _was_
een knap man, beste meid, maar wat nog beter is, hij was een braaf
en een eerlijk man, en ik was er trotsch op zijn vriend te wezen."
"Dank u, mijnheer," zei Jo en voelde zich van nu af volkomen op haar
gemak, want zooiets viel juist in haar smaak.
"Wat heb je met dien jongen van mij uitgevoerd, zeg?" was de volgende
vraag, op eenigszins scherpen toon gedaan.
"Ik heb alleen geprobeerd hem wat op te beuren, mijnheer," en Jo
vertelde, hoe zij er toe gekomen was hem op te zoeken.
"Je meent dus, dat hij wat vroolijkheid noodig heeft, is 't niet zoo?"
"Ja, mijnheer; hij voelt zich wat eenzaam, geloof ik, en jongens
van zijn leeftijd zouden hem misschien goed doen. Wij zijn maar
meisjes, maar we zouden hem graag helpen, als 't kan, want we zijn het
heerlijke Kerstpresent nog niet vergeten, dat u ons gezonden hebt,"
zei Jo levendig.
"Tut, tut, tut, dat was het werk van den jongen. Hoe gaat het met
die arme vrouw?"
"Dat gaat nogal, mijnheer." Jo stak in zee en sprak heel snel, en
vertelde alles van de Hummels, voor wie haar moeder de belangstelling
van een paar rijke vrienden had opgewekt.
"Dat is juist dezelfde manier, waarop haar vader weldeed. Ik zal uw
moeder eens komen bezoeken. Zeg haar dat. Daar gaat de bel; wij drinken
vroeg thee om Teddy. Ga mee naar beneden en zet de kennismaking voort."
"Als u goed vindt dat ik blijf, mijnheer."
"Anders zou ik het niet vragen," zei mijnheer Laurence en bood haar
met ouderwetsche beleefdheid zijn arm.
"Wat zou Meta hier wel van zeggen?" dacht Jo, terwijl zij naast
Laurie's grootvader voortstapte, en haar oogen dansten van pret bij
de gedachte, hoe ze alles thuis zou vertellen.
"Heila! wat ter wereld bezielt den jongen nu?" riep de oude heer,
toen Laurie de trappen afkwam stormen en met een kreet van verbazing
eensklaps bleef stilstaan, toen hij Jo gearmd zag loopen met zijn
gevreesden grootvader.
"Ik wist niet, dat u thuis was, Grootvader," begon hij, toen Jo hem
zegevierend aanzag.
"Dat schijnt zoo, te oordeelen naar de wijze waarop je de trappen af
rent. Komt, laat ons gaan theedrinken en gedraag je fatsoenlijk," en na
den knaap bij wijze van liefkoozing aan het haar te hebben getrokken,
ging de heer Laurence naar de andere kamer, terwijl Laurie achter
hun rug allerlei dwaze gebaren maakte, die Jo bijna deden uitbarsten
in lachen.
De oude heer zei niet veel onder het uitdrinken van zijn vier kopjes
thee, maar hij sloeg de jongelui gade, die weldra als oude vrienden
zaten te keuvelen, en de verandering in zijn kleinzoon ontging hem
niet. Er was nu kleur, licht en leven op het gelaat van den knaap,
zijn manieren waren levendig en zijn lach klonk echt vroolijk.
"Ze heeft gelijk, de jongen _heeft_ het eenzaam. Ik zal eens kijken,
wat die kleine meisjes voor hem doen kunnen," dacht de heer Laurence,
toeziende en luisterende. Jo trok hem aan; haar eigenaardige, maar
open manieren vielen in zijn smaak, en ze scheen zijn kleinzoon bijna
zoo goed te begrijpen, alsof ze zelf een jongen geweest was.
Indien de Laurences geweest waren wat Jo "stijf en harkerig" noemde,
zou ze niet met hen overweg hebben gekund, want zulke menschen maakten
haar altijd verlegen en onhandig; maar toen ze zag, dat ze vrij en
gemakkelijk waren, werd zij het ook, en maakte een goeden indruk.
Toen ze van de theetafel opstonden, stelde ze voor naar huis te gaan,
maar Laurie zei, dat hij haar nog iets moest laten zien, en nam haar
mee naar de oranjerie, die ter harer eere verlicht was. Jo voelde zich
als in een feeënpaleis, toen ze daar op en neer wandelde tusschen
al de bloemen en planten--het zachte licht, de vochtig warme lucht,
en de zeldzame klimplanten en palmen, hoog boven haar--en intusschen
sneed haar nieuwe vriend zooveel van de mooiste bloemen af, tot hij
ze niet meer houden kon. Toen bond hij ze bij elkaar en zei met den
opgeruimden blik, dien Jo zoo graag zag: "Geef deze bouquet als 't
je blieft aan je moeder, en zeg haar, dat het geneesmiddel dat ze
mij zond, bizonder in mijn smaak is gevallen."
Ze vonden den heer Laurence voor het vuur staan in de zitkamer, maar
Jo's aandacht werd aanstonds getrokken door een prachtige piano,
die open stond.
"Speel je?" vroeg ze, met iets van eerbied in haar stem, aan Laurie.
"Soms," antwoordde hij bescheiden.
"Och, speel dan nu eens, ik zou 't zoo graag eens willen hooren,
om het aan Bets te kunnen vertellen."
"Wil jij niet eerst?"
"Ik zou niet weten hoe; te dom om 't te leeren, maar ik houd dol veel
van muziek."
Laurie begon dus te spelen en Jo luisterde, haar neus begraven in
heliotropen en theerozen. Haar achting en bewondering voor "die jongen
van hiernaast" stegen ten top, want hij speelde bijzonder goed en
nam volstrekt geen airs aan. Jo wilde maar, dat Bets hem kon hooren,
maar ze zei er niets van, en prees hem, tot hij verlegen werd en zijn
grootvader hem te hulp kwam.
"Genoeg, jongejuffrouw, genoeg; te veel zoetigheid is niet goed
voor hem. Zijn spel is niet kwaad, maar ik hoop, dat hij het in
belangrijker zaken evengoed zal maken. Ga je weg? Nu, ik ben je ten
hoogste verplicht en hoop je eens weer te zien. Mijn beleefde groeten
aan je moeder. Slaap wel, dokter Jo!"
De oude heer drukte haar hartelijk de hand, maar zag er toch uit, alsof
iets hem niet beviel. Toen ze in de gang waren gekomen, vroeg Jo aan
Laurie, of ze iets verkeerds gezegd had, maar hij schudde zijn hoofd.
"Neen, dat was om mij; Grootpapa hoort me niet erg graag piano spelen."
"Waarom niet?"
"Dat vertel ik je wel eens op een anderen keer. John zal je
thuisbrengen; ik kan het nu niet doen."
"Dat hoeft niet hoor, het is maar een stapje. Zul je goed op je
zelf passen?"
"Ja, maar je komt toch terug, hoop ik?"
"Als je belooft bij ons te komen, zoodra je weer beter bent."
"Ja, dat zal ik doen."
"Dag Laurie!"
"Dag Jo, slaap wel!"
Toen alle merkwaardigheden van dien avond verteld waren, voelde de
heele familie lust om gezamenlijk een bezoek te brengen in het groote
huis aan de andere zijde van de heg; want ieder had iets, wat er haar
speciaal aantrok. Mevrouw March verlangde wat te praten over haar vader
met den ouden man, die hem blijkbaar niet vergeten had. Meta zou graag
eens in de oranjerie wandelen. Bets smachtte naar de prachtige piano,
en Amy wenschte niets vuriger dan de mooie platen en beeldjes te zien.
"Moeder, waarom zou mijnheer Laurence Laurie niet graag hebben hooren
spelen?" vroeg Jo, die van een onderzoekende natuur was.
"Ik weet het niet zeker, maar ik denk, omdat zijn zoon, Laurie's
vader, met een Italiaansche dame, een zangeres trouwde, waar de
oude heer, die heel trotsch is, diep verontwaardigd over was. De
jonge vrouw was goed en lief en beschaafd, maar hij hield niet van
haar en zag zijn zoon niet weer na dat huwelijk. Ze stierven beiden,
toen Laurie nog een klein kind was, waarna zijn grootvader hem tot
zich nam. Waarschijnlijk is de jongen, die in Italië geboren werd,
niet heel sterk, en is de oude man, uit angst hem te verliezen, zoo
bezorgd voor hem. Laurie heeft een aangeboren talent voor muziek,
want hij lijkt op zijn moeder en ik veronderstel, dat zijn grootvader
bang is, dat hij lust zal krijgen zich aan de muziek te wijden; in
elk geval herinnert zijn talent hem de vrouw, van wie hij niet veel
hield, en daarom werd hij er zoo warm over, zooals Jo het uitdrukt."
"Stel je voor, wat romantisch!" riep Meta.
"Bespottelijk," zei Jo, "laat den jongen musicus worden als hij dat
verlangt, en plaag hem niet dood door hem naar de academie te sturen,
als hij er een hekel aan heeft."
"Daarom heeft hij dus zulke mooie zwarte oogen en zulke aardige
manieren; Italianen zijn altijd beleefd, geloof ik," zei Meta, die
wat sentimenteel was.
"Wat weet jij van zijn oogen en manieren? Je hebt nauwelijks twee
woorden met hem gesproken," riep Jo, die _niet_ sentimenteel was.
"Ik heb hem toch op de partij gezien, en uit je verhalen blijkt,
dat hij zich goed kan voordoen. Dat was heel aardig wat hij zei over
het geneesmiddel, dat Moeder hem zond."
"Hij meende zeker den blanc manger."
"Wat bén je toch nog een kind; hij bedoelde jou natuurlijk!"
"Ja?" en Jo zette groote oogen op, alsof het iets heel nieuw voor
haar was.
"Ik heb nooit iemand zooals jij gezien; je begrijpt niet eens een
complimentje, als j' er een krijgt," zei Meta, met het air van een
jonge dame, die er alles van wist.
"Onzin! Ik wou, dat je niet mal was en al mijn plezier bedierf. Laurie
is een aardige jongen; ik houd van hem, en ik verkies geen gekheden te
hooren over complimentjes en zulke flauwiteiten. We zullen allemaal
aardig voor hem zijn, omdat hij geen moeder heeft, en hij mag hier
bij ons komen, is 't niet, Moeder?"
"Ja, Jo, je vriend is van harte welkom, en ik hoop, dat Meta bedenken
zal, dat kinderen zoolang mogelijk kinderen moeten blijven."
"Ik noem me zelf geen kind, en ik ben toch nog niet eens dertien,"
merkte Amy op. "Wat zeg jij er van, Bets?"
"Ik dacht over onzen "Pelgrimstocht," antwoordde Bets, die niet
naar het gesprek geluisterd had. "Hoe we uit den "wankelmoedspoel"
en door het "struikelaarspoortje" kwamen, door ons vast besluit om
goed te zijn, en ons best te doen den heuvel op te klauteren, en
dat het groote huis van Laurie's grootvader met al de mooie dingen
misschien ons Paleis der Gelukkigen zal zijn."
"Wij moeten eerst nog de leeuwen voorbij," zei Jo, op een toon alsof
ze dat denkbeeld wel aardig vond.
HOOFDSTUK VI.
BETS VINDT "HET PALEIS DER GELUKKIGEN."
Het groote huis bleek een eldorado te wezen, hoewel het een heelen tijd
duurde, eer ze er allen in waren, en Bets het heel moeilijk vond "de
leeuwen" [3] voorbij te komen. De oude heer Laurence was de grootste,
maar na zijn bezoek, waarop hij ieder van de meisjes iets aardigs of
vriendelijks gezegd en met hun moeder over oude tijden gepraat had,
was niemand meer erg bang voor hem, behalve de bedeesde Bets. De andere
leeuw was het feit, dat ze arm waren en Laurie rijk, want dat maakte
hen huiverig om beleefdheden aan te nemen, die ze niet wederkeerig
konden bewijzen. Na een poosje bemerkten ze echter, dat hij hen als de
weldoensters beschouwde en niet genoeg kon doen om zijn dankbaarheid
te toonen voor het moederlijk onthaal, dat Mevrouw March hem bereidde,
het vroolijk gezelschap der meisjes, en de gezelligheid, die hij in
hun eenvoudig huis vond, zoodat ze weldra allen trots op zij zetten
en elkander vriendelijkheden bewezen, zonder er over na te denken,
welke wel de grootste was.
Allerlei prettige dingen gebeurden in dien tijd, want de nieuwe
vriendschap groeide als gras in de lente. Ieder hield van Laurie, en
hij deelde zijn gouverneur in het geheim mee, dat de Marches bepaald
"echt leuke" meisjes waren. Met jeugdige geestdrift namen ze den
eenzamen jongen in hun midden op, bewezen hem kleine vriendelijkheden,
en hij vond iets bizonder aantrekkelijks in het gezelschap van de
vroolijke buurtjes. Daar hij nooit een moeder of zuster gekend had,
voelde hij al heel gauw den invloed, dien ze op hem uitoefenden,
en hun bezig, opgewekt leventje leerde hem zich te schamen over het
luie bestaan dat hij leidde. Boeken verveelden hem, en hij vond de
menschen nu zoo belangwekkend, dat de heer Brooke zich genoodzaakt
zag een slecht rapport over hem uit te brengen, want Laurie verzuimde
gedurig zijn lessen en was dan steeds bij de Marches te vinden.
"Enfin, laat hij maar eens vacantie nemen; hij zal het later wel
weer inhalen," zei de oude heer. "Volgens onze vriendelijke buurvrouw
studeert hij te hard en heeft hij behoefte aan den omgang met jonge
menschen, aan uitspanning en lichaamsbeweging. Ik geloof, dat ze gelijk
heeft, en dat ik den jongen vertroeteld heb, alsof ik zijn grootmoeder
was. Laat hij doen waar hij plezier in heeft, als hij maar gelukkig
is; bij die kleine nonnetjes hiernaast kan hem geen kwaad overkomen,
en mevrouw March doet meer voor hem, dan wij zouden kunnen."
Wat hadden ze een prettigen tijd! Zulke heerlijke voorstellingen en
tableaux, sleetochtjes en hardrijderijen op schaatsen, zulke gezellige
avondjes in de oude zitkamer, en nu en dan zulke vroolijke kleine
partijtjes in het groote huis. Meta mocht in de broeikas wandelen,
zooveel ze maar wilde en genieten van heerlijke ruikers; Jo verslond
de nieuwe bibliotheek en deed den ouden heer soms in lachen uitbarsten
door haar critiek; Amy copieerde schilderijen en genoot naar hartelust
van al het schoone, en Laurie speelde op de aardigste manier voor
gastheer.
Maar Bets kon, hoewel ze naar de groote piano smachtte, geen moed
genoeg vatten naar "het paradijs" te gaan, zooals Meta het noemde. On
zekeren dag ging ze er met Jo heen, maar de oude heer, die haar
zwakke zijde niet kende, staarde haar zóó aan van onder zijn zware
wenkbrauwen, en zei zóó hard "hm", dat "haar beenen klapperden,"
zooals ze aan haar moeder vertelde; ze liep zoo gauw mogelijk weg en
verklaarde, dat zij er nooit meer heen durfde, zelfs niet ter wille
van de mooie piano. Geen overredingen of beloften konden haar vrees
overwinnen, totdat de heer Laurence op geheimzinnige wijze achter de
waarheid kwam en de zaak zocht te herstellen. Gedurende een van zijn
korte bezoeken, bracht hij behendig het gesprek op muziek; vertelde
van groote zangers en zangeressen, die hij ontmoet, van fraaie orgels,
die hij gehoord had, en kende zoovele aardige anecdoten, dat Bets
onmogelijk in haar stil hoekje blijven kon, maar steeds nader en nader
kwam, alsof ze betooverd werd. Ze stond stil bij den rug van zijn stoel
en bleef met groote oogen staan luisteren, terwijl haar wangen rood
gekleurd waren door de opwinding van deze buitengewoon moedige daad. De
heer Laurence nam niet meer notitie van haar dan van een vlieg, sprak
door over Laurie's lessen en onderwijzers en vertelde toen, alsof die
gedachte hem eensklaps inviel: "De jongen verwaarloost nu zijn muziek,
en ik ben er blij om, want hij begon er al te veel van te houden. Maar
de piano wordt niet beter van dat ongebruikt staan; zouden niet een
paar van uw meisjes er nu en dan eens op willen studeeren, alleen maar
om te zorgen, dat zij niet ontstemt?" Bets ging een stapje vooruit en
bedwong met alle macht de sterke verzoeking in haar handen te klappen;
de gedachte op dat prachtig instrument te mogen spelen, deed haar een
oogenblik haar adem inhouden. Voordat mevrouw March nog kon antwoorden,
ging mijnheer Laurence voort met een eigenaardig knikje en glimlachje:
"Ze hoeven niemand te zien of te spreken, maar kunnen ten allen tijde
overloopen, want ik zit toch in mijn studeerkamer aan den anderen kant
van het huis; Laurie is veel uit, en de dienstboden hebben na negen
uur niets meer te maken in de zitkamer." Hier stond hij op, alsof
hij wilde heengaan, en Bets was juist van plan te spreken, want die
laatste schikking maakte, dat er niets te wenschen overbleef. "Wilt u
zoo goed wezen dit aan de jonge dames te zeggen, en mochten ze soms
geen lust hebben, dan is het ook goed." Hier kroop een smal handje
in de zijne, en Bets zag met een van dankbaarheid stralend gezichtje
tot hem op en zei op haar ernstig, maar verlegen maniertje:
"O, mijnheer, ze hebben er héél veel lust in!"
"Ben jij de musicienne?" vroeg Laurie's grootvader, zonder zijn
schrikwekkend "hm!" en met een vriendelijken blik.
"Ik ben Bets, ik houd dol veel van muziek en ik wil graag komen,
als u zeker weet dat niemand me hooren kan--dien het hinderen zou,"
voegde ze er bij, vreezende onbeleefd te zijn en bevende over haar
eigen stoutmoedigheid.
"Geen sterveling, lieve kind; het huis is den halven dag leeg, kom
dus gerust en trommel zooveel je wilt, het zal mij genoegen doen."
"Wat aardig van u, mijnheer!"
Bets bloosde als een roosje, toen hij haar zoo welwillend aankeek,
maar nu was zij niet verlegen en drukte dankbaar de groote hand,
omdat ze geen woorden kon vinden om hem te danken voor het kostbaar
geschenk dat hij haar gegeven had. De oude heer streek haar zachtjes
het haar van het voorhoofd, en zich bukkende kuste hij haar en zei
op een toon, die maar zelden iemand van hem hoorde:
"Ik heb eenmaal een dochterje gehad met oogen als die van jou. God
zegene je, kindlief; dag mevrouw," en hij vertrok haastig. Bets
gaf zich in haar moeders armen aan haar blijdschap over, en snelde
toen naar boven om het heerlijke nieuws aan haar zieke poppenfamilie
mee te deelen, daar de zusters niet thuis waren. Hoe vroolijk zong
ze dien avond, en hoe lachten de anderen haar uit, omdat ze Amy
's nachts wakker maakte, door in den slaap op haar gezicht piano te
spelen. Toen Bets den volgenden dag den ouden en den jongenheer had
zien wegwandelen, trok ze, na twee of driemaal te zijn teruggeloopen,
de stoute schoenen aan, en sloop zoo stil als een muisje naar de
zitkamer, waar het voorwerp van haar vereering stond. Heel toevallig
natuurlijk, lag er wat lieve, gemakkelijke muziek op de piano, en
met bevende vingers, en gedurig luisterend en rondziende, raakte ze
eindelijk de toetsen aan, vergat toen haar vrees, zichzelf en alles,
behalve het onuitsprekelijk genot, dat de muziek haar gaf, want ze
klonk haar als de stem van een geliefd vriend.
Ze bleef, totdat Hanna haar kwam halen om te eten; maar ze had geen
eetlust, en kon alleen stilzitten en tegen ieder glimlachen in een
staat van volkomen gelukzaligheid.
Van nu af aan zag men het kleine, bruine hoedje bijna dagelijks door
de heg kruipen, en in de groote zitkamer huisde een muzikale geest,
die onzichtbaar verscheen en verdween. Bets kwam nooit te weten, dat
mijnheer Laurence dikwijls de deur van zijn studeerkamer openzette om
naar de ouderwetsche liedjes te luisteren, die hij zoo graag hoorde;
ze zag nooit, hoe Laurie in de gang de wacht hield, om de bedienden
op een afstand te houden; nooit kwam de gedachte bij haar op, dat de
oefeningen en de nieuwe liederen, die ze in het muziekkastje vond,
daar gelegd werden voor haar bijzonder gebruik; en als Laurie thuis
met haar over muziek praatte, dacht ze er alleen over, hoe vriendelijk
het toch van hem was, dat hij Bets allerlei dingen vertelde, die haar
zoo voorthielpen. Bets genoot dus van ganscher harte en erkende, wat
niet altijd het geval is, dat haar, nu _deze_ begeerte vervuld was,
niets meer te wenschen overbleef. Misschien kreeg ze, omdat ze voor
dezen zegen zoo dankbaar was, een nog grootere; ze verdiende in elk
geval beiden.
"Moeder, ik wou voor mijnheer Laurence een paar pantoffels maken. Hij
is zoo goed voor me, dat ik hem mijn dankbaarheid moet toonen, en
ik weet niets anders. Mag ik het doen?" vroeg Bets een paar weken na
zijn gewichtig bezoek.
"Ja, lieveling, het zal hem veel genoegen doen, en 't is een aardige
manier om hem te bedanken. De meisjes zullen er je aan helpen, en ik
zal het opmaken betalen," antwoordde mevrouw March, die bijzonder
graag Bets' verzoek inwilligde, omdat zij zoo zelden iets voor
zichzelf verlangde. Na veel ernstige overleggingen met Meta en Jo
werd het patroon gekozen, de benoodigdheden gekocht en de pantoffels
begonnen. Een bouquet stemmige, maar toch vroolijke viooltjes op een
donkerpurperen grond werd juist geschikt verklaard en Bets werkte
vroeg en laat en werd alleen maar hier en daar bij moeilijke eindjes
geholpen. Zij was een handig, klein meisje en de pantoffels waren
af, voor ze iemand begonnen te vervelen. Toen schreef ze een kort,
eenvoudig briefje en wist ze met Laurie's hulp onder zijn Grootvaders
schrijftafel te smokkelen, toen de oude heer nog niet bij de hand was.
Toen dat pak van haar hart was, wachtte Bets af, wat er gebeuren
zou. Die gansche dag ging voorbij en een gedeelte van den volgenden,
zonder dat ze er iets van hoorde, en ze begon al te vreezen, dat ze
haar grilligen vriend beleedigd had. Op den middag van den tweeden dag
ging ze een boodschap doen en nam de arme Johanna, haar gebrekkige pop,
mee voor haar dagelijksche wandeling.
Bij haar terugkomst, zag zij al uit de verte drie, neen, vier
hoofden uit de ramen kijken, en zoodra die hoofden haar zagen,
wuifden verscheiden handen en riepen vier stemmen vroolijk:
"Er is een brief van den ouden mijnheer; kom hem maar gauw lezen!"
"O, Bets! hij heeft je--" begon Amy en zwaaide alles behalve
fatsoenlijk met de handen; maar ze kon niet verder komen, want Jo
smoorde haar ontboezeming door het raam dicht te slaan.
Bets haastte zich wat ze kon met een van blijdschap bonzend hart; bij
de deur namen haar zusters haar op en droegen haar in opgetogenheid
naar de zitkamer, alle drie naar den hoek wijzende en roepende: "Kijk
eens!" Bets keek, en werd bleek van verrukking en verrassing, want
daar stond eene kleine piano met een brief er boven op, geadresseerd
aan: Mejuffrouw Elizabeth March.
"Voor mij?" fluisterde Bets en hield zich vast aan Jo, met een gevoel,
alsof ze op den grond zou vallen; het was alles zoo wonderlijk,
zoo overstelpend!
"Ja; heelemaal voor jou, lieveling. Is dat niet kranig van hem? Vind
je hem niet den liefsten ouden man in de heele wereld? De sleutel
zit in den brief, we hebben hem niet opengemaakt, maar we branden
van verlangen om te hooren, wat er in staat," riep Jo, terwijl ze
haar zusje opgewonden tegen zich aandrukte en haar den brief in de
hand stopte.
"Lees jij hem alsjeblieft, ik kan niet, ik voel me zoo raar. O,
hij is véél te mooi voor mij," en Bets verborg haar gezicht in Jo's
boezelaar, voor het oogenblik heelemaal van streek.
Jo opende den brief en begon te lachen, want de eerste woorden,
die ze zag, waren:
Mejuffrouw March,
"Waarde, jonge Vriendin."
"Wat klinkt dat aardig! Ik wou dat iemand ook eens zoo aan mij
schreef!" zei Amy, die den ouderwetschen aanhef wel "deftig"
vond.
"Ik heb vele pantoffels gehad in mijn leven, maar nooit een paar,
dat mij zoo goed paste, als de uwe," ging Jo voort. "Viooltjes
zijn mijn geliefkoosde bloemen en deze zullen mij altijd de lieve
geefster in herinnering brengen. Ik doe gaarne mijn schulden af,
en ik denk dus, dat ge "den ouden heer" wel zult willen toestaan
u iets te zenden, wat eenmaal behoorde aan het kleindochtertje,
dat hij verloren heeft. Met hartelijken dank en beste wenschen
blijf ik,
Uw dankbare vriend en dienstw. dien.
James Laurence.
"Nu Bets, dàt is een eer, waar je trotsch op mag zijn, zou ik
denken! Laurie vertelde me, hoeveel mijnheer Laurence van dat kind
hield, en hoe zorgvuldig hij al haar dingen bewaard heeft. Denk eens,
hij heeft jou haar piano gegeven! Dat komt er van als je groote blauwe
oogen hebt en van muziek houdt," zei Jo en zocht Bets te kalmeeren,
die erg beefde en een kleur had van opgewondenheid.
"Zie eens wat aardige kandelaartjes voor de kaarsen, en wat mooie
groene zij van achteren, in het midden opgenomen met een goud roosje,
en de mooie stander en het krukje, alles bij elkander," voegde Meta
er bij, de piano openende en alle schoonheden aanwijzende.
""Uw dienstwillige dienaar, James Laurence;" verbeeldt je toch eens,
dat schreef hij aan jou! Ik zal het de meisjes op school vertellen,
die zullen het haast niet kunnen gelooven," riep Amy, op wie het
briefje een diepen indruk gemaakt had.
"Probeer 'm eens, liefje, laten we die dreumes van een piano eens
hooren," zei Hanna, die altijd met haar gansche hart deelde in de
vreugde en droefheid der familie.
Bets speelde dus een stukje, en ieder zei, dat het de mooiste toon
was, dien ze ooit gehoord hadden. Het instrument was klaarblijkelijk
pas gestemd en opgeknapt; maar hoe volmaakt het ook was, geloof ik
toch, dat er niets zoo bekoorlijk was als dat gelukkigste van alle
gelukkige gezichtjes, die er over hingen, toen Bets met teedere handen
de mooie zwarte en witte toetsen aanraakte en haar voeten de blinkende
pedalen drukten.
"Je zult hem moeten gaan bedanken," zei Jo, bij wijze van grap,
want dat "het kind" werkelijk zou gaan, kwam niet in haar op.
"Ja, dat ben ik ook stellig van plan; ik geloof, dat ik nu maar
moest gaan, voordat ik bang word," en tot groote verbazing van het
verzamelde gezin, stapte Bets vastbesloten den tuin in, de heg door
en recht op het huis der Laurences aan.
"Wel, heb ik van me leven! als dat niet het raarste is, wat ik ooit
gezien heb; de piano heeft haar heelendal van de wijs gebracht;
't schaap zou nooit gegaan zijn, als ze bij der positieve was!" riep
Hanna, haar naziende, terwijl het wonder de meisjes een oogenblik
sprakeloos maakte. Ze zouden nog meer verwonderd zijn geweest, als
ze gezien hadden, wat Bets verder deed. Ze liep, zonder zich ook
maar een oogenblik te bedenken, naar de studeerkamer, klopte aan, en
toen een forsche stem "binnen" riep, _ging_ ze werkelijk naar binnen,
stapte op mijnheer Laurence af, die zeer verwonderd opkeek, stak hem
haar hand toe en zei met een maar _even_ bevende stem: "Mijnheer,
ik kwam u bedanken voor--" maar verder bracht ze het niet; want hij
keek haar zoo vriendelijk aan, dat ze haar toespraak vergat; en er
alleen aan denkende, dat hij het kleine meisje, dat hem zoo lief was
geweest, verloren had, sloeg ze beide armen om zijn hals en kuste hem.
Als het dak van het huis plotseling boven het hoofd van den ouden heer
was ingestort, zou hij niet verbaasder hebben kunnen zijn, maar hij
vond het heel plezierig--o ja! hij vond het _bijzonder_ plezierig; en
hij was door dit groote bewijs van vertrouwen zoo geroerd en gelukkig,
dat al zijne norschheid verdween. Hij nam haar op zijn knie en vleide
zijn gerimpelde wang tegen haar blozend gezichtje, en verbeeldde
zich, dat hij zijn eigen kleindochtertje terug had gekregen. Van dat
oogenblik af had Bets niets geen angst meer voor hem, en zat ze zoo
gezellig met hem te babbelen, alsof ze hem haar leven lang gekend had;
want liefde sluit vrees uit en dankbaarheid kan trots overwinnen. Toen
ze naar huis terugkeerde, bracht hij haar tot aan haar eigen deur,
schudde haar hartelijk de hand, nam bij het afscheidnemen zijn hoed
voor haar af, en wandelde statig en deftig terug, zooals een knap,
krijgshaftig oud heer betaamt.
Toen de meisjes dat zagen, _moest_ Jo een paar bokkesprongen maken
om haar blijdschap te toonen; Amy viel in haar verbazing bijna uit
het raam, en Meta riep met opgeheven handen: "Nou geloof ik heusch,
dat de wereld op haar eind loopt!"
HOOFDSTUK VII.
AMY'S DAL DER VERNEDERING.
"Die jongen is een echte cycloop, vindt jullie niet?" vroeg Amy op
een keer, toen Laurie te paard voorbij rende en in het voorbijgaan
met zijn zweep salueerde.
"Hoe durf je dat te zeggen van een jongen, die zijn beide oogen heeft,
en nog wel heel mooie ook!" riep Jo, die niet de minste aanmerking
op haar vriend kon velen.
"Ik zei niets van zijn oogen, en ik begrijp niet, waarom je zoo op
moet vliegen, als ik zijn rijden bewonder."
"O, lieve ziel! die kleine gans bedoelt een centaur en ze zegt een
cycloop," riep Jo, in lachen uitbarstend.
"Je hoeft je niet zoo ruw aan te stellen, het is alleen maar een
"lapsus lingus," zooals mijnheer Davis zegt," antwoordde Amy, Jo met
haar Latijn den mond snoerend. "Ik wou maar, dat ik een gedeelte van
het geld had, dat Laurie aan dat paard verspilt," voegde ze er als
tot zichzelf sprekend bij, maar toch in de hoop, dat haar zusters
het hooren zouden.
"Waarom?" vroeg Meta vriendelijk, want Jo kreeg een nieuwe lachbui
bij Amy's tweede vergissing.
"Ik heb het zoo hoog noodig; ik zit diep in de schuld en mijn beurt
voor het prullengeld komt nog in geen maand."
"In schulden, Amy, wat bedoel je?" vroeg Meta bezorgd.
"Och, ik ben minstens een dozijn dadels schuldig, en je weet, ik kan
ze niet betalen, voor ik geld heb, want Moeder heeft me volstrekt
verboden iets op rekening te koopen."
"Vertel mij de heele zaak eens. Zijn dadels nu in de mode? Vroeger
waren het "balletjes," en Meta trachtte haar gezicht in de plooi te
houden, want Amy zag er hoogst ernstig en gewichtig uit.
"Och, zie je, de meisjes koopen ze telkens, en als je niet voor schriel
wilt aangezien worden, moet je het ook wel's doen. Het zijn nu altijd
dadels; iedereen zit er onder schooltijd in zijn lessenaar aan te
zuigen en verruilt ze in het speelkwartier tegen potlooden, kralen,
ringen en papieren poppetjes of iets anders. Als een meisje veel van
een ander houdt, geeft ze haar er een mee; als zij boos op haar is,
eet zij er een voor haar oogen op, zonder haar zelfs te vragen of
ze er even aan wil zuigen. Ze tracteeren om beurten, en ik heb er al
een hoop gehad, zonder ooit iets terug te doen; en dat moet ik toch,
want het zijn eereschulden, is 't niet?"
"Hoeveel heb je noodig, om alles af te doen en je crediet te
herstellen?" vroeg Meta, haar beurs uit den zak halend.
"Een kwartje zou genoeg zijn, dan bleef er nog wel wat over om jullie
te trakteeren, of houden jullie niet veel van dadels?"
"Niet erg, je mag mijn deel houden. Hier is het geld--maak er zooveel
van als je kunt, want ik kan 't je niet dikwijls geven, dat weet je."
"O, dank je wel; wat heerlijk toch om zakgeld te hebben. Ik zal
een heel feest aanrichten, want ik heb de heele week geen dadel
geproefd. Ik wou er liever geen een aannemen, omdat ik niets terug
kon geven, en ik smacht er wezenlijk naar."
Den volgenden dag kwam Amy vrij laat op school, maar ze kon de
verzoeking niet weerstaan met vergeeflijken trots een vochtig,
bruin papieren pakje te vertoonen, voordat ze het in de verborgenste
schuilhoeken van haar lessenaar wegstopte. Het volgend oogenblik ging
het praatje als een loopend vuurtje door de klasse, dat Amy March
vierentwintig heerlijke dadels bij zich had (zij had er onderweg
één opgegeten) en zou trakteeren, waarop ze door haar vriendinnen
met attenties overladen werd. Katy Brown verzocht haar dadelijk op
haar eerstvolgende partij, Mary Kingsley drong er op aan haar tot
het speeluur haar horloge te leenen; en Jenny Snow, een satirieke
jonge dame, die Amy laaghartig geplaagd had met haar dadelloozen
staat, wierp haastig de wapens neer, en bood de antwoorden aan,
voor een paar moeilijke sommen. Maar Amy had de scherpe opmerkingen
niet vergeten van de jongejuffrouw Snow over "sommige menschen,
wier neuzen niet te stomp waren om de dadels van anderen te ruiken,
en verwaande menschen, die niet te trotsch waren er om te vragen,"
en zij sloeg dadelijk de hoop van "dat kind Snow" den bodem in, door
de vernietigende tijding: "Je hoeft niet plotseling zoo beleefd te
zijn, want je krijgt er toch geen."
Nu gebeurde het, dat de school dien morgen bezocht werd door
een gewichtig personage, die Amy's net geteekende kaarten prees,
welke eer, aan haar vijandin bewezen, een angel was in de ziel van
jongejuffrouw Snow, en jongejuffrouw March de airs deed aannemen van
een jonge pauw. Maar helaas, helaas! hoogmoed komt voor den val, en
de wraakzuchtige Snow deed met rampzalig succes de kans keeren. Niet
zoodra had de bezoeker de gewone complimenten gemaakt en den aftocht
geblazen, of Jenny deelde den onderwijzer, mijnheer Davis, onder
voorwendsel van iets belangrijks te vragen, mede, dat Amy March dadels
in haar lessenaar had.
Nu had de heer Davis dadels voor contrabande verklaard, en plechtig
gezworen, dat de eerste, die de wet durfde overtreden, openlijk kennis
zou maken met de handplak. De arme man, die heel wat te verdragen
had, was er na een langen, hevigen oorlog in geslaagd de balletjes
te verbannen, had een vuurtje gestookt van de in beslag genomen
romannetjes en couranten, een privaat-postkantoor opgeheven, het
gezichten trekken, het geven van bijnamen, het teekenen van caricaturen
verboden, en alles gedaan wat één enkel man doen kan om een vijftigtal
oproerige meisjes in bedwang te houden. Jongens stellen het menschelijk
geduld meer dan genoeg op de proef, de hemel weet het! maar meisjes
nog erger, vooral dat van zenuwachtige heeren met een tiranniek
gemoed en niet meer talent voor het onderwijs dan "Dr. Blimber." De
heer Davis had veel kennis van Grieksch, Latijn, algebra en "ologies"
van allerlei soort, waarom hij een bijzonder goed onderwijzer genoemd
werd, terwijl manieren, zedenleer, gevoelens en voorbeelden van niet
veel belang beschouwd werden. Het was een zeer gelukkig oogenblik om
Amy aan te klagen, en Jenny wist bet. Klaarblijkelijk had mijnheer
Davis dien morgen te sterke koffie gedronken, er woei een Oostenwind,
die altijd zijn zenuwen prikkelde en zijn leerlingen hadden hem niet
die eer bewezen, die hij wist verdiend te hebben; daarom was hij,
om den veelzeggenden, indien ook al niet bevalligen spreektrant van
een schoolmeisje te gebruiken, "zoo kwaadaardig als een bul en zoo
brommig als een beer." Het woord "dadel" werkte als vuur bij buskruit;
zijn tanig gezicht werd vuurrood, en hij sloeg met zoo'n kracht op zijn
lessenaar, dat Jenny met ongewone vlugheid naar haar plaats terugwipte.
"Jonge dames, opletten _als 't je blieft_!"
Op dat streng verzoek zweeg het geraas, en vijftig paar blauwe,
zwarte, grijze en bruine oogen werden gehoorzaam gericht op zijn
schrikwekkend gelaat.
"Jongejuffrouw March, kom hier."
Amy stond op om te gehoorzamen, uiterlijk bedaard maar inwendig
angstig genoeg, want de dadels bezwaarden haar geweten.
"Breng de dadels mee, die in je lessenaar zijn," klonk het onverwachte
bevel, dat haar tegenhield, nog eer ze uit de bank was gekomen.
"Neem ze niet allemaal mee," fluisterde haar buurvrouw, een jonge dame,
die veel tegenwoordigheid van geest bezat.
Amy schudde er haastig een half dozijn uit en legde de overige voor
mijnheer Davis neer, vast overtuigd, dat ieder man, die een menschelijk
hart in zich omdroeg, zachter gestemd zou worden, als die verrukkelijke
geur zijn neus bereikte. Ongelukkig had de heer Davis een bijzonderen
afkeer van de vrucht, en die afschuw deed zijn toorn stijgen.
"Is dat alles?"
"Neen, mijnheer," stamelde Amy.
"Breng dadelijk het overige hier."
Met een wanhopigen blik op haar clubje gehoorzaamde Amy.
"Weet je zeker, dat er niet meer zijn?"
"Ik jok nooit, mijnheer!"
"Dat zie ik. Neem nu die walgelijke dingen twee aan twee op en smijt
ze uit het raam."
Een diepe zucht steeg uit aller hart op, die wel een kleine windvlaag
geleek, toen de laatste hoop vervloog en de lekkernij ontstolen werd
aan de smachtende lippen.
Purper van schaamte en toorn deed Amy haar twaalf vreeselijke
wandelingen heen en terug, en iederen keer, dat een veroordeeld paar,
o, zoo dik en sappig! uit haar onwillige handen viel, vermeerderde een
juichtoon van de straat de smart der meisjes, want die vreugdeuitingen
zeiden hun, dat de kleine Iersche kinderen, hun geslagen vijanden,
met Amy's tractatie hun voordeel deden. Dit was te veel; allen wierpen
verontwaardigde of smeekende blikken op den onverbiddelijken Davis,
en één hartstochtelijke dadelliefhebster barstte in tranen uit.
Toen Amy van haar laatste tochtje terugkeerde, "hm"de de heer Davis
gewichtig, en begon op zijn indrukmakendsten toon: "Jonge dames,
gij herinnert u, wat ik een week geleden gezegd heb. Het spijt me,
dat dit gebeurd is, maar ik kan niet toestaan, dat er inbreuk gemaakt
wordt op mijn wetten, en ik breek _nooit_ mijn woord. Jongejuffrouw
March, houd uw hand op."
Amy schrikte, hield de beide handen op den rug en zag hem zoo smeekend
aan, dat die blik krachtiger voor haar pleitte, dan de woorden,
die ze niet kon uitbrengen. Ze was min of meer een lieveling van den
"oude", zooals hij genoemd werd, en ik voor mij geloof, dat hij zijn
woord _zou_ gebroken hebben, indien niet de verontwaardiging van een
zichzelf niet beheerschende jonge dame, zich geuit had in een leelijk
gesis. Dat gesis, hoe flauw het ook was, dreef den prikkelbaren
leeraar tot het uiterste en besliste het lot der schuldige.
"Uw hand, jongejuffrouw March!" was het eenig antwoord op haar stomme
bede, en te trotsch om te schreien of vergiffenis te vragen, klemde
Amy de tanden op elkaar, wierp het hoofd fier achterover, en verdroeg,
zonder eenig teeken van pijn te geven, verscheiden slagen op haar
kleine hand. Ze waren talrijk noch zwaar, die slagen, maar dat maakte
geen verschil. Voor de eerste maal in haar leven was ze _geslagen_,
en de vernedering was in haar oogen even groot, als wanneer hij haar
een pak ransel gegeven had.
"Ga nu tot het vrije kwartier voor het bord staan", beval mijnheer
Davis, vast besloten de zaak door te zetten, nu hij eenmaal begonnen
was.
Dat was verschrikkelijk! Het zou al erg genoeg geweest zijn nu naar
haar plaats terug te keeren, en de medelijdende gezichten te zien van
haar vriendinnen, of de triomfeerende blikken van haar vijandinnen;
maar om daar te pronk te staan, ten aanschouwe van de geheele school,
terwijl de schande nog zoo versch in 't geheugen lag, scheen Amy
ondraaglijk, en gedurende een oogenblik was liet haar, alsof ze zich
voorover op den grond moest laten vallen en in heete tranen uitbarsten.
Een bitter gevoel van verongelijkt te worden en de gedachte aan Jenny
Snow hielpen het haar echter dragen. Toen ze de standplaats ingenomen
had, vestigde ze haar oogen op de kachelpijp, boven wat haar nu een zee
van hoofden toescheen. Daar stond ze, zoo onbeweeglijk en bleek, dat de
meisjes het moeilijk vonden hun aandacht bij 't werk te houden, met die
tragische kleine gedaante voor zich. Gedurende de vijftien minuten,
die nu volgden, had het trotsche, gevoelige kleine ding, zooveel
schaamte en verdriet te verdragen, dat ze het nimmer vergat. Voor
anderen mocht het een belachelijke of weinig beteekenende zaak zijn,
voor Amy was het een harde ondervinding. Gedurende de twaalf jaren
van haar leven uitsluitend door liefde geregeerd, had haar nog nooit
zoo iets getroffen. Al de pijn in haar hand en de smart van haar
ziel werden vergeten bij de kwellende gedachte: "Ik moet het thuis
vertellen en ze zullen zoo teleurgesteld over me zijn!" De vijftien
minuten schenen haar een uur, maar ze waren toch eindelijk om, en het
woord "opbergen" had haar nog nooit zoo welkom in de ooren geklonken.
"Je kunt gaan, Amy March," zei mijnheer Davis en hij leek zooals hij
zich ook gevoelde, alles behalve op zijn gemak.
Het duurde lang, eer hij den verwijtenden blik vergat, dien Amy hem
toewierp, toen ze, zonder een enkel woord te zeggen, naar de kleedkamer
ging, haar goed van den kapstok rukte en de plaats "voor altijd"
verliet, zooals ze zichzelf hartstochtelijk beloofde. Thuis raakte
ze totaal overstuur, en toen de oudere meisjes eenigen tijd later
terugkwamen, werd er dadelijk een zeer verontwaardigde vergadering
gehouden. Mevrouw March zei niet veel, maar keek ontstemd en troostte
haar bedroefd dochtertje op de teederste wijze. Meta bette het
gepijnigde handje met glycerine en tranen; Bets voelde, dat zelfs
haar geliefde katjes geen balsem konden brengen voor een smart als
deze, en Jo meende in haar woede, dat mijnheer Davis zonder uitstel
behoorde gearresteerd te worden, terwijl Hanna haar vuist balde tegen
den "ellendeling" en de aardappelen voor het middagmaal met zulk een
vuur fijnstampte, alsof ze _hem_ onder den lepel had.
Niemand, behalve haar makkertjes, nam eenige notitie van Amy's vlucht;
maar de scherpziende jonge dames merkten op, dat "Davis" 's middags
bijzonder vriendelijk en ook buitengewoon zenuwachtig was. Even
voordat de school begon, verscheen Jo met een "grimmig gelaat", stapte
op den leeraar toe, en overhandigde hem een briefje van haar moeder;
daarna pakte ze alles bij elkaar wat aan Amy toebehoorde en vertrok, na
zorgvuldig haar laarzen afgeveegd te hebben op de mat bij de voordeur,
alsof ze het gehate stof van haar voeten wilde schudden.
"Ja, je kunt nu van deze school af gaan, maar moet dan elken dag een
tijd met Bets studeeren," zei mevrouw March dien avond. "Ik ben tegen
lichaamsstraf, vooral wat meisjes betreft. Ik houd niet van mijnheer
Davis' manier van onderwijzen en geloof ook niet, dat de meisjes,
waarmee je omgaat, je veel goed doen. Voor ik je naar een andere
school zend wil ik eerst Vader eens raadplegen."
"Heerlijk! Ik wou dat alle meisjes weggingen en zijn akelige school
opgeruimd moest worden. Is 't niet om gek te worden, als je aan
die heerlijke dadels denkt?" zuchtte Amy met het gezicht van een
martelares.
"Het spijt me niet, dat je ze verloren hebt, want je handelde in
strijd met de regels en verdiende straf voor je ongehoorzaamheid,"
was het strenge antwoord, dat de jonge dame die niets dan medelijden
verwachtte, wel eenigszins teleurstelde.
"Bedoelt u, dat u blij is, dat ik voor de geheele school vernederd
ben?" riep Amy.
"Ik zou niet dien weg inslaan om een gebrek te verbeteren," antwoordde
haar moeder; "maar ik ben er niet zeker van of je deze methode niet
meer goed zal doen, dan een zachtere manier. Je bent mooi op weg
veel te verwaand en gewichtig in je eigen oogen te worden, kindlief,
en het is meer dan tijd, dat je er eens goed acht op geeft. Je hebt
veel goede eigenschappen en kleine deugden, maar het is niet noodig ze
zoo uit te stallen, want verwaandheid bederft den besten aanleg. Een
echt talent of echte goedheid zullen niet licht over het hoofd gezien
worden, en al hád dit ook plaats, dan moest nog het bewustzijn,
ze te bezitten en ferm te gebruiken, iemand voldoen. Bedenk dat de
grootste aantrekkelijkheid van elk begaafd mensch is: bescheidenheid."
"Ja, dat is waar," riep Laurie, die in een hoek met Jo zat te
schaken. "Ik heb een meisje gekend, dat een bijzonder talent voor
muziek had, zonder het zelf te weten; ze wist ook niet, hoe lief
de kleine stukjes waren, die ze componeerde, wanneer ze alleen was,
en zou het niet geloofd hebben, al had iemand het haar verteld."
"Ik wou, dat ik dat meisje gekend had; ze zou mij misschien wel
willen helpen, ik ben zoo dom," zei Bets, die gretig luisterend naast
hem stond.
"Je kent haar, en ze helpt je beter dan eenig mensch ter wereld zou
kunnen," antwoordde Laurie en zag haar met zoo'n ondeugende uitdrukking
in z'n vroolijke, zwarte oogen aan, dat Bets plotseling bloosde en
haar gezicht verborg in een canapékussen, heelemaal ontsteld door
die plotselinge ontdekking.
Jo liet Laurie het spel winnen, om hem te beloonen voor dien lof,
haar Bets toegezwaaid, die er echter niet toe te bewegen was dien
avond iets te spelen na dat compliment. Laurie deed dus zijn best en
zong uitstekend, daar hij in een bijzonder goede luim was, want aan
de Marches toonde hij zelden de schaduwzijde van zijn karakter. Toen
hij vertrokken was, vroeg Amy, die den geheelen avond peinzend had
zitten kijken, plotseling, alsof haar een nieuwe gedachte inviel:
"Is Laurie een begaafde jongen?"
"Ja, hij heeft veel gaven en een prachtige opvoeding gehad; hij zal
een knap man worden, als hij niet door vertroeteling bedorven wordt,"
antwoordde haar moeder.
"En hij is _niet_ verwaand, wel?" vroeg Amy.
"Volstrekt niet; dat is juist de reden, waarom hij zoo aantrekkelijk
is, en we allemaal zooveel van hem houden."
"Ja, ik begrijp het, het is heel aardig begaafd te zijn en mooi en
elegant, maar niet om vertooning te maken of er zich op te verheffen,"
zei Amy nadenkend.
"Die dingen worden altijd gevoeld en gewaardeerd in iemands manier van
doen en van spreken, als ze maar met bescheidenheid gebruikt worden;
het is heusch niet noodig er mee te koop te loopen," zei mevrouw March.
"Net zoo min als je 't in je hoofd zou halen, al je hoeden en jurken
en strikken tegelijk te dragen, om de menschen toch vooral maar te
laten zien, dat je ze hebt," voegde Jo er bij, en "de preek" eindigde
met gelach.
HOOFDSTUK VIII.
JO ONTMOET APPOLLYON.
"Waar gaan jullie heen?" vroeg Amy, toen ze op een Zaterdagmiddag,
in haar kamer komende, haar twee oudste zusters bezig vond hun goed
aan te doen, met een zekere geheimzinnigheid die haar nieuwsgierigheid
opwekte.
"Dat gaat je niets aan; kleine kinderen moeten niet zoo nieuwsgierig
zijn," antwoordde Jo scherp.
Als er iets is, dat ons ergert, wanneer wij nog jong zijn, dan is
het wel, dat ons dit onder den neus gewreven wordt, en nog grievender
is het, als men ons daarbij vriendelijk verzoekt: "Nu maar gauw wat
te gaan spelen." Amy stoof bij deze beleediging op, en besloot het
geheim uit te vorschen, al moest ze er een uur lang om zeuren. Zich
tot Meta wendende, die haar nooit lang iets kon weigeren, begon ze
vleiend: "Toe vertel het me maar; je kon me _best_ laten meegaan;
Bets is zoo verdiept in haar poppen, en ik heb niks te doen en 'k
voel me zóó eenig!"
"Ik kan je niet meenemen, liefje, omdat je niet gevraagd bent,"
begon Meta, maar Jo viel haar ongeduldig in de rede met een: "Nu,
Meta, houd je stil, of je zult alles bederven. Je kunt niet meegaan,
Amy, stel je dus niet aan als een klein kind, door er om te dwingen."
"Jullie gaan met Laurie ergens heen, ik weet het heel goed; je hebt
gisterenavond samen op de canapé zitten fluisteren en lachen, en
jullie hield in eens op, toen ik binnenkwam. Is 't soms niet waar?"
"Ja, we gaan met Laurie ergens heen; wees nou maar stil en zanik
niet langer."
Amy zweeg, maar gebruikte haar oogen, en zag dat Meta een waaier in den
zak stak. "Ik weet het al! Ik weet het al, jullie gaan naar de comedie,
"De zeven Kasteelen" zien," riep ze, er vast besloten bijvoegende:
"En _ik_ ga ook, want moeder heeft gezegd, dat ik het mocht zien,
en ik heb het geld van de prullen nog bewaard! Onuitstaanbaar van
jullie om mij niet bijtijds te waarschuwen."
"Luister eens even naar me, en wees nu eens lief," zei Meta
kalmeerend. "Moeder wou, dat je deze week nog niet gingt, omdat je
oogen nog niet heel goed zijn om al het licht bij het tooverballet
te verdragen. De volgende week kun jij gaan met Bets en Hanna, en
een heerlijken avond hebben."
"Dat vind ik niet half zoo plezierig als met jullie en Laurie. Och,
laat mij maar meegaan? ik ben nu al zoolang om mijn verkoudheid thuis
geweest, en ik snak naar een pretje. Toe, Meta, ik zal heel lief zijn,"
smeekte Amy zoo roerend mogelijk.
"Zouden we haar dan toch maar meenemen. Ik geloof niet dat Moeder er
op tegen zou hebben, als we haar goed instopten," begon Meta.
"Als _zij_ gaat, ga _ik_ niet; en als ik niet meega, heeft Laurie
het land; 't zou trouwens heel onbeleefd zijn er Amy bij in te halen,
nu hij alleen ons gevraagd heeft. Ik vind, dat ze zich schamen moest
zich zoo in te dringen, waar ze niet begeerd wordt," zei Jo knorrig,
want ze had niets geen lust op een beweeglijk kind te passen, nu ze
zich voorgenomen had eens echt te genieten.
Haar toon en manieren maakten Amy boos; ze begon haar laarzen aan te
trekken en zei op de meest tergende manier: "Ik ga _toch_: Meta zegt,
dat ik mag, en als ik voor mezelf betaal, heeft Laurie er niets mee
te maken."
"Je kunt niet bij ons zitten, want wij hebben gereserveerde plaatsen,
en je kunt ook niet alleen zitten; Laurie moet je dan natuurlijk
zijn plaats wel afstaan en dat zal ons plezier bederven; of hij neemt
een andere plaats voor je en dat is onbehoorlijk, want je bent niet
gevraagd. Je hoeft geen moeite te doen, want je blijft eenvoudig waar
je bent," bromde Jo, knorriger dan ooit, daar ze zich juist in haar
haast in den vinger had geprikt. Amy, die op den grond zat met één
laars aan, begon te schreien, en Meta zocht haar tot rede te brengen,
toen Laurie zich beneden liet hooren en de twee meisjes haastig
naar hem toe gingen, haar zusje snikkend achterlatend; want nu en
dan vergat Amy haar groote-menschen-manieren en gedroeg ze zich als
een bedorven kind. Juist toen het gezelschap de deur uit zou gaan,
riep ze op dreigenden toon over de leuning: "Het zal je berouwen,
Jo March! dat beloof ik."
"Malligheid!" antwoordde Jo, de deur toeslaande.
Ze hadden een genotvollen avond, want de "Zeven Kasteelen aan het
Kristallen Meer" waren zóó tooverachtig, zoo wonderschoon, als men
maar verlangen kon. Maar in weerwil van de grappige roode dwergen, de
schitterende elfen en de prachtig aangekleede prinsen en prinsessen,
was Jo's genoegen met een bitteren droppel vermengd; de blonde
krullen van de feeënkoningin herinnerden haar aan Amy, en tusschen
de verschillende bedrijven hield ze zich bezig met te bedenken, wat
haar zusje zou doen, om "het haar te doen berouwen." In den loop der
jaren hadden zij en Amy al menige schermutseling gehad, want beiden
hadden een driftig karakter en werden licht heftig, als ze eens los
kwamen. Amy plaagde Jo, en Jo maakte Amy boos, en af en toe hadden
er uitbarstingen plaats, waarover beiden zich later schaamden. Hoewel
zij de oudste was, had Jo de minste zelfbeheersching en bracht menigen
moeilijken dag door in het bestrijden van den driftigen geest, die haar
zoo dikwijls in verdrietelijkheden bracht. Haar boosheid was nooit van
langen duur, en als ze nederig haar schuld beleden had, voelde ze er
oprecht berouw over, en trachtte zich te beteren. Haar zusters bekenden
dikwijls, dat ze het wel "leuk" vonden Jo eens woedend te maken, omdat
ze dan later zoo engelachtig lief was. De arme Jo deed wanhopig haar
best om kalm te zijn, maar haar boezemvijand was altijd gereed op te
vliegen en haar de nederlaag toe te brengen; en er was een jarenlange,
geduldige strijd noodig om hem te verslaan. Toen ze thuis kwamen, zat
Amy te lezen in de zitkamer. Ze nam een beleedigd air aan, sloeg haar
oogen niet van haar boek op en deed geen enkele vraag. Misschien zou
haar nieuwsgierigheid het gewonnen hebben van haar trots, als Bets er
niet geweest was om naar alles te vragen en een opgewonden beschrijving
van het stuk te krijgen. Toen Jo naar boven ging om haar besten hoed
te bergen, keek ze het eerst naar de latafel, want bij den laatsten
twist had Amy haar gevoel zoeken te luchten, door Jo's bovenste la
op den grond om te keeren. Alles scheen nu evenwel op zijn plaats,
en na een haastigen blik in haar kast, waschtafel en doozen, kwam Jo
tot het besluit, dat Amy de beleediging vergeven en vergeten had.
Maar daarin had Jo zich vergist, want den volgenden dag deed ze een
ontdekking, die een storm teweegbracht. Meta, Bets en Amy zaten in
den namiddag bij elkander, toen Jo opgewonden de kamer binnenstormde
en ademloos vroeg: "Heeft iemand mijn sprookjes weggenomen?"
Meta en Bets zeiden dadelijk "neen" en keken verbaasd op; Amy pookte
in het vuur en zei niets. Jo zag, dat ze een kleur kreeg en vloog op
haar toe.
"Amy, jij hebt ze weggenomen!"
"Neen."
"Dan weet jij, waar ze zijn!"
"Neen, dat weet ik niet."
"Dat jok je!" riep Jo, haar bij de schouders vattende met zoo'n
woedenden blik dat ze een moediger kind dan Amy, zou hebben doen
schrikken.
"Dat jok ik _niet_!" Ik heb ze niet, en weet niet waar ze zijn,
en ik geef er ook geen zier om."
"Je weet er iets van, en je zou beter doen het maar dadelijk te zeggen,
of ik zal je er toe dwingen," en Jo schudde haar onzacht heen en weer.
"Dreig maar zooveel je wilt, je krijgt je malle verhalen niet terug,"
riep Amy, nu op haar beurt boos wordende.
"Waarom niet?"
"Ik heb ze verbrand."
"Wat! mijn sprookjes, waar ik zooveel van hield en zoo hard aan werkte,
en die ik van plan was af te maken, voordat Vader thuiskwam? Heb
je ze wezenlijk verbrand?" vroeg Jo verbleekend, terwijl haar oogen
schitterden en haar handen Amy zenuwachtig vastklemden.
"Ja zeker! ik heb gezegd, dat het je berouwen zou, dat je gisteren
zoo onaardig was, en daarom heb ik het gedaan, dus--" verder kon
Amy het niet brengen, want Jo's driftige natuur werd haar de baas;
ze schudde Amy, dat de tanden in haar mond klapperden, en riep in
een hartstochtelijke vlaag van droefheid en woede:
"Je bent een slecht, een akelig kind! Ik kan ze nooit meer zoo
schrijven, en ik vergeef het je nooit, zoolang ik leef."
"Meta vloog toe om Amy te ontzetten en Bets om Jo tot bedaren te
brengen; maar Jo was geheel buiten zichzelf, en na Amy tot afscheid
een klap om de ooren te hebben gegeven, vloog ze de kamer uit, naar
de oude canapé op den zolder en streed haar strijd alleen.
De storm klaarde beneden op toen mevrouw March thuiskwam; na het
verhaal aangehoord te hebben, bracht ze Amy weldra tot inzicht
van het onrecht, dat ze haar zuster had aangedaan. Jo's boek was
de trots van haar hart, en werd door de huisgenooten beschouwd als
een veelbelovend letterkundig spruitje. Het waren niet meer dan een
half dozijn sprookjes, maar Jo had er geduldig aan gewerkt met haar
gansche hart, in de hoop, iets te kunnen voortbrengen, dat de moeite
waard was gedrukt te worden. Ze had ze juist zeer zorgvuldig in het
net geschreven, en het klad verscheurd, zoodat Amy's brandstapel
het dierbaar werk van verscheiden maanden had vernietigd. Mogelijk
scheen het anderen een gering verlies toe, maar voor Jo was het een
vreeselijk ongeluk, en ze gevoelde, dat het haar nooit vergoed kon
worden. Bets treurde als om een gestorven katje, en Meta weigerde voor
haar lieveling in de bres te springen; mevrouw March keek ernstig en
bedroefd, en Amy was onder den indruk, dat niemand meer van haar zou
houden, eer ze vergeving had gevraagd voor de daad, die ze nu meer
dan iemand anders betreurde.
Toen de theebel ging, verscheen Jo, maar ze zag er zoo boos
en ongenaakbaar uit, dat Amy al haar moed bijeen moest rapen om
zachtzinnig te zeggen: "Jo, wil je 't mij als 't je blieft vergeven? Ik
heb er vreeselijk veel spijt van."
"Ik zal het je _nooit_ vergeven," was Jo's beslist antwoord, en van
dat oogenblik af, scheen ze Amy's bestaan geheel en al te vergeten.
Niemand sprak over de droevige gebeurtenis, zelfs mevrouw March
niet, want allen hadden door ondervinding geleerd, dat woorden
niets uitwerkten als Jo in zoo'n bui was; en dat het wijste zou
zijn, te wachten tot de een of andere kleine gebeurtenis, of Jo's
eigen edelmoedige natuur, haar verbittering verzachtte en de breuk
heelde. Het was geen gelukkige avond, want hoewel de meisjes als naar
gewoonte zaten te werken, terwijl hun moeder voorlas uit Bremer, Scott
of Edgeworth, ontbrak er toch iets aan, en de liefelijke, huiselijke
vrede was verstoord. Ze gevoelden dit vooral toen het oogenblik van
zingen was gekomen; want Bets kon alleen maar spelen, Jo zweeg als
een steenen beeld, en Amy begon te schreien, zoodat Meta en Moeder
alleen zongen. Maar in spijt van hun pogingen om zoo vroolijk te zijn
als leeuwerikken, schenen de heldere stemmen toch niet zoo goed bij
elkander te passen als gewoonlijk, en allen voelden zich ontstemd.
Toen mevrouw March Jo een nachtkus gaf, fluisterde ze haar teeder
toe: "Kindlief, laat de zon niet ondergaan over je toorn, vergeeft
elkander, helpt elkander, en begin morgen weer opnieuw." Jo verlangde
niets liever dan haar hoofd neer te leggen aan dat moederlijk hart
en haar droefheid en boosheid uit te schreien; maar tranen waren
een onmannelijke zwakheid, en ze voelde zich zoo diep beleedigd,
dat ze nog niet _kon_ vergeven. Ze knipoogde dus uit alle macht,
schudde haar hoofd en zei barsch, omdat Amy nog onder het bereik
van haar stem was: "Het was een afschuwelijk leelijke streek, en ze
verdient niet, dat ik het haar vergeef."
Zoo stapte Jo naar haar kamer en naar bed, en er werd dien avond geen
vroolijk of vertrouwelijk praatje gehouden.
Amy voelde zich diep gegriefd, dat haar vredesvoorslagen van de hand
gewezen waren en begon te wenschen dat ze zich niet zoo vernederd had,
daarna zich hoe langer hoe meer beleedigd te achten en eindelijk zich
op een onuitstaanbare wijze te verheffen op haar deugdzaamheid. Jo
zag er nog altijd uit als een donderwolk, en niets ging dien dag
goed. 's Morgens was het bitter koud; ze liet haar kostelijk warm
puddingtrommeltje in de goot vallen, tante March had een aanval van
rusteloosheid, Meta was afgetrokken, Bets keek bedroefd en neerslachtig
toen ze thuiskwam, en Amy praatte gedurig over menschen, die altijd den
mond vol hadden van goed te worden en er toch niet naar wilden streven,
zelfs niet, wanneer andere menschen hun een goed voorbeeld gaven.
"Ze zijn allemaal zoo onverdraaglijk, ik zal maar eens aan Laurie
vragen, of hij met me wil gaan schaatsenrijden. Hij is altijd
vriendelijk en vroolijk en zal me wel weer in mijn fatsoen brengen,
dat weet ik zeker," zei Jo tot zichzelf en ging op weg.
Amy hoorde het klepperen der schaatsen, en keek naar buiten met den
ongeduldigen uitroep:
"Daar nu! ze had me beloofd, dat ik den eersten den besten keer mee zou
gaan, want dit is natuurlijk het laatste ijs, dat we dit jaar zullen
hebben. Maar het zou vergeefsche moeite zijn aan zoo'n brombeer te
vragen mij mee te nemen."
"Zeg dat niet, Amy; je bent heel ondeugend geweest en het _is_
moeilijk voor Jo je het verlies van haar kostbaar boekje te vergeven;
maar ik vind, dat ze het nu wel doen kon, en ik denk ook wel, dat
ze het doen zal, als je 't maar op het goede oogenblik vraagt," zei
Meta. "Loop hen achterna, zeg niets voordat Jo weer in haar humeur
gekomen is door Laurie, neem dan een gunstig oogenblik waar en geef
haar een kus of doe iets liefs, en dan geloof ik zeker, dat ze met
heel haar hart vrede zal sluiten."
"Ik zal het probeeren," zei Amy, want die raad was naar haar smaak;
en na zich haastig aangekleed te hebben, liep ze de vrienden na,
die juist achter den heuvel verdwenen.
Het was niet ver tot aan de rivier, maar beiden stonden al op de
schaatsen, voordat Amy hen bereikte. Jo zag haar komen, en keerde zich
om; Laurie zag haar niet, want hij probeerde zorgvuldig het ijs langs
den kant, daar een warm zonnetje aan de laatste vorst was voorafgegaan.
"Ik zal tot aan de eerste bocht gaan, en zien of alles in orde is
voordat we om het hardst rijden," hoorde Amy hem zeggen, terwijl
hij vooruit schoot en er in zijn pels en bonten muts uitzag als een
jonge Rus.
Jo hoorde hoe Amy hijgde na haar harde loopen, en hoe ze met de voeten
stampte en haar vingers warm zocht te blazen, terwijl ze bezig was
haar schaatsen aan te binden, maar Jo keerde zich volstrekt niet om,
en reed langzaam "en zigzag" de rivier op, met een bitter en ongelukkig
soort van voldoening in den tegenspoed van haar zuster. Ze had haar
boosheid gekoesterd, tot het een krachtig gevoel was geworden, dat
haar heelemaal beheerschte, zooals kwade gedachten en opwellingen
altijd doen, tenzij men ze terstond verjaagt. Toen Laurie de bocht
omging, riep hij terug:
"Blijf aan den kant, het is in 't midden niet veilig". Jo hoorde het,
maar Amy kwam juist overeind en verstond geen woord. Jo keek over
haar schouder, en de kleine demon, dien ze schuilplaats verleende,
fluisterde haar in 't oor:
"'t Komt er niet op aan, of zij het hoorde of niet, laat ze maar voor
zichzelf zorgen."
Laurie was achter de bocht verdwenen, Jo kwam er juist dichtbij
en Amy ver in de achterhoede, zette zich in beweging naar de mooie
effen baan in het midden der rivier. Eén oogenblik stond Jo stil met
een vreemd gevoel in haar hart; toen besloot ze verder te gaan, maar
een zeker iets hield haar tegen en dwong haar nog eens om te kijken,
juist bijtijds om te zien, hoe Amy de handen in de hoogte sloeg, en
onder het plotseling kraken van brekend ijs, het geplas van water,
en het uiten van een gil, die Jo's hart van schrik deed stilstaan,
wegzonk. Ze wilde Laurie roepen, maar haar stem begaf haar; zij
trachtte op haar zusje toe te schieten, maar haar voeten schenen alle
macht verloren te hebben, en ze stond daar maar onbeweeglijk met een
ontzet gezicht te staren naar het kleine blauwe hoedje boven het zwarte
water. Eensklaps schoot haar iets pijlsnel voorbij, en Laurie's stem
riep haar toe: "Haal een stok; gauw, gauw!"
Hoe zij het deed, wist ze nooit te zeggen, maar de volgende
oogenblikken werkte ze als een bezetene, blindelings gehoorzamende aan
Laurie, die zijn zelfbeheersching niet verloor, en voorover liggende,
Amy ophield met zijn armen, totdat Jo een lat aangesleept had en ze met
vereende krachten het kind, meer verschrikt dan bezeerd, uit het ijs
trokken. "Ziezoo, nu moeten wij zoo hard mogelijk met haar naar huis
loopen; pak haar goed in met onze dingen, terwijl ik die verwenschte
schaatsen losmaak," riep Laurie, zijn jas om Amy heenslaande en aan de
riemen rukkende, die nooit te voren zoo ingewikkeld hadden geschenen.
Rillend, druipend en schreiend brachten ze Amy thuis, en na wat
van den schrik bekomen te zijn, viel ze bij een heet vuur en warm
in dekens gewikkeld in slaap. Onder al de bemoeiingen had Jo bijna
niet gesproken, maar bleek en verwilderd rondgevlogen, haar hoed en
mantel half af, haar japon gescheurd, en haar handen opengehaald en
bezeerd door ijs en latten en weerspannige gespen. Toen Amy rustig
lag te slapen, het huis stil was, en mevrouw March voor het bed zat,
riep ze Jo tot zich en begon hare gewonde handen te verbinden.
"Weet u wel zeker, dat ze buiten gevaar is?" fluisterde Jo en zag
vol wroeging naar het goudlokkig hoofdje, dat wel voor goed uit haar
oogen had kunnen verdwijnen, onder het verraderlijke ijs.
"Volkomen, mijn kind; ze heeft zich niet bezeerd, en zal zelfs niet
verkouden worden, denk ik; je hebt haar zoo flink ingestopt en zoo
gauw thuis gebracht," antwoordde haar moeder opgeruimd.
"Dat heeft Laurie gedaan, ik liet haar haar gang gaan. Moeder, _als_
Amy stierf, zou het mijn schuld zijn," en naast het bed neervallende
bekende Jo, onder een stroom van berouwvolle tranen, al wat er
gebeurd was, de hardheid van haar hart ten diepste veroordeelend
en onder snikken haar dankbaarheid betuigend, dat de zware straf,
die haar had kunnen treffen, haar bespaard was.
"Het is alles de schuld van mijn ellendige drift! Ik tracht het te
overwinnen, gedurig denk ik, dat ik het overwonnen heb, en dan is
het weer erger dan ooit. O moeder! wat zal ik doen! Wat zal ik toch
doen?" riep de arme Jo wanhopig.
"Waak en bid, lieveling; geef nooit den strijd uit moedeloosheid op,
en denk nooit dat het onmogelijk is een gebrek te overwinnen," zei
Mevrouw March, en ze trok het verwilderde hoofd tegen haar schouder
en kuste de betraande wang zoo teeder, dat Jo nog hartstochtelijker
begon te schreien.
"Ik weet het niet; u kunt niet begrijpen hoe erg het is! Als ik zoo
driftig ben, geloof ik, dat ik tot alles in staat zou zijn. Ik word
zoo woedend, dat ik iemand wel zou kunnen aanvliegen en kwaad doen,
en er dan blij om zijn. Soms ben ik zoo bang, dat ik nog eens iets
verschrikkelijks _zal_ doen en mijn leven bederven, en maken, dat
iedereen mij haat. O Moeder, help me, help me toch alstublieft!"
"Dat zal ik, mijn kind, dat zal ik. Schrei niet zoo bitter, maar
vergeet dezen dag nooit, en neem je met heel je ziel voor er zoo
nooit meer een te beleven. Jolief! wij hebben allen onze verzoekingen,
sommigen veel grooter dan de jouwe, en we hebben dikwijls ons heele
leven noodig om ze te overwinnen. Jij meent, dat je humeur het
slechtste ter wereld is, maar het mijne was vroeger precies zoo."
"Het uwe, Moeder? En u bent nooit boos!" riep Jo voor een oogenblik
haar berouw in haar verbazing vergetende.
"Veertig jaar heb ik er tegen gestreden, en daardoor geleerd mij te
beheerschen. Ik word bijna elken dag van mijn leven boos, Jo; maar
ik heb geleerd het niet te toonen, en ik hoop nog altijd ook dat te
overwinnen, al moest het me ook nóg veertig jaar kosten."
Het geduld en de nederigheid, die te lezen stonden op het gelaat,
dat ze zoo liefhad, waren een betere les voor Jo dan de verstandigste
preek, de scherpste bestraffing. Zij voelde zich dadelijk vertroost
door haar moeders medegevoel en vertrouwen; de overtuiging, dat
Moeder hetzelfde gebrek had en het steeds trachtte te verbeteren,
maakte het voor haar zooveel gemakkelijker te dragen, en versterkte
haar besluit er tegen te strijden; hoewel veertig in waken en bidden
doorgebrachte jaren een meisje van vijftien wel lang schenen.
"Moeder, is u boos als u uw lippen zoo op elkander drukt en soms de
kamer uitgaat, wanneer Tante March bromt, of de menschen het u lastig
maken?" vroeg Jo, die zich meer en inniger dan ooit te voren met haar
moeder verbonden voelde.
"Ja, ik heb geleerd de haastige woorden, die mij voor den mond komen,
te bedwingen; en als ik voel, dat ze toch, tegen mijn wil, zouden
ontsnappen, ga ik een oogenblik heen en neem mijzelf eens onderhanden,
omdat ik zoo zwak en slecht was," antwoordde mevrouw March met een
zucht en een glimlach, terwijl zij Jo's verwarde lokken gladstreek
en in orde bracht.
"Hoe hebt u geleerd u te bedwingen? Dat kost mij de meeste moeite--want
de scherpe woorden ontvallen me, voordat ik weet wat ik doe; en hoe
meer ik zeg, des te erger wordt het, totdat het me goed doet het gevoel
van anderen te kwetsen en verschrikkelijke dingen te zeggen. Vertel
mij toch eens, Moes, hoe u het aanlegt."
"Mijn goede moeder hielp mij altijd--".
"Zooals u ons helpt,"--viel Jo haar met een dankbaren kus in de rede.
"Maar ik verloor haar, toen ik nog maar iets ouder was dan jij nu,
en moest jarenlang alleen voortsukkelen, want ik was te trotsch om
mijn zwakheid aan iemand anders te bekennen. Ik had een moeilijken
tijd, Jo, en stortte veel bittere tranen over mijn tekortkomingen;
want in weerwil van mijn pogingen scheen ik toch nooit vooruit te
komen. Toen kwam je vader, en voelde ik me zoo gelukkig, dat het mij
gemakkelijk viel goed te zijn. Maar weldra, toen ik vier dochtertjes
om mij heen had, en we arm werden, begon de oude strijd opnieuw;
want ik ben van natuur niet geduldig en het kostte me heel veel,
als ik zag, dat mijn kinderen niet alles hadden, wat ze verlangden."
"Arme Moeder! wie heeft u toen geholpen?"
"Vader, Jo. Hij verliest nooit zijn geduld, twijfelt nooit, klaagt
nooit, maar hoopt altijd, en werkt zoo opgeruimd, dat men zich schamen
moet in zijn nabijheid anders te zijn. Hij hielp mij en beurde mij
op, en toonde mij aan, dat ik naar al de deugden moest streven, die
ik graag mijn kleine meisjes wilde zien bezitten, want ik moest hun
voorbeeld zijn. Het was gemakkelijker daarnaar te trachten ter wille
van jullie, dan ter wille van mezelf; een verschrikte of verbaasde
blik van een van mijn kinderen, als ik eens scherp uitviel, was
mij grooter verwijt dan woorden hadden kunnen zijn; en de liefde,
de achting en het vertrouwen van mijn kinderen was de heerlijkste
belooning, die ik kon ontvangen voor mijn streven, om de vrouw te
worden, die ik wenschte, dat ze zouden navolgen."
"O, Moeder! als ik ooit half zoo goed word als u, zal ik tevreden
wezen," zei Jo aangedaan.
"Ik hoop, dat je veel beter zult worden, lieve kind; maar je moet
waken tegen je "boezemvijand", zooals je Vader zegt, anders zou hij je
leven treurig maken, zoo niet bederven. Je hebt nu een waarschuwing
gehad, onthoud die, en zoek met hart en ziel dit driftig humeur te
beteugelen, voordat het je grooter droefheid en berouw veroorzaakt,
dan je nu voelt."
"Ik zal het probeeren, Moeder, ik zal wezenlijk mijn uiterste best
doen. Maar u moet me helpen, het mij herinneren, en maken dat het
niet tot zoo'n uitbarsting komt. Ik heb vroeger wel eens gezien, dat
Vader soms zijn vinger op den mond hield, en u aanzag met een heel
vriendelijk, maar ernstig gezicht; en dan klemde u altijd de lippen
vast op elkaar, of ging weg; herinnerde hij er u dan aan?" vroeg
Jo zacht.
"Ja, ik had hem gevraagd mij zoo te willen helpen, en Vader vergat
het nooit, maar bewaarde me voor menig scherp woord door die kleine
beweging en dien vriendelijken blik."
Jo zag, dat haar moeders oogen zich met tranen vulden, en dat haar
lippen beefden, terwijl ze sprak. Vreezend, dat ze te veel gezegd had,
fluisterde ze hartelijk: "Deed ik er verkeerd aan, dat ik zoo op u
lette en dat ik er nu van sprak? Ik was niet van plan iets onliefs
te zeggen, maar het is zoo prettig u alles te vertellen wat ik denk,
en me bij u zoo veilig en gelukkig te voelen."
"Mijn lieve Jo, je mag Moeder _alles_ zeggen, want het is mijn grootste
geluk en trots, als ik voel, dat mijn meisjes vertrouwen in me stellen,
en weten, hoe lief ik ze heb.""
"Ik dacht, dat ik u bedroefd maakte."
"Neen, kind, maar als ik zoo over Vader spreek, voel ik zoo diep
zijn gemis, zoo duidelijk hoeveel ik hem verschuldigd ben, en hoe
zorgvuldig ik waken en werken moet om zijn dochtertjes veilig en goed
voor hem te bewaren."
"En toch hebt u hem aangeraden te gaan, Moeder, en schreide niet,
toen hij heenging, en u klaagt nu nooit en ziet er nooit uit, alsof
u hulp noodig hebt," zei Jo verwonderd.
"Ik gaf het beste, wat ik had, aan het land, dat ik liefheb, en
bewaarde mijn tranen, tot hij vertrokken was. Waarom zou ik klagen,
als we beiden slechts onzen plicht hebben gedaan, en er aan 't einde
zeker gelukkiger om zullen zijn? Als het je toeschijnt, dat ik geen
hulp noodig heb, dan is dat, omdat ik een beter vriend heb dan zelfs
Vader is om mij te troosten en te steunen. Mijn kind, de moeiten en
verzoekingen van je leven beginnen eerst, en zullen misschien vele
zijn: maar je kunt ze allen bestrijden en overwinnen, zoo je de kracht
en de teederheid leert kennen van onzen hemelschen Vader, zooals je die
van je aardschen vader kent. Hoe meer je Hem liefhebt en vertrouwt,
des te dichter zul je je bij Hem gevoelen, en zooveel minder zul je
steunen op menschelijke macht en wijsheid. Zijn liefde en zorg worden
niet moede, noch veranderen; ze kunnen je nooit ontnomen worden, en
zullen je, hoop ik, een bron zijn van vrede, geluk en sterkte voor
het heele leven. Geloof dit van harte, en ga tot God met al je kleine
zorgen en bezwaren, je zonden en lasten, even vrij en vertrouwelijk,
als je tot mij gaat."
Jo's eenig antwoord was, dat ze haar moeder vaster omklemde, en in
de stilte, die nu volgde, steeg het oprechtste gebed, dat ze ooit
gebeden had, uit haar hart tot God op; want in dat droevig, maar
toch zoo gelukkig uur had ze niet alleen de bitterheid van berouw en
wanhoop leeren kennen, maar ook het liefelijke van zelfverloochening
en zelfbeheersching, en geleid door haar moeders hand, was zij
nader gekomen tot den Vriend, die ieder menschenkind welkom heet met
een liefde, sterker dan die van eenig vader, teederder dan die van
eenige moeder.
Amy bewoog zich en zuchtte in haar slaap, en alsof ze er naar verlangde
dadelijk haar fout te herstellen, keek Jo op met een uitdrukking op
haar gezicht, die er vroeger nooit op te zien was geweest.
"Ik liet de zon ondergaan over mijn toorn; ik wou haar niet vergeven,
en vandaag zou het te laat geweest zijn, als Laurie ons niet geholpen
had! Hoe kon ik zoo slecht zijn?" zei Jo halfluid, terwijl ze zich
over haar zusje heenboog en het vochtige haar, dat op het kussen lag,
streelde.
Amy sloeg haar oogen op, alsof ze de woorden gehoord had en stak
de armen uit met een glimlach, die rechtstreeks doordrong tot Jo's
hart. Geen van beiden sprak een enkel woord, maar ze omhelsden elkander
innig, in spijt van al de dekens, en alles werd met een hartelijken
kus vergeven en vergeten.
HOOFDSTUK IX.
META GAAT NAAR DE KERMIS DER IJDELHEID.
"Dat treft nu heusch al zoo gelukkig mogelijk, dat die kinderen juist
nu de mazelen krijgen," zei Meta op zekeren dag in April, terwijl ze,
omringd door haar zusjes, in haar kamer een koffer stond te pakken.
"En zoo lief van Annie Moffat, dat ze haar belofte niet heeft
vergeten. Lekker hoor, zoo veertien dagen lang plezier te gaan
maken," antwoordde Jo, die wel een windmolen leek, zooals ze daar,
met uitgespreide armen, rokken stond op te vouwen.
"En zulk heerlijk weer, daar ben _ik_ zoo blij om," voegde Bets er bij,
die zorgvuldig ceintuurs en haarlinten sorteerde en wegbergde in haar
mooiste doos, die ze Meta voor de gewichtige gelegenheid geleend had.
"Ik wou, dat ik zoo'n prettigen tijd te gemoet ging, en al die mooie
dingen mocht dragen," zei Amy met haar mond vol spelden, om het kussen
van de gelukkige smaakvol en kunstig te gaan besteken.
"O, ik wou dat jullie allemaal meegingen, maar daar dat nu niet kan,
zal ik mijn wederwaardigheden goed onthouden en jullie alles vertellen,
als ik terugkom. Dat is ook al het minste, wat ik doen kan, nu jullie
allemaal zoo lief zijn geweest om mij allerlei te leenen en in orde
te helpen brengen," zei Meta, rondziende naar de eenvoudige kleeren,
die in haar oogen bijna volmaakt waren.
"Wat heeft Moeder je uit de schatkist gegeven?" vroeg Amy, die er
niet bij tegenwoordig was geweest, toen een zeker cederhouten kastje
openging, waarin mevrouw March enkele overblijfselen van vroegere
weelde bewaarde, als geschenken voor haar meisjes, wanneer de geschikte
tijd daarvoor gekomen zou zijn.
"Een paar zijden kousen, dien mooi gesneden waaier, en een beeldig,
blauw ceintuur. Ik had ook zoo graag die blauwe zijden japon gehad,
maar er is geen tijd meer om hem te vermaken en ik moet dus maar
tevreden zijn met mijn oude alpaca."
"Mijn nieuwe neteldoekje zal je ook keurig staan en het lange zijden
ceintuur zal alles zoo opvroolijken. Ik wou, dat ik mijn bloedkoralen
armband niet kapot gegooid had, dan hadt je hem met plezier kunnen
krijgen," zei Jo, die gaarne iets gaf of uitleende, maar wier
bezittingen gewoonlijk te verminkt waren om nog tot eenig nut te zijn.
"Er is in de "schatkist" een beelderig, ouderwetsch stel paarlen,
maar Moeder zei, dat levende bloemen het mooiste sieraad zijn voor
een jong meisje, en Laurie beloofde me te zullen zenden, wat ik noodig
heb," antwoordde Meta. "Nu, laat eens zien, hier is mijn nieuw, grijs
wandelpakje--och, Bets, krul de veer van mijn hoed eens wat op,--dan
mijn alpaca voor Zondags en de kleine partij--het is wel wat zwaar
voor het voorjaar, vind je niet? het blauwe zijdje zou zoo netjes
staan; och hemel ja!"
"O kom, je hebt de neteldoeksche voor de groote partij, en als je in
't wit bent, zie je er altijd engelachtig uit," zei Amy, heelemaal
verdiept in den kleinen voorraad opschik, waar haar hart zoo naar
uitging.
"Die heeft geen lagen hals en geen sleep, maar het zal zoo wel
moeten. Mijn blauwe huisjapon ziet er zoo netjes uit, nu hij gekeerd
en nieuw opgemaakt is, dat het net een nieuwe lijkt. Jammer, mijn
mantel is lang niet naar de laatste mode, en mijn hoed heeft niets van
dien van Sallie. Ik heb maar niets gezegd, maar ik was ook vreeselijk
teleurgesteld over mijn parapluie. Ik had Moeder verteld dat ik liefst
een zwarte met een witten stok wou hebben, maar ze vergat het en kocht
er een met een leelijken geelachtigen stok. Hij is sterk en netjes,
dus moet ik niet klagen, maar ik weet dat ik er verlegen over zal zijn,
als ik Annie's zijden parapluie met een gouden knop er naast zie,"
zuchtte Meta en bekeek met grooten tegenzin het kleine regenscherm.
"Ruil hem," raadde Jo.
"Neen, dat zou flauw zijn, en ik wil Moeders gevoel ook niet kwetsen,
nadat ze zooveel moeite gedaan heeft om alles voor me in orde te
krijgen. Het is heel laf van me, dat ik er over denk, en ik ben
niet van plan er aan toe te geven. Mijn zijden kousen en twee paar
nieuwe handschoenen troosten me in mijn leed. Erg lief van je, Jo,
dat je mij de jouwe wilt leenen. Ik voel me zoo rijk en deftig met
twee nieuwe paren en de ouwe gewasschen voor dagelijksch gebruik;"
en Meta nam een hartversterkend kijkje in haar handschoenendoos.
"Annie Moffat heeft blauwe en rose lintjes in haar onderlijfjes;
zou jij er ook niet een paar door de mijne willen rijgen?" vroeg ze,
toen Bets met een berg schoon strijkgoed, versch uit Hanna's handen,
kwam aandragen.
"Hé, neen, dat zou ik niet doen; de lintjes zouden niet in
overeenstemming zijn met je eenvoudige lijfjes, waaraan maar een
onnoozel kantje zit. Arme menschen moeten zich niet opdirken," zei
Jo beslist.
"Ik zou wel eens willen weten, of ik _ooit_ zoo gelukkig zal zijn om
_echte_ kant aan mijn ondergoed te hebben?" riep Meta wrevelig.
"Laatst zei je, dat je volmaakt gelukkig zou zijn, als je maar
bij Annie Moffat kon gaan logeeren," merkte Bets op haar bedaarde
manier aan.
"Dat heb ik ook gezegd! O, ik _ben_ ook wel gelukkig, en ik wil niet
zeuren, maar het is toch net, of je meer verlangt, naarmate je meer
krijgt; vindt jullie niet? Ziezoo, de bak is klaar en alles is er in,
behalve mijn baljapon, di
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/17337