Jack Rustig
by Frederick Marryat · Dutch · Gutenberg #16063 · 528,845 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Jack Rustig
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Jack Rustig
Author: Frederick Marryat
Illustrator: Joh. Braakensiek
Translator: A. J. van Dragt
Release date: June 14, 2005 [eBook #16063]
Most recently updated: December 11, 2020
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/16063
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JACK RUSTIG ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team
Jack Rustig
Door
Kapitein Marryat
Opnieuw bewerkt door
A. J. van Dragt
Eerste hoofdstuk.
Eerste levensjaren van Jack. Hoe hij al spoedig den baas
speelt.
Meneer Nicodemus Rustig leefde als welgesteld man op zijn buitengoed
Boschlust in het Engelsche graafschap Hampshire. Dolgraag zou hij
zoo'n paar kleine kleuters om zich heen hebben zien springen; maar,
ofschoon reeds tien jaar getrouwd, nog altijd bleef hij met zijn
vrouwtje alleen. Om zich te troosten over de verijdeling van zijn hoop,
meende hij niet beter te kunnen doen dan zich op de wijsbegeerte toe
te leggen, en weldra waren de gelijkheid en de rechten van de mensch
zijn stokpaardje geworden. Niemand luisterde echter naar zijn betoogen,
en hoe meer meneer Rustig doorsloeg, des te beter lieten de bezoekers
zich zijn portwijn smaken; want al sneden 's mans beweringen geen hout,
zijn wijn was uitstekend.
Terwijl meneer Rustig zich in zijn studiën verdiepte, zocht mevrouw
ontspanning in het patience-spel, en zoo leefde het echtpaar heel
kalmpjes voort. Meneer wist, dat vrouwlief zijn redeneeringen niet
kon begrijpen en eischte daarom ook niet, dat ze aandachtig naar hem
luisterde; mevrouw van haar kant stoorde zich weinig aan het gepraat
van haar echtgenoot en was tevreden als ze maar bij haar spelletje
kon blijven. Die wederzijdsche inschikkelijkheid maakte den grondslag
uit voor hun huiselijk geluk.
Ook bestond er nog een andere reden, waarom zij 't zoo goed met elkaar
konden vinden. Moest er iets besproken worden, dan begon meneer Rustig
altijd met te zeggen, dat vrouwlief haar zin zou hebben,--en dat
vond ze heel pleizierig; daar echter manlief, als 't er op aankwam,
steeds zijn eigen zin volgde, was hij evenzeer in zijn schik. Wel had
mevrouw sinds lang begrepen, dat zij haar zin toch niet kreeg, maar ze
was erg meegaande, en omdat 't in negen van de tien gevallen toch heel
weinig verschil maakte wat er gedaan werd, stelde zij zich volkomen
tevreden met zijn toeschietelijkheid bij het overleggen. Meneer Rustig
had erkend, dat zij gelijk had, en al volgde hij nu bij de uitvoering
een anderen weg, wat kon zij, als zwakke vrouw, daartegen doen?
Op het einde van het elfde huwelijksjaar kwam er evenwel een groote
verandering in het tot dusver zoo kalme huishouden; want mevrouw
Rustig verblijdde op een goeden dag haar echtgenoot met een stamhouder,
dien we als den held van ons verhaal zullen leeren kennen.
Er werd heel wat geredeneerd en betoogd eer meneer en mevrouw het
eens waren over den naam, dien de jonge wereldburger dragen zou, maar
het einde van de geschiedenis was, dat men hem Jack zou doopen. Het
jongske groeide als kool, raakte na zes maanden uit de lange kleeren,
en begon al spoedig over den vloer rond te kruipen en naar alles
te grijpen, wat maar onder zijn bereik kwam. Hij solde met de kat,
krabde zijn moeder in 't gezicht, en vond er volstrekt geen been
in, zijn vader duchtig aan zijn kuif te trekken; maar toch werd
hij door al de huisgenooten voor het mooiste en liefste kind van de
wereld versleten. Als we alles wilden opschrijven wat Saar, de meid,
van Jack's eerste kinderjaren wist te vertellen, zouden we wel drie
boekdeelen vullen; we zullen 't echter maar laten bij de vermelding,
dat men hem, als zoo menig eenig kind, in alles zijn eigen hoofdje
liet volgen. Daardoor kreeg hij weldra zooveel noten op zijn zang,
dat dokter Middleton, die als huisvriend dikwijls op Boschlust kwam,
er soms bedenkelijk het hoofd over schudde en begon te vreezen,
dat de al te toegeeflijke ouders het ventje glad zouden bederven.
Op zekeren dag kwam een knecht van meneer Rustig te paard bij dokter
Middleton aanrennen, met de boodschap of de dokter onmiddellijk
op Boschlust zou willen komen. De man voldeed aan dit verzoek en
vond bij zijn komst het heele huis in rep en roer--meneer liep erg
onrustig heen en weer, mevrouw had maar werk om niet flauw te vallen
en al de meiden verdrongen elkaar zenuwachtig om haar stoel. Iedereen
was danig van streek, behalve de kleine Jack, die, met een lompje om
zijn vinger en eenige bloedvlekken op zijn kiel, heel kalmpjes met
kersen zat te spelen en zich aan niets stoorde.
"O dokter!" riep mevrouw Rustig den geneesheer bij diens binnentreden
als in wanhoop toe, "Jack heeft zich zoo vreeselijk in zijn hand
gesneden; stellig is er een zenuw geraakt en dan...."
De dokter gaf er geen antwoord op, maar onderzocht de gewonde hand,
terwijl Jack met de andere bleef doorspelen.
"'t Is nog al goed afgeloopen, mevrouw," zei de dokter, toen hij
gezien had, dat de jongen zich maar even aan den vinger had gewond.
"Heeft u soms ook een stukje hechtpleister in huis?"
"O ja; gauw Marie,--loop Saar!" In een oogwenk waren de twee meiden
terug; Saar met de hechtpleister en Marie er achteraan met de schaar.
"Stel u maar gerust, mevrouw," zei dokter Middleton, nadat hij een
pleister op de wond had gelegd, "kwaad kan 't volstrekt niet."
"Maar zou 't niet beter zijn als we hem boven brachten en wat te bed
legden?" hernam mevrouw.
"Bepaald noodig is 't niet, mevrouw, maar in elk geval blijft hij
dan gevrijwaard voor verdere ongelukken."
"Kom, mijn lieve jongen, je hoort wat dokter Middleton zegt."
"Ja, ik hoor 't wel," antwoordde Jack, "maar ik ga niet."
"Maar Jaapjelief, doe 't nu toch, mijn ventje."
Jaapje bleef doorspelen en gaf geen antwoord.
"Kom, Jaapje," zei Saar.
"Ga weg, Saar," zei het driftige manneke, en weerde haar met de
hand af.
"O foei, Jaapje!" zei Marie.
"Kom, mijn hartedief!" zei mevrouw op overredenden toon, "kom,--wil
je nu niet?"
"Ik wil naar den tuin nog wat kersen plukken," antwoordde Jaapje.
"Kom dan maar, lievert, dan gaan we naar den tuin."
Jaapje wipte van zijn stoel en vatte mama bij de hand.
"Wat een braaf, gehoorzaam kind is 't toch!" riep mevrouw uit,
"je kunt hem aan een zijden draadje leiden."
"Ja wel, als 't om kersen te doen is," dacht Dr. Middleton.
Mevrouw Rustig, Jack, Saar en Marie gingen nu naar den tuin, zoodat
de dokter alleen bleef met meneer, die gedurende de stribbeling geen
woord gezegd had.
Bij zijn veelvuldige bezoeken op Boschlust had dokter Middleton
opgemerkt, dat de kleine Jack uit zijn aard wel een flinke, kordate
jongen was, maar alle kans liep door de dwaze inzichten van zijn
vader en de overdreven toegevendheid van zijn moeder bedorven te
worden. Zoodra nu mevrouw de kamer verlaten had nam hij een stoel en
richtte tot den heer des huizes de vraag:
"Heeft u geen plan uw jongen school te leggen, meneer Rustig?"
Meneer Rustig sloeg de beenen over elkaar en vouwde zijn handen om
de knieën samen, wat hij altijd deed zoodra hij iets wilde betoogen.
"Het groote bezwaar, dokter, dat ik heb tegen het naar school zenden
van een kind, is dat er te veel dwang wordt uitgeoefend; en dat strijdt
niet alleen tegen de rechten van den mensch, maar ook tegen alle gezond
oordeel. Men zendt een jongen naar school, in de hoop dat er door leer
en voorbeeld goede hoedanigheden in hem zullen gekweekt worden, niet
waar? Maar hoe zal hij nu welwillendheid leeren, als hij telkens de
dreigende gard ziet zwaaien, of geduld, als zijn leermeesters bijna uit
hun vel springen van kwaadheid? Welk onderscheid bestaat er tusschen
hem, die de kastijdingen toedient, en dengene, die ze ondergaat? Zijn
ze niet beiden met rede begaafde schepselen, die evenveel recht hebben
op hetgeen de wereld biedt? Door gewetenlooze dwingelandij hebben
weinigen zich toegeëigend wat voor allen bestemd was, en al heeft
men zich door langdurige gewoonte en valsche voorschriften daarin
leeren schikken, 't is de plicht van een vader er voor te waken,
dat zijn eenige zoon niet zulke verlagende dwaalbegrippen inzuigt,
waardoor hij zich later alles zou laten welgevallen, zoolang men hem
maar het leven liet. En worden zulke dwalingen niet op school door de
gard verkeerdelijk ingeprent in het jeugdig gemoed? Reeds de eerste
les in het ABC is tevens een les in slavernij en leert al aanstonds
de geheiligde gelijkheid verzaken, die ons geboorterecht is. Neen,
meneer, zoolang ze niet kunnen onderwijzen zonder de ergerlijke
toepassing van de gard, zal mijn jongen nooit op school."
Hier wierp meneer Rustig zich achterover in zijn armstoel, in de
verbeelding dat hij al heel wat verstandigs had te berde gebracht.
Dokter Middleton kende zijn man, en had hem maar stilletjes uit
laten praten.
"Ik moet toegeven," zei de dokter ten laatste, "dat er in al wat gij
daar zegt misschien veel waars is; maar zou u niet denken, meneer
Rustig, dat men, juist door te verhinderen dat een jongen onderricht
kreeg, hem des te vatbaarder maakte voor de dwalingen waarover gij
spreekt? Alleen de opvoeding kan vooroordeelen uit den weg ruimen,
en iemand geschikt maken om de kluisters van den ouden sleur te
verbreken. Toegegeven al dat er van de gard gebruik wordt gemaakt,
't gebeurt toch enkel op een leeftijd, waarin het jonge gemoed zoo
kneedbaar is, dat 't er spoedig onverschillig onder wordt; en zijn
eenmaal de gebruikelijke grondslagen der opvoeding gelegd, dan zult
gij uw zoon genoegzaam voorbereid vinden tot het ontvangen der lessen,
die gij zelf hem wenscht in te prenten."
"Zelf zal ik hem alles leeren," antwoordde meneer Rustig en vouwde
de armen over elkaar, als of hij zeggen wilde: "daar gaat niets af."
"Ik twijfel geen oogenblik aan uw bekwaamheid, maar ongelukkig zult
gij steeds met een onoverkomelijke zwarigheid te kampen hebben. Neem
me niet kwalijk, ik weet waartoe gij in staat zijt, en de jongen
zou zich inderdaad geluk mogen wenschen met zulk een onderwijzer,
maar--openhartig gesproken--het kan u evenmin als mij ontgaan, dat
de moederlijke toegeeflijkheid van mevrouw een leelijke hinderpaal
voor uw goede bedoeling zal wezen. De jongen is nu al zóó door haar
verwend, dat hij niet zal gehoorzamen, en zonder gehoorzaamheid kunt
gij hem niets inprenten."
"Ik erken, mijn waarde heer, de zwarigheid, die daarin gelegen is;
maar moederlijke zwakheid dient dan overwonnen door vaderlijke
gestrengheid."
"Mag ik weten hoe? want dat schijnt me onmogelijk."
"Onmogelijk! Wel drommels, ik zal hem leeren gehoorzamen, of anders
zal ik hem...."
Hier brak meneer Rustig plotseling af eer het woord "ranselen" aan
zijn lippen kon ontsnappen.
Dokter Middleton had moeite een glimlach te onderdrukken, toen hij
antwoordde: "Dat gij wel een middel zoudt vinden om hem de baas
te worden, daarvan ben ik ten volle overtuigd; maar wat zal er het
gevolg van zijn? De jongen zal zijn moeder als een beschermster en
u als een dwingeland beschouwen. Hij zal een hekel aan u krijgen en
dientengevolge nooit de vereischte aandacht wijden aan uw hoog te
waardeeren voorschriften, als hij eenmaal oud genoeg zal geworden
zijn om ze te begrijpen. Het komt me voor, dat het door u opgeworpen
bezwaar uit den weg te ruimen is. Ik ken een zeer achtenswaardig
kostschoolhouder, die geen gebruik maakt van de gard--ten overvloede
zal ik er hem uitdrukkelijk over schrijven--en als de jongen dan
gevrijwaard is voor het gevaar, waarmee de te groote toegeeflijkheid
van mevrouw hem bedreigt, zal hij binnen kort rijp zijn om onder uw
meer gewichtige leiding te komen."
"Wat gij daar zegt, dokter," antwoordde meneer Rustig na een poos,
"verdient, dunkt me, alle aandacht. Ik heb heel goed opgemerkt, dat
de onzinnige toegeeflijkheid mijner vrouw den jongen ongezeggelijk
heeft gemaakt, zoodat hij me tegenwoordig niet wil gehoorzamen,
en als uw vriend geen gebruik maakt van de gard, denk ik er ernstig
over hem mijn Jack te zenden, om hem de eerste gronden te leeren."
De dokter had het pleit gewonnen door den wijsgeer te vleien.
Den volgenden dag kwam hij terug met een brief van den paedagoog,
waarin deze met verontwaardiging sprak over het gebruiken van de gard,
en meneer Rustig deelde nu onder het theedrinken aan zijn vrouw mede,
welke plannen hij ten oprichte van zijn zoon Jack had.
"Naar school? Jaapje naar school? de jongen is nog heelemaal een kind!"
"Alles goed en wel, beste, maar vergeet niet, dat hij zeven jaar is en
't dus hoog tijd wordt, dat hij leert lezen."
"O, lezen kan hij al; ja, ja, dat heb ik hem zelf geleerd. Niet waar,
Saartje?"
"Gunst ja, mevrouw, eergisteren heeft hij nog de letters opgezegd."
"Maar, Rustig, wat heb je toch voor malligheid in je hoofd
gehaald? Jaapjelief, kom eens hier als een brave jongen, zeg nu eens,
wat is de letter A? Je hebt 't van morgen nog in den tuin gezongen."
"Suiker moet ik hebben!" antwoordde Jack, en reikte zoo ver mogelijk
met zijn arm over tafel om bij den suikerpot te komen, wat hem niet
gelukte.
"Nu ja, lievert, je zult een groote klont hebben, als je eerst maar
zegt wat de letter A is."
"A is een aapje, dat eet uit zijn poot," antwoordde Jack op een
vervelenden dreun.
"Zie je nu wel, Rustig; en zoo kent hij het geheele alphabet--is
't niet, Saar?"
"Dat kan hij, de zoete jongen,--kun je niet, Jaapjelief?"
"Nee!" antwoordde Jaapje.
"Ja, ja, je kunt 't wel, mijn hartje, je weet best wat de letter B
is. Weet je 't niet?"
"Jawel," antwoordde Jaapje.
"Daar nu, Rustig, je ziet wat de jongen al kent, en hoe gehoorzaam
hij is bovendien. Kom, Jaapjelief, zeg nu eens, wat is de letter B?"
"Nee ik wil niet," antwoordde Jaapje. "Ik moet nog meer suiker
hebben!" En Jaapje, die op een stoel geklommen was, ging nu met zijn
geheele lijf over tafel hangen om bij den pot te komen.
"Mijn hemel! Saar, houd hem tegen, hij zal den theepot nog
omgooien!" riep mevrouw Rustig. Saar pakte Jaapje beet om hem terug te
trekken, maar, op die tusschenkomst niet gesteld, draaide de bengel
zich om, zoodat hij met zijn rug op tafel kwam te liggen, en schopte
Saar in het gezicht, juist toen ze een tweede greep naar hem wilde
doen. Van den weeromstuit gleed Jaapje een eind over de gladde tafel
en kwam met zijn hoofd tegen de theepot terecht. Wel greep mevrouw er
schielijk naar, maar toch kreeg haar man een flinken scheut van het
kokende vocht over zijn beenen; zoodat hij opsprong en al stampvoetend
alles behalve wijsgeerig uitviel. Intusschen hadden Saar en mevrouw
Jaapje verwijderd en susten hem om het zeerst met zoete woordjes van
beklag. De pijn der brandwonden en de omstandigheid, dat men volstrekt
niet naar hem omzag, brachten meneer Rustig in een bui van woede. Hij
rukte Jaapje uit de armen der vrouwen, en in 't minst niet denkend
aan zijn gelijkheid en zijn rechten van den mensch, sloeg hij er
zonder genade op los. Saar vloog tusschenbeide en liep een veeg op,
die haar duizende sterretjes voor de oogen tooverde en over de vloer
deed tuimelen. Mevrouw kreeg 't op haar zenuwen en Jaapje zette een
keel op, dat men hem wel een kwartier ver kon hooren.
Hoe lang meneer Rustig aan 't ranselen gebleven zou zijn, valt
moeilijk te zeggen; maar de deur ging open, en toen de man onder
de strafoefening even opkeek, zag hij dokter Middleton in stomme
verbazing staan. Hij had beloofd op de thee te zullen komen, en zoo
noodig meneer Rustig een handje te helpen om mevrouw met diens plannen
te doen instemmen; maar blijkens vond hij, dat meneer bij het betoog,
dat hij op dit oogenblik hield, volstrekt geen hulp behoefde. Bij het
binnentreden van dokter Middleton werd Jaapje evenwel losgelaten en
bleef al schreeuwend op den grond liggen; ook Saar, mevrouw en de
theepot lagen over den vloer, en al was meneer overeind gebleven,
staan kon hij toch niet, maar sprong aanhoudend van het eene been op
het andere.
Nooit kwam een geneesheer beter van pas. Meneer Rustig was eerst
stellig van die meening, maar zijn beenen begonnen zoo hevig pijn te
doen, tot hij weldra tot andere gedachten kwam.
Zooals de hoffelijkheid meebracht, tilde dokter Middleton eerst
mevrouw van den grond en vlijde haar neer op de sofa. Saar sprong
overeind, greep Jaapje op en droeg den luid schreeuwenden, om zich
heen schoppenden bengel de kamer uit; voor welken bewezen dienst zij
verscheidene beten kreeg. De huisknecht, die den dokter aangediend
had, raapte den theepot op, als zijnde dat voorwerp het eenige waarmee
hij krachtens zijn betrekking te maken had. Meneer Rustig wierp zich
al hijgend en kreunend op een tweede sofa en dokter Middleton wist
letterlijk niet wat hij doen moest. Hij zag, dat meneer zijn hulp
noodig had en dat mevrouw die best kon missen; maar zich af te maken
van een dame die elk oogenblik dreigde te bezwijmen, was lang niet
gemakkelijk; want telkens als hij van haar vandaan wilde gaan, begon
zij vervaarlijk om zich heen te slaan en te gillen. Eindelijk gelukte
het den dokter een ruk aan den schel te geven, wat den huisknecht deed
verschijnen, die nu de meiden riep om mevrouw naar boven te dragen. Zoo
kreeg onze aesculaap ten laatste de handen vrij, om zich te bemoeien
met den eenigen patiënt, die werkelijk zijn hulp behoefde. Meneer
Rustig gaf met een paar woorden, telkens afgebroken door uitroepen van
pijn, opheldering van het voorgevallene en intusschen was de dokter
bezig hem de kousen uit te trekken. De behandeling van den geneesheer
gaf den gewonde spoedig leniging van pijn. Maar wat hem vrij wat meer
hinderde dan de brandwonden aan zijn beenen, was de omstandigheid,
dat dokter Middleton er getuige van was geweest, hoe hij inbreuk had
gemaakt op de gelijkheid en de rechten van den mensch. De geneesheer,
wien dit niet ontging, wist ook op deze wonde een pleister te leggen.
"Mijn waarde meneer Rustig, ik betreur zeer het ongeval, dat gij
aan de dwaze toegeeflijkheid van mevrouw tegenover den jongen te
danken hebt; maar toch doet het me genoegen, dat gij zulk een juist
begrip toont te hebben van Salomo's uitspraak: 'Wie de roede spaart,
bederft het kind.' Hiermede geeft de wijze koning te kennen, dat het
de plicht van een vader is zijn kinderen te kastijden, wat volstrekt
niet in tegenspraak komt met de rechten van den mensch of met eenige
natuurlijke gelijkheid, want de zoon is een deel des vaders, zoodat
deze eigenlijk slechts zichzelven kastijdt. Het bewijs daarvan
is hierin gelegen, dat een vader bij het bestraffen van zijn zoon
evenveel smart gevoelt alsof hij zelf de straf onderging. De geheele
zaak komt dus op zelfkastijding neer."
"Ik denk er precies zoo over," antwoordde meneer Rustig, blij dat de
dokter hem zoo netjes uit het nauw had geholpen. "Maar--morgen moet
hij op school, daar helpt niets aan."
"Dat zal hij aan mevrouw te danken hebben," hernam de dokter.
"Juist.--O dokter, mijn beenen beginnen weer zoo vreeselijk te gloeien
en te steken."
"Maar voortdurend nat houden met azijn en water, meneer, tot ik u een
zalfje zend, dat onmiddelijk verlichting zal schenken. Morgen kom ik
nog eens aan. A propos, een van de leerlingen van meneer Bonnycastle
is onder mijn behandeling; als ik er u genoegen mee kan doen, wil ik
uw zoon gaarne meenemen."
"O, dat zou me veel pleizier doen, dokter," antwoordde meneer Rustig.
"Welnu, mijn waarde, ik zal nog even naar boven gaan, om te zien hoe
't met mevrouw gesteld is, en morgen tegen tienen ben ik weer hier. Ik
heb dan een uur den tijd. Goedenavond meneer Rustig."
"Goedenavond, dokter."
De dokter moest nu nog mevrouw zien te winnen. Hij stelde het ongeval,
dat meneer getroffen had, veel erger voor dan het was, maakte grooten
ophef van diens verbolgenheid en raadde haar ten sterkste maar stil
te zwijgen, tot hij weer geheel tot bedaren zou zijn gekomen.
Tweede hoofdstuk.
Jaapje wordt op kostschool gelegd, waar hij een toontje lager
leert zingen.
Den volgenden dag hamerde dokter Middleton nog eens op hetzelfde
aanbeeld en in weerwil van Sara's weeklachten en de tranen van mevrouw,
die geen enkel woord in het midden durfde brengen, in weerwil van
den heftigen tegenstand van Jaapje zelf, die een soort van voorgevoel
scheen te hebben van wat hem boven het hoofd hing, werd onze held in
dokter Middleton's koetsje gestopt. Wel trapte hij onder de bedrijven
een ruit van het portierraampje in, maar de dokter, die den jongen
nu geheel in zijn macht had, wiesch hem daarvoor eens duchtig de
ooren. Zonder verder ongeval bereikte men weldra het huis van meneer
Bonnycastle, en Jaapje werd door den knecht van den dokter naar de
spreekkamer gedragen en in een stoel neergekwakt. Nauwelijks was de man
den bengel kwijt, of hij bekeek eerst zijn handen, die op verschillende
plaatsen bloedden, en wierp vervolgens met op elkaar geklemde tanden
en saamgeknepen lippen een blik op Jack, als wilde hij zeggen: "Als
ik maar dorst, dan zou ik je wel leeren!" Daarna verliet hij de kamer
en begaf zich weer naar de voordeur, waar hij zijn toegetakelde handen
aan den koetsier liet zien, die er van zijn bok een meewarigen blik op
wierp en volkomen instemde met de verontwaardiging van zijn kameraad.
Maar we moeten weer naar de spreekkamer. Dokter Middleton neusde in
een krant, terwijl Jack heel in elkaar gedoken op zijn stoel zat,
met zijn voeten op de bovenste sport, zoodat zijn neus bijna zijn
knieën raakte. Waarlijk een veelbelovend leerling, die Jack.
Meneer Bonnycastle trad binnen. Hij was een slank, flink gebouwd man,
van een gunstig voorkomen; bij zijn netjes gepoederd haar droeg hij een
deftig zwart pak, waartegen zijn keurig linnengoed helder afstak. Als
hij glimlachte, vertoonde zich een rij hagelwitte tanden en zijn
zachtblauwe oogen getuigden van de grootste welwillendheid. Dat was
eerst het ideaal van een onderwijzer, en onmogelijk kon iemand hem
aanzien en naar zijn zoet vleiende, aangename stem luisteren, zonder
al zijn zonen onder 's mans hoede te wenschen. Hij was een kundig en
degelijk man, aan wiens zorgen, op het oogenblik waarvan wij spreken,
meer dan honderd jongens waren toevertrouwd. Hij stond bekend als een
uitstekend opvoeder en velen van zijn leerlingen hadden het tot hooge
ambten en betrekkingen gebracht en zich daarin gunstig onderscheiden.
Dokter Middleton, die met meneer Bonnycastle op zeer vertrouwelijken
voet stond, rees bij diens binnentreden op en zij schudden elkaar de
hand. Middleton wendde zich vervolgens in de richting waar Jack zat en
met den vinger naar hem wijzende, zei hij: "Zie me dat daar nu eens."
Bonnycastle glimlachte. "Ik kan niet zeggen, dat ik er erger gehad
heb, maar toch wel van hetzelfde slag. Ik zal echter spoedig genoeg
wat leven brengen in dien vormeloozen klomp. Komaan, Middleton,
ga nu eens zitten."
"Maar Bonnycastle," zei de dokter, toen hij zijn plaats weer ingenomen
had, "je moest me toch eens zeggen, hoe het mogelijk is zoo'n bengel
in zijn fatsoen te krijgen, zonder de toevlucht te nemen tot de gard."
"Van het gebruik der gard verwacht ik niet de minste vrucht en daarom
pas ik ze ook niet toe. Ik heb zelf te Harrow school gelegen en was
toen een hachje. Evenals de meeste jongens werd ik nog al eens uit
de bank geroepen en ik herinner me zeer goed, dat ik spoedig om een
bestraffing met de gard niets gaf. Ik was er tegen gehard geraakt. Die
wijze van straffen laat niets achter, dat de herinnering er aan
levendig houdt."
"Dat had ik me geheel anders voorgesteld."
"Mijn waarde Middleton, met éénmaal den stok te gebruiken werk ik
meer uit dan door twintig bestraffingen met de gard. Ga maar eens
na, de gard treft alleen de minst gevoelige plek; maar de stok komt
overal neer, van het hoofd tot de voeten. Zoodra de eerste tinteling,
door de gard teweeggebracht, over is, volgt er een verdooving van het
gevoel in het getroffen lichaamsdeel, en de pijn heeft dan verder
niets te beteekenen; een flink pak met den stok daarentegen laat
hevige pijnen en kneuzingen achter op allerlei lichaamsdeelen, die
bij spierbewegingen dienst moeten doen. Na een kastijding met de gard
kan een jongen best meeravotten in de speeluren, maar na een duchtig
pak met den stok is 't heel wat anders; dagen lang kan hij geen lid
verroeren zonder door de pijn herinnerd te worden aan de straf, die
hij heeft ondergaan, en hij past wel degelijk op, dat hij niet voor
de tweede maal uit de bank wordt geroepen."
"Beste vriend, ik verkeerde werkelijk in de meening, dat ge uitermate
zachtzinnig waart," antwoordde Middleton lachend, "maar het doet me
pleizier, dat ik me vergist heb."
"Zie me daar nu zoo'n figuur eens zitten dokter, 't heeft meer van
een stom dier dan van een redelijk wezen; zoudt ge soms denken, dat
het ooit gelukken kon daar zonder krasse maatregelen eenig fatsoen
in te brengen? Laat ik u tevens zeggen, dat ik mijn stelregel als
verreweg de beste beschouw. Op sommige scholen zijn de straffen zoo
licht, dat de jongens er eenvoudig niets om geven; bij mij echter
mag elke bestraffing waarlijk dien naam dragen en het gevolg is,
dat het toepassen er van maar hoogst zelden noodig is."
"Gij brengt er dus den schrik in, Bonnycastle."
"De twee machtigste drijfveeren in ons zijn vrees en liefde. In theorie
is het veel mooier op de laatste te werken; maar in de praktijk
heb ik er nooit de gewenschte uitkomsten van gezien,--en dat ligt
eenvoudig hieraan, dat onze eigenliefde sterker is dan onze liefde
tot anderen. In de uitwerking van de vrees daarentegen heb ik me nog
nooit bedrogen, en alweer om dezelfde reden; immers door vrees werken
we op de eigenliefde en anders niet."
"Toch zijn er velen, die beweren dat lichaamsstraffen verlagend werken
en ze daarom van de scholen willen weren."
"Och dokter, er zijn zoo'n boel gekken in de wereld."
"Dat doet me denken aan den vader van dien jongen daar," hernam
dokter Middleton. En nu begon hij den opvoeder de dwaze denkbeelden
van meneer Rustig te ontwikkelen en de omstandigheden mee te deelen,
die tot het naar school zenden van Jack hadden geleid.
"Dan mag er geen oogenblik verzuimd worden, dokter. Ik moet dat
jongemensch geheel onder den duim hebben, eer zijn ouders hem komen
bezoeken. Reken er op, binnen een week zal hij zoo volgzaam zijn als
een lammetje."
Dokter Middleton nam nu afscheid van Jack en zei hem, dat hij maar
goed moest oppassen. Jack verroerde geen vin en gaf geen antwoord.
"Stoor u daar maar niet aan, dokter, als ge weer eens komt zal hij
wel beleefder wezen, reken daar gerust op." En de dokter vertrok.
Ofschoon meneer Bonnycastle streng was, ging hij toch steeds met
oordeel te werk. Op het bedrijven van een of ander kattekwaad volgde
slechts geringe straf, zooals in school blijven tijdens de speeluren
en dergelijke; ook kwam hij zelden tusschenbeiden als de jongens met
elkaar vochten, ofschoon hij er een stokje voor stak als er een den
baas wilde spelen. Waar het bij hem vooral op aankwam was attentie
bij het werk. Spoedig was hij er achter, waartoe zijn leerlingen in
staat waren; en naar die mate werden hun ook eischen gesteld; voor een
luiaard, die wel kon maar niet woû, kende hij geen genade. Het gevolg
er van was, dat hij de knapste jongens afleverde. Ook bleef hij in
de behandeling zijner leerlingen zoo gelijkmatig en onveranderlijk,
dat, al vreesden zij hem zoolang ze onder zijn toezicht stonden,
toch allen, die zijn onderricht genoten hadden, veel van hem hielden
en in hun later leven zijn vrienden bleven.
Meneer Bonnycastle zag terstond in, dat er met overreding bij onzen
held niets te beginnen zou zijn, en dat vrees het eenige middel was
om hem tot rede te brengen. Zoodra dus dokter Middleton de kamer
verlaten had, sprak hij hem op gebiedenden toon toe: "Wel, jongen,
hoe is je naam?"
Jack schrikte op; hij gluurde naar zijn meester, zag hoe diens oogen
strak op hem gericht waren, en begreep uit de geheele houding van
den man, dat er niet met hem te spotten viel. Jack was lang niet
gek en ook de kastijding, die zijn vader hem had toegediend, deed
hem wel een beetje huiveren voor hetgeen er komen zou. Dus vond hij
't geraden zich tot een antwoord te verwaardigen en zei met zijn
wijsvinger in den mond:
"Jaapie."
"En hoe heet je verder?"
Jack, die al berouw scheen te hebben over zijn inschikkelijkheid,
gaf eerst geen antwoord, maar keek meneer Bonnycastle weer even in het
gezicht en vervolgens de kamer rond: er was niemand die hem helpen kon,
en zelf wist hij ook geen raad, daarom antwoordde hij maar: "Rustig."
"Weet je, waarom je naar school bent gezonden?"
"Omdat ik vader gebrand heb."
"Neen, je bent hierheen gezonden om te leeren lezen en schrijven."
"Ik wil niet leeren lezen en schrijven," antwoordde Jack druilig.
"Dat zul je toch; en je begint nu maar eens dadelijk de letters op
te noemen."
Jack zei niets. Meneer Bonnycastle opende een soort van boekenkast
en gunde ons verbaasde Jaapje een kijkje op een reeks van stokken,
die evenals biljart-queues netjes op een rij stonden.
"Weet je waar die voor dienen?"
Met een benauwd gezicht tuurde Jack er naar; hij had een flauw besef,
dat hij er stellig nader kennis mee zou maken, maar antwoorden deed
hij niet.
"Ze dienen om kleine jongens te leeren lezen en schrijven, en nu zal
ik eens met dat onderricht beginnen. Je zult wel spoedig leeren. Kijk
eens hier," vervolgde meneer Bonnycastle terwijl hij een boek met
groote letters opensloeg en aan het begin van een hoofdstuk op een
letter wees van wel een halven duim groot.
"Zie je die letter?"
"Ja," antwoordde Jaapje, wendde zijn oogen af en wriemelde met zijn
vingers.
"Nu, dat is de letter B. Zie je 't? Kijk er nu goed naar, opdat je 't
straks ook weet. Dat is de letter B. Zeg me nu eens, welke letter is
't?"
Jack besloot nu koppig te wezen, en gaf geen antwoord.
"Je weet 't dus niet? Welnu, dan zullen we eens zien, wat een van
deze kleine vrienden er van weet te maken," zei meneer Bonnycastle
en kreeg een stok. "Let wel, Jaapje, dat is de letter B. Nu, hoe heet
die letter? Antwoord me onmiddellijk."
"Ik wil niet leeren lezen en schrijven."
Flap! kwam de stok neer op de schouders van Jaapje, die een luiden
schreeuw liet en ineenkromp van de pijn.
Meneer Bonnycastle wachtte een paar seconden. "Dat is de letter B. Zeg
me nu eens onmiddellijk, ventje, hoe heet die letter?"
"Ik zal 't aan ma zeggen!"--Flap!--"O jé! o jé!"
"Hoe heet die letter?"
Met open mond, hijgend en terwijl de tranen hem langs de wangen
biggelden, riep Jaapje nijdig uit. "Houd op! Ik zal 't aan Saar
zeggen!"
Flap! ging 't opnieuw en Jaapje gilde 't weer uit.
"Hoe heet die letter?"
"Ik zeg 't niet," griende Jaapje; "ik zeg 't niet--ik doe 't niet."
Flap--flap--flap! en daarop volgde een poos stilte. "Ik heb je
zooeven gezegd, dat 't de letter B is. Hoe heet nu die letter? Zeg
't zonder dralen."
Bij wijze van antwoord deed Jaapje een greep naar den stok. Au! daar
had hij 'm, welzeker, maar niet precies zooals hij 't gewild
had. Jaapje greep nu het boek en smeet het in een hoek van de
kamer. Flap, flap! Jaapje trachtte meneer Bonnycastle te bijten. Flap,
flap, flap, flap! en Jaapje viel op het vloerkleed en brulde van
de pijn. Meneer Bonnycastle liet hem toen een poos ongemoeid om hem
gelegenheid te geven weer op zijn verhaal te komen.
Toen eindelijk het gegil van Jaapje in een zacht snikken overgegaan
was, zei meneer Bonnycastle tot hem: "Je zult nu wel begrepen hebben,
Jaapje, dat het geraden is te doen wat ik je vraag, want dat er anders
klappen vallen. Kom, sta eens gauw op. Versta je me niet?"
Eer Jaapje het zelf wist, stond hij weer op zijn beenen.
"Zoo, dat is eerst een brave jongen; je ziet nu wel, dat je geen
slaag krijgt, als je maar doet wat ik je vraag. Komaan, Jaapje,
je moest het boek eens gaan oprapen, dat je daar ginds neergesmeten
hebt. Gauw hoor, breng 't onmiddellijk hier!"
Jaapje wierp een steelschen blik naar meneer Bonnycastle en naar den
stok. Al had hij ook nog zooveel lust om te weigeren, hij raapte het
boek op en lei het op tafel.
"Goed zoo, mijn jongen; nu zullen we de letter B eens opzoeken. Hier
is ze: wel, Jaapje, hoe heet die letter nu?"
Geen antwoord.
"Zeg 't me terstond," zei meneer Bonnycastle en hief den stok hoog
op. Die aanmaning was Jaapje te machtig. Hij gluurde angstig naar
den stok; ze kwam in beweging en daalde al. Buiten adem schreeuwde
hij haastig: "B!"
"Juist zoo, Jaapje, heel goed. De eerste les is nu afgeloopen, en je
gaat thans naar bed. Je hebt meer geleerd dan je zelf vermoedt. Morgen
beginnen we opnieuw. We zullen den stok nu maar wegzetten."
Meneer Bonnycastle schelde en gaf last, dat men den jongenheer Jack
naar bed zou brengen, en wel in een afzonderlijk kamertje. Avondeten
mocht hij niet hebben, want een beetje honger zou morgen het leeren
des te gemakkelijker maken. Alleen met pijn en honger kan men wilde
dieren temmen, en dezelfde middelen moeten toegepast worden tot
het onderdrukken van die hartstochten in den mensch, waardoor hij
aan een redeloos dier gelijk wordt. Jaapje werd naar bed gebracht,
ofschoon het pas zes uur was. Hij leed niet enkel pijn, maar ook
zijn hoofd was geheel in de war; en geen wonder, al zijn leven had
men hem zijn eigen zin laten volgen en tot op gisteren had hij nooit
eenige kastijding ondergaan. Na al de liefkoozingen van zijn moeder
en van Saar, die hij nooit naar waarde had weten te schatten--na het
dagelijksch zich volstoppen en maar dooreten tot hij er van begon
te walgen, zag hij zich nu ineens zonder moeder, zonder Saar, zonder
avondmaaltijd, overdekt met builen, en, wat nog het ergst van alles
was, zonder dat hij zijn eigen zin kon volgen.
Geen wonder dus dat Jaapje niet goed wist hoe hij 't had; ineens was
hij gedwee geworden en meneer Bonnycastle had volkomen gelijk, toen hij
tot hem zei, dat hij al meer geleerd had, dan hij zelf vermoedde. Wat
zou mevrouw Rustig wel gezegd hebben als ze alles geweten had--en
Saar? En meneer Rustig, met zijn rechten van den mensch? Terzelfder
tijd dat bij Jaapje het duiveltje der koppigheid uitgedreven werd,
zaten zij zich te troosten met het denkbeeld, dat er in elk geval
op de school van meneer Bonnycastle niet van de gard gebruik werd
gemaakt, en zij verloren geheel uit het oog, dat evengoed als men
een hond nog wel op een andere wijze van kant kan maken dan door
hem te verdrinken, er ook verschillende manieren bestaan om jongens
te kastijden. Gelukkig in hun onwetendheid, sliepen allen rustig in
zonder er in 't minst van te droomen, dat Jaapje al genoeg kennis had
opgedaan om een vrij voldoend begrip te hebben omtrent het geheim
van den stok. Wat Jaapje zelf betrof, hij schreide zich in slaap,
minstens zes uren vroeger dan zij.
Derde hoofdstuk.
Jack neemt de proef van zijns vaders grondbeginselen en komt
ten slotte dicht bij de waarheid.
Den volgenden morgen was Jack niet alleen erg pijnlijk, maar ook vrij
hongerig, en toen meneer Bonnycastle hem mededeelde, dat hem in plaats
van een ontbijt een vernieuwde kennismaking met den stok te wachten
stond, toonde Jaapje zich verstandig genoeg om het heele alphabet op te
zeggen. Hiervoor werd hij zeer geprezen, en al maakten de loftuitingen
weinig indruk op hem, in elk geval was hij er toch oneindig veel liever
van gediend dan van een dracht slagen. Meneer Bonnycastle zag in, dat
hij met één uur van gestrengheid op zijn pas den jongen volkomen onder
den duim had gekregen. Hij liet hem nu over aan de hulponderwijzers
zijner school en daar ook deze gerechtigd waren tot het toedienen van
een gevoelige aansporing, werd Jaapje al spoedig een handelbaar ventje.
Misschien denkt men dat zijn gemis thuis bijzonder sterk werd gevoeld,
maar dat was niet het geval. Vooreerst had dokter Middleton er
mevrouw Rustig nadrukkelijk op gewezen, dat op school de gard niet
werd gebruikt, terwijl er alle kans bestond dat de bestraffing,
die de jongen van zijn vader had ondergaan, nog wel eens zou
herhaald worden--en in de tweede plaats, al meende mevrouw eerst,
dat zij de scheiding van haar lieveling nooit zou kunnen overleven,
spoedig begreep ze toch, dat zij zonder hem vrij wat gelukkiger
was. Een bedorven kind is altijd een bron van kommer en verdriet,
en na Jaapje's vertrek genoot mama eerst de rust en de kalmte,
waarop zij zoo bijzonder gesteld was. Langzamerhand ontwende zij
van hem, en tevreden met nu en dan een bezoek aan de kostschool en
met de rapporten van dokter Middleton, was zij er ten slotte geheel
mee verzoend, dat de jongen school lag en enkel in de vacantie thuis
kwam. Jack maakte groote vorderingen; hij had heel veel aanleg en als
zijn vader den dokter ontmoette, wreef hij in de handen en zei: "Ja,
laat ze hem nog maar een jaartje of twee houden, dan zal ik er zelf
wel de laatste hand aan leggen." Elke vacantie had hij gepoogd Jaapje
de gelijke rechten van den mensch in te prenten. De jongen scheen erg
weinig te letten op vaders betoogen, maar gaf toch duidelijk blijk,
dat al die wijsheid niet geheel aan hem verspild was, want zonder
vragen eigende hij zich alles toe waar hij lust in had. Onder deze
manier van opvoeden bereikte onze held zijn veertiende jaar en was toen
een flinke, ferme jongen en lang niet op zijn mondje gevallen--ja als
't er op aan kwam, kon hij zelfs zijn vader van z'n stoel praten.
In niets had meneer Rustig zooveel plezier als in Jack's
welbespraaktheid. "Goed zoo, mijn jongen, altijd maar redeneeren
en de zaken duidelijk uiteenzetten," zei hij gewoonlijk, als Jack
met zijn moeder aan het redetwisten was. En in zijn handen wrijvend
keerde hij zich dan tot den dokter met de opmerking: "Let eens op,
Jack zal nog een groot man worden, een zeer groot man." Meestal riep
hij dan Jack bij zich en gaf hem een goudstuk voor zijn knapheid,
zoodat zoonlief weldra zelden een gelegenheid liet ontglippen om
aan 't redeneeren te slaan. Tegenover meneer Bonnycastle hield hij
zijn praatjes stilletjes voor zich, want hij wist maar al te goed,
dat diens bewijsgronden hem te sterk waren. Wel echter redetwistte
hij met al de jongens, wat gewoonlijk op een kloppartij uitdraaide;
soms zelfs nam hij het op tegen de hulponderwijzers.
Toen nu de groote zomervacantie aanbrak, had Jack zijn hoofd vol
van allerlei betoogen en liet er zich niet weinig op voorstaan. Hij
wist alles zoo haarfijn te beredeneeren en spon alles zoo breed uit,
dat men ten slotte geheel van de wijs raakte en er eigenlijk niets
meer van begreep.
Eens was Jack in de rivier gaan visschen, maar een heele morgen was
voorbijgegaan en nog had hij niets gevangen. Daar viel zijn oog op den
grooten vijver, die hem voorkwam nog al goed voorzien te zijn. Hij klom
zonder complimenten over de heining van het buiten en lag zijn hengel
in den vijver. Toen hij al verscheiden mooie visschen opgehaald had,
werd hij aangeklampt door den eigenaar, die een paar parkopzichters
bij zich had.
"Mag ik uw naam ook weten, jongeheer?" vroeg de eigenaar aan Jack.
Nu moet gezegd worden, dat Jack altijd even hoffelijk en beleefd
was. Hij antwoordde dan ook:
"Met genoegen, meneer; ik heet Rustig, om u te dienen."
"Gij schijnt 't nog al luchtigjes op te nemen," hernam het heerschap;
"maar gij zult toch zeker wel begrijpen, dat ge u aan een overtreding
schuldig maakt?"
"Over dat woord overtreding", antwoordde Jack, "valt heel wat te
redeneeren, meneer. Vooreerst wordt 't gewoonlijk als een overtreding
beschouwd, als iemand zonder verlof op een anders land of erf
komt. Maar nu vraag ik u toch, meneer, is niet de aarde voor allen
geschapen? Heeft een enkel bewoner er van, desnoods in vereeniging
met anderen, wel het recht een gedeelte als zijn uitsluitend eigendom
aan te merken? Me dunkt, ik stel de vraag nog al duidelijk. Laten we
er nu eens over gaan redeneeren."
De heer, door wien Jack aangesproken was, had wel eens over meneer
Rustig en diens liefhebberij in het betoogen hooren praten; hij was
een luimig man, die veel meer hield van lachen dan van zich boos te
maken, en bovendien vond hij het noodig Jack te doen inzien, dat zijn
begrippen onder de gegeven omstandigheden niet houdbaar waren.
"Maar, meneer Rustig, aangenomen al dat het betreden van mijn grond
verschoonbaar is, dan zult ge toch niet willen beweren, dat gij
recht hebt mijn visschen te vangen; ik heb ze gekocht, ze in den
vijver gepoot en vervolgens steeds voedsel gegeven. Gij kunt toch
niet ontkennen, dat die beesten mijn bijzonder eigendom zijn en dat
het wegnemen er van diefstal is?"
"Daar valt nog heel wat op aan te merken, mijn waarde heer," hernam
Jack; "maar--met uw verlof, ik heb juist beet." Jack sloeg "en fermen
karper op, tot groote ergernis van de opzichters en tot vermaak van hun
meester. Hij deed den visch van den angel, wierp hem in zijn mandje,
vernieuwde doodbedaard het aas, en hervatte, terwijl hij weer inlei,
het gesprek.
"Zooals ik u deed opmerken, mijn waarde heer, is dat voor heel wat
weerlegging vatbaar. Alle schepselen der aarde werden den mensch
gegeven tot zijn gebruik--met mensch wordt bedoeld de menschheid.--Ook
het water is een gave des hemels en tot aller gebruik bestemd. Nu
komen we tot de vraag, in hoe ver de visschen uw eigendom zijn. Als
de visschen alleen voortteelden om u plezier te doen en u hun kroost
ten geschenke te geven, dan zou 't een heel ander geval zijn; maar
nu dat zoo niet is, betwijfel ik zeer of gij kunt bewijzen, dat die
visschen u meer toebehooren dan mij. Bovendien--maar daar heb ik weer
beet--met uw verlof, meneer--ai, hij gaat er van door.--
"Dus zijt gij van meening, dat de wereld en al wat zij bevat voor
allen geschapen is?"
"Juist, meneer; zoo denkt mijn vader er over, en die is een groot
wijsgeer."
"Maar waaruit verklaart uw vader dan, dat sommigen eigendommen bezitten
en anderen weer niet?"
"Daaruit, dat de sterkeren de zwakkeren hebben beroofd."
"Maar zou dat riet altijd het geval zijn, ook al konden we allen
gelijke aanspraken doen gelden, zooals gij vooronderstelt? Laten we
bijvoorbeeld eens aannemen dat twee menschen jacht maken op hetzelfde
dier en het beiden te gelijker tijd machtig worden, zal dan niet de
sterkste er mee naar huis gaan?"
"Dat stem ik toe, meneer?"
"Nu, waar blijft ge dan met uw gelijkheid?"
"Daaruit volgt nog niet, dat het de bedoeling niet is geweest de
menschen gelijk te doen wezen; het bewijst enkel dat ze het niet
zijn. Ook vervalt daarmede niet de bewering dat alles tot aller nut
is geschapen, maar het toont alleen dat de sterke tegenover den zwakke
zijn meerdere kracht doet gelden, wat zeer natuurlijk is."
"Ei zoo, gij vindt dat dus zeer natuurlijk. Nu, meneer Rustig, ik
bemerk tot mijn genoegen dat we het volkomen eens zijn, en we zullen
dat wel blijven, vertrouw ik. Vergeet niet op te merken, dat ik en mijn
twee opzichters er drie zijn, wij vormen dus de sterke partij in dit
geval, en al nemen we nu uw stelling aan, dat de visschen evengoed u
als mij toebehooren, toch maak ik nu gebruik van mijn meerdere kracht
om opnieuw in het bezit er van te komen, wat, zooals gijzelf zegt,
zeer natuurlijk is.--Jakob, pak die visschen op."
"Met uw verlof." viel Jack hem in de rede, "laten we dat eerst eens
beredeneeren."--
"Volstrekt niet; ik zal handelen volgens uw eigen stelregels--de
visschen heb ik, maar ik verlang nog meer--die hengelroe is evengoed
van mij als van u, en daar ik de sterkste ben eigen ik ze mij
toe. Jakob, Willem, neem die hengelroe,--ze behoort ons."
"U zult me toch eerst wel de opmerking veroorloven," hernam Jack,
"dat, al heb ik mijn meening te kennen gegeven, dat de aarde en
de daarop levende dieren voor ons allen geschapen zijn, ik toch
volstrekt niet beweerd heb, dat niet wat iemand zelf vervaardigt,
zijn deugdelijk eigendom is."
"Met uw verlof; de boom, waarvan gij die hengelroe gesneden hebt,
was voor ons allen bestemd, en als gij goed gevonden hebt er een
hengelroe van te maken, kan ik dat evenmin helpen als dat ik de
visschen gevoed heb in de ondersteling dat ze mij toebehoorden. Daar
alles gemeengoed is en het niet meer dan natuurlijk is dat de sterke
van zijn kracht gebruik maakt tegenover den zwakke, moet ik me die
hengelroe toeëigenen, tot ze me weer door een sterkere afhandig wordt
gemaakt. Bovendien zal ik als de sterkere partij en als bezitter van
dit land, dat volgens u niet meer aan mij dan aan u behoort, mijn
opzichters last geven u van mijn grondgebied te verwijderen. Jakob,
neem die hengelroe en zet meneer Rustig eventjes over de heining. Dag,
meneer Rustig, goedenmorgen?"
"Meneer, ik vraag u wel verschooning, maar gij hebt al mijn
bewijsgronden nog niet aangehoord," begon Jack weer, die het volstrekt
niet eens was met de gemaakte gevolgtrekkingen.
"Ik heb geen tijd om nog langer naar u te luisteren, meneer Rustig;
goedenmorgen." En de eigenaar vertrok en liet Jack in gezelschap van
de twee opzichters achter.
"Ik zal je moeten lastig vallen om die hengelroe, heerschap, zei
Willem. Jakob was intusschen druk bezig met de visschen een eind bies
onder de kiewen door te halen.
"In elk geval zult gij toch naar rede hooren," zei Jack. "Ik kan
u bewijzen...."
"Nog nooit heb ik een goed bewijs gehoord, dat het stroopen geoorloofd
is," viel de opzichter hem in de rede.
"Je bent een onbeschaamde vlerk," antwoordde Jack. "Door zulk slag van
volk als jullie te betalen, zijn sommige menschen in staat allerlei
ongerechtigheid te bedrijven."
"Door ons te betalen weert men de stroopers--en al is er verschooning
te vinden voor een armen drommel zonder werk, voor jou, die nog wel
een heer wilt wezen, stellig niet."
"Als we op zijn eigen praatjes afgaan, is hij geen steek meer dan wij."
"Zwijg, kerel, ik zal me niet vernederen tegen jou te redeneeren;
als ik dat wou, kon ik je gemakkelijk bewijzen, dat jullie een paar
laaghartige slaven bent, die evenveel recht hebt op dit landgoed als
je meester of ik."
"Als jij, dat wil ik waarachtig wel gelooven."
"Ja, als ik, vlegel; deze vijver en de visschen er in behooren
evengoed aan mij als aan je meester, die ze zich wederrechtelijk
beeft toegeëigend."
"Wel, Jacob, wat zou je er van denken, als we dien jongenheer eens
in het bezit stelden van zijn eigendom?" zei Willem met een knipoogje
tot zijn kameraad.
Willem begreep den wenk en eensklaps werd Jack bij armen en beenen
opgegrepen en in den vijver gesmeten. Na een flinke onderdompeling
kwam hij weer boven en wist al snuivend en proestend weer naar den
kant te scharrelen.
Intusschen verwijderden zich de opzichters onder luid gelach over
de poets, die zij onzen held gespeeld hadden. Hengelroe, visch en
blikken pierenbak namen ze mee.
"Er moet toch zeker," dacht Jack, "aan die wijsbegeerte van vader iets
niet in den haak zijn, of anders is de wereld al erg verdorven. Ik
zal er eens met hem over spreken."
Het antwoord, dat Jack op zijn vraag kreeg, luidde aldus:
"Ik heb je vroeger al eens gezegd, dat de groote waarheden nog niet
genoeg ingang hebben gevonden; maar daaruit volgt volstrekt niet
dat ze minder deugdelijk zijn. We leven in de ijzeren eeuw, waarin
macht voor recht wordt gehouden, maar er zal een tijd komen dat mijne
stellingen worden erkend, en dan zal je vaders naam beroemder worden
dan die van eenig wijsgeer der oudheid. Denk er om, Jack, al heb je
bij de bestrijding van het verkeerde en het verdedigen der rechten
van den mensch nog zooveel te lijden, toch moet je volharden in je
plicht, en nooit het pleit gewonnen geven."
"Dat nooit," antwoordde Jack; "maar als ik weer eens aan 't betoogen
ga, zal ik zien de macht op mijn zijde te krijgen en liefst een plek
uitzoeken, wat minder dicht bij een vijver."
"Mij dunkt toch," zei mevrouw Rustig, die stil toegeluisterd had,
"dat Jack maar liever in de rivier moest gaan visschen; al vangt hij
er weinig, in elk geval zal hij dan niet in het water geworpen worden
en op die manier zijn kleeren bederven."
Maar mevrouw Rustig was geen wijsgeer.
Eenige dagen later kreeg Jack op een mooien morgen aan den anderen
kant van een heining, een appelboom met verlokkende vruchten in het
oog. Onmiddelijk kroop hij door de heining, klom in den boom, zocht
de lekkerste appels uit en ging zitten eten.
"Heila mannetje, wat doe je daar?" riep een barsche stem.
Jack keek naar omlaag en zag beneden een stevigen boer staan.
"Wat ik hier doe, kunt ge, dunkt me, wel zien," antwoordde Jack;
"ik ben aan 't appels eten--zal ik er u ook een paar toegooien?"
"Dank je vriendelijk, hoe minder er afgeplukt worden hoe beter,
maar denk je soms, dat ze jou toebehooren, dat je er zoo vrijgevig
mee bent?"
"Ze behooren mij evengoed als u, waarde vriend."
"Dat zul je toch wel mis hebben, ventje; die appels zijn van mij, en ik
raad je om maar drommels gauw uit den boom te komen. Als je beneden,
bent kunnen we er verder over praten, en je zult dan ruimschoots je
deel hebben, voegde hij er bij met een veelbelovende beweging van
zijn dikken stok."
Dit deed Jack niet veel goeds verwachten.
"Mijn beste man," zei hij, "'t is bepaald een vooroordeel van u,
te meenen dat appels niet, evengoed als ander fruit, ten nutte van
ons allen gegeven zijn--ze zijn algemeen eigendom, geloof me toch."
Dat mag jij misschien meenen, kereltje, maar ik denk er heel anders
over. Ik heb er al lang op geloerd, wie toch mijn appels stal, en nu ik
een van de dieven gesnapt heb, zal hij er niet zonder een behoorlijke
kastijding afkomen. Er uit dus, jou kleine rakker, en gauw wat ook,
of anders zal 't slecht met je afloopen."
"Dank u wel," zei Jack, "ik zit hier heel best. Maar, als u 't goed
vindt, wil ik gaarne het geval met u nader beredeneeren."
"Daar heb ik geen tijd voor; ik heb nog heel wat te doen, maar je
hoeft niet te denken, dat ik je zal laten ontsnappen. Heb je geen lust
om naar beneden te komen, welnu, dan blijf je maar stilletjes boven,
maar ik verzeker je, dat ik je na afloop van mijn werk hier nog goed
en wel vinden zal."
"Wat aan te vangen met iemand die naar geen redeneering wil
luisteren?" dacht Jack. "Wat een verdorven wereld toch! Maar dat weet
ik wel, als hij terugkomt, zal hij me hier niet vinden."
Daarin vergiste Jack zich echter. De boer deed een paar stappen naar de
heining, riep een jongen wat toe en deze ijlde naar de hofstede. Eenige
oogenblikken later zag men een groote bulhond door den boomgaard heen
op zijn meester losstuiven. "Pas op, Caesar," zei de boer tot de hond,
"pas op!" De hond vleide zich neer op het gras, gluurde met opgeheven
kop onafgewend naar Jack en liet daarbij een paar rijen tanden zien,
die onzen held voor het oogenblik al zijn wijsgeerige denkbeelden
deden vergeten.
"Al kan ik niet wachten, Caesar wel, en ik verzeker je in gemoede dat
er geen stuk van je heel blijft, als hij je bij de kladden krijgt. Als
ik met mijn werk klaar ben, kom ik terug." Dit zeggende verwijderde
zich den boer en liet het aan Jack en aan den hond over om de kwestie
uit te maken, als ze er lust in hadden.
Na een poos liet de hond zijn kop zakken en sloot de oogen, alsof hij
sliep, maar niet zoodra bewoog Jack zich even, of een er van werd een
weinig geopend. Jack vond het dus maar geraden om te blijven waar
hij was. Hij plukte nog een paar appels, want 't was tijd voor het
middagmaal, en begon al etende te overpeinzen.
Nog niet lang was hij daarmee bezig, toen hij gestoord werd door een
stier, die al brullende den boomgaard doorrende en op het gezicht
van Caesar den kop naar omlaag boog. Caesar vloog overeind en
vatte den stier in het oog, die met zijn staart in de lucht op hem
losstoof. Vlakbij gekomen deed de stier een aanval op den hond; maar
deze ontweek den stoot en vloog op zijn beurt op zijn tegenstander
aan. Deze schermutseling duurde voort, tot de vechtende partijen een
heel eind van den appelboom verwijderd waren geraakt. Jack dacht nu
zijn kans waar te nemen om te ontsnappen, maar ongelukkig werd het
gevecht juist gevoerd aan dien kant van den boomgaard waar de heining
was, die Jack weer over moest. Dat hindert niet, dacht onze held, dan
neem ik den anderen kant maar, al moet ik dicht langs den boerenwoning,
er valt nu eenmaal niet te kiezen. Terwijl Jack zich uit den boom liet
zakken, hoorde hij opeens een vervaarlijk gebrul; de hond was door den
stier op de horens genomen en in de lucht geslingerd, en Jack zag hem
aan den overkant der heining neersmakken; het gebrul was de zegekreet
van den overwinnaar. Toen Jack nu bemerkte dat hij van zijn bewaker
verlost was liet hij zich in een wip verder naar omlaag glijden en
zette het op een loopen. Ongelukkig kreeg de stier hem in het oog en
stoof in den zwijmel der overwinning met een vernieuwd gebrul onzen
vriend achterna. Jack bespeurde het gevaar dat hem dreigde, en de
angst gaf hem vleugelen; hij vloog niet alleen door den boomgaard,
maar ook over de heining, die bijna vijf voet hoog was en wel juist
toen de stier er met zijn kop tegenaan rende. Kijk waar je loopt,
leert een oud spreekwoord. Als Jack daarna gehandeld had, zou hij
't er beter afgebracht hebben; maar nu er in dit geval nog al eenige
verschooning voor hem kan ingebracht worden, zullen we enkel maar
zeggen, dat hij zich aan den anderen kant van de heining in een kleinen
bijenstal beland zag. Twee korven had hij in zijn vaart omgeworpen
en eer hij goed en wel weer op de been was, waren de verontwaardigde
bijen al druk bezig hem van alle kanten te steken. Het eenige wat Jack
doen kon was weer aan den haal gaan, maar de bijen vlogen sneller dan
hij loopen kon en de arme jongen was dol van de pijn, toen hij half
verblind struikelde over het steenen ringmuurtje van een put. Zijn val
in den put kon Jack niet stuiten, maar hij greep de ijzeren ketting,
die hem in het gezicht sloeg. Het windas liep af--en daar ging 't
met de grootste snelheid naar beneden. Na een daling van een voet of
veertig zat hij geheel onder water en had nu geen last meer van de
bijen. Jack werkte zich aan den ketting, die geheel afgeloopen was
weer wat omhoog en voelde nu iets tegen zijn beenen slingeren. Het
was de emmer, die ongeveer twee voet onder water zat; Jack zette er
zijn beenen in en voelde zich nu vrij behaaglijk; want na de steken
der bijen en de verhitting van zijn wedloop met den stier, bracht
het water hem een heerlijke verfrissching aan.
"In elk geval," dacht Jack, "als de stier er niet geweest was, zou de
hond op me zijn blijven passen en had ik later een pak ransel gekregen
van den boer; maar aan den anderen kant zou ik, als de stier er niet
geweest was, niet onder de bijen terecht zijn gekomen, en als de bijen
er niet geweest waren, zou ik niet in den put getuimeld zijn; en als
die ketting er niet geweest was, zou ik verdronken zijn. Wat een reeks
van gebeurtenissen, enkel omdat ik lust had een appeltje te eten!"
"Hoe het zij, van den boer, den hond, den stier en de bijen ben ik af;
maar hoe kom ik nu hier uit dezen put? Het schijnt wel, of de geheele
schepping tegen de rechten van de mensch heeft samengespannen. Zooals
mijn vader zegt, leven we in een ijzeren eeuw en hier hang ik nu te
bengelen aan een ijzeren ketting."
Vierde hoofdstuk.
Jack begint vrij verstandig te overleggen, maar komt toch
tot een erg onverstandig besluit.
Nadat Jack ongeveer een kwartier in zijn zonderlinge positie had
doorgebracht, begonnen zijn tanden te klapperen en zijn lippen
te trillen; hij voelde een dofheid in al zijn ledematen en achtte
het hoog tijd om hulp te roepen. In het eerst durfde bij wel niet
goed, uit vrees dat hij dan weer zou blootgesteld raken aan de
verontwaardiging van den boer en diens gezin, maar hij kon hier toch
niet blijven. Juist sperde Jack zijn mond open om een schreeuw te
geven, toen er beweging in den ketting kwam en hij langzaam omhoog
ging. Eerst hoorde hij klachten over de zwaarte van den emmer, wat hem
volstrekt niet verwonderde; daarna hoorde hij gegrinnik en gelach van
twee personen en weldra ging het vrij vlug naar boven. Ten slotte kwam
zijn hoofd boven het lage muurtje uit en juist wilde hij zijn eene
arm uitsteken om zich vast te grijpen, toen de twee aan het windas
hem in de gaten kregen. Het waren een stevige boerenknecht en een meid.
"Dank u," zei Jack.
Maar men moet nooit te vlug zijn met bedanken. De meid gaf een gil en
liet den draaier los, de knecht schrikte en kon het windas ook niet
meer houden; de draaier ontglipte aan zijn handen, sloeg hem tegen
de kin, zoodat hij languit op den grond rolde en eer het "dank u"
goed en wel over Jack's lippen was gekomen, ging hij weer als een
pijl uit den boog naar omlaag. Gelukkig had hij den ketting nog niet
losgelaten, anders zou hij tegen den kant geslagen zijn en er stellig
het hachje bij ingeschoten hebben; hij kwam er nu af met een tweede
onderdompeling en bevond zich weldra weer in zijn vorigen toestand.
"Dat is me ook wat moois," dacht Jack, terwijl hij zijn pet wat
vaster op het hoofd drukte, "maar ze kunnen zich nu ten minste niet
meer houden, alsof ze niet wisten dat ik hier was."
Intusschen stoof de meid de keuken binnen, liet zich op een stoel
vallen, maar gleed er onmiddellijk weer af en kwam terecht op eenige
opgemaakte brooden, die nog gebakken moesten worden en op den grond
bij het vuur gezet waren om wat te rijzen.
"Hemeltje lief! wat is er met Suze aan de hand?" riep de pachtersvrouw
uit. "Heidaar,--Marie--Jan--waar zit je? Och, och, al mijn brooden
zoo plat als een koek!"
Jan kwam spoedig daarop, met zijn hand aan zijn onderkaak. Hij zag
er ontdaan en verschrikt uit, wat geen wonder was; want vooreerst
dacht hij dat zijn onderkaak gebroken was en bovendien geloofde hij
stellig en vast, dat hij den duivel gezien had.
"Goeie genadigheid! wat is er toch gaande!" riep de pachtersvrouw
alweer. "Marie, Marie?" schreeuwde ze en begon nu zelf ook angstig
te worden, want hoe ze ook alle krachten inspande, ze kon maar geen
beweging krijgen in Suze, die als een klomp lood op haar bed van deeg
lag. Marie gaf gehoor aan het luid geroep harer meesteres en met haar
hulp gelukte het Suze van den grond te tillen; maar de brooden weer
in hun fatsoen te brengen, daar was geen denken aan.
"Waarom help jij dan ook eens niet een handje, Jan? snauwde Marie
hem toe.
"Au-au-au!" was al wat ze ten antwoord kreeg van Jan, die van dat
helpen van Suze al plezier genoeg had gehad, en maar steeds zijn hand
aan de wang hield.
"Wat is er toch te doen, vrouw?" riep de pachter onder het
binnentreden. "Wel verdraaid, wat scheelt Suze toch? En wat scheelt
jou?" vervolgde hij, zich nu tot Jan wendend. "Duivels, het schijnt
wel dat de heele boel in de war loopt vandaag. Om te beginnen worden
mijn appels gestolen--dan vind ik in den tuin al mijn bijenkorven
omvergesmeten--de stier heeft Caesar leelijk toegetakeld, is vervolgens
door de heining gebroken en daarna in den zaagkuil gevallen--en nu
ik hier hulp kom halen om er hem weer uit te krijgen, vind ik de
meid meer dood dan levend en Jan met een gezicht alsof de booze hem
verschenen was."
"Au-au-au!" antwoordde Jan met een veelbeteekend hoofdknikken.
"Je zoudt waarachtig gaan denken, dat de duivel vandaag losgebroken
was. Wat is er toch, Jan? Heb jij hem soms gezien, of Suze?"
"Au-au!"
"Loop heen met je au! Met jou valt niets te beginnen. Is dat schepsel
weer bij haar positieven gekomen!"
"Ja, ja, ze is weer beter.--Suze, wat is er gebeurd?"
"O, o, juffrouw! de put, de put."--
"De put! Daar is 't zeker niet in den haak; ik zal eens gauw gaan
kijken."
De boer haastte zich naar den put. Hij zag dat de emmer naar omlaag en
de ketting geheel afgeloopen was; hij boog zich wat over den rand en
keek in den put. Jack, die vrij ongeduldig geworden was en al telkens
opgekeken had of er nog geen hulp kwam opdagen, zag nauwelijks het
vollemaansgezicht van den boer of hij riep:
"Hier ben ik, haal me spoedig op, of ik zal 't besterven." Die
bewering was niet zoo ver buiten de waarheid, want de jongen was
doodaf, ofschoon hij nog altijd moed had gehouden.
"Verduiveld, daar is er eentje in den put gevallen!" riep de boer uit;
"er komt vandaag geen eind aan de ongelukken. Ja, een christenmensch
gaat toch altijd boven een stier; dus eerst hem uit den put gehaald
en dan mijn beest uit den kuil geholpen."
Fluks riep hij eenige arbeiders en nu zou het reddingswerk beginnen.
"Opgepast daar beneden, hou je stevig vast."
"Ga je gang maar!" riep Jack.
Het windas werd in beweging gebracht en weldra kwam Jack opnieuw over
den rand kijken. Een paar handen werden hem toegestoken en spoedig was
hij uit zijn benarden toestand gered. Ze moesten hem echter languit
op den grond leggen, want zijn krachten hadden hem begeven.
"Wel verdraaid! 't is dezelfde jongen, die bezig was mijn appels te
stelen," riep de boer uit--"maar toch, het kapen van een paar appels
mag hem den dood niet kosten; alloo, jongens, opgepakt en hem naar
binnen gedragen--hij is heel verkleumd van de kou--en geen wonder."
De pachter liep vooruit en zijn arbeiders droegen Jack in huis, waar
hij een glas brandewijn te drinken kreeg. Dit wekte de levensgeesten
weer op en spoedig was de jongen weer aardig opgeknapt.
Nadat Jack verteld had hoe alles zich had toegedragen, vroeg de boer
hem, hoe hij heette.
"Mijn naam is Rustig," antwoordde Jack.
"Hoe! ben je de zoon van meneer Rustig van Boschlust?"
"Ja."
"Alle drommels! dat is mijn pachtheer, en wat een goede, hoor!--Waarom
heb je dat niet gezegd, toen je in den appelboom zat? Voor mijn part
hadt je dan den heelen boomgaard kunnen plunderen."
"Beste vriend," hernam Jack, die na een tweede glas brandewijn weer
erg spraakzaam was geworden, "laat het u een les zijn, om voortaan
altijd te luisteren, als iemand u iets uiteen wil zetten. Als gij
maar geduld hadt gehad, zou ik u onweerlegbaar bewezen hebben, dat
gij niet meer recht op die appels hebt dan ik; maar gij verkoost
niet te luisteren naar mijn betoog, en zonder redeneering kunnen
we nooit achter de waarheid komen. Gij hebt er uw hond bijgehaald
en nu ligt hij met een opengescheurd lijf--uw stier heeft zijn poot
gebroken in den zaagkuil--uw bijenkorven liggen overhoop, zoodat al
de honig verloren is--uw knecht heeft zijn onderkaak gebroken--uw
meid heeft al uw brood bedorven--en waarom? Enkel en alleen omdat
gij mijn redeneering niet hebt willen aanhooren."
"Ja, zie je, jongenheer, 't mag waar zijn, dat al die ongelukken
gebeurd zijn omdat ik u niet hebt laten uitpraten, maar als ik nu toch
den boomgaard van uw vader gepacht heb, dan begrijp ik me niet, hoe
gij me zoudt kunnen bewijzen dat de appels mij niet toebehooren. Maar
al bekijken we het geval op uw manier, dan zie ik nog niet in, dat
gij er zooveel beter af zijt gekomen: gij klimt in een boom om een
paar appels, terwijl gij meer dan genoeg geld in uw zak heb om ze te
koopen als ge er lust in hebt--een hond belet u weer naar beneden te
komen--een stier gaat u bijna met zijn horens te lijf--de bijen steken
u erbarmelijk en gij tuimelt in een put; ja, 't is een duizend lukje,
dat gij er het hachje niet bij ingeschoten hebt--en dat enkel om een
paar appels, die nog geen dubbeltje waard zijn."
"Dat is alles zeer waar, mijn goede man," hervatte Jack, "maar gij
vergeet, dat ik, als wijsgeer, bezig was met de rechten van den mensch
te verdedigen."
"Zoo? Ik heb nog nooit geweten, dat een jongen, die appels stal, een
wijsgeer genoemd werd; wij noemen zoo eentje een kleine gauwdief. En
wat die rechten van den mensch betreft, ik zie niet in hoe men die
kan verdedigen door verkeerde dingen te doen."
"Gij begrijpt niet hoe de zaak in elkaar zit, pachter."
"Neen, dat doe ik ook niet--en ik ben te oud geworden om het nog te
leeren, jongeheer. Al wat ik er van zeggen kan is dit, dat gij altijd
welkom zijt in den boomgaard als ge lust hebt in een paar appels, en
als gij, in de vooronderstelling dat gestolen vruchten het lekkerst
smaken, ze liever wilt stelen, welnu, dan zal ik last geven, dat men
u stil uw gang moet laten gaan. Maar, jongenheer, mijn sjees staat
voor de deur en mijn knecht zal u naar huis rijden. Doe alsjeblieft
mijn groeten aan uw vader en zeg hem, dat 't me erg spijt, dat gij
in onzen put zijt gevallen."
Daar Jack op het oogenblik veel meer lust had om in zijn bed te kruipen
dan om aan 't betoogen te gaan, wenschte hij den pachter goedenavond,
en liet zich naar huis rijden.
De pijn, die de steken der bijen hem veroorzaakten, was intusschen
zoo hevig geworden, dat hij heel blij was dokter Middleton bij zijn
vader en moeder aan de theetafel te vinden. Jack vertelde enkel,
dat hij het ongeluk had gehad onder een zwerm bijen verzeild te
raken en hevig gestoken was. Hij gaf aan het heele geval een anderen
draai. Toen de dokter hem de pols voelde, bemerkte hij, dat de jongen
een hevige koorts had, wat na al hetgeen er dien dag met hem gebeurd
was, niet te verwonderen viel. Een week lang moest hij het bed houden,
gedurende welken tijd hij allerlei dingen door zijn hoofd haalde en
een plan maakte.
Maar we moeten een omstandigheid vermelden, die misschien wel de
oorzaak was van Jack's besluit. Toen hij op dien bewusten avond thuis
kwam, trof hij er behalve dokter Middleton ook een zekeren kapitein
Wilson aan, een verren neef die slechts zelden Boschlust bezocht,
omdat hij nog al veraf woonde. Bovendien had de man vrij wat moeite
om in het onderhoud van zijn groot gezin te voorzien, zoodat er van
snoepreisjes niet veel sprake kon zijn. Het bezoek van kapitein Wilson
gold thans een poging om van meneer Rustig geldelijken bijstand te
krijgen. Hij was pas aangesteld als gezagvoerder over een oorlogschip,
en daar zijn uitrusting nog al veel kostte, kon hij zijn vrouw geen
voldoende som tot onderhoud van het gezin achterlaten. Daarom verzocht
hij nu meneer Rustig hem eenige honderden guldens te leenen, die hij
zoodra mogelijk zou terugbetalen. Meneer Rustig was er de man niet naar
om zoo iets te weigeren en daar hij altijd een aanzienlijk bedrag bij
zijn kassier had uitstaan, trok hij op dezen een wissel van duizend
gulden en gaf dien aan kapitein Wilson, met de bijvoeging dat hij het
bedrag maar terugbetalen moest, als het hem gelegen kwam. Juist was
deze zaak bedisseld en kapitein Wilson weer met meneer Rustig in de
huiskamer gekomen, toen Jack van zijn uitstapje terugkeerde.
Jack groette kapitein Wilson, dien hij sinds lang kende; maar, zooals
wij reeds opmerkten, leed hij zooveel pijn, dat hij al spoedig zich
met dokter Middleton verwijderde en naar bed ging.
Een week geeft heel wat gelegenheid tot overdenken, zelfs aan een
jongen van veertien, al is die leeftijd niet bijzonder geneigd tot
overpeinzingen. Maar Jack lag te bed; van de steken der bijen waren
zijn oogleden zoo gezwollen, dat hij volstrekt niet lezen kon of zich
op eenige wijze bezig houden waarbij zijn gezicht te pas kwam. Te
luisteren naar het gebabbel van Saar, die hem oppaste, beviel hem
ook niet erg; zoodat hij zich maar met zijn eigen gedachten den tijd
zocht te verdrijven.
Nadat hij acht dagen te bed had gelegen, verscheen hij eindelijk weer
in de huiskamer, en deed nu aan zijn vader een uitvoerig verhaal van
de omstandigheden, die hem genoodzaakt hadden het bed te houden.
"Zie je wel, Jack", antwoordde zijn vader, "'t is precies zooals ik
je gezegd heb: de wereld is in merg en been verdorven door wat ze
maatschappelijke instellingen gelieven te noemen, en ieder die zich
tegen die ordeningen verzet, bemerkt telkens dat hij aan het kortste
eindje trekt. Maar geen moed verloren, de waarheid moeten we blijven
voorstaan, als zou 't onze ondergang zijn."
Alles goed en wel, papa, maar bij het betrachten van die wijsbegeerte
ben ik nu, in den korten tijd van twee dagen, beroofd van de visschen,
die ik gevangen had, en van hengelroe en tuig bovendien--ze hebben me
in een vischvijver gegooid--een bulhond heeft me een doodsangst op het
lijf gejaagd--'t scheelde niet veel of een stier had me gedood--bijen
hebben me allerjammerlijkst toegetakeld, en tweemaal ben ik in een
put gevallen. Als dat nu in twee dagen gebeurt, wat staat me dan
niet in een heel jaar te wachten? Het lijkt me onverstandig hier
nog verdere pogingen te doen, want het schijnt dat de menschen
te land voor geen rede vatbaar zijn. Maar al is de grond ook zoo
schandelijk onder weinigen verdeeld, het water is ten minste algemeen
eigendom. Niemand maakt aanspraak op een deel er van, ieder kan het
naar hartelust doorkruisen, zonder dat een ander dit als overtreding
beschouwt. Alleen op zee denk ik de gelijkheid en de rechten van den
mensch erkend te zien, en daarom ben ik besloten niet naar school
terug te keeren, waar ik erg een hekel aan heb, maar op zee te gaan
en daar zooveel mogelijk onze denkbeelden te verbreiden."
"Daar heb ik geen ooren naar, Jack. In de eerste plaats moet je weer
naar school, en in de tweede plaats mag je niet naar zee."
"En toch verklaar ik bij de rechten van den mensch, dat ik niet weer
naar school wil, maar naar zee. Wie en wat zou me verhinderen? Heb
ik niet evenveel recht op mijn deel van de zee als ieder ander
sterveling? Ik dring aan op de volkomen gelijkheid," voegde hij er
bij en stampte op den grond.
Wat kon meneer Rustig hierop antwoorden? Hij moest òf als wijsgeer
zijn stellingen opgeven, òf als vader zijn zoon laten varen. Als
alle wijsgeeren, koos hij wat hem het minst gewichtig toescheen,
hij bracht zijn zoon ten offer; maar, we moeten tot zijn eer zeggen,
hij deed 't met een zucht.
"Nu, Jack, als je er op staat, zul je naar zee."
"Natuurlijk," antwoordde Jack met den glans der overwinning op het
gelaat: de vraag is maar, met wien? Ik meen gehoord te hebben, dat
kapitein Wilson spoedig zee zal kiezen en met hem zou ik graag onder
zeil gaan."
"Ik zal hem schrijven," zei meneer Rustig op droeven toon; en hiermee
was de zaak beklonken.
Kapitein Wilson's antwoord luidde natuurlijk toestemmend, en hij
beloofde, dat hij Jack als zijn eigen zoon zou behandelen.
Onze held reed dienzelfden middag op zijn vaders paard naar meneer
Bonnycastle.
"Ik ga naar zee, meneer."
"Dat is heel goed voor je," antwoordde deze.
Onze held begaf zich naar dokter Middleton.
"Ik ga naar zee, dokter."
"Je kunt niet beter doen," luidde het antwoord.
"Ik ga naar zee, moeder," zei Jack.
"Naar zee. Jaapje, naar zee, zeg je? o neen, neen, Jaapjelief, niet
naar zee!" riep mevrouw Rustig met afgrijzen uit.
"Jawel, moe, pa heeft 't goed gevonden en me gezegd, dat hij ook uwe
toestemming zal weten te krijgen."
"Mijne toestemming! Och, mijn lieve, lieve jongen!"--en mevrouw Rustig
weende bitter.
Vijfde hoofdstuk.
De jongenheer rustig krijgt zijn eerste les over dienstijver.
Er viel niet veel tijd te verliezen, onze held moest de ouderlijke
woning spoedig vaarwel zeggen, en zat al gauw te Portsmouth. Daar
Jack volop geld had en het heel prettig vond zijn eigen meester
te wezen, maakte hij volstrekt geen haast om zich op het schip aan
te melden, en vijf of zes jongelui van niet al te best allooi, met
wie hij onderweg in kennis was gekomen en die op zijn zak teerden,
raadden hem ten sterkste het aan boord gaan zoo lang mogelijk uit
te stellen. Toevallig stemde die raad volkomen overeen met Jack's
eigen meening, zoodat onze held bijna drie weken in Portsmouth was,
eer iemand iets van zijn komst had vernomen. Maar ten slotte ontving
kapitein Wilson een brief van meneer Rustig, waarin onder anderen
gemeld werd, wanneer Jack van huis was vertrokken. De kapitein verzocht
nu den eersten luitenant eens onderzoek te doen, daar hij vreesde dat
den jongen eenig ongeluk overkomen mocht zijn. Daar meneer Sawbridge,
de eerste luitenant, dienzelfden avond toch naar den wal moest,
misschien wel de laatste maal vóór het uitzeilen van het schip,
liep hij bij verschillende logementen aan, om te hooren of er ook
een zekere meneer Rustig zijn intrek genomen had.
"O ja," antwoordde de bediende uit de Fontein, "meneer Rustig is hier
al drie weken gelogeerd."
"Wel verduiveld," bromde Sawbridge met al de verontwaardiging van een
eersten luitenant, die bemerkt dat hij gedurende drie weken door een
adelborst is misleid.
"Waar is hij; in de gelagkamer?"
"O neen, meneer," antwoordde de bediende, "meneer Rustig heeft de
voorkamers der eerste verdieping betrokken."
"Nu, wijs me die dan maar."
"Mag ik ook zoo vrij wezen uw naam te vragen, meneer?" zei de bediende.
"Eerste luitenants laten zich niet vooraf aandienen bij adelborsten,"
antwoordde Sawbridge; "hij zal spoedig genoeg te weten komen wie
ik ben."
Op dit bescheid, liep de bediende, gevolgd door Sawbridge, de trap
op en deed de deur open.
"Daar is een heer om u te spreken, meneer," zei de bediende.
"Verzoek hem binnen te komen," zei Jack; "en hoor eens: zorg dat de
punsch wat beter is dan gisteren; ik heb nog twee heeren meer ten
eten gevraagd."
Intusschen was meneer Sawbridge, die zijn uniform niet aanhad,
binnengetreden, en zag nu Jack alleen zitten bij een keurig aangerichte
tafel, waarop voor acht personen gedekt was. Zoowel het diner als het
vertrek zelf zou, volgens Sawbridge's meening, veeleer gepast hebben
voor een kommandant dan voor een adelborst van een oorlogsschip.
Sawbridge was een flink officier, iemand die zichzelf tot luitenant
opgewerkt had, en niets bezat dan zijn tractement. In zijn zeven
en twintig jaren dienst had hij iets stroefs over zich gekregen, en
vooral jongelui van aanzienlijke familie, wier getal steeds toenam
op de schepen, kon hij niet uitstaan. Geheel zonder reden was dit
niet, want hij bemerkte dat door dien toevloed zijn eigen kansen op
bevordering verminderden. Volgens zijn oordeel werden de adelborsten
des te onbruikbaarder naarmate ze meer het heertje uithingen, geen
wonder dus dat hem de gal overliep bij het aanschouwen van al de
vertooning en drukte gemaakt door een jongmensch, dat weldra op
een zuur gezicht van hem zou ineenkrimpen, en zulks al drie weken
geleden had moeten doen. Toch was Sawbridge een rechtschapen mensch,
al bleek hij soms wat naijverig op degenen, die zich meer weelde
konden veroorloven dan hij.
"Mag ik vragen, meneer," zei Jack, die altijd buitengewoon beleefd was,
"waarmede ik u van dienst kan zijn?"
"Jawel, meneer,--met onmiddellijk naar uw schip te gaan. En mag ik
op mijn beurt eens vragen, wat de reden is, dat gij al drie weken
hier aan wal zijt zonder u te komen aanmelden?"
Jack, die volslrekt niet gesticht was over Sawbridge's bevelenden
toon en intusschen plaats had genomen, sloeg de beenen over elkaar,
speelde achteloos met zijn gouden horlogeketting en antwoordde na
een poos vrij koel:
"Maar, meneer, wie zijt gij dan toch?"
"Wie ik ben, meneer?" hernam de bezoeker van zijn stoel opspringende,
"mijn naam is Sawbridge, meneer, en ik ben de eerste luitenant van de
'Harpij.' Ziedaar het antwoord op uw vraag."
Sawbridge, die zich verbeeldde, dat het noemen zijner waardigheid
van eersten luitenant den adelborst een schrik om het hart zou doen
slaan, liet zich weer op zijn stoel vallen en nam een air van groot
gewicht aan.
"Inderdaad, meneer," antwoordde Jack, ik moet erkennen, datik uit
onbekendheid met den dienst weinig besef heb van uw eigenlijke positie
aan boord, maar uit uw gedrag zou ik opmaken, dat u een niet geringen
dunk van uzelven heeft."
"Hoor eens, jongmensch, ik wil aannemen, dat ge niet weet wat een
eerste luitenant is--uw houding tegenover mij geeft er duidelijk
blijk van--maar reken er gerust op, dat ik het u spoedig zal laten
merken. Tevens sta ik er op; dat ge onmiddellijk mee naar boord gaat."
"Het spijt me, meneer," antwoordde Jack doodbedaard, "maar ik kan aan
uw hoogst bescheiden verlangen niet voldoen. Ik zal aan boord komen,
zoodra mij dat goeddunkt, en u zult mij verplichten met u verder niet
over mij te bekommeren."
Jack trok aan het schelkoord; de bediende, die aan de deur had staan
luisteren, trad onmiddellijk binnen en eer Sawbridge, verbluft door
zoo'n verregaande brutaliteit, iets zeggen kon, gaf Jack den bediende
last meneer even uit te laten.
"Alle donders!" riep de eerste luitenant uit. "Wacht maar, ventje;
heb ik je eenmaal goed en wel aan boord, dan zal ik je het verschil
tusschen een adelborst en een eersten luitenant terdege duidelijk
maken."
"Ik erken alleen gelijkheid, meneer," antwoordde Jack; "als gelijken
zijn wij allen geboren, dat zult gij toch toestemmen, hoop ik."
"Gelijkheid--wel verdraaid! wou je soms ook het bevel over het
schip op je nemen? We zullen je spoedig uit den droom helpen. Ik
ga nu aan kapitein Wilson rapport uitbrengen over uw gedrag en dit
verzeker ik je, als ge niet nog hedenavond aan boord zijt, dan zend
ik morgenochtend met het krieken van den dag een sergeant met eenige
mariniers om je in te rekenen."
"Wees verzekerd, meneer," antwoordde Jack, "dat ook ik niet in gebreke
zal blijven aan kapitein Wilson mede te deelen, dat ik u als een
onhebbelijken ruziemaker beschouw en hem raad u niet langer aan boord
te dulden. Met zulk een ongelikten beer op een zelfde schip te wezen,
is niet om uit te houden."
"Hij moet gek zijn--stapelgek," riep Sawbridge uit, wiens verbazing
de overhand kreeg over zijn verontwaardiging.
"Neen, meneer," antwoordde Jack, "een gek ben ik niet, maar een
wijsgeer.
"Wat voor een ding?" riep Sawbridge uit, "Wacht maar, grappenmaker,
we zullen de wijsbegeerte van je wel op de proef stellen."
"Juist daarom heb ik besloten op zee te gaan, meneer," hernam Jack;
"en als gij aan boord blijft, hoop ik met u eens te redeneeren, en u te
bekeeren tot erkenning der gelijkheid en der rechten van den mensch."
"Wees er maar zeker van, dat ik je spoedig tot onderwerping aan
de krijgsartikelen zal bekeeren, als je tenminste ooit aan boord
komt. Voorloopig ga ik nu den kapitein rapport maken over uw gedrag,
en laat u bij uw diner als ge nog eetlust overgehouden mocht hebben."
"Ten zeerste verplicht, meneer, maar over mijn eetlust behoeft ge
u volstrekt niet bezorgd te maken. Het eenige wat me spijt, is dat
ik, met het oog op het nette gezelschap dat ik wacht, u niet durf
uitnoodigen onzen dischgenoot te zijn. Ik zou dat anders gaarne gedaan
hebben, nu het blijkt dat we tot hetzelfde schip behooren. Ik wensch
u goedendag, meneer."
"Twintig jaren ben ik in dienst," bulderde Sawbridge, "en nu zou me
daar zoo'n.... maar hij is gek, stapelgek." En de eerste luitenant
stormde de kamer uit.
Jack was zelf ook wat verbluft. Had Sawbridge zijn uniform aangehad,
dan was 't nog wat anders geweest, maar dat zoo'n alles behalve
indrukwekkend persoon met zwarte bakkebaarden, slordig onderhouden
haar, een ouden blauwen rok en een geel kaschmiren vest, het durfde
wagen hem op zoo'n manier toe te spreken, dat was onbegrijpelijk. Hij
noemt me een gek, dacht Jack, maar ik zal kapitein Wilson eens
netjes vertellen, hoe ik over zijn luitenant denk. Een oogenblik
later verschenen de gasten en spoedig was Jack het geheele geval
weer vergeten.
Intusschen begaf Sawbridge zich naar den kapitein en vond hem thuis. Na
een omstandig verhaal van wat er had plaats gehad, eindigde hij zijn
rapport met in drift te eischen, dat Jack onmiddellijk ontslagen of
anders voorbeeldig gestraft zou worden.
"Nu, nu, meneer Sawbridge," antwoordde kapitein Wilson, "komaan, neem
plaats, en laten we er eens over redeneeren, zooals meneer Rustig
zegt; ik wed, dat ik u tot betere gedachten breng. Wat dat straffen
betreft, ja, zie je, dat is een lastig geval, want vooreerst heeft
meneer Rustig zich nog niet op zijn schip aangemeld, en ten tweede
kon hij immers niet weten dat gij de eerste luitenant waart, want ge
hadt uw uniform niet aan."
"Dat is waar meneer," antwoordde Sawbridge, "daar had ik niet aan
gedacht."
"En wat dat ontslaan of liever niet toelaten op het schip aangaat,
meneer Rustig is aan den wal grootgebracht en heeft mogelijk zijn
heele leven geen grootere uitgestrektheid water gezien dan een
vischvijver. Van zeedienst of van wat er aan vast is, zal hij wel
evenveel begrip hebben als een kind van nog geen jaar. Ik wed dat hij
niet eens weet wat een luitenant is, en stellig heeft hij geen flauw
idee van de macht van een eersten luitenant, dat blijkt duidelijk
uit de manier waarop hij zich tegenover u gedragen heeft."
"Dat moet ik ook gelooven," antwoordde Sawbridge droogjes.
"En daar nu zijn gedrag het uitvloeisel moet zijn van volkomen
onwetendheid, mag hij, dunkt me, niet al te streng gestraft worden. Ga
't zelf maar eens na, Sawbridge."
"Misschien hebt gij gelijk, meneer, maar hij noemde zich toch een
wijsgeer en sprak over de gelijkheid en de rechten van den mensch. Hij
zei, dat hij alleen gelijkheid tusschen ons kon aannemen en wilde
dat nader uiteenzetten. Nu vraag ik u toch, meneer, wat moet er van
den dienst terechtkomen, als zoo'n adelborst over elk bevel, dat er
gegeven wordt aan 't redeneeren slaat?"
"Die opmerking is zeer juist, Sawbridge; daaraan heb ik in 't
geheel niet aan gedacht, toen ik beloofde den jongen Rustig aan
boord te zullen nemen. Ik herinner me nu dat zijn vader, die een
verre neef van me is, eenige vrij dwaze denkbeelden in zijn hoofd
had, precies dezelfde die zijn zoon bij zijn ontmoeting met u te
berde heeft gebracht. Toen ik eens bij meneer Rustig ten eten was,
had hij 't maar steeds over de beginselen der natuurlijke gelijkheid
en der rechten van den mensch, tot groot vermaak van zijn gasten en
ook van mij, moet ik bekennen. Ik maakte nog de opmerking, dat die
denkbeelden onmogelijk toe te passen waren op den dienst, want dat
't dan gedaan zou zijn met alle tucht. Hoe weinig vermoedde ik toen,
dat zijn eenige zoon, voor wien niet de minste aanleiding bestond om
het zeeleven te kiezen--want zijn vader is een rijk grondbezitter--nog
ooit met mij onder zeil zou gaan en die denkbeelden op mijn schip
komen brengen. 't Is jammer, erg jammer."
"Maar Meneer," zei Sawbridge, "als 't mij geoorloofd is mijn meening
over het geval te zeggen--zou 't niet het best zijn, zoowel voor
hemzelf als voor den dienst, dat hij maar weer naar huis werd
gezonden? Als officier zal hij enkel zichzelven en anderen last
bezorgen."
"Mijn waarde Sawbridge," hernam kapitein Wilson, nadat hij de kamer
een paar malen op en neer was gestapt, "we zijn te gelijk in dienst
gekomen, hebben verscheidene jaren aan denzelfden disch gegeten
en niet enkel langdurige vriendschap, maar ook vertrouwen op uw
degelijke kennis hebben er mij toegebracht u voor te stellen mijn
eersten luitenant te worden. Nu zal ik u eens een geval ter beslissing
voorleggen, en wat meer is, ik zal me aan uw uitspraak onderwerpen.
"Neem eens aan, dat gij evenals ik scheepskommandant waart met een
vrouw en zeven kinderen, en dat ge na jarenlang getob om in hun
onderhoud te voorzien, in weerwil van de grootste spaarzaamheid
in schulden waart geraakt. Nu gelukt het u eindelijk een flinke
aanstelling te krijgen, waardoor ge u uit alle ongelegenheden zult
kunnen redden. Maar al uw hoop dreigt in rook te vervliegen, omdat
ge geen geld hebt voor een uitrusting en voor het afdoen der meest
dringende schulden. Als nu in zulk een benarden toestand een verre
bloedverwant, dien ge ternauwernood kent, zoo edelmoedig is u duizend
gulden te leenen, zonder daarvan rente te vorderen en het geheel aan
u overlaat wanneer ge de som wenscht terug te betalen, dan vraag ik u,
Sawbridge, wat zoudt gij voor zoo iemand gevoelen?"
"Ik zou mijn leven voor hem wagen," antwoordde Sawbridge getroffen.
"Vooronderstel nu dat, louter bij toeval of door een samenloop van
omstandigheden, de zoon van dien man onder uw bescherming werd gesteld;
wat dan?"
"Ik zou als een vader voor hem zorgen."
"Maar laten we toch eens verder gaan en vooronderstellen, dat
ge niet in alle opzichten met den jongen ingenomen zijt, dat hij
dwaalbegrippen heeft ingezogen, die, als ze niet uitgeroeid worden,
verderfelijk voor hem kunnen worden. Zoudt ge hem dan om die reden
uw bescherming onttrekken en hem aan zijn lot overlaten?"
"Volstrekt niet, meneer," antwoordde Sawbridge; "integendeel, ik
zou hem zoo lang bij me houden, tot ik hem, hoe dan ook, van zijn
verkeerdheden had genezen, en op die wijze zooveel mogelijk de schuld
der dankbaarheid aan den edelmoedigen vader had betaald."
"Na al wat er gebeurd is behoef ik u wel niet te zeggen, Sawbridge,
dat het jongmensch, met wien ge in aanraking zijt geweest, de zoon
is en meneer Rustig van Boschlust de vader."
"Het eenige wat ik zeggen kan, meneer, is dat ik, niet enkel om u
genoegen te doen, maar ook uit eerbied voor iemand, die u zooveel
welwillendheid heeft betoond, het jongmensch volgaarne vergeef
wat er tusschen hem en mij is voorgevallen en bovendien al wat er
waarschijnlijk nog gebeuren zal, eer we hem in het rechten spoor
hebben."
"Hartelijk dank, Sawbridge, ik had niet anders van u verwacht, en ik
heb me in die verwachting niet bedrogen."
"Maar wat moet er nu gedaan worden, kapitein?"
"We moeten hem aan boord zien te krijgen, maar niet met een
escorte mariniers--dat zou meer kwaad dan goed doen. Ik zal hem een
uitnoodiging zenden om morgenochtend bij me te komen ontbijten en
het een en ander te bepraten. Ik wil hem geen schrik aanjagen; hij
moest anders eens hals over kop naar Boschlust terugkeeren."
"Dat mag in geen geval, want zijn vader schijnt zijn grootste vijand
te zijn. Hoe jammer dat iemand met zulk een goed hart zoo'n zwakhoofd
kan wezen!"
Meneer Sawbridge verwijderde zich en kapitein Wilson zond aan onzen
held een schriftelijke uitnoodiging om den volgenden morgen te negen
uur bij hem te komen ontbijten. Het antwoord luidde bevestigend,
maar werd mondeling overgebracht, want Jack had te veel champagne
gedronken dan dat hij een pen op het papier durfde zetten.
Zesde hoofdstuk.
Aan boord en onder zeil.
Den volgenden morgen zou Jack stellig de invitatie van den kapitein
glad vergeten geweest zijn, als niet de bediende van het logement
begrepen had, dat, na de vreemde manier waarop onze held den eersten
luitenant had ontvangen, het niet raadzaam zou wezen ook nog in
eerbied voor den kapitein te kort te schieten.
Tot dusver had Jack zijn uniform nog niet aangehad, en hij vond 't
nu een geschikte gelegenheid, te meer daar de bediende beweerde dat
hij in tenu behoorde te verschijnen. Of het soms een voorgevoel was
van wat hem te wachten stond, maar Jack voelde zich niets prettig in
zijn nieuwe plunje. Het kwam hem voor, dat hij zijn onafhankelijkheid
prijs gaf en hij kreeg grooten lust het pak met de glimmende knoopen
weer uit te smijten. Daartoe kwam het echter niet, en na zijn hoed
opgezet te hebben, begaf hij zich naar het logement van kapitein
Wilson. Deze ontving hem zeer heusch en hield zich alsof hij niets
wist van Jack's verzuim om zich tijdig aan boord aan te melden of
van diens ontmoeting met den eersten luitenant; maar eer het ontbijt
afgeloopen was, had Jack zelf het geval reeds met enkele woorden
verteld. Kapitein Wilson begon nu uit te weiden over de plichten
en den rang der verschillende personen aan boord van een schip, en
betoogde Jack hoe 't met het oog op de tucht onmogelijk was, dat er
meer dan één persoon het kommando voerde. Die eene was de kapitein,
in wiens persoon koning en vaderland vertegenwoordigd werden. Daar nu
de kapitein zijn bevelen gaf aan den luitenant en deze ze overdroeg op
de adelborsten, die ze op hunne beurt weer aan de overige bemanning
overbrachten, was 't inderdaad alleen de kapitein, die de bevelen
uitdeelde en was iedereen gelijkelijk tot gehoorzaamheid verplicht. Ja,
de kapitein zelf volgde weer de orders van zijne superieuren, den
admiraal en de admiraliteit; men kon dus met recht zeggen, dat aan
boord allen gelijkelijk tot gehoorzaamheid verplicht waren. Door
telkens op het woord _gelijkelijk_ veel nadruk te leggen, diende hij
zijn eerste les met de noodige omzichtigheid toe. Zijn geheele betoog
geleek veel op een handige pleitrede, want terwijl hij Jack duidelijk
zocht te maken dat in dienst gelijkheid volstrekt onbestaanbaar was,
trachtte hij tevens aan te toonen dat alle rangen volkomen gelijk
stonden, in zoover allen evenzeer hun plicht tegenover het vaderland
hadden te vervullen; en of nu een matroos zijne bevelen gehoorzaamde,
dan of hijzelf die van een hooger officier opvolgde, alles kwam ten
slotte daarop neer, dat ze het vaderland dienden.
Met die manier van beschouwen was Jack het vrij wel eens, en de
kapitein zorgde wel, dat hij er niet te lang bij bleef stilstaan,
maar ging spoedig tot ten ander onderwerp over, dat hij voor Jack
aangenamer achtte. Hij zette uiteen, dat de krijgsartikelen de wetten
waren volgens welke de dienst werd geregeld, en dat iedereen, van den
kapitein tot den minsten jongen aan boord, er gelijke gehoorzaamheid
aan verplicht was; dat ieder een vast rantsoen kreeg, wat voor
allen gelijk was, zoowel in hoeveelheid als in hoedanigheid; dat al
moesten er noodzakelijk rangen zijn en al moesten de bevelen van den
kapitein door allen opgevolgd worden, toch elk officier, van welken
rang ook, als een beschaafd man beschouwd werd. Kortom, kapitein
Wilson wist het zoo ver te brengen, dat Jack begon te gelooven, dat
hij de te land vergeefs gezochte gelijkheid nu eindelijk gevonden
had. Maar daar herinnerde hij zich ongelukkig de ruwheid, waarmede
meneer Sawbridge hem den vorigen avond bejegend had en hij vroeg
den kapitein, hoe die man daartoe had kunnen komen. Nu deed de taal
door den luitenant gebruikt al heel weinig aan gelijkheid denken, en
kapitein Wilson zat er wel een beetje over in. Hij betoogde echter dat
volgens de krijgsartikelen ieder, die zich van het schip verwijderde,
een vergrijp beging tegen die artikelen. Werd nu zulk een vergrijp
begaan door iemand van de bemanning, dan moest de oudste officier
daar rapport van maken, of anders was hij zelf strafbaar. Zijn eigen
verantwoordelijkheid noodzaakte hem dus wel zulk een overtreding
niet door de vingers te zien, en als hij er den schuldige in wat
al te krasse bewoordingen op wees, dan toonde hij daarmede slechts
zijn dienstijver.
"Aan zijn dienstijver valt dan stellig niet te twijfelen," antwoordde
Jack, want als het gansche vaderland op het spel had gestaan, kon
hij niet erger hebben uitgevaren."
"Hij deed dus zijn plicht; maar reken er op, dat hij 't zelf niet
aangenaam heeft gevonden. Ik sta er voor in, dat, als gij hem aan boord
ontmoet, hij even vriendelijk zal wezen alsof er niets gebeurd was."
"Hij zou me anders eens laten zien wat een eerste luitenant was. Wat
kan hij daarmee bedoeld hebben?" vroeg Jack.
"Niets dan dienstijver."
"Ja, maar zoodra ik aan boord kwam, zou hij me het verschil toonen
tusschen een eersten luitenant en een adelborst."
"Dienstijver, anders niet."
"Ook zou hij mijn verstand wel een beetje opfrisschen."
"Alles dienstijver."
"En hij zou me door een sergeant en eenige mariniers laten halen."
"Alles dienstijver."
"Ook zou hij mijn wijsbegeerte eens op de proef stellen."
"Alles dienstijver, meneer Rustig. Die ijver kan zich soms wat
overdreven uiten, maar we zouden het in den dienst niet zonder kunnen
stellen. Ik hoop en vertrouw mettertijd in u een even volijverig
officier te hebben."
Hier zette Jack een bedenkelijk gezicht, en gaf geen antwoord.
"Ik ben er zeker van," vervolgde kapitein Wilson, "dat gij in meneer
Sawbridge een uwer beste vrienden zult vinden."
"Misschien wel," antwoordde Jack, "maar onze eerste kennismaking,
beloofde niet veel."
"Dat is wel jammer. Maar wat ik u zeggen wilde, we zullen morgen
uitzeilen. Van avond komt de sloep mijn goed halen, dat is een mooie
gelegenheid om ook het uwe mee te geven. Om acht uur ga ik aan boord,
we kunnen dan van dezelfde boot gebruik maken."
Jack had daar volstrekt geen bezwaar tegen. Na zijn rekening in de
Fontein betaald te hebben, liet hij zijn koffer naar de sloep brengen
en wachtte voor zijn eigen vertrek de boodschap van den kapitein
af. Tegen negen uur in den avond bevond Jack Rustig zich goed en wel
aan boord van Zijner Majesteits fregat de Harpij.
Toen Jack aan boord kwam was het reeds donker en hij wist niet goed wat
hij zou aanvangen. De kapitein werd op het dek door de officieren in
allen vorm ontvangen, en eerbiedig gegroet. Hij beantwoordde dien
groet en Jack volgde dat voorbeeld zoo beleefd mogelijk; daarna
knoopte meneer Wilson een onderhoud aan met den eersten luitenant,
zoodat Jack voor een oogenblik aan zichzelven overgelaten was. Het
was te donker om de gezichten te onderscheiden, en voor iemand die
nog nooit aan boord van een schip was geweest, zelfs te donker om een
voet te verzetten, zoodat Jack maar stilletjes bleef waar hij was,
namelijk niet ver van de betinghouten. Maar dat duurde niet lang; de
sloep was aan de groote davits vastgehaakt en de bootsman had geroepen:
"Aanhalen, jongens!"
Op een schel gefluit en het kommando: "Op!" kwamen de matrozen
met de takels aangerend en gesprongen. In de duisternis werd Jack
omvergeloopen en een half dozijn kerels rolde over hem heen. De
matrozen, die niet wisten dat er onder anderen ook een officier
van de been was geraakt, hadden schik in de grap en bleven maar
voortwippen over degenen die gevallen waren, totdat ze eindelijk zelven
neerkwakten. Jack, die er niets van begreep, kwam leelijk te land,
en eerst nadat het sein tot vastjorren was gegeven, geraakte hij weer
overeind, nadat de halve stuurboordwacht over hem heengegaan was en
de adem hem bijna begeven had. Jack strompelde naar een der stukken
geschut, toen de officieren, die even goed als de manschappen over
de fopperij gelachen had, zijn toestand opmerkten, onder anderen ook
Sawbridge, de eerste luitenant.
"Hebt ge u bezeerd, meneer Rustig?" zei hij vriendelijk.
"Een beetje," antwoordde Jack, weer bij adem gekomen.
"Dat was een wel wat ruwe welkomstgroet," hernam de eerste luitenant,
"maar op sommige tijden heet 't aan boord: ieder voor zich en God
voor ons allen. Harpur," vervolgde hij tot den dokter, "neem meneer
Rustig mee naar de konstabelkamer, ik kom zoo spoedig mogelijk zelf
ook beneden. Waar is meneer Jolliffe?"
"Hier, meneer," antwoordde Jolliffe, een stuurmansmaat en kwam van
achter de leizeilspieren te voorschijn.
"Er is met den kapitein een nieuwe adelborst mee aan boord
gekomen. Laat een van de kwartiermeesters zorgen voor een hangmat."
Intusschen ging Jack naar de konstabelkamer, waar een glas wijn hem
weer wat opkwikte. Lang bleef hij er niet en tot veel praten bad
hij ook geen lust. Zoodra zijn hangmat klaar was, haastte hij zich
om te bed te komen en daar hij doodaf was, werd het den volgenden
morgen over negenen eer hij ontwaakte. Hij kleedde zich aan, ging
op het dek en bespeurde dat het schip al in volle zee was. Spoedig
begon hij zich onwel, ja zelfs ziek te gevoelen, zoodat een der
matrozen hem naar beneden brengen en in zijn hangmat leggen moest,
waar hij onder een hevigen wind drie dagen doorbracht, versuft door
het schokken en slingeren, terwijl hij elk oogenblik met het hoofd
tegen de scheepsbalken sloeg.
"Noemen ze dat na op zee gaan?" dacht Jack. "Geen wonder dat ze zich
hier zoo weinig om elkaar bekommeren; maar dit weet ik wel, als ik
ooit weer voet aan wal zet, dan gun ik den drommel mijn portie van
de zee, ik heb er al meer dan genoeg van."
Kapitein Wilson en meneer Sawbridge hadden beiden aan Jack gedurende
zijn ziekte meer rust gegund dan gewoonlijk aan adelborsten werd
toegestaan. Toen de storm tot bedaren was gekomen, had het schip de
hoogte van kaap Finisterre bereikt. Den volgenden morgen was de zee
volkomen rustig en er lag slechts een flauw briesje op het water.
De betrekkelijke kalmte van den afgeloopen nacht had onzen held weer
vrij wel op zijn verhaal doen komen, en toen een stoot op de fluit
het sein gaf tot het optrekken der hangmatten, kwam meneer Jolliffe,
de stuurmansmaat, hem vragen of hij er niet eens over zou denken op
te staan en zich in de kleeren te steken, dan of hij van plan was
onder de dekens naar Gibraltar te zeilen.
Jack, die zich een heel ander mensen gevoelde, wipte uit zijn hangmat
en kleedde zich aan. Volgens bevel van den kapitein had een matroos
Jack tijdens zijn ongesteldheid opgepast en deze man was hem ook nu
behulpzaam; hij opende Jacks kist en bracht hem al wat hij verlangde.
Toen hij gereed was vroeg Jack waar hij heen moest gaan, want ofschoon
al vijf dagen aan boord, toch had hij nog geen kijkje genomen in de
adelborstenkajuit. De matroos duidde hem den weg er heen uit, en Jack,
die een geweldigen honger had, klauterde over kisten en koffers tot
hij eindelijk terechtkwam in een vertrek, dat er vrij wat slechter
uitzag dan de hondenhokken bij zijn vader thuis.
"Niet alleen mijn portie van de zee," dacht Jack, "maar ook mijn
deel in de Harpij wil ik dolgraag overdoen aan ieder die er maar naar
taalt. Gelijkheid is er genoeg hier! want ik verbeeld me dat iedereen
er even slecht aan toe is."
Na aldus aan zijn gedachten lucht gegeven te hebben, bespeurde hij
dat er nog iemand in de kajuit was, en wel de stuurmansmaat Jolliffe,
die Jack eens goed stond op te nemen, wat dezen noopte tegenover
hem hetzelfde te doen. Het eerste wat Jack opmerkte was dat Jolliffe
erg van de pokken geschonden was en maar één oog had; dat ééne oog
glinsterde echter zoo fel, dat het een kooltje vuur geleek en meer
licht scheen te geven dan een gewone kaars.
"Die manier van kijken bevalt me niet", dacht Jack--"we zullen nooit
vrienden worden."
Maar Jack oordeelde hierin enkel naar den schijn, en--zooals later
zal blijken--hij vergiste zich.
"Het doet me plezier dat ik je weer op de been zie, jongmensch,"
zei Jolliffe; "je hebt langer plat op den rug gelegen dan gewoonlijk
met anderen het geval is, maar, zie je, juist de sterksten hebben
't het zwaarst te verantwoorden. Het plan om op zee te gaan is
vrij laat bij je opgekomen, doch 'beter laat dan nooit', zooals het
spreekwoord zegt."
"Ik voel heel veel lust om over de juistheid van dat gezegde eens nader
te praten," antwoordde Jack, "maar 't zou op dit oogenbik toch weinig
helpen. Ik heb een verbazenden honger, wanneer gaan we ontbijten?"
"Morgenochtend om half negen;" antwoordde Jolliffe. "Voor vandaag is
't al twee uur over den tijd."
"Moet ik 't dan maar zonder iets stellen?"
"Dat wil ik nu juist niet zeggen, want we dienen rekening te houden
met je ziekte; maar toch, een ontbijt zal 't niet wezen."
"Noem 't zooals ge wilt," hernam Jack, "maar doe me het genoegen en
laat de bediende me wat eten geven. Geroosterd brood of zoo iets,
't komt er minder op aan wat; maar het liefst zou ik er een kop koffie
bij hebben."
"Gij vergeet dat we op de hoogte van Finisterre zijn en nog wel in
een adelborstenkajuit. Koffie is er niet, en van geroosterd brood
kan geen sprake zijn, om de eenvoudige reden dat we in 't geheel geen
brood hebben; maar wel kan ik den hofmeester verzoeken een kop thee
met wat scheepsbeschuit en boter voor je klaar te zetten."
"Welnu," hernam Jack, "gij zult me verplichten met me dat te bezorgen."
"Hei daar!" riep Jolliffe een matroos toe, "laat Mesty eens hier
komen."
De toegesprokene droeg het bevel aan een volgenden matroos over,
deze weer aan een derde en zoo ging 't van mond tot mond, tot het
eindelijk vooruit op den bak den bedoelden persoon bereikte.
Deze was een neger, indertijd naar Amerika overgebracht en daar als
slaaf verkocht. Ofschoon zeer lang en schraal, teekende het lichaam
toch groote spierkracht en het gelaat week geheel en al af van den
gewonen vorm bij zijn ras. Het hoofd was lang en smal, met uitstekende
jukbeenderen, zoodat het gezicht naar de kin als in een punt uitliep;
de neus was zeer klein, maar recht en van Romeinschen vorm; ook de mond
was buitengewoon klein en de lippen veel te dun voor een Afrikaan;
de tanden waren hagelwit en scherp gepunt. Of zijn bewering, dat hij
in zijn eigen land den rang van vorst had bekleed, waarheid bevatte,
viel natuurlijk niet uit te maken. Zijn meester was met hem naar
New-York getrokken en daar had Mesty Engelsch geleerd, als men ten
minste zijn broddeltaal dien naam wilde geven.
Daar men hem had verteld, dat er in Engeland geen slavernij bestond,
had Mesty zich aan boord van een Engelsch koopvaardijschip verscholen
en was op die manier ontvlucht. Bij zijn aankomst in Engeland nam hij
dienst op een oorlogschip. De eerste luitenant, die hem aangemonsterd
had, gaf hem om zijn vreemd uiterlijk den naam van Mephistopheles,
wat al spoedig verkort werd tot Mesty. In vele opzichten was die
Mesty een zonderling persoontje. Kwam hij soms te praten over zijn
stamboom, dan was hij het eene oogenblik uitermate trotsch, en dan
weer zwaarmoedig, ja gemelijk zelfs, maar in gewone omstandigheden,
als niets hem in den weg zat, kon hij vermakelijk en grappig wezen.
Al spoedig kwam de geroepene opdagen, waarbij hij zich nagenoeg dubbel
vouwde om onder de dwarsbalken door te komen en vervaarlijke stappen
nam met zijn bloote voeten.
"Maar, Massa Jolliffe, hoe kunt u me nu laten roepen, terwijl juist
mijn grauwe erwten staan te koken, en er hier en daar al zoo'n
verwenschte rakker van een jongen op den loer ligt om er een handje
vol uit den pot te pikken."
"Je weet wel, Mesty, dat ik je nooit laat roepen, of 't moet bepaald
noodig zijn," antwoordde Jolliffe; "maar deze arme jongen heeft sinds
hij aan boord is nog niets te eten gehad en hij is erg hongerig--je
moest hem wat thee geven."
"Thee bedoelt u, meneer? Wel om thee te krijgen, dien ik toch in
de eerste plaats water te hebben en vervolgens ruimte in de kombuis
om een ketel te vuur te zetten. Maar waarachtig, meneer, al zou je
maar enkel de top van uw pink willen branden, dan nog zou je er in
de heele kombuis geen warm water genoeg voor vinden. Warm water om
dezen tijd! Dat is immers totaal onmogelijk!"
"Hij zal toch het een of ander moeten hebben, Mesty."
"'t Behoeft ook juist geen thee te wezen," zei Jack, "melk is ook
goed."
"Melk? Spreek je van melk, Massa? Van de groenvrouw soms aan den wal?"
"We hebben geen melk, meneer Rustig; gij vergeet dat we in volle zee
zijn," hernam Jolliffe; "ik begin waarlijk te vreezen, dat ge tot
het middagmaal zult moeten wachten. Wat Mesty zegt, is de waarheid."
"Ik zal u wat zeggen, Massa Jolliffe, als ik den jongenheer eens in
plaats van thee wat uit den ketel gaf, misschien zou hij daar genoegen
mee nemen. Thee of nat van grauwe erwten, dat verschil is zoo groot
niet. Zoo'n kom vol, met wat beschuit er bij en een scheut peper er
in, zal hem goed doen."
"Misschien is dat nog het beste, Mesty; ga 't maar gauw halen."
Na eenige oogenblikken kwam de neger terug met een kom soep, waarin
heele erwten rondzwommen; ook zette hij een tinnen bord met kleine
beschuiten en een peperbus voor onzen held neer. Op het gezicht van
dit gerecht vervlogen Jacks visioenen van thee, koffie, geroosterd
brood en melk; maar hij had een verbazenden honger, en toen hij aan 't
proeven ging viel 't hem nog bijzonder mee; zoo zelfs, dat hij niets
van het maal overliet en zich na het gebruik er van veel prettiger
gevoelde. Dra klonken er zeven slagen aan de klok en hij volgde nu
meneer Jolliffe naar het dek.
Zevende hoofdstuk.
Hoe Jack in tegenspraak komt met zijn eigen wijsbegeerte.
Op het dek gekomen, zag Jack de zon vroolijk schijnen, een zachte
koelte blies van de landzijde en overal in het want wapperden hemden,
broeken en buizen van de zeelui, die gedurende den storm gewasschen
waren en nu te drogen hingen; ook de zeilen lagen over de spieren
uitgespreid of waren in het want opgehangen, en het schip liep met een
geringe vaart door de blauwe golven. De kapitein en de eerste luitenant
stonden aan gangboord te praten en het meerendeel der officieren was
bezig met hun quadranten en sextanten de middagbreedte te bepalen. Het
dek zag er helder en netjes uit, want er was juist schoon schip
gemaakt, en de matrozen waren druk in de weer met het opschieten der
kabels. Het was een tafereel van blijmoedige bedrijvigheid en strikte
orde, dat op het gemoed van Jack verlichtend werkte na de vier dagen
van ellende, die hij in bedompte lucht en in afzondering had doorstaan.
Zoodra de kapitein hem in het oog kreeg, vroeg hij hem vriendelijk hoe
't met hem ging; ook de eerste luitenant lachtte hem vertrouwelijk
toe en verscheidene officieren, zoowel als zijn baksmaats wenschten
hem geluk met zijn herstel.
De hofmeester kwam naar hem toe, en sloeg aan en noodigde hem uit tot
het middagmaal in de hut. Jack, die uiterst beleefd was, lichtte zijn
hoed, en nam de uitnoodiging aan. Hij stond toevallig op een kabel, die
juist door een matroos opgeschoten werd; de man sloeg aan en verzocht
hem vriendelijk of hij zoo goed zou willen wezen met zijn voet van
het touw te gaan. Op zijn beurt aanslaande trok hij onmiddellijk
zijn voet terug. De stuurman sloeg aan en rapporteerde twaalf uur
aan den eersten luitenant,--de eerste luitenant sloeg aan en bracht
dat rapport over aan den kapitein,--de kapitein sloeg aan en zei tot
den eersten luitenant dat hij zijn gang maar moest gaan. De officier
van de wacht sloeg aan en vroeg den kapitein of hij maar het sein
voor het middagmaal zou laten geven,--de kapitein sloeg aan en zei:
"Als 't u belieft."
De adelborst kreeg nu de noodige orders en bracht ze, met de hand aan
den hoed, aan den opperbootsmansmaat over, die eveneens aansloeg en
terstond daarop een paar stooten op de fluit liet hooren.
"Ei," dacht Jack, "beleefdheid schijnt hier aan de orde van den dag
en allen hebben evenveel eerbied voor elkaar."
Jack drentelde eens rond over het dek; gluurde door de geschutspoorten
die open stonden en keek naar omlaag in de donkerblauwe golven;
hij sloeg de oogen op, en lette op het heen en weer zwiepen der
lange sprieten, die bij het volgen der beweging van het schip met
haar punten als het ware een klein gedeelte van de heldere lucht
afteekenden; hij liet den blik gaan langs de rij kanonnen, die aan
beide zijden van het dek geschaard stonden en eindigde met op een
der stukken geschut te klauteren en over de verschansing leunend naar
den verwijderden wal te turen.
"Ga van die verschansing af, jongenheer!" riep de stuurman, die
officier van de wacht was, op norschen toon.
Jack keek eens rond.
"Hoor je me niet, meneer? Ik spreek tot u." zei de stuurman opnieuw.
Jack was erg verontwaardigd, en vond toch de beleefdheid niet zoo
algemeen als hij vermoed had.
Toevallig was kapitein Wilson op het dek.
"Kom hier, meneer Rustig," zei de kapitein; 't is een vaste bepaling
in den dienst, dat niemand op de verschansing mag komen, tenzij in
geval van nood. Ik doe 't nooit, de eerste luitenant niet en geen van
de officieren of van de manschappen; dus, uit beginsel van gelijkheid,
moogt gij 't ook niet doen.
"Stellig niet, meneer," antwoordde Jack, "maar ik zie toch niet in
waarom die officier met zijn glimmenden hoed zoo boos behoeft te wezen,
en mij toespreekt op een toon alsof ik niet even goed was als hijzelf."
"Dat heb ik u al uitgelegd, meneer Rustig."
"O ja, nu herinner ik 't me, 't is dienstijver; maar ik vind dien
overmatigen ijver iets heel onaangenaams in den dienst. Jammer maar
dat, zooals gij zegt, de dienst er niet buiten kan."
Kapitein Wilson glimlachte en verwijderde zich. Toen hij een oogenblik
later met den stuurman het dek op en neer liep, gaf hij hem een wenk,
dat hij niet zulke harde woorden moest gebruiken tegen den knaap,
die alleen uit onwetendheid zulk een klein vergrijp had begaan. Nu
was meneer Smallsole, de stuurman, een gemelijk persoon, die niet
hield van aanmerkingen op zijn gedrag, al stoorde hij zich weinig aan
de gevoeligheid van anderen, en daarom besloot hij het Jack bij de
eerste de beste gelegenheid betaald te zetten. Jack dineerde in de
kajuit en was bijzonder in zijn schik dat iedereen met hem klonk en
dat aan de tafel van den kapitein allen op gelijken voet schenen te
staan. Eer het dessert vijf minuten op tafel was, raakte Jack op zijn
praatstoel over zijn geliefkoosd onderwerp. Het gansche gezelschap
keek verbaasd op nu zij zulke ongehoorde stellingen aan boord van een
oorlogsschip hoorden verkondigen, maar de kapitein deed al zijn best
om Jacks opmerkingen te weerleggen zonder hem te veel te kwetsen,
en gedurende het geheele gesprek week de glimlach niet van zijn gelaat.
Deze dag kon eigenlijk aangemerkt worden als de eerste waarop Jack
in werkelijkheid zijn verschijning aan boord maakte en aan tafel
bij den kapitein kwam hij ook voor het eerst op de proppen met
zijn eigenaardige inzichten. Waren de dischgenooten, bestaande
uit den tweeden luitenant, den victualiemeester, meneer Jolliffe
en een der adelborsten, verwonderd, dat zulke afwijkende meeningen
in tegenwoordigheid van den kapitein te berde werden gebracht, nog
sterker trof hen de kalmte en luchthartigheid, waarmee kapitein Wilson
ze opnam. Jacks gewaagde beweringen deden dien avond, natuurlijk
met de noodige toevoegsels, over het geheele schip de ronde. In de
konstabelkamer plozen de officieren ze uit, de adelborsten schetterden
er over terwijl zij het dek op en neer wandelen; de kapiteinshofmeester
hield een soort van bijeenkomst achter de kombuis, en deelde de nieuwe
leer mede. De sergeant van de mariniers gaf in zijn kring als zijn
meening te kennen, dat het vervloekte onzin was. De bootsman besprak
het geval met de overige onderofficieren totdat al de grog op was en
stapte er toen van af, omdat hij het onderwerp veel te droog vond. Over
het algemeen was de gansche bemanning het er over eens, dat, zoodra ze
te Gibraltar binnen liepen, onze held den dienst zou vaarwel zeggen,
hetzij dan dat hij door den krijgsraad ter dood veroordeeld werd of
ontslagen en aan wal gezet om daar zijn geluk te zoeken. Anderen die
meer geslepenheid bezaten en er achter gekomen waren dat onze held
een jongen was, die later heel wat te erven zou krijgen, spraken er
heel anders over en hielden 't er voor, dat de kapitein wel goede
redenen zou hebben om zoo toegeeflijk te zijn--en onder degenen, die
zoo oordeelen, behoorde de tweede luitenant. Slechts vier personen
waren Jack welgezind, te weten de kapitein, de eerste luitenant,
meneer Jolliffe, de éénoogige stuurmansmaat, en Mephistopheles, de
neger, die Jack met hart en ziel begon aan te hangen, zoodra hij van
diens meeningen had gehoord.
We hebben melding gemaakt van den tweeden luitenant, meneer
Asper. Deze jonge man had een diepen eerbied voor geboorte en vooral
voor geld, waarmee hijzelf maar zeer karig bedeeld was. Als zoon van
een aanzienlijk koopman, had hij tijdens zijn adelborstjaren over
vrij wat meer middelen te beschikken gehad dan noodig of wenschelijk
was, en zijn welgevulde beurs bezorgden hem tal van vrienden, niet
alleen onder zijn eigen bakmaats, maar ook onder de officieren
van het schip, waarop hij voer. Iemand die in staat en gezind is
een hooge koffiehuisrekening te betalen, vindt altijd volgers--ten
minste naar het koffiehuis; en sommige luitenants zagen er geen
been in te dineeren, arm in arm te wandelen en frère-compagnon te
spelen met een adelborst, op wiens zak zij teerden zoolang ze aan wal
waren. Meneer Asper had juist zijn aanstelling als officier gekregen,
toen zijn vader bankroet sloeg, waarmede tevens de bron opdroogde,
waaruit hij zoo rijkelijk had geput. Sedert dien tijd had meneer
Asper gevoeld, dat het uitraakte met zijn invloed; hij kon nu niet
langer van den dienst spreken als van een last, of dat hij zijn
baantje er aan zou geven; ook was het gedaan met de onderscheiding,
die men aan zijn beurs en niet aan hemzelf had bewezen. Het ergste was
nog, dat hij allerlei gewoonten had aangenomen, die veel kostten, en
waaraan hij nu uit gebrek aan middelen niet langer kon toegeven. Geen
wonder dus dat hij met een grooten eerbied voor geld behebt raakte;
en daar hij niet langer zelf middelen kon vinden, was hij blij als
hij ergers iemand wist op te diepen op wiens kosten hij het lekkere
leventje kon lijden, waaraan hij zich zoo langen tijd gewend had
en dat hem zoo aantrok. Nu wist meneer Asper, dat onze held ruim in
zijn geld zat, want de bediende uit de Fontein had hem het bedrag der
betaalde rekening genoemd, en daarom zag hij reikhalzend uit naar de
verschijning van Jack, die zijn beste en meest vertrouwde vriend moest
worden. Het gesprek in de kajuit had hem de overtuiging geschonken,
dat Jack dankbaar zou zijn voor iederen steun, en hij had van de
gelegenheid, dat hij even met meneer Sawbridge liep te wandelen,
gebruik gemaakt, om aan dezen voor te stellen Jack op zijn wacht te
nemen. Of nu meneer Sawbridge de bedoeling van meneer Asper doorzag,
dan of hij zich verbeeldde dat onze held meer gediend zou wezen met den
tweeden luitenant dan met den stuurman, die zoo ruw uit kon vallen,
of met hemzelf, die als eerste luitenant geen enkele plichtverzaking
door de vingers mocht zien, het aanbod werd aangenomen en Jack Rustig
kreeg last om wacht te houden onder luitenant Asper.
Die eerste dag van Jack's in dienst treden was ook tevens de eerste,
waarop hij de adelborstenkajuit betrad en kennis maakte met zijn
bakmaats.
We hebben al gesproken van meneer Jolliffe, den stuurmansmaat, maar
we moeten hem nog wat nader leeren kennen. De natuur gaat soms al
erg willekeurig te werk en zij had 't er nu eenmaal op gezet, dat
meneer Jolliffe zulk een isegrimmig gezicht zou hebben als maar ooit
gezien was.
Hij had allerhevigst te lijden gehad van de kinderpokken en
waarschijnlijk waren daardoor zijn gelaatstrekken zoo verwrongen: de
ziekte had hem niet alleen erg pokdalig gemaakt maar ook zijn gezicht
met diepe groeven doorploegd. Eén oog was hij kwijt en wenkbrauwen
had hij in 't geheel niet meer; het doffe, blinde oog vormde een
schrikwekkende tegenstelling met het fel schitterende balletje aan den
anderen kant van zijn neus, waarvan ook al niet veel meer overgebleven
was dan een spitse onregelmatige punt; en de spieren van zijn kin waren
zoo samengetrokken, dat deze niet veel meer dan een aaneenschakeling
van naden en rimpels vertoonde. Hij was lang, schaal en mager, lachte
zelden en als hij 't deed, werd hij nog leelijker om aan te zien.
Meneer Jolliffe was de zoon van een deurwaarder. De ziekte had hem
aangetast in West-indië, waar ze honderden wegrukte. Hij was na al
langen tijd in dienst, met weinig of geen vooruitzicht op bevordering,
en hij had zwaar te kampen gehad met armoede, toespelingen op zijn
geringe afkomst en hatelijkheden op zijn leelijk uiterlijk. Geen smaad
was hem bespaard gebleven op de schepen, waarop hij gediend had; onder
een groote menigte voelde hij zich in 't geheel niet op zijn gemak en,
ofschoon ze hem nu niet meer lomp durfden behandelen, hij werd toch
in dienst enkel geeerbiedigd uit erkenning van zijn bruikbaarheid en
voorbeeldige plichtsbetrachting--vrienden of kameraads had hij echter
niet. Al sinds jaren was hij in zichzelf gekeerd, legde zich met ijver
toe op de studie en was jegens iedereen uiterst welwillend. Stil
en teruggetrokken van aard, sprak hij zelden in de kajuit, of
zijn kwaliteit van proviandmeester moest het vereischen. Iedereen
had eerbied voor meneer Jolliffe, maar niemand was gesteld op een
kameraad, die er uitzag om de honden aan 't blaffen te maken. Toch
erkenden allen zijn onberispelijke houding in ieder opzicht, zijn
rechtvaardigheidsgevoel, zijn verdraagzaamheid, zijn voorkomendheid
en zijn gezond oordeel. Het leven was voor hem inderdaad een last,
dien hij met geduldige onderwerping droeg.
In alle gezelschappen als ze maar minstens een half dozijn personen
tellen, kan men een praatsmaker aantreffen, en even algemeen is er
ook steeds een van het gezelschap min of meer de zondenbok. Zelfs bij
toevallige bijeenkomsten valt dit op te merken, zoo bijvoorbeeld op
een diner, waarvan de meesten der genoodigden elkaar te voren nooit
ontmoet hebben.
De praatsmaker in de adelborstenkajuit van Harer Majesteits fregat de
Harpij was een jongmensch van omstreeks zeventien, met licht krullend
haar en een blozend uiterlijk. Hij was de zoon van een schrijver aan
de werf te Plymouth en heette Vigors.
De zondebok was een vijftienjarige jongen met een bleek, pafferig
gezicht. Al kon hij niet bepaald knap genoemd worden, toch wist hij
heel wat; maar ongelukkig had hij alle zelfvertrouwen verloren door
de voortdurende schimpscheuten en spotternijen van anderen, die wel
meer radheid van tong bezaten, maar in wezenlijke kennis waarschijnlijk
niet tegen hem opgewassen waren. Hij leerde niet gemakkelijk, maar wat
hij eenmaal wist onthield hij voorgoed. Deze jongen droeg den naam
van Gossett. Zijn vader was een rijke grondeigenaar uit Lynn in het
graafschap Norfolk. Er waren destijds nog maar drie andere adelborsten
aan boord, van wie men alleen kan zeggen dat ze in niets van de gewone
afweken, dus in leeren weinig lust toonden, maar bij iederen maaltijd
een goeden eetlust meebrachten, een hekel hadden aan al wat op werken
geleek, maar steeds klaar waren voor een grap of voor een vechtpartij
"op leven of dood" om het volgende oogenblik weer dikke vrienden
te worden; vervuld van algemeene begrijpen van eer en billijkheid,
zonder er zich echter aan te storen als 't hun minder te pas kwam;
bedeeld met zulk een mengelmoes van deugden en gebreken, dat het
dikwijls onmogelijk was de ware drijfveer van een of andere daad aan
te wijzen en te bepalen in hoever een kwade eigenschap tot een goede
verzacht en een goede door louter overdrijving tot een kwade ontaard
was. De namen van dit drietal waren O'Connor, Mills en Gascoigne. De
overige kameraads van onzen held zullen we te gelegener tijd wel op
het tapijt brengen.
Na het middagmaal in de kajuit volgde Jack zijn baksmaaks Jolliffe
en Gascoigne naar het verblijf der adelborsten.
"Ik moet zeggen, Rustig," merkte Gascoigne op, dat je een verduiveld
vrijpostig heertje bent, om zoo maar tegenover den kapitein te beweren
dat ge uzelf als niets minder beschouwdet dan hem."
"Met uw verlof," antwoordde Jack, "ik doelde daarmee niet op den
kapitein persoonlijk, maar sprak in 't algemeen over de rechten van
den mensch."
"Nu," hernam Gascoigne, "'t is het eerst van mijn leven, dat ik een
adelborst zoo kras voor den dag heb hooren komen, pas maar op met je
rechten van den mensch, ze zouden je nog wel eens in de doos kunnen
helpen--er valt aan boord van een oorlogschip niets te betoogen. De
kapitein nam het verbazend luchtig op, maar je moest dat onderwerp in
't vervolg liever niet aanroeren."
"Gascoigne geeft u een goeden raad, meneer Rustig" merkte Jolliffe
op. "Aangenomen al dat uw denkbeelden juist zijn--wat ik nog niet kan
toegeven, omdat de toepassing er van mij onmogelijk schijnt--dan nog
dient de voorzichtigheid niet uit het oog verloren. Laat ze die kwestie
op den vasten wal zooveel uitpluizen als ze willen, in landsdienst
is het gevaarlijk en zou je in een leelijk parket kunnen brengen."
"Een mensch is vrij in zijn doen en laten," zei Rustig.
"Mijn kop af als dat met een adelborst het geval is," riep Gascoigne
lachend uit, "je zult 't spoedig genoeg ondervinden."
"En toch ben ik juist op zee gegaan, in de verwachting dat ik er die
gelijkheid zou vinden."
"Stellig op den eersten April!" hernam Gascoigne. "Maar spreek je
werkelijk in ernst?"
Hierop ving Jack een lang betoog aan, waarbij Jolliffe en Gascoigne
hem ongestoord lieten doorslaan, terwijl Mesty met bewondering
toeluisterde. Toen het afgeloopen was, barstte Gascoigne in een
hartelijk gelach uit en Jolliffe zuchtte.
"Waar hebt ge toch al die wijsheid vandaan?" vroeg Jolliffe.
"Van mijn vader die een groot denker is, en die stellingen voortdurend
verdedigt."
"En was 't uw vaders wensch dat ge op zee zoudt gaan?"
"Neen, hij was er volstrekt niet opgesteld, maar natuurlijk wilde
hij zich niet verzetten tegen mijn rechten en mijn vrijen wil."
"Meneer Rustig," hernam Jolliffe, "als vriend raad ik u ten stelligste
uw meeningen zooveel mogelijk voor u te houden; ik zal later wel
gelegenheid vinden er nader met u over te spreken, en u dan mijn
redenen uiteenzetten."
Nauwelijks had meneer Jolliffe uitgesproken, of Vigors en O'Connor,
die het nieuwtje van Jack's ketterij gehoord hadden, kwamen beneden.
"Gij kent de heeren Vigors en O'Connor nog niet," zei Jolliffe
tot Rustig.
Jack, die een toonbeeld van beleefdheid was, stond op en maakte
een buiging, waarop de anderen plaats namen, zonder zijn groet te
beantwoorden. Naar hetgeen Vigors van Rustig gehoord en nu gezien had,
meende hij in hem een nieuw slachtoffer gevonden te hebben om op den
kop te zitten, en hij begon er zonder complimenten maar dadelijk mee.
"Zoo, ventje, ben je aan boord gekomen om met je gelijkheid den boel
in de war te schoppen? Bij den kapitein aan tafel heb je 't er zonder
kleerscheuren afgebracht, maar dat gaat hier in de adelborstenkajuit
zoo niet, dat verzeker ik je; sommigen moeten er onder door, en dat
is met jou ook het geval."
"Als gij," antwoordde Rustig, "met dat 'er onder door moeten'
bedoelt, dat ik me moet onderwerpen, kan ik u verzekeren dat ge
u vergist. Op grond van hetzelfde beginsel, waarom ik nooit den
dwingeland zoo willen spelen over zwakkeren dan ik zelf ben, zal ik
geen onderdrukking dulden."
"Wel verdraaid! 't lijkt precies een advocaat ter zee; wacht maar,
baasje, we zullen je wijsheid spoedig genoeg op de proef stellen."
"Moet ik dan soms aannemen, dat ik niet op gelijken voet sta met mijn
baksmaats?" hernam Jack met een blik op Jolliffe. Deze wilde juist
antwoorden, maar Vigors was hem voor:
"Ja, je bent hier op voet van gelijkheid, dat wil zeggen: je hebt
een gelijk recht in de kajuit, zoolang je er niet uitgesmeten wordt
wegens onbeschaamdheid tegenover je meerderen; je hebt een gelijk
aandeel te betalen in de dingen die voor den bak gekocht worden, en
een gelijk recht om er je portie van op te schranzen, als je ze maar
krijgen kunt; je hebt een gelijk recht van spreken, zoolang je niet
gezegd wordt je mond te houden. Hierop komt 't neer, dat je gelijk
recht hebt als ieder ander om te doen wat je kunt, te nemen wat je
kunt, en te zeggen wat je kunt, dat _kunnen_ is enkel maar de vraag;
de zwakste moet hier het loodje leggen, ziedaar nu de gelijkheid in
een adelborstenkajuit. Hebt je 't nu begrepen; of verlang je soms
nog een voelbare verduidelijking?"
"Dus moet ik aannemen, dat van gelijkheid hier al even weinig sprake is
als onder de wilden, bij wie de sterkere den zwakkere onderdrukt, en
het vuistrecht het eenige recht is? Nu, zoo gaat 't op een kostschool
aan den vasten wal ook."
"Voor dit maal heb je het bij 't rechte eind. Ben je op een kostschool
geweest? Hoe ging 't daar toe?"
"Precies zooals gij 't hier wilt hebben: de zwaksten moesten het
loodje leggen."
"Welnu, voor een blind paard is een wenk evengoed als een knipoogje,
dat is 't maar, mijn waarde," zei Vigors.
Opeens werd het kommando "zeilen reven" gehoord en dit maakte voor
ditmaal een eind aan het twistgesprek.
Daar onze held nog geen orders had gekregen wat hij eigenlijk moest
uitvoeren, bleef hij met Mesty beneden.
"O, Massa Rustig, wat houd ik toch veel van u!" zei Mesty. "Dat
was eerst goed gesproken, Massa Rustig; en wat dien meneer Vigors
betreft--wees maar niet bang, dat je hem niet aan zoudt kunnen, dat
kun je stellig," vervolgde de neger, terwijl hij de spieren van Jacks
armen betastte, "ik durf er een heele week loon onder verwedden."
"Bang ben ik niet," antwoordde Jack, "ik heb wel grootere jongens dan
hij is onder de knie gekregen." En die verzekering was waar. Meneer
Bonnycastle kwam nooit tusschenbeide bij een eerlijke kloppartij, en
lette niet op een paar blauwe oogen, als de lessen maar goed gekend
werden. Jack had herhaalde malen gevochten, zoodat hij ten slotte
een goed bokser was geworden, en ofschoon niet zoo groot als Vigors,
toch was hij voor het worstelen veel beter gebouwd.
De voortdurende gevechten, waartoe Jack zich op school genoodzaakt
had gezien, waren door hem aangevoerd als bewijzen tegen de
gelijkheidstheorieën van zijn vader, maar deze had hem weten te
overtuigen, dat gevechten onder jongens niets te maken hadden met de
rechten van den mensch.
Zoodra de wacht was opgeroepen, kwamen Vigors, O'Connor, Gossett en
Gascoigne beneden in de kajuit. Vigors, die, met uitzondering van
Jolliffe de sterkste was, had langzamerhand zijn meerderheid erkend
gezien en op dek gesproken over Rustig's onbeschaamdheid en over zijn
plan om hem mores te leeren. De anderen kwamen dus mee naar beneden
om de grap bij te wonen.
"Wel, meneer Rustig," merkte Vigors op, bij het binnenkomen in de
kajuit, "je doet je naam waarlijk alle eer aan. Ben je soms van plan
je rantsoen op te eten, zonder er een hand voor uit te steken?"
Jack's geduld was reeds uitgeput en daarom antwoordde hij: "Wees zoo
goed, meneer, u met uw eigen zaken te bemoeien."
"Jouw onbeschaamde vlegel! als je nog één woord durft zeggen, zal ik je
eens een ferm pak slaag geven en er wat van die gelijkheid uitkloppen."
"Zoo?" antwoordde Jack, die zich een oogenblik weer op de school van
meneer Bonnycastle verplaatst dacht; "dat zullen we nog eens zien."
Daarop ontdeed Jack zich doodbedaard van jas en vest, tot niet geringe
verwondering van Vigors, die zulk een bewijs van vastberadenheid
en zelfvertrouwen niet verwacht had, en nog meer tot genoegen van
de overige adelborsten, die in stilte hoopten dat Vigors er eens
duchtig van langs zou krijgen. Vigors begreep echter, dat hij te
ver was gegaan om terug te treden en bereidde zich dus voor op den
strijd. Zoodra hij gereed was begaf zich het heele gezelschap naar
het ruim om het zaakje uit te maken.
Vigors had zijn gezag meer te danken aan zijn grooten mond dan wel
aan zijn vuisten; want de anderen hadden hem als hun meerdere erkend
zonder voldoende proefneming; Jack echter, had op school heel wat
bedrevenheid in het vechten opgedaan, en men kan zich dus gemakkelijk
voorstellen hoe de strijd afliep. In minder dan een kwartier lag Vigors
doodaf op den grond, met een paar gezwollen oogen en drie tanden uit
zijn mond; terwijl Jack, na zich eens flink gewasschen te hebben,
uitgenomen een paar schrammen, er even frisch uitzag als te voren.
De tijding der overwinning was spoedig over het schip verbreid, en
eer Jack goed en wel weer in zijn kleeren stak had Sawbridge ze al
in vertrouwen meegedeeld aan den kapitein.
"Al zoo spoedig!" zei kapitein Wilson lachend; ik verwachtte wel dat
de adelborstenkajuit wonderen zou doen, maar toch niet met zoo'n
vaart. Deze overwinning is de eerste duchtige knak voor Rustig's
gelijkheid, en zal meer dienst doen dan twintig nederlagen. Laat hem
nu aan zijn werk gaan, hij zal weldra zijn richtsnoer vinden.
Achtste hoofdstuk.
Onze held bewijst dat allen aan boord evenzeer fatsoen aan
plicht dienen op te offeren.
Of een jongmensch in zijn beroep slaagt, hangt voor een groot deel af
van de omstandigheden bij het begin van zijn loopbaan, want daarnaar
beoordeelt men zijn karakter en behandelt men hem. Jack had eerst
veel later dan dat met de meeste knapen het geval is, zijn keus tot
den zeedienst bepaald. Hij was flink opgeschoten en krachtig voor zijn
jaren, en al kon men niet bepaald zeggen dat hij een knap gezicht had,
er lag toch een uitdrukking van eerlijkheid en vrijmoedigheid in,
die aangenaam aandeed. De geestkracht, waarmee hij geweigerd had
naar Vigors' pijpen te dansen en tegen dezen was opgekomen, toen
hij nog ternauwernood hersteld was van zijn hevige zeeziekte, had
hem veler eerbied bezorgd, en de genegenheid verworven van allen,
behalve zijn tegenpartij en meneer Smallsole. In plaats dat zijn
baksmaats den gek met hem staken, haalden zij hem aan; Jolliffe
glimlachte over zijn onzinnigheden en trachtte hem die uit het hoofd
te praten, en de anderen mochten Jack gaarne lijden om hemzelf en om
zijn edelmoedigheid, en vooral omdat ze in hem een beschermer zagen
tegen Vigors, die hen allen ringeloorde. Jack had immers verklaard,
dat als macht recht was in een adelborstenkajuit, hij althans in zoover
de gelijkheid zou herstellen, dat hij steeds de zwakken zou beschermen
en niet zou dulden dat iemand, wie ook, in de adelborstenkajuit den
baas speelde over degenen, die niet tegen hem opgewassen waren.
Op die manier maakte Jack het best mogelijke gebruik van zijn kracht
en werd als het ware de kampioen en beveiliger van hen, die ofschoon
veel langer op zee en meer ervaren dan hij, blij waren zich te kunnen
plaatsen onder de hoede van zijn moed en zijn strijdvaardigheid, welke
laatste eigenschap vooral de bewondering had gewekt van den slachter
aan boord, die een vuistvechter van beroep was geweest. Zoo kreeg Jack
opeens den rang van een oudste, en werd weldra de toongever. Als onze
held het tegenover Vigors had moeten afleggen, zou het geval juist
omgekeerd geweest zijn. Hij zou dan hetzelfde te lijden hebben gehad,
waaraan de meeste nieuwelingen in den zeedienst zijn blootgesteld.
Meneer Asper had goede redenen om hem tot zijn kameraad te maken;
zij betrokken zamen de hondenwacht en hij luisterde geduldig naar als
den onzin, dien Jack over de rechten van den mensch uitkraamde. Toch
deed meneer Asper, zonder het te weten, veel goeds, want terwijl hij
om Jack's genegenheid te winnen, zich hield alsof hij 't volkomen met
hem eens was, waarschuwde hij evenwel en toonde aan waarom gelijkheid
aan boord van een oorlogsschip onbestaanbaar was.
Wat hemzelf betrof, zoo beweerde hij, zag hij geen verschil tusschen
een luitenant, of zelfs een kapitein, en een adelborst, aangenomen
dat hij een beschaafd mensch is; hij zou zijn vrienden kiezen waar hem
dat goeddacht en versmaadde de door den dienst verleende macht om het
anderen onaangenaam te maken. Natuurlijk werden Jack en meneer Asper
goede vrienden, vooral daar Asper Jack, toen de wacht half verstreken
was, naar kooi liet gaan, waardoor hij niet alleen diens genegenheid
won, maar ook bevrijd raakte van het eeuwige geredeneer.
Weldra zouden ze de straat van Gibraltar binnenzeilen en hoopten
den volgenden dag voor de stad te ankeren. Jack zat voor op den
bak met Mesty te praten, die een groote vriendschap voor hem had
opgevat. Ofschoon onze held nog slechts drie weken aan boord was,
zou Mesty toch alles voor hem gedaan hebben, en bij nader inzien is
dit toch eigenlijk licht verklaarbaar.
Mesty was in zijn eigen land iemand van veel beteekenis geweest;
hij had al de ellende van een overtocht op een slavenschip te
verduren gehad, was tweemaal als slaaf verkocht, was vervolgens wel
ontvlucht--maar had toch ondervonden, dat de meening van het gros
sterk gekant was tegen zijn huidskleur en dat hij, ofschoon vrij,
aan boord van een oorlogsschip tot de nederigste diensten werd gedoemd.
Nooit had hij iemand de gevoelens hooren verkondigen, die nu in zijn
eigen boezem leefden, namelijk die van vrijheid en gelijkheid. Wij
zeggen nú, omdat hij vóór zijn gevangenschap, toen hij nog in zijn
eigen land den baas kon spelen, geen oogenblik aan gelijkheid
dacht. Dat gaat meer zoo met menschen die de macht in handen
hebben. Maar hij had een harde leerschool doorloopen; en ofschoon
iedereen te New-York den mond vol had van vrijheid en gelijkheid,
bemerkte hij dat ze die wel voor zichzelf preekten, maar ten opzichte
van anderen niet in toepassing brachten, en dat, onder al die vrijheid
en gelijkheid, hij en duizenden met hem als nietswaardige wezens
werden beschouwd.
Naar Engeland ontvlucht, had hij zijn vrijheid herkregen, maar van
gelijkheid was geen sprake; daarbij stond zijn kleur hem in den
weg, en hij verkeerde in de meening dat de geheele wereld tegen
hem samenspande, totdat hij vol verbazing van Jack's lippen boutweg
dezelfde denkbeelden hoorde verkondigen, en dat nog wel in den dienst,
waar het ongeveer gelijk stond met muiterij. Dit maakte Mesty terstond
aan onzen held verknocht, en hij toonde zijn gehechtheid op alle
mogelijke manieren. Ook Jack mocht Mesty goed lijden en praatte graag
met hem, zoodat zij, na het gevecht met Vigors, elkaar gewoonlijk
iederen avond op den bak ontmoetten om de beginselen van gelijkheid
en de rechten van den mensch te bespreken.
De bootsman, Biggs geheeten, was een vlug, bedrijvig manneke, dat eens
bij een orkaan als opperste van de fokkemars zich zoo buitengewoon
kordaat had gehouden, dat hij bij den admiraal tot bevordering
werd voorgedragen. Hij werd dan ook bootsman, en nadat de equipage,
waartoe hij behoord had, afbetaald was, vond hij plaatsing op Harer
Majesteits fregat de Harpij. Jack's onderhoud met Mesty werd gestoord
door de stem van den bootsman, die zijn jongen een standje maakte. "'t
Is nu volgens mijn repetitie-horloge al tien minuten geleden, dat ik
je heb laten roepen," zei de bootsman, en haalde bij die woorden een
ouden zilveren knol voor den dag, die hem eens door een schacheraar
voor een repetitie-horloge was aangesmeerd.
"Met uw verlof, meneer," zei de jongen, toen u me liet roepen was ik
juist bezig een andere broek aan te trekken en daarna moest ik mijn
kist weer opbergen."
"Zwijg maar liever; je moest weten dat je, broek of geen broek,
onmiddellijk behoort te komen, als je meerdere je laat roepen."
"Ook zonder broek aan, meneer?" hernam de jongen.
"Wel stellig, ook zonder broek. Als de kapitein mij liet roepen,
zou ik onmiddellijk gaan al was het desnoods zonder hemd. Plicht gaat
boven fatsoen." Dit zeggende pakte de bootsman den jongen beet.
"Maar, meneer Biggs," zei Jack, "u zult toch den jongen niet straffen,
omdat hij zonder broek aan niet gekomen is?"
"Dat zal ik wel, meneer Rustig--ik zal hem eens een lesje geven. Nu er
zulke nieuwmodische begrippen aan boord van het schip gebracht zijn,
moeten we ons dubbel verplicht gevoelen om de waardigheid van den
dienst op te houden, en de bevelen van een meerdere mogen niet tien
minuten en twintig seconden onuitgevoerd blijven, omdat een jongen
zijn broek niet aanheeft." Daarop gaf de bootsman den jongen een paar
fiksche halen met zijn rotting, en bracht hem daardoor tot het besef
hoe gelukkig het was, dat hij zijn broek aangetrokken had alvorens op
het dek te verschijnen. "Ziedaar," zei meneer Biggs, "dat is een les
voor je, deugniet--en 't is er tevens een voor u, meneer Rustig." liet
hij er op volgen en verwijderde zich met een air van zelfvoldoening.
"Zoo'n moorddadige Ier!" zei Mesty, "wat heeft hij dien armen stakker
geranseld."
Den volgenden dag lag de Harpij in de baai van Gibraltar voor anker. De
kapitein ging aan wal, en gaf last dat men hem vóór negenen met de
sloep moest komen afhalen, want na dien tijd wordt de vestingspoort
alleen op bijzondere vergunning geopend. Toevallig werd er dien avond
door de officieren van het garnizoen een bal gegeven en nu kregen
de officieren van de Harpij een beleefde uitnoodiging om dat bij te
wonen. Voor degenen, die van de uitnoodiging gebruik maakten, zou
het te laat worden dan dat ze nog de poort uit konden en daarom gaf
de kapitein hun verlof om aan den wal te blijven tot den volgenden
morgen zeven uur. Omdat ze nog al sterk in getal waren, zouden er
tegen dien tijd twee sloepen uitgezonden worden om hen af te halen.
Meneer Asper kreeg verlof en verzocht of hij onze held mee mocht
nemen, wat hem door meneer Sawbridge werd toegestaan. Er kregen
nog verscheidene andere officieren verlof, zoo ook de bootsman,
die, in het besef dat zijn diensten vereischt zouden worden zoodra
de uitrusting begon, enkel verlof vroeg voor dien avond, en meneer
Sawbridge, die begreep dat hij thans beter gemist kon worden dan op een
anderen tijd, stemde er in toe. Asper en Jack begaven zich naar een
logement, dineerden en bespraken logies, en kleedden zich vervolgens
voor het bal, dat zeer schitterend was, en wegens het gezelschap
der officieren bijzonder prettig. Kapitein Wilson nam bij het begin
even een kijkje en keerde toen weer naar boord terug. Jack ging met
zijn gewone welgemanierdheid te werk, danste tot twee uur, en toen de
bezoekers van het bal begonnen te dunnen, stelde Asper voor om ook maar
heen te gaan. Na nog even in het locaal voor ververschingen vertoefd
te hebben, werden hun hoeden en jassen gebracht en juist wilden ze
opstappen, toen een der garnizoensofficieren aan Jack vroeg of hij
ook lust had een baviaan te zien, die eerst onlangs van de rots was
overgebracht. Voorzien van eenige stukken koek begaven zij zich na
naar de binnenplaats, waar het dier dicht bij een kleine waterbak
vastgeketend lag. Jack voerde het beest tot al zijn koek op was, en
toen hij niets meer te geven had, vloog de baviaan op hem los. Jack
deed haastig een paar stappen achteruit, maar tuimelde daardoor
achterover in den waterbak, die ongeveer twee voet diep was. Dat was
me een grap! Nadat er hartelijk gelachen was, wenschten onze vrienden
den officier goedennacht en begaven zich naar hun logement.
Nu hadden de officieren, die van de Harpij aan wal waren gegaan,
allen hun intrek genomen in hetzelfde logement en daar er ook nog
andere gasten waren, was de waard niet in staat ieder zijner logeées
een afzonderlijke kamer te geven. Hiertegen werd echter geen bezwaar
gemaakt en Jack kwam onder dak in een vertrek met twee bedden,
waarvan het eene reeds in beslag genomen was, zooals hij opmaakte
uit het geluid van zware ademhalingen, dat zijn oor trof.
Onder het ontkleeden bespeurde Jack dat zijn broek erg nat was. Ten
einde ze te drogen hing hij ze buiten het raam, en schoof dit
vervolgens weer dicht, om te beletten dat het kleedingstuk er uit
mocht vallen. Daarna kroop hij onder de dekens en was spoedig in
diepe rust. Zooals hij besteld had, werd hij om zes uur geroepen,
maar toen hij zich wilde aankleeden, bemerkte hij tot zijn schrik
dat het raam open en zijn broek naar de maan was. Blijkbaar had zijn
kamergenoot gedurende den nacht het venster geopend, zoodat de broek
op straat gevallen en door den een of ander meegepakt was. Jack keek
nog eens naar omlaag en ontdekte dat zijn buurman dien nacht onwel
moest geworden zijn. 't Is wat moois, zoo'n dronken kameraad, dacht
Jack; maar wat valt er aan te doen? Dit zeggende, stapte hij naar het
andere bed en bespeurde dat het ingenomen was door den bootsman. Wel,
dacht Jack, als die Biggs goedvindt mijn broek naar de maan te helpen,
dan heb ik toch ook het recht om de zijne te nemen of ten minste te
gebruiken om er mee naar boord te gaan. Gisteravond nog heeft hij
verklaard dat plicht boven fatsoen gaat en dat de bevelen van een
hoogergeplaatste gehoorzaamd moet worden, desnoods zonder kleeren
aan. Ik weet dat hij noodzakelijk naar boord moet en nu wil ik toch
eens zien hoe 't hem aanstaat in zijn hemdsslippen bevelen op te
volgen. Dit overwegende nam Jack de broek van den bootsman, die nog lag
te snorken, ofschoon hij al geroepen was. Jack trok het ding aan, stak
zich verder in de kleeren en verliet de kamer. Hij ging naar die van
meneer Asper, dien hij juist gereed vond en na de rekening betaald te
hebben--want Asper had ongelukkig zijn beurs vergeten--begaven ze zich
naar de vestingpoort, waar ze reeds een aantal officieren wachtende
vonden, genoeg om de eerste sloep te bezetten, die dan ook spoedig
van wal stak. Aan boord gekomen, haastte Jack zich een andere broek
aan te trekken en die van Biggs op een stoel in diens hut te leggen,
en nadat hij Mesty in vertrouwen had meegedeeld wat er aan de hand was,
begaf hij zich weer naar het dek om te zien hoe het geval zoo afloopen.
Alvorens het logement te verlaten had Jack aan den bediende gezegd,
dat er boven nog een bootsman in diepen slaap lag, die onmiddelijk
gewekt moest worden, en aan dien last was gehoor gegeven. De bootsman,
die den vorigen avond te diep in het glas had gekeken, en zooals Jack
terecht vermoedde het raam geopend had, omdat hij zich onpasselijk
gevoelde, werd wakker gemaakt en sprong, toen hij hoorde hoe laat
het al was, ijlings uit bed om zoo spoedig mogelijk zijn kleeren
aan te schieten. Daar hij zijn broek niet vond, schelde hij, in de
vooronderstelling dat ze weggenomen was om uitgeborsteld te worden,
en om geen tijd te verliezen trok hij zijn overige kleedingstukken
maar vast aan. De bediende, die op het geschel verscheen, zei dat hij
de broek niet uit de kamer had gehaald en de arme Biggs zat nu leelijk
in de klem. Wat er met zijn broek gebeurd kon zijn, begreep hij maar
volstrekt niet; hij had zelfs geen flauwe herinnering er van hoe hij
in zijn bed gekomen was; en toen hij er den bediende naar vroeg, wist
deze alleen te vertellen, dat meneer leelijk aangeschoten thuis was
gekomen en dat hij, toen hij meneer kwam wekken, het raam open had
gevonden, zoodat hij vooronderstelde, dat meneer zijn broek op straat
had gesmeten. De tijd drong, en de bootsman wist geen raad. "Maar
zouden ze hem niet een broek kunnen leenen?"
"Dat zou hij eens aan den hôtelhouder vragen."
De eigenaar van het logement wist terdege goed onderscheid te maken
tusschen de officieren van verschillende rang en begreep opperbest aan
wie hij crediet kon verleenen en aan wien niet. Hij zond den bediende
met de rekening naar boven en gaf hem de boodschap mee, dat meneer,
als hij een onderpand gaf, wel een broek kon krijgen. De bootsman
voelde al zijn zakken na, en herinnerde zich nu dat hij al zijn geld
in den zak van zijn broek had gehad. Hij kon dus niet alleen geen
onderpand geven, maar zelfs zijn rekening niet betalen. De hôtelhouder
was onverbiddelijk. 't Was al erg dat hij naar zijn geld moet fluiten,
meer kon hij er niet aan wagen.
"Ze zullen me nog voor den krijgsraad brengen!" riep de bootsman
uit. "Komaan, de vestingpoort is niet ver af, laat ik 't op een loopen
zetten en schielijk in een der sloepen wippen; ik kan dan nog wel een
andere broek aanschieten voor ik aan boord op het rapport kom." Na dat
besluit genomen te hebben ging de bootsman aan den haal, zoodat zijn
hemdsslippen in de wind fladderden, en bereikte buiten adem de plek,
waar de boot nog op hem lag te wachten. Met een wip was hij er in en
hurkte bij de stuurrepen neer, tot groote verbazing van de officieren
en de matrozen, die meende dat hij gek geworden was. Met weinig woorden
vertelde hij, dat de een of ander des nachts zijn broek had gestolen;
en daar het al laat was zette de matrozen af, terwijl matrozen zoowel
als officieren meenden te stikken van het lachen.
"Heeft er ook een van jullie een pijjekker?" vroeg de bootsman aan
de matrozen; maar het was zulk warm weer, dat niemand hunner er een
bij zich had. Biggs keek eens rond en zag dat de officieren op een
zeejekker zaten.
"Van wien is die zeejekker?" vroeg hij.
"Van mij," antwoordde Gascoigne.
"Och meneer Gascoigne, u zal wel zoo vriendelijk willen zijn me hem
even te leenen tot ik aan boord ben."
"Wel waarachtig niet!" antwoordde Gascoigne, die het ding nog liever
over boord zou gesmeten hebben, dan de grap te bederven; "toen we
een tijd geleden met windstilte bij Kaap St. Vincent lagen en ik
je om een vischsnoer vroeg, heb je gezegd dat ik naar de maan kon
loopen. Nu gaat het leer om leer en mijn jekker krijg je niet."
"Och toe, meneer Gascoigne, zoodra we aan boord zijn, zal ik u drie
vischsnoeren geven."
"Dat kan me allemaal niets schelen," antwoordde Gascoigne, die aan
het roer zat, omdat hij naar den wal gezonden was om de anderen af te
halen. "Allen aan de riemen!" kommandeerde hij nu, en weldra lagen
ze op zij van het schip. Toen de officieren opgestaan waren, rolde
Gascoigne, in spijt van Biggs dringend smeeken, zijn jekker op en smeet
hem den man toe, die den achtermeertros uitgeworpen had. Wat Biggs
toestand nog des te beklagenswaardiger maakte, was de omstandigheid
dat de eerste luitenant over de verschansing in de boot stond te
kijken en kapitein Wilson op het halfdek heen en weer wandelde.
"Komaan, meneer Biggs, ik had u al met de eerste boot verwacht,"
riep meneer Sawbridge hem toe "vlug wat, asjeblieft, want de ra's
zijn nog niet gebrast."
Biggs wist nog altijd niet hoe hij het maken zou om geen al te gek
figuur te slaan en bleef dralen, totdat de eerste luitenant driftig
uitriep: "Wat duivel, meneer Biggs, wat treuzel je toch?--ge zult
me verplichten met wat meer ijver te toonen of anders wil ik u wel
verzekeren, dat ge u in 't vervolg de moeite kunt sparen van verlof
te vragen om naar den wal te gaan. Ben je soms dronken, meneer?"
Deze laatste opmerking bracht Biggs tot een besluit. Hij sprong op en
was in een oogwenk uit de boot op het dek, waar hij voor den luitenant
aansloeg en zeide:
"Broodnuchter, meneer, maar ik ben mijn broek kwijt."
"Dat schijnt wel," antwoordde meneer Sawbridge, terwijl Biggs, wiens
hemdslippen nog maar steeds in den zeewind fladderden in deemoedige
houding voor hem stond. Maar nu kon meneer Sawbridge zich niet langer
goedhouden; schuddend van het lachen stormde hij de scheepstrap af
naar het halfdek. Meneer Biggs kon eerst na meneer Sawbridge naar
beneden gaan en het gesprek had aller aandacht getrokken, zoodat
iedereen het oog op hem richtte.
"Wat beteekent dat?" zei kapitein Wilson naar het gangboord komend.
"Plicht gaat boven fatsoen," antwoordde Jack, die veel pret had in
de grap.
Meneer Biggs herinnerde zich den dag van gisteren. Terwijl hij voor
den kapitein aansloeg, wierp hij een nijdigen blik op Jack, en pakte
zich weg naar het benedendek.
Wat de verontwaardiging van den bootsman nog verhoogde, was
de ontdekking dat zijn broek eerder aan boord gekomen was dan
hijzelf. Daaruit begreep hij, dat men hem een poets gespeeld had
en hij twijfelde geen oogenblik er aan, of onze held had 't hem
gebakken. Bewijzen kon hij dat echter niet, want hij wist niet eens
wie met hem de kamer gedeeld had. Toen Jack naar bed ging, lag hij
al in diepen slaap en bij diens vertrek was hij nog niet wakker.
Het fijne van het geval raakte op het schip spoedig algemeen
bekend en "plicht gaat boven fatsoen" werd een spreekwoord. De
bootsman stelde alles in het werk om zich op den armen jongen te
wreken, zoodat Gascoigne en Jack nooit meer een vischsnoer van hem
kregen. Het scheepsvolk had evenveel hekel aan den bootsman als aan
Vigors, terwijl Jack, zoowel om zijn stellingen over de rechten van
den mensch als om zijn ringelooren van hun twee grootste vijanden,
de gunsteling werd van de zeelui, en daar zulke gunstelingen steeds
met een bijnaam vereerd worden, noemden ze onzen held Jack Gelijkheid.
Negende hoofdstuk.
Onze held wil liever naar beneden dan naar boven gaan;
een keus, waarvan hij, naar we hopen in meer gewichtige
omstandigheden zal terugkomen.
Den volgenden dag was het Zondag en, daar het weer ongunstig was,
kwam er niets van het dienst doen, maar werden de krijgsartikelen
met den daaraan verschuldigden eerbied voorgelezen, terwijl kapitein,
officieren en manschappen met hun hoeden af in een motregen stonden
te luisteren. Jack, die van den kapitein gehoord had, dat die
krijgsartikelen de wetten en voorschriften van den dienst waren,
waaraan kapitein, officieren en scheepsvolk allen gelijkelijk
onderworpen waren, volgde met gespannen aandacht de voorlezing van
den schrijver. Weinig vermoedde hij, dat er hun door de admiraliteit
ongeveer vijfhonderd verordeningen op den hals waren geschoven, die
bijna alles omvatten en in zeker opzicht den persoonlijken wil alle
beteekenis ontnamen.
Jack luisterde nauwlettend. Van de meeste artikelen begreep hij, dat
hij er nooit mee in botsing zou komen, en wat hem vooral verwonderde,
was het stellige verbod tegen het vloeken, dat toch aan boord als
een doode letter werd beschouwd. Over het geheel genomen meende hij
nu vrij wel te weten, waar hij zich aan te houden had, maar voor
alle zekerheid verzocht hij, zoodra de manschappen door een stoot
op de fluit naar beneden gekommandeerd waren, den schrijver om een
afschrift van de artikelen.
Nu had de schrijver er wel drie, maar maakte toch bezwaar er een
af te staan. Ten laatste beloofde hij, dat Jack een der copieën zou
krijgen, als hij hem daarvoor een tandenborstel wilde geven, want de
zijne was door den een of anderen gauwdief gekaapt. Jack antwoordde,
dat de door hem gebruikte al tamelijk versleten was en hij maar één
nieuwen had, dien hij onmogelijk missen kon. Daarop zei de schrijver,
die heel netjes was, en een afschuw had van vuile tanden, dat als
Jack van den nieuwen borstel geen afstand wilde doen, hij zich
tevreden zou stellen met den gebruikten. De ruil geschiedde en Jack
las nu de krijgsartikelen zoo dikwijls over, tot hij ze nagenoeg van
buiten kende.
"Zie zoo", zei Jack, "nu weet ik wat me te doen staat en waar ik me
voor te wachten heb. Zoolang ik in dienst blijf, zal ik die artikelen
steeds in mijn zak dragen, als ze het ten minste zoolang uithouden; en
al doen ze dat niet--allicht heb ik dan weer een ouden tandenborstel
om er tegen in te ruilen, want dat schijnt nu eenmaal de prijs er
van te zijn."
De Harpij bleef veertien dagen in de baai van Gibraltar liggen. Jack
had nog al eens gelegenheid om aan wal te gaan en daarbij vergezelde
meneer Asper hem geregeld.
Op een morgen kwam Jack beneden in de kajuit en vond er den jongen
Gossett huilende.
Wat scheelt er aan, mijn beste Gossett? vroeg Jack.
"Vigors heeft me met een eind touw afgerost," antwoordde Gossett,
terwijl hij zijn arm en zijn schouders wreef.
"Waarom?" vroeg Jack.
"Wel, hij beweert, dat de dienst heel in de war loopt--waaraan ik
toch geen schuld heb--en dat het gedaan is met alle gezag, nu er
nieuwelingen aan boord komen, die, omdat ze een paar tientjes op zak
hebben, maar alles mogen doen wat ze willen. Maar hij zou er eens de
hand aan houden, en bij die verklaring heeft hij me tegen den grond
gesmeten--en toen ik weer op de been was, moest ik blijven staan--en
toen haalde hij zijn eind touw voor den dag en zei, dat bij van plan
was zich eens duchtig te laten gelden en dat het maar uit moest wezen
met dien Jack zijn Gelijkheid.
"Zoo!" antwoordde Jack.
"En toen heeft hij me een half uur geranseld."
"Zoo waar als ik leef, Massa Rustig, 't is precies zoo gebeurd. Stellig
moet hij erg zwak van geheugen zijn," vervolgde Mesty, "en weer een
lesje noodig hebben van Jack Gelijkheid."
"En daar zal hij niet van vrijloopen ook," antwoordde onze held,
"hoewel het strijdt tegen het artikel dat luidt: 'alle twist en
vechterij enz.' Gossett, heb je een beetje meer begrip dan een
garnaal?"
"Jawel," antwoordde Gossett.
"Nu, wil je dan een volgenden keer doen wat ik je zeg, en op mijn
bescherming rekenen?"
"'t Kan me niet schelen wat ik doe," hernam de jongen, als gij me
maar helpt tegen dien laffen dwingeland."
"Bedoel je daar mij soms mee?" beet Vigors hem toe, die juist in de
deur van de kajuit verscheen.
"Zeg ja," fluisterde Jack.
"Ja, jou!" riep Gossett uit.
"Ei zoo, mannetje, dan zal ik je nog een beetje er van langs moeten
geven," zei Vigors en haalde zijn eind touw voor den dag.
"Je deed beter met dat te laten, meneer Vigors," merkte Jack op.
"Bemoei je alsjeblieft met je eigen zaken," antwoordde Vigors,
die volstrekt niet op zoo'n tusschenkomst gesteld was. "Ik heb
't niet tegen jou, en het zal me pleizier doen als je je niet met
mij inlaat. Ik heb, dunkt me, alle recht om zelf mijn kennissen te
kiezen, en den omgang van een gelijkheidskramer zoek ik niet, reken
daar gerust op."
"Zooals je verkiest, meneer Vigors," antwoordde Jack, "'t staat u vrij
uw eigen kennissen te kiezen, maar ik heb evengoed dat recht en zal
mijn vrienden bijstaan ook. Deze jongen is mijn vriend, meneer Vigors."
Zelfs op gevaar af van een tweede gevecht met Jack, kon Vigors toch
zijn grootspreken niet laten en hernam: "Dan zal ik zoo vrij zijn uw
vriend een pak slaag te geven," terwijl hij onmiddellijk de daad bij
het woord voegde.
"Dan zal ik zoo vrij zijn mijn vriend te verdedigen," antwoordde Jack;
"en daar gij mij een gelijkheidskramer hebt genoemd, zal ik trachten
dien naam niet te verliezen,"--en bij die woorden gaf Jack hem zulk
een peuter onder zijn oor, dat hij over het dek rolde en niet in
staat was zich weer op te richten. Jack wrong hem nu het eind touw
uit de hand en zei toen tot Gossett: "Nu geef jij hem hiermee maar
eens een duchtig pak, of anders krijg je zelf van mij er langs."
Gossett liet zich dat geen tweemaal zeggen; het genot zijn vijand
te kunnen afranselen, al was het ook maar voor eens, was al te
verleidelijk--en hij spaarde zijn krachten niet. Met gebalde vuisten
stond Jack klaar om bij het minste verzet zijn vriend te verdedigen;
maar Vigors was half versuft van den ontvangen opstopper en verroerde
geen vin, hij liet zich gedwee afrossen.
"Zoo is 't genoeg," zei Jack eindelijk; "en wees nu maar niet bang,
Gossett; den eersten den besten keer dat hij je aanraakt als ik er
niet bij mocht zijn, zal ik 't hem betaald zetten, zoodra jij 't me
verteld hebt. Ik wil niet voor niets Jack Gelijkheid genoemd worden."
Toen Jolliffe, die van het geval hoorde, onzen held weer eens alleen
aantrof, zei hij tot hem: "Neem een goede raad van mij aan, vriend,
en steek je knuisten niet telkens uit ter wille van anderen, je zult
spoedig ondervinden, dat er voor jezelven al genoeg te vechten valt."
Jack sloeg daarop een halfuur lang aan 't redeneeren, waarna ze
afscheid van elkaar namen. Maar Jolliffe had gelijk. Jack had elk
oogenblik stribbelingen, en ofschoon de kapitein en de eerste luitenant
hem hun bescherming niet onthielden, begonnen zij 't toch hoog tijd te
vinden, dat Jack tot inzicht kwam, hoe aan boord van een oorlogsschip
iedereen en alles zich aan de voorschriften te houden had.
Aan boord van Zijner Majesteit fregat Harpij was ook iemand die
Easthupp heette en den post van onderbetaalmeester bekleedde. Hoe
hij eigenlijk aan dat baantje gekomen was viel moeilijk te verklaren,
want hij had vroeger wegens dieverij op minder aangename manier met
den strafrechter kennis gemaakt. Lezen en schrijven had hij in het
werkhuis geleerd en nadat hij daaruit ontsnapt was, sloot hij zich in
Londen bij een bende jeugdige dieven aan om ten slotte zakkeroller
te worden. Zijn uiterlijk was vrij gunstig en met zijn onbeschaamde
grootspraak wist hij velen zand in de oogen te strooien; ook stak hij
altijd netjes in de kleeren en op zijn manieren viel niet veel aan
te merken. Ofschoon hij de taal deerlijk havende, was hij toch rad
van tong, en daar hij herhaalde malen met het gerecht in aanraking
was geweest, viel het niet te verwonderen, dat hij zich door en door
radikaal noemde.
Toen nu Easthupp van Jack's denkbeelden hoorde, wilde hij dadelijk
kennis met hem aanknoopen en nog eer ze Gibraltar bereikten, kwam
hij zichzelf met veel strijkages voorstellen. Onze held kon den kerel
echter al dadelijk niet uitstaan om zijn overmatige en onbeschaamde
gemeenzaamheid.
Als Jack iemand ontmoette, merkte hij aanstonds of hij met een
beschaafd man te doen had, en hij verkoos zich niet in te laten met
personen, die hij te ver beneden zich achtte. Zóó ver ging Jack's
gelijkheid niet; in theorie was alles goed en wel, maar in de practijk
lette hij er wel degelijk op, of iets in zijn kraam te pas kwam.
Maar de onderbetaalmeester was niet zoo gemakkelijk af te schepen; en
al liet Jack hem duidelijk merken, dat zijn gezelschap hem volstrekt
niet aanstond, toch klampte Easthupp hem telkens op gemeenzame wijze
aan. Ten slotte zei Jack hem ronduit, dat hij niets met hem te maken
wou hebben, waaruit een woordentwist onstond, die zóó hoog liep, dat
Jack den ander een schop gaf, die hem door het luik van het achterdek
naar beneden deed tuimelen. Dit was al een heel bedenkelijk bewijs van
Jack's gelijkheid--en Easthupp, zich in zijn eer gekrenkt achtende,
diende zijn beklag in bij den kapitein, die nu onzen Rustig bij zich
liet komen.
Niet zoodra was Jack verschenen of kapitein Wilson riep ook Easthupp.
"Wel, onderbetaalmeester, wat heb je nu eigenlijk in te brengen?"
"Met uw verlof, kapitein Wilson, het is me hoogst onaangenaam, dat
ik verplicht ben mij over iemand te beklagen, maar hier meneer Rustig
heeft goed gevonden uitdrukkingen tegen mij te bezigen, die voor een
fatsoenlijk mensch in 't geheel niet passen en bovendien heeft hij
me een schop gegeven, zoodat ik door het luik ben getuimeld."
"Is dat waar, meneer Rustig?"
"Ja, meneer," antwoordde Jack. "Herhaalde malen heb ik den kerel
gezegd, dat hij zich niet met mij bemoeien moest, en toch laat hij
't niet. Ik heb hem een radikalen ellendeling genoemd en hem een
schop gegeven."
"Heb je hem een radikalen ellendeling genoemd, meneer Rustig?"
"Ja, meneer, want hij relt me altijd aan de ooren over zijn republiek,
en beweert dat we geen koning en geen aristocratie noodig hebben."
Kapitein Wilson wisselde een veelbeteekenden blik met meneer Sawbridge.
"Ik heb inderdaad mijn politieke gevoelens kenbaar gemaakt,
kapitein Wilson, maar u gelieve niet te vergeten, dat wij allen
een gelijk aandeel in het land hebben--dat is het geboorterecht van
een Engelschman.
"Welk aandeel gij in het land hebt, begrijp ik niet goed, meneer
Easthupp," merkte kapitein Wilson op, "maar, me dunkt, als gij
dergelijke uitdrukkingen gebruiktet, had meneer Rustig ook alle recht
u zijne meening te kennen te geven."
"Ik ben volkomen bereid, kapitein Wilson, dit toe te geven voor zoo ver
het staatkundige gesprekken geldt--en dat is 't ook volstrekt niet,
waarover ik mij beklaag. Maar meneer Rustig heeft zich vermeten mij
een bedrieger en een leugenaar te noemen."
"Hebt gij die uitdrukkingen gebruikt, meneer Rustig?"
"Ja, meneer, dat heeft hij," hernam de onderbetaalmeester; "en hij
heeft er nog bijgevoegd, dat ik de manschappen en mijn patroon, den
betaalmeester, niet moest bedriegen. Wordt mij op die manier niet een
leelijke klad aangewreven, kapitein? Maar ik durf me vleien dat ik
een goede opvoeding heb genoten en vroeger verkeerde ik in deftige
kringen. Iedereen kan echter in het ongeluk geraken, en ik voel me
diep gekrenkt door die schandelijke aantijgingen." Hierop haalde
meneer Easthupp zijn zakdoek voor den dag en snoot met veel drukte
zijn neus. "Ik heb meneer Rustig gezegd, dat ik me even fatsoenlijk
achtte als hij, en in elk geval niet omging met zwarte kerels, waarop
hij goed vond me een schop te geven, zoodat ik door het luik naar
beneden tuimelde."
"Al genoeg, betaalmeester, ik heb uw klacht gehoord en gij kunt
nu gaan."
Meneer Easthupp nam met veel zwier zijn hoed af, maakte een buiging
en begaf zich langs de groote trap naar beneden.
"Meneer Rustig," zei kapitein Wilson, "gij moet weten, dat de
voorschriften van den dienst, waaraan wij allen gelijkelijk gebonden
zijn, niet veroorloven dat een officier zich op eigen hand recht
verschaft. Ofschoon ik er nu geen aanmerkingen op wil maken, dat gij
den man een radikalen ellendeling hebt genoemd, want hij verdiende
dat door het onbeschaamd opdringen van zijn meeningen, toch hebt
gij geen recht zonder reden iemands karakter aan te vallen--en daar
de man een post van vertrouwen bekleedt, stond het u volstrekt niet
vrij hem voor een bedrieger uit te maken. Wilt u me eens verklaren,
waarom ge die uitdrukking hebt gebruikt?"
Nu had onze held geen eigenlijke bewijzen tegen den man en wist
tot zijn verontschuldiging niets deugdelijks in te brengen; doch
opeens schoot hem de reden te binnen, die de kapitein zelf indertijd
tot vergoelijking der onbehoorlijke taal van meneer Sawbridge had
aangevoerd. Jack was slim genoeg om te begrijpen, dat hij doel zou
treffen, en antwoordde dus doodbedaard en eerbiedig:
"Met uw verlof, kapitein Wilson, 't was enkel dienstijver."
"Dienstijver, meneer Rustig? Dat lijkt me maar een zwakke
verontschuldiging. Maar waarom toch hebt ge den man geschopt? Dat
zoo iets in strijd was met de verordeningen, moest ge immers weten."
"Jawel, meneer," antwoordde Jack weifelend, "maar ik heb 't toch
enkel uit dienstijver gedaan."
"Vergun me dan op te merken," hernam kapitein Wilson, terwijl hij
zich op de lippen beet, "dat uw ijver in dit geval erg misplaatst was,
en zich naar ik hoop, niet weer, op die wijze zal uiten."
"En toch, meneer," zoo begon Jack weer, die begreep dat hij den
kapitein een steek onder water gaf en daarom een vrij bedeesd
gezicht zette, "toch zouden we 't in den dienst zonder ijver niet
ver brengen--en ik hoop nog eens, volgens uw eigen zeggen een zeer
ijverig officier te worden."
"Dat hoop ik ook, meneer Rustig," antwoordde de kapitein. "Doch ga
nu maar heen, en laat me niet weer hooren van schoppen, Zoo'n ijver
is totaal misplaatst."
"Waarschijnlijk meer dan mijn voet," mompelde Jack onder het heengaan.
Zoodra onze held zich verwijderd had begon kapitein Wilson hartelijk te
lachen en vertelde aan meneer Sawbridge, hoe hij indertijd diens taal
tegenover onze held voor een uitvloeisel van louter dienstijver had
verklaard, maar nu zijn troeven dubbel en dwars weer thuis gekregen
had. "Inderdaad, meneer Sawbridge, nu blijkt eerst, hoe zwak mijn
verdediging van u was, doe dus uw voordeel met het lesje."
Sawbridge vond dat ook--maar toch waren beiden 't er over eens,
dat Jack's rechten van den mensch groot gevaar begonnen te loopen.
Den dag voordat het schip weer uitzeilde, dineerde de kapitein en
meneer Asper bij den gouverneur; en daar er weinig meer te doen viel,
droeg meneer Sawbridge, die sedert het binnenloopen van de haven
nog niet van boord geweest was, voor den namiddag het bevel aan
meneer Smallsole, den stuurman, over en begaf zich aan wal om eenige
inkoopen te doen. Nu hebben we reeds opgemerkt, dat die stuurman Jack's
gezworen vijand was.--Jack lag er al met drie overhoop: met Smallsole,
met Biggs, den bootsman, en Easthupp, den onderbetaalmeester. Meneer
Smallsole was wat blij, dat hij eens het commando had en hoopte nu
gelegenheid te vinden tot het straffen van onzen held, die zich al
licht bloot zou geven.
Evenals de meeste menschen, die zelden wat te bevelen hebben, was de
stuurman overdreven lastig en bazig. Hij vloekte tegen de matrozen,
liet ze hun werk twee, driemaal overdoen, onder voorwendsel, dat het
niet vlug genoeg ging, en had op iedereen, die aan boord gebleven was,
wat aan te merken.
"'t Schijnt wel, meneer Biggs, of jullie daar vooruit allen in den dut
zijt geraakt. Denk je soms dat er niets uitgevoerd behoeft te worden,
nu de eerste luitenant niet aan boord is? Hoe lang moet 't nog duren
eer dat hijschen gedaan is?"
De nijdigheid van meneer Smallsole sloeg op meneer Biggs over, en
van den weeromstuit raakten ook de bootmansmaat en de bakmeester van
het hondje gebeten, en als meneer Smallsole begon te vloeken, liet
ook de bootsman zich niet onbetuigd. Zelfs bij den bootsmansmaat,
de baksmeester en al de matrozen vond dat voorbeeld navolging.
Meneer Smallsole kwam vooruit.
"Verduiveld, meneer Biggs, wat scheelt er toch aan? Kunnen jullie
niet wat beter aanpakken?"
"We doen ons best al, meneer," antwoordde de bootsman, "maar die
nietsdoeners op den bak staan ons in den weg." Bij die woorden wierp
meneer Biggs een blik op onzen held en Mesty, die tegen de verschansing
geleund stonden.
"Wat voer je hier uit, meneer?" riep Smallsole onzen held toe.
"Niets meneer," antwoordde Jack.
"Dan zal ik je wat te doen geven. Den mast in, en blijf daar tot
ik je weer beneden roep. Kom mee, meneer, ik zal je den weg wijzen,
vervolgde de stuurman en begaf zich achteruit. Jack volgde hem tot
op het halfdek:
"En nu naar boven, meneer."
"Waarom moet ik naar boven, meneer?" vroeg Jack.
"Voor straf, meneer," luidde het antwoord.
"Wat heb ik dan gedaan?"
"Geen praatjes meer--vooruit, naar boven!"
"Met uw verlof, meneer," hernam Jack, "ik zou de zaak eerst nog wel
willen beredeneeren."
"Wat redeneeren!" bulderde meneer Smallsole. "Naar boven voor den
donder!"
"Met uw verlof, meneer," vervolgde Jack, "de kapitein heeft me
meegedeeld, dat de krijgsartikelen de voorschriften waren, waaraan
iedereen in dienst gebonden was. Nu heb ik ze zoo dikwijls overgelezen,
dat ik ze haast van buiten ken, en er staat geen woord in over dat
den mast inzenden." Jack haalde meteen de krijgsartikelen uit zijn
zak en sloeg ze op.
"Wil je den mast in gaan, meneer, of niet?" zei Smallsole.
"Wilt u me eens wijzen, wat daarvan in de krijgsartikelen staat? Hier
zijn ze, meneer."
"Ik zeg je nog eens, meneer, den mast in, of anders zal ik je in een
broodzak laten ophijschen."
"Van broodzakken komt niets in de krijgsartikelen voor, meneer,
maar ik zal u zeggen wat er wél in staat." En nu begon Jack te lezen:
"Alle vlagofficieren, en alle personen behoorende tot de bemanning
van Zijner Majesteits oorlogschepen, zullen, indien zij zich schuldig
maken aan vloeken, dronkenschap, of andere schandelijke handelingen,
gestraft worden als volgt:--"
"Wel vervloekt!" riep de stuurman dol van woede uit, nu hij de geheele
equipage hoorde grinniken. "Wil je nu naar boven gaan, of niet?"
"Met uw verlof, liever niet."
"Dan hebt ge u als in arrest te beschouwen--ik zal je, zoo waar ik
leef, voor den krijgsraad brengen. Naar beneden, meneer."
"Met alle genoegen, meneer," hernam Jack, "dat komt volkomen overeen
met de krijgsartikelen, waaraan we ons te houden hebben." Jack stak
nu zijn afschrift weer in den zak en begaf zich naar beneden naar
de voorlongroom.
Spoedig daarop volgde hem Jolliffe, die het heele standje had
aangehoord. "Beste jongen," zei hij, "dat is een leelijk geval;
je had den mast in moeten gaan."
"Ik had er eerst eens nader over willen praten," antwoordde Jack.
"Ja, dat zou iedereen wel willen; maar als dat mocht, zou de dienst
telkens belemmerd worden--en dat gaat niet. Je hebt te beginnen met
aan het bevel te gehoorzamen; is het bevel onrechtvaardig, dan kun
je later je beklag indienen."
"Zoo staat 't niet in de krijgsartikelen."
"Maar in den dienst is het toch zoo."
"De kapitein heeft me gezegd, dat de krijgsartikelen het richtsnoer
waren voor den dienst, en dat we er allen gelijkelijk aan te
gehoorzamen hadden."
"Alles goed en wel, maar toch geloof ik niet, dat de krijgsartikelen
je veel baten zullen. Er wordt in gezegd, ieder officier, matroos,
enz. die zich schuldig maakt aan ongehoorzaamheid ten opzichte van
een wettig bevel, enz.--Welnu, valt gij niet onder de termen van
dat artikel?"
"Dat staat nog te bewijzen," antwoordde Jack. "Met een wettig bevel
wordt bedoeld een bevel, dat steunt op een wet; en waar is nu die
wet?--Bovendien heeft de kapitein me, toen ik dien lammeling een schop
had gegeven, gezegd, dat alleen de kapitein tot straffen bevoegd was,
en dat officieren niet op hun eigen handje gerechtigheid mochten
uitoefenen; hoe kan de stuurman het dan?"
"Al zou hij als bevelhebber verkeerd gehandeld hebben, dan is dat voor
u, als mindere in rang, nog geen reden om hem niet te gehoorzamen. Als
dat geoorloofd was, als elk bevel moest gewikt en gewogen worden of
het al of niet rechtvaardig was, dan zou 't met alle tucht gedaan
zijn. Vergeet ook niet, dat in den dienst het gebruik nagenoeg met
de wet gelijk staat."
"Daar valt nog al een en ander tegen in te brengen."
"In den dienst niet, beste jongen. Bedenk maar eens, dat er ook aan den
vasten wal twee wetten bestaan; de geschrevene en de ongeschrevene,
dat is: het gebruik. Natuurlijk is dat in den zeedienst ook zoo,
want men kan niet alles onder artikelen brengen."
"Maar een krijgsraad kan toch in alles voorzien," hernam Jack.
"Den dood of ontslag uit den dienst hebt gij er van te wachten--en
geen van beide is bijzonder aangenaam. Gij hebt uzelven leelijk in
de klem gebracht, en al is de kapitein u blijkbaar genegen, hij mag
het nu gebeurde niet onopgemerkt laten. Gelukkig is 't maar met den
stuurman en niet met een van de andere officieren, maar toch zult ge
moeten toestemmen, dat de kapitein het niet door de vingers kan zien."
"Ik zal u eens wat zeggen, Jolliffe," begon Jack weer, "mijn oogen
beginnen voor vele dingen open te gaan. Toen ik vreemd opkeek van een
lompe bejegening, zei de kapitein me, dat ze enkel aan dienstijver toe
te schrijven was; en nu bemerk ik, dat wat van een meerdere tegenover
een mindere dienstijver is, in het omgekeerde geval onbeschaamdheid
wordt. De krijgsartikelen heeten een richtsnoer voor allen zonder
onderscheid--maar de stuurman vergrijpt zich bij herhaling aan
artikel twee en loopt vrij, terwijl ik gestraft moet worden, omdat
ik iets weiger te doen wat niet in de artikelen wordt vermeld. Hoe
kon ik weten, dat ik voor straf den mast in moest! te meer daar
de kapitein beweerd heeft, dat hij alleen tot straffen gerechtigd
is. Als ik gehoorzaam aan een bevel, dat lijnrecht in strijd is met
dat van den kapitein, is zoo iets dan niet even erg alsof ik hem
ongehoorzaam was? Ik geloof niet dat mijn zaak zoo slecht staat,
en mijn bewijsgronden zijn niet te weerleggen."
"Toch vrees ik, dat er weinig acht op zal geslagen worden en dat de
stuurman het pleit winnen zal."
"Dat zou immers tegen alle recht en billijkheid strijden!"
"Maar volkomen overeenstemmen met de gebruiken in den dienst."
"Ik geloof, dat ik een groote dwaas ben," merkte Jack na een poos
op. "Raad eens, Jolliffe, waarom ik op zee gegaan ben."
"Omdat je niet besefte hoe goed je 't thuis had."
"Daar is veel van aan; maar toch mijn eigenlijke reden was, dat ik hier
de gelijkheid hoopte vinden, die ik aan wal tevergeefs had gezocht."
Jolliffe keek gek op.
"Beste jongen, heb ik je niet hooren zeggen, dat je die denkbeelden
van uw vader hebt overgenomen? Zonder oneerbiedig tegenover hem te
willen wezen, mag ik toch niet verzwijgen, dat hij òf een gek òf een
zonderling moet zijn, als hij op zijne jaren nog niet heeft ingezien,
dat zoo iets als gelijkheid onbestaanbaar is."
"Dat begin ik ook te denken," antwoordde Jack; "maar het is nog geen
bewijs dat 't niet zoo diende te wezen."
"Neem me niet kwalijk, maar het niet-bestaan er van bewijst op zichzelf
al genoeg. Je zoudt evengoed volmaakt geluk kunnen verwachten. Uw
vader schept zich hersenschimmen."
"'t Zal maar het beste wezen, dat ik weer naar huis ga."
"Neen, mijn waarde Rustig, het best wat je doen kunt is in dienst
blijven, want dat zal een eind maken aan al dergelijke onzinnige
denkbeelden, en je zult er een ferme, flinke kerel door worden. De
dienst is een harde, maar een goede leerschool; alles is er wel niet
onberispelijk, maar wat is er in de wereld zonder gebreken? Maar om
nog eens op het geval met Smallsole terug te komen ik geloof stellig,
dat je morgen den mast in zult moeten."
"We zullen zien," antwoordde Jack. "Ik ga nu voorloopig maar naar
kooi."
Tiende hoofdstuk.
Onze held begint zelfstandig te handelen en te oordeelen.
Wat ook Jacks gedachten mogen geweest zijn, in elk geval werd zijn
rust er niet door gestoord. Jolliffe's beweringen, hoe gegrond ook,
hadden weinig vat op hem. "Nu," dacht Jack, "al moet ik ook den mast
in, dan bewijst dat nog niet, dat mijne bewijsgronden niet deugen,
maar enkel dat er geen gehoor aan gegeven wordt." En bij die gedachte
sloot hij de oogen en was weldra in diepe rust.
De stuurman rapporteerde het gebeurde aan den eersten luitenant en
deze aan den kapitein, zoodra die den volgenden morgen aan boord
kwam. Rustig werd nu in de kajuit ontboden om te hooren of hij ook
iets te zijner verontschuldiging had in te brengen. Jack bleef wel een
half uur lang aan het redeneeren en zette al de bewijsgronden, die hij
reeds tegen Jolliffe had ontvouwd, in het breede uiteen. Daarop werd
meneer Jolliffe gehoord en eindelijk ook meneer Smallsole ondervraagd,
waarna de kapitein en de eerste luitenant alleen gelaten werden.
"'t Is toch maar waar, Sawbridge," zei kapitein Wilson, "dat elke
afwijking van den rechten weg ons onherroepelijk in de klem brengt. Ik
heb verkeerd gehandeld. Uit zucht om den jongen aan zijn vaders
leiding te onttrekken en uit vrees dat ik hem anders niet aan boord
zou krijgen, heb ik hem den dienst veel mooier voorgespiegeld dan
ik had moeten doen. Al wat hij zegt, heb ik hem zelf voorgepraat en
zoodoende ben ik eigenlijk dengene, die hem op een dwaalspoor heeft
gebracht. Meneer Smallsole heeft zich eigenmachtig en onrechtvaardig
gedragen; hij strafte den jongen zonder dat deze iets misdreven had,
en met dat al kom ik nu maar in een leelijk parket. Straf ik den
knaap, dan doe ik dat meer om mijn eigen fout en die van anderen, dan
om de zijne. Straf ik hem niet, dan laat ik toe, dat een ernstige,
openlijke schending der krijgstucht ongewroken blijft, wat hoogst
nadeelig zou zijn voor den dienst."
"Hij moet noodzakelijk gestraft worden, meneer," antwoordde Sawbridge.
"Laat hem eens hier komen," zei kapitein Wilson.
Jack verscheen en maakte een zeer beleefde buiging.
Meneer Rustig, daar gij in de meening verkeert dat de krijgsartikelen
al de wetten en voorschriften van den dienst behelzen, wil ik
aannemen dat gij uit onwetendheid gedwaald hebt. Maar al is dit zoo,
toch zult ge wel inzien, dat zulk een schending van de tucht niet
onopgemerkt voorbij kan gaan zonder een hoogst schadelijken invloed
uit te oefenen op de manschappen, wier gehoorzaamheid gesterkt
wordt door het voorbeeld der officieren. Ik ben stellig overtuigd
van uw dienstijver, dien gij nog gisteren heb getoond in het geval
met Easthupp, en ik twijfel geen oogenblik of gij zult inzien hoe
noodzakelijk het voor mij is, door u te straffen aan de bemanning
blijk te geven, dat de tucht gehandhaafd moet worden. Daarom zal ik
u op het halfdek ontbieden en last geven in den mast te klimmen en
wel in tegenwoordigheid van de gansche equipage, want uw weigering
is ook in aller tegenwoordigheid geschied."
"Met het grootste genoegen, kapitein Wilson," antwoordde Jack.
"En in het vervolg verzoek ik u er aan te denken, meneer Rustig, dat
als een meerdere u straft, en gij u verbeeldt onrechtmatig behandeld
te worden, gij u eerst aan de straf hebt te onderwerpen, en u daarna
tot mij kunt wenden om herstel van geleden onrecht."
"Zeer zeker zal ik dat, meneer," antwoordde Jack, "nu ik maar eenmaal
weet wat uw verlangen is."
"Gij zult me verplichten met naar het halfdek te gaan en daar te
blijven tot ik kom, meneer Rustig."
Jack boog zoo diep mogelijk en verwijderde zich.
"Die goede Jolliffe heeft me wel gezegd, dat ik er aan zou moeten
gelooven," zei Jack bij zichzelf, "en hij heeft 't geraden; maar ik
laat me hangen als ik niet volkomen gelijk had, en verder kan 't me
niet schelen."
Kapitein Wilson liet den stuurman roepen en gaf hem een uitbrander
over zijn baasspelen, daar er blijkbaar geen enkele reden voor straf
was geweest. Nooit mocht hij weer een adelborst den mast inzenden,
maar hij moest van wat hij een vergrijp achtte rapport doen aan den
eersten luitenant of aan hemzelf. Vervolgens begaf hij zich naar het
halfdek, liet Rustig bij zich komen en deelde hem naar het scheen
een duchtige berisping toe, waarbij Jack echter een vrij kalm gezicht
zette, omdat hij wel wist dat de kapitein alleen uit dienstijver hem
een standje maakte. Daarna kreeg onze held bevel den mast in te gaan.
Jack nam zijn hoed af en deed drie of vier stappen om aan het bevel
gevolg te geven, maar keerde toen eensklaps terug en vroeg met een
allerbeleefdste buiging of het kapitein Wilsons bedoeling was dat
hij in den fokkemast, of wel dat hij in den grooten mast zou klimmen.
"In den grooten, meneer Rustig," antwoordde de kapitein en beet zich
op de lippen. Jack klauterde een sport of drie den Jacobsladder op,
maar hield toen opnieuw stil en nam zijn hoed af.
"Verschoon me, kapitein Wilson--gij hebt me niet gezegd of het uw
wensch was dat ik tot de steng of tot de bramdwarszalings....
"Tot de bramdwarszalings, meneer Rustig," viel de kapitein haastig in.
Jack klom nu op zijn gemak naar boven, hield bij de groote mars
even stil om adem te scheppen, wat verderop om eens rond te kijken
en kwam ten slotte op de bedoelde plek, waar hij zitten ging en zijn
krijgsartikelen voor den dag haalde om ze nogmaals te doorlezen, ten
einde te zien of bij aan zijn betoog soms nog meer kracht had kunnen
bijzetten. Nog nauwelijks had hij 't tot het zevende artikel gebracht
of er werd geroepen: "Anker op!" en meneer Sawbridge kommandeerde:
"Alle hens beneden!"
Jack vouwde nu zijn afschrift op en kwam even langzaam naar omlaag
als hij naar boven geklauterd was. Hij was een veel beter wijsgeer
dan zijn vader.
Weldra was de Harpij onder zeil en richtte den steven naar Kaap de
Gata, waar kapitein Wilson een paar Spaansche schepen hoopte in te
rekenen, om daarna koers te zetten naar Toulon, waar hij bevelen van
den admiraal zou ontvangen.
Zwakke briesjes en windstilten wisselden elkaar af, zoodat de vaart
erg vervelend was; maar de booten werden telkens uitgezet om langs
de kust jacht te maken op schepen. Meestal verzocht Jack om daarbij
dienst te mogen doen, en ofschoon hij nog maar kort op zee was, kon
hij toch om zijn leeftijd en kracht tot de meest bruikbare adelborsten
gerekend worden, zoolang hem niet een of andere gril in het hoofd
kwam. Jack had dan ook tot nog toe al die tochten meegemaakt en zich
daarbij steeds voorbeeldig gedragen.
Toen de Harpij op de hoogte van Tarragona was, deden er zich aan boord
verscheidene gevallen van buikloop voor; ook Asper en Jolliffe waren
onder de lijders. Hierdoor werd het aantal der officieren beperkt
en juist in die dagen had de bemanning van een visschersboot,
in de hoop van daardoor zelf vrij te komen, medegedeeld dat er,
zoodra de wind gunstig zou zijn, van den kant van Rosas een klein
konvooi koopvaardijschepen zou opkomen onder bedekking van twee
kanonneerbooten.
Kapitein Wilson hield behoorlijk uit den wal, totdat de wind
veranderde en, nadat hij aan de schepen den tijd had gegund om den
afstand tusschen Tarragona en Rosas af te leggen, legde hij 't er in
den avond op aan om ze weer in te halen. Maar de wind ging opnieuw
liggen en nu werden de sloepen uitgezet met het doel om langs de
kust te varen, want men veronderstelde dat de vaartuigen niet veraf
konden zijn. Meneer Sawbridge voerde in de pinas de expeditie aan;
de eerste kotter stond onder bevel van den konstabel Minus; en, daar
de andere officieren ziek waren, gaf Sawbridge aan Jack, met wien hij
dagelijks meer ophad, op zijn verzoek het kommando over den tweeden
kotter. Zoodra Mesty dat hoorde, gaf hij aan onzen held te kennen,
dat hij mee wenschte te gaan. Jack wist nu te bewerken, dat Mesty mee
mocht als plaatsvervanger van een der mariniers, die onder de lijders
aan buikloop behoorde, en de eerste luitenant vond daar geen bezwaar
in, vooral daar Mesty als een handige kerel bekend stond.
Om tien uur in den avond verlieten de booten het schip; en daar zij
misschien eerst laat op den volgenden dag zouden terugkeeren, werd
er voor één dag beschuit en rum mee aan boord genomen, opdat er geen
gebrek zou geleden worden. De booten hielden op den wal aan en voeren
drie uren langs de kust zonder iets te zien; 't was een heldere avond,
maar zonder maanlicht. De windstilte duurde voort en reeds begonnen
de roeiers vermoeid te worden, toen zij opeens bij een landtong het
konvooi onder een lichten bries met gebraste zeilen zagen naderen.
Onmiddellijk beval meneer Sawbridge het roeien te staken en zich
onder afwachting voor den aanval gereed te maken.
De witte zeilen van de kanonneerboot vooraan waren nu duidelijk te
onderscheiden van de andere vaartuigen, die alle zonder eenige orde
in haar zog voeren. Als een fiere zwaan gleed zij over het water,
de zeilen stonden gespannen en ze had een vaart van drie knoopen in
het uur.
Sawbridge liet de booten met de koppen recht op haar aanhouden en,
eer ze er op verdacht was, bevond ze zich tusschen de barkas aan
den eenen en de twee kotters aan den anderen kant; de tegenstand was
gering, maar toch werden er eenige geweer- en pistoolschoten gelost,
waardoor alarm werd gemaakt. Meneer Sawbridge vermeesterde ze met de
bemanning van de barkas, terwijl hij de kotters op de grootste schepen,
van het konvooi afzond. Maar nu kwam de tweede kanonneerboot, die tot
nog toe niet gezien was, plotseling opdagen om haar kameraad te hulp
te schieten.
Sawbridge kommandeerde de helft van zijn manschappen in de barkas,
die van een stuk zwaar geschut voorzien was en zond haar aan de kotters
te hulp, die recht op de kanonneerboot aanstevenden. Er werd tegen de
naderende booten een hevig vuur geopend, maar daar de bevelvoerende
officier van de kanonneerboot geen hulp kreeg van de andere, begon
hij te meenen dat ze al prijs gemaakt was, loefde bij den wind op en
koos de volle zee. Onze held zette haar na, ofschoon hij de andere
booten uit het gezicht had verloren; maar de wind werd aangewakkerd en
alle vervolging werd vruchteloos. Daarom richtte hij zijn koers naar
het konvooi en na ingespannen roeien klampte hij een eenmaster van
ongeveer vijftig ton aan boord. Metsy, wiens oogen zoo scherp waren
als die van een valk, had opgemerkt dat, toen er alarm werd gemaakt,
verscheidene van het konvooi nog niet den hoek om waren en daarom
stelde hij voor met dit vaartuig, dat zeer licht was, korte gangen te
maken, de landtong om te zeilen, alsof ze op de vlucht waren, en op
die wijze gelegenheid te vinden nog eenige andere buit te maken. Het
konvooi, dat de hoek reeds om was, had met de kanonneerboot onder
een stevige bries het ruime sop gekozen. Het achterna te zetten was
dus nutteloos; en enkel het voorstel van Mesty bood eenige kans aan.
Zoo was hij met een gang of drie, vier ongeveer zes of zeven mijlen
verder gekomen, toen hij aan lij seinen tot terugroeping bespeurde,
waaraan het geschut kracht bijzette.
"Meneer Sawbridge verlangt, dat we terug zullen komen, Mesty."
"Laat meneer Sawbridge zich met zijn eigen zaken bemoeien." antwoordde
Mesty, wij hebben toch al die moeite van het laveeren niet voor
niet gedaan."
"Maar Mesty, we moeten de bevelen gehoorzamen."
"Jawel, zoolang ze ons onder den duim hebben; maar nu moeten we
doen wat we zelf willen. Als hij me terug wil zien, moet hij me
maar vangen."
"Maar wij zullen van het schip afdwalen."
"Dat vinden we wel terug, Massa Rustig."
"Maar ze zullen denken, dat we verongelukt zijn."
"Des te beter, we moeten niet achter ons zien, Massa Rustig; we kunnen
nu eens een prachtigen tocht hebben. Morgen nemen we een groot schip,
gaan onder zeil, nemen er nog meer, en gaan dan naar Toulon."
"Maar ik weet den weg niet naar Toulon; ik weet alleen dat het dien
kant uit ligt, en meer niet."
"Dat is genoeg, wat behoeven we meer te weten? Vooronderstel eens,
Massa Rustig, dat wij de vloot niet vinden, dan zal de vloot ons
spoedig vinden. Er is hier nog nooit iemand verloren geraakt. Laat in
't vervolg een ander beschuit roosteren en den ketel te vuur zetten
voor de heeren. Zoo'n moorddadige Ier! als ik er nog aan denk, Massa
Rustig--ik pot koken, ik, die in mijn eigen land een vorst was!"
Rustig was het vrij wel met Mesty eens; "want," zoo redeneerde hij,
"als ik nu terugkeer breng ik enkel een klein vaartuig half vol boonen
mee en ik zou me schamen me te vertoonen. Nu zullen ze wel vermoeden,
dat de kanonneerboot ons in den grond heeft geboord, maar ze kunnen dan
ook wijzen op een gevecht met een kanonneerboot. Het zal den schijn
hebben, alsof er veel feller gestreden is dan werkelijk het geval
was, en dat kan meneer Sawbridge tot voordeel strekken. En wat een
blijdschap, als ze later ontdekken dat we niet om zeep zijn geraakt,
te meer als we bovendien buit mee brengen--wat stellig gebeuren moet,
of anders ga ik niet terug. 't Komt niet dikwijls voor, dat iemand
een kommando krijgt als hij pas twee maanden op zee is en nu ik er
eenmaal een heb, wil ik 't niet weer afstaan. Meneer Smallsole moet
maar een ander zien te vinden om den mast in te zenden. Het spijt me
alleen voor dien armen Gossett; houdt Vigors mij voor dood, wat zal hij
't dien armen stakker dan benauwd maken--maar als ik terugkom zal hij
er van lusten. In elk geval wil ik van mijn kruistocht niet afzien."
"Ik heb er de manschappen over gesproken, Massa, en ze zeggen allen,
dat ze als een klis zullen aanhangen. Nu dat in orde is, moesten we
maar niet langer talmen."
Korten tijd na deze beslissing van den kant van onzen held, brak de
dag aan. Jack keek eerst aan lij en bespeurde dat de kanonneerboot
en het konvooi ongeveer tien mijlen verder met volle zeilen op de
kust aanhielden, achtervolgd door de Harpij. Hij kon ook waarnemen,
dat de veroverde kanonneerboot hun 't ontsnappen poogde te beletten.
"De Harpij zal ze gauw ingerekend hebben!" riep Mesty uit.
Zij hadden 't zoo druk met naar de Harpij en het konvooi te kijken,
dat ze een tijd lang geheel en al vergaten op de loefzijde te
letten. Eindelijk wendde Mesty de oogen dien kant uit.
"Te deksel! ik heb toch wel goed gezien gisterennacht; kijk maar,
Massa Rustig--een brik en twee schoeners--die zijn ons. We zullen
vannacht goeden buit maken."
De door Mesty ontdekte schepen waren niet meer dan drie mijlen te
loevert op verwijderd en hadden alle zeilen bijgezet om spoedig onder
bescherming van een nabijgelegen batterij te komen.
"Nu moeten we vooral zorgen, Massa, dat ze onze boot niet in de
gaten krijgen; laten we liever wat meer afhouden, totdat zij voor
den nacht het anker laten vallen; als het dan donker is geworden,
pakken wij ze in."
Mesty's raad was goed, behalve dat hij onzen held niet tot
ongehoorzaamheid aan de bevelen had moeten aanzetten. Zij deden al hun
best om te zorgen, dat het schip niet te dicht bij de anderen kwam,
en sloegen de bewegingen van de Harpij nauwkeurig gade.
De afstand was te groot om duidelijk te kunnen onderscheiden, maar
Mesty klom in den mast van het schip en hield Jack geregeld op
de hoogte.
"Daar valt een schot--al weer een. Dat is onze kanonneerboot--neen toch
niet. Wacht, daar heb je ze. Jongens, wat geven ze vuur! Bom, bom,
bom! De Spanjaard krijgt 't leelijk te kwaad, hij houdt op met vuren
en strijkt de vlag al. De Harpij rekent ze allen in. Laten we ons nu
maar niet te veel vertoonen; enkel twee man aan dek en de jekkers uit,
dat ze ons niet herkennen."
Mesty had goed gezien; de Harpij had de andere kanonneerboot en
het heele convooi vermeesterd. Het eenige, waarover ze zich bij dat
buitenkansje te beklagen hadden, was de verdwijning van meneer Rustig
en den kotter; zeker was hij door een schot van de kanonneerboot in den
grond geboord en de gansche bemanning verdronken. Kapitein Wilson en
meneer Sawbridge betreurden het verlies van onzen held innig, omdat ze,
als eenmaal de wilde haren er uit zouden zijn, veel van hem verwacht
hadden, Ook meneer Asper speet het zeer, vooral omdat met Jack ook
zijn beurs verdwenen was, en de kleine Gossett beklaagde zich het
meest, omdat hij nu van Vigors geen genade meer te wachten had. Enkele
echter waren blij, dat hij weg was. Vier en twintig uren werden de
verloren gewaanden betreurd, wat voor een oorlogsschip al heel lang
is, en daarna dacht niemand meer aan hen. We laten nu de Harpij haar
weg naar Toulon voortzetten en zullen zelf onzen held volgen.
De bemanning van den kotter begreep zeer goed, dat Jack tegen de
bevelen handelde, maar iedere afwisseling van het eentonige leven op
een oorlogsschip was hun welkom.
Er moest echter spoedig wat gedaan worden, want ze hadden maar voor
één dag proviand bij zich en ook op het Spaansche schip vonden ze haast
niets dan boonen. Een deel er van werd in een ketel gedaan om er soep
van te koken en nu was het dien eersten dag boonensoep voor ontbijt,
boonensoep voor het middagmaal en altijd maar weer boonensoep, wat
Jack lang niet beviel.
Door een der matrozen, die wat Spaansch verstond, werden nu de drie
gevangenen, die op het schip waren, ondervraagd naar de vaartuigen te
loevert, maar zij wisten niet meer te vertellen, dan dat ze waarde
inhadden en dat het eene van geschut voorzien was. Zoodra de zon
onderging, lieten de schepen op de hoogte van de batterij de ankers
vallen. Er bleef een flauw briesje waaien en het schip, waarop Jack
zich bevond, was omstreeks vier mijlen aan lij. De Harpij was geheel
uit het gezicht geraakt, en 't werd nu tijd te beslissen wat men doen
zou. Zoodra het donker geworden was, liet Jack al de manschappen
bijeenkomen en hield een vrij lange toespraak. Hij wees er op, hoe
zijn ijver er hem toe gebracht had niet naar de Harpij terug te keeren,
voordat hij iets mee kon brengen wat de moeite waard was; het eten van
altijd maar boonen en nog eens boonen was verre van pleizierig en hun
toestand eischte noodzakelijk verbetering; op nog geen vier mijlen
afstand lag een groot schip, dat hij van plan was te vermeesteren;
hadden ze dat eenmaal dan zouden ze er nog meer nemen; hij rekende op
hun dapperheid en stelde zich van den kruistocht heel wat voor. Zij
moesten zich beschouwen als aan boord van een oorlogsschip, zoodat ze
gebonden waren door de krijgsartikelen, die voor allen evenzeer golden,
en in geval zij ze vergeten mochten zijn, had hij een afschrift in
zijn zak, dat hij morgenochtend zou voorlezen, zoodra zij aan boord
van het schip goed op orde waren. Daarna benoemde hij Mesty tot eersten
luitenant, den marinier tot sergeant, den kwartiermeester tot bootsman;
twee matrozen tot adelborsten om wacht te houden; twee anderen tot
bootsmansmaats en de twee, die nog overbleven, werden aangewezen tot
stuurboord- en bakboord-wacht. De bemanning van den kotter was zeer
tevreden met Jacks toespraak en met hun bevordering en nu volgde er een
gewichtige beraadslaging hoe men het moest aanleggen om het vreemde
schip te veroveren. Naar Mesty's raad besloot men niet ver voor het
schip te ankeren, tot twee uur in den morgenstond te wachten, en het
dan met den kotter zoo stil mogelijk te naderen en te vermeesteren.
Tegen negen uur ankerden zij en Jack bemerkte tot zijn verwondering,
dat het schip vrij wat grooter was dan hij vermoed had. De Spaansche
gevangenen werden aan handen en voeten gebonden en men zorgde er voor
dat ze geen geluid konden geven; de zeilen werden geborgen en alles
was doodstil.
Aan boord van het Spaansche schip daarentegen heerschte veel drukte
en leven, en omstreeks half elf zagen ze een boot afzetten en naar
de wal roeien; daarna hield het rumoer langzamerhand op. de lichten
gingen een voor een uit en toen was alles stil.
"Wat dunkt je, Mesty?" zei Jack; "zouden we het nemen?"
"Of we het nemen zullen? Zeker zullen we dat, wacht maar even, laat
ze eerst maar in vasten slaap zijn."
Tegen twaalven begon het te motregenen, wat de plannen van onzen
held zeer te stade kwam. Daar het echter te voorzien was dat de
lucht spoedig weer zou ophelderen, raadde Mesty aan nu niet langer
te dralen. Zij kropen zoo stil mogelijk in de boot, roeiden slechts
met twee riemen, lagen weldra onder den boeg van het schip en klommen
langs de ankerkettingen op het dek, waar ze niemand vonden. "Pas op,
niet schieten!" zei Mesty tegen de manschappen die boven kwamen en lei
hun daarbij den vinger op de lippen, om tot stilte aan te manen. Toen
allen op het dek waren en de boot vastgelegd was, gingen ze onder
geleide van Jack en Mesty behoedzaam rond, zonder een levende ziel
te ontdekken. De luiken waren allen zorgvuldig gesloten, maar in het
kompashuisje brandde een licht. Twee man werden naar voren gezonden
om daar de wacht te houden en nu werd er bij het stuurrad overlegd
wat er gedaan moest worden.
"Het schip is ons!" zei Mesty, "maar we moeten heel voorzichtig te werk
gaan. Daar ligt er geloof ik eentje tusschen de kanonnen te slapen. Als
de regen even vermindert, kunnen we beter zien. Stil allemaal."
"Er moeten heel wat manschappen op dit schip zijn," merkte onze held
op; "het is vrij groot en voert twaalf of veertien stukken geschut--hoe
zullen we er ons meester van maken?
"Dat komt in orde, zoodra 't maar wat lichter wordt," antwoordde Mesty.
"De regen heeft al opgehouden," zei Rustig. "Als we die lantaren eens
uit het kompashuisje namen en rondlichten?"
Dit geschiedde en weldra vonden ze tusschen twee van de kanonnen een
hoop onder eenige dekens liggen. "Daar heb je de wacht," fluisterde
Mesty; "geduld even--we zijn noch niet klaar."
Mesty blies het licht uit en allen keerden terug naar het
kompashuisje. Dicht bij den bezaansmast vond onze neger een kabel,
waarvan hij eenige stukken afsneed en die hij aan de anderen te
splitsen gaf. In een oogenblik waren er nu een menigte einden touw
om de manschappen mee te binden.
"Nu de lantaren weer opgestoken, dan zullen we die luie honden eens
inrekenen. Stop hun vooral den mond, dat ze geen kik kunnen geven."
"Maar als ze nu eens den mond vrij krijgen en een schreeuw
laten?" vroeg Jack.
"Dan geen pardon meer?" antwoordde Mesty met een bijna duivelsche
uitdrukking op zijn gelaat en liet het mes zien, dat hij in de
rechterhand hield.
"O neen, geen moord!"
"Als het anders kan, dan zeker niet, Massa. Maar wat zal er van ons
worden als zij de overhand krijgen? De Spanjaarden hebben ook messen
en maken er duchtig gebruik van."
Zij slopen nu behoedzaam naar de plek waar de Spanjaards lagen. De
maatregelen waren goed genomen. Twee man moesten proppen in de monden
stoppen en de anderen handen en voeten binden. Mesty en Rustig knielden
bij het kaarslicht naast hen neer en hielden de messen opgeheven om
hen het zwijgen op te leggen, of toe te stooten, als hun eigen behoud
dat vereischte.
De dekens werden van den eersten man afgelicht; hij sloeg de oogen
op, maar de bootsman had hem de hand al op den mond--en hij werd
zonder gerucht geboeid. De beide anderen werden wakker en wierpen
hun bedekking af, maar ook zij werden ingerekend, zonder dat er bloed
behoefde gestort te worden.
"Wat nu gedaan, Mesty."
"Nu het achterluik opengezet en opgepast--zoodra er een boven komt
wordt hij gekneveld; komen er geen meer boven, dan wachten we tot de
dag aanbreekt en zien hoe het er mee staat."
Mesty ging eens op den bak kijken of er wel goed wacht gehouden werd,
en na het heele dek rondgeweest te zijn blies hij de kaars uit en
vatte met de overigen post bij het achterluik.
Met het aanbreken van den dag ontwaakten de Spanjaarden, die de wacht
moesten overnemen, kleedden zich en kwamen aan dek zonder een flauw
vermoeden, dat de Engelschen er meester zouden zijn. Mesty en de
overigen hielden zich terug en lieten allen boven komen zonder dat
zijzelf opgemerkt werden. Er waren er vier, die slaperig rondkeken,
waar hun kameraads toch wel wezen mochten.
Het luik werd door Jack weer gesloten, en eer zij goed wisten wat
hun overkwam, waren allen vier stevig geboeid, zonder dat er een kik
was gelaten.
Intusschen begon het vrij licht te worden en zij bespeurden nu
dat ze een flink schip vermeesterd hadden--maar er viel nog meer
te doen. Natuurlijk bevonden zich een aantal manschappen op het
schip en bovendien waren ze geen mijl verwijderd van de batterij
op de kust. Mesty liet nu boven het rooster van het voorluik een
flinken kabel opschieten, zoodat de zwaarte daarvan het openen van
den binnenkant belette.
"De hoofdzaak is nu, meneer Rustig, dat we den kapitein in onze macht
krijgen; we moeten hem op het dek lokken. Zet het kajuitsluik open en
houd het achterluik goed gesloten. Laat er twee man bij post vatten
en de overigen naar achteren komen."
"Ja," antwoordde Jack, "'t zal heel wat moeite in hebben ons van den
kapitein te verzekeren. Hoe krijgen we hem boven?"
"Hem boven krijgen? O, dat zal best gaan."
Mesty begon nu met een opgerolden kabel een vreeselijk misbaar op het
dek te maken. Kort daarop hoorde men een driftig schellen van uit de
kajuit en een oogenblik later kwam er een man de kajuitstrap ophollen,
doch werd onmiddelijk ingerekend.
"Dat is de oppasser maar," zei Mesty, "hij komt vertellen, dat we
niet zoo'n verduiveld leven moeten maken. Wacht even--we zullen den
kapitein zoo kwaad maken, dat hij zelf voor den dag komt."
Mesty hervatte nu het leven maken met den kabel, en het gevolg was
zooals hij voorspeld had. Binnen weinige minuten kwam de kapitein
zelf woedend naar boven stuiven. Zoodra zij de kajuitsdeur hoorden
opensmijten verscholen zich de matrozen en onze held achter de vrij
hooge kap van het luik, ten einde den kapitein gelegenheid te geven om
geheel en al op het dek te komen. De manschappen, die reeds gekneveld
waren, lagen onder de dekens. De kapitein was een forschgebouwd man
en het kostte heel wat moeite hem meester te worden.
"Nu zijn we klaar," zei Mesty, "het schip is ons; maar ik moet hem
angst aanjagen."
De kapitein was op het dek tegen een der kanonnen gezeten en Mesty
hield met zijn langen, gespierden arm zijn scherp mes dreigend
boven hem opgeheven, alsof hij elk oogenblik gereed stond hem in het
hart te treffen. De Spaansche kapitein vond zijn toestand verre van
aangenaam. Hij werd nu ondervraagd omtrent het getal der manschappen
en officieren en beantwoordde alle vragen naar waarheid. Strak hield
hij den blik gericht op het onheilspellende gelaat van Mesty, die
slechts op een wenk scheen te wachten.
"De zaak is nu bijna gezond," zei Mesty. "We moeten nu naar beneden
en de overige manschappen inrekenen."
Dit voorstel werd door onzen held goedgekeurd. Na hunne pistolen van
de gangspil genomen te hebben, snelden ze met getrokken messen naar
beneden en vonden er allen ontkleed in de hangmatten liggen. Ofschoon
hun getal het dubbele bedroeg van dat der Engelschen, had toch
de weerstand niet veel te beduiden. In weinige minuten waren de
Spanjaarden in het scheepsruim gesmeten en de luiken boven hen
gesloten. Alle gedeelten van het schip waren thans in hun macht behalve
de kajuit. Zij vonden er de deur gesloten en moesten die met geweld
openstooten, waarop ze ontvangen werden met luide angstkreten van den
eenen kant der kajuit en van den anderen met een paar pistoolschoten,
gelost door een man op jaren en een jongmensch van ongeveer den
leeftijd van onzen held. Beiden werden spoedig overweldigd en
gekneveld. De kajuit werd nagezocht, en niets er in gevonden dan
drie vrouwen; een oude, gerimpelde dame en twee mooie jonge meisjes,
wier gelaatstrekken echter op dit oogenblik door angst verwrongen
waren. Jack groette met een beleefde buiging en deelde haar mede,
dat zij niets te vreezen zouden hebben. Daar zij evenwel geen Engelsch
verstonden, kreeg hij geen antwoord.
Mesty maakte een eind aan Jacks complimenten, door hem er op te wijzen,
dat ze allen naar dek moesten. Jack nam nu nogmaals zijn hoed af,
boog en verliet met zijn manschappen en de beide gevangen heeren de
kajuit. Het was nu vijf uur in den morgen en er kwam beweging aan boord
van de andere schepen, die niet ver van het veroverde verwijderd lagen.
"Wat nu met de gevangenen gedaan?" zei Jack. "Als we eens ons eigen
schip langs zij lieten komen, en ze er allen gekneveld en wel op
overbrachten? Dan waren we van hen af."
"Dat is een goed denkbeeld, Massa Rustig. Maar als we onze eigen
sloep uitzenden, wat zullen ze dan aan boord van de andere schepen
denken? Laten we liever de kleine boot strijken en met vier man ons
vaartuig ongemerkt langs zij zien te brengen."
Dit geschiedde; de kotter lag aan de buitenzijde van het schip,
dat het meest uit den wal lag, en kon dus voor de overige Spaansche
schepen en voor de kustbatterij licht verborgen blijven. Spoedig was
het vaartuig langs zij gebracht en waren de zeven gevangenen, die
op het dek gekneveld lagen, in het ruim neergelaten, behalve echter
de kapitein, de twee gevangenen uit de kajuit en de oppasser van den
kapitein. Vervolgens gingen ze naar beneden, zetten het luik half open
en bevalen de Spanjaards naar boven te komen; zoodra ze aan dek waren,
werden ze op dezelfde wijze behandeld. Mesty en de matrozen gingen
beneden onderzoeken of er soms nog verscholen gebleven waren, maar
zagen spoedig dat dit niet het geval was en kwamen weer boven. In het
geheel waren er nu dertig gevangenen. Zoodra die allen in de schebek
waren overgeladen, verwijderde deze zich en ankerde wat verder in zee,
en Jack zag zich nu in het bezit van een uitmuntend schip met veertien
stukken, terwijl hij bovendien drie mannelijke en drie vrouwelijke
gevangenen had gemaakt.
Nadat de matrozen met de boot teruggekomen waren van het vaartuig,
waarin de gevangenen in verzekerde bewaring waren gebracht, vermomden
allen zich op raad van Mesty als Spaansche zeelieden, waartoe de in
overvloed voorhanden kleedingstukken ruimschoots gelegenheid boden.
"Wat nu gedaan, Mesty?" vroeg Jack.
Nu moeten er een paar man omhoog om de zeilen in orde te brengen
en intusschen zal ik dezen knaap--hij wees op den bediende van den
kapitein--ontboeien en hem een ontbijt klaar laten maken, want hij
weet waar de boel te vinden is."
"Opperbest, Mesty, want van die boonensoep heb ik meer dan genoeg. Ik
zal intusschen naar beneden gaan om de dames mijn compliment te maken."
Mesty keek over de verschansing.
"Doe dat maar heel gauw, meneer Rustig, want dat verduivelde vro
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/16063