Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Over literatuur

by M. H. Van Campen · Dutch · Gutenberg #17077 · 764,458 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Over literatuur
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Over literatuur

Author: M. H. Van Campen


        
Release date: November 20, 2005 [eBook #17077]
                Most recently updated: December 12, 2020

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/17077

Credits: Produced by Marc D'Hooghe


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK OVER LITERATUUR ***




Produced by Marc D'Hooghe




OVER LITERATUUR

CRITISCH EN DIDACTISCH

door

M. H. VAN CAMPEN


       *       *       *       *       *


I CRITISCH


       *       *       *       *       *


BRIEVEN OVER LITERATUUR [p.7]


I.

     Sogar nun aber unter der kleinen Anzahl von Schriftstellern, die
     wirklich, ernstlich und zum voraus denken, sind wieder nur äusserst
     wenige, welche über _die Dinge selbst_ denken: die übrigen denken
     bloss über _Bücher_, über das von Andern Gesagte. Sie bedürfen
     nämlich, um zu denken, der nähern und stärkern Anregung durch
     fremde, gegebene Gedanken.... Jene ersteren hingegen werden durch
     _die Dinge selbst_ zum Denken angeregt.... Unter ihnen allein sind
     Die zu finden, welche bleiben und unsterblich werden.

                                                            _Schopenhauer_.


Gelijk alle menschen, die meenen behept te zijn met neiging tot
zelfmoord (de heer Cornelis Veth had op te nadrukkelijke wijze haar
aanwezigheid in mij aangetoond, dan dat ik hem niet zou geloofd hebben!)
heb ik geruimen tijd met die allerluguberste idée, welke een mensch kan
hebben, rondgeloopen, ja, zat ik zelfs een pooze--ik vermoed in
Werther-houdingen--met dezen Schopenhauer'schen dolk te spelen, vóór ik
hem mij in 't lichaam stootte. Maar nu het gebeurd is en ik niet dood
ben--er zijn geen taaier wezens dan hollandsche literatoren--voel ik een
ontspanning ingetreden, en onder het rustigjes verscheuren mijner
gewaand-laatste beschikkingen, waaronder belangrijke literaire
onthullingen, 'n chronique ... litéraire--haha, dat gaat alweer uw neus
voorbij, m'n waarde lezer!--ben ik toch wel een beetje aan de juistheid
van des heeren Veth's [p.8] observaties gaan twijfelen. Als het eens,
overwoog ik, niet anders dan de verfijnde wreedheid ware, bij een
décadent lettré èn l'art-pour-l'art-man toch van rechtswege behoorend,
welke--afschuwelijk tegendeel van den edelen moed der groote
wetenschapshelden, die met twijfelachtige geneesmiddelen op eigen
lichaam experimenteeren!--mij ertoe gebracht had, de scherpte van dit
wapen op mij-zelf te beproeven, vóór er mijne slachtoffers mee te
kerven?... Maar ik griezelde van zooveel sadistische perversiteit en
--bekeek mij eens in den spiegel. Nee, glimlachte ik met een oprechte
zucht van verlichting, dat kan niet waar zijn, bij zóó'n gezicht!....
Maar wàt was het dan?... En ik ... Doch de lezer gelieve hier wel te
verstaan, dat ik niet uit louter zelfoverschatting mij hier te
analyseeren zit, integendeel: een algemeen belang van de
allergewichtigste soort, dat der toekomstige geslachten van literatoren,
noopt mij ertoe, want: _indien_ Schopenhauer gelijk heeft--en ik twijfel
daaraan niet!--dan rust op ons allen, letterkundigen van dezen tijd, de
dure plicht, teneinde het meerendeel onzer literaire naneven voor
verhongeren te behoeden, zooveel mogelijk te schrijven, te schrijven, te
schrijven en, voor zoover we 't niet anderen doen, ons zelf te
bepiekeren--want òns geschrijf over boeken, dat is een tè mágere erfenis
... dat zou worden een aftreksel van het aftreksel van thee!...--en de
resultaten daarvan te _boekstaven_, vóóral! Eéne behoorlijk uitgeplozen
en gepubliceerde zelfmoord-neiging van mij wordt zoodoende voor mijn
letterkundig kleinkind in het jaar 2000 een malsche beafstick; wellicht,
o zalige gedachte, met een half fleschje wijn erbij en een Bockje na.
Terwijl de gróóte schrijvers van dezen tijd, o, dàt ìs niet te zeggen
... voorzeker zullen zij eens in het heerlijke bewustzijn kunnen
sterven, dat aan hun "eêlste deel" zich gedurende onafzienbare jaren
meer duizenden "artiesten" zullen zat eten dan tientallen kannibalische
bourgeois het hadden gedaan, wanneer zij waren geslacht--'t geen in de
jaren '80-'90 menigeen, dunkt mij, graag hadde gewild--en pondsgewijze
waren verkocht. En dus.... ga ik getroost [p.9] verder: Ik vroeg me zelf
af, zou het ook een soort amok-makerige baloorigheid kunnen zijn? En
werkelijk, tenzij de scherpzinnige lezer, na lezing van dit opstel, een
betere oplossing hebbe gevonden, acht ik deze de meest waarschijnlijke.
Want _by Jove_, ik heb er alle reden toe. Maar hier beginne een nieuwe
paragraaf. Dat is ordelijker.

De heer Robbers heeft de betreurenswaardige gedachte gehad een
uitstekend artikel in _Elzeviers' Maandschrift_ te schrijven over Frans
Coenen's _Charles Dickens en de Romantiek._ Betreurenswaardig: want waar
blijf ìk nou, mèt al mijn edelmoedigheid, die me reeds tot in de ziel
verwarmde?! Toen ik namelijk het werkje des heeren Coenen gelezen en
daaruit vernomen had, dat Dickens tot die "klassieken" behoort, "welke
men kent en eert, doch maar weinig leest," toen dacht ik zoo bij me
zelf: kijk nou eens aan, daar zit ik nou met verreweg het meerendeel
mijner moderne mede-literatoren in glorie en rijkdom, onze boeken worden
met wagenvrachten langs de straten gekrooien; elke maand ziet een nieuwe
uitgaaf onzer werken; het volk verafgoodt ons--gelijk het Dickens deed
in zijn tijd--; het dráágt ons, wij leven erùit, wij leven
erméde--gelijk Dickens in zijn tijd--; het rukt onze werken uit de
handen der boekverkoopers en loopt uren ver, om ons te lézen, te
lézen--gelijk bij Dickens in zijn tijd--; daar zit ik nu, onder mijn
medegelukkigen ... laat mìj dien armen klassieke, die bijna niet meer
gelezen wordt--is zoo iemand niet als een rijkaard, die door een hevige
kwaal niet van zijn rijkdom kan genieten?--eens een beetje in de hoogte
werken, zooals ook Coenen, waarlijk met zooveel welwillendheid, heeft
gedaan, èn laat mij 't doen naar aanleiding van dièns werkje. Dan kan ik
ook hem meteen de hulde brengen die hij verdient.... En ziedaar, daar
sla ik _Elsevier_ open, en daar hei je waarachtig dat artikel van
Robbers....

Maar kòm! Nu verveelt het mij en U verveelde het allang--weg nu met die
verduivelde scherts--sarcasme _is_ verduivelde scherts--en in ernst: de
heer Robbers heeft, in [p.10] zijn waarlijk uitstekend artikel, op zijn
hoffelijke manier, den heer Coenen niet malsch te pakken genomen, 't Is
waar, als Robbers schermt, dan schermt-ie met 'n dopje op z'n floret,
maar wat doet 't ertoe: menigeen is een touche in een arena, midden
duizenden toeschouwers, pijnlijker dan een snijdende, doorborende
degenstoot op een afgelegen plek. En met al de hoogachting voor des
heeren Coenens geacheveerd kunnen, zeg ik hier ronduit, dat het mij niet
ongevallig zou zijn, indien hij tot die "menigeen" behoorde. Ziehier
Robbers eersten stoot:

     Somtijds meent men de beschouwing bij te wonen van een monumentaal
     beeldhouwwerk door een liefhebbend verzamelaar van fijn-artistieke
     bibelots, ziet men den snuffelaar om het reuzenwerk heensluipen,
     loupe in de hand, zijn opgetogenheid over détails, zoowel als zijn
     misprijzen--op delikaten schertstoon--van de brute ruwheid der
     hakkerij, uitende met overvloedig 'gebruik van nu eens wat nuffig,
     dan weer bedrukt, vaak vooral plagerig klinkende
     bevestigingswoordjes als: "waarlijk," "heusch," "inderdaad"....

Tweede stoot: (Maar denk aan het dopje!)

     Er zijn pagina's in dit boekje bij de afzonderlijke lectuur waarvan
     men zou kunnen meenen, dat de zeer ontwikkelde schrijver het werk
     van een ouderen, maar veel minder vergevorderden broer onder handen
     genomen had--zoo goedig beschermend of vriendschappelijk bespottend
     is daar de toon.

Derde stoot:

     Als bij vele in dit eerste gedeelte van Coenens boekje, met voor
     dezen schrijver ongewone stelligheid neergeschreven beweringen, zoo
     vraagt men zich ook hierbij af: hoe weet hij dat toch allemaal zoo
     precies? Hoe komt hij er eigenlijk aan? Statistische bevestiging
     ontbreekt ten eenenmale, en ik voor mij heb gansch andere
     informaties ontvangen. Ook nu nog bleek mij Dickens, althans in
     zijn eigen taal, tot de meest gezochte schrijvers te behooren. Het
     aantal edities, thans nog in den handel, van Copperfield en
     Pickwick, Christmas Carol en Chimes is legio, en engelsche
     uitgevers zijn onverdacht praktische menschen, zij bestendigen geen
     uitgaven, waar geen gang in zit. En wat betreft de meening dat de
     koopers dezer uitgaven vooral onder de "meer eenvoudigen van hart"
     --en dan ook zeker wel "kleineren van beurs"--moeten worden
     gezocht, vanwaar dan, vraag ik, al die, telkens opnieuw
     verschijnende, dure [p.11] geïllustreerde en luxe-edities, voor
     genoemde harten, en hun bijbehoorende beurzen, onbereikbaar? Mocht
     Coenen bedoelen dat de groote volksschrijver nu juist niet meer tot
     de lievelings-lectuur behoort van literaire fijnproevers, noch der
     heeren literatoren zelf, zoo geef ik hem gelijk, doch ziet, al
     ziet! welk een armzalig hoopje vertoont te midden van het lezende
     menschdom deze in anderen gedachtengang zoo kostbare rubriek!

De ironie is dubbel en dwars verdiend....

Kent gij, lezers, Maeterlinck's "L'Oiseau bleu"?.... Daar gaat een
jongetje met zijn lief zusje op weg, den blauwen vogel te zoeken, "welks
bezit noodzakelijk is voor ons geluk." Na veel omzwervingen komen zij
ook in het domein van den nacht. De poort van een wondren, maanlichten
sprookjestuin gaat voor hun verrukte oogen open. Ze juichen: Voedend
zich met manestralen, zweven millioenen en millioenen blauwe vogels
daar. De kinderen grijpen er zooveel ze maar grijpen kunnen. Maar zoodra
ze naar buiten zijn getreden in den dag, blijken de wondere vogels
gestorven. De onnoozelen wisten niet dat de ware blauwe vogel, die ook
onder 't zonlicht leven kan, zich schuil hield, onvindbaar, onder de
millioenen anderen.... O lezers, sterven ook zoo niet onze blauwe
vogels--die van de méésten onzer, moderne kunstenaars--die we zagen
zweven, die we hoorden zingen in den schemernacht onzer ziel, zoodra we
hen, toch omkoesterd met duizend zorgen, naar buiten brengen, naar den
dag der menschen-maatschappij, den dag van het volk. En wij zouden
hooghartig doen tegen dien Groote, die elk huis een zanger schonk,
onsterfelijk, een levend lied met vreugde doorklinkend de dagen en dat
de zoete ontroering de hunkerende harten inzingt. O, als dan door welke
onontkoombare samenloop van omstandigheden, door welke dorheid van
innerlijk ook, of ongunst van den tijd, het ons niet vergund is te
geven, laat ons dan ten minste ontvangen met overgave en innige
dankbaarheid. Ook dat is iets, en zelfs véél....

Doch Robbers laakt niet alleen, maar prijst ook:

   .... er zijn er ook, gelukkig, waarin op warme, uiterst gevoelige
     en zeer juist omschrijvende wijze schitterende schoonheden [p.12]
     worden aangeduid in een ontzaglijk oeuvre, dat met eerbied wordt
     genoemd. En deze erkenningsvolle bladzijden, ze zijn op hun beurt
     door ons, hun lezers, ten zeerste te waardeeren.

En later:

     Overigens, het mag wel eens herhaald worden, hulde aan Frans Coenen
     voor zijn fijn opmerken en welsprekend aantoonen van zoovele
     schoonheden in dit oude werk. Een nuttig boekje daarom, het zijne.
     Want het is goed te leeren onderscheiden, en ook voor de literaire
     fijnproevers blijkt nog menige schat te vinden in deze, door hen
     althans, bijkans verlaten mijn.

Dit artikel is ongetwijfeld een van de allerbeste kritieken, die Robbers
ooit geschreven heeft. En nu: ik heb, niet zonder connaisseurigen
glimlach de elegante bewegingen van Robber's floret beschouwend, zoo
langzamerhand de overbodig geworden gevederde pijlen weggeworpen,
waarmede ik, als een ongetwijfeld opzichtige held van Aimard zou hebben
gestreden, en mij getooid--laat mij nu als een zeer kalm en bezadigd
Hollander ook het mijne van Coenen's werk zeggen:

Alle Schuld rächt sich auf Erde. De heer Coenen, die, indertijd
Scharten's _Krachten der Toekomst_ besprekend, het sterk in deze prees,
dat hij een _keur_ zijner kritieken had laten herdrukken en niet zooals
anderen, "uit zelfoverschatting of onverschilligheid, die slechts op wat
materieel voordeel belust is," alles gebundeld had--de heer Coenen werd
thans door het wrekend Noodlot met dit ééne uit zijne honderdtallen
kritische opstellen naar de boekpers geduwd, en terwijl hij niets kwaads
vermoedend, genoeglijk de bladzijden zich tot een boek zag stapelen,
grijnsde het Noodlot achter zijn rug en over zijn hoofd heen tot ons,
zijn recensenten: "Vraag hem nou ereis, of dat nu op minachting van al
zijn ander kritisch werk berust en zoo ja, waarom hij dan zoo
"onverschillig is," toch maar altijd door te blijven recenseeren--òf
dat het berust op het bewustzijn, dat de namen al dier andere, door hem
behandelde auteurs, niet zulke betrouwbare en olie-opzuigende
"drijvertjes" zijn, als die van den "klassieken, slechts weinig meer
gelezen wordenden" Dickens?"

[p.13] Maar ik zou geen mènsch moeten zijn, die altijd door het noodlot
tot iets gedwongen wordt, om nu het mij iets verzòcht, dat niet lèkker
te weigeren! Ik stel de vraag dus _niet_, doch alleen haar mogelijkheid,
om even te laten gevoelen, dat het maken van _on_heusche gissingen
alleen, door objectieve kritiek dient vermeden. Ik geloof: de vraag is
malligheid. De heer Coenen heeft eenvoudig, zijn ander kritisch werk
goed achtend, dit boek iets _beters_ geacht. Maar hier mag dan toch weer
de recensent te voorschijn treden en beweren dat dit een dwaling is: het
tegendeel is het geval. Want die andere opstellen staan voor het
meerendeel in levensgevoel niet beneden, vaak zelfs boven hun onderwerp.
Dit is ver beneden het zijne. Tegenover the gentlemen who write, die
Coenen zoo vaak behandelt, mag hij zoo glimlacherig-cynisch, zoo
nemerig-en-geverig zijn als hij wil, op enkele uitzonderingen na staat
hij tegenover gelijken, meest tegenover minderen.... Maar nu tegenover
Dickens!... Gewaden en versierselen af, menschenkind, _als bij de
Multatuliaansche Gnomen, _ en hoe rouwiger uwe versierselen zijn des te
eerder, want rouw past niet bij het kern-leven, bij het wàre, blijde
leven.... Hij gaf zijn zièl, hij heeft recht op de uwe.... En wat tot de
ziel is geraakt, dat weifelt niet meer, dat is fel, dat is sterk.... Hij
heeft recht op uw _ziels_weerzin, op uw _ziels_liefde.... De kleine
afkeertjes en genegenheidjes van uw gevoelig verstand en uw verstandig
gevoel zijn véél te klein voor hem.... Kunt gij met geen andere dan deze
tot hem treden, om uws zelfs wil, ga dan _niet_.... En hiermede ben ik
meteen tot mijn gewichtigste bedenking tegen 's heeren Coenens werk
genaderd: dat het bij al zijn groote deugden en geringe fouten, twee
enorme tekortkomingen heeft. Doch tekortkomingen zijn niet
_ontleedbaar_, maar _meetbaar_. Straks beschik ik over den maatstaf,
daartoe noodig. Nu eerst de deugden etc. Daar hebt ge dan onmiddellijk
de voortreffelijke _Inleiding_, waarin de schrijver den kultuurstroom
van middeleeuwen, renaissance en laat-renaissance volgend en ten slotte
in het Engeland van het begin der negentiende eeuw belandend, historisch
de Dickens-figuur, zijn wording en zijn tijd verklaart. [p.14] In dat
hoofdstuk treffen wij ook dat uitstekend-ontledend stukje over het wezen
der "Weltschmerz" aan. Laat mij ronduit erkennen, dat ik tot dengeen,
die zulk een gedegen, goed onderlegd en wijd-omvattend betoog kan
schrijven, _zonder dat er klaarblijkelijk eenige andere geestelijke
kracht in hem werkzaam is, dan zijn eigen doodgewoon, wetenschappelijk
gevormd verstand_, jaloersch zit op te kijken, niet om de ten slotte
weinig diepgaande historische kennis--daar is waarlijk makkelijk genoeg
aan te komen--maar om de technische vaardigheid, de routine. Het
"verraadt" namelijk den akademisch gevormde, in tegenstelling vooral met
den autodidact; den _gedisciplineerden_ geest, in tegenstelling met den
_ongedisciplineerden_. En de voortreffelijkheid van dit stuk schijnt mij
dan ook al evenzeer de buitengewone geschiktheid van den auteur voor het
kalme analytisch betoog, als het wenschelijke eener wetenschappelijke
opleiding voor den aanstaanden homme de lettres te bewijzen. Ik zou den
_niet breeden_, maar _fijnen_ psychologischen doorgronder en preciesen
weergever, die Coenen is, onrecht doen, indien ik niet even het stukje
aanhaalde, dat de historische beschouwing afsluit, over het Engeland,
waarin Dickens leefde en beroemd werd:

     Men kan het zich denken als een samenleving van brutale en
     opzichtige menschen, die zich druk en aanstellerig gedroegen, ook
     dwaasheden uithaalden, hun leven moedwillig vergooiden, het
     onmogelijkste aandurfden en soms schitterend slaagden, die met
     hartstochtelijken trots en hardheid hun medemenschen bejegenden,
     maar soms in eens omsloegen in het weekste meegevoel, die in 't
     algemeen de wereld door een vergrootglas beschouwden en het nuchter
     gewone niet verdroegen ... maar, desondanks en alles saamgenomen,
     toch zeer rustig en regelmatig leefden en arbeidden, als Britsche
     burgers, die carrière willen maken en vóór alles op godsdienst en
     fatsoen gesteld zijn.

Ook in het tweede hoofdstuk _Dickens' Jeugd_ zal de lezer dezelfde
eigenschap te waardeeren hebben. En hierbij denk ik vooral aan den
daarin geboden schets van Dickens als parlementair verslaggever. In het
derde, _De Pickwickpapers_, vallen als voortreffelijke bladzijden op die
over de romantiek [p.15] met het diep begrip van wat haar oorsprong
vooral in dien tijd was: Verlangen naar "zelfvergetelheid en
eenheidsvoelen." Voorts dat stukje over de blague en den esprit, waarin
deze in hun droge en hoogmoedige en vaak toch van zoo laag allooi zijnde
verstandelijkheid worden vergeleken met Dickens' rijke, sappige,
waarlijk comische geestigheid. Het vierde hoofdstuk _Dickens'
Romanfiguren_ bevat tal van goed-critische opmerkingen zooals de
volgende:

     Zoo werden, als gezegd, ook Dickens' verhalen tot leerscholen van
     Goed en Kwaad en zijn helden en heldinnen meerendeels niet anders
     dan personificaties zijner zedelijke opvattingen. Men had de zeer
     Engelsche ondeugden van Zelfzucht, Hoogmoed en Huichelarij en de
     algemeene van Gierigheid, Haat, Nijd, Wankelmoedigheid,
     Lichtzinnigheid, enz. Men had ook hun contrasten, de Deugden van
     Toewijding, Zelfopoffering, Nederigheid, Eenvoud, Oprechtheid,
     Vroomheid en wat dies meer zij. Van de eene en van de andere heeft
     Dickens menschen gemaakt.

Hoe hij dat laatste deed meent Coenen aldus te kunnen verklaren: hij
bekleedde deze abstracties met "het uiterlijk--meest een zéér goed
geobserveerd en realistisch uiterlijk--van menschen." Deze verklaring
acht ik ernaast en vooral eronder. Heeft wellicht de geschiedenis met
Leigh Hunt hier Coenen tot generaliseeren verleid?

     Al deze personen blijven star onveranderd door het gansche boek
     heen, als antieke maskers, of wel zij veranderen naar de behoefte
     der intrige en zonder de minste waarschijnlijkheid plotseling
     geheel.

Deze opmerking is weliswaar niet nieuw, zij komt reeds voor in....
Straks! Maar aan de zegging merkt men onmiddellijk, dat Coenen onbewust
van haar bestaan elders, het zelf heeft gezien. Maar wat we vooral in
dit hoofdstuk te waardeeren hebben is die ook door Robbers aangehaalde
passage, waarin "deze snuffelaar-met-'n-loupe" zoo krachtig en
ruim-geestelijk uit den hoek komt en het opneemt voor de groot-epische
vertellers als "Balzac en Dickens" tegen degenen, die hen verwijten, dat
zij niet nauwgezet hun taal verzorgd hebben. In het hoofdstuk _Dickens'
Ontwikkeling en latere Romans_ is vooral interessant het aangeven der
tegenstelling [p.16] tusschen de kunst der Naturalisten en de
fantasievolle van Dickens; ook dat stuk over het "romantische gevoel" in
Dickens, waarbij de lezer zich niet weerhouden kan smakelijk te
glimlachen over het verschil tusschen deze en Coenens droge nuchterheid.
Maar om van op te springen is, tusschen al dat vlakke en
precies-voorzichtige, deze onbewust enthousiaste uiting:

     Dit is Dickens' romantiek, die hij voor ons zoo _realistisch _ waar
     maakt, dat wij kunnen meenen, hetzelfde eiken dag te zien gebeuren.
     Ik weet geen anderen schrijver, die dit zoo sterk heeft gekund en
     bewezen, dat voor het Realisme de realiteit zelve volkomen ontbeerd
     kan worden, dat het al verbeeldings-werk is, hetzij men vertelt van
     de feeënwereld of van de Londensche straat.

Als men hieruit niets anders dan de zeer gewettigde en voor de hand
liggende consequenties trekt, bemerkt men, dat Coenen eigenlijk niets
meer of minder zegt,--in strijd met andere zijner uitingen--dan dat
Dickens de grootste menschenschepper, de grootste werkelijkheidsmaker
ter wereld is! Vooral als men deze regels in verband brengt met zijn
meening, dat (blz. 86) het ontbreken der objektieve werkelijkheid er ten
slotte niets op aankomt. Het laatste hoofdstuk behandelt _Dickens'
Beteekenis voor ons_. Zien wij af van het feit, dat wij nu niet bepaald
dáárover wenschen voorgelicht te worden door iemand, die geheel ten
onrechte meent, dat Dickens slechts weinig meer door ontwikkelden
gelezen wordt, dan brengen ons zoowel de zeer mooie wijsgeerig-
psychologische beschouwing over het zich aanpassen van het
kind, terwijl het opgroeit, aan de omringende wereld en over zijn
geheelen ontwikkelingsgang wier eindpunt slechts de allergrootsten
bereiken: dat hun Ik de wereld omsluit--als het verheerlijkende
slotwoord, den wensch naar de lippen, dat het gevoel van den schrijver
instede van bij het einde, reeds aan het begin van zijn werk op dit
hoogtepunt gestaan hadde. Zijn boek zou er voornamer karakter door
verkregen hebben. En hier raken wij wat ik de twee enorme tekortkomingen
van dit werk noemde. Maar tevens herinner ik mij net bijtijds, dat een
_overzicht_-schrijver vooral anderen aan het woord [p.17] moet laten, wat
hij zeker uitstekend vindt, indien hij zijn meening door dien ander zoo
voortreffelijk vindt geïllustreerd: In de Fortnightly Review van 1
dezer[1] vond ik een stemmingsvol, mijmerend-wijsgeerig opstel van John
Galsworthy: _Vague Thoughts on Art_. Ik moet U de lezing ten sterkste
aanraden. De schrijver ligt op een zomerland, het zonnige leven van
hemel, bloemen en dieren over hem, om hem, te peinzen. Gedachten en
natuurbeschouwing wisselen elkaar nu telkens af, dringen in elkaar,
steunen elkander. Voor mijn doel kan deze kleine aanhaling uit het
wijsgeerig deel volstaan.

     Art is that imaginative expression of human energy which through
     technical concretion of feeling and perception, tends to reconcile
     the individual with the universal, by exciting in him impersonal
     emotion.

Maar dan: wat is "impersonal emotion"? En ziehier het antwoord:

     If I stand before it (voor een voorwerp) vibrating at sight of its
     colour and form, if ever so little and for ever so short a time,
     unhaunted by any definite practical thought or impulse--to that
     extent and for that moment it has stolen me away out of myself and
     put itself there instead, has linked me to the universal by making
     me forget the individual in me....

En de kracht, om dit te kunnen teweeg brengen, déze is het nu juist,
welke het werkje van den heer Coenen ontbreekt. Geen oogenblik wordt de
lezer aan zich-zelf ontrukt, bóven zich-zelf opgeheven. De heer Coenen
kan dit den lezer niet doen, omdat Dickens het den heer Coenen niet
heeft gedaan. Zijn boekje is--eerste tekortkoming--_geen kunst_,
en--tweede tekortkoming--mist alle _overgave_, alle _enthousiasme_. Het
is: een voortreffelijk betoog van een geleerd, distinctievol en
buitengewoon literair-ontwikkeld docent. Maar zulke betoogen mogen
uitstekend zijn, om chemie of welke wetenschap ge maar wilt te doen
begrijpen, tot het vertolken van het hooger gevoelsbegrip van _kunst_
zijn zij waardeloos. [p.18] Want evenals diamant slechts door diamant
zóó gepolijst kan worden, dat zij een open, schitterend zonnetje wordt,
zoo kan kunst slechts door kunst verklaard worden. Schrijf
twintigduizend betoogende woorden en, zoo ge 't 'n beetje populair doet
hebt ge alle kans dat de lezer U een genotlijk, een hoog te waardeeren
schrijver zal vinden, maar--onderzoek eens wat hij heeft gewonnen door
die lectuur.... Gij werktet met uw verstand en uw verstandelijk gevoel,
en beiden hebben ook bij hem geprofiteerd: zij hebben wat feitenkennis
en waardeerinkjes opgedaan, die hun gelukkigen bezitter allicht in de
conversatie te pas zullen komen, maar diens _ziel_?... Doch schrijf nu,
geen twintig duizend woorden, maar slechts één zin, waarin uw innigst
doorvoelen van een auteur tot kunst gevonden is, en ziedaar: een _licht_
springt uit uw ziel in die van uw lezer over. Zij wordt _ontroerd_,
d.w.z. zij is door ù _gegroeid_.... Zulk een schrijver is G.K.
Chesterton: een groot _kunstenaar_, die met _liefde_ en overgave over
een grootere schrijft.

Hij heeft, voor zoover ik weet, twee boeken over Dickens geschreven; het
eerste: _Charles Dickens_, waarvan juist weder een nieuwe druk
verschenen is, kan 't best ons tot het doel dienen, waarvan ik hierboven
sprak: de maatstaf te zijn, om Coenens' tekortkomingen te meten, wijl
het de _geheele_ Dickens-figuur behandelt; het tweede: _Appreciations
and Critisisms of the Works of Ch. Dickens_ is--precies wat de titel het
zegt te zijn. Ik zal alleen het eerste bespreken en wat het tweede
betreft mij er toe beperken, u de lezing _ten zeerste_ aan te bevelen.
Maar ge moet wel weten, lezer, dat ik mij op zeer pijnlijke wijze bewust
ben, dezen grooten kunstenaar-kritikus, ook met die bespreking, in dit
kort bestek, geen recht te kunnen doen: bij elk citaat, ik weet het, zal
ik een zeer werkelijk smartgevoel hebben, omdat ik weer een andere
schoone zegging, neen, tientallen andere zal zien opblinken, die ik u
niet kan toonen. _Gij moet dit goedmaken voor mij, mijn beste lezer, gij
moet, door die prachtwerken te lezen, zorgen, dat mijn tekortschieten
althans geen_ [p.19] _slechte gevolgen heeft: dat gij die heerlijke
aandoeningen niet mist, die ik heb ondergaan_.

Het onderscheid dan tusschen Coenen en Chesterton ligt vooral in het
feit, dat--afgezien ervan, dat het denken van den laatste zich op een
veel hooger plan beweegt dan dat van den eerste--het denken van den
Hollandschen criticus _denken blijft_ en dat van den Engelschen bijna
overal zich _plastisch ver-beeldt_, d.i. _kunst_ wordt. Ziehier eerst
één voorbeeld van Chesterton's metaforische macht, en vervolgens eenige
vergelijkingen tusschen de beide schrijvers. Ver-beelding eener
wijsgeerige gedachte bij Chesterton:

     For religion all men are equal, as all pennies are equal, because
     the only value in any of them is that they bear the image of the
     king.

En laat ons nu eens vergelijken. Lees Coenen:

     (Dickens had als kind, de) instinktieve zekerheid, dat met goeden
     wil en eenig nuchter beleid het leven nog wel iets beters kon
     opleveren dan hun (zijn ouders) ten deel gevallen was.... Toen
     _viel de slag_ van het bankroet, werd vader Dickens in de
     Marshalsea gegijzeld en de jonge Charles in de schoensmeerfabriek
     aan het werk gezet, om zijn eigen kost te verdienen. Het was in
     zijn tiende jaar.

En nu Chesterton:

     He longed to go to school (a strange wish) to go to college, to
     make a name, nor did he merely aspire to these things; the great
     number of them he also expected. He regarded himself as a child of
     good position just about to enter on a life of good luck. He
     thought his home and family a very good spring-board or jumping-off
     place from which to fling himself to the positions which he desired
     to reach. And almost as he was about to spring _the whole structure
     broke under him and he and all that belonged to him disappeared
     into a darkness far below_.

Dàt is _beelden_. Dat is _innerlijk zien_.--Beide auteurs vinden het
tweede deel van Pickwick oneindig beter dan het eerste. Coenen zegt dit,
ongetwijfeld zeer gevoelig, aldus:

     Dickens, de handige journalist, heeft plaats gemaakt voor den
     kunstenaar, wien alleen het leven interesseert en den gegriefden
     mensch, die een van de schoonste idealen der menschheid, de
     gerechtigheid, ziet verwrongen en bedorven.

[p.20] Chesterton voelt 't even diep, máár _ver-beeldt_ tevens zijn diep
gevoel:

     Dickens went into the Pickwick Club to scoff, and Dickens remained
     to pray.

Hoor beiden over Dickens' fabelachtige populariteit. Coenen:

     Al die duizenden lezers voelden blijkbaar de verbeeldingswereld van
     den schrijver evenzeer als de hunne, en zich gerechtigd mee te
     beslissen over het lot der boekpersonen, omdat die schepsels nu ook
     voor hen zoo levend en eigen waren, als verwanten en vrienden, wie
     men geenszins onverschillig aan kan zien.

Dit is een mededeeling van feiten, die we allen kennen, met een te
waardeeren psychologische verklaring, die ook wij-zelf ons konden geven
of hebben gegeven. Maar hoeveel wijder, hoeveel dieper is de
psychologie, hoe wordt ons door de treffende zegging de geest dier dagen
open-geweerlicht in dit:

     The modern "Shocker" at its very best is an _interlude in life._
     But in the days when Dickens' work was coming out in serial, people
     talked _as if real life were itself the interlude between one issue
     of "Pickwick" and another_.

Luister naar beiden als ze 't over den huiselijken haard in de
_Christmas-Tales_ hebben:

     Er zijn zoo gansche gedeelten in Dickens' boeken, die men als
     doorgloeid gevoelt van het roode haard-vuur, dat voor de Engelschen
     het gansche familiale leven schijnt te symboliseeren in veilige
     rust en warmte en waar men de punch en het versche groen van
     hulsttakken ruikt.

En droomt ge u comfortabel weg in de _zeer geslaagde_ stemmingsweergave
van den Hollander, ge wordt weer klaar wakker en wrijft u genoeglijk in
de handen bij de raakheid en geestigheid van den Engelschman:

     ... his Christmas sentiment. It has cosiness, _that is the comfort
     that depends upon a discomfort surrounding it_. It has a sympathy
     with the poor, and especially with the entravagance of the poor;
     with what may be called the temporary wealth of the poor. It has
     the sentiment of the hearth, that is _the sentiment of the open
     fire being the red heart of the room_. That open fire is the
     veritable flame of England, _still kept burning in the midst of a
     mean civilisation of stoves_.

[p.21] De typische uitbeelding door Dickens van den _fog_, door Coenen
als "tegelijk grappig en eventjes beeldend" gewaardeerd, geeft
Chesterton aanleiding tot deze m.i. _allerprachtigste_ fantasie:

     ... But, considered poetically, fog is not undeserving, it has a
     real significance. We have in our great cities abolished the clean
     and sane darkness of the country. _We have outlawed night and sent
     her wandering in wild meadows; we have lit eternal watchfires
     against her return_. We have made a new cosmos, and as a
     consequence our own sun and stars. And as a consequence also, and
     most justly, we have made our own darkness. _Just as every lamp is
     a warm human moon, so every fog is a rich human nightfall._ If it
     were not for this mystic accident we should never see darkness, and
     he who has never seen darkness has never seen the sun.

Zal ik nu nog verder beide schrijvers vergelijken? Neen, schoon ik
materiaal in overvloed heb. Zet gij, lezer, mijn werk voort door ze
_beiden te lezen_. Doch tegen al diegenen, waaronder ook Coenen, die
beweren, dat Dickens' werken weinig of niets met de weergave van het
werkelijke leven hebben te maken, wil ik nog Chesterton's geniale woord
hier laten klinken: (En ook Robbers, men leze zijn artikel, heeft deze
waarheid gevoeld.)

     This life of grey studies and half tones, the absence of which you
     regret in Dickens, is only life as it is looked at. This life of
     heroes and villains is life _as it is lived_. The life a man knows
     best is exactly the life he finds most full of fierce certainties
     and battles between good and ill--_his own_. O yes, the life we do
     not care about may easily be a psychological comedy. Other people's
     lives may easily be human documents. But a man's own life is always
     a melodrama.

Ten slotte: ik ben niet blind voor Chesterton's voorliefde voor het
paradoxale òm het paradoxale, de geestigheid òm de geestigheid; ik voel
wel heel duidelijk de aanwezigheid bijwijlen van het onweerhouden
boordevolle en overloopende, zelfs van het opdringerige. Hierin staat
hij ver onder Coenen, die van willen-behagen en praallust even ver
verwijderd is als een nachtuil van zonnedienst. Maar men zou jegens
beiden onrechtvaardig zijn, indien men in Chesterton's gezelschap,
[p.22] zich niet het _il a les défauts de ses qualités_ te binnen bracht,
en achter Coenen's rug zich niet een bescheiden maar veelbeteekenend
knipoogje veroorloofde tegen het beroemde meisje, dat zoo deugdzaam was
omdat ze zoo leelijk was.... Wie deze uiting jegens den voortreffelijken
kunstenaar Coenen, dien ook ik hoogacht en waardeer, oneerbiedig mocht
vinden--hij vergeet dat ik het alibi van.... den _kunstenaar_ Coenen
bewezen heb en hem dus niet oneerbiedig heb _kunnen_ bejegenen: hij was
niet aanwezig in dit boekje. Ik ontmoette er alleen den
_kunstgevoelige_....

Als tijdschriften, die zeer lezenswaardige Dickens-bijdragen hebben,
noem ik de _Nineteenth Century_ met _Charles Dickens_ by Darrell Figgis;
_Elsevier's Maandschrift_, waarin, nevens het reeds behandelde
Robbers-opstel, Cornelis Veth in een artikel _De oudste prenten voor
Dickens_ gelegenheid vindt de aardige opmerking te plaatsen, dat Dickens
van lijfstraffelijke rechtspleging hield en zijn schurken liefst door de
hand van een voormalig slachtoffer liet afrossen, en dat wel op een
wijze, waar een ongezochte symboliek in stak:

     Zoo krijgt Uriah Heep op die authentieke, kleffe, knokige en op den
     koop toe lange vingers.... de femelaar Pecksniff, geveld door den
     man, dien hij in zijn zak dacht te hebben, bezeert zich ferm aan
     denzelfden schijnheiligen en arglistigen kop, waarin hij zooveel
     kwaads uitbroedde.... enz.

Dezelfde vangt in _De Ploeg_ een rijk geïllustreerd artikel over
_Dickens en zijn voornaamste illustratoren_ aan, dat in Maart vervolgd
zal worden.--Verder laat ik, trots alle beloften, dezen keer de mij ter
hand gekomen tijdschriften, voor zoover ze geen Dickens-bijdragen
hebben, onbesproken uit--collegiale égards: naast een Onsterfelijke
schijnen de levenden dood....--

19 Febr. 1912.


       *       *       *       *       *


BRIEVEN OVER LITERATUUR


II.[p.23]


Over het algemeen lijkt het mij geen symptoom van zielsrijkdom en
geestelijke aristokratie, genoodzaakt te zijn, zich van eigen tijd af te
wenden, om heul en troost en inspiratie bij de verleden eeuwen te gaan
zoeken, of in den vreemde pogen te winnen, wat het vaderland geweigerd
heeft. Het volk weet wel wat het zegt, als 't beweert, dat de rijkdom
het zich overal behaaglijk maken kan, al zegt het hiermede toch
tegelijkertijd iets méér dan het weet, want zou het wel vermoed hebben,
dat die waarheid vooral waarheid is in de sfeer van den geest?.... Ik
herinner mij uit een vroegere incarnatie, toen ik hard bezig was, mij
door het lezen van _shilling-shockers_ voor te bereiden op het ambt van
literair criticus, dat ik nu bekleed--en zoo ge deze opleiding ietwat
vreemd mocht vinden lezer, laat mij u dan zeggen: er voeren vreemder
wegen naar dit Rome, dat langs alle wegen te bereiken is! Levendig
schiet het mij te binnen, hoe sommige mijner huidige collega's, bij
wijze van college-loopen, dienst namen bij de toenmalige stadsreiniging;
weer anderen geloofden nimmer hun hoog doel te zullen bereiken, zoo ze
zich niet den heelen dag oefenden in scheelkijken, en nòg anderen
hovelingen werden, om de in ons "vak" zoo noodzakelijke hoofsche vormen
te leeren. Hèt verwonderlijke is mijns inziens dan ook niet, dat we
allen [p.24] trots die zeer ver uiteenloopende opleidingen toch tenslotte
vaklui zijn geworden, ofschoon dit weliswaar bij geen enkel ander métier
mogelijk zou zijn geweest, maar het verwonderlijke is, dat ge nu, na
zoovele eeuwen, bij den een nog altijd iets van de stadsreiniging, bij
den ander van het scheelkijken, en bij een derde eene waarlijk de
broekspijpen uitloopende hoffelijkheid terug vindt.... Ja, den hemel zij
dank: er gaat dan ook niets in 't heelal verloren!--nu, ik herinner mij
dan uit zoo'n shilling-shocker, dat Westerlingen een pyramide bezoeken
en een van 't gezelschap--het zal wel zoo'n magere, brutale miss zijn
geweest--in een onbewaakt oogenblik een verschrompelde lotusbloem uit
het borstfiligrain eener vorstelijke mummie trekt. Thuis gekomen krijgt
zij den zonderlingen inval eenige druppelen water op de vierduizendjarige
bloem te sprenkelen, en, mystisch wonder! waarvan zij-zelf griezelt en
huivert, de bloem lééft, straalt op, bloeit op, met al haar kleuren en
geuren.... Mijn lieve lezer, gij en ik, hebben wij niet zoovele
kunstenaars de lotusbloemen van de schemerend-blinkende borsten der in
hun koningsgraven verzonken Eeuwen zien rukken, hebben wij de
verschrompelden niet weder zien opleven onder den dauw van hun talent,
en vonden we dat niet een wonder, een mystisch wonder, tot--ik mij met
een huivering tot u wendde en zei: "Maar vindt ge 't óók niet een ietwat
griezelig wonder?" ... O vreemde bloemen, die de zon mijner dagen niet
heeft doen bloeien, o, geuren aan een anderen tijd, een ander geslacht
ontstolen, bloemen en geuren, waar ik geen recht op heb, ik wensch u
niet, gij zijt mij niet lief als de bloemen mijner aarde, mijner zon,
als de geuren mijner jaren. Mij levende behaagt het met door volte
weerstreefde, streelende en plukkende handen te wandelen in lévenden
bloementuin....

Ook herinner ik mij--en ach, lezer, ik ben zeer loszinnig vanavond: als
mijn ... woorden u wat verstrooid voor de voeten komen rollen, rijg gij
ze dan, bid ik u, aan het zilversnoer van uw vernuft.... Rijgt men dan
_woorden_ aan een _zilversnoer_? Ja zeker, als de bescheidenheid--gelijk
hier--[p.25] en nog eenige van die maatschappelijke deugden het gebieden,
is dat geoorloofd. Zij geven absolutie voor èlke kromspraak en voor vele
onwaarheden--ik herinner mij dus, en ditmaal uit déze incarnatie, een
zoogenaamden _Polk_, die, als hij in Antwerpen te bekend geworden was,
ging bedelen in Amsterdam en, als men hem daar weer te goed kende, ging
bedelen in Berlijn.... En ik herinner mij dat nú, omdat ik geloof, dat
een schrijver, die bij den genius van een vreemd land om gaven bedelt,
dat doet, omdat de genius van zijn vaderland hem te goed kent om hem
geschenken waardig te keuren en dat die genius van dat vreemde land, àls
hij wat geeft, dan heel òn-halfgoddelijk er ... in loopt!

Want, lezer, dat hoog gebaar van verlangen naar de middeleeuwen, dat
zich afwenden van eigen tijd, dat is _niet_ voornaam, en dat trekken van
het eene land naar 't andere, nog eens: dat doe je niet uit weelde. Als
gij tegenover een "afzichtelijken" bedelaar staat en ge rilt terug, denk
dan niet, dat ge voornaam zijt, maar als ge zijn "afzichtelijk" wezen
zoo diep begrijpt en doorvoelt, dat ge hem kunt naderen met liefde--dan
moogt ge denken, dat ge voornaam zijt! Want afkeer en weerzin en
leelijk-vinden zijn het deel van de geringen-van-geest en
liefdevol-begrijpen en schoon-vinden het deel der voornamen. En zoo ook:
als ge telkens nieuwe prikkels noodig hebt, om de macht tot
schoonheid-doorvoelen en schoonheid-scheppen in u op te wekken, dan zijt
gij betrekkelijk arm, en zoo ge die niet behoeft, weet dan, dat ge
betrekkelijk rijk zijt.... Maar hier verdriet mij mijn wankele gang,
allicht, dat de aanblik der voorbijglijdende mijlpalen mijner
paragrafen,[2] mij wat sterker en veerkrachtiger maakt.

[VAN OORDT: NAGELATEN WERK]

Adriaan van Oordt was een groot en een rijk kunstenaar en--ik mag dit
van een doode immers wel zeggen:--ge hadt zijn gelaat slechts behoeven
aan te zien, om te weten, [p.26] dat hij ook een groot mènsch was. Als
een man met zulk een gelaat in den kring van ons, gewone menschen,
treedt, dan valt er eene schuchterheid over ons en aarzelen even onze
sprekende stemmen, ja, het is alsof ons aller woorden, die op het punt
stonden elkander in vroolijk-drukke en familiare begroeting te
ontmoeten, haastig van weerszijden terug wijken, om een open ruimte van
eerbied te vormen. Want zijn gelaat had die uiterste zachtmoedigheid,
die _dreigend_ is, dreigend, omdat zij ontwapent en weerloos maakt,
dreigend ook, omdat ge voelt, dat, indien ge langer naar dit gelaat
staart, uw zelfbewustzijn, dat onweerhoudbaar aan vergelijkende studie
verslaafd is, u leelijke dingen zal toefluisteren over--u-zelf. Het was
ongetwijfeld geniaal, dat wil zeggen hoogst-natuurlijk, gezien van de
Natuur, dien man een gelaat te geven, dat bijna uitsluitend zijn hoogste
zielsessentie uitte, want, hadde zij dit niet gedaan, het werk van haar
schepsel zou heer werk beschaamd hebben: Van Oordt's arbeid is overal
_kunst_, dat is: weerspiegeling en uiting van het Onbewuste, goddelijk
tronend in de zielsdiepten. En dit _Nagelaten Werk,_ dat nu voor mij
ligt, is er een nieuw, een laatst, een diep ontroerend en volkomen
zuiver getuigenis van: "En dit alles, niettegenstaande hij bijna
uitsluitend historische kunst geschapen heeft?" vraagt gij mij
hier.--Ja, niettegenstaande dat feit was Van Oordt een groot en een rijk
kunstenaar. En ik zal u de schijnbare tegenspraak in mijn beweringen
ophelderen. Maar rust even: ziehier een nieuwe mijlpaal.

In een hoogst lezenswaardig, met liefdevolle en eerbiedige overgave
geschreven opstel zegt de _Gids_-criticus, de heer Scharten, dat de heer
Van Oordt een _middeleeuwsche ziel_ had en dat een, in het _Nagelaten
Werk_ opgenomen, stuk als _Een Pleiziervaart_, dat fijntjes humoristisch
het hoekig-linksche van een tusschen hedendaagsche Zondagsgangers
verzeild, naïef kunstenaar in 't ootje neemt, wel eene zijde van Van
Oordt's kunst blootlegt, die we nog niet kenden, maar dat de
aanwezigheid daarvan ons toch niet kan bekeeren van de meening, dat zulk
een stuk, bij langer leven van den [p.27] schrijver uitzondering zou
gebleven zijn en historische kunst hoofdzaak. En zoo oppervlakkig
beschouwd, schijnen de in dezen bundel opgenomen stukken _Roman-Begin_
en _Fragment uit Floris de Zwarte_ dezen beoordeelaar gelijk te geven.
Maar ook niet anders dan _oppervlakkig beschouwd_. Want zoo 't mij
geoorloofd zij--en hier wensch ik u de beloofde opheldering te
geven--tegenover de eene hypothese een andere te stellen: ik geloof niet
dat Van Oordt's neiging tot de middeleeuwen voortsproot uit het
middeleeuwsche--en dat zou, volgens mij, zijn: het voor indrukken van
zijn eigen tijd minder ontvankelijke en dus ongetwijfeld bekrompene
--zijner ziel; ik geloof, dat zij voortkwam uit zijn, helaas, behept
zijn met een uiterst broos en ziekelijk lichaam: daardoor verhinderd het
hedendaagsche leven in heel zijn stormigheid te ondergaan--gelijk wel,
al ware 't alleen uit plichtsgevoel, een edelen geest als de zijne, het
heerlijkst denkbare moet hebben toegeschenen--; dáárdoor verhinderd het
leven der gezonden mede te leven, deel te hebben in hun hopen en
vreezen, hunne vervoeringen en neerslachtigheden, hun uitbundigheid en
zelf-inkeer, wendde hij zich tot eene voorbijgegane wereld, die door de
zachte fluisterstemmen der boeken tot hem kon spreken in zijner
werkkamer omveiliging, gelijk zijn zwakke lichaam die behoefde. Want--en
moge dit mijne beweringen ondersteunen:--_een vurig sociaal-demokraat
als Van Oordt was_, kan zeer wel een universeel-aangelegden geest
bezitten, waardoor hij zoowel de ekonomische noodzakelijkheid en
geestelijke schoonheid der sociaal-demokratie als de schoone
noodwendigheid der middeleeuwen doorvoelt, maar zulk een _vurig
sociaal-demokraat_ kan _onmogelijk_ een geest bezitten, die hem zich
precieuslijk doet afwenden van de rumoerende en zweetende en zwoegende
hedendaagsche maatschappij, om in eenzaamheid de fantomen van een
begraven verleden te evoqueeren, _dat aan sociale rechtvaardigheid niet
rijker was_. Neen! Ware hem door een zekere bekrompenheid van geest de
schoonheid en het beteekenisvolle van het huidige leven gesloten en
ondoorvoelbaar gebleven, ik zoude hem geen groot en rijk kunstenaar
[p.28] hebben geacht, maar juist omdat het, mijns inziens, slechts de
bijkomstige omstandigheid zijner zwakke lichaamsgesteldheid was, die hem
verhinderde dat leven te ondergaan en te herscheppen, dáárom noem ik hem
een rijke en groote. Toch--laat ons dezen edelen afgestorvene eeren door
oprecht te zijn--niet alléén zijn ziekte, maar ook het bewustzijn, dat
hij in slechts geringe mate de gave van dialogiseeren bezat, heeft er
wellicht toe bijgedragen hem met des te meer vreugde een kunstsoort te
doen beoefenen, die deze gave niet zoozeer vereischt, als de het
hedendaagsche leven beeldende naturalistische romankunst dat doet. Want
ik mag mij niet weerhouden te zeggen, dat even sterk als zijn
verrukkelijk-beeldende beschrijvingskunst--zoowel van stoffelijke als
geestelijke momenten--mij voorkomt te zijn, even zwak lijken mij zijn
dialogen. Men behoeft maar het reeds zooeven genoemde _Een
Pleiziervaart_ als _In de Kroeg_--het verhaal van een
dronkemansruzie--en _Een Liefde in Limburg_ te lezen, om te merken, dat,
wat vele zwakke dialogen-samenstellers doen, ook hij niet nalaat: het
kruiden van hun niet zeer saprijk gerecht met een sterke en smakelijke
specerij: de geijkte, hoekige, hollandsche volksuitdrukkingen. Wie Wolff
en Deken kent, weet wat ik met dit kruiden bedoel, maar ziet hij 't daar
in de hoogste vervolmaking en slechts om zich-zelfs wil, bij Van Oordt
zal hij spoedig bemerken, dat die uitdrukkingen--niet bewust, maar
instinctief--in de dialoog zijn gebracht, om dier levenszwakte te
verbergen. Overigens, wij mogen onverdeeld dankbaar zijn voor dit
_Nagelaten Werk_, dankbaar, omdat de jong-gestorven schrijver daarmede
niet alleen zijn roem heeft bevestigd maar zelfs verhoogd.... Welk een
allervoortreffelijkste zegging van een buitengewoon subtiel doorvoelen
in dit:

     En nu had hij benauwde alkoofgesprekken gehoord, geroken de
     koffielucht en pomadegeurtjes van duffe achterkamers, waar _tot een
     burgerlijke versiering de zonnestralen_[3] langs mottige vitrage
     gelen bij het weeë rood en bij het uitgebloeide blauw der
     kameromgeving.

[p.29] En welk een opperste genialiteit in deze beelding:

     Zoo zie ik den weg weer opgaan, hooger en hooger in een
     geestdriftige stijging, _en als hij op sprong staat zich over te
     geven aan den val der gindsche daling_, glimt hij in de zon als een
     lint van gele japansche zijde.

Hoe leeft, hoe rijst, hoe daalt de zee in _Een Zeereis_. De verhaalgang
zelf, met zijne zich weer verevenende bergen en dalen, met zijn
effenheid, die het bewogene, en het bewogene dat een effenheid is, lééft
als de zee; hoe welven de wijde luchten van den kunstenaarsgeest in een
koepelende overheersching daarboven. Welk een dramatisch vermogen, welk
een gang en een leven in dat _Fragment uit Floris de Zwarte_. Hoe
onschuldig een bevalligheid, wat ongerepte reinheid en zoete liefde
ontbloeien in _Een Liefde in Limburg_....

En laat mij nu maar verder van dit werk en zijn schepper zwijgen. Zijn
taak is volbracht. Hij wacht geen ander oordeel meer dan dat van het
Nageslacht, een rechter, die andere lof en andere zegening heeft te
vergeven dan wij. Maar ook gij, wiens tijdgenoot hij was--en ik zeg 't u
om uw-zelfswil--lees zijn werk, treed zijn wereld binnen. Maar vóór
dien, luister nog even naar mijn raad: hieraan zult gij ook dièr wereld
schoonheid, want natuurlijke-echtheid, kennen: Geen wezen, op een aarde
levend, bereikt dier grens, allen leven diep in haar atmosfeer besloten,
allen zijn zij van haar onscheidbaar, allen één geheel met haar--zóó, in
de door een kunstenaarsgeest geschapen wereld, overschrijdt geen der op
haar levende wezens haar grens, allen blijken zij aan haar gebonden,
allen zijn zij één met haar, allen gedrenkt in haar atmosfeer, allen
getint van haar kleuren.... En ten dage nu, dat ge uw gemoed rein en
vrij, uw geest blijde en schoonheidsbegeerig voelt, lees den al die
prachtige scheppingen van Van Oordt en verheug u, rijk en diep, om hun
omvangen en gedragen zijn door die ééne wereld van dien éénen geest....

[SCHARTEN-ANTINK: DE VREEMDE HEERSCHERS.]

Nu moet ik echter uw aandacht daarvan afleiden. Wij zullen ons dezen
keer--en ge hebt 't uit den aanvang van dit [p.30] opstel reeds
bemerkt--niet slechts hebben bezig te houden met schrijvers, die, om
dezen of genen reden, tijdelijken afstand tusschen zich en hun onderwerp
behoefden, maar ook met hen wien de ruimtelijke tusschen dat en hun
lezers verkieslijk scheen. En hierbij denk ik in de allereerste plaats
aan den roman _De Vreemde Heerschers, Een Verhaal van de Italiaansche
Meren_, door C. en M. Scharten-Antink, _fournisseurs de la cour_. Dezen
laatsten titel zult ge weliswaar door de prijzenswaardige nederigheid
der gelukkige bezitters niet op eenigen plek in het boek vermeld vinden,
maar, laat mij u zeggen, dat hij niettemin een zeer werkelijk bestaande
waardigheid representeert. De heer en mevrouw Scharten zijn het--gij
zult mij veroorloven steeds van den heer en mevrouw Scharten als éénheid
te spreken en niet die critici na te volgen, die voortdurend in dit
geval den zonderlingen waan schijnen te koesteren, dat wat de Heer
vereend heeft, de recensent mag scheiden!--het echtpaar Scharten is het,
niet voornamelijk wijl het _de_ erkende romanleverancier van _De Gids_
is, ook niet wijl het de onschuldige liefhebberij van meerdere zéér
voorname winkeliers heeft, een overvloed van kaartjes-met-uitheemsche-
woorden over hun étalagewaren te strooien en evenmin, wijl het 't eene
seizoen in _Soieries Françaises_, 'n ander in _Inverniciatura Italiana_
handelt en vermoedelijk 'n derde jaar in _High-life tailor-made
Dressing-gowns,_ maar nooit ofte nimmer in ordinaire hollandsche
katoentjes zal "doen"--neen, de heer en mevrouw Scharten zijn 't vóóral,
omdat zij er feilloos in slagen, alles waarin zij negotie drijven,
absoluut _hoffähig_ te maken, van de boerengeslachten van Cavarna af,
tot het lustige weeuwtje, "het Mayertje" toe, en dat wel op zoo'n
savante en kunstige manier, dat, als je gòed proeft, de boeren zoowel
als het Mayertje, trots de ingewikkeld desinfecteerende bewerking die
zij hebben ondergaan, toch nog, respektievelijk, naar boeren en naar een
cocotte smaken![4] Maar ge weet zoo min wellicht [p.31] wie de Cavarner
landlieden als het lustige weeuwtje zijn. Laat mij dus even een en ander
ordelijk vertellen. Onder de oppervlakte van dit boek-land laaien twee
machtige vuurstroomen--die ik in mijn gewone doen dramatische konflikten
zou noemen, maar mijn geest is op het oogenblik zóó in de Italiaansche
sfeer gevangen, dat ik van niets anders dan van Etna's en Vesuviussen
droom!--Van dit onderaardsche vuur leeft het geheele Schartensche land
met al zijn wezens, maar het kent er ook de lava-erupties en aschregens
[p.32] door, die het met een grauwe wade van leed en rampen bedekken.
Daar hebben we aan den eenen kant de Muzzo's, waarvan de ouderen
verlaten op den vaderlijken grond achterblijven, wijl de jongeren
verlokt door het vele geld-verdienen in Amerika, de een na den ander
daarheen vertrekken, om nooit weer terug te keeren: het eene konflikt
veroorzaakt door vreemden invloed. Daar hebben we aan den anderen kant
de invasie der Duitschers in Italië, die met hun flair voor zaken-doen
den landszonen de beste brokken voor den neus wegkapen: het tweede
konflikt. Ter eenre zijde dus: het kapitaal, dat het beste bloed uit het
land zuigt, ter andere: het kapitaal, dat het gewin uit het land trekt.
_Een beeld dus van het internationale kapitaal in onbewust
bondgenootschap alles dienstbaar makend aan zijn belangen_. En dat beeld
wordt er des te volkomener door en _blijkt zelfs rijk aan een ongezochte
symboliek_, als we erop letten dat _de roomsche priester Jacchini de
handlanger en adviseur van het duitsche kapitaal is_! Op deze tendenzen
der huidige samenleving de hand te hebben [p.33] gelegd, en ongetwijfeld
een _in-kunst-herscheppende_ hand, dàt is de _machtige verdienste_ van
de schrijvers van dit boek. Maar er is meer: naast de twee reeds
genoemde, hebben we, van veel minder beteekenis en op lager plan, doch
vol van menschelijkheid en waarheid, een derde dramatisch konflikt:
tusschen de beide dorpspatriciërs-families _Muzzo_ en _Taddeï, in
verband staande_ met de beide andere konflikten--en het dunkt mij goed,
met 't oog op het feit, dat de deugdelijkheid der compositie van dit
werk m.i. miskend is, op dit _verband_ den nadruk te leggen--want de
afgunst van het eene geslacht wordt voornamelijk gestimuleerd, doordat
de jonge Taddeï wèl uit Amerika naar het vaderland terugkeert--wat als
eervol geldt--en de jonge Muzzo's niet. Intusschen, beide
hoofdkonflikten zien we ten slotte uitsmeulen en met een wolk van moewe
berusting de menschen omnevelen, terwijl we vermoeden dat die afgunst
tusschen beide geslachten wel langzaam slijten zal, daar immers een
Taddeï met een Muzzo trouwt, maar--er is een vierde dramatische botsing,
die waarlijk hooge tragiek wordt, die waarlijk als een eruptie, een
brandend verderf, kraakt en woelt en dondert en aan den dag breekt. Dat
is de levenstragiek van den blinden _Zacharia Banfi_, een
_prachtig-gebeelde_ figuur. Deze man zag zich in zijn jeugd verdreven
van zijn vaderlijk erfdeel, een boerengoed, dat voor schuld verkocht
moest worden. Hij trekt naar het buitenland, naar Normandië, één idee in
zijn peins-wroetenden kop: sparen, sparen, sparen, om ééns het vaderlijk
erfdeel te kunnen terug koopen. De vrouw, met wie hij daarginds trouwt,
sterft, hij wordt blind en keert vereenzaamd naar zijn land terug. Daar
woont hij bij een nicht in de nabijheid van zijn erfgoed en loert, loert
in de lichtende duisternis van zijn oude, blinde hoofd, op een kans, het
land terug te winnen.... Luister:

     Zijn blinde hand greep tusschen de plooien van buis en hemd, waar
     hem een zeemen zakje op de borst hing.

     "Vijftienduizend lire," zei hij gesmoord, "vijftienduizend lire,
     met mijn bloed en mijn honger verdiend ... voor nog geen zes
     moesten wij Fulmignano verkoopen ...; vijftienduizend lire ... en
     toch zullen de Duitschers op Fulmignano blijven.... [p.34] de
     Duitschers, die zijn als ongedierte ... waar er één is, daar zijn
     er honderd ... honderd...."

     De bleeke lippen sidderden, de kin trok als van een kind, dat
     schreien gaat, hulpeloos-dood staarden de starre brilleglazen over
     de binnenplaats....

     De anderen, verschrikt, zaten stil.

En hij heeft gelijk: de Duitscher blijft op Fulmignano, vastgegraaid
houdt hij 't in zijn ijzeren vuist. En nu komt er een ander plan in
_Banfi_ op: een van die Duitschers, een broer van dien _Walther_, die op
_Banfi's_ "bloedeigen" erfgoed zit, heeft een bod op een groote albergo
in Cavarna gedaan, maar de koop is afgesprongen. Als die geldwolf daar
voordeel in ziet, dan zit 't er ook in, meent _Banfi_ en hij geeft een
deel i van het geld om hem te koopen: daardoor zullen de sommen gewonnen
worden, om _Fulmignano_, als de gelegenheid zich aanbiedt, en al wordt
het nog zoo duur, te heroveren. Maar eens de herberg gekocht, hoort hij,
waarom de koop indertijd is afgesprongen: op den top van den berg, aan
welks flank zijn nieuwe albergo ligt, komt het eindstation van de nieuwe
kabelspoor en daar laat Walther het grootsche _Kulm_-hotel bouwen, daar
zal de stroom van het vreemdelingengeld neerkletteren. Zijn albergo
wordt nu niets! Met welk een liefde is deze figuur gebeeld! Niet licht
zal ik dit psychologische fijnheidje vergeten:

     "Niet kibbelen, kinderen, niet kibbelen," smeekte de blinde man,
     _die altijd zoodra de stemmen kijvend werden, dubbel zijn
     hulpeloosheid voelde van de gelaten niet te kunnen onderscheiden_.

Niet licht ook den tocht van den blinde naar Montagnola:

     Als Zacharia weer door was gegaan en al schuifelend met den stok
     voor zich uit, den mijlpaal had gevonden bij het zijpaadje, dat
     hier zig-zag af, naar Montagnola terugvoert, hief hij het bleeke,
     kleine gezicht, met de ronde, blauwe brilleglazen daarop, en
     staarde of zijn gedachten iets zochten. Hij wist hier, aan den
     akkerpunt, een perzikboompje te staan. Zijn stok stootte tegen het
     hout, hij tastte met de hand, voelde de dunne ruige twijgen van den
     nog jongen stam ... er was een bescheiden gezoem van bijtjes boven
     hem.... Nu zag hij zich plots onder de roze bloesemende twijgen,
     die overbogen, ver over den weg, en zijn oud en pijnlijk gezicht
     verklaarde in een [p.35] zachte opgetogenheid. _Toen hij vóór noch
     achter zich een gerucht langs den weg hoorde en zich onbespied kon
     meenen, strekte hij voorzichtig de hand boven zijn hoofd, tot zijn
     vingers het uiterste van een takje hadden gevonden, vingerde nog
     voorzichtiger het takje langs, en de eerste zijigheid van een
     bloesemblaadje kwam zijn vingertoppen beroeren_....

     _Hij glimlachte. Hij zag de gansche helling, links van zich omhoog
     de Monte Cavarne op, en de gansche helling rechts van zich omlaag,
     naar het meer toe, en heel het verre verschiet rechtuit, waar
     Noranco lag_,--_hij zag dat alles in één teeder gewemel van
     honderden zacht-roze bloesemboomen, één broos gesprankel van roze,
     glanzend aan het puur-blauw vuur van het meer, glanzend aan het
     azuur van den hemel en aan het versche gras der
     wijngaard-glooiingen,_--_heel dit lente-land, dat hij kende plekje
     bij plekje, en dat hij plekje bij plekje vóór zich kon tooveren in
     den geest_.--_"Che bellezza," zei hij zacht_.

Als hij met zijn nichtje Angelina en haar man in de herberg woont en
diep doorvoeld heeft, dat alle, alle opofferingen te vergeefs gebeurd
zijn, dan zien wij hem, een dag, aldus, en het is de laatste maal, dat
wij hem zien:

     Onbeweeglijk bleef hij zitten.

     Een zonderlinge ontroering was over zijn denken gedauwd, en zijn
     starre afgetobd gelaat werd stiller in een vagen glimlach.

     Zoo zat hij een langen tijd, turende in een schemer van vrede,
     waardoor een zacht-goudene morgen gloorde.... Zacharia dacht aan
     den dood....

O, doet dit alles niet huiveren van ontroering: van schoonheid-genieten
en medelijden?

Maar hoe liefdevol zijn ook de andere figuren in dit boek gebeeld.
Carlotta, de zachte zuster van den goeden, fijnen, gewetensvollen
pastoor van Cavarna, en Carmela, de flinke moeder van dat aardige
kereltje Massi; de trotsche Luigia, de moeder der Muzzo's; Ambrogio
Muzzo, de gegriefde, van zijn zonen beroofde vader, die ten slotte in
wanhoop den trotschen kop buigt en zijn dochter met een Taddeï laat
trouwen: in 's hemels naam ... hij heeft geen wil meer ... hij is òp. En
die joviaal-ronde pastoor van Montagnola. Maar het _Mayertje_, ofschoon
uitstekend _doorvoeld_, is niet zóó goed _gebeeld_: de schrijvers hebben
hier te zeer den objectieven verhaaltoon verlaten, zijn te nederbuigend,
te spottend, [p.36] te humoristisch geworden. Met den _Zoppo_, den uit
den treure preekenden vegetariër en theosoof vormt zij niettemin een
aardig kontrasteerend stelletje, waaraan we wel eens 'n fijn-comische
situatie te danken hebben. Maar bovenal valt "_'t Mayertje_" te
waardeeren, wanneer men deze figuur als compositorische waarde keurt.
Zij blijkt dan, dunkt mij, _van zelf_ te symboliseeren het
verachtelijkste gevolg van een in 'n betrekkelijk primitief land
binnendringende weelde, die weliswaar door het meerendeel harer
gevolgen, maar toch vooral door dit, een tot dan nog natuurlijk-levende,
landelijke bevolking langzaam corrompeert. In een van haar tallooze
minnehandels gebruikt _Madame Mayer_ een jong meisje uit het geslacht
der _Muzzo's_ als "postillon d'amour," welk kind op een van die
boodschaptochten door den "minnaar" van _het Mayertje_ wordt
verleid.... Hoe men dan ook dit boek als een verzameling van losse
tooneeltjes en tafereeltjes kan beschouwen is mij een raadsel. Zeer
zeker zijn de steunbalken in het bouwsel verborgen--en is dit niet fraai
en goed?--maar het dunkt mij wel wat zonderling van een bouwkundige, om,
wijl hij de einden niet door de muren ziet steken, te meenen dat die
balken er niet zijn!--En nu lezer! "Ben ik uitgegaan om te vloeken en
heb ik gezegend"? Neen, neen, ge vergist u, zoo ge dit meent, ik ben
geen Bileam, en al berijd ik soms 'n stokpaardje, ik zit nooit op 'n
"ezelebeest," zooals Couperus zou zeggen! Ik heb mooi gevonden en ik heb
gezegend, ik vind leelijk en ik vloek uit echte en diepe ergernis: _Wat
dit boek zegt_, dat zegt het voortreffelijk--een enkele, in de sfeer
van het geheel niet thuis hoorende metafoor, een enkel geaffecteerd
zinnetje daargelaten, heeft ook de taal die aangenaam stemmende
verzorgdheid, welke de gerechtvaardigde achting der schrijvers voor
eigen vermogens bewijst--maar in _'t verzwijgen_, daar zit 'm het
ergerlijke in. Niet voor niets hebben we de Fransche boeren van Zola en
de Balzac, de Hollandsche van Querido leeren kennen, en zouden deze
eveneens katholieke Italianen zoo heel anders zijn?... Geloove wie 't
kan, ik niet! Maar al hadden we ook niets van Zola'sche of andere boeren
gehoord, [p.37] dan nog zouden wij voelen, dat hier levenszijden
verzwegen of verdoezeld zijn. En indien dit _niet_ voortkomt uit zekere
zielsarmoede bij de schrijvers, een verfijningsontaarding, waardoor voor
hen die levensuitingen ondoorvoelbaar zijn geworden, een zelfde
zielsarmoede als die telkens nieuwe prikkels noodzakelijk voor hen
maakt, om tot scheppen te komen, dàn is het--en vindt men dit een
"insinuatie," dan bedenke men dat ik de plicht heb te zeggen wat ik denk
en ik bovendien hier niets tegen een jong schrijvertje "insinueer," maar
tegen machtige auteurs, die een stootje kunnen velen!--dàn is het: _wijl
zij fournisseurs de la cour zijn!_

[LOUIS COUPERUS: ANTIEK TOERISME.]

En ja, Couperus nu, over wiens "ezelebeest" ge mij zooeven hoordet
praten.... Diens _Antiek Toerisme_ verplaatst ons zoowel naar vreemde
landen als naar het verleden. En het is trots al de blinkende larifari,
een brok armoeïgheid geworden, welks aanblik je, van den weeromstuit, je
rug laat schurken op z'n bedelaarste bedelaars, tegen 'n boomstam aan.
Een schatrijk Romeinsch patriciër gaat met zijn van hem afhankelijken
oom op reis, om te beproeven zich af te leiden van zijn liefdesrazernij
--eerste rangs tooneelmalligheid!--voor eene hem ontrouw geworden en met
een matroos ervan doorgegane slavin. Terwijl hij op reis is en
inmiddels, gelukkig, liefde opvat voor een andere slavin, wordt hij
straatarm, doordat Tiberius al zijn goederen verbeurd verklaart.
Goddank! hij blijkt te groot van ziel om zich daar veel van aan te
trekken en gaat zich, vergezeld van zijn nieuwe geliefde, als
beeldhouwer vestigen te Kos, haar geboorteland.--Kijk, als ge nu een
boek ziet als een gastvrij huis, waar een even hoffelijk als geestrijk
gastheer u doet nederzitten aan zijn haard en het beste van zijn
geestelijk en stoffelijk bezit niet spaart, om u, zijn gast, te
gerieven, zoodat ge uw eigen wijs van leven een gelukkige pooze vergeet
en, door hem bekoord, geheel onbemerkt de zijne aanvaardt; als ge in een
voor u opengaand boek zulk een huis denkt te vinden--en welke gedachte
zou, zóó kort na het Dickens-jubileum natuurlijker zijn?--hoe komt ge
dan bij het betreden van dit Couperus-huis [p.38] bedrogen uit! De
gastheer ... de gastheer? Nergens te zien! Ge kijkt eens rond, en een
onaangenaam gevoel overvalt u: zijt ge op een tentoonstelling tegen
smaak-misleiding?.... Er scheen een blokkenvuur in den haard te branden,
maar even naderbij getreden, ontdekt ge, dat 't een kwalijk riekende
gashaard is met namaakblokken van asbesth. Een oude gloed van gobelins
aan de muren, en die, meendet ge, waren toch echt.... Och, och, alle
duivels, het is papier van zooveel de rol! Maar gelukkig! daar komen
tenminste menschen de kamer binnen. Ah, Lucius, ouë Romein, men ontmoet
een van jou slag niet elken dag. Mag ik eens nader kennis maken? Maar
pòe! Wat mankeert die vent! Die raaskalt, die speelt 'n bezetene....
Zeg, Jandorie en bij Jupiter, wou je mijn!.... Maar die oom Catullus en
die Kaleb, die lijken u nog al geschikte kerels, die schijnen u nog al
nuchter te zijn. En inderdaad: "Och weet u," zegt oom Catullus, u
vertrouwelijk onder den arm pakkend, "we binne acteurs, dacht u nou
heusch, da'we ... haha ... da'we Romeine ware ... maar komt ü dan uit
Purmerent as ik vragen mag.... An die Lucius had u dat toch wel dadelijk
kenne merken, die zal nog heel wat moete repeteere voor-ie toonbaar
is!... We binne het gezelschap-Couperus ... spele voor filmopname....
Maatschappij Holkema en Warendorf.... O maar daar is de directeur! dat
treft u!... Meneer Couperus! Meneer Couperus!... daar is 'n heer, die
dacht da'we, haha, da'we...." Maar meneer Couperus lacht niet van harte
mee; meneer Couperus trekt een gezicht als een boer die kiespijn heeft;
meneer Couperus herinnert zich, dat hij niet altijd als direkteur van
een bioscoopfilm-tooneeltroep het land afreisde; dat hij eens in zijn
grooter tijd een ontzaglijk Magiër was, die machtige geesten opriep, hen
bond in zijn ban, hen een lichaam schiep en ze voor de oogen der door
zijn mysterieuse grootheid verrukte menschen liet leven, léven!

Och, niemand verliest geheel zijn grooter Zelf: de figuren van Kaleb,
den gids, en van Catullus zijn gezèllig-goed. Dat gevalletje van het
slaafje Tarrar met zijn slangetjes is aardig [p.39] en lief. Die
beschrijving van den Witten Nacht is _fraai_ en wij geraken wel in de
stemming, we ontvangen wel een beeld van heel dat ontzaglijk grootsch
verleden ... jawel ... máár _de centrale fout van het werk is, dat de
menschen er om het décor zijn en niet het décor om de menschen_. Er
wordt _gespeeld_ met _menschelijkheid_. En de taal is verbijsterend
slordig! Het woord _immens_ komt bijvoorbeeld zoo vaak voor, dat ik er
minstens twee bladzijden dezer kroniek mee zou kunnen vullen. Dat is
gewoon bespottelijk, onbegrijpelijk-van-dwaasheid. (Men vergelijke eens
deze herhalingen uit nonchalance, met het telkens een zelfde woord
herhalen bij Van Oordt, zooals dat wel een enkelen keer in diens
_Nagelaten Werk_ voorkomt, om daarmee een zekeren subtielen indruk te
wekken!) Zelfs lezen wij ergens, dat iets niet "zoo _reuzig immens_ was"
als iets anders!! Ge meent, dat ik het heele zaakje niet zoo zwaar moest
opvatten? Inderdaad: de heer Couperus is tusschen twee geeuwen van
verveling en onmacht aan het spelletje van belletjes blazen gegaan,
weliswaar niet uit 'n Goudsche pijp, zooals kinderen dat doen, doch met
een heel kunstig in elkaar gezet toestel. Maar toch, dat maakt geen
werkelijk verschil.... Doch wilt ge nòg een spel, maar althans een
edeler spel van hem zien? Sla dan _Groot-Nederland_ van Maart[5] op.
Lees zijn verhaal van den moord door de Pazzi gepleegd op Giuliano de
Medici. Dat lijkt toch op scháákspel, nietwaar? Het bord is er daar, om
de een intellekt-leven verbeeldende bewegingen der stukken mogelijk te
maken: _het décor is er om de menschen_.... Neen, zéker: de groote
Couperus van weleer is niet heen voor goed; ik geloof: hij bereidt zich
voor op een schitterend heroptreden--de kleine Couperus houdt zoolang
het ongeduldig-trampelend publiek een beetje bezig.--


       *       *       *       *       *


BRIEVEN OVER LITERATUUR [p.40]


III

    Kinderen zijn, in der aard-smart koninkrijk
    Prinsen van vreugde en van jeugd-schoon koninklijk....
                                        _Willem Kloos_

Dat zijn zij, ongetwijfeld, maar zij zijn nog veel meer dan dit. Doch
volledig uit te zeggen de majesteit en den rijkdom, de statigheid en de
bevalligheid, de wijsheid en de liefde van hun teere levens--dat is geen
mensen gegeven, zoo min, en uit eenzelfde oorzaak, als het ooit een
onzer gegeven was of zal zijn, het Godswezen te dóórvoelen. Want de
bijbelsche leering, dat wij naar Gods beeld geschapen zijn, valt alleen
te begrijpen, maar dan ook volledig, zóó dat zij straalt van waarheid,
als we ons vooroverbuigen tot de menschen, die nog mensch_jes_ zijn, en
van de tot ons omhooggeheven effen gezichtjes en klare oogjes de
verrukkelijke zekerheid lezen, dat dóór en uit hun nog passief, hun nog
sluimerend menschelijk bewustzijn, het Goddelijk Bewustzijn
onvertroebeld glanst. Daarom was ik dan ook soms geneigd te beweren, dat
men eigenlijk weinig van kinderen moet zeggen, daar alles wat men zeggen
kan beneden hen blijft, en het een ijdel en ook heiligschennend bedrijf
is te spreken van iets, waarover men niet waardig spreken kan. Maar
later heb ik bevonden dat deze bewering een dwaasheid is, want, indien
we niet meer over het Goddelijke en Kinderlijke mochten spreken, dan
ware onze spraak van zijn diepste [p.41] accenten en schoonste geluiden beroofd
en zou onze uitdrukkingsmacht zoo verzwakken en ontaarden, dat zij ten
slotte geen enkele gedachte of gevoel waardiglijk meer zou weten te
verwoorden. En reeds daarom ware het geen ijdel en heiligschennend
bedrijf. Maar dat is het ook niet om een andere reden: Wie tot den
_ziels_-geloovige, op wat wijze deze ook gelooft, van het Goddelijke
eerbiedig spreekt, hij zal meevoelen en meedenken wekken, op hoe
gebrekkige wijze hij zijn denk-voelen ook verwoordt, mits dat
denk-voelen ècht-in-hem zij. Er voltrekt zich dan een
gemeenschappelijk-zijn tusschen beiden, dat wel op hun wóórden rust als
op aarde een bloemstruik, maar, evenals dat gebloemte die aarde, geurend
en stralend en zon-weertintelend, de woorden te boven rijst. En niet
minder: wie met een liefdevol hart over kinderen spreekt, hoe stamelend
en hakkelend ook, hem lachen alle moeders tegen en de meest zorgenvolle
vader heft van zijn werk het zware hoofd op, om hem even, als tot eene
kracht-schenkende verpoozing, dankbaar aan te zien.

[REYNEKE VAN STUWE: DE KINDEREN VAN HUIZE TER AAR.]

Aldus gaat het hen, die van hen _spreken_. Die hen _beelden_, in een
_kunstwerk_, gaat het anders! Elk niet àl te laag staand mensch wordt
hier een voortreffelijk en nauwlettend criticus. Dezelfde omstandigheid,
die het den gebrekkigsten spreker gemakkelijk maakt, begrepen te worden,
maakt het den _beelder_ moeilijk bijval en lof te verwerven. Want die
omstandigheid is: de liefde voor kinderen, die _ieder_ niet àl te laag
staand mensch bezit. En schoon menigeen een kunstenaar moge vergeven,
dat hij de zwarte en gluipend-strompelende gedaanten van Leed en Ziekte
door een zonnige belichting iets van het vreeselijke hunner donkere
geheimzinnigheid ontneemt, niemand vergeeft het hem, indien hij den
stralenden engel van het geluk ontluistert en deze, door den mist van
licht, waarin hij gaat, te dooven, iets van zijn even geheimzinnige maar
daardoor alsnog onvatbare zaligheid verkondende schoonheid ontrooft....
En kinderen zijn die engelen.... Daarom, wie kinderen beeldt, moet in
zich hebben het vlugge naderen en het vlugge wijken, de bewegingen en
aanrakingen van zijn geest moeten speelsch van vlug- en lichtheid zijn.
[p.42] Zijn woord moet luchtig ademen als een wind, en zacht en
streelend als een zàchte wind zijn, want er zullen veel vlinders en
bloemen komen te leven op zijn land.... Vele der eigenschappen, die zulk
een kunstenaar vooral dus bezitten moet, zijn wellicht in dit ééne woord
te vatten: bevalligheid. Niet die der saletjonkers en modieuse dames,
maar die der natuur: de bevalligheid der schoone verzen, der in de wei
dravende jonge paarden, der neigende boomen; de bevalligheid, die alleen
uit harmonieuse samenwerking van edele krachten ontstaat. En deze is het
wier aanwezigheid ik telkens en telkens weer in het jongste boek van
_Jeanne Reyneke van Stuwe_ heb gevoeld. Ge weet het waarschijnlijk al:
het zieleleven van kinderen uit den zeer voornamen stand wordt daarin
gebeeld. Door een voortreflijken vader en een stiefmoeder, die hen
liefheeft, als waren zij haar eigen kinderen, opgevoed; door alles, wat
een kinderleven rijk en gelukkig kan maken, omringd, komen er geen
uitzonderlijk-hevige gebeurtenissen in hun leven voor, maar de
schrijfster heeft met goed gevoel voor compositie, het sterven van een
heel jong broertje erin gebracht, waarmede zij, binnen den grens der
meest soliede waarschijnlijkheid blijvend, de gelegenheid heeft
gekregen, de zieltjes der kinderen in de hoogste gevoelsspanning te
laten zien. De drie gegeven kinderkarakters loopen zeer uiteen. Er zijn:
de toekomstige superieure mensch: Adèle; de toekomstige intrigante en
coquette, d.w.z. intrigant en coquet op een vrij onschadelijke en kleine
wijze: Eva; de toekomstige egoïst, goedhartig en vrijgevig uit
praallust, iemand met een tamelijk gering intellect en een zekere
lichtzinnige grilligheid: Charles. Wat echter alle drie gemeen hebben,
is wat men zou kunnen noemen: hun adels-, hun standsbewustzijn, in Adèle
schijnbaar het sterkst, en dit getuigt van den subtielen psychologischen
voelzin der schrijfster: in werkelijkheid namelijk voelt dit kind zich
zoo voornaam door eigen, _onbewuste_ noblesse, maar _bewust_ wordt haar
die voornaamheid slechts als een zich-voelen: kind van Huize ter Aar!
Het boek vol levendige handeling is vlot en luchtig geschreven: een
witte raaf in onze literatuur. De kinderdialoog [p.43] is uitstekend.
En ik zou de onverbeterlijke, oude zondaar niet moeten zijn, die, schoon
hij telkens te hooren krijgt, dat hij zich niet weet te beperken, toch
onverstoorbaar z'n gangetje gaat, als ik u hier niet wat zou laten zien
uit den overvloed van mooie dingen, die ik, al lezend, verheugd zat te
bekijken. Is dit niet allerliefst:

     Ik gun je de pret! zei Amélie. Mag ik 'n chocolaadje? Nemen jullie
     die mee? En hoe doen we met de poppen? Het was lang een lieve
     gewoonte geweest, om naar een spel "eerlijk" de poppen mee te
     nemen. Zelfs Charles waren vaak, hoewel onder protest, _kleine
     poppetjes in de zakken van zijn jasje gestopt, met de vergunning
     deze gedurende de geheele reis verborgen te houden, als hij,
     wanneer de vertooningen begonnen, de koppetjes er maar uit liet
     steken_.[6]

En hoe uitstekend is, vooral in de door mij gecursiveerde woorden, een
scherpe psychologische observatie gezegd:

     Eva presenteerde "odeur" uit haar flaconnetje, en kreeg nog rooder
     wangen, maar nu van ingehouden verontwaardiging, toen Oom Carel
     zei:

     --Nee, maar, wat heb jij[7] 'n prachtige kanarie-gele handschoenen
     aan! Want zij zag de ironie in zijn oogen, en _zij háátte hem op
     dat oogenblik met een snellen haat_, maar vergat dien weer, omdat
     Oom, bemerkende dat er niets dan water uit haar flaconnetje kwam,
     haar "economie" prees, en ofschoon zij niet precies begreep, wat
     hij bedoelde, glimlachte zij toch even complaisant, omdat hij iets
     van haar in het openbaar goedkeurde.

Maar dan ook, welk een humor zit in dit werk. Men lette eens op die
prachtige condoleantie-scènes, als 'n tante is gestorven: eerst het
condoleeren door Leentje, een der dienstmeisjes. "Wel gecondoleerd,"
zegt zij deftig, en Evatje studeert gauw het vreemde woord in, om het
straks tot de ooms en tantes te kunnen zeggen! Daarna Eva's genoegen als
ze merkt, dat haar vrijertje _Piet Erckelens_ het woord ook zoo goed
weet te gebruiken. Maar dan dit: Charles, die al het heele sterfgeval
vergeten is, speelt met zijn vrienden roovertje, zij hebben zich verdekt
achter boomen opgesteld, [p.44] om den "rijken reiziger in 't eenzame
bosch" te overvallen, en Piet, die uit dat eigenaardige, toch
touchant-eerzuchtige van kinderen en ... groote menschen, om vooral
jegens "hooger geplaatsten" onberispelijke manieren te toonen, overal
naar hem loopt te zoeken, om hem te "condoleeren," nadert:

     De argelooze Piet naderde meer en meer. Hij zette zijn gezicht zoo
     ernstig mogelijk. Ja, hij had het wel gedacht: de jongens speelden
     nergens. Hij was al in den boomgaard geweest, èn bij de
     vischplaats, èn bij de tuintjes, èn bij het achterhek ... nu zou
     hij nog eens in den moestuin probeeren.

     Hij naderde. Zijn hoofd was een beetje gebogen, en hij spande zich
     in, de juiste, bij de gelegenheid passende gelaatsuitdrukking te
     vinden. En ondertusschen loerde Rinaldo Rinaldini achter zijn boom,
     gereed om zich met blikkerende oogen op z'n slachtoffer te werpen.

     Piet hoorde iets. Tenminste hij bleef staan. En op dat oogenblik
     sprong, tijgerwoest, zijn aanvaller achter een boom vandaan.

     --Sta, of ik schiet!... was Charles van plan te schreeuwen. Maar de
     woorden stokten hem in de keel. Roerloos bleef hij op de plek waar
     hij stond. En het bloed steeg hem heet naar het hoofd van schaamte
     en verwarring, want Piet had zijn hand vooruit gestoken, en op
     somberen toon gezegd:

     --Ik condoleer je wel, Arl.

Is het niet voortreffelijk, dat plotselinge ondergaan van Charles'
speellust in schaamte en verwarring? Maar vooral het komische van de
situatie!... Humor en van de beste soort is er ook in de weergave van
het "concert," dat de kinderen voor Juf en de meid geven, en waarop ze
in de volle onschuld hunner hartjes, allerlei gemeene straatliedjes
beginnen te zingen en er absoluut geen begrip van hebben, waarom Juf ze
plots van het podium, een tuintafeltje, trekt en ze met dìt en dàt
dreigt, als ze niet ophouden.... O, ik zou u nog zooveel fijngevoelde
trekjes kunnen citeeren. Ik zou u wel willen laten zien, hoe
voortreffelijk de kinderen in hun onderling zoo verschillenden aard zijn
doorvoeld en weergegeven, bij die groote gebeurtenis: het sterven van
broêrtje: Adèle's innige smart; Evatje's sluw pogen, bij anderen den
indruk te wekken, dat ook zij zoo diep voelt; haar spijt, het maar niet
tot schreien te kunnen brengen. Ik [p.45] zou u even willen toonen de
houding van dat geraffineerde coquettetje-in-den-dop, op het kinderbal,
als haar cavalier vergeet haar ten dans te komen halen, en vooral, o
vooral Adèle's extatisch voelen, "dat er op de hééle wereld geen kind,
neen, geen enkel kind bestond, zoo gelukkig als zij," en, na den dood
van het door haar zoo hevig geliefde broertje, haar weerzin, als ze
hoort, dat er een nieuw kindje komt, dat broertjes plaats zal innemen;
haar vermeende haat tegen dat nieuwe kindje! Ik zoude ook wel nader
mijne meening willen motiveeren, dat de volwassen menschen niet zóó goed
als de kinderen zijn gebeeld, dat met name, hun dialoog niet zoo goed
geslaagd is, dat zij te veel betoogen en te redevoeringachtig spreken,
dat zij ook té zeer als personages van bijzondere gewichtigheid,
bijzonder verstand, en bijzonder gevoel zijn voorgesteld. Het is alsof
zij, _in plaats van door de schrijfster-zelf, door de_ HEN
VERHEERLIJKENDE _kinderen zijn gezien_. En ofschoon deze omstandigheid
de éénheid van het werk wel versterkt, 't is toch niet goed.... De
oorzaak wordt ons klaar, indien we er op letten, dat de grove,
zinnelijke _Oom Carel_ beter gebeeld is dan de hoogstaande _Alexander_
en _Jeannette_, de beide ouders: de schrijfster zich eenmaal volledig
ingevoeld hebbend in de levenssfeer der _kinderen,_ werd door de visie
van de in reinheid aan kinderen verwante _Alexander_ en _Jeannette niet_
uit de _kinderlijke_ levenssfeer gerukt, zij zag en beeldde hen dus _van
uit die sfeer_; door de visie echter van _Carel_, die _niets_ met het
kinderlijke gemeen heeft, werd zij _wel_ uit het kinderlijke denk-voelen
gerukt. Zij zag en beeldde hem dus van uit de sfeer der kunstenares
Reyneke van Stuwe. Maar nu zal ik over dit alles niet verder uitweiden,
en liever de nog ter behandeling van dit werk beschikbare ruimte
gebruiken, om op iets veel gewichtigers uwe aandacht te vestigen. Zooals
ge u wel, m'n waarde lezer, uit eigen jeugdjaren herinneren zult: in een
kinderleven behoort een sprookjesprins, en, gelùkkig, hij ontbreekt dan
ook in het kinderleven van dit boek niet. Wilt ge hem van hier even zien
verschijnen? Welnu, zie toe:

     [p.46] Adèle stond wat verder dan de anderen stil te kijken. Het
     tooneel, nu het duisterder werd, had een vreemde bekoring voor
     haar. Tegen de klare schemerblauwte der lucht bewogen zich de
     zwarte figuren der menschen, als de silhouetten van een door
     ouderdom donkere plaat. Duidelijk teekende zich de kruisboog van
     het net af tegen den effen hemel. En als het plotseling zwaar werd
     neergelaten, dan was het opeens, als brak een glad kristal in
     scherven, die heftig óp-vlogen, en in glinsterend gruis verstoven.
     Zonder zich bewust te maken, wàt zij zag, en zonder het in
     zichzelve detailleerend te beschrijven, stond Adèle, en keek,
     gevangen in den ban van iets geheimzinnigs, iets ongewoons, dat
     haar met onweerstaanbare macht hield geboeid. Alles was _anders_[8]
     voor haar in deze oogenblikken ... al de menschen, die er bezig
     waren, leken vreemde mannen, in een omgeving, die zij niet kende.
     De atmosfeer was koel, en onbeweeglijk stonden de boomen en
     planten-groepen tegen den donkerblauwen schijn van de lucht. En de
     maan werd grooter en helderder, en wierp witte stralen op de
     werkzame handen der mannen, en schampte zoo nu en dan een
     fel-flitsend licht langs het stille, glanzende water.

     Het was Adèle, alsof zij droomde. In den grooten prenten-bijbel
     kende zij de plaat: De wonderbare vischvangst, en ook wonderbaar
     scheen _deze_ vischvangst haar toe, en het was haar, alsof zij nog
     nooit te voren het zóó had gezien: het ophalen van het net, met de
     levende, spartelende massa der over elkaar glippende,
     kwikzilver-vlugge en flikkerende visschen, waaruit door den Baas,
     onbeschroomd-tastend, een keus werd gedaan.... En nooit had zij 't
     nog gezien dat Ruitenburg zoo iets om den adem in te houden vreemds
     over zich had, als nu hij, met een emmer visch in de hand, zich
     naar de keuken begaf. Zijn voetstappen knerpten over het grint;
     zijn breede schouders waren wat naar voren gebogen, en zijn donker,
     doorgroefd gezicht was in het maanlicht van een strakken plechtigen
     ernst.

Dit is de Prins van het mystieke levensaanvoelen. Dit is de heilige
sprookjes-Prins, die in zijn glorierijk en droome--vlug verschijnen en
verdwijnen, de menschen- en de kinderzielen even stil, ademlóós-stil
maakt van huiverend geluk, om de zijn oogen en gelaat ontstralende
glansen.... Deze bladzij, op een _oneindig hooger_ plan dan het overige
van dit werk levend, bevat--'k zeg het zonder "Oostersch-lyrische"
overdrijving, in koelen bloede en mij sterk bewust van wat [p.47] ik
zeg--een mystieke visie van een héél diep voelend schilder-visionnair.

Van kind tot kunstenaar _il n'y a qu'un pas_. En zoo ge schalk genoeg
zijt mij hier te vragen, of het diezelfde _pas_ is, welke van het
sublieme naar het ridicule voert, ik zal u in vollen ernst antwoorden,
dat dit wel en ook niet het geval kan zijn, maar dat het mij althans,
_immer_ geviel in kind en kunstenaar een essentiëele gelijkaardigheid te
erkennen. Want een kunstenaar, ziet ge, dat is eigenlijk zulk een
zonderling en zeldzaam wezen, dat _het meest wezenlijke en
karakteristieke van het kind-zijn tot zijn dood behoudt_. Dat meest
wezenlijke en karakteristieke is het _vaak en grootendeels passief-zijn_
van het _menschelijk_ bewustzijn en het zeer actief-zijn van het
zoogenaamde _Onbewuste_, dat ik, elders, het _Natuurlijk_ of _Goddelijk
Bewustzijn_ heb genoemd. Vandaar het in onze oogen onbeheerschte en
onberekenbare in _kinderen_ en vandaar ook het onbeheerschte en
onberekenbare in de handelingen van vele _groote kunstenaars_; vandaar
het ademloos-staren in alleen door hen geziene droomwerelden en het,
blind voor het ommeleven, òpgaan in voor hen opdoemende fantasieën door
_kinderen_, èn het, tijdelijk, als werkelijkheid beleven van visioenen
en verbeeldingen door _kunstenaars_.

De parallel zou verder door te voeren zijn, maar ik geloof, dat hij
thans ver genoeg getrokken is, om u ook de door mij niet genoemde punten
van overeenkomst tusschen kind en kunstenaar te doen gevoelen, en te
doen begrijpen, waarom in ònze nuchtere waarneming de verhouding
tusschen de beiden _somtijds_ als van het sublieme tot het ridicule
wordt: Een kind met houten sabel in de hand en papieren kroon op 't
hoofd, zich in volle gemeendheid, zoolang de fantasie duurt, voor een
koning of een veldheer te zien houden, ge geniet ervan, óók wijl ge 't
sublieme en ongerepte voelt in zoo sterk een verbeeldingsmacht; ja, ik
durf, indien ge geen al te saaie brompot zijt, er een lief ding om te
verwedden, dat ge, na de eerste verontwaardiging, achter 't handje
lacht, als [p.48] uw aardig zoontje uw ruit voor een vestingpoort heeft
aangezien, en er met 'n katapult 'n gat in heeft geschoten, maar--ge
behoeft géén brompot te zijn, om een groot kunstenaar, die zichzelf tot
iets noch-nie-dagewesenes proclameert, of, om vermeende krenking, uw
glazen ingooit, ridicuul en lastig te vinden. En toch--dat alles heeft
een zelfde oorzaak: dat kinderen en groote kunstenaars in een oneindig
losser verband dan anderen met de "werkelijke" wereld leven, en dat hun
lagere persoonlijkheid telkens en telkens weer heftig en hartstochtelijk
reageert op de influisteringen en 't voorgetoover van 't "Onbewuste,"
dat nu eenmaal gewone menschen niets influistert of voortoovert, welke
reacties--het zij herhaald--zoo zij zich voltrekken in de samenleving
der volwassenen, daar vaak natuurlijk buiten alle redelijke proporties
en uiterst zonderling lijken. Men heeft mij onlangs verweten, dat ik
meedoe "aan het bijna misdadig werk, den leek te stijven in zijn
dwaling, dat koelhoofdigheid, beradenheid en zelfbeheersching
"onartistiek" zouden zijn, burgerlijk en nuchter." De schromelijk-onjuiste
formuleering der beschuldiging daargelaten, wil ik wèl even zeggen, dat
ik mij toen voelde--en dat zal nu ieder begrijpelijk zijn--als die
ongelukkige barbier van zekeren Kalief, die dien vorst onder het scheren
verteld hebbend, dat een veldslag door de Ottomaansche legers verloren
was, onmiddellijk door den Grooten Heer over de kling werd gejaagd.
Helaas--ik houd van Turken!--ook het verhaal van dien barbier was _geen_
dwaling, maar de onschuldige verteller had den slag toch niet verloren
en ik heb toch niet de groote kunstenaars in de wereld geschopt?...
Intusschen, niet altijd lijken ons die reacties ridicuul, wij achten ze
soms ook wel van grootschen aard, al kan onze nuchterheid zich ook dan
niet weerhouden, tegelijkertijd iets als "Don Quichottisch" te mompelen.
Men denke bijv., om ons tot een voorbeeld uit de literatuur te bepalen,
aan de vrij zuiver uit zijn _kunstenaarsaard_ voortvloeiende weigering
van _Cyrano de Bergerac_, om de gunst van den almachtigen kardinaal de
Richelieu te winnen, door gehoorzaampjes de wijzigingen te aanvaarden,
die deze in Cyrano's tragedie mocht [p.49] wenschen aan te brengen. Ook
zulk een daad wordt natuurlijk door ieder braaf burger eene krankzinnige
extravagantie geacht, maar hij is zoo genadig haar "mooi" te noemen, ten
eerste, omdat _zijn_ glazen er nimmer door kunnen breken--want laat mij
u verzekeren, dat dit mooi-vinden hem, achter zijn toonbank weergekeerd,
niet zal verhinderen te gnuiven: "Wat die zich daar vergooit ... dat
most mijn gebeuren!... gewóón stápel!"...--en ten tweede, omdat hij
niet door het _leelijk_-vinden eener daad, die de materie aan de idée
offert, de kans wil loopen te worden aangezien voor iemand, die tot een
dergelijk offer niet in staat is....

[VAN GOGH-KAULBACH: VOOR TWEE LEVENS.]

Ik heb hier nu twee boeken over kunstenaars voor mij liggen: een van
Anna van Gogh--Kaulbach, _Voor Twee Levens_, dat ons een daad laat zien,
die, op de boven omschreven wijze, "mooi" gevonden wordt en een van
Æg.W. Timmerman, _Leo en Gerda_, dat ons daden toont, die hinderlijk en
ridicuul zijn. Als weerspiegeling van maatschappelijk gebeuren en in den
psychischen oorsprong daarvan beschouwd, zal ik nu wel, vermoedelijk, in
het voorafgaande over den inhoud van beide voldoende hebben uitgeweid,
laat mij dus nu voornamelijk hun waarde als kunstschepping keuren. In
_Voor twee Levens_ is in _Ada_ de groote artisten-natuur gebeeld, die,
gedwongen door het haar beheerschende Scheppende Vermogen, alle
gewoon-menschelijke gevoelens onder den voet loopt. Welnu, ofschoon
ernstig in aanmerking nemend, dat niet al het bijwerk even goed gelukt
is, dat vooral het boek rustiger had kunnen en moeten geschreven zijn,
waardoor, naast de vele uitmuntende beeldende zinnen, enkele
cliché-achtige en slordig-globale vermeden waren geworden--is en blijft
deze arbeid een geslaagd _kunstwerk_, omdat een _uiterst moeilijke
taak_: het beelden eener zeer zeldzame uitzonderingsfiguur, met behulp
van het naturalistische, dramatisch-plastische werk-procédé er
uitstekend in is gelukt. Niet genoeg kan ik de doorvoelings- en
voorstellingsmacht roemen, waarmede in _Ada_, als bij stukjes en
beetjes, als door een levende mozaïek-van-vele-kleine-handelingen, het
bezeten-zijn van den drang tot scheppen wordt gebeeld. Hoe
allervoortreffelijkst is, hoe innig heb ik [p.50] genoten van die, door
treffende waarheid prachtige, uitbeelding van den angst eens kunstenaars
voor storing op dat begenadigde oogenblik, dat de scheppingsdaad zich
zal voltrekken.... Hoe leeft men daarin mee ... daar geluiden naderende
stappen, daar gaat een stem opklinken ... o, even, éven nog ... breek de
nervig-bevende en als zich wanhopig-instràlende aandacht niet, vóór zij
de nimmer weer zóó terugkeerende visie, gelukkig, heerlijk, buiten zich
heeft vertastbaard en vereeuwigd, en, van het zorgelijk-hoeden van zóó
broozen schat ontslagen, in een zuchten van geluk zich ontspannen
mag.... O, er is nog zooveel fraais in dit boek: de in zijn liefde door
_Ada_ teleurgestelde _Ru_; het voelen van _Louise_, die als _Ada_, die
alleen voor haar kunst kan leven, van _Ru_ is heengegaan, hem met haar
liefde troost.... Maar dàt, de voortreffelijke beelding van den
kunstenaarsaard, dàt is de kostbare kern van dit boek, dàt is het
bijzondere, waarvoor, naar ik hoop, mèt mij vele lezers, der schrijfster
dankbaar zullen zijn.

[TIMMERMAN: LEO EN GERDA.]

De figuur _Leo_ daarentegen in des heeren Timmermans' boek is van het
bohémien-type, van dat type dus, dat gewoon is aan alle, ook de
meest-buitensporige, verlangens toe te geven. Maar bij het lezen van al
de door hem begane dolheden, bedenke men, dat, wanneer hij beweert, dat
hij al die dwaasheden begaat om zich "uit te leven," om "zich frisch te
houden," omdat, in een woord, z'n _kunstenaars_natuur daaraan behoefte
heeft, dit soms weliswaar niet meer dan een voorwendsel van hem is, maar
hij 't meestal wel heilig en waarachtig meent en intuïtief voelt.
Afstammeling van een aristocratisch geslacht, móórdend-deftig opgevoed,
geest-vermummiënd bewindseld door het kinderachtigst conventioneele in
zijn jeugd, weet hij op later leeftijd niet veel anders met zijn
vrijheid aan te vangen, dan zooveel mogelijk maatschappelijke ruiten in
te gooien, met geen ander wezenlijk resultaat natuurlijk, dan dat hij
eigen handen kwetst. Maar ofschoon we dus zijn bohémien-zijn voor een
deel op de rekening zijner opvoeding moeten stellen, de schrijver laat
ons toch geen oogenblik in onzekerheid, dat het voor het grootste [p.51]
part noodwendig voortvloeit uit _Leo's_ aard, dat wil zeggen: een
_kunstenaars_aard van _zekere soort_. En het is een verdienste van den
schrijver, dat hij dit kunstenaarsschap zoo goed heeft doen uitkomen;
dat hij ons _Leo's_ plots-ernstig streven, midden-in zijn chaotisch en
dolzinnig leven, naar ernst en toewijding aan zijn kunst laat zien; dat
hij deze figuur zekere fijnheden laat doen en uitspreken, die ons
onverklaarbaar zouden schijnen in, wij mogen wel zeggen: een dergelijken
woesteling, indien die woesteling niet tevens kunstenaar ware. _Gerda_,
een boerenmeid, uit de omgeving van zijn vaders landhuis, kan zijn
hooger kunstenaarsleven niet meeleven, maar des te heviger leeft ze zijn
lager kunstenaarsleven, het bohémien-zijn, mede. Al in hun jeugd hebben
ze wel eens begeerend naar elkander gekeken. Later, na zijn vaders dood,
ontmoet hij haar als een dood-gewone demi-mondaine "op de baan," haalt
haar uit een bordeel en trouwt haar ten slotte. Men kan zich
ongetwijfeld levendig voorstellen, wat voor dol- en abjectheden er
dagelijks uit het samenleven dier beide gedeséquilibreerden
voortvloeien. De uitbeelding van dit samenleven is uitstekend gelukt en
reeds als men daarop let, voelt men een jammerlijke spijt, dat het boek
zoo schromelijk is bedorven door des schrijvers malle en jongensachtige
van-leer-trekkerijen tegen dit en dat. Och, och, dat een toch zoo zeer
talentvol schrijver als de heer Timmerman, die plastisch, dramatisch en
psychologisch zooveel in zijn mars schijnt te hebben, maar niet heeft
begrepen dat hij zijn kunst een brevet van onvermogen uitreikt, door
telkens en telkens weer allerlei tendenz in ellenlange betoogen en
onnatuurlijke dialoog in zijn werk te wringen, in stede van zijne
beeldingen--gelijk het leven zelf--_door hun wijze van zijn, natuurlijk
voortvloeiend uit hun aarden uit de omstandigheden_, vóór of tégen iets,
al naar de lezersgeest hen opvangt en verwerkt, _van zelf_ en _zelf_ een
of andere meening te laten suggereeren of bewijzen. Want welken anderen
indruk kan iemand, die als een suppoosterige museum-gids bij eigen werk
staat te oreeren, wekken, dan die, dat hij voelt, dat 't werk-zelf
_niet_ sprékend-leeft?! Ook: hoe overladen is het daardoor geworden, hoe
[p.52] bultig-gedisproportionneerd. Het is of al de ervaringen, of al de
meeningen, al de haat en al de liefde, in een lang leven gegaard en
gekoesterd, in dit eene boek chaotisch-ziedend-en-worstelend moesten
worden uitgestort! Maar het samenleven van _Leo_ en _Gerda_, hoe goed
ook, is nog niet eens het beste in het boek. Het beste is vervat in het
eerste hoofdstuk.

Er is daar in de schildering van de verhouding tusschen _Gerda_ en haar
vader, wiens half-onbewust sexueel begeeren naar haar, zijn dochter,
deze, uit haat tegen hem, aanwakkert, door hem telkens en telkens weer,
op grof-zinnelijke wijze te prikkelen--er is daar een epische zwier en
tegelijkertijd een meesterlijke ingetogenheid in het aanduiden der
verhoudingen en van het innerlijk gebeuren, die een kunstenaarsmacht van
héél hoogen rang aanduiden. Die voortreffelijkheid van het eerste
hoofdstuk keert in het heele boek niet weer. En wie zou niet vermoeden,
dat zelfs deze daling, van het uitstekende naar het goede, veroorzaakt
wordt door den jongensachtigen strijdlust, die vaardig wordt over den
schrijver. Even weldoend als het moet zijn, een mensch met zulk een
jeugdig hart, zulk een oprechten en edelen geest, als de heer Timmerman
klaarblijkelijk is, onder zijn vrienden te mogen rekenen, even
bedroevend is het, zulk een mensch zich, met al zijn impulsen, trots
dier noblesse, in het werk van het door hem zich uitende Scheppend
Vermogen te zien dringen en dat zoodoende verminken, welk te bejammeren
bedrijf dan ook ten slotte op het eind van het werk uitloopt in een
soort fotografie-realisme, dat niet schroomt, in eene hen ten slotte
weinig flatteerende apotheose sommigen van de mannen-van-'80 ten
tooneele te voeren! Ik kan mij niet voorstellen, dat eenig lezer van
smaak blijde is, hier gepromoveerd te worden tot den spreekwoordelijken
_valet_, die nu eenmaal gedoemd is groote mannen in kamerjapon te
zien....--En, nu ik, vóór te eindigen, nog even dralend en keurend
terugzie over dit opstel, dat door bijzondere omstandigheden al te
vluchtig moest worden geschreven maar waarin het mij toch tot mijn
genoegen was gegeven, niet alleen over de kunstwaarde van drie ernstige
werken te spreken, maar ook sommige [p.53] mijner lezers, naar ik mij
vlei, naar aanleiding van die werken te hebben doen doorvoelen, dat het
Scheppend Bewustzijn de lagere persoonlijkheid én van kinderen én van
kunstenaars op vrijwel gelijksoortige wijze beïnvloedt--nu voel ik toch
de behoefte, nog even mijne meeningen dááromtrent verduidelijkend saam
te vatten: dat die beïnvloeding nml. beiden tot _buitensporigheden_
brengt; dat het den eersten een aan volwassenen vreemde, verrukkelijke
en liefde-wekkende bevalligheid verleent en aan de uitstameling hunner
blonde droomen dezelfde bekoorlijkheid van menschelijk-onbewust-geschapen
rijkdom, die ook kunst bezit, en de laatsten éénerzijds tot groote en
lichtende daden van sterke wils- en gevoelsconcentratie, anderzijds tot
uitspattingen drijft, _alle_ welke buitensporigheden echter de deugd
bezitten van _de sleur te breken en den gewonen menschen de oogen te
openen voor nauwelijks vermoede_ hoogere en lagere mogelijkheden, en dus
hetzelfde te bewerken, _wat een ver afgedwaalde vogel doet, die
uitheemsche zaden in een land laat vallen, en ongekende planten daar
verwekt_....

Maar dat ik juist het werk van den heer Timmerman omhoog moest heffen
als een waarschuwing, wàt met _het kunstwerk_ gebeurt, als de lagere
persoonlijkheid zich al te roekeloos met de schepping van het Hoogere
Bewustzijn moeit, dàt was mij èn om des heeren Timmermans' groot talent
èn om zijn klaarblijkelijk zóó edele menschelijkheid, tot een zéér diep
leedwezen.--

15 April 1912


       *       *       *       *       *


BRIEVEN OVER LITERATUUR


IV.[p.54]


Helaas, datgene, wat ik, schoon wellicht geheel ten onrechte, de
noodwendigheid mijner uitingen zou willen noemen, dwingt mij nu, reeds
bij den aanvang van dit schrijven den gemoedelijken en
kalm-vriendelijken lezer te irriteeren en wellicht af te schrikken met
een zoo paradoxaal-klinkende bewering als deze: _De alomtegenwoordigheid
in de een of andere durende relatie, gesteld nu eens, dat een
niet-bovenmenschelijk wezen alomtegenwoordig kòn zijn, zou dat wezen
onverbiddelijk verhinderen, roem, waardeering of zelfs genegenheid te
verwerven_.

Gij, die dit mocht betwijfelen of ontkennen--terwijl ik spreek, keer tot
u-zelf in. Luister naar mij en luister naar u-zèlf, te eigener ure....
Ge zult zien dat u dit niet moeilijk vallen zal, want mijne woorden,
vertrouw ik, zullen niet anders dan de bewust-makende _parafrase en
verduidelijkende begeleiding ùwer gedachten_ zijn.

Dus: _waarom_ dan zoude de alomtegenwoordigheid haren grooten, niet
bovenmenschelijken bezitter verhinderen roem, waardeering en genegenheid
te verwerven? Gij weifelt: omdat de nijd ... maar waarmee gij--en hier
ziet gij oprecht vragend op--toch waarlijk _niet_ behept zijt?!... Och
neen, en ge weet het nu zelf op dezen oogenblik: zijn wij niet _ook_
liefdevoller dan wij-zelf meestal denken?... O, het is iets veel ergers
dan de nijd! En voeldet ge niet al het weten, [p.55] wàt het is,
naderen, toen ik zei, dat wij _ook_ liefdevoller zijn dan _wij-zelf_
denken?... Het is: _omdat er zelfgeringschatting ligt op den grond onzer
zielen_! Neen, dàt wisten we nooit of zelden, en hoe zouden wij ook? Wij
_wilden_ het immers niet weten. Hadden ook onze moralisten ons niet
altijd geleerd--ons daardoor steunend in het al meer ònbewust wordend
zelfbedrog--dat hoogmoed en zelfoverschatting de vergiften zijn, die
ons verwoesten? Hoe zouden wij dan het weten vermeesterd hebben, dat
integendeel zelfgeringachting het lijkig-blauwende aardgas is, dat
opstijgend de plantwortels in onze landen vermoordt, zoodat we van
koren, bloemen noch geuren genieten! Want geen andere dan
zelfgeringschatting is het, die ons twijfelend laat staan tegenover een
groote van _onzen_ tijd, van _ons_ land, die ons de handen smachtend
naar _andere_ tijden en _andere_ landen laat strekken. En geen andere
dan diezelfde geringschatting ontneemt ons het heerlijke geloof, dat in
_onzen_ tijd, in _ons_ geslacht, in _ons_ land, als een evenmensch met
_ons_ verkeerend, een _Groote_ leven kan. _Daarom_ is het spreekwoord:
Geen profeet wordt in zijn eigen land geëerd, een waarheid: De
_zelfgeringschatting_ staat niet toe te gelooven, dat het _eigen_ land
een profeet _kan_ voortbrengen! En _daarom_ zou een _alomtegenwoordige_
Groote _nergens_ worden geëerd!

Maar hier ziet gij op, schudt het hoofd en beduidt mij niet onduidelijk,
dat _indien_ al de bijkomende overwegingen niet van eenige waarde
ontbloot mochten zijn, mijne primaire bewering, schoon tevens
beargumenteerde conclusie geworden, geenerlei _practisch_ belang heeft,
want er bestaat geen niet-bovenmenschelijk wezen, dat alomtegenwoordig
zou zijn!

Maar ach, dit is 'n schromelijke vergissing van u, mijn waarde lezer! Is
het u dan nooit opgevallen, dat het Joodsche Volk, dat een Groote is,
tevens zulk een alomtegenwoordig wezen is? Trek alle landen door en
overal zult ge het ontmoeten, en wat er ook verwaasd moge zijn, uit alle
historische tijden zien u zijn zelfde zorgenvolle oogen en verweerde
gelaat aan.... Israël is ieders tijd- en ieders landgenoot.... _Daarom_
is het nergens en nooit geëerd en geliefd met de liefde en den [p.56]
eerbied, die hem toekomen. En wat hem daarvan onthouden wordt, daar
minder, ginds weer meer, wat iéderen Groote, in welken tijd en in welk
land ook levend, daarvan in dien tijd en in dat land onthouden wordt--is
_altijd evenredig aan het gebrek aan zelfachting en zelfvertrouwen van
hen, die hem moesten eeren en liefhebben_. Want luister! Zooals de
betrekkelijk schaarsche bewondering voor tijd- of landgenootelijke
Grooten niets anders is, in zekeren zin, dan de veruiterlijking der
innerlijke zelfhoogachting, het _kunnen-gelooven aan met hen verwante
grootheid_ der schaarsche hoogstaanden, zoo is de cynische twijfel
tegenover die Grooten niets anders dan de weerspiegeling van de
zelfgeringschatting der middelmatigen, het _twijfelen aan de
mogelijkheid van bestaan van aan hen verwante grootheid,_ en zóó, ten
slotte, is de _haat_ tegen en _verachting_ van zulk een Groote--en ge
ziet in het antisemitisme van het hooligan-type het zuiverst beeld van
zulk een haat!--anders dan de uitgebraakte _zelfverachting_ der
verdierlijkten, _het onmogelijk kunnen gelooven aan op eenigerlei wijze
met hen in aanraking zijnde grootheid_, en het dáárom tegelijkertijd
haten èn verachten als _gehuichelde en geüsurpeerde_ meerderheid, 't
geen inderdaad _werkelijke_ en _rechtmatige_ meerderheid is, en die zij
_als zoodanig_ doorvoeld, _alleen_ geháát zouden hebben.

De Literatuur, we weten het, heeft wonderen van vlijm-hoonende ironie,
van monsterlijk-groteske, in den snik-lach om zich-zelf zich
schaamteloos-wentelende gedrochten voortgebracht, máár--het allerbeste
behield de Natuur zich-zelf ten dienste harer onmiddellijke scheppingen
voor: deze antisemieten van het hooligan-type vooral, maar niet alleen,
zij zijn onovertrefbaar van gedrochtelijkheid, een charge lijken zij,
een overdrijving, zij zijn onwaarschijnlijk en onwezenlijk van
alleruitmuntendste wezenlijkheid! En die heele bende pogromhelden, deze
Kischinewsche en Homelsche vrouwenwurgers en kinderverkrachters, met den
allerchristelijksten Czaar-paus-vredestichter tot beschermheer, die hun
slachtoffers _verachten_ en niet weten, dat zij niet anders dan
_zelfverachting_ braken!... Dàt staat hoog boven alles uit, pràchtig
[p.57] stinkend-van-walgelijkheid en oogenvonkelend, snoet-roodend en
wijdmuilend van bestiaal-zinnelijke, hik-lachende belachelijkheid.

Gij, _Hollander_, zult niet vragen, schaamteloos-onverschillig als de
zonen van menig ander volk, waarom ik ú dit vertel; gij, die slechts aan
zelfgeringschatting lijdt en geen zelfverachting voelt noch behoeft te
voelen; gij, landgenoot van Surenhuys en Basnage en die bevallige
Joffers en edele Heeren, die uit een zachte liefde jegens de oude
cultuur eener groote natie, de Hebreeuwsche literatuur vereerden, o ik
weet het en wensch hun sentiment te onder- noch te overschatten: zoo
ongeveer wellicht op dezelfde wijze, waarop een Fransch edelman de
verweeuwde vriendin zijner jeugd nog elken dag bezoekt en weemoediglijk
zacht causeert en haar lieve en bevallige geschenkjes met bescheiden
glimlach en hoofsche buiging biedt. Al weet ik óók: die tijd is lang
voorbij, en al is het mij niet verholen, dat gij, hun nakomelingen, niet
vrij zijt, hier en daar, van een zeker ras-antagonisme.... En bovendien:
hoe ver staat gij in uw modern leven van al die speelsche
bevalligheidjes af: een Tesselschade aardige klassiek-Hebreeuwsche
briefjes aan hare vriendinnen over het huishouden en de edele kookkunst
schrijvend!... Maar toch, wat ook gij wel weet en van welk weten gij u
naar ik hoop niet ver zult houden, is: dat Spinoza uw grootste wijsgeer,
Israëls een uwer grootste schilders, en Querido thans, onbetwijfelbaar,
uw grootste epicus is en dus.... Neen, zeker ... ik ben overtuigd, gij
hebt aandachtig geluisterd, terwijl ik u sprak van dat volk, dat u
zooveel heeft geboden, en zult voortgaan met niet minder aandachtig te
luisteren, al spreek ik dezen keer over niets anders dan over werk van
zonen van dat volk.

Het literaire genie der Joden schijnt mij tot voor betrekkelijk weinig
decenniën overheerschend meditatief-lyrisch te zijn geweest; hun episch
vermogen--de tijdvakken, die den Bijbel uit zich hebben omhoog gestuwd,
buiten beschouwing gelaten--vrij wel latent; hun plastiek niet sterk,
zelfs de plastiek [p.58] van Salomo's onvergelijkelijk _Lied der
Liederen_ wordt geschaadt en ernstig verzwakt door de tendentieuse
beeldvorming eener bedoelingsvolle allegoriek. En ik heb zoo'n stil
vermoeden, voor 't eerst nu ruchtbaar gemaakt, dat Mozes, behalve een
geniaal wetgever, ook een uitstekend kunst-beoordeelaar bleek te zijn,
toen hij het gouden kalf verbrandde! Maar, helaas, welk een
onvoorzichtigheid tevens beging hij daar mee. Het schijnt of men maar
geen vrede met dit genadeloos afbrekend oordeel hebben kon! Men moest en
zou bewijzen wel degelijk in staat te zijn gouden kalveren van de
allerbeste kwaliteit en natuur-getrouwe allure voort te brengen.... En
met welk een succes!... De Rotschilds en de Hirschen, wie zou het hoofd
niet voor hen buigen, zelfs nadat ze door de Morgans, de Rockefellers en
hoe al die andere onbaatzuchtige artiesten verder mogen heeten,
overvleugeld zijn. En wat zeg ik: overvleugeld! Dat zit nog! Denk eens
aan die prachtige groep: _Het Gouden Kalf bevuilend zijn eigen Stal_,
eenige jaren geleden door een russophil, joodsch bankier, in vrije
uurtjes van kunstlievigheid en inspiratie gewrocht.... O, dat was om op
de knieën te vallen!... Och, of Mozes nog geleefd hadde! Zoude hij
ditmaal instede van het kunstwerk niet den kunstenaar hebben verbrand,
om voor goed te verhinderen, dat deze zich wellicht in de toekomst aan
een noodzakelijk-mindere, hem-zelf en zijn werk schadende herhaling zou
te buiten gaan? Inderdaad, ik mag zeggen, dat het antwoord zoo makkelijk
te geven als de vraag te verstaan is! Maar Mozes leeft niet meer, en
welbeschouwd is dat ook goed, want het moet niet aangenaam zijn, een
groot man iets overbodigs te zien doen. Want nu in ernst, zoo blijde,
als deze scherts bitter was: dat uitschot van mijn volk--maar ik wensch
nu verstaan te hebben, dat ik hier alleen spreek van die tijdens de
jodenvervolgingen en revolutie aan Rusland geldschietende Joodsche
ellendelingen--deze verkoopers van hun broers, verloochenaars van hun
ras, deze verzwijnden in den afval der vreemde maatschappijen, hoe zijn
zij weggedrongen door de kinderen der Jesaja's en Jeremia's, door de
nieuwe profeten zoowel van de vertroosting als het leed! Er is in de
jonge Joden, [p.59] in deze geheele, nu opgebloeide generatie van jonge
dichters en schrijvers, met de melancholie van het ghetto of de hoop op
renaissance--meest met beiden!--in hun hart, geen eerbied meer voor het
geld om het geld, geen eerbied ook meer voor autoritaire tradities: van
een heilige aandacht vol, hebben zij zich diep gebogen over de natuur,
hun volk en hun ziel, en zoo zij hun blikken wenden van deze trits, het
is alleen om in een óver-huiverend gevoel van geluk te zien naar de
wondere Aronsstaf in hun hand, die, voorlang tot 'n dor hout geworden,
nu in geurende bloemen ontluikt. Want ze weten het, zij zijn het, die
hem doen bloeien, daar de mystieke zegen der natuur èn van hun volk èn
van hun eigen ziel, hem uit hun handen en gelaat bestraalt. Die
Aronsstaf, mijn lezer--gij zoudt het reeds begrepen hebben, zoo ge het
boek van _Dr. Slousch_, waarover ik nu ga spreken, gelezen hadt--die
Aronsstaf is de verjongd-uitbottende _Hebreeuwsche taal_!

[DR. SLOUSCH: LA POÉSIE LYRIQUE HÉBRAÏQUE.]

Het, de nieuwe Hebreeuwsche lyriek (1882--1910) behandelende, boek van
dezen geleerden, met een zeer fijne critische intuïtie begaafden
Sorbonne-docent, waardeer ik niet zoozeer om eenige bijzondere kwaliteit
der literaire analyse, die te zeer op het tweede plan teruggedrongen is,
om een definitief oordeel over het analytisch vermogen van den auteur
mogelijk te maken, maar voornamelijk om de volgende redenen: het
meesterschap over de stof, het met strak en vast gebaar aangeven van de
groote ontwikkelingslijn, en het aanwenden van meer moderne
literair-critische methoden op eene literatuur, die zelden of nooit door
een beoordeelaar zonder religieuzen bril bekeken is. Dat vooral maakt
een alleraangenaamsten, buitengewoon prettigen indruk. Máár--volkomen
geëmancipeerd van alle kerkelijke gedachten-dwang als Slousch mij lijkt,
is hij dan ook aan de dezen geestestoestand soms begeleidende euvelen
niet ontkomen. Een enkel maal is hij "erge" nieuwlichterlijkheid
schromelijk onjuist en onrechtvaardig. Zoo, sprekend van den door hem
als groot geprezen Saül Tchernikhovsky, zegt hij:

     [p.60] Cette dernière allusion à un rite rabbinique peu esthétique
     (het dragen der gebedsriemen, v.C.) auquel la tradition attache
     beaucoup d'importance, doit accentuer le contraste entre la beauté
     du culte grec et le manque de gout des rabbins.

Ten eerste is deze ritus niet "rabbijnsch" maar vloeit onmiddellijk uit
een bijbelsch gebod voort! Het ware de taak van den analytischen
criticus hier geweest, op te merken, dat als Tchernikhovsky toornt:

     Toutes ces belles choses, que des hommes sans vie, que des êtres
     pourris, vils et rebelles à la vie (Men merkt: eenzelfde verwijt
     als reeds zoo vaak het Christendom getroffen heeft, treft hier het
     rabbijnsche Jodendom! v.C.) ont enlevées a Shadaï-Dieu-Roc (cette
     divinité impénetrable du désert, qui présidait aux actes des
     conquérants de Chanaan) et qu'_ils ont enchainées dans les cuirs
     des philactères_,

hij tegen den verkeerde toornt, want dat dit "ketenen in het leder der
gebedsriemen" een gebod van "Shadaï-Dieu-Roc" zelf is. _Niet_ dus van
"Adonaï, le Dieu pacifique et ritualiste des rabbins," maar wel degelijk
van: "Jehova-Zebaoth, le dieu guerrier et vengeur des Hébreux." Instede
van hem den dichter te doen bijvallen, hadde dus deze plaats Dr. Slousch
tot een schoon voorbeeld kunnen dienen van wat hij-zelf het "souvent
plus oratoire que sincère" in Tchernikhovsky's poëzie noemt! Maar ten
tweede zal het wel iedereen, behalve Slousch, onmogelijk zijn in te
zien, waarin het "onaestetische" van dezen ritus steekt! Integendeel, ik
herinner mij levendig uit mijn jeugd, welke aan het extatische grenzende
momenten ik doorleefd heb, door die "kroon op mijn hoofd" en dat "zegel
op mijn arm" en ook--hoe rijk is een kind!--hoe ik midden in het
ochtendgebed en mij alleen in de kamer wetend, plotseling, door de
invallende gedachte opgewonden, nerveus maar toch glimlachend van
voorvoeld genot voor den spiegel trad, om, terwijl ik het tallith--den
gebedsmantel--op z'n schilderachtigst om mijn lijf drapeerde, te zien
of mij de hoofdgebedsriem nu waarlijk als de vorstelijke diadeem stond,
die ik mij altijd op 't hoofd droomde.... Helaas! hoe kan men zoo dalen:
niet alleen dat ik niet meer taal naar een kroon, maar ik ben zelfs met
een stoffigen hoed tevreden!... [p.61] Maar dus: "onaestetisch"!... ik
begrijp er niets van! Een andere onjuistheid van dien aard is de
volgende. Na een citaat uit denzelfden Tchernikhovsky, zegt onze auteur:

     Allusion à un passage talmudique qui exècre celui qui s'arrête à
     contempler "un bel arbre ou un beau champ."

Men zou dus hieruit gevoegelijk de enormiteit kunnen afleiden, dat deze
passus het bewonderen van natuurschoon verbiedt!! Daar is natuurlijk
niets van aan! In werkelijkheid luidt bedoelde sententie, in getrouwe
vertaling, aldus:

     Die ten wege gaat _en over gewijde onderwerpen méditeert en zijn
     meditatie afbreekt_, om te zeggen: hoe schoon is deze boom, hoe
     schoon deze akker, hem beschouwt de Schrift als een die _zich
     schuldig maakt jegens eigen ziel_.

Ik zal dit niet nader behoeven te analyseeren, om den lezer, die op het
door mij gecursiveerde let, te overtuigen, dat hier noch van een verbod
om natuurschoon te bewonderen noch van iemand "verfoeien" sprake is!

Maar--en spreekt dit trouwens niet van zelf?--het opmerken dezer kleine
vlekjes kunnen de wijde en diepe dankbaarheid niet verminderen, die ik
als een warme liefde in mij voel voor dit boek en zijn schrijver. Bij de
geestelijke gestalten der daarin behandelde dichters, dezer vergeefs
vervolgde, ontembare en van levenskracht stralende helden, wat zijn wij,
Westersche Joden, daar Jood_jes_ bij. Van hen allen schijnt _Bialik_ mij
de allergrootste. Men leze dit door Slousch aangehaalde kleine fragment
uit het gedicht _Massa Nemirow,_ "une description réaliste du pogrome de
Kichenev."

     Fils de l'homme ... lève-toi et va vers la ville de la Tuerie. Tu
     visiteras les maisons pour voir de tes yeux et pour palper de tes
     mains le sang figé et les cervelles durcies sur les haies, sur les
     arbres et sur le cement des cloisons.... Puis, tu iras voir les
     ruines, en franchissant des brèches, en passant par des murs troués
     et par les fours brisés, la où les entailles sont les plus larges,
     où les trous sont les plus grands, où la pierre noire est denudée
     et la brique arrachée.... Elles sont pareilles aux bouches beautés
     des plaies sordides pour lesquelles aucun moyen, aucun remède n'est
     plus efficace. Tes pieds s'enfonceront dans les plumes et buteront
     contre les décombres des objets brisés, [p.62] contre les restes
     des livres et des parchemins, biens perdus, produit des peines et
     des labeurs surhumains....

     Cependant, tu ne t'attarderas point sur ces ruines et tu
     continueras droit ton chemin.... Et l'odeur des acacias viendra à
     ta rencontre, et leur parfum pénétrera dans tes narines et leurs
     fleurs qui sentent le sang....

     Et comme pour te contrister, leur senteur étrange répandra dans ton
     coeur la fraîcheur du printemps, et tu le supporteras! Et le soleil
     te percera de myriades de flèches dorées qui refléteront sur chaque
     fragment de vitre sept rayons joyeux de ton malheur....

     _Car Jehova fit appel au printemps et à la tuerie à la fois. Le
     soleil rayonnait, l'acacia s'épanouissait et le bourreau
     abattait_....

Door het cursiveeren van den laatsten zin, in zijn poignante
tegenstellingen vol van een magistrale, zwaar dreunende zeggingskracht,
toont _Slousch_ wel duidelijk, welk een bevoegd docent zijn discipelen
in hem bezitten. Jammer, dat door de ontstentenis van den oorspronkelijken
Hebreeuwschen tekst den lezer van dit boek de mogelijkheid wordt onthouden,
ook zijn vertaal-talent te waardeeren. Een ander gedicht: _La Chose
(Dabar)_ van denzelfden dichter ontlokt onzen auteur deze opmerking:

     Dans ce sanglot de désespoir suprême d'une pensee qui s'obstine à
     vivre, bien qu'elle soit hantée de l'idée de la Fin, s'affirme une
     sensibilité vivante et sympathique, qui mérite d'être connue de
     notre siècle d'égoïsme et de positivisme à outrance.

En overtuig u hoezeer hij gelijk heeft: (Ik citeer slechts een klein
gedeelte.)

     Car _une chose_ s'est declarée chez nous et personne ne sait ce
     qu'elle signifie.

     Est-ce un Lever ou un Coucher de soleil? Si c'est un Coucher,
     est-ce pour jamais?

     Car le Chaos qui nous entoure est grand. Il est terrible ce chaos,
     et n'offre aucun refuge.

     Et alors même que nous voudrions implorer dans les ténèbres, nous
     livrer aux prières, quelle oreille nous écouterait?

     Même si nous blasphémions, sur quelle tête retomberaient nos
     blasphèmes?

     Et lors même que nous grincerions des dents, que nous lèverions le
     poing de colère, quelle nuque en serait atteinte? Le Chaos, le vent
     emporterait tout sans laisser des traces.

     [p.63] Plus de point d'appuis, plus de soutien, plus de chemin. Les
     cieux se sont tus!

     Ils savent combien ils sont criminels envers nous, et combien leur
     crime est infernal, et ils portent silencieusement le poids de leur
     faute.

     Ouvre donc ta bouche, ô Prophète de la Fin, et si tu as quelque
     chose à dire, dis-le!

     Dût ta parole être amère comme la mort, dût-elle être la mort
     elle-même, parle, dis-la!

     Pourquoi craindrions-nous la mort, puisque déjà son ange chevauche
     sur notre dos et met le mors dans notre bouche?

     _Et en plein hymne de Renaissance chantant sur nos lèvres, en plein
     délire de joie de vivre, nous galopons vers la tombe_....

En hoe val ik Slousch bij als hij van dien anderen groote,
Tchernikhovsky, zegt:

     (Wat hij in zijn verzen geeft) c'est la vie réelle, l'effort que le
     poète prêche aux fils degénerés du ghetto.

     Débordant lui-même de la joie de vivre et d'agir, il exerce une
     action d'autant plus grande sur le lecteur, ses propres collègues.

     Il a conscience de son rôle de régénérateur. Il est aussi large,
     aussi prodigue que la nature l'est pour lui-même.

Ja, inderdaad: "débordant de joie de vivre!" Luister slechts, ten slot,
naar dit:

     Mais non! Elle ne mourra pas la Poésie! Elle ne mourra jamais! Même
     le jour où l'homme ver parviendra à étendre son règne sur les
     domaines du Ciel et des abîmes, à dompter les tonnerres et le feu,
     et à jeter des clartés sur les ténèbres de la nuit polaire, elle ne
     mourra point.... Dans les cadres d'or pur, dans les colliers des
     rimes, l'enthousiasme de l'âme du poète jaillira puissant comme le
     grondement superbe de la mer. Aux souvenirs des actes accomplis par
     les pères aux temps passés et dans la félicité sans bornes des
     siècles à venir, elle ne mourra pas, elle ne mourra jamais!...

Bialik en Tchernikhovsky! De een, de sterke, mannelijke drager en
bepeinzer van het schrijnende leed van millioenen, de ander de bazuin
van hun onverwoestbaar geloof in het leven en in de toekomst, beiden te
zaam een beeld van die edele revolutionnaire kracht, in welke de felle
en vernuftig-ondermijnende haat van het _intellect_ tegen het
verfoeielijk maatschappelijk _systeem_, zich heeft gepaard aan de
erbarmingsvolle [p.64] zachtheid van de _ziel_ jegens de _menschen_; een
beeld in één woord der revolutionnaire kracht van het stam-volk van
_Marx en Lassalle_!--Maar terwijl ik dit neerschrijf wordt weer het oude
en schaamtevolle betreuren in mij wakker. Mijn liefde voor de Bialik's
en Tchernikhovsky's, zij wijkt bleek en huiverend terug, gelijk een
hooghartig geweigerde liefde. En het is mij of dat rechtvaardig is, en
ik geen broederlijk deel aan noch recht op hen heb. Hoe bitter is dit:
dat ik in de maatschappij, waarin _ik_ leef, niets van het leven, het
denken, het voelen dier sterken en vurigen en in mijn eigen trekken noch
in die mijner westersche en vooral hollandsche stamgenooten gelijkenis
met hun geestelijk gelaat herken.

[DR. KARPELES: HEINE-RELIQUIEN.]

En dat kàn niet aan mijn blik liggen. Want denk ik daarentegen aan dat
andere, door mij nu te behandelen boek, het nog niet sinds lang
uitgegeven werk van Dr. Gustave Karpeles: _Heine Reliquien_, dan zie ik
daarin niet één mensch, hij zij Ariër of Semiet, of ik vind het meest
karakteristieke zijner wezenheid in de mij omringende menschen terug:
_Salomon Heine_, de man van de quasi-luidruchtigheid en jovialiteit,
welke zijn grimmig sarcasme moeten bedekken tot den tijd, dat het vlug
de venijnige nagelklauwtjes uitschiet, de man wiens diepste wezensaard
is: een onder zijn joodsch-bankiers-cynisme voortsmeulende en er
lichtelijk door gedompteerde vettige zinnelijkheid; _Gustave Heine_, de
gedistingeerde, veradellijkte cavallerie-officier, met zijn literaire
aspiraties en talentjes, met een manusje-van-alles-achtigheid in zich,
een aanpassingsvermogen, een abiliteit om zijn cocon op het juiste
tijdstip als glanzend vlindertje, de vleugeltjes beladen met stofgoud,
te kunnen verlaten, die buitengewoon zijn; de _Baron de Custine_, met
zijn verliefdheid op den Heiniaanschen geest; Varnhagen en Immermann,
"die hun best deden als ze aan Heine schreven, even geestig als hij te
zijn." ("Hoe dat uitviel is een andere zaak," voegt Karpeles er schalk
bij.) O, al die menschen ken ik empirisch èn intuïtief door en door!
Doch hoe veel beter ware het mij, als ik de Bialik's aldus kende! Maar
toch: niet alleen als vergelijkingsmateriaal [p.65] met het zoo oneindig
belangrijker werk van _Slousch_, is het boek interessant. Het is het
vooral om de figuur van den grooten Heinrich. Die blijkt ook hier weer
enorm! Luister even, bid ik u: 1 Febr. 1846 schrijft hij:

     Lesen kann ich gar nicht, schreiben nur wenig. Ein Auge ist seit
     einem Jahr ganz geschlossen, das andre sehr matt, und 2/3 des
     Gesichtes, inclusive den Mund sind gelähmt. Dabei bin ich
     lebensmuthig geblieben, und habe gar kein Lust mich ruhig mit
     Füssen treten zu lassen. Im Gegentheil mich jucken die Fuszspitzen
     und Gott sei genädig dem Hintern, den sie nächstens treffen.

Men ziet het: de verlamde en den dood zich nabij wetende Heine heeft
niets van zijn trotsche en vreeslooze strijdvaardigheid ingeboet. Ook
niets van zijn beroemde geestigheid! In die geestigheid had de
_Jiddische Witz_ zijn culminatiepunt gevonden. Moest ik deze laatste
karakteriseeren--en dit is wellicht tegenover den niet-joodschen lezer
niet ongewenscht--ik zou willen beweren: het is de geestigheid van een
gemoedelijken, uiterst _ervaringrijken_ en scherpzinnigen _grijsaard_,
een grijsaard, die ook die meest gewone eigenaardigheid van den ouderdom
vertoont, dat hij het innerlijk meer dan het uiterlijk zoowel van zijn
persoon als zijne uitingen verzorgt. En wat is trouwens natuurlijker dan
dat ook de geestigheid van 'n volk met een geschiedenis van 'n 4000
jaren, het karakter van die eens over-ervaringrijken, een weinig
sceptischen ouden drage?! Een aardig staaltje nu van dien geest, máár:
ver-Heiniaand, d.i. dus culmineerend, is dit: (Gustave Heine bezocht
zijn grooten broer aan diens ziekbed en vertelt ons daarvan het
volgende):

     Im Laufe des Gespraches nahm ich ein französiches Journal zur Hand,
     und nachdem ich seinen Inhalt überflogen, fragte ich Heinrich, was
     er von den öffentlichen Personen Frankreichs halte. "Ach," sagte
     er, "da musz ich Dir dieselben Worte sagen, die der alte
     Französische Wachtmeister äusserte als der Lieferant Lewi seine
     Ochsen ablieferte. Dieses geschah auf dem Marktplatze eines kleinen
     Städtchens wo der Etat-Major stationirte, vor dem jedesmal die
     Ochsen vorbeidefiliren mussten, um gezahlt zu werden. Hr. von Lewi
     hatte versprochen 300 Ochsen zu liefern, hatte aber nur 100 Ochsen
     zu seiner disposition. [p.66] Er liess deshalb die Ochsen einzeln
     vor dem Etat-Major voorbeitreiben, und richtete es so ein, dass die
     gemusterten Ochsen von seinen Knechten schnell zu dem einen Thore
     hinaus, um die Stadt herum zu dem anderen wieder herein
     getrieben wurden, so zwar, dass endlich von dem Etat-Major die Zahl
     von 300 Ochsen richtig bescheinigt wurde. Nur ein alter
     Wachtmeister der dabei war, schüttelte den Kopf mit Verwunderung
     und bemerkte: Es käme ihm vor, als seien es immer dieselben
     Ochsen."--"Ja lieber Bruder," schloss Heinrich, "auch mir wil es
     vorkommen, als seien es immer dieselben Ochsen."

Maar Heine was wel voor een groot deel Jood, maar voor een ander deel
had hij niet alleen het essentiëele der Westersche beschaving in zich
opgenomen doch schijnt bovenal zijn elegant-amoureuse wezen doordrenkt
te zijn geworden van de geuren harer wellicht schoonste bloem, inderdaad
haar _fine fleur_: de frànsche cultuur. Want is in den volgenden bon-mot
niet vooral de geest belichaamd van het ridderlijk volk, wien geen
enkele omstandigheid, zij 't de ontzettendste ziekte of wreedst-
aangluipende dood, de schoone geste, den Meester-lijken glimlach en de
fijn-geslepen scherts zijner courtoisie kan verhinderen of doen tanen?
Kort voor Heine's sterven, maakt hij aan zijn ziekbed kennis met zijn
schoonzuster, Gustave's vrouw; hij licht, om haar te kunnen aanzien, met
de eene hand zijn verlamde ooglid op, vat met de andere _haar hand_
en zegt tot _Gustave_:

     Bruder, Du warst klüger als ich, Du nahmst Dir von den Uebelen das
     kleinste."

Men begrijpe mij wèl: ik beweerde niet dat Heine's figuur ook in dit
boek enorm blijkt, omdat ik dergelijke speelsche geestigheden als de
hier geciteerde bij tientallen er in vind, neen, ik beweerde het, omdat
hij, _lijdend aan tabes dorsalis, en gedurende een zevental jaren
slechts eenmaal zijn kamer voor het balcon verlaten hebbend_, ze kon
zeggen! Want Multatuli vergiste zich, toen hij de Gnomen, die een mensch
uitkleeden tot op het bloote lijf, tot hij niets meer is dan hij _is_,
ònder den grond meende te wonen, zij leven _daarboven_: zij heeten:
_eenzaamheid, ziekte, gedwongen lediggang_!

[BONN: EEN BONTE VLUCHT VAN VERZEN.]

In 't algemeen zou het een studie overwaard zijn, eens na
[p.67] te gaan, in welk een sterke mate Heine de moderne dichters en
vooral die van joodschen stam beïnvloed heeft en nog ten huidigen dage
beïnvloedt. Voor Nederland echter zou het resultaat vrij pover zijn. Om
ons nu tot de joodsche auteurs te bepalen, lijkt mij _Josef Cohen_ wel
de eenige, die aan het vervaardigen van Heiniaantjes doet, of deed; _van
Collem_ is daar ongetwijfeld, blijkens zijn zeer raak typeerende
wrang-joodsche schertsdichtjes te oorspronkelijk voor; _de Haan_ veel te
zwaar, te onspeels-ernstig en vooral in zijn stijl-natuur te
van-Deysseliaansch-afgemeten en niet-uit-de-plooi-komend. En de Haan
heeft waarlijk ook wel iets beters te doen, dan een ander bewust na te
volgen. Zijn joodsche _Liederen_, in _De Gids_ van 1910 verschenen, zijn
van een zeldzame voortreffelijkheid. Het zijn juweeltjes van stemming en
zich-in-liefde-herinneren. Het zijn verzen-met-geloken-oogen, in een
diep-innerlijken droom verzonken en er zich niet van bewust dat hun
droom uitspreken, en gehoord worden buiten zich. Het aan _Het Joodsch
Nationaalfonds_ gewijde gedicht in _De Beweging_ van deze maand lijkt
mij niet zoo uitmuntend. Het is dunkt mij te onvrij van min of meer
cerebrale, bedàchte, alledaagsche motieven van nationalen trots en
Zionistische toekomsthoop, _die niet in de dichterlijke conceptie en
uiting verbijzonderd en verindividualiseerd zijn_. Is deze, mijns
inziens beste onder de joodsch nederlandsche dichters, tegelijkertijd 't
innigst joodsch-gevoelig, _Bonn_, wiens bundel _Een Bonte Vlucht van
Verzen_ hier voor mij ligt, lijkt mij heelemaal geen Jood meer, maar op
end' op een hollandsch-socialistisch dichter uit, het zij zonder zweem
van geringschatting gezegd, de Nieuwe-Tijd-kweekerij, d.w.z. wat een
groot deel van zijn onderwerpen-keus en gedachten-objecten betreft:
_arbeiders en het socialisme_, en dan verder: hollandsche weidjes;
hollandsche koetjes; huiselijk leven--heel innig!--. Maar zijn
levend-rythmische zangerigheid is van hem-zelf en ook zijn buitengewone
gedachten-ònbelangrijkheid. En--'t zal u zoo op het eerste gehoor wat
vreemd lijken!--niet alleen de aanwezigheid van de eerste maar ook van
de laatste _naast de eerste_, laat weten, dat hij een echt dichter is,
al moet [p.68] ik hem tegelijkertijd den ernstigen raad geven niet met
die onbelangrijkheid (= "eenvoud") te gaan coquetteeren, want dan zou
dàt een maniertje, zijn werk rhetorisch en hij zelf een rijmelaar
worden! Maar nú zij het volmondig gezegd: Wie zulke niemendalletjes tot
zoo betrekkelijk schoone verzen--men weet, ik doe te dezer plaatse niet
aan eigenlijke détailkritiek--weet om te vormen, dat is een dichter.

Om nu echter nog even tot den stralenden lichttoren zelf onze aandacht
te bepalen, nadat we wat vogels hebben nageöogd, die zich neerzetten op
zijn transen of er in slaagden den invloed zijner glans te ontkomen en
hem voorbij te varen in hun vlucht: Heine bedoelde ongetwijfeld iets
dergelijks als dit laatste wat ik opmerkte omtrent Bonn, toen hij zei,
dat ieder dichterlijk aangelegde wel 'ns een episch of andersoortig
gedicht kon schrijven, maar dat _de_ toetssteen voor den dichter het
_lied_ was; doch zoo men het al niet uit zijn geheele oeuvre wist, zijn
inkleeding van die meening laat sterk voelen hoe door en door een
lyricus ook hij was; neen, zeker, ook in Heine's genie was nagenoeg
niets episch. En indien we nu zoowel naar _Bialik_ zien, die een poëem
schrijft, waarin hij naar _Slousch's_ getuigenis, de Kischinewsche
gruwelen haarfijn beschrijft, als naar Heine, die ten deele de kracht
zijner felle satyre ontleende aan het scherp zien der realiteit, dan
wordt het duidelijk, dat men ter verklaring waarom zich bij de Joden het
naturalistisch-episch genie niet ontwikkeld heeft, zich niet van hetgeen
_Slousch_ opmerkt bedienen kan. Deze zegt nml.: ... "les lettres hébreux
aimèrent à se refugier dans la sensibilité romantique, qui écartait
d'eux une perception trop nette de la réalité."

Neen, de oorzaak moet elders gezocht worden! En mij lijkt zij geen
andere dan dat de Joden, verdrukt en vervolgd of slechts geduld als zij
worden en waren, niet langer _als heerschers_ tegenover het hen
omringende leven konden staan, dat het _heerschersbewustzijn, ook in de
besten hunner, door reeksen van vertrapte en duldende geslachten
ondermijnd, niet leven kon_, en--de lezer herinnert zich wellicht dat ik
in mijn opstel over _H. Roland Holst_ reeds zeer nadrukkelijk op dit
[p.69] feit heb gewezen en er de oorzaak van heb verklaard:[9]--_dit
heerschersbewustzijn is onontbeerlijk voor den objectieven menschschepper
bij uitstek, die de naturalistische epicus moet zijn_, en het is, dunkt
mij, dan ook door den meest botte niet langer een toeval te heeten--immers
men noemt een toeval datgene waarvan men de gebeurenslogiek, de
noodwendigheid _niet ziet_--dat juist in ons Holland niet alleen een
van joodsche geboorte zijnde naturalistische dramaturg van enorme
verdienste en productiviteit, _Heijermans_, is opgestaan, maar ook
een groot naturalistisch epicus, voor de allereerste maal van joodschen
stam en de evenknie in mensch-scheppend genie der groote epici van de
andere natiën: _Is. Querido_.

[IS. QUERIDO: DE JORDAAN.]

Met Querido's jongste werk, mag men zonder vrees voor gegronde
tegenspraak beweren, blijkt voor de allereerste maal een groot joodsch
epicus te kunnen bestaan. Alle filosofische, lyrische en didactische
bijmengsels, tot nu toe in zóó sterke mate in epiek van Joden aanwezig,
dat zij hoofdbestanddeel werden en de epiek in hen verzonk, zijn hier
weggevallen. Hier is door het Joodsche genie dan eindelijk de macht tot
de naakte, pure en in geenerlei opzicht versierde of opgesmukte
menschbeelding veroverd. En dit ten-slotte-bereiken na eeuwen
worsteling, dit vermeesteren na het opstormen als een zee tegen een
onwrikbare weer van rotsen, na het terugdeinzen dan weer èn opstormen
opnieuw, en de ééuwen door, dag na dag en nacht na nacht, tot het
onverwrikbare verwrikt, verpoeierd en vermolmd en een der, meestal
onbewuste, levens-doelen bereikt is--dat is iets wat het Joodsche ras
zeer eigen is, dit onverbrekelijke, nederige èn trotsche ras, dat ras
van schuimende dondering en vleiïg gefluister, dat opgolft tot de
hemelen en neerzinkt tot in den afgrond; een "halsstarrig volk"
inderdaad, dat door alle vervolging en alle verdrukking heen--om
_Slousch's_ woorden te gebruiken--: ne cessa d'évoluer, de se
transformer et de s'impregner du génie de toutes les races, de toutes
les civilisations, pour aboutir de nos jours à l'éclosion d'une
littérature [p.70] moderne. Het kan lang duren vóór een der doelwitten
van zijn onbewusten levenswil is bereikt; het kan middelerwijl
tienduizenden zijner zonen door moordenaarshanden zien slachten, en
millioenen zijner kinderen verliezen in de corrompeerende verlokkingen
der vreemde maatschappijen; het kan neergeslagen, verjaagd, geminacht,
bespot en bespogen worden; dat alles deert zijn kernwezen niet, ja het
lijkt wel of het trotsche woord van zijn God voor hem-zelf was
geschreven: "Zij kunnen mij vertragen noch verhaasten": onverzettelijk
blijft het streven naar het vitale doel. Die stroom van menschelijke
energie, hij holt langzaam maar onvermoeid,--zóó klaar zie ik geen
ander beeld--den rots der weerstreving uit. Om zich sterk tot dien
arbeid te maken en de geweldig aandonderende stuwkracht zijner golven te
behouden, stroomt hij een langen, langen weg door vele wereldrijken. En
hij heeft dan ook vele der schepen aangevoerd, die den volkeren het
voedzaamst koren, de geurigste specerij en de stralendste kostbaarheden
brachten.... Maar óók altijd door blijft het zijn bestemming, als
tartend, door zijne kracht- en glanzingen-zelf te vragen: Wordt een
wereldstroom verontreinigd, doordat er drek in wordt uitgestort?... Kan
men hem afdammen en versmoren, zonder dat de dam vergruizeld wordt?...
Kan men hem berooven van de zon-beglinstering, of hem afdekken opdat de
regen, hem verrijkend, zich niet met hem vereene?... Kan men een volk of
zelfs een enkeling afhouden van zijn vitale doel?... Zou men voor eeuwig
het heerschersbewustzijn kunnen dooden in iets wat leeft, en dat toch
òmdat het leeft, tot het bereiken van het goddelijk- en heerscher-zijn
blijkt bestemd?...--Tot hij na de schemer-duistere seizoenen weer lente
en zomer gemoet en de stralen der Scheppende Natuur zijn kracht en zijn
glanzingen niet langer een tartende vraag laten zijn, maar tot een
openfonkelend antwoord doen òpschitteren.... Dit boek van Querido is
zulk een antwoord.

In één scheppingsdrift, en meer ontbloot van alle bijoogmerken en
bewuste tendenzen, dan sommige Zolaïstische [p.71] werken; naakter van
romantiek en brillante combinaties in de compositie of geestige
subtiliteitjes in de dialoog--men achte dit een fout dan wel een deugd,
ik vermeld het hier als een natuurlijke, dat is dus logische eigenschap
van het werk, en dus een deugd--dan de Balzac niet alleen, maar zelfs
dan Zola, is dit boek één geweldige visie van het volksleven, in
koortsende opwenteling en afdeinzing naar en van een onbegrepen doel, in
de koude en de hitte, in het leed en de vreugde der aan- en weg-rollende
dagen, zonder begin, en zonder einde, zooals er bij mijn weten nog niet
bestond. Men voelt in dit werk een onstilbaar verlangen, een brandenden
hartstocht, primitief-natuurlijk en vurig-dorstend als lijfelijke
parensdrang, naar het herscheppen van de "doode" en de "levende" Natuur,
een onverzadigbaar begeeren naar het doorvoelen en scheppen van
menschen, aldoor meer en nooit genoeg, ménigten van menschen, de
oogenglinsters van den een weg-duisterend achter de naar voren dringende
lijven der anderen, een gaan en verdwijnen van aldoor nieuwe wezens,
toch nóóit een verdwijnen, vóór, in een stralende doorlichting, het
kernwezen zich heeft getoond. Deze roman is niet wat men een roman
pleegt te noemen, het doet geen poging dan--helaas!--in den titel, iets
dergelijks te schijnen[10]. Ook [p.72] wil dit werk niet geestig, niet
vernuftig, niet humoristisch zijn; het wil alleen het essentiëele van
een zeker levensonderdeel wezen, maar juist _omdat_ het dit alléén wil
zijn en is, bezit het al de zooeven genoemde eigenschappen mede. _Want
er is geen essentieel leven, dat niet geestig, vernuftig en humoristisch
zou zijn_. Men vindt, compositorisch gesproken, geen begin of einde aan
dit boek, schoon hier wel een zwakke daling en ginds weer een zwakke
climax. _Aan weerszijden_ van het werk, tijdelijk en ruimtelijk, lijdt,
zwoegt, overwint en wordt overwonnen hetzelfde leven. Hoe langer wij
zien naar deze schepping, hoe meer wij er van worden bewust: dit is een
brok uit het levensgeheel, waarop wij zoo dikwijls gestaard hebben met
onze weenende en lachende, met onze moede en sterke oogen, dit is een
land als een ander, midden de oneindige levensrijken, het leven hier is
als het leven daar, [p.73] maar zie: _dit_ land met al zijn wezens
straalt van één klaarheid en raadsellóósheid: _het licht eener
verhelderende, scheppende genialiteit is erover opgegaan_, en terwijl we
op de ermee verbonden levensrijken het leven in-duister-en-onbegrepen-zien,
worden we hier verrukt door het begrijpen en doorvoelen, dat een groot
kunstenaar voor zichzelf maar ook voor ons gedaan heeft. _Daarom_ is het
zóó één met het leven, dat men nauwelijks te voelen waagt, dat het kùnst
is, maar _daarom tevens_ straalt het zoo _verklaard_ en _verhelderd_ òp
uit het leven, dat men aan niets anders dènken kàn, dan dat het kunst
is, tot, ten slotte, het oog gewend en het verstand zich bezinnend, men
in een hooger doorvoelen de beide gewaarwordingen vereent en begrijpt
dat deze stralende top op den donkeren berg van geen ander graniet dan
de berg-zelf is, dat dit hel-lichtende veld midden de naar den donkeren
einder wegduisterende avondlanden geen ander land dan deze is, maar dat
het 't stralende licht is dat _voor ons_ zoowel dien bergtop als dit
veld iets anders doet zijn; dat het dit dóórlichtende licht is, dat dit
boek, zoo één met het al-leven, _voor ons_ toch nog iets anders dan dat
al-leven doet zijn, want òns nu _doorvoeld, verklaard_ leven is
geworden.

Men zal hier van mij geen detailleerend exposé van den inhoud verlangen.
Niet alleen, dat dit bij een werk, dat in één week tijds, zijn tweeden
druk en vijfde duizendtal bereikt en dus wel verondersteld mag worden,
in de handen aller ontwikkelden te komen, wel een weinig overbodig
heeten mag, maar het heeft ook nauwelijks zin bij een epos van de
_massa_ als dit, al is het tevens--en dit is een zijner schoonste
triomfen!--een epos van de _individuën_, die de massa samenstellen. Want
het maatschappelijk leven der massa, die men gewoon is ter
onderscheiding van burgerij en hoogere standen, het "volk" te noemen,
verschilt hierin van dat dier burgerij en hoogere standen, dat het voor
alle individuën in hoofdzaak vrijwel gelijk is. Jenever, krotten,
ontbering en uitbuiting, ziehier het maatschappelijk beeld in ruwe
trekken, van dat levensgeheel. En zoodra ge dit [p.74] kent, begrijpt
ge, dat binnen de grenzen daarvan nagenoeg geen ruimte voor
uitzonderlijke maatschappelijke stijgingen of dalingen van individuën
is, geen ruimte ook voor "zaken," intrigues en sociale avontuurlijkheden,
die gij het naproeven waard zoudt kunnen vinden. Met andere woorden: het
verhaal van de levensomstandigheden eens ministers, eens bankiers kan
zeer wel van een uiterste belangrijkheid zijn, óók al kent gij de
levensomstandigheden van twintig andere ministers en bankiers en ook al
_onthoudt het verhaal u alle wetenschap van de psychische reacties van
dien minister of bankier op zijn levensomstandigheden_, maar zoodra ge
de levensomstandigheden van één _Jordaner_ kent, kan alléén de
benieuwdheid naar de _individueele_ psychische reacties u bewegen, ook
van de, immers _niet-individueele_, levensomstandigheden van een twééden
_Jordaner_ kennis te nemen. Want--ik herhaal het--de
_levensomstandigheden-zelf_ van den tweeden lijken, als twee druppels
water op elkaar, op die des eersten, en al zal er ongetwijfeld verschil
bestaan, dat verschil is in ons _oog_--en op _ons_ oog komt het hier
voornamelijk aan--even microscopisch als tusschen die twee druppelen
water. _Dàt_ proletariërsleven ... dan een beetje méér, dan een beetje
minder misère--wij huiveren èn van het meerdere èn van het mindere; het
blijft voor ons hoogere-standsgevoel één pot viezig nat! En nu begrijpt
ge meteen wel, waarom ik het ontbreken van zekere brillante combinaties
en subtiliteiten een logische eigenschap en dus een deugd van dit werk
noemde--immers dergelijke combinaties en vervlechtingen zouden hier niet
meer of minder dan een soort levens-vervalsching zijn geweest!--zooals
ge tevens begrijpt in hoe hooge mate het een proefsteen voor den
menschschepper en psychologischen doorgronder is, daar het uitteraard
alléén zijn blijvende belangwekkendheid ontleenen kon--gelijk we reeds
gezien hebben--aan de weergave der _individueele psychische_ reacties
naast die van de _psychologie_ der massa, al zal menigeen het zijn
_begonnen_ te lezen uit nieuwsgierigheid--en nog wat!--naar dat hem
onbekende, duister-broeiende leven....--En welk een belangrijkheid bezit
het [p.75] door die weergave! Hoezeer kan het alle intrigue, en wat dies
meer zij, missen!... Eén stróóm van lichtende menschelijkheid bestraalt
ons en maakt ons tot verklaarden, en nimmer heeft het aanzien der
_verscheidenheid_ mij zulk een _gevoels_-begrip van _eenheid_ geschonken
als het beschouwen der machtige verscheidenheid in dit werk.

Het is het _heerschersbewustzijn_ van den auteur, dat
bestaansmogelijkheid scheppende oorzaak is--gelijk ik reeds aanduidde
--van al het voortreffelijke in dezen arbeid en tevens zelf het
voortreffelijkste kan worden genoemd, zóó als de aarde en het zonlicht
het voortreffelijkste in een tuin van zelfs alleredelste bloemen zijn.
Hoe langer ik dit werk, ook in verband met vroegeren arbeid van
denzelfden auteur, overdenk, hoe duidelijker ik voel, dat hij
vermoedelijk nog nooit iemand in zijn leven ontmoet heeft, of diep in
z'n hart heeft hij zich psychisch diens meerdere geweten. Zijn
subjectieve meerderheidsgevoel, dat hem tevens heerschersnatuur doet
zijn, maakt zijn essentiëele grootheid uit. En het doet tot die
grootheid weinig toe of af, of dat subjectieve gevoel al dan niet gehéél
met een "objectieve" werkelijkheid overeenkomt.[11] Men zegge niet, dat
het zich-meerdere-gevoelen door den auteur tegenover de "onontwikkelde"
en "laag-staande" menschen van dit boek een zonderlinge grond is [p.76]
voor de conclusie, dat hij zich meerdere van vrijwel iedereen zou
gevoelen. Want: deze _verstandelijk_ onontwikkelden zijn dat _psychisch
niet_, en _op dit laatste komt het aan_. Want wat het laagstaan dier
menschen betreft: vraag, lezer, u zelf eens af, of gij u licht op dit
oogenblik kunt voorstellen te leven een _psychisch_-frisschere en ook
sterkere figuur dan _Neel Burk_; een _psychisch_-reinere, dan _Huib
Kilometerboekje_--welk een prachtig mystisch-diep begrip van de waarde
en de beteekenis der aangeboren, door het tijdelijk _persoons_-leven niet
meer te deren zielseigenschappen toont hier de schrijver!--een
_psychisch_ meer bijzondere en reinere dan de tooverkol en schijnbaar
belachelijke Tante Antje met haar _aandoenlijke onbaatzuchtigheid_--en
men heeft in het feit, dat de schrijver niets gedaan heeft om die
uiterlijke belachelijkheid en abjectheid te verminderen, weer een
prachtig bewijs van het passief blijven zijner lagere persoonlijkheid!
--maar, vóór u zelf, lezer, deze vragen te stellen, zie toch nog eens
duidelijk in, hoe weinig _psychische_ begaafdheid met _verstandelijke_
ontwikkeling en begaafdheid _behoeft_ te maken te hebben. Onderscheid
goed den _uiterlijken_ glans van den _innerlijken_ glans. En overweeg
eens, waardoor het mogelijk wordt, dat bijvoorbeeld een analfabetische
daglooner, iets in zijn blik, zijn gelaat, zijn stem kan hebben, dat een
zeer voornaam, zeer geleerd, zeer wijs en zelfs zeer goed mensch plots,
in een oogenblik van hèl-lucide erkenning, zijn minderheid kan doen
gevoelen. Zou dat niet zijn, omdat in zulk een oogenblik voor het oog
van de ziel, alle tijdelijke, geestelijke zoowel als stoffelijke,
uiterlijkheid is weggevallen en _ziel_ slechts _ziel_ ziet?

Indien men de aanwezigheid van het machtige heerschersbewustzijn in
onzen auteur door ontleding van zijn werk wilde _bewijzen_, men zou dit
reeds alleen door de analyse van de figuur _Stijn Burk_ afkunnen. Niet
alleen, omdat het dan reeds voor ieder duidelijk zou worden, dat een
dergelijke allerwonderlijkst gecompliceerde en in de diepte en hoogte
zeer ver uitgegroeide persoonlijkheid niet te begrijpen is [p.77] zonder
haar te beheerschen, maar vooral, omdat men zou inzien, dat met geen
mogelijkheid zulk een mensch--allerteederste vader, schuchter man met
sterk plichtsgevoel, vriend bij voorkeur van misdadigers en toch zelf
niet bij machte ooit iets baatzuchtig-misdadigs te doen en daarmee weer
schijnbaar contrasteerend: een dronkaard van duivelsch-kouden moordlust
doorkild--zóó doorgrond, zóó in zijn componeerende elementen herleid en
toch zoo intact, zoo fel-lévend kon gehouden worden als hij is, door
observatie _van buiten af_, maar dat hiervoor onontbeerlijk was een
_onderduiken_, beter wellicht een tijdelijk opgaan te noemen, van den
auteursgeest in dien zijner figuur.[12] En dit nu, dit tijdelijk zich,
zonder eigen bewustheid te verliezen, opgaan in het bewustzijn van een
ander, is alleen den _heerscher_ ten opzichte van den
_absoluut-beheerschte_ mogelijk, den veel grootere tegenover den
kleinere--precies dus het tegenovergestelde van de analoge stoffelijke
verhouding, waarbij slechts het kleinere het grootere kan
binnengaan--nimmer echter den geringere ten opzichte van den machtiger.
En, het zij hier terloops gezegd: ik geloof dat _de_ grond-oorzaak dier
onmogelijkheid is de _psychische vrees voor het onbekende_, die, om zoo
te zeggen, de acute vorm is van de chronische psychische schuchterheid
van hen, die zich in den loop van hun leven vaak en van velen de mindere
moeten voelen, en die het daarom bij al hun waarnemingen nooit verder
dan tot _benaderen_ brengen, alles slechts van den _buitenkant_
angstvallig betasten en nooit iets durven _binnentreden_.

[p.78] Er is zelfs in dit werk een taalkundige eigenaardigheid aan te
wijzen, die duidelijk belicht, dat dit "onderduiken" in het leven zijner
figuren, bij wijle zoo sterk bij dezen schrijver was, dat hij zelfs
eigen bewustheid tijdelijk verloor, d.w.z. zich dan niet duidelijk
rekenschap van zijn artistieke handelingen kon geven. Ik bedoel met die
eigenaardigheid het waarlijk overbluffend veelvuldig gebruik van het
voorzetsel "ver" bij werkwoorden, ongetwijfeld een geniale vondst in
zich-zelf, en als zoodanig ook vaak geniaal te pas, maar vaker grovelijk
te onpas aangewend. Waarom dit echter, zooals ik zei, óók het opgaan van
den auteur in het leven zijner figuren belicht, ziet men duidelijk op
blz. 337, waar, onmiskenbaar, in de uitdrukking: "Sau f'rtrippele se 't
op 't teneil nie...." die "ver"-spreek-wijze aan de taal der Jordaners
zelf blijkt ontleend!

Maar is Querido's machtig heerschersbewustzijn ten opzichte zijner
scheppingen, zoowel als de onontbeerlijkheid daarvan voor het welslagen
als episch auteur, aan _Stijn Burk_ en al de andere prachtig _geslaagde_
figuren te demonstreeren, die onontbeerlijkheid alleen zou men ook
vrijwel kunnen aantoonen, door de aandacht te vestigen op die ééne
minder geslaagde in het geheele boek--ofschoon ook die zeer zeker een
waarlijk-levend mensch is gebleven--jegens wien hem grootendeels het
heerschersbewustzijn ontbroken heeft: _Karel Burk_, den begaafden _Don
Juan_ van de _Jordaan_. Men merkt dit ontbreken aan het feit, dat,
zoodra het Karel Burk geldt, _persoonlijke_ liefde, d.i. liefde jegens
die figuur, in de plaats treedt van de onpersoonlijke
_menschheids_liefde. Want waar dit _psychische_ heerschersbewustzijn
is--het hoogste waarschijnlijk, dat een mensch bezitten kan, en dat men
vooral niet moet verwarren met allerlei lagere verwante vormen, zooals
heerschzucht, bazigheid, enz.!--daar is die _menschheids_liefde en
omgekeerd, maar waar, daarentegen, genegenheid voor een _persoon_
optreedt, daar wordt het heerschersbewustzijn ten opzichte dier persoon
gebroken. _De heerscher laat den schepter vallen, wijl hij zijn
onderdaan omhelzen wil_.

[p.79] De reden, waarom dit juist bij deze figuur is gebeurd, ligt m.i.
open en bloot. In _Karel Hurk_, den _buitengewoon-intuïtieven
psychologischen doorgronder_; den _artistieken waaghals en bereiker_,
die de moeielijkheden zoekt, om ze te overwinnen, in wiens, vooral om
die halsbrekende moeilijkheden zoo zeer geliefde, en telkens
prachtig-op-het-kantje-af, meesterlijk-gratieus uitgevoerde
dans-bewegingen, zijn vermetele en rijk-begaafde ziel pas goed tot
uiting komt; in _Karel Burk_, den muzikaal hevig gevoelige; de, kortom,
_zéér artistieke heerschersfiguur_, ligt, op een veel lager plan, een
flink brok van Querido's eigen kunstenaarsnatuur getransponeerd. En dit
transponeeren moge bewust of onbewust geschied zijn, het feit was
voldoende, om des schrijvers heerschersbewustzijn te verlammen, want
Querido is een van de weinigen, wellicht de eenige, tegenover wien
Querido--en dit spreekt m.i. van zelf--zich, in den boven aangegeven
zin, geen heerscher voelt.

Men lette er ook op, dat in dit boek--en wat ik nu zeggen ga, bied ik
niet aan als een _bewijs_ mijner bewering, maar slechts als een
_ondersteuning_ ervan--vol van allerprachtigste dialoog, vol van
uitstekende beheersching en te-pas-brenging van het Jordaansche
taaleigen ook in de meditatie der figuren (in zijn enormen rijkdom aan
volksuitdrukkingen en de meesterlijke aanwending daarvan overtreft het
zelfs _Wolf_ en _Deken_, en dàt wil wat zeggen!) dat in dit boek, juist
bij _Karel Burk_ een uit-den-toon-vallen plaats vindt:

     Wat was 't toch 'n fijn gezicht, zóó van het glinsterende en
     vonkende water òver de dwarsbruggen de lucht in te _koekeloeren_,
     tot je in de verte het torenhaantje in de hoogte zag blinken als
     een gloeiende, _trillend-gouden wiek van een stil-drijvenden vogel
     in het starre blauw_.

Uit het woord "koekeloeren" blijkt duidelijk, dat de bedoeling was de
gewaarwordingen van _Burk_ in _Burksch_ dialect te geven en die dus niet
in Queridoïaansche zegging om te zetten, maar uit het laatste door mij
gecursiveerde zinsdeel blijkt even duidelijk, dat het Querido-brok in
_Burk_, Querido, den schepper van _Burk_ hier de baas was!

[p.80] Ik zei straks, dat, compositorisch gesproken, er begin noch einde
aan het boek is. Voor wie meenen mocht, dat ik dit een fout in het werk
acht, zij onmiddellijk verklaard, dat ik dit integendeel, _hier_, een
schitterende deugd vind. Een lastig probleem en een zeer groote
moeilijkheid werden hierdoor volkomen opgelost en overwonnen. Bedoeld
was m.i. namelijk _niet_ in de _allereerste_ plaats een beeld te geven
van het leven van zekere _individuën_, van een leven dus, welks
eng-begrensde duur zijn vast en duidelijk begrip in onzen geest heeft,
máár, in de _allereerste_ plaats, van een brok _volks_leven, d.w.z.: een
leven, welks begin en einde ver buiten onze _onmiddellijke perceptie_
liggen. Want is onze indruk van een _persoonlijk_ bestaan die van iets
eindigs, onze _gevoels_indruk van het _maatschappelijk_, van het
_massa_-leven is daarentegen die van iets _on_eindigs. Doch, een brok
massa-leven, zóó meesterlijk, zóó boordevol vitaliteit te geven als in
dit boek, is niet mogelijk, zonder de samenstellende deelen van dat
leven: de individuën, alleruitstekendst te beelden, maar zoodra dit
gebeurt--_en dit is de moeilijkheid, waarvan ik hierboven sprak_--dreigt
de daardoor ontstaande indruk van het _begrensde_ en _eindige_, te
verhinderen, dat zijn tegendeel: de gevoelsindruk van het
_oneindige_--welke we immers van het _massa_-leven, _als geheel_,
behooren te krijgen--bij ons ontstaat. Om de bovenstaande bedoeling dus
te verwezenlijken; te zorgen dat de tegenstrijdige indrukken zóó worden
te weeg gebracht, dat zij elkaar niet vernietigen en dus: ons het
oneindige te laten voelen van een zeker levens_geheel_, naast de een
_eindigheidsindruk_ verwekkende uitbeelding der _eindige deelen_, moest
naar het hulpmiddel van een zekere wijze van componeeren worden
gegrepen, ten eerste: het geven van een nagenoeg climaxloozen
verhaalgang--_want stijging, daling en, in een woord, wisseling in een
geheel, versterken den eindigheidsindruk_--en, ten tweede, het als 't
ware doen voortloopen van het tafereel tot buiten het kader, waardoor we
de gewaarwording krijgen, alsof de begrenzing is aangebracht, alleen ter
tegemoetkoming aan òns niet oneindig ver dragend perceptievermogen, en
_niet_ omdat het [p.81] gebeelde leven hierin werkelijk kon omraamd, en
zoodat het ons is alsof ons wierd gezegd: zoo uwe oogen het toelaten,
zie dàn verder, hoe eindeloos het leven blijft, blijft doorvloeien,
ééuwig voort.--Door dit alles dus verkregen we een meesterstuk, welks
felle uitbeelding van het eindige leven ons gevoel, dat wij hier ook het
oneindige zagen, niet schaden kon.

Maar ook in ander opzicht blijkt het compositorisch-geniale van onzen
auteur: in zijn aanwending van nevens elkander gestelde contrasten. Men
lette eens op de impressie, welke de prachtig geschreven terugblik op
het leven van _Neel Burk_ met haar eersten man, den zachten _Gronjee_
maakt, te midden van de beelding van haar leed-en-angst-bestaan, nu zij
getrouwd is met den onberekenbaren _Stijn Bark_: of, en dat brengt mij
meteen ertoe te spreken van de prachtige beschrijvingen in dit boek, men
zie eens naar de neven-elkander-stelling van deze contrasteerende
stad-en-land uitbeeldingen:

     't Had rauw geklonken door de buurt, al om vier uur vroeg.

     --Luilèk ... biddesèk, stoat om neige ure op ... neige of
     hèlleftien.... hep je de Luilèk nauit gesien?--Een donkere worp van
     doode ratten en katten, weken lang al vooruit in de polders als
     prooi beloerd, was dof néérgebonkt op ruiten en ramen van
     beluilakte buurtgenooten, die woedend met bedreigingen losschoten,
     zonder iets te durven doen.--Een paar dagen later hadden diezelfde
     kinderen zich de morsige handen koel afgespoeld in de buitensche
     slootjes en gezocht naar de rose-witte en hel-gele, stralende
     pinksterbloemen en de zalm-roode klaproos.--Met land- en grasgeurig
     doorzwoelde bouquetten, vol koekoek en gele lisch, met vetglanzende
     boteren paardebloemen, waren zij komen aanzwalken bij troepjes van
     Amstelveen, Ringdijk, Ouderkerk, Rietlanden en Watergraafsmeer. De
     morsige handjes hadden bij duizenden rondgestrooid àl wat de gouden
     zomer liet bloeien aan slootkanten, op wei en veld. _De kinderen
     hadden in driftigen lente-roes, de kleurige en riet-bepluimde
     oevertjes van Amsterdamsen buiten geplunderd, struiken en halmen
     vertrapt en afgerukt, voor bemachtiging van ooievaarsblom en
     waterranonkel. De handjes hadden wild gegraaid tusschen blonde
     sterre-bloempjes fijnstraal, en plompen, soms terugschrikkend voor
     een graspieper, ze langs 't gezicht fladderend, of weggelekt door
     een flonkervleugels-vertrillende [p.82] libel, die dronken om het
     vanielje-geurige zoet van witte orchideeën heen-kringde._[13]

     Zoo hadden de kinderen geplukt, geplukt, en de verbrokkelde en
     geknauwde armoe-buurten van de Jordaan, voor eenige uren òpgetooid
     met 't geel-goud, purper en wit gebloemt van buiten.--_Uitgesleten,
     kist-donkere en lood-rechte slingertrapjes, waren oversmakt van
     stervende ruikertjes. Op vunzige stoepjes en in duister-verhulde
     kelders, waar altijd de goot borrelde of stonk, was bloemsap
     gedruppeld, rookten geuren nà van klaver en iris, waterbezie en
     bitterzoet_.--Even maar hadden de kinderen, rondslenterend in hun
     vacantie, in hun sjofele plunje meegedragen naar de gore stegen en
     walmende straten, lucht van oevergras en versch hooi, _dadelijk
     weer gedoofd door bak-stank van visch-stalletjes, die, in goedkoop
     oliedrenksel, scholletjes en botjes in steen-glazuren kommen voor
     de gulzige Pinkster-smakkers gereed hielden._--_Want dwars tusschen
     het zomerig zoeken der kinderen naar de blank-blauwe lucht van het
     wijde landschap, naar den koelenden watergeur, en 't loeren op 't
     geheimzinnig stekeltjes- en torren-gekrioel in de
     hemel-verspiegelende slootjes_,--_gierde het luidruchtig vertier
     der volwassenen. In potwagens, bonte Jan Pleziers, open bakken en
     hooge tent-karretjes, zwijmden dronken stelletjes van vier, zes,
     acht en twaalf soms, bijeengeperst in de gloeihitte, verzweet en
     opgewonden_.--_De keien hadden geschud van de ratelende en rollende
     vigelant-wielen. Tot 's avonds bonkerden ze door, als de roode zon
     al verwilderenden weerschijn op de zatte en afgestompte tronies
     vlamde_.

Vormen deze tegenstellingen niet een compositorisch schoon? En zijn de
beschrijvingen-zelf niet van een verrukkelijke vorm-, geur- en
atmosfeergeving? Maar toch, ware het niet geweest om daarmee mijne
bewering betreffende de compositie te ondersteunen, ik zou verkeerd
gedaan hebben met dit te citeeren, terwijl ik al dat andere minstens
even mooie niet aanhalen kan: de prachtig-uitgebeelde dansen, de
machtig-gegeven vechtpartijen, zooals die op de Aal-markt, in het
magistrale eerste hoofdstuk, en het bijna-doodtrappen door _Stijn Burk_,
in zijn dronkenschap en daardoor ontstanen koud-duivelschen moordlust,
van zijn zwangere vrouw, met op het einde, als Stijn onder de macht der
hem in bedwang houdende kerels in een algeheele ontreddering bewusteloos
is neergezonken, dat _prachtig-bescheiden-nauwelijks-symbool [p.83] van
Stijns eigen lijdensleven_, dat lijdensleven van hem die door zijn
drinkhartstocht, welke hij toch zóó gaarne zou willen bedwingen, elken
dag gekruisigd wordt:

     Hij stortte als een bewustelooze ineen, met zijn gezicht op den
     grond, de armen wijd uit, _gelijk een menschelijk kruis_.

Of: heel die ruzie in de _Wijde Gang_ met die Danteske visie:

     Traag, tegen de grauwe muren, _kroop de donkerende en grillige
     middagschaduw als een uit de aarde groeiende schim_, 't heele
     Gang-brok omgrijpend in scheemrende versombering.

Met zijn ook Danteske beeldingen van gedrochtelijke verwringingsstanden
van de kijvende buurvrouwen uit de bovenvensters. Of: de tocht op de
Zuiderzee; de Hartjesdag; het zwoegen van de sjouwers aan de
Wester-Suikerraffinaderij, en vooral niet te vergeten dat juweeltje, dat
prachtige, dof-avondlijke idylletje van de kanaries langs Gijs'
kroeggevel. Maar jawel, zoo zou ik wel kunnen doorgaan!...

Laat ons liever even de psychologie in het boek van nabij bekijken: In
de analyse van Stijn Burk is waarlijk het onovertreffelijke gebeurd.
Deze in zichzelf onwaarschijnlijk gecompliceerde mensch, is door de
beelding tot een persoonlijkheid geworden, wier leven je niet alleen
voelen en tasten _kan_, maar wier leven je voelen en tasten _moet_ en
dat je obsedeert als een onwegduwbare, ontzettende _werkelijkheid_ van
den allereersten rang; dat niets onberoerd in je laat; afgrijzen èn een
wijd erbarmen, haat en liefde, alles, àlles in je òproept. Want men zie
eens dezen woesteling, die bijna zijn zwangere vrouw doodtrapt, zijn
kleine kindje naar bed brengen:

     Reeds vroeg in den avond zat Sientje op zijn schoot, al zette hij
     haar telkens op 't stoofstoeltje wanneer er volk inkwam. Met kleine
     ronde slaapoogjes speelde ze, maar tuimelde telkens tegen de
     uitgelegde koffiela van den molen, in slaap.

     --Mot Siennetje soà ... pies goan?

     --Nei ... nei ... drensde ze, terwijl ze weer knikkebolde.

     Langzaam ontkleedde Stijn 't kind, nadat hij Koentje ook naar bed
     had gedragen, met 'n verzoend bakkesje.--Hij was bang dat ze,
     verveelderig, tusschen slapen en waken zou gaan drenzen. Heel
     omzichtig moest hij te werk gaan.--Bij elk [p.84] kleedingstuk, dat
     hij loshaakte of uittrok, verzong z'n zware stem een mal zinnetje.
     (Ik sla hier een stukje over v.C.)--Nou ... 't jukkekie ... zong
     Stijn, omzichtig half-slapende Sientje uit haar rokje werkend ...
     en nou ... 't siemesetje.... Sau fraàfe de férkies ... de
     snoetjes!... rrr!... rr!... nou ... 't hàlshempie ... toktoktok ...
     hòat! sie!... wècht! stoute fliegie ... mô jèi bromme ... in 't
     auretje fèn liefe Siennie!... Nou ... 't boaije rokkie ... mit 't
     laàfie!... sss!... sss!... sòejessssse!!... sss ... sss!...
     hoal-àufer!... nou 't witte rokkekie ... soe ... je ... soe ... je
     hoal-àufer!... nou 't broekekie ... hoal-àufer!.... en Siennetje is
     'n soete schèt!...

     --Fèn sau'n mèskeroade hep ikke nie terug ... lachte Neel om Stijns
     kunstig zoethouden van Sien.--Bij Lien, Mien of Jansje griende ze
     altijd, in slaap-gestoorde kribbigheid. En nu had ze zich door
     Stijns zachte deuntjes-stem heelemaal laten omzingen. Zonder een
     knorretje was bleek Sientje knikkebollend op zijn arm ingeslapen en
     droeg hij haar de duffe achterkamer in. Muis-stil hipte Stijn in 't
     alkoofje terug en luisterde of ze drenzen ging zoodra ze vader niet
     meer tegen zich op voelde.

Men peile ook de diepte van deze analyse van Neel's zuster, de perverse
Dien:

     Dien was niet alleen jaloersch op haar man, maar werd gepijnd van
     afgunst op àlle voorspoedige en gelukkige dingen in 't leven van
     anderen. Dit had ze van moeder Scheendert, hèt stuk chagrijn
     vroeger van de buurt. Dien leek met gegiste moedermelk
     grootgebracht. Het twistzieke, humeurig omkantelende van haar wezen
     las ieder dadelijk van haar gezicht. En liegen, schel en roekeloos
     liegen kon ze met strakke koon-effenheid, als de wijzerplaat van
     een kaduuk weegtoestel. (_Welk een prachtig beeld is dit, en zoo
     voortreffelijk passend in den toon van het beschrijvingsgeheel!
     v.C._) Allerlei vurige en fantastische uitdenksels kon ze met zoo'n
     hartstochtelijke, bijna boosaardige driftigheid vertellen, dat zij
     ze zèlf gelooven ging en niet meer vermocht te leven zonder die
     schielijke leugenarij; voor haar waàrder dan de nijpendste
     werkelijkheid. Ze hield van 't liegen òm 't liegen. Het werd haar
     een fel, brandend genoegen te jokken. _Ze kreeg zoo'n angstige
     vreemdigheid over haar wezen als ze loog en later betrapt werd_.
     (Ik oversla een klein stukje, v.C.) Ze kòn nooit iets vertellen,
     zooals 't gebeurde. _En wanneer zelfs haar leugen werd aanvaard als
     'n feit, morrelde ze dat den volgenden dag weer los, omdat 't dàn
     te waar geworden was_.

Zooals meermalen in het boek, doch veel minder dan in [p.85] des
schrijvers vroegere werken, is er ook hier in het door mij overgeslagen
gedeelte als een herhaling, een overtolligheid, maar het is en blijft
voor mij de vraag, of die herhalingen en overtolligheden van een hooger
plan dan het gewoon-zinsbouwkundige beschouwd, wel overtolligheden zijn.
Men vergelijke hierover mijn artikel over de _Studies_ van dezen auteur,
in _De Ploeg._[14] Maar bovendien: nimmer heb ik indringender analyse
gelezen, vooral dat laatste door mij gecursiveerde....

Wil men een staaltje van wat ik zou willen noemen: plastische
psychologiek? Ziehier dan iets over het Jordaansche volk (de verklaring
hunner saamhoorigheid, van het niet dulden van vreemde invloeden in hun
kringen):

     Ze waren van één ras, eene klasse, _door eenzelfden levensgolf
     rondgezwabberd, naar vóór gestooten, naar achter gekanteld op één
     plek grond_.

Of betreffende de waarzeggende "_Tante Antje_":

     Ze waren waarlijk bang voor die vreemde, strak-starende, _meer
     luisterende dan kijkende oogen_.

Of wenscht men een enkel bewijs voor mijne bewering, zoowel dat de
dialoog in dit boek zoo voortreffelijk is als dat het zulk een rijkdom
aan kernige volksuitdrukkingen bevat? Laat mij dan even dit citeeren:

     --Vijf van de tien ... vroeg kort-krachtig 'n lichtmatroos, even de
     sabelbeenen uitgebogen.--

     --As je blief Teun....

     Vriendelijk hielp Neel nu en vroeg of hij weer honk had.

     --Soo je siet moeder....

     Zijn stem zong zwaar en vol in 't zonnige winkeltje.

     Twee vrouwen loerden uit, bekeken den frisschen, kraakzindelijken
     matroos-eerste-klas.

     Sèl ik stikke.... d'r hei je Teun fèn de Hoarlemmerdaik,... seg
     ouwe robbeklopper ... wèt bi jei grausig ... jei hep ereis auk wel
     ereis slinger gefreite!... je laikt me wel 'n kesse-me-jeu....

     De matroos keek beduusd, zocht naar naam en wijf in zijn
     herinnering.

     [p.86]--Nei,... dèt ken ik nie kroppe.... Wèt heb ik nou èn de
     hènd!... kè je Annemie niet meir.... Annemie uyt de
     Orènjestroat?... noù, diè kachel brent ... segge d'r seife stomme
     te g'laàk!... kaàk saàn is kaàke!... goa ik 'r àn?

     Plots schoot bezinning bij den matroos terug.

     --Nou hep ik je mins!...

     --Hou fèst ... spotte een uitdraagster met 'r handen op 'r heupen,
     de armen als hengsels.

     --Annemie van Arie-stront-an-'t-sweepie.... Nou hep ik je ...
     f'rdikt ... 'n goeie naam is beter as olie.... die drijft nie
     weg....

     Met 'n gullen lach sprong hij bij en drukte zwaar haar handen.--

     Neeltje lachte tegen den knappen matroos, die er zoo frisch
     uitlichtte met zijn blauwe jas, gouden knoopen en witten
     braniekraag.

     Al de vrouwen verbabbelden nu wat met Teun van den Haarlemmerdijk,
     prettig beroerd door z'n volle stem en z'n zeemansgullen
     lach.--_Hij lei iets zonnigs open in hun hart, als zomervruchten in
     een ziekenkamer_. Het was altemaal open leven, frisch en frank.--

     --Het is hier nog desellefde saaite ... verlachtte zwaar z'n stem
     weer; ... voor 'n bloote riksdaalder sou ik hier nie weer terug
     wille.... De wind komp hier dwars op je af ... je ruikt hier niks
     as bakolie ... en fan bove en van beneje hoor je niks as geroep en
     gekakel.... Dan lieferst an de Suidsei stijf....

     Hij lachte en zijn oogen vonkten van de pret.

     Annemie lachte mee en de andere wijven ook.--

     Neel verknutterde zich in zijn warme, zangerige stem.--Nog 'n ander
     slag man dan haar suffe Stijn.--Maar Annemie voelde haar buurt
     bekeven.

     --Alleminse ... wét bi jei grausig....

     --Ja mins, as 'n roer goed is ken je teuge 'n raauw weertje ... ik
     ben d'r lieferst op de oceaan as hier onder de walm.... Nou beste
     siele ... ik licht me anker ... ajusies.... Annemie ... de vijf!...

En heeft men ook op het fraaie door mij gecursiveerde beeld gelet? Munt
het niet uit door een prachtige waarachtigheid?--

Ongetwijfeld vormt de beelding van het moederschap van de diep-nobele
_Neel Burk_, die de mogelijkheid van blind-worden trotseert, om haar
kind te kunnen zoogen, en haar eindelijke, door een eigenaardige--met
diep mystisch begrip [p.87] door den auteur doorvoelde--zekerheid in
haar-zelf vóórzegde, triomf, een van de meest lichtende gedeelten van
het boek, maar toch: grooter vreugde schonk mij het gemoeten van dat
vrijwel nieuwe element in Querido's werk: het beelden van het
kinderleven. En zoo er ooit sprake mocht zijn van een coup d'essai, die
een coup de maître was, dan is het hier:

     Siempie, die bij Mientje geslapen had, klom stiekem naar de
     spelenden over. Maar Daantje duwde hem heftig bij zijn blond kopje
     terug.--Zacht begonnen weer de stemmetjes òp te giebelen. Daantje
     krabbelde Koentje in zijn hals; Pietje sprong dwars over Sientje en
     Siempie pakte de beenen van Pietje, die in de lucht zwalkten, met
     de, er los bij bengelende kousen vol gaten. Weer probeerde Siempie
     in te klimmen.--

     Nei!... hield hardnekkig Daantje vol ... jei, jei ... bin nie
     trônke ... jei nie ... jei kè nie ... swaaije....

     --Mò je eirst slokkies kaupe ... doar ... wees Pietje met haar
     klein armpje langs Stijn heen, naar een hoek bij de tafel.

     --Die heb nog nie aupe ... verdedigde zich Siempie, rillend van
     kilte in zijn onderbroekje.

     --Kaup se den bei maan ... slokkies?... hoefeul?... gierde Pietje,
     doende alsof ze inschonk.

     De zusjes en broertjes gilden en tierden weer als vóór Neels
     waarschuwenden snauw, die ze even zoo plotseling had stil
     gemaakt.--Jansie, éérst het bezonnen en bedillende kind-moedertje,
     had langzamerhand al haar waardigheid ingeschoten, lachte en
     stoeide nu zelf om 't hardst mee. Ze verdubbelde zelfs de rollen,
     morrelde er een heele comedie omheen.

     --Nou mot jei.... Siempie ... schobber uytjouwe ... hitste ze naar
     Sien,... en jei ... leileke neitekles! roepe ... en den.... sèl
     ikke.... sie je.... sèl ikke je arrestere.... bei Swèrte Jèns haur
    ... ikke bin peliesies.... Enne ... enne ... jei bin auk peliesies
    ... haur!... stookte ze Siempie op.

Maar dan vooral dit (Pietje, het kleine dochtertje van Stijn en Neel,
mist de jonge poesjes, die verdronken zijn):

     Maar Pietje bleef heel angstig en huilde met zachte snikjes.

     Werendig moedertje,... suste Neel,... de poessies binne femorrege
     gehoald, faàn!... mit sau'n hauge figelènte ... se wasse siek....
     0! sau siek! liefeling, en nou ... nou binne se ... in 't
     kètte-gèsthuys....

     --Enne ... enne ... vroeg blond Pietje met goddelijke
     onschuld-oogjes er tegenin ... 'k hèp 't nie gehaurd?...

     As jei sloap kè je ommers nie haure,... moedertje,... [p.88] se
     legge àllegoar in faàne mandjes ... maor nie oks! deigelik woar ...
     moedertje ... asse beiter binne ... mèg je se weir sien....

     Pietje liet haar wit, versmoezeld boezelaartje van de huiloogjes
     zakken en snikte verstild in smart, nog maar kleintjes met enkele
     schouder-schokjes.--

     --Enne poes ... dèn? vroeg ze weer met aarzelend stemmetje, zich
     omweven voelend van onbekende dingen, alle gebeurd in haar donkeren
     slaap.--

     Neel keek Stijn aan, lachte verborgen naar een buurvrouw, die net
     inkwam om een half pond zout. Dadelijk greep Neel naar haar, om
     steun.

     Niet tènte Truy?... binne de poesies femorrege nou niet afgehaold?

     Achter Pietje draaiend, maakte ze naar buurvrouw een inlichtend
     grimas....

     --Nou!.... zei die, óver-geloofwaardig haar, "nou" beklemtonend,
     zonder te weten, waarover 't eigenlijk ging.

     --In 'n figelènte nie?...

     --Sau mit raud fleweil!... pronkte buurvrouw erbij.

     --En binne se niet naor 't kètte-gèsthuys gebracht?

     --Sèlf meigereije!...

     Pietje keek heel angstig-onderzoekend nu, achter 't toonbankje
     staand, de lichtblauwige oogen volgestroomd met goudglans van het
     gas, dàn naar buurvrouw, dàn naar moeder op.

     Ja, ze geloofde nu alles plechtig. Poesies ... waren ziek, lagen in
     't gasthuis. En werden teruggebracht als ze beterden.

     --En toen ze nu, even in de winkelstilte, weer het klaag-miauwen
     van de gejaagd rondsnuffelende kat hoorde, in 't gangetje, holde ze
     op een drafje van de toonbank weg naar het dier en riep met
     troostend, fijn vlei-stemmetje:

     --Stil poessie ... stil moar ... je kindertjes binne siek ... se
     komme t'rug asse beiter binne....

Neen, dit kan niet overtroffen worden, daar voel ik mij zoo zeker van
als van het feit, dat wanneer geslacht na geslacht telkens en telkens
weer dit onsterfelijke boek zal lezen, dit boek, dat zonder den
geringsten opzettelijken tendenz van even groot sociaal als literair
belang is, en een twijfel in zich mocht voelen opkomen aan de dan
verdwenen werkelijkheid van die poel van ellende en verwording, waarin
een groot deel van Amsterdams hardst-ploeterend volk aan het begin van
de twintigste eeuw nog verzonken lag--dat dan zelfs één klein stukje als
het zooeven door mij aangehaalde [p.89] voldoende zal zijn om elken
twijfel te smoren: een klaar en zuiver gelaat gelijk, tot een duldenden,
zekeren, wijzen glimlach bewogen, zal de diepe menschelijkheid van dit
boek den twijfelaar aanzien, en deze, het hoofd buigend, zal, blijde en
veilig in het geluk van dit visioen, zacht tot zichzelf zeggen, dat zulk
een menschelijkheid niet anders dan wáárheid kan zijn....

[ELSE JERUSALEM: HET ROODE HUIS.]

Mag men ook het machtige boek van _Else Jerusalem_, Het Roode Huis, als
een symptoom van het krachtig opgestane epische genie der Joden
beschouwen? Wat mij betreft, aarzel ik geen oogenblik die vraag
bevestigend te beantwoorden: het is bijna onmogelijk, dat de
schrijfster, alles in aanmerking genomen, geen Jodin is! Ook in dit werk
is het heerschersbewustzijn aanwezig, maar gedeeltelijk, niet zoo
volkomen alles doorstralend als bij _Querido_. Deze bordeelroman, een
aanklacht als nauwelijks een andere tegen onze samenleving en tevens zoo
fel en scherp een beeld ervan, dat wij als plots met een schok van
ontzetting doorvoelen, dat het gelaat harer misdadigheid, zooals wij,
lichtgeloovigen, dat kenden, slechts een welgelukte grime is, die
oneindig satanischer en meer verworden trekken moet verhullen--deze
prachtig-zuiver geschreven, van alle pornografische effekten en lagere
bedoelingen ver gehouden roman, kan ongetwijfeld, wat sociale
belangrijkheid betreft, naast _De Jordaan_ worden gesteld. En ook wat
_dramatisch_ inzicht betreft. Niet licht zal men de moeder vergeten, die
in haar kind vrijwel niets anders ziet dan middel tot wraak op den
vader, die haar en met haar, onwillens het kind verstooten heeft. Niet
licht ook de duldende _Janka_--de nicht van den verleider, den "prins,"
den schatrijken heereboer--die met de verstooten moeder en het kind is
weggevlucht en zich met hen in een bordeel heeft laten opnemen, niet
alleen uit liefde tot de verstootene, maar ook uit een soort van duister
gevoel dat zóó, door zelf met de in het verderf gestorten te lijden, de
schuld van haar verwant, den verderver en verleider, door haar gedelgd
en van het geslacht kan worden afgewenteld. [p.90] Maar wat de
psychologie betreft--schoon nu en dan de hoogste voortreffelijkheid
rakend, soms ook rhetorisch-oppervlakkig en vaag--en wat de dialoog
aangaat--vaak veel te redevoeringachtig-opzettelijk--en vóóral de
beschrijvingskunst--heel vaak _vieux jeu_--staat het ònder Querido's
werk. Compositorisch is het echter weer uitmuntend. Dat het
_heerschersbewustzijn_, zooals ik reeds opmerkte, niet overal in
voldoend-sterke mate aanwezig is, zou men kunnen demonstreeren o.a. aan
de figuur van _Madame Goldscheider_, de gewikste waardin, tegen wie nu
en dan, zeer ten onrechte, door de schrijfster wordt opgezien, en die
door haar merkbaar wordt _overschat_. Doch dat alles neemt niet weg, dat
het werk als geheel straalt van een groote epische genialiteit, een
onverschrokken eerlijkheid, een ontembare kracht en een psychisch geluk
om eigen vast en zeker kunnen. Het is als een geweldige kerel, die,
opduikend uit een moerassig water, handen en gelaat beslijkt, de kleeren
gescheurd, maar de oogen stralend van triomf, met een bijna-verdronkene
in de armen, den oever bespringt. Mevrouw _Barentz-Schönberg_, die het
prachtige boek op de haar eigen uitmuntende wijze vertaalde, heeft
daarmee een goed werk gedaan, niet alleen, omdat zij daardoor den der
duitsche taal onkundige de lezing van een sterken kunstarbeid mogelijk
heeft gemaakt; niet alleen, omdat zij ons weer eens heeft doen gevoelen,
dat de modderige stroom onzer maatschappij zijne groenende en reddende
oevers der toekomst heeft, maar vóóral, omdat ons met dit
maatschappelijk beeld van elders een waarschuwing bereikt, welke
allerminst onder de aanstaande heerschappij onzer gebenedijde
"Zedelijkheids"-wetten overbodig heeten mag!--En om dit alles nu kan ik
dan ook dit boek mijnen lezers niet sterk genoeg aanbevelen.

[L. SIMONS: STUDIES EN LEZINGEN.]

En wat is nu naast zoo machtige werken de beteekenis van een schrijver
als de heer _Simons_? Wat ook mijne bedoeling en rechtvaardiging met en
van de opname zijner figuur in dit opstel over _joodsche_ schrijvers?

[p.91] Wat betreft het antwoord op de eerste vraag, behoeft, dunkt mij,
niemand lang in het duister te tasten. Zijn werk heeft, im grossen
ganzen, de beteekenis, die de arbeid van elk niet geniaal, maar
talentvol en scherpzinnig commentator naast dat van geniale
menschenscheppers en critici heeft: geringer doch onmisbaar wijl nuttig,
maar toch ook dit niet alleen: óók aandoening van schoonheid gevend!
Doch dit slechts ervan te zeggen, zou zijn het onrecht doen. Want er
zijn drie dingen, die het tot nog iets beters en meer bijzonders maken,
dan werk van een talentvol en scherpzinnig commentator. Die zijn: ten
eerste: de stijl van zijn opstel over den _Gijsbreght van Aemstel_. Het
archaïsch karakter daarvan, volgens des schrijvers eigen verklaring,
door hem aangenomen, om zijn opstel in het kader der in 1893 door de
_Erven Bohn_ uitgegeven foliant te doen passen, was dus geheel
_willekeurig_, uit _wenschelijkheid_, en niet uit _innerlijke
noodzakelijkheid_ geboren. Met andere woorden: ware het daarbij
gebleven, dan zou dit geheele opstel geen _kunst_ maar _kunstenmakerij_
zijn geworden. Maar het is daarbij _niet_ gebleven. Uitgegaan om een
paar ezelinnen te zoeken, vond ook de heer Simons een, zij 't klein,
koninkrijk. Het is n.l. duidelijk, dat, zoodra hij aan het schrijven was
gegaan, het schrijven-in-dien-stijl, in den stijl des tijds van zijn
groot onderwerp, wel degelijk een groeiende noodzakelijkheid, want een
onvermoed en, eens gesmaakt, zelfs onontbeerlijk gelukgevend scheppen
werd. _Het moet hem een zeker zoet genot van grooter eenheid met zijn
verheven onderwerp hebben geschonken_. Hij moet ook iets als het
_feestelijk_ gevoel gehad hebben--ik ga iets subtiels zeggen en het moet
subtiel verstaan worden ook--_van een kind dat onder de oogen en den
lieven glimlach van Vader, in het boek en met de pen van Vader schrijven
mag_. Hij heeft namelijk de gewaarwording gehad, een liefhebbende,
nederige en eerlijke _Vondel_-bewonderaar te zijn, schrijvend als onder
de oogen en glimlach van _Vondel_, in de taal-nuance van _Vondel's_
tijd. En daarom is het geen kunstenmakerij, maar een kunstwerkje van
gewilde maar toch òngewilde stijlnabootsing, het product eener
noodzakelijkheid, wier bijkomstige en overigens onbelangrijke [p.92]
eigenschap het was parallel te loopen met eens menschen wil.

Het tweede van den trits, waarvan ik sprak is dit: het werk is van een
placide, bijna stugge, rimpellooze eerlijkheid. Het is alsof de
schrijver, wijl hij niets te verbergen heeft, en als wilde hij je in de
gelegenheid stellen, zijn gelaatstrekken zoo lang te doorvorschen als
je-zelf het noodig vind, je klaar en vast aanziet en zijn blik niet
neerslaat, vóór je de joue afwend; precies dus het tegenovergestelde van
de glibberige, vèrvloèkte, slag-om-den-arm-houdende schrijfwijze van
sommige andere critici. En, ten derde, is er het prachtig-bevoegde
didactische van den geboren onschoolvossigen leeraar in.

Wat nu het antwoord op mijn tweede vraag betreft: inderdaad, zelfs
uitgezonderd zijn origine, en zelfs afgezien van het feit, dat _die
origine voor mij het beslissende moment is_, bestaat er een zeer
gewichtige reden hem in een opstel over _joodsche_ schrijvers op te
nemen, want in de geheelheid zijner figuur vertoont hij juist eene
persoonlijkheid, eene vereeniging van eigenschappen, zooals die vroeger
zeer frequent was in en tot groot sieraad van het joodsche volk strekte:
die van koopman of werkman, tevens kunstenaar en geleerde, wiens
geleerdheid en kunstzinnigheid hem niet verhinderden een practisch en
scherpzichtig koopman of deugdelijk arbeider, en wiens koopman- of
arbeider-zijn hem niet verhinderde, een ijverig geleerde of gevoelig
kunstenaar te zijn. Een levende herinnering dus aan een glorierijk
verleden, herrezen in een samenleving, welke toonde deze gelukkige
vereeniging van eigenschappen dankbaarder te waardeeren dan die van
eertijds. En met de onbescheiden-geuite voldoening over dit alles,
zij--om het slot niet te doen uitmunten boven het geheel!--dit
alleronbescheidenst, mijn eigen ras verheerlijkend opstel besloten, een
besluit, dat, althans voorloopig, tevens, tot mijn leedwezen, het einde
mijner medewerking aan dit Maandschrift[15] moet zijn.

Juni 1912.


       *       *       *       *       *


NOTEN:

[1] 1 Febr. 1912.

[2] Ter nadere opheldering van dezen thans wellicht minder
begrijpelijken zin diene, dat bij de eerste publicatie dezer "Brieven"
paragraaf-teekens werden gebruikt.

[3] Cursiveering overal van mij.

[4] "Ik mag zoo niet fratsen in mijne brieven," zeg ik met Abraham
Blankaart, anders schrapte ik zoowel deze, zij 't ook goedmoedige,
spotternijen, als de aan hen verwante, aan het eind dezer critiek
voorkomende beweringen. Thans laat ik ze maar staan. Een
criticus--iemand, die anderen steeds bedilt!--lijkt mij trouwens wel het
allerminst gerechtigd, bij een herdruk van zijn werk vroegere _foutieve
meeningen_ te verdonkeremanen. Maar wel moge ook hier thans de
rectificatie volgen, die ik drie maanden na het verschijnen van dezen
"Brief," in hetzelfde maandschrift--_De Boekzaal_--deed afdrukken. Men
zal daaruit zien, dat ik mijne gevolgtrekkingen uit _zeer onjuiste_
premissen had afgeleid:

"Rectificatie.--Zoo heb ik dan nu tot mijn genoegen de gelegenheid een
misslag te herstellen, waarvan het inzien mij weer eens heeft doen
voelen, dat de criticus, hij moge pogen zoo conscientieus te zijn als
hem mogelijk is, hierin de onfortuinlijke lotgenoot van den
schoolmeester is, dat hem het onweersproken-blijven door degenen, die
hij op de vingers tikt en bedilt, op den duur wat autoritair maakt en
zijn gewaande rechtvaardigheid, door een soort van loszinnigen overmoed,
in het tegendeel doet verkeeren! Men zal zich herinneren, dat ik, in
mijn derden _Brief_ het door mij geprezen werk _De Vreemde Heerschers_
besprekend, den heer en mevrouw Scharten-Antink meende te moeten
verwijten, dat zij "fournisseurs de la cour" waren en dáárom moedwillig
de ruwste zijden van het in hun werk uitgebeelde boerenleven zouden
hebben verdoezeld, terwijl ik hen ook, na hun Parijsche en Italiaansche
romans, geloofde te moeten rangschikken onder degenen, die den prikkel
van het uitheemsche behoeven, om tot scheppen te kunnen komen. Welnu,
kort daarna ontving ik een brief van den heer Scharten, waarin hij,
sprekend op zóó objektieve wijze over de gebreken, die zijn eigen werk
in zijn oog aankleven, als ik slechts zelden heb waargenomen en die hem
tot eer verstrekt, tevens verklaarde van deze mijne beide beweringen
gemakkelijk de onjuistheid te kunnen aantoonen. En ik betuig hier gaarne
en openlijk, dat dit inderdaad op overtuigende wijze gebeurd is. Wat het
vermeende verdoezelen van zekere ruwe levenszijden aangaat, werd mij
door het helder voor oogen stellen van 't natuurlijke en ekonomische
milieu, waarin de Italiaansche boeren _aan de meren_ leven--wel te
onderscheiden van bijv. de Italianen uit Toscane en vooral de
Napolitanen--benevens door de mededeeling van verschillende persoonlijke
ervaringen van de auteurs onbetwijfelbaar aangetoond, dat _hier niets te
verdoezelen viel_. Het leven dier boerenbevolking verschilt _inderdaad_
hemelsbreed van dat der door Zola en Querido beschreven boeren. En
ofschoon men kan zeggen, dat het boek zóó geschreven had moeten zijn,
dat het niet-verdoezelen _daaruit_ bleek, het is duidelijk dat dit
niet-blijken evenzeer aan den recensent als aan den schrijver liggen
kan, en men hierbij het gebied der subjektieve kritiek betreedt, welke
een heel ander iets is dan het vermeend-feitelijke waarop ik mijn
beschuldiging grondde, en welke alleen dan ook nimmer uitgangspunt van
zulk een beschuldiging mag zijn. Terwijl wat mijn bewering betreft, als
zou uit een soort van artistieke onmacht, het vaderlandsche te
doorvoelen, het uitheemsche door deze auteurs worden _opgezocht_, mij
ter weerlegging de redenen van hun buitenslands vertoeven werden
medegedeeld, die mij bleken _niets_ met eenig literair streven te maken
hebben, zoodat men inderdaad in deze schrijvers een nog meer volslagen
uitzondering dan, maar toch van dezelfde soort als Van Oordt, heeft te
zien, die immers ook door omstandigheden, welke grootendeels van
niet-artistieken aard waren, er toe geleid werd, zijn onderwerpen wel
niet in een vreemd land maar vroegeren tijd te zoeken.--Ten slotte:
indien ik met zooveel genóegen mijne vergissing hier herstel en zelfs
den heer Scharten gaarne voor zijne opmerkingen mijn dank betuig, dan is
dit omdat die opmerkingen geuit werden op dien toon van waardeering en
onvertroebelde erkenning, welke een persoonlijk ongekwetst-zijn en
daarmee tevens een persoonlijk-hoogstaan van den opmerker aan den dag
legt." Juni, 1912.

[5] 1912.

[6] Alle cursiveeringen zijn van mij, indien niet het tegendeel wordt
aangegeven.

[7] Cursiveering van de schrijfster.

[8] Cursiveering van de schrijfster.

[9] Herdrukt in mijne _Schetsen en Critische Opstellen_, blz. 150.

[10] Deze meening heb ik in _Het Jonge Leven_ van September 1912 aldus
nader gemotiveerd:

Het schijnt mij toe, dat de benaming _roman_ voor dit boek zeer ten
onrechte is gekozen.

Men kan namelijk een boek als dit, waarin een sterke concentratie
ontbreekt; waarin levensbrokken van tallooze menschen, die weinig of
niets met het leven der meest vooraanstaande figuren hebben uit te
staan, zoo fel en zoo uitvoerig worden uitgebeeld, dat zij qua
uitbeelding bijna dezelfde belangrijkheid hebben bereikt als die der
meest vooraanstaande figuren, moeilijk een roman heeten, tenzij men het
òf als zoodanig ondeugdelijk gecomponeerd wilde noemen, òf bereid was af
te zien van alle compositorische eischen, die men tot heden gewend was
aan een roman te stellen. Met zulke compositorische eischen bedoel ik:
dat er een _kern van handeling_ en een _kern van persoonlijkheid_ zij,
maar dat er _buiten die kern_ slechts handeling en persoonlijkheden
aanwezig zijn, voor zoover zij de _hoofd_handeling en de
_hoofd_persoonlijkheid moeten _belichten_, en in onverbrekelijk
boek-organisch verband daarmee. Daarvan is hier echter geen sprake. Wij
zouden ongetwijfeld geen der in het boek optredende figuren hebben
willen missen, want met _elk_ zulk een figuur, ook de schijnbaar
vluchtig-aangegevene, ook de minst belangrijke, zouden wij tevens een
_rijk doorvoelde menschbeelding_ gemist hebben, maar allerminst kan men
zeggen, dat ieders aanwezigheid ter belichting der _meer op den
voorgrond tredende_ figuren _noodzakelijk_ is. Doch er is nog een andere
eisch aan een roman te stellen, die door dit werk _niet_ vervuld wordt,
te weten, dat er een zekere feitelijke of psychologische of dramatische
_toestand_ in heersche, die _aanvange_, zich _ontwikkele_ en zijn
_ontknooping_ of _eindpunt_ bereike, maar óók en vóóral, dat dit
_eindpunt_ tevens een punt van _samenvloeiing_ is. Met dit laatste
bedoel ik dit: een _roman_ zij in den aanvang eene _verscheidenheid_,
welke bij het einde tot een _eenheid_ blijkt vervloeid, niet alleen in
hooger-geestelijken maar ook in bloot-compositorischen zin. Een roman
zij als het samenstroomen van vele beken die zich vereenen tot een
machtige rivier, waarop al verder varende, de reiziger, genietend van de
gezichten op haar oevers, van haar zonweertinteling en watergeur, weet,
dat aan het eind der reize hem geen gering genot nog wacht: _het
uitrustende verpoozen in de fraaie stad_, welke _zij_ rijk en groot
heeft gemaakt, die inderdaad de _rivier_stad is, waarin alles van háár
spreekt, alles van háár leeft en die daarom wel de _meest geëigende
plek_ mag heeten, om zich nog eens herinnerend voor den geest te halen,
al wat haar wateren en haar oevers hebben geboden op den tocht.--En nu
is dit werk wel een machtige stroom en zelden of nooit heeft
verscheidenheid mij zulk een gevoel van eenheid-der-dingen geschonken
als die van dit boek, doch deze is de hierboven geschetste eenheid van
een romangeheel niet, zij is de door geen _enkele_ grens gehinderde
eenheid van het boek met het omringende leven, juist dus het
_tegenovergestelde_ van de eenheid eener roman, die immers _een tot
geheel geworden_ deel van, _gesneden uit_ het omringende leven is!

[11] Het _essentiëele_, de respectieve waarden aanwijzend en belichtend
onderscheid tusschen het niet geheel de objectieve werkelijkheid dekkend
gevoel-van-eigenwaarde van een geniaal mensch en het eveneens niet de
objectieve werkelijkheid dekkend gevoel-van-eigenwaarde van een maniak,
is niet zoozeer van quantitatieven aard, niet zoozeer een kwestie van
meer of minder.--Mij lijkt het te liggen in het feit, dat zulk een
maniak het beeld der hem omringende werkelijkheid in zijn geest moest
_vernietigen_, om zijn gevoel van eigenwaarde te kunnen _redden_,
terwijl zulk een geniale mensch het beeld dier werkelijkheid in zijn
geest niet het geringste geweld behoeft aan te doen, om zijn gevoel van
eigenwaarde te kunnen laten bestaan. De verhouding van het gevoel van
eigenwaarde tot de werkelijkheid is bij den _eerste: die van iemand die
zijn mededinger doodt, omdat hij voelt, dal deze machtiger is_, bij den
_tweede_ echter: _die van iemand, die in het sterke bewustzijn van eigen
kracht, niet alleen den mededinger naast zich dulden, maar zelfs
liefhebben kan!_

[12] Ik bedoel dit: (Balzac, Facino Cane,) "Chez moi, l'observation
était déjà devenue intuïtive, elle pénétrait l'âme sans négliger le
corps; ou plutöt elle saisissait si bien les détails extérieurs, qu'elle
allait sur-le-champ au delà; _elle me donnait la faculté de vivre de la
vie de l'individu sur laquelle elle s'exerçait, en me permettant de me
substituer à lui comme le derviche des Mille et une Nuits prenait le
corps et l'âme des personnes sur lesquelles il prononçait certaines
paroles_." Interessant ter vergelijking met de wijze, waarop Querido
zijn _Jordaan_-Studies maakte is het onmiddellijk aan het geciteerde
voorafgaande stukje: "_Aussi mal vêtu que les ouvriers, indifférent au
decorum, je ne les mettais point en garde contre moi; je pouvais me
mêler à leurs groupes, les voir concluant leurs marchés et se querellant
à l'heure où ils quittent le travail_."

[13] Alle cursiveeringen zijn van mij. v.C.

[14] Later herdrukt in mijn _Schetsen en Critische opstellen_.

[15] _De Boekzaal_, waarin deze "Brieven" voor het eerst werden
gepubliceerd.


       *       *       *       *       *


VERTALINGEN BIJ "BRIEVEN OVER LITERATUUR'[p.93]


Blz. 7 _Sogar_:

Zelfs echter onder het kleine aantal schrijvers, die werkelijk, ernstig
en vooraf denken, bevinden zich slechts uiterst weinige, die over de
_dingen-zelf_ denken: de overige denken uitsluitend over _boeken_: over
datgene wat reeds door anderen is gezegd. Zij hebben namelijk, om te
kunnen denken, de meer nabijë en sterkere opwekking van anderer
gedachten noodig.... De eerstgenoemden daarentegen worden door de
_dingen-zelf_ tot denken geprikkeld.... En onder dezen zijn alleen zij
te vinden, die beklijven en onsterfelijk worden.

Blz. 17 _Vague Thoughts on art_: vage gedachten over kunst.

Blz. 17 _Art is_:

Kunst is de verbeeldingsvolle uitdrukking van menschelijke energie,
welke ernaar streeft, door technische vertastbaring van gevoel en
waarneming, het individu, doordat zij een onpersoonlijke ontroering in
hem verwekt, in harmonie met het universeele te brengen.

Blz. 17 _Impersonal emotion_: onpersoonlijke ontroering.

Blz. 17 _If I stand_:

Indien ik, een voorwerp beschouwend, word ontroerd door den aanblik
zijner kleur en van zijn vorm, zij 't in nog zoo geringe mate en voor
nog zoo korten duur en daarbij vrij blijf van eenige bepaalde,
feitelijke gedachte--in die mate en gedurende dien tijd heeft het mij
aan mij-zelf ontrukt en zich-zelf daarvoor in de plaats gesteld; heeft
het mij aan het universeele verbonden, door mij het individueele in mij
te doen vergeten....

Blz. 19 _For religion_:

Voor godsdienst zijn alle menschen gelijk, op dezelfde wijze als alle
munten gelijk zijn: hun aller waarde bestaat uitsluitend daarin, dat zij
het beeld des Konings dragen.

Blz. 19 _He longed to go to school_:

Hij verlangde hevig naar school te gaan (een zonderlinge wensch), de
universiteit te bezoeken, zich een naam te maken, [p.94] en hij
verlangde niet slechts deze dingen, maar van het meerendeel hunner
verwachtte hij stellig, dat zij ook zouden gebeuren. Hij beschouwde
zich-zelf als een kind van goeden stand, aan het begin van een
voorspoedig leven. Hij beschouwde zijn tehuis en familie als een heel
goede springplank, van waar hij zich omhoog kon zwaaien naar de
posities, die hij wenschte te bereiken. En bijna juist toen hij op 't
punt stond te springen, _brak de heele stellage onder hem in elkaar en
hij en al de zijnen verdwenen in een duistere diepte_.

Blz. 20 _Dickens went_:

Dickens ging in de Pickwick-club om te spotten, maar bleef er ten slotte
om te bidden.

Blz. 20 _The modern Shocker_:

De moderne sensatieroman is, op zijn allerbest, _een tusschenspel in 't
leven_, maar in die dagen, dat Dickens' werk in afleveringen verscheen,
spraken de menschen erover _alsof het werkelijke leven een tusschenspel
tusschen een aflevering van "Pickwick" en de volgende was_.

Blz. 20 ... _his Christmas sentiment_:

... zijn kerstmis-sentiment. Het heeft die zich verkneuterende, warm
beveiligde knusheid, dat zich op z'n gemak voelen, _die afhankelijk zijn
van het bewustzijn, dat buiten hun begrenzing slechts ongemak is_. Het
heeft sympathie met den arme, in 't bijzonder met de buitensporigheid
van den arme, met datgene wat men zijn tijdelijke weelde noemen kan. Het
heeft het sentiment van den haard, dat is: _het zien van het open
haardvuur als het roode hart van de kamer_. Dat open haardvuur is het
heilige vuur van Engeland, _nog brandend gebleven te midden eener
slaafsche beschaving van kachels_.

Blz. 21 _But considered poetically_:

Maar uit een poëtisch oogpunt beschouwd is de Londensche mist niet
onverdienstelijk. In onze groote steden hebben wij de zuivere en gezonde
duisternis van het land voor goed onmogelijk gemaakt. _Wij hebben Nacht
vogelvrij verklaard, haar in onbewoonde streken te zwerven gezonden, en
ten afweer harer weerkomst eeuwig brandende wachtvuren ontstoken_. Een
nieuw heelal hebben wij geschapen, bij gevolg ook onze eigen zon en
sterren. En dus ook, en welverdiend, was het ons opgelegd, onze eigen
duisternis te moeten scheppen. Precies zoo als elke lamp een warme,
menschelijke maan is, zoo is iedere fabrieks-dampige mist een rijke,
menschelijke avondval. Ware het niet door dit mystiek gebeuren, wij
zouden nimmer de duisternis zien, en hij die nooit duisternis zag, zag
nooit de zon.

Blz. 21 _This life of grey studies_:

Dat leven van grijze studies en halve tonen, welks afwezigheid in
Dickens ge zoozeer betreurt, is slechts het leven zooals het [p.95]
wordt _gezien_. Dit leven van helden en misdadigers is het leven, zooals
het wordt _geleefd_. Het leven dat een mensch het innigst kent, is juist
het leven, dat hij het volst van wreede zekerheden en gevechten tusschen
goed en kwaad ziet--_zijn eigen leven._ O, zeker, het leven waarmee wij
niets hebben te maken kan ons makkelijk een psychologische comedie
lijken, het leven van andere menschen: menschelijk studie-materiaal;
maar een mensch zijn eigen leven, dat is altijd een melodrama.

Blz. 60 _Cette dernière allusion_:

Deze laatste toespeling op een weinig aesthetischen rabbijnschen ritus
(het dragen der gebedsriemen, v.C.) waaraan door de traditie veel
gewicht wordt gehecht, bedoelt den nadruk te leggen op het contrast
tusschen de schoonheid der Grieksche cultuur en het gebrek aan smaak der
rabbijnen.

Blz. 60 _Toutes ces belles choses_:

Al deze schoone zaken, welke door krachtlooze mannen, verdorven, vuige
en aan het leven vijandige wezens ontroofd zijn aan Shadai-God-Rots
(Shadai, een hebreeuwsch woord, beteekent Almachtige, v.C.)--deze
ondoordringbare godheid van de woestijn, die de daden van Kanaän's
veroveraars bestuurde--en die door hen in het leder der gebedsriemen
werden vastgesnoerd.

Blz. 61 _Allusion à_:

Toespeling op een talmudische passage, welke dengeen, die stilstaat om
"een mooien boom of een schoon veld" te beschouwen, verfoeilijk acht.

Blz. 61 _Fils de l'homme:_

Menschenzoon.... Sta op en ga naar de stad der slachting. Treed er de
huizen binnen, om met uw oogen te zien en te tasten met uwe handen, het
bloed gestold, het hersenmerg hard geworden op de hagen, de boomen, en
het cement der muren.... Daarna zult gij de ruïnen gaan zien, de bressen
overspringen, u een weg banen door doorboorde muren en verbrijzelde
ovens, daar waar de doorbraak het wijdst, de gaten het grootst zijn. Zij
gelijken de gapende openingen van vervuilde wonden, waarvoor geen enkel
middel, geen genezing meer bestaat. Uwe voeten zullen er verzinken in de
veeren en stooten tegen de scherven van verbrijzelde voorwerpen, tegen
de overblijfselen van boeken en perkamenten, te loor geganen rijkdom, de
vrucht van bovenmenschelijke inspanning en arbeid.

Maar houd u niet te lang bij die ruïnen op en vervolg uw weg.... En de
geur der acacias zal u tegemoet komen, dringen in uwe neusgaten....

En als ware 't om U nog dieper te bedroeven, zal hun vreemde geur, der
lente frischheid spreiden in uw hart, en gij zult het verdragen! En de
zon zal U raken met myriaden gouden pijlen, [p.96] die op elke
ruitscherf de zeven blijde kleuren van uw ongeluk zullen spiegelen....

Want Jehova riep de lente en de slachting tezelfder tijd. De zon
straalde, de acacia ontlook en de beul sloeg neer....

Blz. 62 _Dans ce sanglot_:

In dezen oppersten wanhoopssnik van een denken, dat zich vastklemt aan
het leven, schoon het begrip van het Einde het nimmer loslaat, komt een
levende en sympathische gevoeligheid aan het licht, die door onze eeuw
van tot het uiterste opgevoerd egoïsme en positivisme verdient te worden
gekend.

Blz. 61 _La chose_: Het Iets.

Blz. 62 _Car une chose_:

Want Iets heeft zich in ons midden geopenbaard, maar niemand weet wat
het beduidt.

Is het de Opgang of Ondergang eener zon? En zoo het een Ondergang is, is
het er eene voor eeuwig?

Want de Chaos die ons omringt is onafzienbaar. Hij is vreeselijk deze
chaos, een toevlucht wordt niet in hem gevonden.

En zoo wij al te midden der duisternissen wilden smeeken, ons overgeven
aan het gebed, welk oor zou ons hooren?

Of zelfs zoo wij uitbraken in Godslasteringen, op welk hoofd zouden zij
neerkomen?

Of indien wij tandenknarsend, in woede de vuist zouden heffen, welken
nek zou zij treffen? De Chaos, de wind, zij zouden het alles meevoeren
zonder een spoor achter te laten.

Er is nergens een rustpunt, nergens een steun, nergens een weg. De
hemelen zwijgen.

Zij weten hoezeer misdadig zij jegens ons zijn; het helsche hunner
misdaad kennen zij en in stilte dragen zij hun last.

Open dan uw mond, o Propheet van het Einde, en zoo ge iets te zeggen
hebt spreek!

Ware uw woord zoo bitter als de dood, ware het dood-zelf, spreek, zeg
het!

Waarom zouden wij den dood vreezen, daar reeds zijn engel onzen rug
berijdt en het gebit klemt in onzen mond?

En terwijl de hymne der wedergeboorte op onze lippen zingt, in de
hoogste extase der vreugd van te leven, snellen wij naar het graf.

Blz. 63 ... _C'est la vie réelle_:

... Het is het werkelijke leven, de krachtsinspanning, die de dichter
den ontaarden zonen van het Ghetto predikt.

Zelf overvloeiend van levens- en arbeidslust, oefent hij daardoor een
des te grooter invloed op de lezers, zijn eigen lotgenooten uit.

Hij is zich bewust van zijn rol als vernieuwer en herschepper. Hij is
even mild, even gul als de natuur het voor hem-zelf is.

[p.97] Blz. 63 _débordant de joie de vivre_: overvloeiend van de
blijdschap van te leven.

Blz. 

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/17077