Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Over literatuur

by M. H. Van Campen · Dutch · Gutenberg #17078 · 571,733 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Over literatuur
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Over literatuur

Author: M. H. Van Campen


        
Release date: November 20, 2005 [eBook #17078]
                Most recently updated: December 12, 2020

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/17078

Credits: Produced by Marc D'Hooghe


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK OVER LITERATUUR ***




Produced by Marc D'Hooghe




OVER LITERATUUR

Critisch en Didactisch

van

M.H. VAN CAMPEN


TWEEDE BUNDEL


       *       *       *       *       *


Aan de Nagedachtenis van
Mr. Jacob Nicolaas van Hall



       *       *       *       *       *

I CRITISCH

       *       *       *       *       *


OUDE EN NIEUWE JOODSCHE DICHTKUNST [p.1]


NAAR AANLEIDING VAN EN OVER JACOB ISRAËL DE HAAN'S HET JOODSCHE LIED


I


Zoo ik nu in den aanhef van dit opstel het Sjir ha-Sjirim van Salomo
de zon aan den hemel van Israëls letterkundig genie heet, dan zult ge
het allicht een slecht omen noemen, dat ik mijn geschrift met een zoo
weinig, want zoo veel, zeggende phrase begin. Ik weet dit en toch ...
wat rest mij anders.... Indien gij den dag van dit volk overschouwt--en
diens uren zijn honderdtallen jaren!--en ge ziet elk licht achter zijner
paleizen vensters en op zijn pleinen verbleeken voor dien gloed, het
licht van den Psalmist in den pas dagenden morgen, als een alleenzame
bidlamp boven het hoofd der in gebed worstelenden en verzonkenen; de
glans der luchters, die een Jesja'ja in den middag ontstak, een telkens
weer schichtdreigende, doch zich ook telkens weer verzachtende en milde
glans, als die van vermanende, maar lievende oogen; de roode vlam-kreten
van Jirmejahoe's waakvuren, tegen den avond ontstoken, schimmend en
schijnselend over de flikkerende speren en zwaarden der naderende
verwoesters en ze al kleurend met bloed vóór het bloed. Als ge dit alles
overheerscht [p.2] ziet door dat hemelwijde licht, hoe zoudt ge dit dan
anders dan een zon kunnen heeten. Maar bovenal, hoe begrijpt ge dan, dat
die overheersching toch alleen mogelijk is, niet slechts omdat het licht
van het Hooglied de hoogste krachtsuitdrukking al dier andere glansen
is, maar ook, en vooral, wijl het tevens van dezelfde natuur en
essentieele samenstelling is. Laat bij beurte al dien glans door het
scheidend prisma van uw critischen geest op den donkeren wand van uw
diepste gevoel vallen en zie: van alles blijkt het hoogst-geestelijk
spectrum één.... Overal is het de hoogere, en een gloedende, lyriek;
overal zijn het de kleuren der stralende metaforen; overal de
lichtbanden eener nergens onderbroken zielsmuziek. Maar toch, nergens
zoo rijk, zoo fèl aanwezig als in de afstraling van het Hooglied. Hoe is
hier op verwonderlijk-eenende wijze de zoetste aardsche liefde aan de
mystieke extase gehuwd. Welk een roes der zinnen en welk een
doorgeestelijktheid.... Wat zou het ook anders dan een zon kunnen zijn,
die hièr de bloembedden van Sjaron's geurende rozen en spelemeiende
gelieven verheerlijkt, ginds, en tegelijkertijd, door de boogramen der
aloude tempelgewelven de schemering goudelend komt verrijken, en met "de
kus Zijns Monds", de mystieke aanraking van zijn in sluier van licht
verborgen Oerlicht, de Cheroebiem en de Arke, de voorhangen en de
altaren omgloriet....--Laat ons dit dan begrijpen en vaststellen, dat
dit Lied der Liederen de maatstaf aller Joodsche lyrische kunst moet
zijn, want dat dit Lied, boven alles, de meest wezenlijke bestanddeelen
van het Joodsch, dichterlijk genie omvat. Het antieke Israël bevond zich
toen het werd geschreven, in het zenith zijner grootheid, ongedrukt,
vrij van alle beënging; het kòn zich geven en het gaf zich in de
bloeiende naaktheid eener jeugdige ziel die nog niet de lidteekenen van
schandelijke wonden behoeft te verbergen. Het zong uit in dit lied heel
de zinnelijkheid maar ook heel het extatische godsverlangen van zijn
Oostersch hart; het schiep in dezen zang beelden na beelden, want zijn
jonge ziel was vol liefde en de eenheid der dingen lichtte voor haar;
het dompelde de woorden in een ambrosia van zoetheid en van streeling;
er is een vleien en een lokken, er varen melodieën, [p.3] er zuchten
weggekuste fluisteringen in dit Hebreeuwsch, als ik nooit elders
klank-vereeuwigd heb gevonden. En er is ook een uitbundigheid in, die,
hoog den godenbeker heffend, den deinzenden eenvoud in 't gezicht lacht
... een pralende rijkdom, zóó rijk, dat hij zich zelfs der schamelheid
van een enkelen rhetorischen smuk niet schaamt.[1] En als later, in de
diaspora, na de wreede, met stomheid slaande overheersching der Gothen,
de intocht van het Arabische broedervolk in Spanje voor Israël een
gelukkiger tijd laat dagen, dan klinkt wel uit nieuwe monden een nieuw
lied, maar waarin, zij 't meest flauwer, toch weer al de oeroude
eigenschappen der bijbelsche dichtkunst fonkelen. Hoe verscheiden de
twee allergrootsten van dat tijdperk ook mogen zijn, diè eigenschappen
hebben zij gemeen. De eerste van beiden, naar den tijd niet alleen, maar
ook mijns inziens naar de diepte en hoogte zijner bloedende
menschelijkheid gemeten: Aboe-Ajoeb Soleiman ben Jacha Ibn Gabirol, een
worstelaar met de eigen ziel, een diep-in-gespletene, als wijsgeer
hartstochtelijk-strevend naar een religie-vrije onafhankelijkheid van
denken, telkens naderend dan het pantheïsme, telkens echter ook weer
deinzend voor de consequenties daarvan,[2] maar als gemoedsmensch [p.4]
en als dichter met hart en ziel Jood[3]--hij heeft religieuse zangen
gedicht, zooals het vermaarde Keter Malkoet, waarin een zelfde
beeldenrijkdom, een zelfde gloed en uitbundigheid, een niet mindere
weidschheid van conceptie en voorstelling als die der antieken herleven.
Ja zelfs heeft hij, de hevige hater en hartstochtelijke beminnaar, de
stug in zich-zelf beslotene en van een mateloos zelfgevoel vervulde,
iets van het uit twijfel geboren opstandige van den Kohelet hooger
opgevoerd, en in zijn messcherpe satyre herkent men--o, onloochenbare
rasgemeenschap over een afstand van eeuwen!
--den--grooteren!--stamgenoot van Heinrich Heine[4], terwijl [p.5] de
tweede groote dichter van dat zelfde tijdvak: Aboe-'L-Hassan Jehoeda
ha-Levi, in tegenstelling met zijn voorganger eene uiterst harmonische
natuur, die niet als gene de bittere tweespalt tusschen denken en voelen
kende, in zijn lyriek niet minder het complex van de eigenschappen der
antiek-Joodsche dichtkunst vertoont, zóó zeer, dat sommigen hem, als
dichter en Hebreeuwsch stylist, slechts één meenden te kunnen gelijken,
den onsterfelijken Jesja'ja.[5] En [p.6] deze eigenschappen nu, de meest
essentieele en kenmerkende, zoowel der bijbelsche als na-exilische
Joodsche kunst: de uitbundigheid, de pralende beeldenrijkdom, de
zielsmuziek, zij zouden niet gelijk het geval is, in Israëls diepste
volkspsyche moeten wortelen--als trouwens in die van alle Oostersche
volken in tegenstelling met de Westersche, in wier wereldgrooten alleen
zij zich voornamelijk toonen--zoo gij ze niet in die andere harer
hoogste uitingen, in den aard van haar bespiegelend denken terugvondt.
Nochtans, ik vermoed, dat gij er bezwaar tegen hebt, uit den tuin der
lyriek naar de studeercel der wijsbegeerte te worden gevoerd. En ik weet
dit te billijken. Zij het U en mij dan voldoende, zoo ik uwe aandacht
vestige op slechts één feit: het antieke Israël heeft de wijsbegeerte
niet gekend, zijn contemplatie van Godheid, Ik en Wereld uit zich alleen
in de boekstavingen der spreukmatige wijsheid. Dit, men zal het
gemakkelijk inzien, is voor hetgeen ik bewijzen wilde van het grootste
gewicht. Immers de wijsbegeerte, dat is de zich uit axiomata en in
syllogismen geleidelijk ontwikkelende gedachte, verhoudt zich tot de
spreukmatige wijsheid als de zich vrijwillig beperkende tot de eene
alzijdsche vrijheid verkiezende; als de omzichtige en eenvoudige tot de
sierlievende uitbundigheid; als de droogstemmige en koude abstractie
[p.7] tot het zingende en warme concrete. Wel pogen beide den top van
wijsheids bergketen te bereiken, maar de een begaat den tocht als een
wetenschappelijk geschoolde bergbeklimmer, de rugzak vol instrumenten,
de bijl in de hand, waarmee hij voorzichtig trede na trede hakt; de
ander als een gems, huppelend over de rotsblokken, springend over de
afgronden; de een in zijn moeilijk voortschrijden vol van het
bewijstzijn, dat de geringste misstap hem in den afgrond kan doen
vallen, de ander dartelend aan den rand der gevaren en heerlijk-blij in
zijn goudbruine oogen en op zijn tartend gewei, de vonken van Gods zon
te mogen vangen, als de ander zich beklaagt, dat die verblinding hem
hindert en zijn gletschertreden glibberig maakt.--Nóg beteekenisvoller
dan dit lijkt mij het feit, dat ook in den na-exilischen tijd het
Joodsch genie geen oorspronkelijke wijsbegeerte kon produceeren. Schalke
luim van het lot: het volk, dat Athena vol-wassen en krijgswaardig
toegerust uit het hoofd van zijn hoogsten god zag treden--welk een
vleiend symbool voor de spreukmatige wijsheid, welk een negatie van de
zich geleidelijk-ontwikkelende wijsgeerige gedachte!--heeft aan het
volk der Spreuken de wijsbegeerte geleerd! Op de Grieksche
philosophie rust de Joodsche.--Als nu, wat ik heb gezegd, de waarheid
omtrent deze dingen is--en zij is het--; als ook de meer moderne
Hebreeuwsche en Jargon-dichtkunst[6] de juistheid daarvan komt
bevestigen; indien wij derhalve gerechtigd zijn te concludeeren, dat de
Westersche lyricus, die gene uitbundigheid, dat rijke metaforisch
vermogen en die ziels-muzikale stem mist, daardoor alleen toont geen
zeer groot dichter te zijn,[7] maar dat de Joodsche zanger, wien ze
ontbreken, daardoor [p.8] tevens blijk geeft diepst-psychisch van eigen
ras te zijn vervreemd--hoezeer is het dan niet te betreuren, dat de
eerste Joodsche dichter, die in Nederland zijn kunst aan zijn ras wijdt,
helaas grootendeels deze eigenschappen ontbeert, helaas dus een zoo
ón-Oostersche, een zoo ón-Joodsche kunstenaars-psyche vertoont.
Oostersche uitbundigheid? Zij is hem vreemd, ja, wij mogen wel zeggen,
dat hij haar gering schat, hij is een eenvoudige, wien wij soms niet
dan euphemistisch aldus mogen noemen en voor wien dan de naam schamele,
naar onze meening, beter passen zou. Rijkdom aan beelden, aan metaforen?
Niet één herinner ik mij uit zijn bundel, dat wil dus zeggen: zéker
heeft niet één mij verrukt. Dit vermogen, niet slechts, zooals ik reeds
zei, door alle Oostersche volken bezeten, maar door de allergrootste
dichters van àlle tijden en àlle landen met zooveel liefde als een van
hun hoogste krachten gekweekt--men leze en her-leze bijv. Shelley's
meening daarover én die van Lord Bacon, d.t.p. door hem
aangehaald[8]--hij bezit het niet. Zielsmuziek, dat hooger-melodieuse?
Ja, sòms in zijn allerbeste oogenblikken, maar ach, maar ach, hoeveel
verzen zijn er ook niet van een verbrokkeld en knoeierig metrum, verzen
door een hortend en stootend rhythme tot rijmklankige prozabrokjes
versplinterd. Stel dezen eersten Zionistischen dichter naast den
niet-Zionistischen Querido en nog niet eens naast den schrijver,van
Saul en David, maar naast dien van den Hartjesdag in De Jordaan, en
vraag u af bij wien 't meest de essentieel-Oostersche, de Joodsche
qualiteiten blijken. Stel hem naast Heyermans.... Stel hem naast
Goudsmit en nog niet eens naast dien van het innige Joodsche werk, maar
naast, bijvoorbeeld, den schrijver eener lyrische critiek op Mevr.
Holst's Opstandelingen en vraag u hetzelfde af.... Vergelijk hem met
Canter ... En gij zult gevoelen: of deze vier het wìllen zijn of niet,
naar hun hoogste en naar hun lagere psyche, in hun deugden en hun
gebreken, zijn zij Joden,[9] [p.9] en of de Haan het ook met zijn
heele hart en ziel wìl zijn, hij blééf naar zijn hoogste psyche, slechts
een naar het Joodschap verlangende. Te betreuren noemde ik dit, niet
alleen om hemzelf--al ware 't alleen om hem, het zou reden genoeg zijn,
want al het andere reeds genoemde daargelaten, welk een tragische
tweespalt is er hier niet tusschen de lagere, Joodsche, en de hoogere,
de scheppende, niet-Joodsche individualiteit--; ook niet slechts om
zijne Nederlandsche rasgenooten, want ten slotte, wat dezen betreft: een
ras of rasgroep krijgt ook den dichter, dien het verdient--; maar vooral
om het niet-Joodsche Holland. Want ware ik een Arisch instede van een
Semitisch Nederlander, ik zou voorzeker eens het volgende hebben gezegd:
"Joodsch-Hollandsche kunstenaars, mìjn ras, begrijpt het wel, maakt geen
aanspraak op de dankbaarheid van het uwe; het huisbakken grofheidje van
dat gij mijn gast en ik uw gastheer zou zijn, ik dènk er niet aan, het
te herhalen. Uw volk hier te lande, zich uitend door uwe grootsten, een
Israëls, een Heyermans en een Querido, het heeft met daden getoond, den
grond en de hemelen van Holland, zijn volk en zijn zee lief te hebben
met zùlk een liefde als men niet voor het huis eens liefsten gastheers
voelt, maar slechts voor eigen erf. Zoo erken ik, mijn land is uw erf
gelijk 't het mijne is. Maar toch, schoon het mij niet past, hierover
uit te weiden, deze ééne maal zij 't gedaan ... aarzelend ... om uwent-
en mijnszelfs wil: had dit alles ook niet anders kunnen zijn? Waren onze
vaders hier niet eeuwen vóór de uwe? Overvleugelt ons tal niet met
millioenen het uwe? En nochtans ... als eens uw meest-grootsche verleden
U onweerstaanbaar zal roepen en ge weer in 't aloude Kena'an wonen zult,
zal dan uw ras één land van al de landen, waarin het de eeuwen door
heeft gewoond, zoo zonder eenige bitterheid [p.10] kunnen gedenken als
het mijne? Zoo weet ik: uw genegenheid zal ons eeuwig zijn. Welnu, zorg
gij dan, dat ook onze lievende heugenis aan U een eeuwige zij. Hoe? Door
U-zelf, een kind van uw ras te wezen. Als gij dan zult zijn
heengetrokken en mijn Volk zal, in de toekomende eeuwen, op Holland's
hooge dagen, de juweelschrijnen openen van zijn taal, dan zullen geburen
en vrienden vragen: "Wie schonk u deze vreemde sieraden, die toch
voorzeker exotisch zijn, niet-Westersch is ook immers in vele de
mengeling van verheven schoonheid en gebrekkige leelijkheid. Hadde een
Groote, van welk ras hij zij, ze gemaakt, ik zou de laatste missen, doch
hadde een kleiner Wèsterling ze gewrocht, de eerste ware veel geringer."
En het zal antwoorden met een stillen glimlach: "Deze schonk mij een
vriend, die vele jaren bij mij woonde en vele kunstvaardige zonen had;
eendracht zegende onze verscheidenheid; de een overheerschte den ander
niet; hij achtte mij niet gering om mijn koele soberheid en
zelfbeteugeling, ik hem niet om zijn praallievende onstuimigheid. Zoo
werkten wij, ieder naar eigen diepsten aard, en vulden deze schrijnen,
tot ons beider verlustiging. Hij liet ze mij toen hij ging.... Wanneer
ik ze zie, gedenk ik zijner, mijn vriend, die nu onder de palmen en bij
de olijfbosschen woont".--Evenwel, wanneer gij niet een kind van uw ras
zult willen of kunnen zijn; zoo gij met het groot assimilatie-vermogen;
dat gij ongetwijfeld bezit, ons tot in onze scheppende eigenschappen
zult navolgen en met het ontleende het ras-eigene bedekken, of het
ras-eigene niet eens meer bezitten zult en ons nochtans ietwat als zoon
van uw volk zult schenken, zoodat toch een ieder zal weten, dat dit het
geschenk van een Jood, van een Oosterling was, dan zal mijn volk, als
het in de komende eeuwen zijn vrienden en geburen de kleinoodiën toonen
zal, die gij het liet, voorzeker het smartend antwoord hooren: "Deze
goudsmeedkunst is als de uwe! Uw vriend moge een innige en lieve vriend
zijn geweest, een zwak kunstenaar lijkt hij mij zeker; had hij geen
eigen aard? Had hij den aard zijner vaderen verloren, of hebt ge hem
dien verdrukt, of hebt ge hem dien ontvleid?" [p.11] Dan zal mijn volk
zich schamen om U èn zijn onverdienden smaad en het zal pogen, U niet
meer te gedenken. Weet dit en kies dus"....

Zóó zoude ik gesproken hebben indien ik een Ariër ware. Maar gij schudt
't hoofd en lacht en, àch, ik begrijp U: dezen eenen keer, dat ge in des
dichters beoordeelaar zijn rasgenoot wildet hooren, verdiept deze zich
zonderlinger wijze in den wonderen droom, dat hij een Ariër is! En
voorwaar, ge hebt gelijk: dèze uitbundigheid loopt niet slechts de
Hollandsche spuigaten, maar zelfs die van Haifa en Jaffa uit!



       *       *       *       *       *



II


In alle kunst, ook de hoogste, is de kracht van des scheppers
sentimenten en gedachten de primaire oorzaak van alle
schoonheid--hetzij die kracht zich uite als innigheid, hetzij als
heftigheid of als scherpzinnigheid; zoodra zij een zekeren graad
overstijgt, gevoelen wij hare aanwezigheid als die eener aesthetische
waarde--doch in de lagere kunst is zij de eenige daarvan, daar wordt
zij namelijk vaak een ijverzuchtige godheid die, den tempel der taal met
haar aanwezen vullend, geen ander god naast zich duldt, en dàn:
verhindert zij het verschijnen der hóógste schoonheid daarin. Ik zal
later in dit opstel aantoonen, ten eerste, dat deze scherpe
scheidingslijn tusschen hoogere en lagere kunst in waarheid bestaat en
waaruit zij blijkt; ten tweede, dat de productie van onzen dichter tot
heden grootendeels tot de laatste behoort; maar zoolang ik dat niet
zal hebben gedaan, gelieve de lezer toch wel in 't geheugen te houden,
dat dit mijn meening is, een meening, waarmede de lof dien ik zoo
gelukkig ben dezen kunstenaar te kunnen brengen, nìet in strijd is. Nu
is het wel is waar een feit, dat blijkens diens vroegere, mij bekende
werken, Pathologieën en Libertijnsche Verzen, het zuiver-individueel
sentiment van onzen auteur geen bijzonder hooge mate van kracht bezat en
ofschoon in het eerstgenoemde werk zijn denken die wel [p.12]
bezit--zich uitend in een vaak scherpzinnige redeneerkunst--wordt het
ons toch spoedig duidelijk, dat met de aan van Deyssel's Adriaan
ontleende stijlvormen van dit werk, ook een groot deel van de
genereerende kracht-zelve van dien Meester werd geborgd--een zeer
frequent verschijnsel overigens, in elk geval dat een kleiner kunstenaar
door de aan hem verwante psyche van een grooteren wordt verrukt
--terwijl de Libertijnsche Verzen wel aangenaam-en-curieus-om-te-lezen
maar vlak van een wel wezenlijk doch ònkrachtig en òndiep sentiment
blijken; zoodat, ware in dit alles geen verbetering ingetreden, zelfs
die uitsluitend door de kracht der sentimenten voortgebrachte
schoonheid, ook in dezen bundel niet al te overvloedig zou zijn aanwezig
geweest. Maar die heilzame verandering trad in, want anders en oneindig
beter werd het met den dichter èn prozaïst gesteld, toen hij zich aan de
bron der gemeenschap mocht laven, en zoowel door het wee der verdrukten
en ellendigen ontroerd, als zich bewust werd van de onverbrekelijke
saamhoorigheid met het ras waaruit hij was voortgekomen. Hierdoor rees
zijn sentiment in kracht en macht ver boven de zuiver-individualistische
stemmingssentimentjes van het meerendeel onzer hedendaagsche, kleinere
dichters uit. Want een stemmingssentiment--tot het bezit van een
fundamenteel-individueel sentiment brengen in dezen tijd de
kleineren het zelden of nooit--dat is maar een geurtje van één knopje
aan den menschboom, het ontstaat in den boom, straks bloeit en geurt er
een tweede, aanstonds weer een derde. Telkens als er een is uitgebloeid
en verwelkt, blijft de boom armer achter ... maar de
gemeenschapssentimenten, dàt zijn de fundamenteele, die ook de kleinere
in dezen tijd bezitten kan, zij ontstaan niet in den boom maar in de
aarde, waarin hij wortelt, zij stijgen in hem op en zich vermengend met
zijn wezen versterken zij dit blijvend. Hoe zou het verbloeien van
duizend zijner bloemen hem kunnen verarmen?... Hij drinkt en voedt zich
uit een onmetelijkheid. Geen andere omstandigheid dan deze is de oorzaak
van de zich telkens weer openbarende verjonging der socialistische
dichters in ons land, een Gorter, een Henriette Roland Holst, een [p.13]
Adama van Scheltema, al bewijst dit--ik geef het onmiddellijk toe
--niets voor het lot der kleineren, want het werk dezer drie behoort
nagenoeg geheel en al tot wat ik de hoogere lyriek heb genoemd.[10] En
voorzeker: de opzuigingskracht der wortels en of zij zoo trouw de
moederaarde omklemmen, dat niet elk windstootje uit den hoek van lust of
onlust hen ontwortelen kan--dat zijn ook factoren, waarmede men rekenen
moet. Maar overigens, dit zijn dingen, waarover de criticus der toekomst
spreken mag,--laat mij maar tevreden wezen met te boekstaven dat nu
althans onze dichter best zelf nog weet, wat de oorzaak is zijner
versterking en verrijking:

    Ik dwaalde graag door ijdel schoon bekoord,
    IJdel mijn lied tot dat mijn hart verstond
    Dat ik Dichter van mijn trotsch volk moet zijn.

En het is dan ook niets dan weer een andere vorm van het
gemeenschapssentiment, dat zijn proza van In Russische Gevangenissen
zoover als de hemel boven de aarde boven zijn vroeger proza heeft
verheven. Het is mijn taak niet over dien arbeid te spreken. Slechts dit
eene: om dat kleine werkje vooral heb ik den schrijver liefgekregen. Al
hadde hij niets anders waardevols geschreven, dàt zou zijn naam voor
vergetelheid bewaren. In eere en liefde zal ieder hem er om gedenken,
den moedige, inzichtige en goede. Zijn Hooger-Ik heeft voor immer daarin
de hand naar hem-zelf ook uitgestrekt; zoo hij steun mocht behoeven, hij
kan háár grijpen. En als zijn leven ook verder moet schrijden door de
dorten van leed en berouw--zijn Mozes sloeg ook voor hem op de steenrots
der barbaarschheid, hij drinke het zuivere water....--Is dus, zoo goed
als in dat werk, het gemeenschapsgevoel ook de oorzaak dat Het Joodsche
Lied hoogst waardevolle arbeid werd, deze omstandigheid had tevens tot
gevolg, dat [p.14] waar, zooals ik reeds heb gezegd, des dichters lagere
persoonlijkheid wel, maar zijn hoogere en scheppende niet het Jood-zijn
hervond, diè verzen voller van kracht en dus schooner moesten worden,
welke de meer concrete gevoelens der lagere persoonlijkheid
vertolken--zooals de herinneringen der jeugdjaren--dan gene, welke de
meer abstracte en meer zuiver-ideëele verwoorden, die eerder tot de
sfeer der hoogere persoonlijkheid behooren, zooals de nationale
toekomsthoop en onpersoonlijke historieele herinnering ze vormen. Op
de schoonheid der eerste wees ik reeds vroeger en waar ik dit nu toch
niet beter zou kunnen zeggen, mogen mijne woorden van toen hier worden
herhaald: "Zijn Joodsche Liederen, in De Gids van 1910 verschenen,
zijn van een zeldzame voortreffelijkheid. Het zijn juweeltjes van
stemming en zich-in-liefde-herinneren. Het zijn
verzen-met-geloken-oogen, in een diep-innerlijken droom verzonken en er
zich niet van bewust dat zij hun droom uitspreken, en gehoord worden
buiten zich." Maar ook wees ik toen reeds aan wat ik van minder gehalte
vond: "Het aan Het Joodsche Nationaalfonds gewijde gedicht in De
Beweging van deze maand[11] lijkt mij niet zoo uitmuntend. Het is dunkt
mij te onvrij van min of meer cerebrale, bedàchte, alledaagsche motieven
van nationalen trots en Zionistische toekomsthoop, die niet in de
dichterlijke conceptie en uiting verbijzonderd en verindividualiseerd
zijn." Deze meeningen zijn door het lezen van des dichters geheele
Joodsche werk slechts versterkt. Maar mede heb ik daardoor het klaarder
inzicht in de oorzaak van het verschil tusschen beide soorten van verzen
verkregen, zooals ik dit hierboven heb uitgezegd. Over de aanwezigheid
van dat verschil oordeele de lezer-zelf, al moet ik mij te dezer
plaatse, waar vele dezer gedichten verschenen, van veel citeeren, zooals
van zelf spreekt, onthouden. Een paar schoonheden dus slechts uit de
zeer vele en innige dezer persoonlijke-herinneringsverzen.

(Het einde van Groote Verzoendag):

[p.15]

      Avond. Met koortsig, huivrend hoofd omhuld.
      Bad ieder man zijn eigen doodsgebed
      Stervensbereid. Wie hoort de vale tred
    Des doods komend om onvergeven schuld?

    Maar neen. Wij allen onthulden het hoofd
      Zagen elkanders moede en verblijde oogen.
      God heeft ons uit den Dood in 't Licht getogen,
    In laatste dank worde zijn Naam geloofd.

    Naar ons licht huis. De onvaste voeten tasten
      Wankel in 't gaan. Vader en ik stilzwijgend,
      Met hart, dat snelt en bitteren mond hijgend
    Maar zielsverrukt door bidden en door vasten.[12]

(Uit Na de Paschen, II:)

    En elk jaar heugt schooner U de pracht der verleden jaren,
      Toen ik, jongste, mijn vragen deed,
    En hoorde vader ons den oud gewijden zin verklaren
      Van Drank en bittre beet.

    Hij sneed het kroonkruid, wij proefden wortel en blaadren bitter
      Maar aten snel van 't vruchtenzoet
    En dronken teedren wijn en staarden zalig in 't geschitter
      Van 't licht op feestlijk goed.[13]

En nu van de tweede soort een stukje (uit Verstrooiing):

    Wij waren herders. En wij werden slaven
      Van een trotsch koning in het wreede Egypte.
      Pyramiden bouwden wij, sfinxen, krypten
    Doodensteden met hijgend, hongrend draven.

    Maar toen: met tien Wondren togen wij uit,
      God lei de zee voor onze voeten droog.
      En dreef 't snel water der Jordaan omhoog.
    Een land vol melk en honing werd ons buit.

[p.16]
    Voor veldslaven hadden wij honderd volken.
      In steden en dorpen woonden wij rijk.
      Rustig heerschend. Ons aantal was gelijk
    Aan 't zand der zee en 't water van de wolken.

    Maar met de weelde kwam het ijdel dwalen
      Langs wegen, die Mozes niet heeft gekend,
      Gods Gezicht donkerde, toornend gewend
    Liet hij stormen van doodend onheil dalen.

Wel, het spijt mij, maar ik kan van zoo iets niet anders zeggen, dan dat
ik het een heel gebrekkig en gewrongen proza vind, dat vermoedelijk zoo
gebrekkig en verwrongen werd, omdat het rijmen moest en een vers wilde
zijn.... En is het tot hiertoe van historische herinnering vervuld,
nadat deze zich nog in een tweetal strophen van gelijke onwaarde als de
voorgaande heeft vermeid, wendt het gedicht zich naar de toekomst,
spreekt het de nationale hoop uit:

    Zullen wij keeren? Vriend, wat is 't verlangen,
      Naar 't Vaderland, dat ik in uw hart weet,
      In mijn hart voel, geen enklen dag vergeet,
    Dat onbedwingbaar zingt in mijne zangen?

    Zullen wij keeren? Worden wij landbouwers
      Op 't eigen veld, van dit wreed zwerven wij?
      Slaafsheid draagt zwaar. Maar altijd blijven wij
    Op nieuwe Toekomst de vaste vertrouwers.

Hiermede is het gedicht afgeloopen. Prachtig hoor: dat doet me goed aan
mijn Joodsch hart, en als dat hart nog traditioneel-geloovig ware, dan
zou het me nòg meer goed doen.... Maar eilieve, waar is nu eigenlijk het
aesthetisch schoon van dit vers en waar zijn de krachtige en diepe
gevoelens, die dit schoon hadden moeten veroorzaken. Zeker, de dichter
zègt, dat "'t verlangen ... onbedwingbaar zingt in (zijne) zangen," maar
maakt het geluid van zijn vers dat ook voor ons tot werkelijkheid?...
Komaan, lezer, neem de proef, neem een goed [p.17] gedicht van welken
grooten of kleinen dichter ge maar verkiest, neem, om 't u gemakkelijk
te maken, de door mij gecursiveerde gedeelten der zooeven geciteerde
jeugd-herinneringsverzen, verander daarin op zoodanige wijze de woorden,
dat ge den groveren zinsinhoud niet verminkt, maar daarentegen van
oorspronkelijk rhythme, van metrum, rijmklank niets laat overblijven,
en--ge zult u over het resultaat van uw vandalisme ontzetten: nagenoeg
alles van wat u verrukte of bekoorde is wèg. Maar neem nu dìt vers, maak
er gewoon fatsoenlijk proza van.... Welnu! wat verloort ge?... Niets. Ge
hàdt niets te verliezen!

Intusschen, haalde ik dit vers aan, ik deed het niet, om daardoor den
lezer een denkbeeld te geven van de algemééne waarde dezer gedichten van
de "tweede soort". Als zoodanig voorgesteld, zou dit niets meer of
minder dan een lasterlijke onjuistheid zijn. Ik wilde alleen zeggen: van
de jeugdherinneringsverzen daalt geen van alle tot dit peil.--Maar
overigens: er zijn zeer zeker geslaagde bij, zooals bijvoorbeeld
Bemoediging met dat telkens terugkeerende door zijn veel-evoqueerend
geluid aandoenlijke "Leitmotif":

    Eenmaal zal ons Volk Land en Stad behooren,
    Waar David koning is geweest.

en nog zooveel innigs. Maar andermaal: háált hun innigheid bij die in
menig van die heerlijk-schoone Sabbathliederen, bij, ten voorbeeld, dit:

    Al jeugd vergaat. Moeder, ik ben verdwaald,
      Mijn heete handen tasten in het duister.
      Moeder, ik wil weer terug naar den luister,
    Die van onzen heiligen Sabbath straalt.

Tenzij--tenzij dat geestelijk-zien der verre toekomstverschieten zich
een enkel maal mag verbinden aan de concrete jeugd-herinneringen en
dááruit beeldende en zingende kracht put, zooals in [p.17] Vreugde der
Wet, dat aanvangt met die als biddend opziende filiale verheerlijking:

    De handen van mijn Vader waren teeder
      En oud. Hij hief boven 't geheven hoofd
      Dat schoon symbool: palmentak rankgeloofd
    Met myrtentak, wilgentak en ceder.

Dan dit zacht murmelt als een peins-droomend kind, de oogen zien òp en
vèr, terwijl het droom-gebonden spreekt:

    Palmentakken, O Vader, in het Oost
    Beven die levend in de lichte zon.

Ten slotte zijn warm gevoel ook over het toekomstvisioen laat gloriën:

    Wij zwierven veel. En toch keeren wij weder
      Naar 't Heilig Land, waar milde honing vloeit
      Uit bonte bloemen. Waar de wijndruif gloeit
    En gouden appels rijpen aan den ceder.[14]


Er zijn echter nog groote schoonheden van anderen psychischen oorsprong
in dezen bundel. Zij bevinden zich op die plaatsen, waar de bloeiende en
geurende specifiek-Joodsche jeugdherinneringen doornomrankt,
doorndoorboord worden door het algemeen-menschelijk sentiment van
wroeging om begane zonden. Ik geloof niet, dat één mensch in Holland
zich zoo waarachtig, zoo schaamteloos-waarachtig heeft gegeven--ik bezig
natuurlijk dit woord "schaamteloos" uitsluitend ter kenschetsing der
mate van overgave, zonder daaraan eenige ethische waardebepaling te
verbinden--gelijk deze [p.19] dichter. Bij die hevige wroeging, bij dit
brandend berouw, hoe worden er de ikheidssentimentjes van de meesten
onzer decadenten onwezenlijk en lafjes bij. Hoor dit geluid:

    "Dat iedereen, dien 't hongert, hedenavond binnentrede
      Neme van 't heilig Feest zijn maat"--
    Mijn voet valt doodsvermoeid, o, kon ik keeren tot dien vrede,
      Der vromen toeverlaat.

    Mij walgt van aardschen wijn en eeuwig blijft voor mij gesloten,
      Weelde van het Hemelsch Gezin.
    Aanvaard uw heilloos lot, ziel, deel met uw minne genooten
      Uw onheilvolle min.

    Niet dezen Nacht en niet één Nacht, die volgt van woede of weelde,
      Stel als een schuldloos kind uw vraag,
    Geen antwoord is voor U, die lichtzinnig uw lot verspeelde.
      Dan 't eigen dof geklaag.

Lees ook dat laatste der Sabbathliederen, waar de oude vriend van des
dichters jeugd, de heilige Sabbath-zelve, hem aan het libertijnsch
banket komt manen, tot de idealen en het zuivere leven zijner jonge
jaren weer te keeren. O, mocht ik het citeeren, dit wonder-innige, dit,
schoon ook van diepste smart en martelenden tweestrijd volle, toch
bloeiend-bevallige gedicht.... Doch kan ik er aan denken? Het zou zeker
zes bladzijden van dit maandschrift beslaan!...--Evenwel, ook in deze
soort verzen is een daling te bemerken. Gaat het niet in dit opzicht met
dezen bundel als met het leven der menschen, een ènkele gelukkige
uitgezonderd? De jaren van den aanvang van een leven, zijn dat niet zijn
dichters, en de jaren van den ouderdom zijn die niet zijn rhetorici? Wat
de eerste hebben geprofeteerd, dat preeken de laatste; wat deze
hebben door-leefd, dat door-commentarieeren de andere; ach, hoe
waren deze schóón door kràcht, hoe werden gene léélijk door zwàkte; zij
herhalen en herhalend vergrauwen zij alle de scherpe, schitterende
punten van het "uiterste", waarin [p.20] de schoonheid straalde. Gaat
het niet met de wroegingsverzen in dezen bundel evenzoo? En uit een
zelfde oorzaak. De eerste zijn machtige en heftige, schoone en echte
verzen, de latere naderen bedenkelijk dicht de rhetorica. Die latere
zijn--laat mij exact wezen --vaak slechts ten deele de uiting van het
levend gevoel en ten deele de preekerige, koudere, soms huilerige
herhaling ervan. Het is waar, als ik aldus van die latere spreek, dan
heb ik vooral op het oog een gedicht als dat Aan Leo V. gewijd, een
gedicht van didactische natuur, en didactiek verleidt licht tot den
preektoon. Maar toch--het is ook vol van een verhulde arrogantie--en het
is waarlijk niet het eenige, dat daardoor wordt ontsierd--en dier
aanwezigheid is het beste bewijs, dat het heftige, levende
wroegingsgevoel, zooals dat in de vroegere verzen aanwezig was, en
daar, zooals ook noodwendig is, van zekeren deemoed werd verzeld, hier
niet meer bestond, want: diè wroeging èn arrogantie ... neen, samen gaan
die niet. De preekerige aanmatiging bestaat hierin, dat de dichter, op
grond van het feit, dat hij door het verlaten der Leer tot "zonde" kwam,
een jongeling meent te moeten vermanen, de Leer trouw te blijven opdat
ook hij niet tot zonde vervalle.[15] Wélk een arrogantie is dit en welk
een beschimmeld clericalisme bovendien! Kende onze dichter vrij groote
groepen van het jonge joodsche proletariaat, hoe zou hem zulk een uiting
berouwen.... Die honderden jongelui, met hun aandoenlijk streven naar
ontwikkeling, met hun reinen levenswandel, deze groote kinderen, van wie
het meerendeel geen flauw begrip van Leer of godsdienst heeft. Begrijp
toch Dichter, dat èlk ideaal, mits als zoodanig in waarheid door den
menschengeest gevoeld, hem beveiligt en opheft. Als de tijd één wrak
heeft gemaakt, dan sticht hij een ander. De tijd? Neen de
menschengeest-zelf! Want zooals de levenskiem van den vogel in het ei,
zich vleugels bouwt, zoo bouwt zich de ziel des menschen [p.21] haar
idealen.... Gij, Dichter, die den menschvogel ... een paar vleùgels
... áánpréékt....--Doch genoeg hiervan, liever wijze ik nog op een
andere schoonheid in dezen bundel, de verzen der Demonen. Deze oude
fantasmen heeft de dichter op zeer gelukkige wijze weer bezield, door in
hun evocatie het element van eigen zinnelijkheid te vervlechten. Alleen:
ik heb niet de reden kunnen ontdekken, waarom hij dien ouden demon, dien
armen Ketef Meriri zóó gruwelijk heeft verminkt. Want een horendrager
te zijn, mij dunkt, dat is al erg genoeg, doch een enkele horen te
wezen!...[16]



       *       *       *       *       *



III


Na nu aldus, naar ik hoop, de plaats en de waarde te hebben aangewezen,
welke dezen verzen mogen worden toegekend op hun eigen plan, dat dus,
enkele gedichten uitgezonderd, dat der lagere poëzie is, zij het mij
vergund de eigenschap te noemen, welke de hoogere lyriek van deze
onderscheidt. Die is dan mijns inziens geen andere, dan dat de hoogere
de kenmerken draagt van te zijn voortgebracht door een ziel, die
triomfantelijk en vrij hare sentimenten en gedachten te boven rijst, de
lagere daarentegen duidelijk doet blijken geboren te [p.22] zijn uit
eene, die in die gedachten en sentimenten bleef bevangen.

De triomfeerende ziel is als een zon, die boven een wolkenduister
landschap dagend, gulden zoomen van schoonheid aan die wolken maakt;
de onvrije ziel een zon, die, door de wolken verwonnen, onmachtig
blijft: het strijden en jagen van hun duistere gestalten, het vagen
hunner schaduwen over boomen en vaarten is de eenige schoonheid, die ge
ziet: de kracht der sentimenten en gedachten, zij laten de opkomst der
al te zwak-stralende niet toe.

De eerste is een Cyrano, die vechtend om zijn leven, met de schoonheid
zijner onbevangenheid, de schoonheid van zijn luchtigen lach, van zijn
tartend en dartel woord, van zijn absolute overheersching, de
toeschouwers tot jubel vervoert. Hij strijdt, ja, doch dàt lijkt maar de
bijzaak, tegelijkertijd echter dicht hij een lied, in woorden
en--bewegingen, één rhythme van oppermachtige triomfantelijkheid
doorstroomt àlles, en dàt, dàt schijnt wel voor dien goddelijken
schoonheidsdorstige de hoofdzaak....--De laatste is een log
zwaardvechter, die druipend van bloed en zweet om zijn leven vecht. Zijn
eenige schoonheid is zijn kracht, de massiviteit van zijn lichaam, van
zijn leden en spieren.

De lagere lyriek, zij wekt ons medegevoel en onze liefde op: wij
lijden en strijden mede met dezen zwaardvechter, wij worden duis-en
bewogen als deze wolken; maar de hoogere--zij alleen overstraalt en
verrukt ons.

       *       *       *       *       *

Vlei ik mij nu, te hebben doen gevoelen wat het onderscheid is en waar
de grenslijn ligt tusschen de hoogere en lagere dichtkunst, ik wensch
nochtans niet, wat ik heb gezegd in het vage van het bewijslooze betoog
te laten. Zoo kies ik dan, om aan verzen-zelf de bovengenoemde
eigenschap der hoogere lyriek te demonstreeren, één uit Verwey en een
uit Henriette Roland Holst. Met de kleinere zijde van beider
dichterschap toont onze dichter wel eenige verwantschap, en--die
ingetogenheid en eenvoud, waarnaar hij strééft, zijn bij de
laatstgenoemde volmaakt en overtreffen ver de zijne.

[p.23] Verwey's In Memoriam Patris. (Het vers is te lang, om het hier
in zijn geheel te citeeren en ofschoon het ongetwijfeld een ernstige
schennis is, er een deel uit te lichten, mòet dit nu wel. Vergenoege ik
mij dus met het schoone slot.)

    Daar zijn bloemen, mijn bloemen van zang:
      Zij spreiden een licht om zijn hoofd,
    Een schijnsel om lokken en wang,
      Dat nooit zal worden gedoofd--
    Goeden en grooten begraaft men zoo:
      Zij zijn licht in hun sarkophagen,
    Met een schijnsel van zangen en klagen
      Om het hoofd.

Ziet ge: vooral die door mij gecursiveerde regels vormen zulk een
gulden zoom van schoonheid om den donkeren nevel der herdenking.

Henriette van der Schalk. (Uit: Het Gelukzalig Leven van den Vrome).

    Want zijn hart leeft rustig niet onbewogen
    verheven boven 't armelijk bestaan
    van wie macht'loos te worden aangedaan
    voor verwinning aanzien hun onvermogen
    harten te voelen gespannen als bogen
    onder des levens geweldige aan-
    rakingen en hun dorheid een weerstaan
    noemen der zon waar zij als kracht op bogen.

    Maar 't zijne staat, te midden van de dingen
    niet als een rif, waartegen baren breken
    maar als een meer, dat berg van vlakte scheidt,
    de onstuimige wat'ren die 't binnen-dringen
    herrijzen uit die klare en diepe streken
    als effene stroomen vol statigheid.

Ziet ge: deze door mij gecursiveerde terzinen, die zijn die gulden zoom
van schoonheid, om het zwaar gewolkte der contemplatieve gedachte.

[p.24] Welnu, ik kan slechts herhalen: zulk metaforisch schoon wordt in
het werk van onzen dichter gemist.

Maar den Cyrano wenscht gij te aanschouwen, den man, die spottend en
dichtend om zijn leven vecht; ge wenscht nu die heel vrije, die zeer
koninklijke ziel te zien, die hare lenigheid en vrijheid nóóit
verliest; die te midden van den strijd, van de diepste vertwijfeling,
van de felste opstandigheid, blijft naar de schoonheid tasten èn:
haar grijpt.... Maar laast ge dan nog immer, in die onvolprezen
vertaling van Boutens, Omar Kayyam's Kwatrijnen niet? Scharten's
opstel bracht mij ertoe, U nog niet? Dàn zaagt ge ook niet den oneindig
dieperen, den grootsten Cyrano, dien wellicht ooit de wereld droeg. Zie
dan weer, éven:

    Ik ben een slecht slaaf--: waar is Uw genade?
    Mijn hart is nacht--: waar blijft Uw dageraden?
    Uw hemel kan ik winnen door mijn dienst:
    Dat's loon--: waar zijn Uw gunst en liefdedaden?

Dit is de lenigheid en de triomf van de schoonheid-grijpende ziel te
midden van den hartstocht der opstandigheid....--En dìt, vooral dìt, de
triomf van de lenige en vrije ziel die de schoonheid grijpt te midden
van het vertwijfelen aan den zin en de rechtvaardigheid van het leven:

    In donkren hoek van levens tuin verschrompeld,
    Door 't eenig-welig onkruid overrompeld,--
    O Hart, gelijk een rozeknop beklemd,
    En als een tulp in eigen bloed gedompeld!

Nu begrijpt ge 't: dàn slechts kan men zulk een groot dichter, zulk een
schepper van hoogere lyriek zijn, als niets de ziel weerhouden kan,
overal, op de moeizame steilten en verre hoogten der wereld bloemen van
schoonheid te plukken; het gevaar van den tocht, de gepijnde voeten, het
wildkloppende hart, alles een aansporing te meer om te gaan dáárheen,
daar troost, daar loon te vinden. Keert hij van daar terug--de zeldzame
bloemen die hij plukte verhalen heerlijk van zijn vreeselijken tocht....
En daalde hij ten afgrond, "overdekten hem machtige wateren", hij greep
de parel der schoonheid, en liet ze niet los; aanschouwt hij weer de
zon, hij wordt de louteraar en de smeder van haar goud....--

Dat ònze dichter nu, ofschoon hij die lenigheid en die vrijheid niet
kent, ofschoon hij geen triomfeerende maar een bevangen geest is, toch
in zijn beste verzen den zoom van het gebied van zulker hoogere zielen
lyriek heeft mogen betreden, dat heeft hij daaraan te danken, dat dàn
althans één uitgang van zijn kerker openstond, die waarvoor de muzikale
schoonheid den bevrijde wacht: in die beste verzen leeft het schoon
eener zoet-zinnelijke welluidendheid.

       *       *       *       *       *

Men heeft de meening uitgesproken, dat niet-Joden deze verzen niet
voldoende zouden kunnen waardeeren, omdat zij te subjectief-Joodsch
zouden wezen en dat men althans als Jood moest gebòren zijn, om diep in
hun gevoelssfeer te kunnen doordringen[17]. Dit laatste is op zichzelf
zeer juist, doch het lijkt mij tevens een opmerking, die hier weinig ter
zake doet. De vraag is niet of zekere lezers werkelijk diep in de
gevoelssfeer van een zeker werk kunnen dringen, de vraag is of die
lezers door den dichter in de illusie worden gebracht, dat zij het
doen; of die lezers zóó door des dichters scheppend vermogen in
verrukking worden gebracht, dat zij meenen ook diens gevoelsfeer te
begrijpen. Ik heb vroeger in ditzelfde tijdschrift uiteengezet, dat en
waarom wij niet minder kunnen genieten van een werk welks gevoelssfeer
ons vreemd is, dan van zulk een, waarbij dat niet het geval is;[18] ja,
ik heb aangetoond, dat dit laatste, het medeleven in die gevoelssfeer,
tot zulk een graad kan stijgen, dat het ons juist het aesthetisch
genieten verhindert.[19] Ik vrees dan ook, dat àls de niet-Joodsche
lezer tot het bewustzijn mocht komen van zijn onmacht, deze verzen te
doorvoelen, dit niet zal veroorzaakt worden door zijn niet-Jood-zijn,
maar alleen doordat die verzen hem niet hebben verrukt, hem niet in
die dronkenschap van liefde en bewondering hebben gebracht, waarin hij
wel moest gelooven, dat hij ze doorvoelde en begreep. Want dit konden
dan deze verzen niet, doordat zij maar al te zeer behooren tot wat ik de
lagere lyriek heb genoemd. Ik zal mij natuurlijk wel wachten mijn
vroeger betoog te herhalen. Slechts verwees ik den lezer ernaar, want
ongetwijfeld vult dat vroegere aan wat ik thans ga zeggen. Toen ik
namelijk nu opnieuw nadacht over deze zaken en mij afvroeg, of ik dan
wellicht toch destijds een redeneeringsfout had begaan, toen bood zich
mijn inzicht instede van de ontdekking van een fout, de mogelijkheid om
door een minder abstracte redeneering dan de vroegere, de juistheid
mijner beweringen van eene andere zijde uit te bewijzen. En daarnaar
moge ik hier nog trachten.

Ons geheele actieve zieleleven wordt gevormd door een reeks van
verrichtingen die niet-volledig-begrijpen en niet-volledig-doorvoelen
moeten worden genoemd. Zóó onvolledig, dat het niet-begrepene en
niet-doorvoelde zich meestal tot het begrepene en doorvoelde verhouden
als een onmetelijkheid tot een stip. Doch als datgene, waarmede onze
ziel zich, aldus ten-deele-doorvoelend, bezighoudt, haar door de
majesteit, schoonheid of heerlijkheid zijner verschijning verrukt, dan
worden wij in den waan gebracht, dat we 't volledig begrijpen: wijl
wij ons hebben volgedronken, meenen we: wij hebben dit
leeggedronken. Want wij voelen ons dan zóó verzadigd van geluk, en zóó
rijk en zóó machtig, dat het begrip, hoe in die heerlijkheid iets zou
kunnen zijn, dat òns wezen niet kan bevatten, niet tot ons doordringt.
En in deze illusie brengen ons zoowel de groote machten van het leven
als die der kunst.

[p.27] Het leven: als ons met de dronkenschap en de verrukking van haar
aanwezen de liefde vervult, zoo meenen wij haar diepte en hoogte te
kennen. Wij denken en spreken van haar in vervoering en als uit diepste
weten. Zelfs later is de bloote herinnering aan ons machtig gevoel nog
in staat, ons bijwijlen te doen denken, dat wij haar volledig kenden.
Indien ten tijde onzer vervoering iemand tot ons zou zeggen: "Gij kent
de liefde niet, maar slechts een onnoemelijk klein deeltje harer
onmetelijkheid," wij heetten hem een dwaas, en nochtans--vraag uw rede,
wiè hier de dwaas is.... Dat zéér kleine schelpje van onze ziel, door
die oceaan op het strand geworpen, van zóó weinige harer druppelen
volgestort, of weer ledig van haar, weggevoerd of in haar nabijheid
gelaten, houdt het niet op te ruischen van haar.

En de kunst? Vraag uw rede, of wij kleinen, de liefde en den haat, het
denken en voelen van een Salomo en een Shelley, een Kayyam en een Dante
kunnen dóór-voelen. Zij zegt u duizendmaal: neen, dat kunt gij niet.
Niettemin, zoo wij hen lezen, zoo wij ons begeven in hun invloedsfeer,
dan vervult ons immer weer dezelfde illusie, dezelfde dronkenschap, en
onze van liefde en verrukking verblinde ziel stamelt: O, Heerlijken, ik
zou u niet begrijpen, liever stièrf ik, hier in mijn hàrt voel ik het,
dat ik u niet slechts begrijp, maar dat ik één met U ben, ge hebt mij
tot U genomen, ik leef met U en niet zonder U, ik kan u nooit meer
verlaten....--En nochtans?...

Als de Miltoniaansche Adam onder de heerlijkheid des Eeuwigen in den
visioenen-vollen sluimer der verrukt-overweldigden zinkt ... wat kàn hij
dan meer hebben gedaan dan zich voldrinken uit die oneindige
Heerlijkheid?.... O, Dichter, wij staan vóór u, wij Ariërs, wij
Semieten, wij alle geslachten der aarde, wij allen zien tot u op, wij
wachten uw woord verlàngende. Maar zie, als ge nu spreken zult buiten de
heerlijkheid der Grooten en slechts met de taal van een diep-gevoelig
mensch, zoo zullen slechts de Ariërs u toejuichen en liefhebben, als gij
over de gevoelens en voorstellingen der Ariërs spreekt, en de Semieten
als gij over dier gevoelens spreekt, en elk ras en elk volk slechts
wanneer uwe zegging zich aan hun zielesfeer verbindt. [p.28] En uw loon
zal gering zijn en uw zege onvolledig en die van een sterveling.
Evenwel, wanneer ge, 'schoon slechts sprekend gelijk ieder mensch, ook
de grootste, uit uw eigen zeer beperkte sfeer, toch in de heerlijkheid
en schoonheid der Grooten tot ons zult spreken, dän zullen wij noch
Ariërs, noch Semieten, maar van liefde vervoerden, van verrukking
dronkenen zijn; wij zullen niet dan verheerlijkte menschen, ùw
overwinning onvergankelijk en volledig wezen ... zich hernieuwend van
eeuw tot eeuw.... Dichter wees gij onze Heer, wij zullen uw Adam
zijn....--

       *       *       *       *       *

Eindig ik nu en zie ik rond mij in den kring van gevoelens en gedachten,
die na lezing van dit dichtwerk uit mij ontstonden, dan zie ik menig
gelaat, vragend mij aanziend: "Laat ge mij achter, vergeet gij mij?" En
ik antwoord berustend: Vergeten zal ik u niet, maar u achterlaten, dat
zal wel moeten. Want de literaire criticus als zoodanig valt nimmer den
gedachten- en gevoelsinhoud van den beoordeelde aan, en gij, gedachten
die ik achterlaat, zijt sociologische en wijsgeerige strijders.--Maar al
waart gij geen strijders ... dan nog....--Zoo zag ik, dat de
proletarische toon in deze dichtkunst ontbrak en ik vond er de
sociologische verklaring van, maar wat moet daar de literaire criticus
mee aanvangen? Zoo vond ik tot mijn leedwezen een--soms zelfs
opgeschroefd!--chauvinisme in dezen bundel, een chauvinisme dat ik den
grootsten vijand van gezond nationaliteitsgevoel acht--wat echter heeft
de literaire criticus daar mee van doen? Neen voorzeker, hij niets. Maar
ik--zeer veel! En zoo ik dit alles nu achterlaat, vergeten zal ik het
niet maar het wellicht te zijner tijd uiting geven.--Heb ik veel goeds
maar ook veel kwaads van deze verzen gezegd, het beste bewaarde ik voor
het laatst: Het zal den dichter tot blijvende eere strekken, dat hij de
eerste was, die op grootendeels zuivere en innige wijze in kunst het
verlangen heeft verwerkelijkt, dat in de keur van Holland's Jodendom
leeft, het verlangen: van Joodsche Nederlanders tot Nederlandsche Joden
nu reeds, tot Palestinensische later te worden. Dichter, [p.29] uw kunst
is nu nog slechts de smalle brug over een poel van waan en
bourgeois-satisfaitschap, waarover een kleine groep van Joodsche
idealisten naar de eenheid met hun bewogen-levende, hun
smartelijk-lijdende broeders in andere landen trekt. Moge de Bouwmeester
haar versterken tot eene, zoo breed en monumentaal, dat eens de
tienduizenden van het Hollandsch-Joodsche proletariaat er over zullen
schrijden, blijde en trotsch, de gelederen der Po'alé-Tsion tegemoet.

16 Januari '16.


Noten:

[1] Waarschijnlijk hebben wij toch als zoodanig te beschouwen: "Als een
granaatappel-snede zijn uwe wangen tusschen uw vlechten." Want ware de
rimmon, de granaatappel, niet zulk een geliefkoosd versieringsmotief in
de antieke Joodsche versieringskunst, ware hij niet tevens het symbool
van iets zeer edels, waarmede men gaarne wat men eeren wilde, vergeleek,
dan zou de Dichter hier allicht, door het kiezen eener andere vrucht,
zijne vergelijking treffender hebben gemaakt.

[2] Zijn philosophisch werk, oorspronkelijk in 't Arabisch geschreven en
onder den titel Mekor Chajim = Bron des Levens, fragmentarisch in 't
Hebreeuwsch overgezet door Sjemtob ben Jozef Ibn Falaquera, was reeds
eerder onder den titel Fons vitae door Dominicus Gondisalvi met behulp van
een gedoopten Jood, Avendeath, vertaald. In deze Latijnsche vertaling
heeft het grooten opgang in de Christelijke wereld gemaakt en zoowel de
opmerkzaamheid van Scotisten als Thomisten getrokken. Na aanval op en
verdediging van zijn stelsel door de stichters dier scholen--Thomas van
Aquino had het aangevallen, Duns Scotus zich in menig opzicht een
aanhanger betoond--maakten de volgelingen het tot onderwerp hunner
disputen. Het aardige echter van het geval is, dat men absoluut niet
meer wist, dat zijn auteur een Jood was. Bij de overzetting was de naam
Ibn Gabirol of G'ebrol eerst verbasterd tot Avencebrol, later tot
Avicebron en dezen fantastischen Avicebron hield men voor den een of
anderen vromen monnik! Pas in 1846 werd door den grooten Munk te Parijs
de identiteit van Gabirol met Avicebron onbetwistbaar vastgesteld.


[3] En toch ook in zijn productie als zoodanig voelt men een enkel maal
iets pantheïstisch. Zoo in dit kwatrijn--in de vertaling van Geiger--:

    Du staunst, dass ich zu Weisheitshöhen kühn
    Den Weg besteige, ebnend mir den Pfad?
    Der selbe Geist, der meinen Leib bewegt,
    Ist ein das  All umkreisend Weltenrad.

Ik vestig eens voor al de aandacht der lezers er op, dat ik in deze
studie nimmer uit Hebreeuwsch-Joodsche dichters citeer met het doel:
schoonheid te toonen. Dat is ook mijns inziens vrijwel onmogelijk in
Geiger's vertaling, die niet alleen bijna immer volmaakt rhythme- en
geluid-dóód, maar bovendien, naar zijn eigen verklaring trouwens, vaak
een zich naar den modernen lezer voegende omwerking is. Zelf aan een
vertaling van dit of dat Hebreeuwsche gedicht van Gabirol mijne krachten
te beproeven, daartoe ontbreekt mij nu den tijd, dien ik daarvoor noodig
zou hebben, te meer waar de tekst van zijn profane verzen zeer corrupt
is, en niet gebundeld, maar in allerlei oriëntalistische tijdschriften
verspreid.--Nochtans heeft Geiger ook een enkel keer wel eens gevoelig
vertaald, zóó dit van Samuel Nagdilah, dat--zie overigens volgende
noot--indien men aan de gevaren en verzoekingen van 's mans schitterende
maar benijde positie denkt: een traditioneel-Joodsch vizier onder een
Mohammedaansch vorst, zéér aandoenlijk is:

    Ueber der Zeiten Krümmung
    Ewigem Leben zu reit' ich
    Und zu dem Paradiese
    Ueber die Hölle schreit' ich....


[4] Men oordeele: dit kwatrijn,--en het gaat nog wel op den dichter
Samuel Nagdilah, den machtigen vizier, die zijn beschermer en vriend
was, maar met wien hij later in onmin leefde--:

    Mir war so kalt, mich hat
    Ein solcher Frost durchschnitten,
    Als hörte ich ein Lied
    Von Samuel den Leviten.

Of een ander maal--erger nog: critiek op een Bijbelsch dichter!--; uit
een grooter gedicht:

    Von Salomo dem Weisen war
    Zu Zeiten wohl der Geist gewichen,
    Da hat er einer Lämmerheerde
    Der Zähne Perlenreih' verglichen.

En ten slotte dit zelf-getuigenis:

    Was soll mir's, dem klangreichen Dichter,
    Zu singen vor solchem Gelichter?
    Ist besser, dass ich sie zu Brei hack'
    Denn meine Zung' ist mein Dreizack.


[5] Deze Jehoeda ha-Levi is dezelfde, die door Heine zonderlingerwijze
Jehuda ben Halevi wordt genoemd, en wien hij in zijne Hebräische
Melodien, o.m. "Eine wunderbare, grosse Feuersäule des Gesanges" noemt.
Ziehier twee voorbeelden van zijn echt-Oostersche beeldvorming:

    Die Sonne sinkt, die Nacht erhebt sich
    Der Mond erscheint mit goldnem Rand,
    Die Stern' im Meer gleich, irren Wandrern
    Die unstät zich'n in fernem Land.

Voeldet ge ook niet het bannelingssentiment van den Jood in deze laatste
regels?--En dit, geschreven na op zijn tragischen pelgrimstocht naar
Palestina, van waar hij nimmer terugkeerde, Tyrus te hebben bezocht:

    Heil Tyrus! Deinen Weisen Heil! Sie haben
    In's Herz mir ihre Namen eingegraben
    Und sich zum Meer ein zweites noch erkieset:
    Mein Auge,das von Thränen uberfliesset.

Overigens: hoezeer 't ook geheel eens met hen, die hem als Hebreeuwsch
stylist op één lijn met de groote bijbelsche dichters stellen, geloof
ik, dat hij als dichter onder die Grooten blijft. Hij heeft niet immer
de enorme hartstocht, het werelddragende gebaar van een Jesja'ja. Eerder
nog, dunkt mij, is hem het zoet-idyllische van het Hooglied eigen, aan
welks geluid het zijne ook verwant is. Hij is ook soms--ik spreek nu
alleen van zijn profane verzen--wat klein-speelsch....--Daarbij komt:
ten eerste, dat hij in een doode taal dichtte; ten tweede, dat hij in
een vreemde maatschappij leefde, wier anti- of on-Joodsche richting niet
kan hebben nagelaten, een nadeeligen invloed op zijn
Joodsch-dichterschap te oefenen.

Ook een opvallende uiterlijkheid wijst dien invloed aan. Het liefdeleven
van de hem omringende Arabische samenleving was sterk homosexueel
getint, de geringschatting voor de vrouw algemeen, 't geen tot gevolg
had, dat ook een dichter die een liefdesvers tot een vrouw richtte, den
schijn aannam, tot een man te spreken. Welnu, Jehoeda ha-Levi wien,
zonder eenige twijfel alle homosexueele neigingen volkomen vreemd waren,
en die overigens als streng-traditioneel Jood ze ook als helsche zonde
verfoeide, heeft meer dan eens die Arabische dichterlijke mode gevolgd.
("Il faut remarquer" zegt Luzzatto, geciteerd bij Geiger, "que la
pédérastie était en honneur chez les Arabes (comme chez les Grecs), et
que les poètes juifs parlent de leurs amis comme si c'étaient des
amants").

Een dergelijk gedichtje van zijn hand, door mij uit het Hebreeuwsch
vertaald, waarbij ik alle de geliefde als man travesteerende taalvormen
weer in vrouwelijke omzette, moge ten voorbeeld hier volgen:

    Zij, tot wier losprijs ik mij Gode wijdde,
    Heeft dezen nacht bij harp en zang doorwaakt,
    En daar ik dorstig bij den roemer beidde,
    Aldus, zoet manende, mijn lust gelaakt:
    "Drink, Dichter, wijn ten beker mijner lippen
    Vóór Dageraad den zwarten vool laat glippen,
    Waarop goudverwig 't maangebloemte blaakt."


[6] Men zie mijn derden "Brief over Literatuur" in Over Literatuur,
eerste bundel, en vooral het daarin geciteerde: La Poesie lyrique
Hébraique Contemporaine van Dr. Slousch, benevens mijn studie over Die
Lieder des Ghetto, in mijn Opstellen.

[7] Hoezeer deze kenmerken en niet minder de "omwegen der voorstelling",
welke laatste de heer Scharten meer een specifiek Oostersche
eigenaardigheid in Tagore scheen te achten, inderdaad ook bij den
grooten Westerling aanwezig zijn, daarvan kan zich elk lezer van bijv.
La Vita Nuova--ook, uitgezonderd natuurlijk wat betreft het
oorspronkelijk geluid, in van Suchtelen's voortreffelijke
vertaling--overtuigen.

[8] A Defence of Poetry. Part I.

[9] Hetgeen ook van v. Collem dient te worden gezegd. Tot mijn leedwezen
bemerkte ik destijds, èven te laat, hem niet als vijfde te hebben
genoemd, schoon ik reeds zeer vroeg in Het Jonge Leven de aandacht op
hem had gevestigd en ook in mijn eersten bundel Over Literatuur, zijn
oorspronkelijkheid roemend, van zijn "wrang-joodsche schertsdichtjes"
spreek. Sinds dien is zijn joodsche geaardheid nog veel gterker en
schooner aan den dag getreden. Noot van Juli '19.

[10] Ook van Eeden's telkenmale hervinden van zijn ongerepte
jeugdkrachten,--welk een prachtig blijk daarvan was weer Sirius en
Siderius, die fel- en realistisch-levende vertastbaring van een
allerteersten en hoogen droom--berust m.i. op de omstandigheid, dat hij
zulk een sociaal-voelend kunstenaar en, meer dan dat, een
geboren-"eenheidsstrever" is.--

[11] Juni 1912.

[12] Cursiveeringen van mij.

[13] ibid.

[14] Het is merkwaardig hier te zien, hoe de stemmingen van het
verleden in het geheugen van onzen dichter zuiver bewaard bleven, maar
het feitelijke zich vertroebelde: niet op Vreugde der Wet wordt bij het
gebed de palmtak gebruikt maar op het Loofhuttenfeest.

[15] Men begrijpe wel, dat met "zonde", in dit gedicht niet
voornamelijk bedoeld wordt datgene wat de Schrift-alleen als zoodanig
beschouwt, bijv. het werken op Sabbath, het eten van varkensvleesch,
e.d., maar ook zulke, die ook buiten de Schrift, door de "algemeen
geldende moraal" zonde wordt geacht.

[16] De dichter zegt:

    ... "de duistere Ketef dwarrelt
    In 't schoonste zomeruur, een ossenhoren
    Is zijn gestalte, die sidderend scharrelt.

Deze scharrelende ossenhoren, zonder kop, romp en beenen kwam mij
onmiddellijk zeer onwaarschijnlijk voor--al moet men in dit opzicht,
waar 't demonen betreft, niet al te twijfelziek zijn! En toen ben ik
eens in de Midrasjim gaan snuffelen en zoo vond ik in Bamidbar Rabba,
12, een vrij uitvoerige schildering van dezen demon, waaruit ik het
volgende zinnetje vertaal: "Zijn hoofd gelijkt dat van een kalf en een
horen gaat uit het midden van zijn voorhoofd op ... en hij wentelt zich
als een vat over den grond." Men ziet het: de dichterlijke guillotine
heeft radicaal gewerkt! Nog een andere schoolmeesterlijke opmerking: Zou
de dichter bij een herdruk niet liever als grondslag voor zijn
transcriptie van Hebreeuwsche woorden in Latijnsche letters de
sefardische uitspraak adopteeren, zooals die ook door de niet-Joodsche
Hebraïci wordt gebruikt? En de Ajin waarvan toch niemand meer de juiste
uitspraak kent, inplaats van door ng, door een ' willen aanduiden?
Hoeveel welluidender is Ja'akob Jisraeel, met die fijne
Spaansch-Joodsche e aan het eind, dan Jangakauf Jisroijl.

[17] Ook Is. Querido in een Letterkundige Kroniek, Algem. Handelsbl. van
16 Dec. '15.

[18] De Gids, 1913, IV, blz. 476--77. En Over Literatuur, eerste bundel,
blz. 104--106.

[19] De Gids, 1913, IV, blz. 486. En Over Literatuur, eerste bundel,
blz. 115--116.



       *       *       *       *       *



[p.30] MAURITS SABBE: DE NOOD DER BARISEELE'S


Na dat niet minder kluchtige dan lieflijke, van vogelgefluit,
bloemenkleuren en goeielijk-hartig lachen doorvonkte en doorschalde
werkje De Filosoof van 't Sashuis, dat boekje met precies het tikje
bewùst zóó gearrangeerd zijn; met juist dat wèinigje als houterige
abruptheid in het bewegen der oolijke figuren, dat ook aan de lustige
Jan Klaassen's der Poesjenelle-kelders herinnert; en ook dat
fijn-geurige snuifje van, ik zou zeggen: archaïsche, naïveteit, als
genoeg was, om mij hevig en in een uiterst verheugende openbaring, de
verwantschap van dezen auteur met de groote Spanjaarden--vooral Hurtado
de Mendoza, den beïnvloeder van Brederôo!--te doen voelen; na dit
werkje, dat je lekkertjes glunderen om eigen welgedaanheid ziet, terwijl
je voelt 't dit al even weinig kwalijk te kunnen nemen als aan zekere,
uiterst sympathieke, door geestelijke en lijflijke gezondheid altijd
opgeruimde menschen, gaf Sabbe Een Mei van Vroomheid. En dit beteekende
al dadelijk een enormen vooruitgang, want was er in het eerste boek veel
amusant gekakel en gedoe--om met ons beeld in de landelijk-steedsche
sfeer der beide werken te blijven--van kleurige kippetjes te hooren en
te zien, met daarnaast, hóóger, op 'n boomstam, die oolijke spotlijster
van 'n Sasmeester en dat zoete duifje van 'n Mietje, ook in het tweede
ontbraken in Bazinne Lowijcks en oude Free, het zéér vraatzuchtige
haantje en hennetje niet, máár: te àvond--en welk een plechtig-droeve
avond was dat, na zóó korten dag van jeugd!--zongen daar die van God
gezégende nachtegalen, jonge Free en lieflijke Bethye, hun mystieke
lied, [p.31] waarlijk "fulpen tonen als uit edel metaal geblazen",
zoodat dit werkje niet alleen voortreffelijk was door de prachtige
uitbeelding van twee zoo verschillende levenshoudingen als de
egoïstisch-materialistische en de altruïstisch-mystieke zijn, maar
vooral, omdat het ons de rijke harmonische wijsheid van des schrijvers
ziel deed voelen, welke immers deze beide hevige contrasten zóó kon
beelden, dat zij, in een en 't zelfde werk, dicht naast elkander, zonder
schade voor elkander konden bestaan.--En nu komt Sabbe met een derde
boek en het is zoowaar alweer een genot, den vooruitgang in zijn wezen
en kunnen te zien! Want niet slechts, dat het zich hierin van de vorige
onderscheidt, dat het géén als spròkige werkelijkheid, geen romantiek
is--immers deugdelijke romantiek moet m.i. objectieve beelding van
werkelijk bestaanbare uitzonderingsfiguren zijn--doch zich op een veel
meer algeméén reëel plan beweegt; het verhaalt ook niet, als gene, een
episode slechts uit een leven, maar geeft het gehééle leven, van
nagenoeg twee geslachten zelfs! Dat dit laatste een vooruitgang is, dat
hiervoor een grooter visionnair en episch zoowel als compositorisch
vermogen worden vereischt, zal wel geen betoog behoeven. En hoezeer is
deze schepping geslaagd, welk een òndoorbroken stroom van diepe
menschelijkheid vloeit door dit boek! Daar is allereerst het roerende
drama van de vrouw, die geheel zachtmoedigheid, liefde en dulding, na
een slovige jeugd en een leven naast 'n man die haar wel waardeert en
wel van haar houdt, maar niets van zijn zieleleven uiten kan, juist ten
tijde, dat zij de groote, de éénige vreugde van haar bestaan, het geluk
van haar moeder- en opvoedsterschap zal gaan genieten, sterft, met
kommer en zorg in het hart, om haar beide kleine zoontjes, het
achterlijk jongste vooral, voor wien zij voelt nog onmisbaar te zijn.
Daar is dan, ten tweede, de tragedie van dat achterlijk kind, gehaat
door een feeksige tante, verwaarloosd en getyranniseerd door een stuggen
vader en een ouderen, koud- en egoïstisch-intelligenten broer, in wien
de vader al zijn hoop en genegenheid heeft geplant, voor wien hij zijn
jongste opoffert; daar is dan ook de wanhoop van den vader-zelf, als hij
inziet, hoe harteloos en baatzuchtig [p.32] hij zijn oudsten zoon, bij
wien hij tevergeefs om wat liefde bedelt, heeft gemaakt, hoe
verwaarloosd en geestelijk-vernietigd hij den ander heeft. Dàn wendt hij
zich tot dien. Te laat! De sukkel staart hem onnoozel-lachend aan. En de
ongelukkige oude man heeft nu maar één verlangen, naar zijn vrouw in den
hemel, en een avond komt zij hem uit de bleek-zilveren wolkenpoort van
de stille maan tegemoet, en hij stapt te water en volgt haar.... Dit
alles in het eerste deel. Het tweede behandelt het verder leven, tot hun
dood, der beide zoons, die vrijgezel blijven.... Maar komaan! al wil ik
u nu nog wijzen op dat kostelijke tooneel in de herberg, als de
tyrannieke oudste broer, de dorre notarisklerk, voor 't eerst in z'n
vijf en veertig jarig leven, uit minnekoozen is gegaan, ook omdat ik
hier weer de boven geschetste verwantschap voel, en op dat mooie
figuurtje van Quickelbornée'tje, dat aan de neiging naar het sprokige
van onzen auteur zoo weldoend komt herinneren; al wil ik u zeggen, dat
ook het tikje houterige abruptheid, vooral in het begin van het eerste
deel niet ontbreekt en evenmin de "archaïsche" naïveteit, zooals
bijvoorbeeld, wanneer de schrijver ons nog eens meent te moeten
inlichten omtrent de bedoelingen van de feeksige tante, die wij toch ook
daarzonder, dank zij de uitnemende beelding, door en door kennen--van de
waarlijk bijna ontelbare glansmomenten in dit boek zal ik, uitgezonderd
één, niet meer spreken. Want is het m.i. een voornaam deel van de taak
der critiek, tot het lezen van een boek aan te sporen of daarvan terug
te houden, ik meende in dit geval het eerste beter te kunnen doen door
des schrijvers gehééle figuur even te schetsen dan door van dit zijn
jongste, tweedeelig werk, een analyse te beproeven, die, mij althans, in
zoo kort bestek niet mogelijk ware geweest. Maar dat ééne glans-moment,
wijl het een der diepste levenswaarheden symboliseert, wil ik nièt
verzwijgen: De half-onnoozele zoon kende een oud sprookje, het verhaalde
van een dood moederken, dat wederkeert als de linden bloeien. Hem, wien,
toen hij nog een kindje was, dit zóó heilige waarheid scheen, dat hij,
kort na zijn moeders dood haar sloffen buitenzette, opdat zij die zou
kunnen aantrekken, als zij daarstraks wederkwam--een [p.33]
aanbiddelijk-schoon trekje, niet waar?--hem, die zijn moeder altijd
bleef liefhebben, blijft ook dat sprookje altijd bij, en als nu zijn
ouderdom gelukkig wordt gemaakt door het petekind van zijn broer, dat
hij 't eerst bij het bloeien der linden ziet, dan is 't hem, den
onbewusten kinderlijk-dichterlijke, of zijn moederken uit den dood is
opgestaan, dan voelt hij, dat háár liefde en háár zachtheid hem in dat
kindje zijn weergekeerd.... Ik geloof lezer, dat de onnoozele gelijk
had! Ik geloof, dat niets wat groot of goed of liefelijk was verloren
gaat, maar immer en immer in 't leven wederkeert ... En ik geloof, néén,
ik ziè, lezer, dat ook in Vlaanderenland die wondere linden weer hebben
gebloeid; dat de Moeder, die de blijmoedigheid was, de Moeder, die de
lieftallige eenvoud, het hart, de ziel en de liefde was; die oude
Literatuur die onze harten kende, ons minnelijk berispte en schalk
belachte en gelukkig maakte als nauwelijks één ander, herrezen is ...
Wees wijs als dié onnoozele en open de deuren van uw huis en uw gemoed,
om Haar in wijding en hooge vreugde te ontvangen.

Nov. 1912.


       *       *       *       *       *


[p.34] R. VAN GENDEREN STORT: IDEALEN EN IRONIEËN


--Ziedaar, dacht ik na lezing van Een Roman, het tweede stukje van dezen
bundel, daar heb je nou het echte type van den beginneling-artist, den
man, die zijn Werkplannen, zijn "notities" betreffende een gevalletje,
gefantaseerd of hem ter oore gekomen, goedig en wel en geheel argeloos,
als geacheveerd, àf-gebééld werk laat drukken. Geheel argeloos, zeker,
want wie anders dan zulk een allerliefst-onschuldige zou met het lapje
lokkerig vleesch van dezen titel in de hand de buldoggen der critiek,
die hem anders, een weinig grommend wellicht, zouden zijn
voorbijgeloopen, als tot den aanval nóódigen?! Idealen En ...
Ironieën!... Als dit geen argeloosheid is, is 't dan bravoure?... Maar
neen toch, zelfs de groote Griek was met één Achilleshiel tevreden en de
heer Van Genderen zou zich, wellicht ten believe der nieuwste
chirurgische mode, eenige hebben laten aanenten?! ... Trouwens, die
argeloosheid past zoo wèl bij dat artistiek-dilettantische van vlàk
naast het levensechte, in de levensnàmaak te buitelen, gelijk den
schrijver in dat stukje Een Roman gebeurd is....--Toen ik dit alles
afgefilosofeerd en bij het lezen van Het Bedrog gemeesmuild had: "U
maakt 't u makkelijk, m'n waarde Heer, met uw bedrogen echtgenoot te
laten wegloopen"; Zomer een fraai fantasietje had bevonden (alleen dat
van die "panische communie, waarin zij het teloorgaan in den oerschoot
des levens mystisch beleefden" ... wel te weten: dit alles gezeid van
een griekschigen heer en dame die 'n bain mixte nemen ... hoor 'ns even,
dat kunnen ze in die kunstenaars-[p.35] en high-life-kringen een
panische communie enz. noemen, maar ik ben maar een burgerman ...) toen
ik dit alles dus had afgedaan, zeg ik, geraakte ik tot Het Vest.... En
nu wou ik er wel een lief ding voor geven, als ik den lezer overtuigen
kon, dat 't me niet om 't maken van 'n flauwe scherts te doen is, neen,
werkelijk, ik hèb 't me zièn doen: ik heb Het--zéér dandylike--Vest
opengemaakt, bèrgen vrij onnutte literaturige bagage uit binnen- en
buitenborstzak gehaald en--en dáárop wil ik nu maar neerkomen:--wat
denkt ge wie z'n breedgewelfde borst d'r onder zat?... "Nu van Van
Genderen Stort natuurlijk," zegt ge schouderophalend.... Mis!... van
Falkland!--Gelijk ook in De Tanden--zeer gaaf en fraai--mijn
anthropologische blik een duidelijke verwantschap ontdekte met het gebit
van den Homo Handelsbladensis, al is dit scherper....

Máár, eindelijk! las ik Tobias Peppel.... En nu, wèg van hier, narrige
criticus met je bittere spotternijen! Hier is iets te bewonderen, hier
iets lief te hebben! Die slungel van 'n Peppel is zóó prachtig
neergezet, in zijn weerzinwekkende lamlendigheid, ten voeten uit....
Hièrin breekt van Genderen's revolutionair gevoel, waarzonder geen
waarachtig kunstenaar wordt geboren, zijn opstandsgevoel tegen het
gehate onechte zoo machtig uit.... Och, ik erken het, ik was er soms
niet ver van af, dezen schrijver voor een dier trieste heeren te houden,
in schrikwekkend aantal onder de jongeren te voorschijn tredend, die
zonder noemenswaardig talent, van hun literaire "gedistingeerdheid," hun
"kalme nuchterheid" en kurk-droog gezond-verstand hun schrijversleven
moeten rekken; een dier essayisten--over het leven of over boeken, doet
er niet toe--die teemen, teemen, téémen, onmachtig tot één blijde
opzwaai van levensvolheid, tot één moment van dat fonkelend
zich-zelf-genieten van den geest, dat scheppen is. Maar Tobias Peppel
vóóral heeft mij gelùkkig mijn dwaling doen inzien. De heer Van Genderen
ontdoe zich van dien jammerlijken verfijningsschijn. Hij late dien aan
the mob of gentlemen who write, de verdroogde Physalis-kelken der
literatuur, die met de herfstige blos hunner dorheid in porceleinen
vaasjes zonder aarde of water kunnen prijken, [p.36] òmdat zij dood zijn
en toch zoo knapjes kunnen schudden en rammelend-geluiden alsof er leven
in hun doode bollen zit. Hij getrooste zich de "viesheid" en zwartheid
der vochte aarde, die al het levende voedt.--Van de ijdele gedachte tot
het stralende beeld, zei eens Verwey, en ziedaar de oorlogskreet tegen
de veldwinnende neiging dier onmachtigen, om de--vaak
gecopiëerde!--naakte "gedachte" ten troon te heffen!

Een kunstenaar, en dùs ook de heer Van Genderen Stort, moet beelden.

Nov. 1915.



       *       *       *       *       *


[p.37] JOANNES REDDINGIUS: EEN ROMANTISCHE JONGEN


Het boek opent met de mededeeling, dat Jans, de keukenmeid van
"Karelshoeve", Herman, het romantische jongetje, "met een zoet lijntje
had meegekregen." Nadat hierover in 'n veertiental regels is uitgeweid,
wordt ons ten slotte nog in een vijftiende nadrukkelijk bericht, dat
"Herman en Jans kwamen geloopen van Karelshoeve." Ik vatte dat alles
natuurlijk op als een uitnoodiging om met hen mee te wandelen en te
luisteren naar hun gesprek. Maar ai mij! des heeren Reddingius'
bedoeling was dat klaarblijkelijk niet geweest. Met een zeer onzachten
ruk wendt hij mij om: "'t Buiten dat zij achter zich gelaten hadden, lag
in een grooten tuin." Volgt: een beschrijving--zes bladzijden lang--der
ligging van het buiten en van het leven der menschen in het buiten. Deze
manier van doen nu des heeren R. stemde mij zeer onaangenaam en vond
ik--eerlijk gezegd--buitengewoon onhoffelijk: eerst met Herman en Jans
den weg opgestuurd te worden en daarna, zonder een schijn van reden,
weer onmiddellijk ruw-weg naar het "achtergelaten" buiten te worden
teruggesleept, wel, het was eigenlijk meer dan mijn eigenliefde kon
verdragen!... Toch, ik ben niet rancuneus en was het heele voorval al
weer vergeten, toen ik even later hoorde, dat Herman's moeder hem
verteld had van een kopje met fijne, roode bloemetjes, dat 'n oom
gekregen had van een man, "die, een langen staart dragend, een Chineesch
onderkoning geweest was." Kijk, dacht ik verheugd, dat is een fijn
trekje: de schrijver heeft zich hier heel sterk ingeleefd in het
kinderlijk denkvoelen, [p.38] want, niet waar, voor de kinderlijke
fantasie is die lange staart het treffendste en verwonderlijkste....
Maar o wee, nauwelijks voelde ik mij gelukkig, zóó, door de oogen van
een kind het leven te mogen bekijken, of, zonder eenigen overgang, en
dus nog altijd meenend dat ik het kinderlijk indrukken-verwerken
meeleef, verneem ik, dat Grootmoeder tobde over haar zoon, die
"eereschulden moest afdoen"; dat hij haar dikwijls dreigde, dat hij "een
kogel door zijn kop zou jagen"; dat hij dan door haar geholpen werd "met
zoo en zooveel mille".... Wat drommel! zeg ik nu geërgerd, wat is dat nu
weer ... o, geen wonder! daar heb je--zóó zie je me wel, zóó zie je me
niet--waarachtig meneer Reddingius weer, die me daar pas al van Herman
en Jans heeft weggesleurd en me nu dat weer lapt ... en dat alles zonder
eenige waarschuwing, zonder eenige geldige reden....

Ik zou natuurlijk niet zoo hebben uitgeweid over die eerste bladzijden,
indien zij niet een--helaas zelfs zwak!--beeld gaven van het rommel- en
rammelslag-achtige, het pueriel bij elkaar gesleepte, 't zenuwachtig
van-de-hak-op-de-tak-springerige van het heele boek. De schrijver lijkt
op 'n zeer nerveus huismoedertje, dat met de kinders op zomervacantie
trekt. Heeremetijd, weken van te voren, liep 'r hoofd 'r al om. En nou
de verhuiswagen al twee grachten ver is, ziet ze dat dit vergeten is en
dat, en worden Pietje en Mietje hem achterop gestuurd, om 'm terug te
halen en holt zij trap op trap af, gang in, gang uit. En er wordt weer
opgeladen en afgeladen en vastgeknoopt en losgesjord en dit wordt
gebroken en dat wordt gebuild en de voerman vloekt en de voerman foetert
en de straatjongens komen er bij te pas en er is 'n leven als 'n
óórdeel, dat je hóóren en zièn vergáát.--Want ook: dit boek is als een
verhuiswagen, de heer R. verhuist ook zijn meest onbeteekenende
bezittinkjes naar den buiten der publieke aandacht; de heer R. drááft
heen en weer--'t is werkelijk een pijnlijk gezicht hem zich zoo in 't
zweet te zien werken--en hij laadt op, al maar meer en nooit genoeg, en
'n paar van de aardige dingskes, die in de verhuisboel zijn--veel zijn
er niet--vallen in gruis en de andere, och die kunnen we toch niet
rustig bekijken, want we houen [p.39] ons hart vast om al de ongelukken,
die we zien aandreigen, en krijgen hoofdpijn van de herrie; trouwens:
een verhuiswagen is toch geen salon of museum, niet waar?

De heer Reddingius heeft helaas gemeend, alles te moeten geven wat en
zooals zijn herinnering of observatie--nuchterder dan hij zelf
meent!--hem hot en haar opdrong. Ach, hadde de Verbeelding zich tusschen
hem en zijn onderwerp tot een tijdelijke verduistering der werkelijkheid
bewogen. Een verduistering?!... Ja zeker, want immers, ik bedoel zulk
eene, die der werkelijkheid teederst en meest verborgen licht, in
wáárheid haar corona, zichtbaar worden laat....

Want is het ook niet zóó met deze dingen gesteld, dat slechts nadat de
werkelijkheid èn was verduisterd èn stralend werd herboren, de ziel
zingt, om dat hersteld bezit, als een vogel om den verloren gewaanden en
zóó zonnig herrezen dag?...

Febr. 1913.



       *       *       *       *       *


[p.40] JOANNES REDDINGIUS: ZONNEWENDE


Zoo fellen weerzin, als ik tegen 's heeren Reddingius' proza voelde en
voel--ik kan nog vaak met genoegen aan mijn wreed-harde Gids-critiek op
zijn Een Romantische Jongen denken--zoo hartig bewonder ik zijn verzen.
Hij is wellicht de zoetstemmigste en meest òntcultuurde, in
kinderlijk-zuiver verkeer met de schoonheid van aarde, zon en hemel
levende, natuurdichter, dien we bezitten. Ja waarlijk, zoo het de
schalke bedoeling der rijk-grillige en àl-vermogende.Natuur zou zijn
geweest, eens een geest te scheppen, schoon-menschelijk èn puur eenen
vogel gelijk, in al zijn gedragingen, zij had voorwaar nooit voller haar
bedoeling kunnen verwezenlijken, dan toen zij onzen Reddingius
voortbracht. Gij loopt ievers 'nen schoonen zomeruchtend op de blonde
wegelkens de velden entlang--entre paranthèse ... hoe kom ik plotseling
zoo vlaamschig te schrijven?... Ach ja ... wel drommels!... dat is die
lichte Gezelle-invloed, hier en daar, in deze verzen, welke mij die
onbewuste associatie-parten speelt--en ge hoort den lieven vogelslag,
het zuivere merel- en vinkgefluit in de boomen, zoo'n kort
bekoorlijkheidje als Het liedje dat verloren liep, of zoo'n klein maar
zuiver zelf-karakteriseerinkje--vogels zijn daar bazen in: sommige
fluiten zelfs hun eigen naam!--als die eerste twee strophen van
Vrijheid.... Het liedje is uit, ge staat stil, ge loopt weer voort, ge
zoekt den zanger ... hè, wa's dat?... tik, zeit 't op uw hoed ... hahaha
...onze dichterlijke vogel laat een stukje proza vallen....--Neen,
heusch niet, lezer, niet zoo haastig, lach niet om 't gebeuren noch
schrei om m'n hoed, en evenmin verontwaardig u over mijn zonderlinge
wijze van voorstellen of verdenk mij, dat ik het pastorale beeld zou
willen vervolmaken [p.41] door zelfs oude koeien uit 'n sloot te halen:
ik láát thans Een Romantische Jongen onder den niets verklappenden
waterspiegel rùsten. Maar het toeval wilde, dat, toen ik dezer dagen aan
het lezen van onzen bundel was, langzaam vorderend, juist omdat ik zoo
kalmpjes en lièfjes genóót, dat toèn juist mij De Nieuwe Gids van deze
maand in handen kwam en ik daarin een kritiekje over Marie Metz-Koning's
nieuwe "occulte" boek vond van de hand van onzen dichter--een brokje
proza dus. En weer trof het mij hevig--en nu niet het brokje maar het
feit:--hoe men in zijn proza vaak dezelfde elementen, maar ontbonden en
verworden, hervindt, die in zijn lieve zangen tot bloed en bloeiend
lichaam, tot stralenden oogenglans en klinkende stem zijn geworden. Onze
dichter, die niet als Gorter in diens jeugd--overigens alle vergelijking
ter zijde!--een grieksch-heidensch natuurpoëet, maar een pantheïstisch
vroom-geaarde met drang naar het mystieke is--onze dichter heeft in zijn
verzenbundel deze diepe, heilige vroomheid wel zeer zuiver en innig
geuit, en al zou ik u wel op bijna èlk daarin voorkomend gedicht ter
motiveering van deze mijne meening kunnen wijzen--en al is, mijns
waardeerens, De lucht vol roode waden een al zéér bijzonder juweel van
stemming, schoonheid en wijze vreugde--in geen enkel toch woont zij zoo
diep-in en licht zoo zachtkens naar buiten als in het schoone vers Guido
Gezelle. Nu is, naar ik méén, in dat gedicht de invloed eener bepaalde
modern-westersche mystiek, de Blavatzkyaansche theosophie, wel zeer
duidelijk merkbaar. Zijn "de velden van de Akasha", waarover hier de
dichter spreekt, niet: de "Akasha-kroniek," het "astrale licht," het
"geheugen van den Logos," waarin alle aarde-gebeuren vereeuwigd blijft
en de ingewijde de geschiedenis, ook van de vroegste tijden, kan lezen?
Welnu, moge dit deeltje uit de theosophische leer feit of fictie
zijn--het laat ons hier onverschillig, omdat het hièr voor ons in des
dichters wèrkelijkheid leeft en dèze werkelijkheid ons dan vervult, maar
hoor nù tèvens eens onzen prozaschrijver in bovengenoemd critiekje
boomen over Bulwer's Zanoni en over den Wachter van den Drempel, alsof
deze laatste "intelligentie" een goed persoonlijk-bekende--hij zegt er
immers nog [p.42] wel bij "uit eigen ervaring"--van hem is, en dan
levert u dit stukje proza alles wat u nog mocht hebben ontbroken, om zoo
hel een kijk in dezen geest te krijgen, als ge maar wenschen kondt.
Reddingius dan blijkt een ziel, die slechts wazig- en argeloos-voelend
scheppen kan. Dwingt hem het vaak harde, het denk-arbeid, scherpe
analyse en compositie-gave eischende proza, te treden uit zijne
zacht-zoete verzensfeer, uit zijn gevoelsdroomen, uit zijn neveldeinende
vaagheid, uit de atmosfeer van zijne los van elkaar verschietende
stemmingen, dan gaat het mis, onherroepelijk mis. Dáárom is ook een
scherp-beeldende regel als die mooie "De sneeuwkop heft zijn hoofd vol
wol" zoo uiterst zeldzaam. Dáárom is hem, óók als dichter, het
maatschappij-leven zóó volkomen vreemd. Evenals een lief boerenmeisje
door het aantrekken van steedsch-jufferige kleeren in een plomp- en
linksdoende belachelijkheid kan veranderen, zoo verkeert de kinderlijke
natuurziel van dezen dichter in een met klatergouden todden behangen
pronkerigheid, zoodra zij van uit de landelijke zon- en nevel-wazigheid
in de daglicht-naakte aula van het betoogend proza, in den
kleur-schitterenden schouwburgavond van het maatschappelijk-beeldend
proza treedt. Zijn metaphorisch vermogen is niet groot, maar leg eens
eene discreet-nauwelijks-uitgesproken en mede daarom juist zoo prachtige
vergelijking als in De Witte Kerselaren, naast dat critiekje alweer,
naast: "de moedige vrouw op het witte paard (die) moet door de grijze
nevelen heen" (alles van Marie Metz-koning, wel te verstaan!) en ge ziet
duidelijk in, hoe in zijn proza bet zoete tot het weeïge wordt; de
overgave eener enthousiaste ziel, tot de lichtgeloovigheid van een elken
hechten, verstandelijken steun ontberenden onnoozele, en het
diep-eigen--gelijk in sommige prachtige Strophen van Als de wereld blij
was--mystiek-aanvoelen tot mal-theosophistische napraterij. Want moge
hem, ook in zijne verzen, zijn licht-ontvlambare en door een ander
spoedig overheerschte ziel al te vaak en te weerloos aan vreemde
invloeden prijsgeven--men vergelijke "Mijn prins van vreugd, mijn
onbewuste koning" op blz. 10, met Kloos, Verzen, Tweede Druk, blz. 61 en
63--dat vreemde wordt dàn toch--hoe anders dan in het proza--één [p.43]
met, deel van zijn eigenheid. De heer Reddingius is--waarlijk hij mag
tevreden wezen--een zuiver natuurdichter, dòch: niets anders dan dit:
zelfs van Pan, Tritons en Echo's moet hij afblijven, dat is alweer te
veel cultuur, dat doet hem zijn vogel-argeloosheid verliezen, dat worden
dichterlijke tooneeldingen bij hem: geverfd linnen insteê van
oud-grieksch marmer. Hij zinge tot ons diep verheugen maar lustigjes op
z'n tak, máár ... jà ... als er dàt ... nou ja, u weet wel ... tot zijn
wèlbevinden nu eenmaal bij moèt, welnu, dàn vooruit maar ... 'n nieuwe
hoed zal me den kop niet kosten.--

April 1918.



       *       *       *       *       *


[p.44] FRANS VERSCHOREN: LANGS KLEINE WEGEN


Langs kleine wegen!... Wel, is 't niet waar, mijn beste lezer, dat 't
daar héél liefelijk wandelen kan zijn? Hebben wij niet, gij zoowel als
ik, langs de spiegelende vaartjes en groene hagen de blijdste en diepste
uren onzer jeugd ... verwandeld? En ook wel eens--het groende zoo
noodend en geheimvol aan den kant van het pad--"het vinnich stralen van
de Son ontscholen in 't bosschagie" ... het "bosge" dat niet "clappen
con"!... Neen, neen, ik wil natúúrlijk niet onbescheiden zijn, maar toch
... èventjes: herinnert ge u het oude boerinnetje, dat ge ontmoette, dat
zoo glunder en zoo vroolijk keek, of het bejaarde heertje met de
impertinente spotoogjes achter 't klare brilletje? En, weet ge 't nog,
ge hadt zoo waar plotseling 'n genegenheid voor hen allebei, juist om
hun impertinente gekijk, want ge voelde 't zoo wel: ze hielden ook van
u, omdat ze in u hun eigen jeugd herzagen!... Och lieve spotters, hoe
overmoedig trotsch en jeugdig-rijk maakte òns uw spot, want, wij wisten
't: hoeveel van uw weemoed verborg hij....

Als zóó--zij 't louter toeval--de titel van 'n boek reeds kan doen
droomen, gelukkig en prijzenswaardig dan het boek, dat, gevend wat 't
beloofde, de droomen wijlen laat. En dat is wel heel zeker met
Verschoren's werkje het geval. Er is zoo een heel diepe stilte en
innigheid in dat verhaal van het begijntje, dat verliefd wordt op ouden
Jaan, er zijn zoo een onschuldige humor en struische levenslust in dat
stukje [p.45] over die twee oude vogelvangers, 't Is waar: Het oolijk
Wedervaren van Maruske van Lier, dat zoude ik niet ongaarne uit dezen
bundel gemist hebben. En ongetwijfeld wijst het niet geslaagd zijn van
dit àl te grappig verhaal op een zwakke stee in het talent van onzen
auteur: het leed, en vooral dat van den geringen man, heeft immer iets
eerbiedwaardigs en verteederends in zich-zelf; wat ook een minder
gelukte beschrijving ons ervan mocht onthouden, ons medegevoel vult het
aan; maar zijn plezier, zijn plat en grof plezier.... O, als de
uitbeelder daarvan, zich bevlijtigt het grappige zoo grappig mogelijk te
maken en klucht op klucht te stapelen, en al te weinig daarentegen de
diepere menschelijkheid en de verborgen tragiek laat voelen, dàn wordt
het voor mijn gevoel een clownerie.... Maar overigens heb ik niets dan
lof. Op het Begijnhof, dat 't boek opent, Het Onverwachte, 't
uitmuntende kinderverhaal, dat 't sluit--de heer Verschoren weet wel wat
hij doet!--zijn ongetwijfeld het best. Treedt ge door 't oude en bemoste
poortje van het eerste eerbiedig en met 'n stille verheugenis binnen en
voelt ge u wellicht dan later nu en dan een ietsje teleurgesteld
--wanneer ge uit den lentetuin van het laatste zijt vertrokken, dan zijt
ge die teleurstelling alweer vergeten en ziet nog menigmaal groetend en
dankbaar om.

Maar wel herinnert ge u nog eens: "Langs kleine wegen" heette het ... en
ja, zoo was 't ook. 't Waren altemaal figuurtjes van een vergeten,
platteland, die ge ontmoet hebt, superstitieuse boertjes, drinkers,
platte grollenmakers, een achterhoeksche bevolking van doode stadjes; de
paadjes waarlangs ge traadt zijn mijlen ver verwijderd van het ernstig
en mooi strijdend en strevend leven onzer dagen. Maar, zeg mij, is het
niet eens goed weer te rusten en langs de wijd-overhemelde, eenzame
wegen te gaan ... daar het u is of de onzichtbare landwind zichtbaar
worden zal, zoo neerneigend en opvluchtend speelt dat neuriënde wezen om
u, en is immers met u alleen nu, die het wonder niet zult beklappen, op
dien stillen weg.... En hier is weer de klare vaart en het verre weiland
aan de overzijde.... En uw stok jaagt zachtkens zand op, gelijk gij uw
herinneringen....

[p.46] Maar ik bidde u: laat òns nooit, bij geen enkele ontmoeting, het
oude heertje met de impertinente spotoogjes achter het klare brilletje
zijn.... Waarom zouden wij onzen weemoed bedèkken? Onzen weemoed om het
verloren jeugdige, struisch-natuurlijke en primitieve van ons zoo
verwikkeld en streng geworden leven....

April '13.



       *       *       *       *       *


[p.47] MAURITS WAGENVOORT: HET STIJFHOOFDIGE BRUIDSPAAR

Roman uit den tijd der O.-I. Compagnie.


De schrijver van dit werk heeft nauwlettend zorg gedragen, door zekere
kleine stijlwendingen, een soort van wellevend, deftig, soms
gedempt-grappig vragen-en-antwoorden-spel met zijne lezers, zijn boek
vooral tot een verhaal te maken, een verhaal, gedaan op 'n
joviaal-hoofschen, hier ietwat peinzend-weemoedigen, daar weer
oolijk-schertsenden trant. Mij dunkt, hij wenscht zijn lezers vóóral de
illusie van een persoonlijk contact tusschen hen en zich te suggereeren.
En voorts meen ik, dat hem niets zoo zeer verdrieten zou als te moeten
vernemen, dat hij hun dat door hem beschreven verleden van de Edele
Compagnie tot een waarlijk lévend héden gemaakt, en hun dus ook de
daaruit noodwendig voortvloeiende emoties veroorzaakt had. In 's hemels
naam, zou hij, geloof ik, zeggen, u moet dat allemaal zoo zwaar niet
opnemen; wat voorbij is, is voorbij, vooral niet te diep er op
ingaan.... En wellicht nog eventjes, onder het droomerig neerkijken op
het vuurpuntje van zijn sigaar, er philosopheerend aan toevoegen, dat
het leven nu eenmaal zoo is, alles ups and downs, hé, heden ik, morgen
gij.... Maar onderwijl stiekumpjes-spijtig in zich-zelf denken: wel,
wel, nou heb ik 't toch nog niet luchtig genoeg gedaan! Want deze
beminnelijke en fijne verteller had geen andere bedoeling dan zijn
toehoorders precies zóó licht-weemoedig te stemmen en precies zóó guitig
weer op te vroolijken, dat noch weenen, noch heel hartig en
schuddebuikend lachen hunne spijsvertering zouden [p.48] kunnen schaden.
En daarmee heeft hij volkomen gelijk, want: mij althans praat 't nu
niemand uit het hoofd, dat ik bij hem gemiddagmaald heb, dat we daarna
nog wat hebben zitten schemeren--o, ik herinner mij duidelijk het
weemoedig en peins-spelend vertoon der schaduw- en lichtfiguren, die het
haardvuur den nacht-donkeren wanden liet ontschijnen--en dat hij mij
toen dit verhaal deed. Welnu, ik kan getuigen, dat ik dan ook inderdaad
geen oogenblik door al te diepe emotie uit de genoegelijke
after-dinnerstemming werd gebracht. Dat de verteller mij het verleden
tot iets tastbaar-levends gemaakt of zelfs maar verzichtbaard hebben
zou, ik denk er niet aan hem er van te betichten. Eerlijk gezegd, heb ik
niemand anders gezien, gezien, begrijpt ge, dan den fijngeestigen
gastheer zelf, hoe hij daar zijn sigaar zat te rooken, nu en dan een
teugje uit zijn kopje nam, mij, al verhalend, op den schouder klopte,
guitig knipoogde, weemoedig een traan wegpinkte, kortweg: alles deed wat
nu eenmaal des goeden vertellers is. Maar Aboel Hassan Sjah en Carel
Hartsinck en al die anderen, over wie hij sprak, nee, zièn, dat is iets
anders.... Maar toch ken ik ze wel zoo'n beetje, ze hebben mij wel iets
gedaan, doch ... de zaak is eigenlijk: de heer W. zelf was zóó erg
levend, dat de anderen wel dood moesten zijn, want nog altijd schijnt de
natuur er geen vrede mee te hebben, dat menschen van zeg 1600- èn
1900-zooveel tegelijkertijd léven.

Toen het uit was, en nadat we nog wat zwijgend hadden nagemijmerd,
waakte ik op, en, mijn gastheer aanziende, wilde ik vragen: "Maar meneer
Wagenvoort, permitteer me een vraag: u, die een gerenommeerd auteur zijt
... waarom schrijft u eigenlijk geen boek van dat verhaal?"--Maar ik heb
gelukkig net bij tijds een hoestbui gekregen en de vraag niet
uitgesproken: ik weet, auteurs hebben hun gevoeligheden....

Maar eens heb ik nog een anderen indruk van Het Stijfhoofdige Bruidspaar
gekregen, al was hij aan dezen verwant: toen het als
Handelsblad-feuilleton verscheen. Destijds wist ik natuurlijk heel wel,
dat ik las, zoo avond aan avond, hè. En toch, ook toen was het niet
[p.49] slechts een opluchting, te midden van al de moord- en
doodslaggeschiedenissen, detective-slimmigheidjes en wat dies meer zij;
het was mij als werd ik plotseling in een smokerig bioscoop-zaaltje, met
allerlei gruwelijke en griezelige dwaasheden op het scherm, door een
lieven vriend onder den arm genomen en we wandelden naar buiten, in de
frisch-open straten, en hij vertelde op zijn lieve, kalme, beschaafde
wijze.... Ik zou den heer Wagenvoort willen vragen: wanneer doet ge dat
eens weer?... Vooral ik--maar waarschijnlijk duizenden met mij--heb er
zoo'n behoefte aan: bedenk, ik ben geabonneerd op het Handelsblad en een
booze fee heeft mij bij mijn geboorte be-vloekt, dat ik elken regel
druks dien ik ontmoet, in een minimum tijds zou moeten verslinden.... En
zoo lees ik, moét ik lezen, óók alle romanfeuilletons.... God helpe
mij.... Op 't oogenblik houen we an 'n met coli-bacillen vergiftigd
waterreservoir. D'r moet 'n jong meisje "uit den weg geruimd worden."
...Nu weet ge er al alles van.... Kòm, bid ik u, weer eens wat verhalen
op uw gemoedelijke, beschaafde, logische en vaak zoo veelzeggende
wijze.... Zoo houd ik 't niet uit.... Die juffrouw met de
coli-bacillen--en O! de gedrochten die haar zijn voorafgegaan! en O! die
na haar zullen komen!...--zij bezorgt mij een cauchemar!...

Mei '13.



       *       *       *       *       *


[p.50] SAM. GOUDSMIT: IN DE GROOTE LEERSCHOOL


Wat is het, dat de jeugdig-bloeiendste, de krachtigst-voortschrijdende,
de sterkst-bezielde menschelijkheid in dit werk, epileptisch-plotseling
en -abrupt, met een vergrauwende uitputting bevangt, dat de gestalte als
levenloos inzinkt, de stralende oogen verglazigen, de jong-roode lippen
verbleeken, en dan, weer eensklaps wijkend, haar veroorlooft te
herrijzen, jong-bloeiend gelijk zij was, met oogen, die hun rijke,
innige glans, wangen en lippen die hun kleur hebben herwonnen. En zij
staat weer, krachtig, naast u en schijnt zelfs geen herinnering mee te
dragen aan haar tijdelijken dood.... Maar gij zijt stil en als schuw
geworden en denkt na. Want ge weet 't wel: wat in kunst-leven gelijkt op
het ziek-worden en sterven van Natuur-leven, komt voort uit een aanval
van veronechting alleen.... Maar ge vondt 't toch in zijn levende
geheelheid zoo innig, ge vondt het toch zoo pràchtig waar.... En het
onecht vinden van een deel, te midden van zóóveel overtuigende echtheid,
dat is iets zóó subjectiefs!... Hebt ge u misschien vergist? Wàs die
inzinking er wel?... En ge scheldt uzelf al een hallucinair fantast!
Maar terwijl ge dit denkt ... kijk, kijk! daar is 't weer, daar
verschrompelt 't, daar verbleekt 't weer!... Die veronechting, zij is
er, uw twijfel sproot daaruit voort, dat zij als oorzaak in verhouding
tot hare uitwerking en gevolgen iets zoo gerings lijkt ... zóó gering
... maar toch, het blijkt nu, ook zóó beteekenisvol als ... ja ... als
op het gelaat van een goed-gekenden en geliefden mensch, met schoone
daden en ware woorden, een onbeheerscht trekje, een vluchtig, maar
telkens zich herhalend, bewegen kunnen zijn, die voor ù, èven, dat
schoon- en waar-geachte veronechten. Ook dan voelt ge u bekneld tusschen
[p.51] twee tegenstrijdigheden: ge gelooft vast in uw eigen
doorvoelingsmacht en niet minder in de beteekenis van het kleine en
onbeheerschte, juist omdat het kleine en onbeheerschte is.... Maar: zijn
schoone daden en ware woorden, die ge toch, let wel, met datzelfde
doorvoelingsvermogen waar en echt hebt bevonden?... En ge gaat zoeken
naar een oplossing, een verklaring, want ge houdt van dien mensch. Gij
mòet u zekerheid verschaffen, gij mòet de juistheid of onjuistheid uwer
meening kunnen tasten. Zóó ook is het mij gegaan, bij het beschouwen van
dit boek, zóó zal 't ongetwijfeld ook u gaan, lezers van dit
maandschrift, die hier meer dan eens gelegenheid hadt, het hartige,
bloedrijke, zoo lustig en jong zich in het leven dompelende talent van
Goudsmit te waardeeren en lief te krijgen. Welnu, ik geloof u die
verklaring te kunnen geven. Maar vóór ik u daarvan vertellen ga, dient
ge u even te oriënteeren in den bundel: wat is het bloeiendste, het
sterkst bezielde leven daarin? Ongetwijfeld, meen ik, het joodsche. Zie
eens aan: Goudsmit is ongetwijfeld vooruitgegaan, óók in de beelding van
het niet-joodsche leven. De kleine en zeer goede novellen: De
Onverbeterlijke, De Hengelwedstrijd, Moeder Zijpe's Verjaardag, In de
Engte zijn daar treffende bewijzen van. Maar toch, het àllerbeste, het
àllerinnigst doorvoelt hij nog slechts Joden. Zijn Joden zijn
individuen, zijn Christenen vaak niet meer dan typen. De beste novellen
in dezen bundel acht ik dan ook: Hoe de kleine Sjimmie Neeter burger
werd en Kinderen (de meest geslaagde van die twee: de eerstgenoemde). En
juist in deze beide is het veronechtende element het sterkst aanwezig.
De vraag blijkt nu wel niet slechts meer te zijn: wat is het? maar ook:
hoe komt het juist daar het hevigst tot uiting? En dan ligt schijnbaar
het antwoord voor de hand: joodsche en socialistische tendenz. Maar dit
is niet zoo, men zou het mooie werkschreeuwend onrecht doen, door dit te
beweren; tendenz is er, maar zij is die van het Onbewuste en schaadt
daarom niet. Goudsmit's bewustheid redeneert niet: komaan, dien
socialist en dien jood, die ga ik een beetje opsieren, noch heeft zij de
gewóónte aangenomen dat werkje te doen, maar zijn ònbewuste scheppende
Vermogen, dat bij hem, gelijk bij ieder, [p.52] slechts schoonheid en
goedheid scheppen kan[1] is doordrongen en doordrenkt van liefde tot het
socialisme en het Jood-zijn! Ware deze arbeid er eene van bewuste
tendenz, ik zou haar schoon noch kunst kùnnen vinden. Neen, het is: een
onbeheerschte trek, het is een vluchtig bewegen van het taalgelaat, dat
telkens en telkens weer, woorden en daden, geheel het van leven
tintelende wezen, voor éven, veronecht. Goudsmit--om u dan eindelijk
mijn meening ter overweging te geven--vertaalt het zich verwoordende
denken zijner figuren uit hun denk-taal in zijn schrijf-taal! Gij voelt,
niet waar, de dùbbele fout van dit procédé, de dubbele veronechting? Gij
voelt, hoe onaangenaam een stemming en wreed een twijfel dit valsche
trekje op het frisch-open gelaat dezer kunst, bij machte is in den
aanschouwer te verwekken. Zeker, voor sommige beoordeelaars zal de
verleiding groot zijn te beweren: zulk een invalide, afgedankte,
socialistische sjouwers-knecht, die zóó wijs en breed denkt, als Chajim
Neeter bestaat niet, en die Japie in Kinderen is wel een
uitzonderlijk-hevig en dichterlijk-voelend jongske, gelijk de vader voor
zoo'n doorgaans sluw-genoeg voddenjoodje al bijster naïef en
onpractisch-fantastisch is; maar ik zeg, dat ik alle deze drie figuren
onweersprekelijk zeker als echte menschen voel te leven in Goudsmit's
Scheppende Onbewustheid gelijk óók--wat er feitelijk niets toe doet--in
de dagelijksche levenswerkelijkheid om ons heen. Maar dàt ik hun
echtheid voelen kan, dat wordt veroorzaakt door hun daden en woorden, de
dramatiek in den eigenlijken zin, en de dialoog dus. En tegen dat als
echt voelen botst dan telkens een als ònecht voelen. En dit wordt
veroorzaakt door de foutieve, niet-Chajem-achtige, niet-Japie-achtige,
maar pur et simple Goudsmit'sche uiting van Chajem's en Japie's
denk-voelen. Summa summarum dus: voel ik ze als gehéél-echt te bestaan
in des schrijvers Scheppend Vermogen, ik voel ze als slechts
gedeeltelijk echt in zijn boek. [p.53] En dit is jammer voor het
prachtig-doorvoelde werk. Het is vooral spijtig, omdat zeer zeker die
fout geheel vermeden had kunnen worden door dezen talentvollen
schrijver, die alleen nog meer zelfbeheersching wellicht en technische
discipline behoeft, om zich, geheel zijner waardig, te kunnen uiten.
Voelde hij de ondeugdelijkheid niet van zijn procédé--'t geen
ongetwijfeld het meest gewenschte ware geweest--hij had die toch zeer
gemakkelijk door nadenken kunnen inzien: Is niet een scheppend
kunstenaar ook, in zekeren zin, een interpreteerend? Is een
menschfiguur, gelijk zij verrijst en staat en leeft in de conceptie van
een schrijver, niet een wezen, dat buiten hem zijn eigen leven leeft,
ofschoon het, en dit toch slechts tijdelijk, uitsluitend in hèm leeft?
Is zij niet een compositie, die vertolkt worden moet, met de meeste
piëteit en zóó dat het eigen wezen der compositie, de "bedoelingen" van
den componist, d.i. het Scheppend Onbewuste, tot de volmaaktst mogelijke
uiting komen? Wat zoudt gij zeggen van een interpreteerend musicus, die
in een door hem gespeelde compositie van een waarachtig en meesterlijk
artist, geheele brokken verving door andere tonenreeksen, wijl die naar
zijn meening dragers van dezelfde gevoelswaarden zijn en het voordeel
hebben, lichter-begrijpelijk, of uiterlijk-bevalliger, of korter van
duur te zijn?! Hetzelfde zoudt gij dan wellicht zeggen, niet waar,
als--van een schrijver, die het denk-voelen zijner figuren door zijn
lyrische paraphrase vertolkt, in stede van dat denk-voelen-zelf, in de
taal-zelf daarvan, zij 't resumeerend-gestyleerd, te geven.--Het deere
Goudsmit niet, dat ik uitweide over het foutieve in zijn werk, hij voele
er mijn achting voor zijn gaven, mijn innige waardeering in, en zoo hij
er de bedoeling in proeve, hem als 't ware theoretisch te onderrichten,
dan--heeft hij gelijk. Maar is het doel van ons àller leven niet,
elkander te onderrichten en geest-verhelderend te steunen, en houd ik
mij niet overtuigd, dat hij mij evenzeer iets zou kunnen leeren, wat ik
niet weet of inzie, gelijk ik het hem nu denk en hoop te doen. Want ik
wensch zoo innig, dat zijn volgend werk niet meer met die fout behept
zij. Zij geeft, zelfs aan het geheel, den schijn van het
niet-geacheveerde, het onrijpe.

[p.54] Die erin gewerkte Goudsmit'sche lyriek, ook in de beschrijvingen,
zij vloekt tegen het armelijk bestaan der gebeelde volksmenschen. Het
werk verliest daardoor zijn eigen-tonige, warm-toedekkende,
levenverwekkende en -behoudende atmosfeer. Het staat dan koud en naakt,
het bezwijmt en dreigt te sterven.

En behalve dat: dit lyrisch proza is vaak op zich-zelf van zeer
twijfelachtige qualiteit. De zéér talrijke fijnheden in dit werk, de
soms waarlijk prachtige vondsten van verwoording, zij zijn te vinden in
de psychologiek van het momentaneele geestbewegen der figuren, niet in
de resumeerende psychologiek van hun algemeene voel- en denk-wijze. En
dáár treedt de Goudsmid'sche lyriek op! Zij zijn te vinden in de
zuiver-plastische beelding der dingen, niet in de metaforische weergave
van hun aanzien. En dáár treedt de Goudsmidsche lyriek op. Zij, die
onrijpe lyriek veroorzaakt, dat naast kostbare fijnheidjes zich telkens
valsche beeldspraak en slordigheid vertoonen. Dat zij in de joodsche
schetsen het meest op den voorgrond treedt--ik was u nog een verklaring
daarvan schuldig--ligt m.i. onbetwijfelbaar daaraan, dat 't
joodsche-leven-in-dezen-bundel, het warme, innige, hartstochtelijke,
veel meer met Goudsmit's eigen aard overeenkomt dan 't koelere, grovere
leven-der-Christenen-in-dit-boek en dus veel eerder dan dit laatste een
uitstorting van des schrijvers eigen gevoel kon te weeg brengen.

Ik kan, met het oog op de beschikbare ruimte, geen bewijzen geven, noch
van de gegrondheid mijner bewondering noch van die mijner blaam.
Analysen en citaten, ik moet ze achterwege laten. Maar één schoonheid
wil ik met name noemen, een schoonheid, die altijd in mijn geest als een
kostbaar bezit zal staan: de verrukkelijke--ik zeg het met nadruk--de
verrukkelijke beelding van Chajem en Sjimmie's tocht naar de fabriek,
van Sjimmie's zielontroerend afscheid van Vader, pràchtig van echtheid,
héérlijk van de innigste doorvoeling. Hadde Goudsmit nooit zijn mooie
Zoekenden geschreven, bestond er niets anders van hem dan de beelding
van dit smartelijk gebeuren, zij maakte het tot plicht hem een groot
talent te roemen.

[p.55] En dan ... ja dan is er toch nòg iets, waarover ik even mòet
spreken. De humor in dit werk, de lagere èn de hoogere. De lagere:
goedmoedig-fijne en ingehouden làch alléén, gij vindt hem in De
Hengelwedstrijd. De hoogere: lach èn deernis, tot één zachtkleurige
schoonheid verteederd, hij leeft in de joodsche schetsen op meer dan
ééne plaats, maar het diepst, het rijkst in de paar laatste woorden van
den laatsten zin van Kinderen.

"In een paar woorden, in één zin!" roept ge geringschattend uit, "der
moeite waard." Maar, lezer, ik vrage u, als die humor, zóó broos een
schepsel van zon en tranen met zijn teere kleuren onze levenslanden
overboogt, zouden wij dan niet dankbaar zijn voor die stralende omvaming
van het verspreide, hoe kort zij dure?...

Juni '13.

Noot:

[Footnote 1: Deze bewering ziet er uit als een phrase. Ik mòet daarom
wel de onbescheidenheid hebben, den lezer te verwijzen naar mijn opstel
in De Ploeg van Juli--Aug., 1911: "Over Literaire Kritiek en Is.
Querido's studiën", waarin ik die bewering gemotiveerd heb. (Herdrukt in
mijne Schetsen en CritUcht Opstellen.)]
*
       *       *       *       *


[p.56] MR. J. DERMOÛT: SINGKEP TIN


Mozes verkondt den stamhoofden van Israël, dat zoo hun de beoordeeling
van 't een of ander verwikkeld geval te zwaar mocht vallen, dit voor hem
moet worden gebracht, opdat hij 't berechte. De Heer, wien dit trotsche
woord mishaagt, doet daarop de Tselafgadiaansche moeilijkheden rijzen,
en ook Mozes weet niet.... De literaire critiek hoogmoedigt sinds jaar
en dag tot de kunstlievende en beschaafde gemeente--medici, ingenieurs,
juristen, enz. enz.--"Zoo gij met de beoordeeling van eenig literair
werk geen weg weet, kom tot Mij--met een hoofdletter--en Ik zal het
richten, en," zoo voegt ze er allicht op haar betweterige manier aan
toe, "als Ik u raden mag, beproef zelfs niet een oordeel te geven, breng
het Mij, den Eenig-bevoegde", maar ziedaar ... het lot dat de
hoovaardigen vernedert, doet den heer Dermoût en zijn Oorspronkelijke
Indische Roman verschijnen, en--de critiek staat paf en met haar grooten
mond vol--tijgerlijke--tanden. Welk een onverwachte vernedering! Een
hengelaar, die door zijn prooi te water wordt getrokken, een beul, die
door de veroordeelden wordt geëxecuteerd! En bleef 't daar nog maar bij,
maar o, die gelegenheid tot wraak en Schadenfreude, die ik der
kunstlievende en beschaafde gemeente niet gun. Want helaas, dit weet gij
nog niet en nu zal ik 't wel blozend en lip-bebijtend moeten erkennen:
de residenten, de controleurs, de radjahs, de planters, de
koeliedrijvers en de indologen en met hen de smeden, de timmerlui, de
geologen, de geographen, de zeevaarders, de water-, de scheeps- en de
mijnbouwkundigen, de medici, de machinisten en de smokkelaars, benevens
[p.57] de ... och, ik raak buiten adem, laat me maar zeggen, al de
medewerkers van Meyers Grosses Konversations-Lexicon, àllen, zeg ik u,
en nog meer, nog véél méér, zouden de schitterendste, de diepzinnigste,
de geestdriftigste, de meest eloquente recensies over dezen roman kunnen
schrijven, alleen--de letterkundige niet! Want de heer Dermoût en zijn
hoofdfiguur Bob zijn van àlle markten thuis en dit prettige werk is een
handboek voor àlle ambachten en àlle wetenschappen, maar alleen dàt
iets, dat nietige dingsigheidje waarover een kunstcriticus een oordeel
zou kunnen geven, dat schijnt onze auteur, al schreef hij dan ook een
roman, toevallig of wellicht met de wijze bedoeling, de goden door de
volmaaktheid zijns werks niet te tarten, te hebben overgeslagen. Neen,
zooiets staat er niet in. En toch ... àls ik eens ... die paar
psychologische trekjes ... maar nee, och nee, daarover kan ik waarachtig
toch geen boom gaan opzetten.... Komaan, geen onwaardig geschipper, dan
maar liever deze gulle bekentenis van onmacht, onmacht, m'n hemel, van
hem, wiens taak en plicht het is hier te spreken, om één woord te zeggen
van een boek, waarover de heele wereld wat zeggen kan! Maar mocht dan
ook deze duldzaam aanvaarde vernedering tot boete voor ons àller
hoogmoed strekken, o, mijne broeders in de critiek, en het vertoornde
lot, behagen scheppend in de verbrijzeling onzer harten en neigend tot
genade, den heer Dermoût nog vele, vele handboeken laten
schrijven--ikzelf, o dànk, dànk! heb nu reeds een nieuwe methode van
diamantkeuring van hem geleerd!--maar nimmer, o, nimmermeer een
roman....

Juli '13.



       *       *       *       *       *


[p.58] WALLY MOES: GOOISCHE DORPSVERTELLINGEN


Alle wezenlijke kunstenaars hebben dit gemeen--gelijk ook zij, die de
wetenschap om der wille van haar zelve dienen--dat zij nimmer moede
worden des Levens Gelaat te beschouwen, en hun geen geluk zoo groot,
geen arbeid zoo gewichtig is, als die arbeid, die een geluk, dat geluk,
dat een arbeid is. Zij beschouwen dit Gelaat dan ook niet, òm van zijn
lijnenspel en schoonheid te verhalen, maar, omgekeerd, verhalen zij
ervan, omdat hun contemplatie hen te vol heeft gemaakt van gevoel, dan
dat zij dat langer alleen zouden kunnen dragen. En daarentegen vertoonen
alle pseudo-kunstenaars dèze overeenkomst, dat zij wel telkens èven zien
naar dat Gelaat, maar op de wijze van iemand, die een nu eenmaal
noodzakelijk maar vervelend werk heeft te verrichten, dat hem maar zoo
weinig mogelijk van zijn kostbaren tijd moet kosten. Zoo spoedig
doenlijk wenden zij zich dan ook af en gaan met den rug er naar toe
zitten, en om het weinige heen, dat zij werkelijk gezien hebben,
borduren ze dan veel bedàchte leugentjes en vertellen van dat weinige
zoo veel mogelijk: daarom was 't hun immers alleen te doen. Onder de
eersten behoort ook deze zeer echte kunstenares Wally Moes en het zal
zeer gemakkelijk zijn, ook haar rang te midden van hen te bepalen,
indien wij het volgende hebben opgemerkt. Er zijn artisten--en van de
grootsten--wien de blik uit het Levensgelaat, voortdurend brandend in
hun oogen, als hypnotiseert, zoodat zij als in een droom en onder een
dwang, hun hand de lijnen van het hun geworden beeld voelen trekken;
[p.59] hun bewegen faalt niet; hun schepping trilt en beeft van 't
innigste leven-zelf;--Jozef Israëls, om een schitterend voorbeeld te
noemen, heeft zich een van hen geweten. Er zijn er anderen, die ziènde
èn geboeid door het zien, dàn toch niet verstaan wat zij aanschouwen, en
de schoonheid en beteekenis ervan pas in het herinneringsbeeld
doorvoelen. Dier werkwijze is meestal moeielijk en zwaar; het leven
staat uit een diepe bezonkenheid in hen op, het heeft al zijn
schoonheid, tinten en geuren, behouden, maar gedempt; doch zoo het al
aan blijmoedigheid en losse bevalligheid verloor, het heeft aan zuivere
klaarheid en zachten ernst gewonnen, zooals huizen en boomen aan een
spiegelend grachtje in 'n stad, waar, tegen den avond, een onweer met
veel regen alles in een gewasschen helderte heeft gezet. Ook tot hen
behooren Grooten.--En dan zijn er nog, die ziende onmiddellijk
begrijpen, al te nùchter vaak begrijpen, en al ziende haastig hun
notities neerschrijven. Dat zijn de wel zeer echte, maar vaak als
nonchalant werkende kunstenaars. Zij zien te véél naar het Levensgelaat
en te wèinig naar wat zij schrijven. Onder hen bevindt zich onze Wally
Moes. Mag het haar gebeuren, dat door een gelukkig toeval het
essentieele alleen binnen haar gezichtsveld komt, dan beeldt zij slechts
dat--zoo bijv. Harpje, waarmede haar bundel opent: een meesterstukje!--;
gevalt het daarentegen, dat ze ook het bijkomstige ziet, dan schrijft ze
zonder genade voor zich-zelf of den lezer ook al dat bijkomstige neer,
zooals in Het Wondervrouwtje. Niet zelden verlaagt zij dan haar werk tot
een bijna zakelijke folkloristische essai of een bonte collectie
anecdoten--zoo is bijvoorbeeld de zwijgende figuur Leendert in Getjilp
onverklaard, geen kunst, anecdotisch gebleven, terwijl Donker Laren maar
al te vaak niet boven het zuiver-folkloristische uitkomt--maar is zij
dan tot zoo diep gedaald, dan komt ze plots tot bezinning en stijgt
weer: in een paar gelukkige zinnetjes bewijst zij dan nog, ook veel van
het essentieele te hebben doorvoeld--zie het slot van datzelfde Het
Wondervrouwtje.--Rasschrijfster als zij is, deinst ze voor niets terug,
overwint zij alle moeilijkheden tot volle bevrediging van den lezer en
als spelenderwijs; men behoeft slechts de bedreiging met [p.60] moord
door den teleurgestelden minnaar en den gevaarvollen tocht der beide
spieringvisschers op het Zuiderzee-ijs te lezen--beide in het prachtige
Harpje--om er eens voor al diep van overtuigd te worden. In haar puren
eenvoud, als zonder het te weten, dat zij zoo veelsoortig kostelijks in
haar werk bergt, is zij zoowel romanticus als realist, vol humor als vol
weemoed, beeldt zij even voortreffelijk synthetisch als ze prachtig
psychologisch analyseert--lees eens, om dat laatste vooral te
bewonderen, het mooie Zalige Sien, het slotstukje van den bundel!...

Zoo schijnt ons dan slechts betrekkelijk weinig te wenschen over
gebleven, en toch--is dat weinige wel zóó luttel als het schijnt? Een
wèinig meer rustige aandacht bij de schrijfster, en des lezers genieten
van het essentieele wordt niet meer zoo vaak door het bijkomstige
verlet. Een wèinig meer eerbied bij de kunstenares voor eigen vermogens
en voor het eigen wordende werk, en de taal wint aan die liefelijke
waardigheid, zonder welke een feest van den geest nooit stoorloos
verloopt....

Heeft Wally Moes zich dàt éigen gemaakt, ik ben er zeker van, dat zij
van een goede, een voorname schrijfster zal zijn geworden.

April '14.



       *       *       *       *       *


[p.61] G.F. HASPELS: WISSELEND UITZICHT


Het kwam niet, geloof ik, door het zeeïg-zilte, ruig-stoere en
hel-doorwaaide van Haspels' wijd-open geest, dat ik zoo vaak moest
denken aan die stedekens rond de Zuiderzee, als ik zijn werk las, want
mijn verbeelding meende immers hen dan juist zóó te zien, gelijk zij
zijn zullen wanneer eens ons machtigste binnenwater zal zijn gedempt en
over het nieuwe land nieuw en sterk leven hun doode pleinen en straten,
hun oude huizen binnentrekken zal. En evenmin kwam het, gelijk menig
lezer allicht zou denken, door de onderwerpen, welke onze schrijver bij
voorkeur behandelt. Het onderwerp-an-sich pleegt mij niet zoo te
obsedeeren, dat het boek mij aan iets frisch doet denken als het
onderwerp frisch is of ik het bij iets bedompts zou vergelijken, wanneer
het onderwerp bedompt is. Neen, mij althans doet dit alleen de
behandeling....--Maar het werd veroorzaakt, dunkt mij, door de
half-onbewuste overweging, dat ook de heer Haspels tegelijkertijd zóó
ouwerwetsch èn modern is als zulk een stadje vermoedelijk in de toekomst
zijn zal; het wemelt soms van moderne sentimenten en levensaanvoelingen
bij hem en die wemeling trekt maar, zoo gewoon-weg als hoorde 't niet
anders, door Potgieteriaansche straten--nou ja, natuurlijk: d'r zijn ook
nieuwe buurtjes bijgebouwd!--en Hildebrandsche geveltjes voorbij. Niet
dat hij de hoog-aristocratische zwier, de gesoigneerde wellevendheid of
het onvergelijkelijk stijl-vermogen des eersten bezitten zou--vèrre van
dien! Maar z'n dialogen vooral, natuurlijk niet in zijn schetsen van
volks- en zeemansleven, doch in zijn meer novellistich gecomponeerde
verhalen der "betere" standen [p.62]--verreweg zijn slechtste werk: te
zeer verstandelijk in elkaar gezet, met allerlei bedoelinkjes en
toevalligheidjes, zooals het zéér nàre Vriendschap in dezen
bundel--vertoonen van die Potgieteriaansche speelsche en andere
wendinkjes. En zijn zij al meest van zulk een goedkoope gevatheid als
dien Groote nooit uit de pen hadde gewild en missen zij immer diens
hooge voornaamheid, toch laten zij niet den geringsten twijfel over de
herkomst van den onbewust of bewust onderganen invloed, die in 't
algemeen hun wording heeft beheerscht. En niet, dat hij den droog-fijnen
humor van Hildebrand zou bezitten, neen, daar is hij te robust, te
sterk-, ja laat mij maar gerust zeggen, te groot-levend voor, maar
vooral en vaak bij het beëindigen van zijn novellen en schetsen doet hij
mij aan dien denken ... dan heeft hij iets van zijn manier, dan hoor ik
zijn geluid.... Och ja, ik geloof eigenlijk dat bijna héél dat oude
Holland van de middenjaren der vorige eeuw weer in hem tot nieuw leven
is gekomen, soms tot een ruimer natuurlijker leven, dan het wellicht
ooit bezat; zich in en door hem aan het moderne heeft verbonden. Zijn
hecht aan de "onbewuste" natuur, het aarde-, water- en luchtleven
verknochte aard, neen diè is allerminst van dièn tijd, noch specifiek
van den onze; die, zijn kostbaarste kern, is iets van àlle tijden,
waarin nog vrije en zuiver blijmoedige menschen kunnen bestaan; maar
alles wat in engeren zin tot de litteraire uiting zijner ikheid behoort,
dat is bijna immer beïnvloed door die periode en bijna nooit door die
van '80 of de onze. Tot een visie--ge herinnert u Onder den
Brandaris?--als die der "vier goudgehelmde, goudgepantserde reuzen", die
van Rembrandtiek licht omgloorde "wandstaanders", kwam men niet in
Hildebrand's tijd, nog veel minder tot een bijna sensitivistische
aanvoeling als, terzelfder plaatse, van de "nacht, wind en zee (die)
stonden daar met groote doode oogen verbaasd rond die lichtbron," op het
"zwalkend, in eenzame duisternis verloren scheepje". Dàt komt voort uit
het moderne in Haspels, gelijk ook de zéér ontroerende, pràchtig zonder
één kreukje in één stemming gehouden Zaterdagavond-Herinnering, in dézen
bundel. Maar wèl uit dien verleden tijd, wellicht uit iets van het beste
daarvan, is het [p.63] gedistingeerde, savant-samengestelde In den
Staringskoepel op Visite, eene allerliefste causerie, vol van een
luchtige, elegante eruditie; een gelukkige vervlechting van waarheid en
droomen--godlof allerminst Jonathan'sche!--van natuurbeschrijving en
mensch-typeering, fijntjes-effleureerende letterkundige appreciatie en
prettig-aandoende zelfspot. Kom nou eens om zóó'n stuk bij den pur sang
moderne!... Maar De Medeplichtige, dat toch ook een hartig en goed
stukje is, laat dan weer het zwàk-ouderwetsche kantje zien. Hier als bij
Augusta de Wit's Nellis, een strooper, een boer, die der "wrekende
gerechtigheid" ontvlucht, door een dominee wordt geholpen en in
veiligheid gebracht, maar hoeveel sterker is hier Augusta de Wit, omdat
zij modern-koeler voor het geval staat; omdat zij in een speciaal
moderne onverschilligheid voor het verháál, geen behoefte heeft gevoeld,
dit met ouwerwetsche toevalligheidjes op te sieren tot het van een
schetsje, een tranche de vie, een complete, gecomponeerde novelle zou
geworden zijn. Overigens is er niet véél meer van dezen bundel te
zeggen. De Gouverneur-Generaalsche: een aardig stukje. De Maas voor
Rotterdam en Op Holland's Breede Wateren, nou ja, dat zijn van die
goeiige toast-achtige dingetjes, waarvan je, als je in dezelfde
enthousiaste after-dinner-stemming bent als de spreker,
méé-wijntraan-in-'t-oog-lacht, en anders maar 'n beetje verlegen je lip
bebijt. Terwijl Zwakke Kracht en Vriendschap ... over het laatste heb ik
al even gesproken en welnu: zoo is het eerste ook: beide onbeteekenende,
door geen enkele qualiteit den schrijver waardige verhaaltjes, al opent
Vriendschap dan ook met de bijzonder fraaie en lieve beelding van een
meesje, dat op een zwiependen tak een tuinkamer in en uitwiegt. Maar in
Een Mensch, daar is de schrijver weer op zijn sympathiekst, zijn sterkst
en zijn best; daar is hij weer de wijd-opene, zoowel voor het klein- als
groot-menschlijke zoo diep-ontvankelijke begrijper, zoo heelemaal niets
in elkaar knutselend, zoo gansch niet zich verheven voelend boven zijn
klein-menschelijk onderwerp en daardoor juist zoo prachtig erboven; zoo
ontvangend en gevend het leven in éénen tocht.

[p.64] Naar de taal in engeren zin, als kùnsttaal, als plastisch
materiaal, als rijkdom van éénig-juist beeldende woorden, dáár moet ge
bij dezen ouwerwetsch-modeme eigenlijk heelemaal niet naar kijken. Want
o ho! dan ziet ge wel héél duidelijk dat toen ten jare '80 dat lustige
stormzeetje van De Nieuwe Gids Holland zooveel nieuwen rijkdom
binnenbracht, de stad Haspels aan een léélijk-verzande haven moet hebben
gelegen....--

Sept. '14.



       *       *       *       *       *


[p.65] CORNELIS VETH: GIDS VOOR PADVINDERS, PRIKKEL-IDYLLEN VI


De heer Veth heeft door het schrijven zijner Prikkel-Idyllen onze
literatuur met een bezit verrijkt, waarmede deze deftig-ernstige, dunkt
mij, wel nimmer zal gedroomd hebben nog eens in haar rechtlijnige,
streng-gebeeldhouwde hollandsche-kast te mogen pronken.--Zeker, wij
hebben meer goedlachsche spotters gehad, maar hoe vaak was, in den
nieuweren tijd, dan niet alleen het genre, maar ook de geest
geïmporteerd! De heer Veth deed beter: het uitheemsche genre ter
verrijking van eigen literatuurschat aanvaardend, begreep hij, dat er
van eenige werkelijke en blijvende winste geen sprake zou kunnen zijn,
zoo hij het niet herschiep door en in eigen geest. Het geluk begunstigt
vaak den moedige. Zou het hemzelf niet meegevallen zijn, dat die geest,
eens aan het werk getogen, zóó kostelijk òn-hollandsch bleek in zijn
schaterend-mal fantastisch doorslaan, zoo gelukkig in-hollandsch bleek
in zijn niet aandikken van de geestigheid, in zijn telkens als kleine
fonkellichtjes de écrituur èven overschijnenden en dan weer bescheiden
plots henen glimlach? Zoo ik u een bewijs moest geven van de
aanwezigheid dier uitbundige fantasie, ik zou mij allicht verplicht
achten u dezen geheelen "Gids voor Padvinders" af te schrijven, want zij
komt uitteraard slechts bij het beschouwen van het geheel tot haar volle
recht en is in een klein citaat niet dan zwak en verminkt te geven; maar
zoo ge dien stillen, nauwelijks merkbaren glimlach mocht wenschen te
zien, dat èven trekken der mondhoeken van den verteller, dat èven
schalk-schuin [p.66] kijken zijner oogen, dan is daaraan gemakkelijk te
voldoen. Ziehier: "Jammer, dat wij niet kunnen genieten van het
prachtige uitzicht, dat door gindsche dichte haag pijnboomen aan ons oog
wordt onttrokken.... Maar hoe wisselvallig hier het climaat is, bewijst
de ontzettende cycloon die daar plotseling opkomt en op enkele meters
afstand van ons alles vernielt, eeuwenoude eiken met wortel en al uit
den grond rukt, de planten mijlen ver wegslingert.... Ons uitzicht is nu
meteen vrij gekomen en wij vervolgen dankbaar en vol natuurgenot onzen
weg."

Zelden, nietwaar, zal dat vermaarde "droge" van ons overigens zoo natte
Holland, zich als tegelijkertijd zóó sappig en frisch hebben
geopenbaard. En toch zijn deze prikkel-idyllen van onzen begaafden
spotter, in al hun heuglijke deugdelijkheid nog slechts een begin; een
begin, dat dan ook inderdaad noch het verrassende, noch het min of meer
jeugdig-kleine van bijna elken aanvang van iets zeer
beteekenisvol-nieuws mist. Dat beteekenisvolle, en voor ons land
nagenoeg nieuwe, is: de ontwikkeling van den artiest-criticus in diens
eigen lijn tot scheppend kunstenaar: den schrijver van den Conte en
marge--men kent immers de buitengemeen-fraaie, soms zelfs grootsche
kunstwerkjes van een Lemaitre in dit genre?--welke het air heeft van je
zou zoo zeggen géén critiek te zijn en dit toch, o zoo fijntjes, o zoo
stimuleerend en verheuglijk is.??--Toen ik indertijd, de aandacht mijner
Het Jonge Leven-lezers op de Prikkel-Idyllen vestigend, de parodie, om
hun haar wezen duidelijk te maken, vergeleek bij de sluipwesp, die, haar
eitjes in de rups leggend, ìn het lichaam van deze èn door vernietiging
daarvan, eigen geslacht doet geboren worden en gedijen, was, zoo dunkt
mij nog altijd, dit beeld niet onjuist, zelfs ook indien meer in 't
bijzonder in betrekking tot 's heeren Veth's werk beschouwd, voor zoover
dit er inderdaad nu en dan in slagen mocht, het schadelijk broedsel der
Schundlektur te knauwen, maar hoe onjuist daarentegen was 't in zijn
toepassing op dat werk, wanneer men er op let, hoe geheel zonder
boosheid en venijn het is, hoe gul de lach er in klinkt, hoe open en
luidruchtig het leeft. En juist nu [p.67] de coïncidentie dèzer feiten:
dat de parodie op een boek toch in zekeren zin een Conte en marge van
dat boek kan worden genoemd; dat de Prikkel-Idyllen wel ongetwijfeld
zeer geprononceerde parodieën zijn maar ook even zeker kiem-elementen
van de niet-parodiëerende Conte en marge in zich hebben, èn dat de heer
Veth criticus is, doet mij hopen en verwachten, dat 't hem gegeven moge
zijn, ook dezen schoonen uitlooper van den critischen geest in Holland
te stekken. Zulk een Conte kan van alles in zich bevatten: fijne ironie,
diep levensinzicht--wie zou er zich van kostbaarder gehalte wenschen,
dan er bijvoorbeeld in Lemaitre's En marge des fables de Fénelon (Le
joural du duc de Bourgogne) is--; sublieme verbeelding en
liefdevol-fijne critiek--als in dat prachtige En marge de Don Quichotte
(Dulcinée), om nu maar een paar te noemen. En het genre dezer verhalen
lijkt mij des te edeler, omdat zij bijna immer een moedigen wedkamp om
den prijs der hoogste schoonheid, met het "bekantteekende", meestal
wereldberoemde, werk bedoelen! Dat ook de verovering dezer
literatuursoort al evenzeer een diep ingrijpende veredeling van Veth's
werk als een uiterst beteekenisvolle aanwinst voor onze litteratuur zou
zijn, lijdt geen twijfel. Maar hetzij deze verwachting al dan niet in
vervulling moge gaan, reeds nu past het ons, hem voor deze zijne kunst,
al lijkt die slechts een aanvang vergeleken bij gene, den lof te
brengen, die zoo min den talentvollen kunstenaar als den schepper van
een nieuw genre in onze letterkunde vergeet.

Nov. '14.



       *       *       *       *       *


[p.68] HERMAN ROBBERS: HELENE SERVAES


Misschien, neen zeker, ware het wel wijs èn betamelijker van mij
geweest, nièt over deze roman te schrijven. Want zoo ik het al immer als
iets prettigs heb ondervonden, in een beminnelijk "verzoekinkje" te
worden "geleid", 't zij om mij te mogen vermeien in mijn
weerstandskracht, 't zij om de lang niet verwerpelijke zoete heugenis
aan den ten slotte toch beganen péché mignon te kunnen wijden door het
herdenken van deugdzaam voorafgeganen tweestrijd--helaas! hier was geen
verzoeking en ik werd nergens in geleid, maar voelde mij onmiddellijk
vast besloten het misdrijf te plegen, toen ik inzag dat het te plegen
was.... Of ik dus wel later met een heimelijk-monkelend glimlachje zal
kunnen terugdenken aan dèze zonde? Of ik mij niet schamen zal?...
Komaan, laat me er maar niet verder over piekeren en mij aan het
noodlot, dat mijn ijdelheid nu eenmaal over mij heeft uitgesproken met
die bereidwilligheid en gemoedskalmte onderwerpen, die, verbeeld ik mij,
den meesten mijner geëerde collega's in zulk een geval wel niet héél
vreemd zullen zijn....--

Toen ik Helene Servaes had gelezen stond het vast bij mij, dat ik met
mijn kostbaar critisch inzicht zou gaan geuren--een zonde tegen den bon
ton? best! maar het niet te doen dan toch weer een beleediging van het
nieuwe heiligje, Il Santo Egoismo; en als ik dan toch tusschen twee
zonden kiezen mòet.... En ziedaar dus: het is nu precies vijf jaar
geleden, dat ik in mijn studie over Robbers hem "den dichter-prozaïst
der liefde bij uitnemendheid" onzer literatuur noemde, en, ei, ei! ik
voelde en voel het nog zoo duidelijk: hoevelen zullen [p.69] toen wel
niet binnenkamers om die "overdrevenheid" hebben geglimlacht: de Robbers
van De Roman van een Gezin was juist toen pas zoo een heel andere
gebleken dan die van Bernard Bandt, van Annie de Boogh; dat passievolle
kunnen-beelden van het liefdeleven scheen zoo mèt de eerste jeugd
verdwenen en plaats te hebben gemaakt voor het koeler vermogen van
minder romantischen en bezadigden realist, beelder van economisch en
familiaal groepsleven.... En intusschen! hoe heerlijk heb ik nu toch
maar gelijk gekregen.... Want Helene Servaes is een sterker beelding van
de alles-beheerschende liefde, dan Robbers tot nu toe geschreven had;
van een liefde machtiger dan die van Annie de Boogh, in eene figuur
grooter dan deze. Zoo ook de laatste wordt gedreven te doen wat zij
doet, door haar hartstocht voor den beminden man, zij voelt zeer wel dat
zij aldus slechts naar haar levensgeluk kan gaan en een rampzalig
toekomstleven onvlucht; zij verlangt dan ook niets liever dan haar
gevoel gehoorzaam te zijn. De eerste echter weet ten slotte zeer
bepaald, dat zij door haar liefde voor den getrouwden man Fokkema ia het
ongeluk wordt gestort en gretig verlangt zij, in volle overgave den
goeden en lieven Lucas van der Marel te mogen behooren, en desniettemin
... haar ontzaglijke liefde beheerscht haar en drijft haar naar wanhoop
en dood. Hier is een tragiek bereikt, die in dat andere passievolle werk
werd gemist: die van den tè zwakken mensch in wien een elementaire
natuurkracht opslaat als een vlam; de tragiek van een mensch, die nu
eenmaal voorbestemd is, een "levende toorts" op het Nero-wreed
natuurfeest te zijn.--Hoezeer dan ook Robbers, met het scheppen van dit
werk, tot de eigenlijke roeping zijner kunstenaarsnatuur is
teruggekeerd, blijkt, dunkt mij, overduidelijk uit het feit, dat hij nu,
ouder geworden, nà het schrijven van dat koeler boek De Roman van een
Gezin, niet alleen het geestelijk liefde-doorleven zijner jonge jaren
verdiept en verinnigd maar zelfs verhevigd herwonnen heeft. Dit valt
geen ten deel, wien niet, als kunstenaar, de liefde èn wortel èn vrucht
èn merg des levens is....--

Maar zoo mij een fijngevoelige nu zou vragen of ik, èindelijk en [p.70]
gelùkkig, hiermee aan het einde mijner zelfverheffing ben geraakt en
weer een leesbaar want bescheiden en ingetogen recensent wil worden, ik
zou hem antwoorden: ik denk er nog niet aan! Want vertoont dit werk ook
niet het begin der verwezenlijking eener andere destijds door mij
uitgesproken verwachting? De verwachting, dat eens Robbers' "mystieke
levensbegrijpen zijner jeugd weerkomen zal", dit levensbegrijpen, dat
zich zóó schoon in De Vreemde Plant had geopenbaard en daarna--uit zijn
werk verdwenen was.... Want wie die de beschrijving van Luuk's
gewaarwordingen en liefdevisioen op blz. 184 heeft gelezen, zou niet
merken, dat het dat mystiek doorvoelen was, waarheen des auteurs geest
weer schuchter streefde, of wie ontkennen, dat hij, toen hij zoo innig
dat moment beeldde, waarop Luuk Helene's afscheidsbrief ontvangt, éven
in een van de lagere ingangspoorten der mystiek stond: het sensitivisme?

Toch, die nu meenen zou, dat de pochende recensent te diep in het
glaasje der ijdelheid heeft gekeken, dan dat hij nog helder genoeg zou
zijn, om de fouten te zien, die hij--niet heeft voorspeld, kwame
bedrogen uit. Hij meent althans nog genoegzaam onbeneveld te zijn, om te
mogen beweren, dat ook uit dit werk weer blijkt, hoe het inbrengen van
een zwak pathologisch element in eene overigens niet pathologisch
getinte romanfiguur zelden een voordeel is. Althans ook hier vermindert
ongetwijfeld de hereditaire dispositie tot zelfmoord in Helene het
algemeen menschelijke in haar, leidt des lezers aandacht een weinig af
van haar innigste wezenheid-zelf en maakt zijn zien van haar als een
ziel, die absoluut door de lièfde beheerscht wordt, een weinig troebel
en onzeker--want nu is niet alleen de liefde Heiene's noodlot gebleken
maar die neiging tot zelfmoord heeft haar bestemming mee gedetermineerd;
men denke er zich eens in, hoe in dat wellicht innigste boek-van-liefde
dat onze literatuur bezit, Geertje, de imposante verschijning der liefde
ontzaglijk verzwakt zou zijn geworden, indien ook daar een dergelijk
element ware ingeslopen!--; en ten leste, daar de figuur van Helene--en
ik spreek ook nu niet van de beelding maar van den gebeelden
mensch--althans [p.71] in mijn geheugen immer als a thing of beauty zal
staan, wordt mijn joy for ever daaraan door dat pathologische
aanmerkelijk geschaad, want niet kan de schoonheid van de beelding eens
menschen daardoor lijden maar wel en maar al te zeer de schoonheid van
dien mensch-zelf. Want indien, zooals Helene Servaes, die mensch a thing
of beauty ìs--en als wèlk een aandoenlijk schoon, spiritueel figuurtje
zie ik haar niet!--dan is dat pathologische de barst daarin, de
verminking daarvan....--En voorts meent de recensent niet minder
duidelijk te zien, dat door de sterke concentratie van des kunstenaars
aandacht op de lichtende hoofdfiguur, hij niet gemerkt heeft, dat zijn
helper, de geroutineerde-schrijver, zich nu en dan al te veel met de
andere figuren bemoeide. Er is daardoor in de beelding dezer laatste
hier en daar iets cliché-achtigs gekomen. De vakman Robbers schrijft tè
gemakkelijk, diens stijl is té gul-joviaal en ontaardt soms in diezelfde
routine-gulheid en jovialiteit, die men bijv. ook vaak in het optreden
van populaire volksleiders kan aantreffen. En mede hieraan is het ook te
wijten, dat soms de dialoog te weinig individueel-genuanceerd, naar den
aard der sprekende persoon, is Luuk is menigmaal heelemaal
Croes-achtig--de lezer herinnert zich die prachtige vaderfiguur in De
Roman van een Gezin?--en ook zijn vrienden hebben soms dat zelfde
bruyante, haha'ërige en handtastelijk lawaaiende als deze. Máár dat
minder goede blijft nooit lang. Zooals, dunkt mij, een meester-schilder,
die zich plotseling herinnert, dat daar in den anderen hoek van zijn
atelier, zijn leerling misschien iets god-weet-hoe staat te bederven,
haastig naar deze toeloopt en met een enkelen toets een fout verbetert
en iets kunst-lévends in het werk brengt, zóó springt dan gauw de
kunstenaar Robbers den vakman terzijde, duwt dien even weg, en ... kijk
nou ereis ... hoe aardig en mooi in eenen ... door dat ènkele kleine
trekje.... We genieten weer ...--Dit alles nader te argumenteeren valt
natuurlijk buiten het bestek dezer critiek en trouwens hoe weinig belang
heeft het, vergeleken bij het heuglijke feit, dat de schrijver van dit
boek er het schoonste en meest eigenlijke van zijn kunstenaarsschap,
zooals dat uit zijn jeugdwerken bleek, nu op verder [p.72] gevorderden
leeftijd, versterkt en verinnigd in mocht uiten. En ik zou hier dan ook
gevoeglijk kunnen eindigen, zoo het schrijven over Robbers' herontwaakte
mystieke neigingen en over De Vreemde Plant mij niet een mijner
literaire ergernissen te hevig had doen voelen, dan dat ik haar niet
luchten zou. Dat die prachtige ook door van Deyssel zoozeer geprezen
novelle maar in den, naar ik meen vrijwel vergeten, bundel van Phocius
blijft opgeborgen, ik vind het zonde en jammer. Want de twee andere
verhalen daarin,... vooral Een Kalverliefde.... Het geval doet mij
altijd denken aan dat ongelukkige meisje, dat niet gescheiden werd van
het lijk van het met haar saamgegroeide zusje en daardoor zelf sterven
moest. Waarom ook hier niet resoluut het chirurgisch mes genomen en het
levende, mooie kind van 'r dooie familie bevrijd?... "Ho, ho, dàt gaat
toch te ver, toch zeker te weinig nuchter voor een medisch advies!" hoor
ik hier plotseling en heftig mijn voorzichtige en fijngevoelige
roepen.... Maar och kom, wat zou dat! Is dan in vino--zelfs dien der
ijdelheid--geen veritas?...

Mei '15.



       *       *       *       *       *


[p.73] H. VAN LOON: TROUWELOOZEN


Een caleidoscopisch boek. Een wemeling van figuren, gebeurtenissen en
analysen vermoeit des lezers aandacht en doet hem zich afvragen, of 't
niet te veel gevergd zou zijn, van dezen jongen, schoon zeker
talentvollen auteur reeds te verlangen, dat àl zijn figuren zouden
werkelijk leven, àl zijn gebeurtenissen in duidelijk zichtbaar causaal
verband zouen staan, van àl zijn analysen niet soms de een de ander zou
logenstraffen. En inderdaad, hoe klaarder onze kijk wordt op dit werk,
des te duidelijker blijkt ons, dat we dit alles maar niet moeten
eischen. Want zouden wij dit wel doen, schipperden we niet wat met onze
overtuiging, dat wij feitelijk èlken schrijver zoodanigen eisch mogen
stellen, onze teleurstelling over de afwijzing ervan, bracht er ons
allicht toe, uit gemelijkheid den auteur de lof te onthouden, waarop hij
toch onbetwijfelbaar recht heeft. Overigens, die lof--zoo beteekenisvol
hij ook moge zijn--is spoedig genoeg gezegd: de menschelijkheid van dit
werk en zijn schrijver is een veel-omvattende en innerlijk-rijke, èn: de
uitbeelding is nergens zoo mislukt, dat wij niet overal de aanwezigheid
dier menschelijkheid zouden kunnen voelen. Máár: die voelend ziet men
ook onbetwijfelbaar tegelijkertijd in, dat, hadde de auteur nog wat
gewacht, gewacht namelijk tot hij als kunstenaar de behandelde stof
volkòmen meester was, het werk aan deugdelijkheid véél zou hebben
gewonnen, want nu hij dat niet heeft gedaan, nu hij al te haastig, heel
z'n mooie bouwdoos bij elkaar gegrist, de literatuurtrap komt opgehold,
nu ziet moeder Critiek helaas, dat hij de mooie blokjes en beeldjes
leelijk heeft door elkaar [p.74] gerammeld: daar is een hoekje afgebotst
en hier een spijltje verbrokkeld en de boel past niet meer precies op
elkaar....--En niet alleen dat de logiek van het gebeuren in dit werk en
de logische continuïteit der analysen wel eens zoek zijn, maar er is ook
iets in dezen roman, dat men misschien het best den epischen esprit de
l'escalier zou kunnen noemen: nog hebben wij sommige figuren niet goed
aangekeken of daar staan plotseling weer een paar spiksplinternieuwe
voor ons, en, eindelijk, nadat we die dan een paar bladzijden lang
hulpeloos en vervreemd hebben aangestaard, komt op z'n elf-en-dertigst
en in 'n "naschuitje" pas de verklaring aangewiebeld, wat ze daar nu
eigenlijk te maken hadden.--Verliest dit boek nu en dan voor een wijle
zijn karakter van psychologischen roman, geeft het 't leven in handeling
en dialoog van zijne figuren-zelf, hoe dikwijls, zèker, achten wij 't
ook dàn zéér gelukt, maar ai! welk een onmacht grijnst ons ook somtijds
aan. Men behoeft maar in 't begin die scène te lezen, waarin Lotte Geert
haar ontrouw bekent, om voor een mislukking te staan, die moeielijk als
zoodanig kan worden overtroffen. Ook de dialoog is, door het geheele
werk heen, moge zij slechts zelden slecht kunnen heeten, bijna even
zelden zoo van leven fonkelend, als men het recht heeft te verlangen. En
wat toch in den psychologischen roman, wil hij voortreffelijk heeten,
onontbeerlijk is: een analyse van fijne, diepe vondsten èn een
beeldend-analyseerende taal--zij zijn grootendeels afwezig. Maar in
weerwil van dit alles, al wàre niets anders geslaagd dan die ruige,
tintel-levende figuur van Geert, dan nog zou deze ons duidelijk maken,
dat wij hier met een schrijversaanleg te doen hebben, die zóóveel in
zich bergt, dat ze zich de wat grootscheepsche weelde mag veroorloven,
een omvangrijk en gedeeltelijk minder gelukt werk als dit, ons als zeer
betrouwbare belofte van vele toekomstige volkomen-gelukte en rijpe te
geven. Bezit en hoop dus ... ten slotte blijkt het niet weinig wat de
heer Van Loon ons schenkt.

Febr. 1916.


       *       *       *       *       *


[p.75] CYRIEL BUYSSE: OORLOGSVISIOENEN


Een zeer vermakelijk èn diep-aandoenlijk boek. Ziehier in weinig woorden
de twee ver uiteenloopende eigenschappen van dezen bundel gekenschetst,
eigenschappen, die maar al te zelden beide in het levenswerk van één
auteur worden gevonden, nòg zeldzamer in één boèk voorhanden zijn. Men
moet dan ook al een rasepicus, een volbloed romancier als deze groote
Vlaming zijn, om ze beide in zóó kort bestek, verweven in figuren zóó
vol leven en tevens zóó luchtig èn geacheveerd gebeeld, te kunnen geven.
De satyriek-humoristische verhalen: De heeren Bollekens in oorlogstijd,
Het oorlogshuwelijk van meneer Calkoen en Rikiki vullen meer dan twee
derden van den bundel. De uit hun evenwicht geslagen, smulpapige
rijkaards met "de mooie meid" in de eerste novelle; in de tweede de oude
scharrelaar, die elke twee jaar een andere dienstmeid neemt, en nu tegen
't einde van zijn leven dan toch waarlijk door de toevallen van den
krijg wordt gedwongen met de laatst bij hem in dienst getredene te
trouwen; de generaalsfamilie, die door het kleine schoothondje
getyranniseerd wordt in het derde verhaal--zij alle vermaken, terwijl in
Rikiki, in de boeven-scène, zelfs een Decamerone-achtige atmosfeer wordt
gevoeld. Ook deze verhalen zijn vol van de inwerkingen en 't gebeuren
van den tragischen oorlogstijd, maar toch, het eigenlijk bij zulk een
tijd behoorend groote sentiment liet zich niet dan onderwaardig aan
hunne half-comische figuren verbinden. Het filtert maar zoo'n beetje
door de novellen heen. Maar dan doorleven we in drie vlot geschreven,
anecdotische "niemendalletjes"--waarvan nochtans het middelste, [p.76]
In de vuurlinie, een hooger waarde allicht mag hebben als rake beelding
van den grondvasten Vlaamschen boer--de overgang naar het
diep-aandoenlijke. Dit laatste openbaart zich voor 't eerst zeer sterk
in De Vrijwilliger, den man, die met een bajonetsteek een "vijand"
doodt, en als hij onder zich in de loopgraaf diens brekende oogen ziet,
"pardon" stamelt. Vooral hierin is wel de volle en ònmiddellijk zich
uitende tragiek van den krijg bereikt, terwijl weer eene prachtig
visionnair-beeldende kracht het treffendst in De Vlucht is. Zie eens dit
kleine stukje: "... het scheurde hun door 't hart, maar 't moest, het
moèst, er was geen oogenblik meer te verliezen, zij hoorden de
vernieling in de verte aanloeien, en zij werden meegenomen in den wilden
stroom der vluchtelingen, terwijl daar in de diepte de eerste huizen van
het dorp reeds brandden....

"In volle vaart renden zij het roode westen in. Wat zag het vreeselijk
bloedrood dien avond! De zon was onder, maar hoog en wijd over de kim
had zij haar langzaam-tanend bloedlicht nagelaten, 't Was als een
tafereel der wreede, oude tijden. Somber, voorovergebogen in hun vlucht,
holden, in roodachtige stofwolk, die duizenden en duizenden daar wild op
in...."

En dan bij de lezing van De Moeder, van Singen ... Singen ...! van De
Terugkeer--welke criticus, die geen critiek-machine is geworden, zou
niet zijn wijde aandoeningen van mede-lijden en mede-genieten de volle
heerschappij over zich hebben gelaten.... Het is dan ook mede daaraan,
dat de lezer het heeft te wijten, zoo hij hier het sausje missen moet,
zonder 't welk het gerecht van een Buysse-bespreking door een kok van
dèzen tijd, die op z'n goeden naam gesteld is, niet mag worden
opgediend, het sausje, welks ingrediënten bestaan uit 'n paar lepels
vaderlandsliefde van Buysse, liefst opgewogen tegen en goed vermengd met
die van Streuvels benevens wat droppeltjes gòeie Hòllandsche azijn
erover been....--Helaas, ik arme, ik kan er hem niet aan helpen. Maar
niettemin verwaardige hij zich dit zeer bescheiden schoteltje te
proeven.... Het smaakt alleen naar Buyssensche menschheids<i/>liefde? Ik
ontken 't niet, maar zou dat ook niet voldoende kunnen [p.77] zijn? ...
En komaan, wèg nu maar met deze keukenmeiden-beeldspraak. Ik zegge hem
slechts nog kort en goed tot besluit, dat als in toekomende tijden naar
de qualiteit der vaderlandsliefde van deze twee geniale artisten zelfs
geen vurigste Coq Gaulois meer kraaien zal, nog duizenden hen lievende
en in hun werken verdiepte lezers zullen getuigen: "Hoe hebben deze twee
de memchheid liefgehad." En is het niet deze liefde, waarop het voor de
literatuurcritiek op aankomt? Is het niet deze in tegenstelling met de
andere, die eene der maatstaven van haar oordeel moet zijn?

Febr. 1916.


       *       *       *       *       *


[p.78] VICTOR IDO: DE PAUPERS

Roman uit de Indo-Europeesche samenleving


Het Realisme, eindelijk beu van de kosjere keuken, heeft zich breeduit
aan de Indische rijsttafel gezet. Anders gezeid: het Realisme--we
moesten eigenlijk van 'n soort Naturalisme spreken, maar dat tooverwoord
roept zóó machtige geesten op ...--na jarenlang het leergraag Hollandsch
publiek onderricht te hebben in wat 'n chochem, 'n sjlemiel, 'n souger,
enz. enz. is, heeft nu een cursus geopend in Totok en Indo, mata glap,
ronggèng, etc. Ons leeren is spelen, en loopt 't een beetje mee, dan
kunnen we zonder eenigen twijfel, zooals we vroeger in 'n wip de
moreinoe hebben gehaald, 't volgend jaar het Indisch
groot-ambtenaarsexamen doen. De Paupers althans behoort zeer zeker tot
de buitengemeen prettige leermeesters in al deze wetenswaardigheden,
want een gewoon-goed boek, een boek van gezonde middelmatigheid is het
óók. De schrijver slaagde erin, zoowel uitzonderlijk-nobele figuren,
Tjang Sina en Grootvader Sam Portalis, als die van een zeer zinnelijken
geweldenaar gelijk Boong Portalis, levenswaar te beelden. Natuurlijk
ontbreekt ook in dit Indisch boek het occulte element niet. Maar daarmee
heeft de auteur een beetje geschipperd. Hij heeft de aarzelingen gekend
wier afwezigheid een stuk als De Vader van Augusta de Wit in de
gelegenheid stelde zoo sterk-eerlijk te zijn, zoo volledig te slagen. En
zooals de afwezigheid van dergelijke weifelingen--gelijk ik destijds
uiteenzette[1]--soms de [p.79] visionnaire kracht eens kunstenaars
bewijst, zoo toont de aanwezigheid een zekere visionnaire zwakte aan. En
dit gebrek aan kracht openbaart zich dan ook niet alleen daarin, maar
tevens, zij het slechts een enkel maal, in een verzwakkende herhaling
van het reeds gezegde of in een onverwachte vernuchtering, als ware er
een plotse breuk in het sensitive en visionnaire leven van den auteur
gekomen en of hij, vreemd, vergeten hadde wat hij pas zoo nadrukkelijk
zei. Maar ik herhaal het: dit gebeurt slechts uiterst zelden. Overigens:
niets dan goeds; er leven een paar lieve, jonge vrouwen-figuurtjes in
het verhaal, Daï en Nini. Mr. van Vierzen Pel, de president-rechter, is
in zijn hartstocht voor Daï zoowel als in zijn immer indachtig-zijn aan
zijn positie, zeer raak gebeeld, en dat zonder eenig valsch pathos, of
de geringste mooimakerij. Kortom, om nu maar niet al de welgeslaagde
figuren gedetailleerd te bespreken, de doorschouwingsinnigheid van den
schrijver reikt overal diep genoeg, om ons duidelijk te doen gevoelen,
dat ook deze Indo-Europeesche samen-leving precies als al hare zusteren
van ons tijdvak, eigenlijk een apart-leving is van in dwaasheid en wanen
bevangen, elkaar hatende en minachtende coterie'tjes en individuen.

Juni '16.

Noot:

[1] Zie De Gids van Juni 1915. Blz. 489 e.v., of mijne Nederlandsche
Romancières van onzen Tijd, dat in 1920 bij de Uitgeefster van dit boek
zal verschijnen.



       *       *       *       *       *


[p.80] P. RAËSKIN: PASTOOR HORSMAN


Wie pastoors en dominees louter als novellistische figuren der
Hollandsche literatuur kent, heeft de dominees zelden anders leeren zien
dan, om 't vergoelijkend te zeggen, als een ras van saaie pieten, de
pastoors daarentegen als een groep bruyant-levenslustige menschen, die
om den hemelschen nectar een goed glas aardschen wijn niet versmaden en,
Gode den wierook gunnend, voor zich een edele Havana weten te
waardeeren; vaak ook als naïeve groote-kinderen, met een rotsvast,
primitief geloof in hun religie, soms daarbij tyrannieke autocraatjes,
tòch bijna immer beminnelijk en vóóral: menschelijk. De rollen schijnen
wel waarlijk omgekeerd: aan den eenen kant de dominee, de pater
familias, die nochtans met een gezicht rondloopt--wel te verstaan: in de
literatuur!--als zuchtte hij onder alle ascetische zelfkwellingen en
onthoudingen, die er in het brein van een Yogi zouden kunnen opkomen;
aan den anderen kant de pastoor, die, aan zijn kuischheidsgelofte
getrouw, wèrkelijk een zich hevig pijnend asceet mag heeten en nochtans
de blijmoedigheid en levenslust zelve is. En dìt is dan ook wel de
zuiver-mensehelijke charme der literaire pastoorsfiguur, dat zij zich
nooit op het heel bijzondere harer zelfoverwinning laat voorstaan, ja,
van de hooge waarde daarvan niet schijnt af te weten, en dit daarentegen
het afstootelijke der literaire domineesfiguur, dat zij zich een houding
van onzinnelijk en vergeestelijkt leven geeft, die haar heelemaal niet
toekomt.--De heer Raëskin heeft de dominees de dominees gelaten en zich
ertoe bepaald de pastoorsliteratuur met een zéér liefdevol en in elk
opzicht [p.81] uitnemend en zorgzaam geschreven werkje te verrijken. Het
behandelt de bekeering van een reeds oud en ouderwetsch priester, die
niets van volksbonden en kinderpatronaten moet hebben, tot een modern
herder, die, zelfs véél aan "sociaal werk" doet. Hoe die bekeering zich
langzamerhand onder den invloed van een jong kapelaan voltrekt en het
juist en ten slotte de zonde van dien kapelaan is--hij wordt er door den
pastoor op betrapt, dat hij een meisje omhelst--die de aarzelingen van
den ouden priester overwint en hem, die zijn ontslag reeds wilde vragen,
aan zijn ambt teruggeeft, het wordt door Raëskin met zuiver
psychologisch inzicht, met volkomen ontstentenis van alle mooidoenerij
en in een zeer fijngevoelig beeldende taal weergegeven. Deze laatste is
trouwens door het geheele boek heen zoo opmerkelijk, dat ik het niet
minder als een plicht dan als een genoegen voel er eenige voorbeelden
van te geven. Van een bisschop: "Hij ... boeide door de verrassing, in
zijn grootwaardigheidsbestaan menschengrapjes te willen kennen."--"Over
den ordelijken aanleg dwarste de zon eigen lichtperken, waarin gras en
grint te zaam bloeiden."--De huishoudster "vertilde 't verstelgoed van
haar schoot naar de avondschoone ruimte op de tafel."--En beluister eens
hoe Raëskin's verhaal-stijl mee-rhythmeert met den aard van het
gebeuren. De pastoor heeft besloten zijn ontslag te vragen en neemt een
aanloopje, om dit zijn huishoudster, die hem twintig jaar trouw heeft
gediend, mede te deelen. De vrouw begrijpt hem onmiddellijk. "Ze
verstond uit zijn woorden, dat hij zijn jaren opgeteld had en weg
wilde..." zoo vertelt 't onze schrijver en is er aldus in geslaagd, in
die weinige door mij gecursiveerde woorden van bijbel-plechtige wijding
heel de ontroering dier twee oude menschen op dit voor hen zoo
gewichtige oogenblik te geven--te geven zonder met een woord van die
ontroering-zelve te hebben gerept.--En niettemin, naast zoovele deugden
heeft dit boek deze groote tekortkoming, dat het te ondiep blijft, het
hart-innige leven niet raakt. Dat het sexueele gevoelsleven der
waarlijk-geloovige en kuische priesters--en zulk een is Pastoor
Horsman--een geweldig, schoon soms meer latent, maar dan toch straks
weer [p.82] te heviger oplaaiend, element in hun psychisch complex moet
vormen, wie kan het betwijfelen? En ook: wie langer nadenkt over den
levenslust en de blijmoedigheid dezer, zij 't eenzijdige, asceten, zal
allicht inzien, als ik, dat die levenslust niet slechts niet-strijdig is
met dat ascetisme, maar er zelfs uit voortvloeit. Het wil mij namelijk
toeschijnen, dat zij voortkomt uit de zelf gerustheid, de diep-stille
tevredenheid van den zelfoverwinnaar. Vandaar dan ook deze, ook in dit
boek zoo uitstekend gebeelde, losheid en snaakschheid in den onderlingen
omgang dezer geestelijken: het groote offer hunner machtigste
hartstochten heft hen van zelf boven het pueriel gedoe en den door dat
werkelijke offer overtollig geworden schijn van
"geestelijkheids"-uiterlijkheden uit. En welnu, dit geheele
gevoelsleven, het sexueele complex van worsteling en overwinning of
nederlaag, wordt in dit boek helaas niet aangeraakt--het voorvalletje
met den kapelaan heeft louter compositorische, geen psychologische
waarde--en daardoor wellicht, dunkt mij, niet slechts deze, maar ook
elke andere wellicht mogelijke verklaring van gene blijmoedigheid
gemist.--Vroeg men mij echter wat, naast die groote tekortkoming, wel de
hóógste deugd van dit werk is, ik zou zeggen, dat het trots en in zijn
beperking toch zóó' lééft, dat het bijna de literatuur voor het leven
doet vergeten.... Het doet den lezer droomen naar het leven toe, en al
diens met het boekonderwerp verwante herinneringen roept het op.... O,
die tegenstelling tusschen de hakkelende Pastoor Jansen's niet
alleen--herinner U dien groot-goeden, kinderlijk-zuiveren vriend van
lieven Woutertje!--en de rhetorische Dominee Doelaeker's, maar ook
tusschen de laatsten en de kleiner-menschelijke Pastoor Horsman's--en nu
maar in 's hemels naam: wèl te verstaan: in het leven!--... Hoe jeuken
mij de vingers dáárop door te gaan ... Maar zoo ik 't deed, ik viel uit
mijn literair-critische rol, en het geëerde publiek flóót mij het
tooneel af--terecht!--

Oct. '16.



       *       *       *       *       *



[p.83] LOUIS COUPERUS: DE KOMEDIANTEN


Het is nu al 'n vijf jaar geleden, dat ik mij 'n weinig vroolijk mocht
maken om het Antiek Tourisme des heeren Couperus, sindsdien volgde ik
zijne productie slechts zeer accidenteel ... ontmoette ik 'm eens in
zijn tijdschrift, het was mij genoeg: ik zòcht hem niet, hij boezemde
mij geen belangstelling meer in.... Wat mij interesseert in een eens
gróót gebleken kunstenaar, dat is het, zij 't dalend-en-stijgend,
bewegen van zijn genie, en daar nu de heer Couperus van zijner
jeugdjaren genie voorgoed verlaten scheen en een "vruchtbaar talent" was
geworden, een talent met precieuse stijl-versteeninkjes, trucjes,
maniertjes en routine, werd dit mij weldra een quantité négligeable, al
had ook die quantité een zoo geweldigen omvang dat zij alle
letterkundige bourgeois épateerde tot bezwijmens toe. Deze literaire
zeeslang, die zoo langzamerhand alle de landen "rondom de oude
wereldzee" met hare kronkels omvatte, mocht voor mij zoo dik en lang
zijn als ze maar wou en kon, ze mocht heele scheepsvrachten ouë
Romeinen, Grieken en Aziaten vreten--sinds ik meende zeker te zijn, dat
zij toch nooit meer op 't strand mijner verwachting één wèrkelijken
mènsch zou werpen, één naakten mensch, een Jona, maar louter homunculi,
als uit Dr. Wagner's fleschje, zag ik niet meer naar haar om. Tot plots
... daar wordt me nu dit boek toegezonden: een werk wéér over de antieke
wereld, ditmaal hare comedianten; een werk wéér met maniertjes, trucjes
en zeer kunstmatige verkwijningen en verfijningen, maar tevens een met
eenige figuren van waarlijk-diepe, ruw-teedere menschelijkheid: de
dominus-gregis en de gladiator Carpoforus [p.84] vooral. En gaarne erken
ik ook, dat het boek vol fijne stemmingen is, stemmingen vaak verweven
in den dan zeer zuiver en schoon gestileerden dialoog. Doch het is
jammer, schoon niet dan zeer natuurlijk, dat Couperus, sinds hij een
niet meer door het genie gepossedeerd schrijver is, zich te zeer bewùst
is van wat hij doet, en derhalve als hij merkt iets aardigs te hebben
gedaan, dit met alle geweld nòg mooier wil maken, welke bedoeling dan
natuurlijk steevast de haar tegengestelde uitwerking heeft. Zoo beeldt
hij heel bevallig en soms aandoenlijk de tweeling-comediantjes in dit
boek, 'n beetje perverse jongetjes en tevens de begaafdste
tooneelspelers van hun troep, in al hun verhoudingen van jaloezie en
liefde tot de anderen en ook in hun diepe aanhankelijkheid tot elkaar,
in hun onscheidbaar-één zich voelen: ze worden ziek als ze van elkaar
gescheiden zijn. En nu is één van des auteurs manieren, om deze eenheid
den lezer duidelijk te maken, de beide jongens voortdurend hetzelfde te
laten zeggen, denken, en den een telkens den zin te laten afmaken, dien
de ander heeft begonnen. Een aardig vondstje.

Maar helaas, dit dient hij ons nu zóó vaak en zonder erbarmen toe, dat
je wel wee moèt worden van dit dooreengekakel: dat je de nervositeit
krijgt van iemand in een benauwend gedrang, doordat het is alsof die
jongetjes elkaar aldoor op de hielen trappen.

Een andere maal, bij die uitstekend-gebeelde openingsscène in Nilus'
taveerne, laat hij te midden het vertienvoudigde Jan Steen-rumoer
telkens een ezelskop door een luik komen kijken en zijn I-ha balken.
Máár eilaci, Couperus-zelf heeft weer eens gezien hoè aardig dit is, en
nu wordt hij klaarblijkelijk door zoo een Midsummernight's
Dream-Titania-verliefdheid op dien ezelskop bevangen, dat hij dien ter
eere niets beters weet te doen dan bij deze gelegenheid, van zijn proza
--let maar op:"... om de volte, de veelte, de vaalte van het vage"--een
v-stal te maken. In trouwe: wie begaat nu zóó een alliteratie-trùcje èn
meent, dat-ie iets moois heeft gedaan, behalve een veertienjarig
gymnasiast?! Zoo wisselt voortdurend het kinderlijkst--vaak
kinderachtigst--spel met den diep-menschelijken ernst af. Hoe uitstekend
[p.85] bijv. zijn met weinig trekjes de edele figuren van Plinius den
Jongeren en Tacitus, de geestige van Martialis gebeeld; hoe
zuiver-idyllisch van toon is hun tafelend samenzijn. En zoo dan kon 't
gebeuren, dat ik in mijzelf, al lezend, èn fel spotte, èn genietend
prees.... Ja, laat mij naar waarheid hier boekstaven, dat ik ééns zóó
ontroerde, dat deze mij oude en vertrouwde gedachte jong-heftig uit haar
sluimer zich hief: hoe schoon is het leven naar alle zijden, de ruwe
kracht van het volk èn de decadentie der verfijnden; wanneer zal ik toch
den Eeuwigen Grond benaderen, waaruit heel die wereld van
onafzienbaar-ver fonkelende en elkaar vijandige verscheidenheden
ééndràchtig en diepgevoed geboren wordt.

Dec. '17.



       *       *       *       *       *



[p.86] FELIX TIMMERMANS: HET KINDEKEN JEZUS IN VLAANDEREN


Was het Timmermans' benijdbare bestemming in zijn verrukkelijk Pallieter
een menschenkind tot een god te doen worden, een genieter en god van het
blijde leven--want in waarheid: wie zou in zulk een volkomen-leedlooze
een mensch kunnen herkennen?--In Het Kindeken Jezus, dat wonderlijke,
droom-vage èn droom-felle boek, verhaalt hij het begin der oude en
eeuwig-jonge geschiedenis van den God, die mensch werd, eene
geschiedenis zoo oud als de wereld, doch die in de evangeliën eens haar
onze westersche wereld meest beïnvloedenden vorm vond. Onze schrijver
zou ongetwijfeld de tegenstelling-zelve tusschen deze zijne beide
boeken, tot een magistrale grootheid hebben gevoerd, indien hij na den
Man der Vreugde nu den Man der Smarte hadde gebeeld. Zóó ver en hoog
echter reikte, reeds blijkens den titel van zijn werk, zijn bedoelen
niet. De Christus-tragedie heeft een idyllischen aanvang, en tot dien
aanvang nagenoeg heeft Timmermans zich bepaald: waar zich ook dáármede
reeds het gewèldig-tragische vermengde, waagde hij-zelf, gelijk we
zullen zien, zich aan de beelding nièt. Moeten wij dit alles betreuren?
Ik betwijfel het. Het vermaarde boek van Buber Die Legende des
Baalschem, schoon vòl van het diep-schouwend geestelijk-zien en de
exquis-kunstige beeldende-en verhaal-macht, onverbiddelijk van noode
voor de herschepping van zulk een God-Menschelijk leven, geeft nog
slechts een vermoeden van de dramatische kracht, voor de herschepping
der Christus-figuur vereischt. Zou Timmermans dit alles hebben bezeten?

[p.87] Zouden wij meer hebben gekregen dan de schoonheid, zij het een
rijke of sober-diepe--en ik denk hier aan van Schendel's De Mensch van
Nazareth en óók aan zijn Shakespeare--eener uiterste subjectivatie van
het verheven Object, welke tevens diens transpositie naar een zooveel
lager plan beteekent?... Neen. Want dit boek is niet alleen Ernst, het
is ook een Spel, en ik geloof niet, dat dè beelder van Jezus' leven tot
een dergelijk, zij 't edel, spel nog begeerte zou hebben. Reeds in den
compositorischen opzet van het werk treedt dit ernstig-spelen, deze
spelende ernst aan den dag. De Jood is een Vlaming, Palestina Vlaanderen
geworden, Bethlehem een Vlaamsch dorpje, Nazareth ligt aan de Nethe en
Gent heet flamingantisch-snedig het Vlaamsch Jerusalem, terwijl zelfs de
rabbijnen tot pastoors verontbesnijdenist en vercelibataird zijn! Spel,
nietwaar? Maar de ernst is die der groote liefde, welke den Beminde
dicht bij zich, in eigen land wilde zien leven. En: dat aanschouwelijk
wordt gemaakt als zelden te voren, hoe men den kern van een zelfde
diep-menschelijk gebeuren gelijkelijk beleven kan in het eene land als
in 't andere, in de eene eeuw als de aêr. De eeuwen en de landen zien
wij heengedragen als een licht-vervangbaar décor--het
Goddelijk-menschelijke blijkt het eenige dat is en blijft....--En ernst
in de behàndeling van het gegeven--het boek is er vol van, de
kinderlijk-reinste en die eener religieuse overgave.--Met welk een
kracht is Maria's verrukking, als haar de hemelsche verkondiging
gewordt, gebeeld; met welk eene innigheid haar moederliefde, hare zorgen
en angsten en Jozef's toegewijde nederigheid. Spel, schoon
onvermijdelijk, daarentegen weer: de primitieve levenshonger van het
oersterke boeren-Vlaanderen walmt als een rook-vlammende-en-duisterende
toorts er door heen; zijn oude, verkreupelde venten met hun
kou-verweerde bakkesen dwalen over de wegen; men ruikt den geur van
kermissen en poffertjeskramen. Maar, helaas óók een spel, en ditmaal een
zeer overbodig en zeer de stemming brekend, is bijna de geheele
Herodes-episode: dit is geen beelding van Herodes, maar die van een
poesjenellenkelder-vertooning zijner figuur! En niettemin ook dáárin,
schoon slechts één oogenblik, fel en echt des konings wanhoop; [p.88]
toch óók daarin dit psychologisch fijnheidje, dat Herodes "de schuld
schudde op zijne vrouw": hadde zij hem kinderen geschonken, hij zou den
moord van Bethlehem niet hebben bevolen. Terwijl in ditzelfde deel van
het boek ons evenzeer treft de weldoende zelfkennis van den auteur,
die--ik zinspeelde er reeds op--zich niet wagend aan eene beschrijving
van dien moord, en die toch ook niet willende missen, haar liet geven
door een Kronijkschrijver van Herodes, die wreed-onverschillig het
gebeuren beziet, en van wien men dus noch de epische kracht noch het
meegevoel verlangt, die men van onzen schrijver zou hebben
geëischt!--Vlaanderen, mogen wij met zekerheid na Pallieter en dit werk
zeggen, is een hoogbegaafd schrijver rijker geworden.--Ook nu staat
boven het vertrapte land een ster, die 's volks onverwelkte kracht en
daarmede zijn Verlosser verkondigt ... zijn literatuur.... Zij heeft ook
Timmermans' ziel zegen en macht gegeven, en doe daartoe....--

Dec. '17.



       *       *       *       *       *



[p.89] M.J. BRUSSE: EEN WORSTELAAR


Wonderlijk! Dat zelfde leven, tegen welks stalen rusting gij, moedige
lezer, èn zelfs ik, zoowel in de eerste élan der jeugd als in onze
bedachtzamer jaren, ons zoo menige wonde hebben be-loopen, dat
ònvermurwbaar-harde leven is óók--zóó zacht, zóó plastisch als was. Die
stugge tyran schijnt dan wel de meest slaafsche slaaf geworden, die er
aan zijn hof te vinden is, een slaaf bovendien der oude tijden, die over
meer geheimen van kunst en Wetenschap beschikte dan alle meesters te
zamen, en dier begeerten met één magisch gebaar te stillen wist. Maar
slechts op één voorwaarde metamorphoseert zich het harde Leven aldus.
Bùigt het zich zelfs niet onder den druk van uw wil--een sneeuwworp
gelijk tegen graniet!--het laat zich daarentegen geheel vervòrmen door
uw àlbeheerschende, ingeboren neiging, zooveel sterker dan uw wil!...
Wees een geboren-koopman, en 't Leven wordt u een beurs, een kantoor,
een boekhouder en een brandkast. Wees een geboren wijze: het wordt u een
staâg zich ontvouwend en weer verhullend geheim. Wees een
geboren-ingenieur en het verkeert niet slechts voor u in zijn tegendeel:
een machine, maar laat zich zelfs, u ten pleziere, in telkens weer
nieuwen mechanischen vorm "uitvinden" door u. Dit alles echter, niet
waar, geëerde lezer, weten wij reeds lang; we hebben, zoo niet
Salomo-gelijk, dan toch gelijk Salomo, genoeg jaartjes onder de zon
geleefd, om dat alles te hebben gezien, máár--zooals 't Leven zich
jegens Brusse houdt, dàt hebben gij noch ik óóit aanschouwd. Dàt is een
houding van--ja, het is maar door [p.90] één woord te
kenschetsen--àllerschàndelijkste vertroeteling....--Er zijn 'n paar--ik
heb het meer gezegd--gebòren-kunstenaars in ons land, die tevens
gebòren-journalisten zijn; derhalve dient hen 't Leven, twéévoudig door
hen bedwongen, zoowel tot te doorspeuren jachtveld, als tot een heilig
Brahmanen-woud, naar contemplatie en innerlijkheids-herschepping
noodend. Maar nooit tegelijkertijd wordt het hun die beide. Het zegt:
"Lieven, vóór ge mijn geheim-bloeiende bosschages der
kunstenaarsbezinning intreedt, legt uw jachtwapenen af: dáár wordt niet
gespèurd en vermìnkt, daar wordt aanschòuwd en gelìefd." Dit nu begreep
ik als wijsheid; maar helaas! waar het zijn zoon Brusse betrof, heeft
deze aller partijdige aartsvaders partijdigste Vader het zoo beschikt,
dat Hij hem boven zijne andere kinderen bevoorrechten kon. Tot hèm sprak
hij aldus: "Zoon, véél zij u toegestaan.... Zie, Ik word een mijn voor
u; breek links en rechts zonder erbarmen of verpoozen, mijn duurzaamste
gesteenten uit, en waar de anderen, met éen van de véle die gij delft
tevreden, dat slijpen tot een juweel van licht, en er gouden sieradiën
omheen ciseleeren, wèrp gij die schàtten als kolen op uw wagen, dat de
menschen zullen zeggen: wie dolf zóóveel-en-zóó-achteloos als hij!... En
nòg is Mijn genade niet uitgeput: Sta nu stil in uw werkdrift, zoon....
Zie! Ik plaats mijn scheppende wondermacht in u ... open uw zwarte
mijnwerkershand.... Wàt ziet ge? Wàt fonkelt daarin ... is het niet een
licht-juweel, omzet van gouden spangen?... Welnu, wèrp het mede op uw
wagen, en het deere u niet. Want weet: het is Mijn wil de menschen te
doen vragen: wáár sleep hij dien steen, wáár dreef hij dit goud? In de
onderaardsche schachten, waar hij doorhaast, door de gruismist van
aard-afval; bij het beuken der houweelen en den donder der
diepte-ontploffingen.... Een vluchtende schim, die ademloos grijpt en
breekt en voortijlt en werpt.... Wáár kòn hij dit slijpen, dit
drijven?--Want, zoon, zij weten het nog immer niet, dat Ik hetzelfde op
oneindig vele wijzen maak, Ik, die het omzichtig werk der
fijnst-geslepen beitels doe mislukken, en zoo Mij dit behaagt, met een
houweel mijn teerste beelden drijf.... Gij, [p.91] zoon, zult mijn
kunstenaar èn mijnwerker, mijn scherpzichtige jager èn in u zelf
gekeerde droomer tegelijkertijd zijn...."

Oordeelt nu, lezer, mijne woorden: laat de rommelige levensvolheid van
dit Een Worstelaar langs u been rumoeren: het ploffende storten der
brokken levenserts verdooft u.... Dan plots ... ge zièt iets ... ge
grijpt iets van tusschen de ruwe gevaarten.... Een bééld is 't!
brééd-visionnair gehouwen, màchtig in zijn kleinheid.... En dit, en
dit?... Die fonkeldingen.... Ongelooflijk! psychologisch filigrein....
En dit ... òndoorzichtige zielskristallen, doorzichtig-geslepen....
Hiervan dus luid, en nu ten dùidelijkste formuleerend, beschuldig ik 't
Leven: dat Het dezen nieuwen Jozef een voorraadmaker, een
magazijnmeester èn een ontraadselaar en koninklijk verwerkelijker van
vreemde droomen, in éénen, veroorlooft te zijn.... En zoo ik 't kon, ik
zou deze bevoorrechting verhinderen. Maar ach, wat vermag een menschje
tegen 't Leven, en dan nog wel een armzalig recensent....

Jan. '18.



       *       *       *       *       *



[p.92] EEN ANTISEMITISCH CRITICUS?[1]


Ik had het boek geopend en èven maar den Inhoud doorgezien.... Dan,
zachtkens, liet ik 't vóór mij ter tafel neerglijden, en evenals toen
... in dien machtigen tijd ... toèn! daar het Westen zich tegen het
Oosten verhief en krijgsgerucht de luchten, vulde--al was, gelijk ook in
dien anderen Mâha-Bhârata, dat gerucht meer van speeches dan van
wapengekletter afkomstig--zie ik mijzelf glimlachen, liefdevol
èn--demonisch....--"De Joden in de Literatuur"!... Daar staat het
artikel nu weer voor mij en lacht op zijn beurt ... ja waarlijk! ik zìe
hoe 't lácht, een beetje benepen en verlegen als een aardige,
verstandige kwant, die wel wéét, alweer een malle boodschap van zijn
baas over te brengen, maar nu eenmaal gehoorzamen mòet .... En ik mijmer
weer weg.... Hoe schoon was dat ... die jong-machtige figuur van
Ornstein uit de denkverzonkenheid van zijn wetenschappelijken arbeid te
zien rijzen, en zich te weer stellen ... voor Querido en van Campen?...
Ach wel neen, wàt zouden hem die zijn geweest! maar voor dat mèt zijn
wetenschappelijken hartstocht hem beheerschend toekomst-visioen: een
Jodendom, dat vrij, geestelijk en materieel, zich uit kan leven.... En
hoe schoon ook was, in dien subtielen, kalm-evenwichtigen, polemischen
stijl van Mevrouw Mr. Ornstein de vrouwelijke charme noch het vaste
zelfbedwang [p.93] te zien vervluchtigen voor het vuur--dat de heeren
Scharten, Wiessing en Abas lichtelijk-roosterend vuur--van haar
diep-intuïtief èn wetenschappelijk verwerkt, nóóit afdwalend
nationaliteitsbesef.--Maar dan helaas!...--o, eerste leelijkheid, die
mijn mooi genot kwam storen!--ontwaar ik hoe mijn wenkbrauw-uiteinden
mephistophelisch omhoogrijzen, voel ik mijn neusvleugels trillen van
zàcht-uitgeademde, tráág-gesávoùréérde spotjool.... En ik zie weer Jac.
Levy, een wel begaafde en energisch-opstrevende proletarier, maar toen
te jong, zonder ervaring.... Nauwelijks was hij het Mosgroene Heilige
Bosch ingetreden, om voor de verheven goden, die daar toeven, zijn hart
uit te storten, of er springt een mr.-wiessing op hem af en hapt 'm een
stuk uit zijn eerste-eigengebakken offerkoek ... en ah! welkom! welkom!
dáár is ook weer de heer Abas-van-de-fransche-verzen, welke Querido niet
beoordeelen wou.... Wraak is kòstelijk en zóet, mijn kunstenaarsziel
bemint de schoone wrekers, en dies lijkt mij dan ook de heer de Rosa,
toen hij in De Nieuwe Amsterdammer die wraakneming wilde bestraffen, en
na weigering van zijn stuk er waarachtig ook nog mee naar De Joodsche
Wachter liep, zéér verwèrpelijk en zùùr: had hij niet kunnen weten, dat
"als de redactie (van de Mosgroene natuurlijk, v.C.) zich (tegen opname)
verzet, zijn er steeds naar haar meening redenen voor van moreelen of
intellectueelen aard"? En gebóód dan ook hier inderdaad de
dièpst-begrepen moraliteit niet, dat des heeren Abas wàre beweegredenen
slechts doorheen--een putdeksel bleven stinken?... Maar och, dat is
kleingoed, dat is allemaal kleingoed ... vaarwel Levy, wáárlijk-kranige,
intelligente jongen, die je zoo mooi-autodidactisch uit je
diamantslijpers-ellende hebt opgeworsteld tot een schooner bestaan;
adieu mijnheer Abas, als u je maar vlijtig in het maken van fransche
verzen blijft oefenen, dan zie ik al in niet te ver verschiet den dag
genaken, waarop diezelfde de Rosa u, als den Verlaine Redivivus, een
zijner innigste "Filmpjes" wijdt.... Maar ga nu, ga nu, ik hoor
Scharten's stap, "the step of the master"....--Dàg Scharten!... Maar
néén toch, néén.... Verbeelding! bloeiende, [p.94]lokkende,
verleidelijke, zóó volg ik je niet langer, hìer is de grens; jij zoudt
wel van mijn denken een dialogische klucht willen maken.... Gij
vormwisselende-als-water, fònkel! maar maak den beker van mijn ernst met
je fonkeling vol....--O Scharten, als je destijds had geweten, hoe ik je
uit mijn verte zat te bezien, demonisch-spottend, jawèl, maar toch wel
waarlijk ook met een verteederd medelijden; als je toen mijn blik, en
wat die zeggen wilde, had gevoeld, hoeveel reiner en beter zou dàn je
boek zijn geworden.... Nu krijt je maar: "ik ben geen antisemiet," en
tast, geloof ik, als waar 't naar een wapen, naar een papier in je
zak.... Ah ja, ik ken 't: dat is dat soort dienst-bodengetuigschrift,
dat Mr. Wiessing je in je nood "verleende": "zoo is het ons bekend, dat
Scharten absoluut geen antisemiet is." Ach ik vrees, dat helpt niet
veel, èn jou, èn Mr. Wiessing zal men niet gelooven. Maar luister:
ik--om meer dan een reden is de tijd daartoe gekomen:--ik wasch die smet
van je af in een stróóm van argumenten .... máár bedenk dit wel: wien
een smet wordt afgewasschen, hij wijte het den wasscher niet, dat de
huid in haar ware kleur te voorschijn komt....--

       *       *       *       *       *

Scharten een antisemiet! Medestanders en vrienden, gij, die hem
verontwaardigd dus noemde, vergunt mij dat ik u thans klaarder inzicht
schenk. Overweegt eens allereerst dit: Wàt zou deze hoofsche en elegante
stylist, deze rijk-ontwikkelde kunstenaar-criticus, die met de roomigste
melk van veler landen literaturen is doorvoed, wiens waarlijk-nauwgezet
en gewetensvol onderzoek zijner critiek-objecten de warmste erkenning
verdient; wat zou déze man hebben gedaan, indien hij waarlijk antisemiet
ware geweest? Zou hij niet, vrage ik u, het voorwerp zijner afkeer ter
dege hebben bestudeerd, om het des te zekerder te kunnen treffen. Zou
hij, hij, zich niet in diens literatuur hebben verdiept, en al wat door
groote verdedigers en tegenstanders daarover is geschreven, met zijn
critische loupe hebben bezien? Ja zelfs--wat hadde dit immers uitgemaakt
voor dezen begaafden en polyglottischen literator--zou hij, in den loop
zijner van [p.95] semitischen aanstoot getourmenteerde jaren, niet
althans een weinig Hebreeuwsch hebben geleerd, om toch ééns ten minste
den gehate in diens eigen huis te kunnen bespieden? Gij antwoordt
bevestigend, natuurlijk. En evenwel, hij deed van dat alles niets. En
wat deed hij dan wel?...

Hij schreef:

     Want de schuld der Joden is hun erfelijk ongeloof; hun ongeloof in
     den Christus; hun ongeloof (vertaalt de beschouwer van dezen
     heil-zwangeren onheilstijd) hun ongeloof in de Liefde als de het
     menschdom verlossende kracht,

Hij schreef:

     ... en voor Christus' heilleer bleek het niet rijp (!!)

Is deze van alle wetenschap gespeende, is deze schamel-geestelijke
herkauwer van zoo evidente, een oneindig aantal malen rééds herkauwde en
uitgespògen, dwaasheid, is déze onze voortreffelijke kunstenaar? Bij
mijn ziel: hij lijkt wel een dorpspastoor uit "het donkere Zuiden", die,
gewaarschuwd dat een gevaarlijk-welsprekend en allicht joodsch
S.D.A.P.-redenaar een propaganda-speech komt houden, op den
voorafgaanden Zondag den kansel beklimt, om voor zijn schaapkens de
Joden als de in haat verzonken, baarlijke duivels "kruisigers van
Christus", af te malen, en hen te verzekeren, dat ze voor eeuwig mèt die
verdoemden in de hel zullen branden, als ze zouden komen te luisteren,
al ware 't maar één moment, naar dien verleider, neen erger: dien Jood
(hu!) dien Satan-zelf thans tot ze zendt!... Hoe kwam dan deze
voortreffelijke geest zóó neergedaald? Het lijkt een moeilijk probleem,
maar mij is 't er geen. Ik denk mij de oplossing aldus: levend, doordat
hij zich wellicht verongelijkt voelde--welken mensch, welken kunstenaar
vooral, gebeurt dat niet op z'n tijd!--in een wanen-doorspookt
halfduister van geestelijke depressie, veralgemeende hij zijne
zuiver-persoonlijke, bijzondere en natùùrlijk nog wel ten deele
gefantaseerde grieven, en zag eene tijdelijke ontstemming [p.96] voor
een grondsentiment zijner persoonlijkheid aan. Maar deze psychologie is
u wat te duister, te abstract? Welnu, laat mij haar dan door een
concreet voorbeeld verhelderen. Denk u een vorst--hoe vaak is 't in onze
tijden gebeurd!--die zijn troon door een revolutie ziet bedreigd, en
zijn smartelijken toorn in een pogrom uitviert--is die man dáárom een
antisemiet?! Hij èn anderen denken dat allicht, en niettemin: welk een
dwaling! Hij is immers niets dan een mènsch, die naar de schoone,
bijna-onbewust werkende, traditie van zijn liefdevol geslacht, aldus
zijn onbeheerscht en maar vluchtig gevoel uit. Is het revolutie'tje
overwonnen, is de troon weer bevestigd, dàn wordt hij allicht weer een
beste vent, doet zelfs een jóódsche vlieg geen kwaad, ja zegt wellicht
beminnelijk, dat die schoon is als een vlinder.... Keeren we nu tot
Scharten terug! Eens in die depressie vervallen, verhinderde hem zijn
ongeloofelijke naïveteit zelfs maar een glimp van den waarachtigen aard
zijns voelens te zien.... Maar hier protesteert gij! Gij gelooft
inderdaad niet, zegt ge, aan een dergelijke naïveteit in een immers
juist zoo voortreffelijk cerebraal-begaafde. Welnu vrienden, ik zal U
dwingen te gelooven, ik zal U bewijzen wat ik zeg. Hij schreef:

     Het "schmeichlen" van het Duitsch heb ik nooit kunnen verdragen,
     evenmin als het zoetige woorden-gespuug van den Joodschen
     marskramer.

en is zoo naïef er niet aan te denken, dat men hem zal toevoegen: maar
waarde heer, spreekt ge in 't huis van den gehangene niet wat àl te luid
over het touw? "Schmeichlen", "zoetig woorden-gespuug"! En dit dan:

     ... is het niet de bedroevende waarheid, dat Holland, zonder "De
     Telegraaf" niet eenmaal aan die heftige oppositie der gansche
     menschheid zou hebben deel gehad? Dat "De Telegraaf" voor een àl te
     groot part het geweten van Holland heeft moeten zijn? Het is om die
     reden ... dat de uitnoodiging van "De Telegraaf" tot medewerking,
     wel zéér aantrekkelijk voor mij was.


[p.97] Het slachtoffer, Zionistische medestanders, van ùw
antisemietisme-beschuldiging vergeve mij: ik heb zelden van den meest
ruggebogen duitsch-joodschen commis-voyageur--dè vereeniging dus van
afgrijslijkheden!--een "schmeichlender" en "zoetiger" toon gehoord! Want
zelfs al ware "De Telegraaf" een zoo ideëel-geredigeerd dagblad als
Scharten 't geloofde--gelooft hij 't nog?!--welk eene "schmeichlende"
smakeloosheid blijft het dan niettemin, op den eigen oogenblik, dat men
een betaalde taak van iemand aanvaardt, dien werkgever--ja, want al
leven we ook in nog zoo'n rose Literatuur- en Kunst- en Ideaal-hemel,
eene andere aardsche verhouding is er hier toch niet--dien werkgever,
zeg ik, zoo uitermate-liefelijk te begroeten. Maar och, wellicht vergis
ik mij; wellicht is dat maar dwaze werkmans-trots van mij. Die baaien
rok komt wel vaker uit mijn literatuur-mantel kijken!--

Hij schreef:

     Het is voor mij geen gemakkelijke zaak, te schrijven over twee
     onzer meest bekende critici, Willem Kloos en Is. Querido. Zoo geel
     ik sedert een tiental jaren de verzen, die ik schrijf, niet meer
     uit, omdat ik ook over verzen schrijf, en de gedachte niet kan
     verdragen, dat men daarnaast mijne eigene verzen voor de modellen
     zou willen aanzien van hoe ik vond dat verzen moesten zijn.

Dat, waaràchtig, schreef hij en is zoo naïef er niet aan te denken, dat
men hem zal vragen: maar waarde heer, ge geeft ook immers novellen uit,
en zijt ge dàn plotseling weer nièt bang, dat men die voor door U
omhooggeheven modellen zal aanzien? Komaan, bedenk U eens goed: àls,
bijvoorbeeld, ùwen verzen eens de "lichte godentred" van die van Boutens
eigen was, zoùdt ge ze dan niet ... nee maar, zoudt ge ze dàn heusch ...
heùschelijk niet tòch maar uitgeven?... O, heilige onschuld, ongerepte
naïveteit van een dichter, die zegt, zijne verzen niet uit te geven
omdat hij verzen critiseert O, heilige onschuld, héérlijke naïveteit van
een dichter, die, opdat zijn [p.98] verzen niét gemeten zullen worden,
ze onder de koren-maat der critiek versteekt en daardoor natùùrlijk
bewerkt, dat men ze onmiddellijk--en nu "in één partij"!--meet. Neen,
dan nog maar liever ze in den "ivoren toren" van Verwey, dan nog maar
liever ze in de "schóóne vindbaarheid" van Boutens verborgen! Onder een
korenmaat!... waar een boertje als ik ze uit kan halen ... wel foei, dat
lijkt me toch de léélijke vindbaarheid van maar een grof
verstoppertjesspel....--En welnu, vrienden, hèb ik U nu niet gedwongen
te gelooven; hèb ik U nu niet getoond, waartoe zulke wáánvervulde
naïveteit soms voert? Maar o, ik zie 't al, ge twijfelt niet meer.
Komaan, dan kunnen we verder gaan.

       *       *       *       *       *

"De Telegraaf" heeft, naast menig kwaads, ook onzen criticus goeds
gebracht. Tusschen Gids en het "Meestgelezen Dagblad" is wèl een
contrast, maar juist de felheid daarvan deed Scharten eenige der hem
bedreigende gevaren merken en hem die althans ontgaan. En ook: de
overgang van den een tot den ander heeft immers, in gòed-bekeken
werkelijkheid, veel vaker plaats dan men wellicht denkt: de
deftig-vrijzinnige kerk uìt en het luidruchtige marktplein òp, daar is
bij onzen stedenbouw immers elk kerkganger op verdacht! Scharten wist
zich dan ook onmiddellijk in 't rumoer te schikken, al tè makkelijk, àl
te nederig weliswaar, gelijk we helaas hebben gezien. Hij voelde er
losser te kunnen zijn en hij wèrd 't. Menig boerinnetje, die daar met 'r
mandje met niet-onberispelijke groentetjes stond, heeft-ie jolig berispt
en geprezen.... Die meerdere losheid was zijn winst; maar 'n
patertje-langs-den-kant met ze dansen, dàt deed hij toch nooit: daarvoor
zat de kerksche wijding hem nog te veel in 't bloed. Dat was het behoud
van zijn distinctie. Hij werd fleuriger dan óóit in De Gids. Hoe geestig
is dat vergelijk van de "zonderlinge geluiden" in Anema's poëzie, met
het "ontstellend gebrul van de bloemenmeid in Pygmalion". Hoe
aardig-beeldend weer dit (over het herdenkingsfeest van "De Maatschappij
der Nederlandsche Letterkunde") "wat er van zij, eene dubbel-en-dwarse
herdenking zal het worden, eene herdenking met een onderkin."[2] En zoo
zou ik wel voort kunnen gaan!...--Maar De Telegraaf bracht hem ook een
andere winst: zij gaf hem meer ruimte: in plaats van een vaak
krap-toegemeten Gids-overzicht over een menigte werken, beschikte hij nu
over een feuilleton-ruimte, zoo hij 't wilde voor één boek. Dat kwam
zijn lust tot de analyse, zijn sterkste zijde, ten goede. Zijne fijne
indringingsmacht verfijnde zich nog wellicht. Aanmerkt eens hoe dit
vermogen, ontwarend het diepste innerlijk in eene uiterste
uiterlijkheid, zich prachtig hier toont: (Over Geerten Gossaert) "Trots
is deze ziel als weinige--het is opmerkelijk, in hoevele dezer verzen
het statige of het steigerende paard verschijnt!"[3] En meer nog deed De
Telegraaf--gij zoudt het onmogelijk hebben geacht, en toch: zij schonk
hem den moed, ééns ten minste hartstochtelijk in zijn liefdesuiting te
zijn. Want Scharten was immer een allerkalmste puntje-op-de-i-zetter,
hij dàcht véél grooter dan hij voelde: hij dàcht stèrk en hij vòelde
maar: fijntjes. En als gij goed de waarheid dezer bewering wilt inzien,
dan moet ge eens de in dezen bundel voorkomende unieke gelegenheid
benuttigen, waarbij Scharten eene onbewuste nabootsing van Van Deyssel
heeft geschreven. Ik bedoel die passage, welke bovenaan blz. 56 begint,
waar onze criticus een boekje uit de kast haalt en dat spottend gaat
zitten bekijken. Dat is, buiten eenigen twijfel, eene reminiscentie van
het "snoezig kistje sigaren" uit: Over kunst, of eigenlijk over den Meer
Henri Borel, nog wel een van de koelste stukken van ons aller Meester,
den grooten Brandende-Voeler. En nu moet ge eens goed zien, hoe snel in
het laatstgenoemde stuk het zich in zijn eigen trèf-zekerheid
verknéuterende spèl tot den strak-ingehouden, staal-vlijmen haat-ernst
en verachting steigert, en daarentegen Scharten's spel, 't spel van een
lieven, guitigen plaaggeest blijft. Maar, constateerde ik, dat De
Telegraaf hem ten slotte den moed tot den hartstocht--waarvan ik u
aanstonds het blijk hoop te toonen--heeft geschonken, ik moet erbij
voegen, dat zij dit geschenk-om-over-te-juichen hem bracht op een
manier-om-van-te-huilen.

[p.100] En dat is aldus in zijn werk gegaan. Nauwelijks in de
Telegraaf-sfeer van maniakale anti-Duitschigheid en pro-Ententerigheid
opgenomen--in welker gedachtencomplex Nederland precies zooveel meetelt
als zijn waarde van mògelijk trekpaard voor den Entente-oorlogswagen
bedraagt--werd Scharten's wezen tot in zijn diepste gronden bevrucht,
ontwaakte het tot zijn vurigste kracht. Het wezen van dien Scharten,
die, schoon van duitsche afstamming, in Nederland geboren, een
latijnsch-geaard cosmopoliet is met een niet al te warme liefde--waarvan
de onbewuste plichtmatigheid hem wellicht tot dan bleef verholen--voor
zijn vaderland. Al die gevoelens, welke de Gids-atmosfeer verhinderd
had, in hem tot bewustzijn zelfs te komen, werden hem nu als het
uiterst-prijzenswaardige, als het onschatbaarste dat in hem was,
onthuld. Geringschatting van Holland's volkseigen--prachtig Scharten!
juicht De Telegraaf, dáár motte we weze.--Gesputter tegen die overal in
Holland opstijgende "lamme lauwheid: de Neutraliteit ... die bóvenal
beducht bleek voor het mògelijk uitdagend-schijnen eener ridderlijke
houding".... O, snikt De Telegraaf, da'k dat heb magge beleve ... gauw!
ma lodderein-boîte francaise, beste Alexander, mijn vieux brave,elle zit
dans je linker poche....--"Hoe langer en hoe gruwelijker die waanzin
duurt, hoe onverwoestbaarder dat Bewijs in het bewustzijn der menschheid
zal komen te staan. Wie het dus goed met het menschdom meent,--verlangt
niet naar een ontijdigen vrede. Stelp niet de koorts, doch laat haar
uitwoeden." Bravo! Bravo! gilt De Telegraaf, noù ben je eerst mijn
salontijgertje, noù ben je eerst net zoo'n held-achter-de-sohrijftafel
geworden als ik-zelf!--En dan steken we van wal, hoor, we geven 'm van
katoen. De Hollanders zijn "lauwe Laodicenzen", en wat "een slááfsche
indruk" maakt dat, "al die Duitsche uniformen en petten" op de
Hollandsche soldatenhoofden, alsof ze zoo bij "het
driehonderd-zooveelste Pruisische regiment (moesten) worden ingelijfd."
Tot zelfs eene novelle van een onzer schrijfsters is--let op het
maniakale--Pruisisch-systematisch[4] afgewerkt!--Maar dan--[p.101]bòven
zijn nederigheid jegens De Telegraaf, bòven zijn blijdschap ùit, aan dat
ideëele blad te mogen medewerken, stijgt als een leeuwerik uit een
drenzig, vies burgertuintje zijn zingende ziel den hemel der liefde in.
Bij al dat léélijke heeft hij nu ook van diezelfde Telegraaf--en ziehier
nu de vervulling mijner straks gegeven belofte--het schóóne geschenk van
den moed tot den hartstocht ontvangen. Het geheele innige, van zoete
liefde innige stuk Een avond in Florence is niets anders dan het
heerlijk-schoon gelaat zijner liefde tot Italië, maar kenden wij dit tot
heden als een edel, duurzaam marmer, koel als zijns beeldhouwers
sentimenten, nù is 't overbloosd door die nieuwe, die pas ontstoken vlam
van den hartstocht. Welk een jammer--voor mij--dat mijn genot alweer
niet onvermengd mocht blijven. Want ziehier de storende gedachte, die in
mij rees: o naïeve Scharten, zijt gij de man, die den Jood zóó smadend
zijn vreemdelingschap voor de voeten mocht werpen, gij die zóó over
Holland en zóó over Italië kùnt spreken; die u gebonden voelt "aan dat
heerlijke land, waar gij (u) meer dan érgens elders thuis ging(t)
gevoelen"; gij dien, thans hier in Holland levend, nochtans in
betrekking tot Italië het spraakbeeld naar de lippen dringt van "het in
twee jaren niet terug geziene ouderlijke huis"?! Onderzoek u-zélf, máár:
uw diépste ziel, èn: hoed u ervoor, die onbewust te
vereenzelvigen--schoon-scheppende éénheid als gij beiden vaak zijt--met
de psyche uwer wel cosmopolitisch-beeldend-geniale, maar naar haar
grònd-aard en -wezen stoer-hollandsche vrouw ... en nà dat onderzoek zég
mij: wéét gij u-zèlf geen "eeuwige vreemdeling" in Holland?... De ziel
van Scharten en de ziel van De Telegraaf.... Hier Raemaekers! daar is
een nieuw motief voor een nieuwe prent Soeurs Latines.

       *       *       *       *       *

In dezen bundel van een makkelijk leesbare en zuivere écriture, welke de
grondigheid niet tekort doet; in dezen bundel, puur-eerlijk en
subjectief-juist in wat hij zegt, waar hij zich maar niet tot een
volmaakt onbevoegd gebeunhaas in rassen-theorie, politieke tinnegieterij
en ridicuul-oudbakken, quasi-religieus pseudo-fanatisme verdwaast
[p.102]--in deze opstellen is nog al wat veranderd! Tegelijk met de
verdwijning uit Twee Critici van de prachtig-openhartige, warme
waardeering voor mijn Gids-studie Oude en Nieuwe Joodsche Dichtkunst,
verzonk ook de belofte "daarop terug te komen" in 't niet. Dat begrijp
ik.... Oók mijn "Oostersche kleverigheid" verdween--helaas welk eene
bohémien-artistieke verspilling in dezen duren en gomloozen tijd! Het
zij zoo.... Maar wat had behóóren te verdwijnen: al die dwaasheden,
waarover ik 't had, diè zijn gebleven. Hadt ge ze toch, o Scharten,
geëlimineerd, hoe anders van toon en inhoud ware dit opstel geworden,
ook al hadt ge, o gelóóf me, mijn "Oostersche kleverigheid" dan niet
afgewischt. Dán zou ik niet noodig gehad hebben te bewijzen, dat gij
geen antisemiet waart, gij zelf zoudt 't hebben bewezen. Wie van zich
afwerpt den ontvreemden mantel en liever onder de barre kou des hemels
gaat, dàt is een moedig man; niet hij die zégt: "die mantel behoort een
ander", maar hem tòch dráágt. Wie zélf van zich afwascht den zij 't
léélijken, maar hém toch beschérmend-maskeerenden grime-smeur staat
dichter bij Christus en Zijn Jóódsche Liefde, dan wie Zijn door de
eeuwen verminkte beeld de voeten wascht, o Scharten....--Destijds zweeg
ik--ik voelde mij tot dit zwijgen zedelijk verplicht--ik wachtte op een
latere openlichting van inzicht bij je, op eene ruiterlijke erkenning
van dwaling. Zij zijn niet gekomen. Thans moest ik spreken. Ook tot U
Zionistische vrienden, aan wie ik, naar mij dunkt, wel iets goed te
maken heb! Want ik liet u--ik móest u laten--door mijn zwijgen in den
waan, dat gij voor het aangevallen Jodendom streedt, en och, ge ziet 't
nu betreurend: ge verdedigdet slechts twee menschen--van wel zeer
ongelijke beteekenis, maar beiden slechts: ménschen; ik liet u door mijn
zwijgen in den waan, dat ge tegen 't antisemitisme streedt, helaas, het
was tegen: alweer een ménsch, wiens impressionabele kunstenaarsnatuur
mijns inziens door verongelijking tot bezinninglooze onbillijkheid werd
gedreven. En echter, het valle u licht mij te vergeven. Zulk
schijn-antisemietisme heeft maar al te vaak het meest echte gekweekt,
zooals de comedie-dief op de film veel echte [p.103] diefjes in de zaal.
En was het daarom reeds niet geboden er tegen op te treden? Mijn zwijgen
heeft dan ook niets en niemand geschaad. Het deerde mijn vriend den
aanvaller niet, want het gáf hem integendeel tot inkeer en herroeping
den tijd, en de geringste straf, die hem kon treffen, was toch wel in
een vergroote gedaante voor de menschen te staan. Het schaadde ù niet:
want wat deerde het de vlam van uw edelmoed, wie of wat haar ontstak, nu
zij brandde...?--

Jan. '18


Noten:

[1] Carel Scharten: Kroniek der Nederlandsche Letteren 1916.

[2] Cursiveering van mij.

[3] ibid.

[4] Cursiveering van mij.



      *       *       *       *



[p.104] C.J.A. VAN BRUGGEN: ALS GE NIET ... DAN! EEN VER-BEELDING


Zoodra ge het eerste hoofdstuk--het voorwoord, zoo ge wilt--van Het
verstoorde Mierennest hebt gelezen, ziet ge den zacht-ironischen, den
mild-droevigen en koel-vreugdigen, den schuwen, slechts in wat losse
speelschheid zich uiten willenden geest van den schrijver, ten voeten
uit, voor U. En in dìt boek herkent ge hem weer--hij is nu ietwat
veranderd, maar dit verbaast U niet: gij hebt die verandering
vóórvoeld....--Want ge zaagt ook wel hoe hij kwam aangetreden, deze in
zich-zelf teruggetrokken mensch, door der jaren kronkelende gang, waar
nu en dan schamplichten zijn dàn strak-gehouden gelaat belichtten, maar
ge in de duisternis een weemoedig spotlachje daarop vermoedde--ge zaagt
wel hoè hij opging tot de zelfopenbaring dezer twee boeken. Een
journalistenleven het zijne ... neen, erger: het bestaan van een
kunstcriticus!... Te midden van den grootheidswaan, de ijdele
zelfverheffing, de intrigetjes, het kemphaantjesgekraai, de nerveuse
overspanningen van al die Shakespeartjes en Bouwmeestertjes, heeft hij
dagen èn avonden doorleefd. Onderwijl echter moet hij aldoor stilletjes
naar zijn eigen speelsche droomen hebben gekeken, hoe daar dingen
ontstonden, die toch wel mooi--nee, nièt móói, zal hij op zijn
zich-zelf néérdrukkende wijze hebben gemeend, doch áárdig ... toch wel
aardig ... waren. Maar niet opschrijven, niet opschrijven, kapte hij dan
heftig een nauwelijks gedàchte gedachte af.... Wat is er in godsnaam aan
gelegen naast al het heerlijk-moois, dat de grooten hebben gemaakt ...
en kijk 'us [p.105] al die mallen, die opgejaagden, die
schichtigen....--Hij moet dien dégoût hebben gehad, welken elk
kunstenaar-criticus kent, dien dégoût van den lazaret-dokter aan de
vuur-linie ... te véél wonden, te veel verwrongen gezichten, te veel
mensch wrakken, om Gòds wil hou òp! Maar--de droomen van een
wezenlijk-scheppenden geest als de zijne, zijn sterker dan diens wil.
Zij dwongen hem ten slotte zich te bukken onder hun juk.... Hij gìng
zich uiten.... Maar in 's hemels naam, zoo moet zijn wijze deemoed hem
in een laatste verweer hebben toegefluisterd: zonder iets dat maar op
ophef lijkt, àsjeblieft ... zorg ervoor, dat ze je niet kunnen zitten
aankijken als een wonderdier ... gelùkkig: jij kunt dit leven niet
anders aanvoelen dan als een doelloos spel, bééld 't als zoodanig ...
nog een beetje achteloozer dan je 't wellicht van zelf al zou hebben
gedaan ... òm je maar de vooze gewichtigdoenerij van 't lijf te
houden....--En daar kwam dan het eerst dat vóórwoordelijke eerste
hoofdstuk van Het Verstoorde Mierennest: "Indien de natuur eens
meedeed?".... "Bedenk eens zulk een gril".... "Laat ons het eindloos
getal zulker doode werelden met één vermeerderen"..... "Maar ons
sprookje gaat verder"[1] Dit voorwoord zei den lezers onmiddellijk:
vrienden, trek jullie asjeblieft je galapak uit, je gaat niet naar een
zitting van de Staten-Generaal, maar naar de bijeenkomst van een
debating-club ... begrijpt wèl: er dwìngt ons géén nijpende
wèrkelijkheid tot spreken, noch gaan wij beraden over iets dat is, maar:
wij hebben nu eenmaal lùst tot spreken, en we zullen redeneeren over
iets, dat we veronderstellen te zijn....--Nóóit heeft een werk eene meer
discrediteerende voorrede meegekregen: de verwezenlijking van het
gegeven--het doel van kunst!--in des aanschouwers geest, scheen hier bij
voorbaat onmogelijk gemaakt! Temeer, waar zich de spèl-natuur, de
schaakspel-natuur der verbeelding nog in iets anders accentueerde: in
den ònoorspronkelijken opzet van het verhaal; dien een werelddood
brengenden komeetstaart vol blauwzuur. Want werd [p.106] ons deze opzet
niet onmiddellijk voelbaar als een analogon van een dier, grootendeels
eeuwenoude, "openingen" van het schaakspel, waarmede bijna elke partij,
óók de oorspronkelijkste, óók de geniaalste, begint? Maar dit was dan
ook de schoone triomf, zelfs over mij, die dit alles toch zóó sterk had
doorvoeld, dat den lezer dit áárdige spel, trots àlle tekortkomingen,
trots àlle onwaarschijnlijkheden, langzamerhand tot boèienden ernst
werd!--En toch--ik sprak straks van eene verandering die te voorvoelen
was: in zoo speelsche luim kòn déze scheppende geest niet volharden.
Want weet dit wel: het leven weerspiegelt zich op drie wijzen in de
menschelijke psyche: als doel- en wetten-looze toevalligheid; als
wet-gebonden spel; als doelmatige ernst. En wie nu, als onze schrijver,
meenend in de sfeer der hier als twééde genoemde levensbeschouwing te
verkeeren, toch reeds blijkens de eigenaardige ernst-impressie, welke
zijn werk ten slòtte maakt, in zijn scheppend onbewuste de erkentenis
van de dèrde draagt--diè stijgt, al scheppend, ook bewùst tot deze; die
verláát het spèl. Men ziet dan ook in dit zijn tweede boek duidelijk de
aanvang dezer stijging. Het werd er minder èn meer door. Mìnder: want nu
het puur-fantastisch gegeven is vervangen door dat eener zeer makkelijk
als zoodanig te aanvaarden werkelijkheid, storen ons veel
onwaarschijnlijkheden des te heviger.... En óók minder: omdat de
schrijver niet immer tot de hart-diepte van zijn soms
van-realiteit-nijpend onderwerp daalde, en met name zijn daardoor
geïnspireerde lyriek, hoe fraai die ook op sommige plaatsen zij, als
geheel nog onrijp bleef. Maar méér: door het
sociologisch-bitterder-hekelende van zijn oude en zuiver-gebleven
socialisten-hart; door de toch steviger levende menschelijkheid--de
engelsche professor, de apache, het meisje;--door het prachtig-geestige,
dat het werk doortintelt--de graaf met z'n vier Pommeren! dat is
onovertrefbaar in zijn soort ... dàn vloeien de meest spiritueele
karakteristieken uit zijn pen. Terwijl tusschen dat alles nog kleuren,
vaag, wonderteere van-glansmist-omdeinde visioenen. Naast vrij wat
slordigheid in de taal--soms zeer opmerkelijk in het andere uiterste
overslaande: eene als uit nerveuse behoedzaamheid [p.107] ontstane
verstarring, (een taalgevoel dat, onraad snuffelend, plots waaksch, op
stijve pooten loopt)--zijn er ook wel eenige vreemde stijlinvloeden aan
te wijzen: nàuwelijks èven een de Haansch rhythme; lànger eene
Queridoïaansch-beeldende zegging; zéér lang aangehouden de tóón der
voortreffelijke Prikkelidyllen van Cornelis Veth....--Ik wil nu maar
hopen, dat ik onzen ingetogen auteur niet te veel lof, naar zijn smaak,
heb toegezwaaid, en vooral verzoek ik hem mijne allicht-onjuiste
psychologische analysen te willen verontschuldigen Hij-zelf heeft aan
mijne vermetelheid een weinig schuld! Schoon spel prikkelt tot
medespelen. Jammer slechts dat ik dan een zoo onkundig partner was. Maar
zie, alreeds sta ik op, en de vrije plaats voor het schaakbord aan zijne
Scheppende Droomen latend, trek ik mij in den kring der verheugde en
zwijgende aanschouwers terug.

Febr. '18.


Noot:

[1] Alle cursiveeringen van mij.



       *       *       *       *       *


[p.108] JOH. DE MEESTER: DE KINDSHEID VAN HARLEKIJNTJE


De jòng-geestige, liefdevol-spotlustige verteller, die de Meester
eenmaal was, de verteller van dat onvergetelijk Avontuur van David
Zangvogel èn Petite Reine, benevens de wat
Hildebrand-achtig-gemoedelijke, novellistische verhandelaar, die hij
zoowaar óók soms kon blijken--die beide evenwichtiger wezens bestaan,
blijkens dezen bundel, nauwelijks meer in hem. Zijn nog altijd jeugdige
en rappe geest heeft een toch wat oùwelijk-stèrker physionomie gekregen
... van een vréémde ouwelijkheid, zulk eene als, schoon plòts
geopenbaard, wel altijd bij het wezen moet hebben behoord, of het jong
was dan wel oud; die niets met den vorderenden leeftijd heeft te maken.
Zijn scheppende geest--dáár ben ik er!--lijkt mij de, machtiger dan
vroeger geprononceerde, physionomie van den condor te hebben:
kaalhoofdig, naakt-scherpe oogen, bits-kromme grijpsnavel. Met zijn
fel-flikkerenden blik zoekt hij den hemel af en de aarde over....--Zijn
nerveus-open ziel reageert op alles dat leefbeweegt binnen zijn
gezichtsveld. Alles is hem schoonheidsprooi, hij ziet èn grijpt.... Het
is verwonderlijk wat hij òp kan, wàt hij ver-bijt, wàt hij verslindt en
in hoe korten tijd hij 't doet....--Ziedaar de schrijver des zes, deels
voortreffelijke, deels goede, maar àlle: boeiende, Thuiskomsten; van het
pittige Een geval van Tooneelbescherming en het een beetje, in de figuur
van den schilder, Emants-getinte Oase. Nog altijd is hij de
onverminderd-uitmuntende compositeur van het vlotte, korte verhaal, en
in elk zoo'n verhaal is welhaast een roman saamgedrongen; zij [p.109]
zijn instantané's, maar niet van een-oogenblik-in-'t-leven, doch van
het-leven-in-een-oogenblik. Zijn verhalen zijn vol rillende driften:
hèrsens vòl bevende zenuwen, kloppende aderen. Zijn zinsbouw, zijn taal
zijn incarnatie--pezig-mager, gloed-droog woordvleesch--van zijn vurige,
lijdende, wrang-genietende, het leven een drònk afdwìngende ziel. Warmte
en koude wisselen snel in hem, maar blijvend in hem toch is: iets
hard-staalachtigs, sòms smijdig-vlug als een toestootende degen, maar
soms ook als onverzettelijk omhooggespeerd onder den duister-broeienden
hemel van zijn pessimisme. Donkerte en licht wisselbliksemen dan langs
hem heen, want geen onweer barst in zijn nabijheid los of hij trekt de
ontlading aan ... dan ziet ge fèl den staalglans. Als het gevaarlijke
hemellicht, verraderlijk-snel en wreed, de zich onzichtbaar wanende
zwoel-heimelijke nachtelijkheden der aarde opendekt, vaart het langs hèm
neer, om zich-zelf in den reuk-zwaren grond te begraven. Dit, wat den
schepper in dit werk betreft. De mensch, die niet tot het schepper-zijn
kon stijgen, wijl hij er zooeven vermoeid uit neergezegen was, spreekt
uit het eerste verhaal: De Kindsheid van Harlekijntje. Dáárin leeft de
man, die door de turbulente jacht van scheppende bewogenhden éven
verlaten, zoo graag een héél gewone mensch, dien korten tijd althans,
wil zijn. Daar ziet hij zich nu zitten in een gezellige kamer, en een
anderen mensch tegenover zich.... Heeft die naar hem geluisterd, terwijl
hij scheppend-verhaler was?... De bewonderingswarme blik van dien man
schijnt dat wel te zeggen.... Maar wat doet dat ertoe; van zùlk een
verhaler is nù niets in hem ... hij voelt als een geestelijke koude, een
leegte ... hij voelt een behoefte aan gewóón-menschelijke vriendschap
.... Hij wéét zeker, dat als hij nu in zijn weeken weemoed, zijn drang
naar wat meegevoel, gaat spreken, hij sentimenteel, misschien wel
drakig-melodramatisch zal doen; tòch kan-ie 't niet laten. De oogen
ver-starend, vochtig van verlangensglans, mijmert hij zachtkens over
zijn jeugd, hoe-ie daar in dat oude, kleine stadje, waar zijn ouders
woonden, een jongetje kende, Harlekijntje ... een armzalig, door drank
verdwergd jongetje.... En hij vraagt vertrouwelijk den man tegenover
zich: van die Harlekijntje gesproken: "Heette zijn [p.110] moeder niet
dronken Fie? Was zij uit een Belgisch Seheldedorp".... "Heeft de muziek
Fie gelokt naar de stad?"....--Maar de man tegenover hem ziet hem
koelverbaasd aan. Die begrijpt niet, dat de liefde-gevende schepper
plots een liefde-behoevende mènsch is geworden, en koud antwoordt hij
hem: "Vraagt U mij wie of wat Fie was!... dat wilde ik juist van U
weten.... Wat wilt U toch van mij? Waar is Uw prachtige zèkerheid
gebleven?... O, o ... ik zie 't nu.... U zijt geen schepper meer als
straks.... U zijt 'n mènsch als ik geworden. Ik herken mijn eigen
twijfelen in U helaas, maar ùwe zekerheden herken ik niet meer." En de
man staat op en gaat héén....--O, de Meester, dit is het lot van alle
scheppenden, als dat vreemde heimwee hen naar het gewone mensch-zijn
trekt ...--naar: los te zijn van scheppende droomen; los van die
over-vreeselijke, pijnende gevoeligheid; los van hun onverzadelijke,
dùistere drift naar een vermoede licht, al maar heller begeerd, al maar
heller dan zij ooit hebben gekend ... bevrijd te zijn van dat dunne,
meedeinende, maar nooit wijkende, alles zoo anders kleurende waas, dat
hen van de 

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/17078