Camera Obscura
by Hildebrand · Dutch · Gutenberg #15975 · 990,133 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Camera Obscura
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Camera Obscura
Author: Hildebrand
Release date: June 3, 2005 [eBook #15975]
Most recently updated: February 27, 2018
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/15975
Credits: Produced by Jeroen Hellingman, and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK CAMERA OBSCURA ***
Produced by Jeroen Hellingman, and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net
CAMERA OBSCURA
Van
Hildebrand.
Nec lusisse pudet, sed non incidere ludum.
Horatius.
Negen en twintigste druk.
Haarlem De Erven F. Bohn.
1917.
De schaduwen en schimmen van Nadenken, Herinnering en Verbeelding
vallen in de ziel als in eene Camera Obscura, en sommige zoo
treffend en aardig dat men last gevoelt ze na te teekenen en,
met ze wat bij te werken, op te kleuren, en te groepeeren, er
kleine schilderijen van te maken, die dan ook al naar de groote
Tentoonstellingen kunnen gezonden worden, waar een klein hoekje
goed genoeg voor hen is. Men moet er evenwel geen portretten
op zoeken; want niet alleen staat er honderdmaal een neus
van Herinnering op een gezicht van Verbeelding, maar ook is de
uitdrukking des gelaats zoo weinig bepaald, dat een zelfde tronie
dikwijls op wel vijftig onderscheiden menschen gelijkt.
_Anonymus_
_in libro non edito._
VOORBERICHT, ZESDE DRUK; 1864.
Het is nu juist vijfentwintig jaren geleden dat, in het najaar
van 1839, de _Camera Obscura_ hare intrede in de wereld deed. De
pseudonieme Schrijver, toen zelf nog maar even vijfentwintig jaren oud,
ofschoon in een ander vak van letterkundige voortbrengselen, onder
zijn eigen naam, niet onvriendelijk door zijne landgenooten opgenomen,
zag zijne stoutste verwachtingen overtroffen, als de buitengewoon
hartelijke ontvangst van dit zijn werk binnen 't halfjaar een _tweeden_
druk noodzakelijk maakte, welke dan ook in 't voorjaar van 1840 het
licht zag. Toen, elf jaren later, een _derde_ druk noodig werd, had
hij den moed de nieuwe uitgave met eenige tot hiertoe onuitgegevene
opstellen zoodanig te vermeerderen dat het boekdeel, hetwelk nu
(1851) het licht zag, schoon kleiner van formaat, wat den inhoud
betrof meer dan verdubbeld was. Van dat oogenblik af, kwam er een
nieuw leven in eene belangstelling, die van den beginne aan boven
verwachting was geweest en nimmer was afgebroken. De Belgische pers
vereerde het Hollandsche boek eerlang met een nadruk (1853); maar deze
verhinderde niet dat reeds in het volgende jaar een _vierde_ wettige
uitgave in het vaderland noodzakelijk was, onder wier omslag nu ook
de tot nog toe hier en daar _Verspreide Stukken van_ _Hildebrand_
aan zijn hoofdwerk werden toegevoegd. Ook deze was echter in 1858
uitgeput en maakte plaats voor eene _vijfde,_--en zie hier nu de
_zesde_, in alles aan de vijfde gelijk, behalve dat eenige druk-
en stijlfouten verbeterd en waarschijnlijk ook weder eenige nieuwe
gemaakt zijn, en dat de verstandige lieden, die tot deze _zesde_
uitgave gewacht hebben zich het boekdeel aan te schaffen, zonder
vermeerdering van kosten, daarbij nog dit voorbericht winnen.
Het is den Schrijver eene streelende gedachte, dat aan zijn werk, in
deze _zesde_ uitgave, het voorrecht te beurt mag vallen in handen te
komen van een geslacht van landgenooten, nauwelijks of niet geboren,
toen hij het voor het eerst aan het licht bracht; het volwassen,
meerderjarig kroost van dat, waaronder hij zelf is opgegroeid, waarvoor
hij schreef, en dat hij schetste; maar niet minder treft het hem,
zich daarbij inderdaad te moeten afvragen of niet dit nieuw geslacht
ruim zoo zeer behoefte zou hebben aan ophelderende aanteekeningen bij
zijn werk gevoegd, als aan deze, min of meer historische, voorrede? Of
maakt niet het vierde eener eeuw; en eener eeuw als de negentiende;
maakt niet het vierde eener eeuw een tijdperk uit, lang genoeg om
een boek als het zijne hier en daar zonderling te doen voorkomen en
op menige plaats onverstaanbaar te doen worden?
De mannen, die met den Schrijver het jaar van den "Volksgeest"
beleefd hebben, tot welks eer wij nu in de hoofdstad een gedenkteeken
zien pralen, dat--eenig in zijn soort mag worden genoemd, herinneren
zich b.v. zonder twijfel de loffelijke poging nog wel, destijds van
diezelfde hoofdstad uitgegaan, om in Nederland, tot schitterender
triomf over België, eene nationale kleederdracht te improviseeren. Als
zij hunne oogen sluiten, zien zij gewis nog weder voor hun geest
oprijzen die nationale "_tunica's_", waarop de eerste nommers van het
nationale modeblad de nationale oogen deden verlieven! Maar wat stelt
het tegenwoordige geslacht zich voor, wanneer het den Schrijver van
"nationale hoeden" ziet gewagen? Wat denkbeeld vormt het zich, in dit
jaar 1864, van dameshoeden met luifels, van Rapponische krachten, van
een mathesisexamen in het Latijn, of van eene Vierde Klasse van het
Koninklijk Nederlandsch Instituut? Hoe ondenkbaar moet in zijn oogen
een Nederland _zonder_ spoorwegen; hoe buitensporig een Sint-Nicolaas
_met_ verguldsel voorkomen; hoe ongepast een karakteristiek der
periodieke pers, als in "_Gerrit Witse_" beproefd is! Wat weet het van
baleintjes om lange pijpen door te steken? van achtëntwintigen? van
veete tegen de Belgen? wat van lantarenvullers? En waar de namen van
een Smallenburg, een Macquelyn, een Don Carlos genoemd worden, waar
van de Industriëlles van Bertolotto, _De Avondbode_, de _woestijn_
van het Koegras, gewaagd wordt, zou daar voor zeer velen een kleine
aanteekening wel overbodig zijn?
Met dat al heeft de Schrijver nog niet kunnen besluiten, bij
de tegenwoordige uitgave reeds in deze "dringende behoefte" te
voorzien. Het blijve voor gehoopte latere drukken bewaard, als
de behoefte nog dringender, de _notennood_ nog hooger gestegen
zal zijn. Ook mag de Schrijver zich afvragen, of het niet al te
onedelmoedig wezen zoude, door het voorshands nutteloos maken van
hunnen arbeid, aan de oudheidkenners, Navorschers en Commentatoren
van volgende tijden een bewijs van wantrouwen te geven, hetwelk zij
in geen opzicht hebben verdiend.
De oudste stukken in dit boekdeel, waarin geene van een latere
dagteekening dan het jaar 1841 voorkomen, zijn: _Een Beestenspel_,
dat reeds in den _Studenten-Almanak_ voor 1837 een plaats vond,
en _Vooruitgang_, opgenomen in het October-nommer van _De Gids_
van dat zelfde jaar.
Wat _Een Beestenspel_ betreft, ik hoop dat het _Nederlandsch
Woordenboek_ zich ontfermen zal over den Naam. Sedert de loffelijke
instelling, welke het groot publiek zich verhardt _Apentuin_ te noemen,
en die door beschaafde lieden _Artis_, door niemand _Diergaarde_
geheeten wordt, behoort de Zaak nu reeds tot de antiquiteiten, en
heeft de wel wat woorden- en tegenstellingrijke strafrede grootendeels
uitgediend. Het "hybridisch" stukje _Vooruitgang_ dankt aan dit
zijn gebrek zelf, in verband met de wel wat ruwe, maar niet geheel
onrechtvaardige tuchtiging, welke daaraan terstond na zijn verschijning
in het genoemde maandwerk, van eene scherpe pen te beurt viel, zijn
onsterfelijkheid en voor den Schrijver een groot gewicht. Het heugt
hem als de dag van gisteren, hoe weinig de kastijding, ten dage dat
zij uitgedeeld werd, hem smaakte, en met welk eene verontwaardiging
hij zijne pen opnam en aanpuntte en een antwoord schreef en overschreef
en--ter zijde legde... "De Heer G. schijnt te hechten aan den steller,
wiens stukje hij aldus eert. Een wezenlijk talent zoekt zulk een
regter"--vond hij ergens geschreven door eene andere pen, waaruit
wel nooit iets, dat niet puntig was, is voortgekomen. [1] Dit was en
olie, en zout. Beide deden goed. Zonder dat woord, hetwelk hier, na
vijfentwintig jaren, dankbaar vermeld wordt, ware de _Camera Obscura_
misschien niet, en stellig niet beter, geschreven.
Dat echter het boek, zooals het is, in meer dan één opzicht de sporen
draagt van den jeugdigen leeftijd waarop het is tezamengesteld, ziet de
Schrijver zelf nu beter dan menig ander, en hij weet de zoo ongemeene
gunst, welke het bij zijne landgenooten steeds gevonden heeft, aan
niets anders toe te schrijven dan daaraan, dat het zijner onbekommerde
jeugd, hij weet zelf niet hoe, over het algemeen eenigszins gelukt moet
wezen, met waarheid te schetsen, zoodat in zijne kleine tafereelen de
Mensch den Mensch, en de Nederlander zijn Vaderland gevonden heeft;
terwijl de herkenning niet al te pijnlijk was gemaakt door een jong
gemoed dat, van boosaardigheid vrij, zijn vaderland en de menschen
liefhad. En, ook na vijfentwintig jaren, is dat gemoed niet veranderd.
Ook in den Vreemde is zijn arbeid niet onopgemerkt gebleven. Behalve
vertalingen van enkele episoden (die van _Keesje_ en van de
_Verguldpartij_) in het Bngelsch in _Fraser's_ en in _Chamber's
Magazine_ (1854), en in het Fransch in de _Revue des Deux Mondes_
(1856) blijkbaar van zeer bekwame hand, en van _Gerrit Witse_,
in het Hoogduitsch in _Die Niederlande_ door _Dr. Alb. Wild_
(1862), zag eene volledige overzetting van de _Camera Obscura_,
gedeeltelijk onder den titel van: _Scènes de la Vie Hollandaise_
(1856), gedeeltelijk onder dien van _Chambre Obscure_ (1860), te
Parijs het licht. Van deze zegt de Schrijver dit: dat de hem hierdoor
wedervaren eer hier en daar nog al zeer verbitterd wordt door blijkbaar
misverstand van zijne bedoeling; en dat niemand het hem al te kwalijk
kan nemen, indien hij aan hoogmoedige gedachten toegeeft, wanneer
het blijken mocht, dat het geestigste volk der wereld met zijn werk,
in _deze_ vertaling, opheeft. Er zijn voorbeelden dat vertalingen van
tijdgenooten, in latere dagen, tot opheldering van duistere plaatsen
in het oorspronkelijke werden te baat genomen. Hiertegen echter
acht de schrijver zich verplicht de nakomelingschap, met opzicht
tot _deze_ vertaling, eenigszins te waarschuwen. Wat hij b.v. met
de "leerwijze van Prinsen" mag bedoeld hebben, zal, indien het ooit
duister kon worden, niet veel licht verkrijgen uit eene overzetting
met "la doctrine des princes": en indien er ooit een tijd kon komen,
dat een volzin, als waarmede het hier in de laatste plaats voorkomende
stukje aanvangt, niet terstond begrepen werd: _nooit_ voorzeker zal
hij begrepen worden, indien men opheldering zoekt bij de volgende vrije
vertaling: "Le nom de la garde (_Baker_) est une preuve évidente--qu'il
ne faut pas avoir d'accès aux étoiles (_ster_) pour faire connaitre
le titulaire d'un emploi féminin par excellence". Ik ben benieuwd te
weten wat de Fransche _gardes_ er van gemaakt hebben [2].
1 October, 1864.
H.
BIJVOEGSEL, VEERTIENDE DRUK; 1883.
Ziedaar het voorbericht der _zesde_ uitgave, in deze _veertiende_
wederom, waar men getoond heeft prijs op te stellen, in zijn geheel
afgedrukt. In de _zevende_ (1871), met den _Brief van Hildebrand aan
Schipper Rietheuvel_, en met het _Laatst_ en weemoedig _Bijvoegsel tot
de Narede en Opdracht aan_ den in datzelfde jaar ontvallen _Vriend_
vermeerderd, voegde de Schrijver aan de zeven jaar te voren gedane
opgave van blijken van belangstelling in den Vreemde eene aanteekening
toe van den volgenden inhoud: "Deze opgave kon, bij gelegenheid van
den tegenwoordigen, zevenden druk, nog vrij wat vermeerderd worden,
daar ik dankbaar erkennen moet dat alle Duitsche landen, Brunswijk,
Saksen, Pruisen, Oostenrijk, om strijd van hunne belangstelling
hebben doen blijken. Ik bespaar het echter tot den achtsten. Voor
mijne eigenliefde is het op dit oogenblik meer dan genoeg hier aan te
stippen, dat de Duitschers nu laatstelijk begonnen hebben ook hunne
_reisherinnerinqen_ uit de _Camera Obscura_ te putten. (Zie _Im Neuen
Reich_ 1871, N°. 18)" [3]. Wat echter, volgens deze aanteekening,
voor de _achtste_ uitgave werd bespaard, werd, ondanks het aangroeien
van de stof, ook in die achtste (1872), en voorts in alle volgende,
teruggehouden, om plaats te maken voor eene verklaring, welke thans
aldus zou kunnen luiden: "Wat er ook streelends moge zijn in de eer
zich, met beter of slechter gevolg, in het Fransch, het Engelsch,
het Hoogduitsch, het Italiaansch, en wellicht ook in 't Deensch en
Zweedsch vertolkt te zien, en lezers te vinden tot in het verre Japan:
voor het hart van den Schrijver der Camera Obscura heeft het weinig
te beteekenen bij de zoete ondervinding der duurzame genegenheid van
eigen land- en taalgenoot" [4].
Wat betreft de in de voorrede van 1864 uitgedrukte meening omtrent
het nog niet bereikt zijn van het _noodpeil_ voor ophelderende
aanteekeningen: zij bleef bij volgende uitgaven nog steeds dezelfde,
en "zijn gevoel van kieschheid tegenover de geleerden der toekomst
werd bij den Schrijver nog altijd niet overwonnen." In den laatsten
tijd echter, wordt hij mondeling en schriftelijk, door geleerden en
ongeleerden, met zoovele vragen bestormd, dat hij in dit opzicht een
ander begrip begint te krijgen van zijn plicht, en er ernstig aan
begint te denken, in de meer en meer "dringende behoefte" eenigszins,
in den een of anderen vorm, te gaan voorzien.
Intusschen zou het hem niet mogelijk zijn deze, nu _veertiende_
uitgave van zijn werk in het licht te zenden, zonder dat zij de
openlijke betuiging bevatte zijner erkentelijkheid aan zijn vriend
_Johannes Dyserinck_.
Een belangstellender en oplettender lezer dan dezen, beide in
oostersche en vaderlandsche letteren, zoo zeer ervaren landgenoot,
heeft onder hare duizenden de _Camera Obscura_ niet gevonden. Hare
_dertiende_ uitgave (1880) gaf hem aanleiding tot het schrijven dier
voortreffelijke monographie, welke, eerst in _De Gids_ verschenen,
later in "vermeerderden herdruk" afzonderlijk uitgegeven is [5]. In
dit keurig opstel worden het leven en de lotgevallen, zoo in den
Vreemde als in het Vaderland, van het nu meer dan veertigjarig boek
beknoptelijk, maar vollediglijk, verhaald, en heeft de vriendelijke
ingenomenheid van den geachten letterkundige, in verband met vroegere
en latere oordeelen en beschouwingen van anderen, eene hartelijke en
door den Schrijver der _Camera Obscura_ hooggewaardeerde uitdrukking
gevonden.
Maar wat bij dit alles voor dien Schrijver een zeer groot gewicht
hebben moest, waren de hier geleverde bewijzen der allerbijzonderste
oplettendheid door den heer _Dyserinck_ aan de onderlinge vergelijking
der elkander opgevolgde uitgaven gewijd, aan welke nog de zin-storende
of zin-veranderende drukfouten welke van tijd tot tijd in den tekst
waren ingeslopen, noch de niet onbelangrijke uitlatingen, welke
daarin van lieverlede hadden plaats gehad en door de onoplettendheid
der correctie van de eene uitgave in de andere waren overgegaan,
waren ontsnapt, noch ook de kleine, maar opzettelijke verbeteringen,
door den Schrijver gaandeweg in de redactie aangebracht. Dit heeft
bij dezen de uitwerking gehad, dat hij zich voelde aangespoord in elk
dezer opzichten dubbel werk te maken van den toen reeds in uitzicht
zijnden, thans in 't licht verschijnenden, _veertienden_ druk, en zich
daarbij van de hoog te waardeeren hulp van zijn vriend _Dyserinck_
te verzekeren. Zij is hem rijkelijk te beurt gevallen en, met een goed
geweten, als die overtuigd is, in dezen niets bereikbaars verzuimd te
hebben, meende hij dan ook ditmaal het "_met zorg_ herziene" op den
titel te mogen stellen. Bij de zuivering der drukproeven, is van elk
der opstellen nu weder de eerste druk tot grondslag gelegd, al het
gaandeweg verdwenene, voor zoo veel het niet opzettelijk geschrapt of
opgeofferd was, aan zijne vroegere plaats hersteld, en zijn tal van
(niet slechts _druk_-) fouten weggenomen, menige gebrekkige of min
gelukkige uitdrukking door een juistere en betere, maar vooral een
goede hoeveelheid onduitsche woorden door vaderlandsche taal vervangen.
Het zal den Schrijver niet dan aangenaam wezen, indien de wijzigingen,
die de vrucht van deze ernstige herziening zijn, door hen, die alleen
_deze_ uitgave in handen nemen, bij het lezen onopgemerkt blijven
en zelfs niet worden vermoed; maar die het der moeite waardig mocht
achten haar met de vorige te vergelijken, zal ze, zoo hij hoopt,
niet onbelangrijk vinden en aan het meerendeel zijne goedkeuring
niet onthouden.
1 November, 1883. H.
Zoomin als bij de elkander schielijk opgevolgde 15de, 16de, 17de,
18de en 19de, heeft de Schrijver, bij deze 20_ste_ uitgave, aan
het bovenstaande iets toe te voegen dan de verzekering, dat hij ook
voor haar zijne beste zorgen heeft overgehad; en de herinnering,
dat aan de reeds bij het schrijven der Voorrede voor de 6de
gevoelde en sedert steeds "dringender" gebleken "behoefte", in het
najaar van 1887, door zijn "_na vijftig jaar_, _Noodige en overbodige
Opheldering van de Camera Obscura_", naar vermogen voldaan is. Een
_tweede, geheel herziene druk_ zag daarvan in het voorjaar van 1888
het licht. (Haarlem, De Erven F. Bohn.)
1 Juli, 1900.
INHOUD.
Jongens. 1
Kinderrampen. 5
Een Beestenspel. 13
Een onaangenaam mensch in den Haarlemmerhout. 19
Humoristen. 33
Familie Stastok. 36
De Aankomst. 36
De Ontvangst. 38
Hildebrand ziet de stad, en Pieter verstout zich pot te
spelen. 42
Het Diakenhuismannetje vertelt zijn historie. 49
Er komen menschen op een kopje thee, om verder het avondje
te passeeren. 57
Pieter is waaratje verliefd, en hoe wij uit spelevaren
gaan. 71
Varen en Rijden. 88
Genoegens smaken. 98
Een Oude Kennis. 103
Hoe warm het was, en hoe ver. 108
Hoe aardig het was. 110
Hoe voortreffelijk zij was. 115
Verre vrienden. 120
Narede, en Opdracht aan een vriend. 129
Eerste uitgave. 129
Tweede uitgave. 131
De Familie Kegge. 135
Een treurige inleiding. 135
Kennismaking met menschen en dieren. 139
Een juffertje en een mijnheer. 150
Vaderangsten en kinderliefde. 156
Om te bewijzen dat eenvoudige genoegens ook genoegens zijn,
en voorts iets droevigs. 165
De Grootmoeder. 173
Een Concert. 177
Ochtendbezoek en Avondwandeling. 188
Een hoofdstuk, waarmee de auteur ijselijk verlegen is,
omdat hij er zelf de mooie rol in speelt, iets dat hij
wel weet dat hem in 't geheel niet past, maar dat hij
voor ditmaal niet helpen kan. 195
Het Hofje. De heer van der Hoogen af. 201
Een groote Hans en Adellijke Heer. Besluit. 209
's Winters buiten. 214
Gerrit Witse. 227
Studentenangst. 227
Oudervreugd. 233
Meisjeskwelling. 237
Vrienden-hartelijkheid. 244
Dokters lief en leed. 260
Bijvoegsel der Derde Uitgave tot de Narede en Opdracht aan een
Vriend. 267
Laatste Bijvoegsel. 269
_Verspreide stukken van Hildebrand_.
_De Gids_, Jaargang 1837, 1838. _Proza en Poezy, Verspr. Opstellen
en Verzen._ Haarl. 1840.
Vooruitgang. 273
Het Water. 279
Begraven. 284
Eene Tentoonstelling van Schilderijen. 292
De Wind. 302
_Souvenirs d'un Voyage à Paris_, par _J. Kneppelhout_. Leyde, 1139.
Antwoord op een brief uit Parijs. 305
_Leeskabinet_, Jaarg. 1811 (_De Patrijzen._)
Teun de Jager. 308
_De Nederlanden. Karakterschetsen enz._, 's Gravenhage,
Nederl. Maatsch. van Schoone Kunsten. 1841-1842.
De Veerschipper. 320
De Schippersknecht. 323
De Barbier. 326
De Huurkoetsier. 329
Het Noordbrabantsche Meisje. 332
De Limburgsche Voerman. 335
De Markensche Visscher. 338
De Jager en de Polsdrager. 341
De Leidsche Peuëraar. 344
De Noordhollandsche Boerin. 347
De Noordhollandsche Boer. 350
_Ook het volgende stukje was voor _De Nederlanden_ bestemd en reeds in
handen der redactie, toen het werk gestaakt werd, en de Maatschappij
van Schoone Kunsten ophield te bestaan. Het verschijnt dus te dezer
plaatse_ (1854) _voor het eerst in druk, om het dozijn schetsjes vol
te maken._
De Baker. 353
_Hollandsche Illustratie 1865/1866._
Brief van Hildebrand aan Schipper Rietheuvel. 356
JONGENS.
Hoe zalig, als de jongenskiel
Nog om de schouders glijdt!
Dan is het hemel in de ziel,
En alles even blijd.
Een hout geweer, een blikken zwaard
Verrukken 's knapen borst,
Een hoepel en een hobbelpaard,
Dat draagt hem als een vorst.
Voor u de geur van 't rozenbed
En Filomele's zang!
Hij speelt kastie, dat 's andre pret!
Met rozen op de wang.
Niets, niets ter wereld doet hem aan
Of baart hem ongemak,
Dan stuiters die te water gaan,
Of ballen over 't dak.
Frisch op maar, jongen! vroeg en spa,
Den lieven langen dag!
Loop over 't veld kapellen na,
Zoo lang het duren mag
Haast zult ge op school gekortwiekt zijn;
Uw vreugd loopt snel naar 't end;
Haast krijgt gij Bröder tot uw pijn,
En Weytingh tot torment.
Het oorspronkelijke is een lief versje van _Hölty_, die er wel
meer lieve gemaakt heeft, waarvan het alleen jammer is, dat zij
jeugdige dichters tot zeer onhollandsche vertalingen verleiden; ik
althans heb er van dit zelfde versje nog een liggen, die beter onder
een Neurenburger legprent "Knabenspiele" zou passen, dan onder de
voorstelling van een hoop aardige Hollandsche jongens. En wezenlijk,
de Hollandsche jongens _zijn_ een aardig slag. Ik zeg dit niet met
achterstelling, veel min verachting, van de Duitsche, of Fransche,
of Engelsche knapen, aangezien ik het genoegen niet heb andere dan
Hollandsche te kennen. Ik zal alles gelooven wat _Potgieter_, in
zijn tweede deel van "het Noorden", over de Zweedsche, en wat _Wap_
in het tweede deel van zijne "Reis naar Rome", over de Italiaansche in
't midden zal brengen; maar zoolang zij er van zwijgen, houd ik het
met onze eigene goed-gebouwde, roodwangige, sterkbeenige en, ondanks
de veete tegen de Belgen, voor 't grootst gedeelte blauwgekielde
_spes patriae_.
De Hollandsche jongen;--maar vooraf moet ik u zeggen, mevrouw! dat ik
niet spreek van uw bleekneuzig eenig zoontje, met blauwe kringen onder
de oogen; want met al het wonderbaarlijke van zijn vroege ontwikkeling,
acht ik hem geen zier. Vooreerst: gij maakt te veel werk van zijn
haar, dat gij volstrekt wilt laten krullen; en ten andere: gij zijt
te sentimenteel in het kiezen van zijn pet, die alleen geschikt is
om voor oom en tante te worden afgenomen, maar volstrekt hinderlijk
en onverdragelijk bij het oplaten van vliegers en het spelen van
krijgertje,--twee lieve spelen, mevrouw, die UEd. te wild vindt. Ten
derde, heeft UEd., geloof ik, te veel boeken over de opvoeding gelezen,
om een enkel kind goed op te voeden. Ten vierde, laat gij hem doosjes
leeren plakken en nuffige knipsels maken. Ten vijfde zijn er zeven
dingen te veel, die hij niet eten mag. En ten zesde, knort UEd. als
zijn handen vuil zijn en zijn knie door de pijpen van zijn pantalon
komt kijken; maar hoe zal hij dan ooit vorderingen kunnen maken in
't ootje-knikkeren? of de betrekkelijke kracht van een _schoffel_
en een _klap_ leeren berekenen?--ik verzeker u dat hij nagelt,
mevrouw! een _nagelaar_ is hij, en een _nagelaar_ zal hij blijven:--wat
kan de maatschappij goeds of edels verwachten van een nagelaar?--Ook
draagt hij witte kousen met lage schoentjes: dat is ongehoord. Weet
UEd. wat UEd. van uw lief _Fransje_ maakt? 1°. een gluiper; 2°. een
klikspaan; 3°. een geniepigerd; 4°. een bloodaard; 5°... Och lieve
mevrouw! geef den jongen een andere pet, een broek met diepe zakken,
en ferme rijglaarzen, en laat hij mij nooit onder de oogen komen
zonder een buil of een schram,--hij zal een groot man worden.
De Hollandsche jongen is grof: fiksche knieën, fiksche knokkels. Hij
is blank van vel, en kleurig van bloed. Zijn oogopslag is vrij; bij
't brutale af. Liefst draagt hij zijn ooren buiten zijn pet. Zijn haar
is van zondagmorgen half elf tot zaterdagavond, als hij naar bed gaat,
in volkomen wanorde. Het overige van de week zit het goed. Krul zit
er meestal niet heel veel in. Gekrulde haren, gekrulde zinnen! Maar
sluik is het óók niet; sluik haar is voor gierigaards en benepen
harten; dat zit niet in jongens; sluik haar krijgt men, geloof
ik, eerst op zijn veertigste jaar. De Hollandsche jongen draagt
zijn das liefst als een touwtje, en nog liever in 't geheel niet;
een blauw of schotschbont kieltje over zijn buis, en een verstelde
broek--dit laatste kenteeken gaat vast. In dees broek voert hij met
zich--al wat de tijd opgeeft; dat wisselt af; knikkers, stuiters,
ballen, een spijker, een aangebeten appel, een stukkend knipmes,
een touwtje, drie centen, een kluit vischdeeg, een dolle kastanje,
een stuk elastiek uit de bretel van zijn oudsten broer, een leeren
zuiger om steenen mee uit den grond te trekken, een voetzoeker, een
zakje met kokinjes, een grifje, een koperen knoop om heet te maken,
een hazesprong, een stukje spiegelglas, enz. enz. alles opgestopt en
in rust gehouden door een bonten zakdoek.
De Hollandsche jongen maakt in 't voorjaar eene verzameling van
uitgeblazen eieren; in het uithalen van nestjes geeft hij blijken
van kracht en behendigheid, en misschien van den aanleg tot de
zeevaart, ons volk eigen; in het inkoopen van vreemde soorten,
bewijzen van onverstoorbare goede trouw; en in het verkwanselen van
zijne doubletten, van vroegtijdigen Hollandschen handelsgeest. De
Hollandsche jongen, het is waar, slaat zijne bokken hardvochtig,
maar in 't geven van roggebrood aan diezelfde dieren heeft hij zijns
gelijken niet. De Hollandsche jongen is veel minder ingenomen met de
leerwijze van _Prinsen_ dan de Hollandsche schoolmeester; maar wat
de opvoeding van plakkers en paapjes betreft, hierin zou hij een
examen kunnen doen voor den eersten rang. Hij is dolgraag op een
paardemarkt, en wandelt op de parade voor de tamboers uit, met den
rug naar de mooie mannen toe. De Hollandsche jongen encanailleert
zich lichtelijk, en noemt spoedig over uit een woordenboek, dat aan
Hollandsche moeders niet bevalt; maar hij heeft ook weinig aanmatiging
jegens de dienstboden. Hij is gewoonlijk hoogrood als hij binnen moet
komen om aan oom en tante te vragen hoe zij varen, en spreekt bij
dergelijke gelegenheid bijna geen woord; maar minder spaarzaam met
woorden en minder verlegen is hij onder zijns gelijken, en niet bang
om voor zijn gevoelen uit te komen. Hij haat lafaards en klikkers met
een volkomen haat; hij zal nog al eens gauw zijn vuisten uitsteken,
maar spaart in 't vechten zijn partij; hij speelt niet valsch; hij
heeft een bestendigen inktvlak op zijn overgeslagen halsboord, en
wel wat neiging om zijn schoenen scheef te loopen;--hij houdt zijnen
vader staande dat hij over ijs van één nacht loopen kan, en beschikt
over vriezen en dooien naar lust en welgevallen; hij eet altijd een
boterham minder en leert eene les meer, dan waar hij trek toe heeft;
hij gooit een steen tienmaal verder dan gij of ik, en buitelt driemaal
over zijn hoofd zonder duizelig te worden.
Gegroet, gegroet, gij vroolijke en gezonde, lustige en stevige knapen;
gegroet, gegroet, gij speelsche en blozende hoop des vaderlands! Mijn
hart gaat open als ik u zie, in uwe vreugde, in uw spel, in uw
uitgelatenheid; in uw eenvoudigheid; in uw vermetelen moed. Mijn
hart krimpt toe, als het bedenkt wat er, ook van u, worden moet. Of
zult gij, die daar beurtelings een frisschen beet uit een zelfden
appel doet, in later jaren nooit gewaar worden dat het noodig is den
appel in een hoek te nemen en alleen op te eten; ja, de schillen weg
te stoppen, en de pitten te zaaien voor uwe nakomelingschap? En gij;
die daar geduldig uw sterker rug leent aan uw vlugger vriend, die zich
op uwe schouders verheft om in den boom het spreeuwenest te zoeken,
dat heel hoog ligt: zal de ondervinding u de verdrietige wijsheid
onthouden, dat het beter is zelf een ladder te krijgen, en zelf het
nest uit te halen, dan een goeden dienst te doen en af te wachten óf
en hoe men u zal beloonen?
Dat is de wereld. Maar ook in uzelven zijn de zaden aanwezig van veel
onheils en veel verdriets. Uwe voortvarende drift, uwe onschuldige
teederheid, tot opvliegendheid, eerzucht en wellustigheid gerijpt;
uwe levendigheid en onafhankelijk gevoelen, tot wereldzin en ongeloof
verhard!... O, als gij in later jaren op uwe kindsheid terugziet,
dat, dat zal de vreugde wezen, die gij het meest benijdt en nu toch
het minst geniet, dat gij zooveel minder boos waart, dat gij zooveel
onschuldiger waart tot zelfs in het kwaaddoen toe. De goede hemel
zegene u allen, goede jongens, die ik ken, en rondom mij zie, en
liefheb! Hij doe u lang en vroolijk spelen, en als de ernst des levens
komt, zoo geve hij u ook een ernstig harte daartoe! Maar hij late u
tot aan uw laatsten snik nog veel kinderlijke en jeugdigs behouden. Hij
spare u, in hunne volle frischheid, eenige dier kinderlijke gevoelens,
die den jongeling helpen in het zuiver houden van zijn pad en den
man versieren; opdat gij mannen wordende in het verstand, kinderen
blijft in de boosheid. Dit is een _stille_ wensch, jongenslief! want
ik wil u nog geen oogenblik van priktol of hoepel aftrekken, zonder
u voor die vreugde iets anders te kunnen geven dan ... een wensch!--
KINDERRAMPEN.
Ik kom nog eens terug op het versje van _Hölty_.
Hoe zalig als de jongenskiel
Nog om de schouders glijdt!
Dan is het hemel in de ziel,
En alles even blijd.
Niets, niets ter wereld doet hem aan
Of baart hem ongemak,
Dan stuiters die te water gaan,
Of ballen over 't dak.
Het ontbreekt zeker niet aan dergelijke lofredenen op het geluk van
jeugd en kinderjaren. Ik stem er van harte mede in; maar ik neem de
vrijheid te mogen opmerken, dat ze alleen door menschen van leeftijd,
of ten minste door jongelingen geschreven zijn, van wier standpunt
gezien, het kinderlijk geluk bijna geen uitzondering toelaat. En zeker,
zeker is dat een droevig bewijs voor den treurigen toestand van later
dagen. Maar ik weet niet dat er ooit dichtertjes geweest zijn van
zeven, acht, of negen jaar, die hun actueel geluk zoo onvoorwaardelijk
hebben geprezen. En toch dezulken waren er de naaste toe. Toen ik op
de Hollandsche school ging, maakten wij in de hoogste klasse, bestaande
uit heeren van negen tot tien jaar, allen des woensdag-voormiddags een
opstel, soms over een gegeven, soms over een door onszelven gekozen
en uitgedacht onderwerp. Maar ik roep al de Jannen, Pieten, Willems
en Heinen, waarmee ik in de Jacobijnenstraat te H. op de banken zat,
tot getuigen, of er ooit iemand is geweest, die zijn lei volgeschreven
heeft met een optelling der genoegelijkheden of een uitweiding over
't ongestoord geluk des kinderleeftijds. Neen: wij schreven wel
diepzinnige vertoogen over de Deugd, of over de Vier Jaargetijden:
_Sander U._, wiens vader adjudant van een generaal was, heeft zesmalen
over het Paard geschreven; en _Piet Q._ die nooit op het bord stond,
en nooit meedoen wilde in de edele oefening van het puisje vangen,
had het altijd over de Gehoorzaamheid en over de Vlijt, een denkbeeld,
waar hem de opschriften van zijn extra-kaartjes op brachten. Eigenlijk
vroolijke onderwerpen heb ik te geenen tijde door de collega's zien
behandelen. Ik zelf heb het nooit verder kunnen brengen dan tot
de philosophische beschouwing der Tevredenheid; een geluk, 't welk
gewoonlijk door den jongeling voorbij-, en door den man vruchteloos
nagestreefd wordt, en dat den grijsaard uitmuntend te pas zou komen,
indien zijne lichaamsgebreken hem nog even veroorloven wilden het te
genieten; een heel mooi ding die tevredenheid, maar in het volop des
kinderlijken geluks vanzelf ingesloten en niet opmerkenswaardig.
Doch om tot de zaak te komen! Van dat volop des kinderlijken geluks
dan, schenen wij toentertijde toch niet heel vol, of althans niet
zóo vol te zijn, dat wij het moesten uitstorten. Ik heb wel eens
gemeend, dat het een onderscheidend kenmerk des echten, waarachtigen
geluks zijn zou, dat het de minste behoefte had zich uit te boezemen,
terwijl het ongeluk klachten en verluchtingen noodig heeft--om van
de tranen niet te spreken. Want de menschen, die altijd den mond van
hun geluk vol hebben, heb er ik wel eens op aangezien of zij ook naar
een autoriteit zochten die, na gehoord verslag, hun zou verklaren
dat zij gelukkig zijn, iets waarvan zij zelf tot nog toe zoo heel
overtuigd niet waren. Zij achten zich zóó-zóó, niet ongelukkig, en
niet razend gelukkig ook; maar zij schikken het goede in hun lot zoo
bij elkander, en stapelen het in redevoeringen, die zij op wandelingen
en, zoo gij met hen in ééne kamer slaapt, uit ledekanten, vooral na
een goed souper, houden, dat zij u in de verzoeking brengen hen te
benijden. Dat verhoogt dan onmiddellijk hun koud geluk tot een hooger
temperatuur. Gij slaat een warme hand aan hun thermometer.
Ziedaar een mooie opmerking, die ik gemaakt heb, en die ik met dit
mooie physische beeld besluit; maar over 't onderwerp meer nadenkende,
heb ik ook wel eens gedacht, of de school dan toch ook de rechte
plaats wel was, om het kindergeluk diep te doen gevoelen. Ik weet
wel, de meester zit er niet meer met slaapmuts en kamerjapon en een
ontzettende plak in den katheder, en brengt ons niet langer door de
verschrikkelijkheid zijner oogen en gebaren tot een punt van angst,
waarin wij (als de jongen van ouds) zouden willen bekennen, dat wij
zelf de wereld geformeerd hadden, maar 't nooit weer zouden doen,
liever dan het antwoord schuldig blijven op de eerste vraag van
het vrageboek. Wij lezen er ook niet meer, tot onze schrikbarende
verveling, de Haarlemmer Courant, van A-Z. (Zijn wij daarom later
minder goede politici?) Wij zitten er ook in een goed ruim lokaal,
zoo hoog en zoo luchtig, dat het er somtijds aan de beenen tocht;
wij hebben er niet zelden het uitzicht op een bleekveld met een
appelboom, of op een binnenplaats met een bestekamer. Maar toch,
de meester is zoo dik, en de ondermeesters zijn zoo lang, en hunne
brillen en bakkebaarden zien er zoo onverbiddelijk uit, en de
borden zijn zoo zwart, en de tafels zoo ongezellig, en de kaart van
Nederland hangt zóó lang op dezelfde plaats, dat wij er de kleine
scheurtjes en inktvlekjes nog beter op weten aan te wijzen, dan de
steden der--toen was 't nog 17 provinciën [6]. Dan hebt ge--nog bloedt
mijn hart--de Tafel van _Werkzaamheden_. Schrikkelijke werkzaamheden,
wier optelling aan rekenboeken denken doet, en geographieboeken, en
wat voor boeken er al meer zijn, wier blaren heen en weer schuiven
in den band, wegens de krampachtige aanraking der wanhopige vingers
van jeugdige heeren, die maar niet onthouden kunnen hoeveel koeien
er jaarlijks aan de Hoornsche markt komen, en hoeveel inwoners
en drukkerijen van Enschedé, en Kostersbeelden, en instituten voor
schoolonderwijzers Haarlem heeft; of niet begrijpen kunnen, hoe zij de
9de som uit de "Herhaling der voorgaande Regelen" moeten opzetten. O,
die rekenboeken! zij waren de zwakke zijde van velen onzer. In mijn
oog waren er geen hatelijker boeken. Vooreerst waren zij veel te vol
letters, en ten andere veel te vol cijfers. Ten overvloede zijn er soms
fouten in de opgave der uitkomsten; maar al zijn die er niet in, die
opgaven zijn verschrikkelijk. Ga eens na. Gij hebt uw lei vol met een
berekening van belang: driemaal hebt gij reeds de helft uitgeveegd,
omdat gij bemerkte dat gij het vraagpunt niet begrepen hadt; maar
eindelijk, de som is af, en gij krijgt tot uitkomst: 12 lasten,
7 mudden, 5 schepels, 3 kop, 8 maten rogge. Met een gerust geweten,
en met het zalig gevoel van als ijverig lid der maatschappij uw plicht
gedaan te hebben, zoudt gij uw lei aan den ondermeester overgeven om
te laten nacijferen. Maar neen! het hatelijk rekenboek geeft, onder
den verwaanden titel "Uitkomst", op: 95 lasten, 2 mudden, 1 schepel
rogge, en niet ééne kop of maat. Het is blijkbaar dat gij u vergist
hebt; driemaal doet gij al de vermenigvuldigingen en deelingen over
en weer over; eindelijk besluit gij alles uit te veegen, en nog hebt
gij uw mouw op de lei, als de ondermeester komt om te gelooven dat
gij niets hebt uitgevoerd. Dat had ik tegen die rekenboeken! Maar het
kwaadwilligst en het onbillijkst van diezelfde uitvinding is, dat zij
u op alle mogelijke manieren sarren en in uw zwak tasten. Daar zit
gij sedert klokke halftien op school, bij mooi weer, in de maand Mei,
als het groen jong is gelijk gijzelf en, wat meer is, als de plassen
opgedroogd zijn, zoodat het heerlijk weer is om te knikkeren. Daar
zit gij sedert halftien op de school, waar gij den voet hebt ingezet,
met benijding terugziende op de armelui's kinderen, die geen opvoeding
krijgen en "duitjen òp" speelden op straat. Eerst hoeft men u gedwongen
met al uwe speelsche lotgenooten het lied aan te heffen:
Wat vreugd, het schooluur heeft geslagen,
Waarnaar elk kind om 't zeerst verlangt.
Daarna hebt gij een uur gelezen van het model van een braven jongen,
zoo braaf, zoo zoet, zoo gehoorzaam, zoo knap en zoo goedleersch,
dat gij hem met pleizier een paar blauwe oogen zoudt slaan, als
gij hem op straat ontmoette; of, indien gij al wat verder zijt, de
levensschets van een onbegrijpelijk groot man, wien na te volgen u
pedant en wanhopig toeschijnt, en door welke levensschets kunstiglijk
een samenspraak is heengevlochten van knapen en meisjes, voor wie gij
ook al geen de minste sympathie gevoelt, al "staan zij ook waarlijk
verbaasd over de ontzettende kundigheden van dien man," daar vader
_Eelhart_ of _Braafmoed_ van verhaalt. Het volgende uur hebt gij
geschreven; naar een mooi exempel; als bijv., zoo gij groot schrijft,
het woord _wederwaardigheid_, opmerkelijk door twee moeilijke W's,
zonder aandikken bijna niet goed te krijgen, zevenmaal; of indien gij
klein schrijft, vijftien maal, achtmaal op, en zevenmaal tusschen
de lijn: _Voorzichtigheid is de moeder der wijsheid_; bij welke
gelegenheid gij in twee regels het lidwoord _der_ hebt overgeslagen,
wat tengevolge van de laatste lettergreep van het woord moe_der_
zeer licht gebeuren kon, en eenmaal _voorwijzigheid_ in plaats van
_voorzichtigheid_ hebt gezet, welke omstandigheden, zoo ieder op
zichzelf als in onderling verband, u eenigszins angstig doen denken
aan het uur, waarop de critiek des meesters haar uitspraak zal komen
doen. Om niet te spreken dat gij gekweld zijt geweest met een linksche
pen, ontelbare haren in den inkt, een klad of drie, met kunstenaars
achteloosheid over uw schrijfboek verspreid, en de onverbiddelijke wet
dat gij maar tweemaal uw pen op mocht steken om ze te laten vermaken,
door een ondermeester, die even zoo ver is in die kunst als gij in
't schrijven. Nu komt het rekenboek. Ik heb het lang laten wachten,
lieve lezer; maar het was uit wraak, omdat het voor mij zoo dikwijls
te vroeg is gekomen. Nu komt het rekenboek. Merk op, dat gij in den
loop van den morgen tweemaal op 't bord zijt geschreven: eens, omdat
gij met uw rechter buurman een verdacht gefluister hebt aangevangen,
dat evenwel over niets liep dan over goedkoope ballen in de Wijde
Appelaarsteeg, en eens, omdat gij aan uw linker dito een albasten
knikker (gezegd alikas) hebt laten zien, zonder een eenig rood
aartje, van welk delict het corpus u is ontnomen, tegen de pijnlijke
onzekerheid of gij het ooit terug zult zien. Vat dit alles te zamen,
en sla dan uw rekenboek op, dat u sart met de 13de som, waarin u,
om u of 't ware te tantaliseeren, met de grootste koelbloedigheid
een mooie voorstelling gedaan wordt van vijf jongens, zegge vijf,
die te zamen zouden knikkeren, en waarvan de eene bij den aanvang van
't spel bezat 20, zegge 20, knikkers, de tweede 30, de derde 50,
de vierde--neen, het is niet uit te houden! de tranen komen er u
bij in de oogen; maar daar zit gij, voor nog een geheel uur, en dan
nog wel te cijferen.--Waarlijk ik houd het er voor, dat de meeste
rekenboekmakers afstammelingen van koning _Herodes_ zijn!
Uit al wat ik tot nog toe in het midden heb gebracht, zal zonneklaar
blijken, dat de school de plaats niet is om het kinderlijk gemoed te
doen overstroomen van het besef van geluk en genot. Ik geloof niet
dat het denkbeeld daarvan ooit onder eenig blond of bruin kinderhaar
is opgekomen. Neen, neen! de school is zoo goed als zij zijn kan. De
school wordt, naar de nieuwste verordeningen, zoo aangenaam en
dragelijk mogelijk gemaakt. Maar hare genoegens zijn ten hoogste
negatief. De school blijft altijd iets van het gevangenisachtige,
en de meester, met en benevens al de ondermeesters iets van het
vogelverschrikkende behouden. Dat gezegde van _Van Alphen_:
Mijn leeren is spelen
wil er bij niet één kind in, zelfs niet bij de vlijtigste. Ik verbeeld
mij nog al onder de vlijtigste behoord te hebben; maar toch, wanneer
mijn vader of moeder mij de eer aandeed van aan mijn ooms en tantes
te vertellen dat ik altijd blij was als de vacantie uit was, kwam
mijn gansche gemoed tegen dat edel denkbeeld (dat mij ondertusschen
vrij dweepachtig voorkwam) op, en ik heb jaren noodig gehad om
zekere angstige schuwheid voor mijn respectieve meesters te leeren
overwinnen. Ook zijn er, in weerwil van de verbeterde leerwijze,
nog altijd onder, die een kind, al is het niet van de bloohartigste,
als electriseeren.
Ja, lieve vrienden! laten wij deze bladzijde voor alle vliegeroplaters
en soldaatjespelers verbergen en verstoppen; maar laten wij het
bekennen: daar zijn Kinderrampen! Klein en nietig, van onze verwaande
hoogte beschouwd, maar gewichtig en groot, in de kleine evenredigheden
van de kinderwereld. Rampen, die benauwen, kwellen en schokken, en
die niet zelden een grooten en hevigen invloed hebben op de vorming
van het karakter.
De eerste en grootste hebben wij al gehad. Het is, met verlof
van _Pestalozzi_ en _Prinsen_, de school. Dat is een kanker; een
dagelijks weerkeerend verdriet. Een man met schuldeischers geplaagd
ondervindt iets van het leed van een kind met meesters aangehaald. Nu,
onze goede _Hölty_ zelf kan niet nalaten aan 't eind van zijn versje
daarmede te dreigen. Daarom wilde ik u verzoeken: heb deernis met
het lot uwer telgen. Ontziet als iets heiligs het levensgenot uwer
kinderen. Zij moeten allen schoolgaan; dat is een natuurwet, zoo zeker
als die volgens welke zij allen ingeënt, wij allen sterven moeten;
maar even gelijk wij, naar den gewonen loop der dingen, niet sterven
moeten op ons achttiende jaar, wilde ik ook niet dat hun de school
overviel vóór hun achtste. 't Is wel aardig, en wij hebben het aan
de veranderde uitspraak van de namen der medeklinkers te danken, dat
zij op hun vijfde jaar met kleinen _Piet_ zeggen kunnen: "Nu kan ik
al le-zen"; maar ik weet niet of kleine _Piet_ op zijn tiende jaar,
in massa, zoo veel meer geprofiteerd zal hebben dan een ander, die
op zijn zevende of achtste begonnen is "met de _spa_" te werken. Ik
geef dit alleen in bedenking aan alle kinderminnende harten, en waag
het niet, met zoo weinig ondervinding als _Hildebrand_ (de baardelooze
_Hildebrand_, zullen de recensenten zeggen) in zoo weinig jaren heeft
kunnen opdoen, mijne meening te staven.
Om het onderwerp eene wending te geven, en van een andere ramp
uit het tranendal der kinderen te spreken, noem ik het wisselen der
tanden. Waarlijk, lieve dame, die de wereld zoo trouweloos en de mannen
zoo wuft vindt! _la perte des illusions_ kan op uwe jaren nauwelijks
zoo zwaar wegen als _la perte des dents_ op de hunne. Herinnert ge
't u nog wel? Gij voelde--neen, gij voelde toch niet;--ja, helaas,
gij voelde maar al te zeker--dat gij een dubbelen tand hadt. En de
voorste zat zoo vast als een muur. Zes dagen lang verborgt gij uw leed;
somtijds vergat gij het; maar zesmaal daags, midden onder uw spel,
bij het genot van de lekkerste krakeling, onder 't bewerken van de
zoetste ulevel--daar stond weer eensklaps voor uw oog, die akelige,
allerakeligste dubbelheid!--Uw eenige troost was, dat de voorman
vanzelf wel wat losser zou worden. Inderdaad, natuur en rede geven deze
hoop aan de hand. De ondervinding leert het echter meestal anders. Op
den zevenden dag; het was een zondag; uw kleine theegoedje stond klaar
op uw kleine tafeltje; en uwe stoeltjes stonden er bij klaar met twee
poppen: de nieuwste voor u, en de oudste voor uw nichtje _Keetje_,
die bij u te spelen kwam; en 's avonds zoudt ge een tulbandje bakken
van gestampte beschuit en melk; en een boterham met aardbeien zou
alles bekronen. Met een grooten schreeuw gaaft gij uwe vreugde over het
laatste artikel te ennen. "Laat ik je mond reis effen zien," zei mama;
"wat? een dubbele tand?" en weg was uw vreugd! Gij droopt af alsof gij
op een zware misdaad betrapt waart; waarschijnlijk zoudt gij onder
uwe kwelling nestig en kribbig zijn tegen _Keetje_, het tulbandje
zou geene bekoorlijkheden voor u hebben, de aardbeien geen smaak;
en ge zoudt naar bed gaan en droomen van den tandmeester! Vergeefs
beproefdet gij achtereenvolgens alle huismiddelen: wiggelen met den
vinger, bijten op een harde korst, die gij evenwel om eventueele
pijn te vermijden, in een gansch anderen hoek van uw mond inbracht;
aanleggen van een draad garen, waaraan ge toch niet durfdet trekken. De
tandmeester moest komen. Hij kwam, niet waar? de ijselijke man! Hij
had voor u de verschrikkingen eens scherprechters. Hij veinsde
maar effen naar uw tand te voelen; hij trok er hem verraderlijk
uit. Ondertusschen was deze slinksche streek voor u een weldaad,
die voor alle volgende keeren verkeken was.--Spreek mij niet van
groote-menschen-jammeren! Zij halen niet bij deze. Geen koopman die
"op springen staat" ziet met meer angst den dag tegemoet waarop hij
zal worden "omvergegooid", dan een blijde jongen of vroolijk meisje
den dag, waarop men scheiden zal van den dubbelen tand!
Wij zijn aan de physieke rampen. Welnu, er zijn er meer dan men
denkt. Het grootworden, hoe schoon en voortreffelijk een uitvinding
ook, is de oorzaak veler smarten. Want vooreerst, men steekt lange
bloote armen uit de mouwen, groote en den kous uit de broek. Daarbij
schaamt men zich dan gewoonlijk dat men nog rijglaarsjes of schoenen
met gespen draagt, omdat er altijd eenige voorlijke knapen zijn,
die al halve-laarzen hebben, en vroegtijdige juffertjes, die zich op
schoenen met lange linten verheffen. Ook rekenen vele moeders er naar
't schijnt niet op, dat niet alleen de beenen, maar het geheele lichaam
groeit, en dat het diensvolgens op goede natuur- en wiskundige gronden
te bewijzen is, dat, al kunnen de broekspijpen worden uitgelegd, het
overige gedeelte van dat kleedingstuk hetzelfde blijvende, men eene
niet zeer aangename bekrompenheid in de circumferentie van het lichaam
gewaar wordt, die ook al weer de oorzaak is van menig nieuw kruis,
in een dubbelen zin, en van ontelbare scheuren. Maar ook dit is een
kwade kant van den edelen groei, dat hij bij de individuen verschilt,
en zelfs zóó, dat bij sommige tegen het geprezene grootworden,
het verwijtende kleinblijven o verstaat. Nu is het niet pleizierig,
ieder keer als men een boodschap van papa of mama komt doen, of bij
_Lodewijk_ of _Doortje_ spelen komt, altijd door mijnheer of mevrouw,
of de juffrouw, of de meid somtijds, tegen _Lodewijks_ of _Doortjes_
rug gezet te worden, om met de ververschte overtuiging dat men een
hoofd of een half hoofd kleiner en een ware peulschil is, naar huis
te gaan. Dat noemt men in het maatschappelijk leven, als men't op het
moreele toepast, taxeeren; en die taxatie van 't physieke is de eenige,
waarvoor de kinderleeftijd gevoelig, en ook zeer gevoelig is. Neen,
't is niet aardig van de groote menschen, dat ze 't den kleinen
aandoen, evenmin, als dat altoosdurende uitgillen van: "wat ben je
groot geworden!" op den duur bevallen kan.
Maar daar is toch ook wel een moreele taxatie die, zoo zij de kinderen
niet dadelijk grieft, hun althans menig genoegen onthoudt. Zij ontstaat
uit de omstandigheid, dat een mensch van vijfendertig of veertig, een
dertig of vijfendertig jaar van zijn vijfde jaar verwijderd is, en in
dien tijd machtig veel vergeten kan, en zóó veel, dat hij eigenlijk
in 't geheel niet meer weet, wat hij dacht, gevoelde, besefte en
smaakte toen hij een kind was, en wat niet. Van daar dat hij zeer
dikwijls den maatstaf, waarbij hij de kinderen meet, te klein en te
bekrompen neemt, en menige vreugd, die hij den jeugdigen van harte
gunt, terughoudt omdat hij in zijne mannelijke wijsheid besluit:
"dat zij er eigenlijk nog te klein voor zijn", en er "waarlijk nog
niet aan zouden hebben." En dan, "het nergens aan mogen komen," alsof
men geheel handeloos en met een instinct om alles nu ook maar stuk
te gooien en te breken in de wereld was gekomen!--En dan het paaien
met zoetigheid, als men zich juist gisteren te groot is begonnen te
voelen voor koekjes tot den prijs van iets anders!--En dan de velerlei
beschaamdzettingen, die men ondergaat, omdat iedereen gelooft dat
een kind menig ding niet gevoelt dat hem toch diep gaat!--Waarlijk,
waarlijk, men heeft in de maatschappij menig menschenschuw, bloohartig,
en zenuwachtig wezen doen opgroeien, alleen doordat men het als kind
te jong en te klein voor gevoel van waarde achtte.
Ik spreek niet van het naloopen met hoeden en petten, en van het
verschil van gevoelen omtrent het weder, dat tusschen ouders en
kinderen dikwijls aanmerkelijk kan uiteenloopen. Ik spreek niet van
sommige barbaarsche instellingen, als daar is: dat de jongere de
kleederen van de oudere moeten afdragen, waardoor het vierde zoontjen
een buisje draagt van de kraagjas van mijnheer zijn oudsten broeder;
van welke kraagjas de beide tusschenbroers respectievelijk een
jasje met één kraag en een jas zonder kraag gehad hebben;--noch van
ellendige spreekwoorden, als orakelen door de ouders aangevoerd, en als
verachtelijke paradoxen en sophisterijen door het kroost verwenscht,
als b.v. dat de oudste de wijste zijn moeten. Ik spreek van al die
rampen niet,--want mijn stuk is reeds veel te lang. Mocht het maar
sommige mijner lezers bewegen, om nog kiescher te worden omtrent de
jonge harten der kleinen; en nog oplettender om hun kleine verdrieten
te sparen en groote genoegens onbeknibbeld te laten genieten. De
jeugd is heilig: zij moet voorzichtig en eerbiedig behandeld worden;
de jeugd is gelukkig, maar men moet zorgen, dat zij zoo min mogelijk
deelt in de rampen der samenleving, voor zoo ver zij die in hare jaren
kan ondervinden. Men moet haar soms kwellen en lastig vallen--tot haar
nut!--maar passen wij vooral op, dit niet te overdrijven! Een geheel
volgend leven kan geen gedrukte jeugd vergoeden; want welke zaligheid
zouden latere jaren te stellen hebben tegenover het verspeelde geluk
eener schuldelooze jonkheid?
1839.
EEN BEESTENSPEL.
"Les peines infamantes sont:
1_o_. Le carcan;
2_o_. Le bannissement;
3_o_. La dégradation civique."
_Code Pénal_. L. I. Art. 8.
Neen, ik wil niet naar 't beestenspel! Ik houd er niet van. Zeg mij
niet dat het belangrijk is; dat men het gezien moet hebben; dat men
in geen gezelschap komen kan of men moet ten minste goed of kwaad
zeggen van de lokken, de bakkebaarden en den moed van den eigenaar,
van de lama, van de verlichting der tent, en van de twee tijgers in één
hok;--herhaal mij niet dat men ten minsten één ongeluk heeft moeten
zien "bijna gebeuren" en ééne bijzonder teekenachtige houding van
't een of ander gedrocht bespied hebben, in een oogenblik, "dat er
niemand anders naar keek";--zeg mij niet dat men moet gaan kijken
hoe de vrucht van 't zweet en bloed van onvermoeide hengelaars in
één oogenblik door den gulzigen pelikaan verslonden wordt, en hoe de
Boa Constrictor een Leidschen bok met hoornen en al, in een oogwenk
tijds verzwelgt;--roep mij niet toe dat men zijne anecdote behoort te
hebben op den kasuaris, zijn snakerij op de apen, en zijn woordspeling
op de beren. Op dit alles antwoord ik u: ik haat het beestenspel;
en ik zal u de reden van mijn afgrijzen uiteenzetten.
Een beestenspel! Weet gij wat het is?--"Eene verzameling", zegt gij,
"van voorwerpen van natuurlijke geschiedenis, even belangrijk voor den
dierkundigen..." Als voor den beestenvrind, wilt gij zeggen? "Neen,
als voor ieder mensch, die er belang in stelt zijn medeschepselen op
dit wijde wereldrond te kennen." Gij zegt wèl; maar dan wenschte ik
mijn medeschepselen te zien, zoo als ik ze op plaat I. van iederen
prentenbijbel zie, in aardige groepen door elkander geschikt, allen
in hunne natuurlijke houding: den leeuw, met een opgeheven voorpoot,
als op brullen staande; de kaketoe, van een boomtak nederkijkende,
als om te onderzoeken wat voor kleur van haar _Adam_ heeft; en niet,
och, ik bid u, niet in die afschuwelijke ijzeren schommels (een soort
van groote lijsterbogen) in eeuwige beweging; de boa in 't verschiet,
om den boom in schoone verleidelijke bochten gekronkeld, en naar den
noodlottigen appel opziende; den adelaar, hoog in de lucht zwevende,
als een nauwelijks merkbare stip: ja, dan nog veel liever geheel
onzichtbaar, dan zóó als ik hem in een beestenspel zie... Zoo zou het
mij aangenaam en belangrijk zijn.--Maar hier in deze enge, bekrompene
hokken, achter die dikke tralies, in die slaafsehe, weerlooze,
gedrukte, angstige houding,--o! een beestenspel is een gevangenis,
een oudemannenhuis, een klooster vol uitgeteerde bedelmonniken;
een hospitaal is het, een bedlam vol stompzinnigen.
Gij hebt nog nooit een leeuw gezien; gij stelt u iets majestueus
voor; een ideaal van kracht, grootheid, waardigheid en moed; een
wezen geheel woede, maar bedwongen door zelfbeheersching, voor zoo
lang het verkiest; den koning der dieren. Welnu; verplaatsen wij ons
met onze verbeelding in de woestijn van Barbarije!
Het is nacht; het is het kwade seizoen. De lucht is donker; de wolken
zijn dik en drijven onstuimig en snel heen en weder; de maan scheurt
ze nu en dan met een waterachtigen straal. De wind huilt door 't
gebergte; de regen ruischt; van verre gromt de donder. Ziet gij daar
dat gevaarte, met dichte struiken bewassen, zich afteekenen tegen
de lucht;--ziet gij daarin die donkere rotskloof, beneden, gapende,
boven zich verliezende in heesters en distelen? Het bliksemt: ziet gij
ze? Houd uw oog derwaarts gericht. Het is alles duisternis. Let op! Wat
is dat? 't Is het glinsteren van twee oogen; gloeiende kolen. Hoor
toe! Dat was de donder niet; het was een schor gehuil; het diepe
geluid van een leeuw die ontwaakt. Hij tilt zich uit zijn hol naar
boven. Hij rekt zich uit. Een oogenblik staat hij met opgeheven hoofd
brullende stil. Hij schudt de zwarte manen. Eén sprong!... Achter uw
wachtvuur, onvoorzichtige! Hongerig gaat hij om; met woeste bewegingen,
met ongeregelde sprongen, met schrikkelijke geluiden.
Wien zal het gelden? Een breedgeschoften buffel misschien, die hem
met gebukten hoofde en sterke hoornen zal opwachten. Geen nood: hij
zal hem aanvliegen; hij zal zijn nagelen klemmen in zijne lenden; hij
zal aan hem hangen blijven; hij zal hem de blanke slagtanden in den
korten rimpeligen nek slaan; één oogenblik--en hij zal hem afmaken,
hem in stukken scheuren en zijnen honger bevredigen. Dan zult gij hem
met rooden muil en bespatte manen rustig zien nederliggen, zijn zege
genietende, trotsch op zijn koningschap.
Welnu!--die Koning der dieren, die schrik der woestijn, die gedachte,
die woedende, is hier. Ziedaar de antichambre van zijn paleis; it
van voren open vertrek, middending tusschen een salon, een kantoor,
en een tentoonstelling van schilderijen. Deze heraut, met den
geschilden wilgetak in de hand, noodigt u uit. Zijne majesteit geeft
audiëntie. Zijne majesteit is voor geld te kijk. Zijner majesteit
staatsdame licht het behangsel op. Gij zijt in zijner majesteit
onmiddellijke tegenwoordigheid. Geef u de moeite niet bleek te
worden; de koning zal u wèl ontvangen. Maar voorzichtig! stoot u
niet aan dezen--wat is het? een reiskoffer? Vergeef mij, het is een
ecrin vol slangen! arme _reuze_slangen! Hierheen! Pas op: die lamp
druipt! Stap over dien emmer, vischvijver van den pelikaan, badkuip
des ijsbeers! Wij zijn er. Hier, op dit wagenstel, in dit roode hok,
zes voet hoog en zes voet diep, ligt hij. Ja, hij is het wel. Ik zweer
u dat hij het is. Zijne pooten steken onder tusschen de traliën uit:
dat zijn _leeuwe_klauwen. Zijn staart, die geesel! schikt zich naar
den rechthoek van zijn verblijf. Hij is slaperig; hij ronkt. Zouden
wij hem kunnen doen opstaan! "Nero, Nero!" _'Il est dêfendu de toucher
aux animaux, surtout avec des cannes'._ Gevoelt gij al het vernederende
dezer waarschuwing? Daarin is al zijn weerloosheid. Het zou hem _zeer
doen_. Hebt gij uw illusiën, heeft de leeuw zijn prestige nog? Zijt
gij nog bang voor dien bullebak? Gelooft gij nog aan de schets van
zoo even? Zegt gij niet
Laat hem komen, als hij kan?"
Onttroonde koning! Gekrompen reus! Zie, hij is voorzichtig
in al zijne bewegingen; hij neemt zich in acht, om zijn hoofd
niet te stooten, zijn muil niet te bezeeren, zijn staart niet
te schenden. Wat onderscheidt hem van eenig tam beest? Wat van
dien lagen hyena, die de kerkhoven schoffeert? van dien gevlekten
tijger, viervoetige slang die van achteren aanvalt? van dien wolf,
dien een kloek kozak dood geeselt? van dien afschuwelijken mandril,
hansworst der verzameling? van al die walgelijke apen, daar zooveel
menschen zich vroolijk mee maken? Altemaal zijn zij opgesloten: de
vorst als de knecht, de vorst meer dan allen. Waan niet dat gij hem
in zijne natuurlijke grootte ziet. Dit hok maakt hem kleiner; hij is
wel een voet gekrompen. Zijn gelaat is verouderd. Zijn oogen zijn dof
geworden; hij is suf; het is een verloopen leeuw. Zou hij nog klauwen
hebben? Bedroevend schouwpel. Een haspel in een flesch; men weet niet
hoe 't mogelijk is dat hij er inkwam! Een ziek soidaat; een grenadier
met geweer en wapens, berenmuts en knevels (foudre de guerre) in een
schilderhuis; Simson met afgesneden haar; Napoleon op St. Helena.
Als gij in 't midden van deze tent staat, tusschen staatsiegordijnen en
schoorsteenvallen, en ijzeren tralies, en onderstellen van wagens, en
wilde dieren; als gij uw oog slaat op al die vernederde schepsels--waan
niet dat gij leeuwen, dat gij tijgers, dat gij gieren, arenden, hyenen,
beren ziet. De kinderen der woestijn zouden hunne broederen, zoo zij
ze hier zagen, verachten en verloochenen. Berg dat zilveren potlood,
steek die portefeuille op, gij teekenaar! Maak hier geene schetsen. Gij
hebt geene wilde dieren voor; het zijn er slechts de vervallen
overblijfsels van; zij zijn naar ziel en lichaam gekraakt. Hun aard
drukt zich niet meer uit. De leeuw stierf in den leeuw; de tijger is
dood in den tijger. Uwe teekening zou zijn als een portret naar een
lijk ontworpen. Gij kunt even zoo goed een petit-maître onzer eeuw
tot model voor een zijner Germaansche vaderen stellen, of een mummie
afbeelden, en zeggen: zoo is een Egyptenaar! Nauwelijks kunt gij
hunne vormen, hunne omtrekken, hunne evenredigheden zien of berekenen
onder de slagschaduwen dezer vierkante kooien. Hoe zoudt gij dan het
eigenaardige van hunne houding kunnen raden? Ze zijn hier als planten
in een kelder; zij verkwijnen; zij zijn in een droevigen staat van
ongevoel, een naren dommel verzonken. Zij sterven sinds maanden. Het
licht hindert hen. Zij zien er dom, verstompt uit. Dans la nature
ils sont beaucoup moins _bêtes_.
"Stil", zegt gij, "zie daar den eigenaar. Hoor hoe zij brullen. Zij
zullen gevoed worden. Het souper der wilde dieren." Smartende
bespotting! Hun souper! De cipier zal elk dezer staatsgevangenen
zijne afgepaste portie komen toedeelen. "Ja, maar hij zal ze tergen,
en een oogenblik zult gij ze in hun kracht zien." Wee onzer, zoo dat
waar is! Neen, het is eene tooneelvertooning. Zij worden tot acteurs
vernederd. Hun woede is die van operahelden, van beleedigde vaders
in de vaudeville. Het is namaaksel. Het is een woede van klokke
halfacht. Het rammelen der boeien, als de gevangene opstaat om zijn
brood en water aan te nemen. Ook in het gebrul des leeuws, het gehuil
der wolven en het lachen der hyena's is een _pectus quod diserfum
facit_. Waan niet dat zij zich verwaardigen zouden hun verschrikkelijke
welsprekendheid aan dien knecht te verkwisten, die toch eindigen moet
met hun het afgewogen stuk vleesch in den bek te steken.
Hun souper! o Zoo zij mochten, zij zouden van dit behulpelijk,
bekrompen genadebrood een beroep doen op hun avondmaal in de
woestijn! Weekelingen, die uw brood bakt en die uw vleesch kookt om
het te kunnen verduwen! zoo gij genoodzaakt werdt dien maaltijd aan
te zien, daar zij de rookende spieren van de breede knoken aftrekken,
en er zich met al de felheid, al de heftigheid hunner bewegingen
opstorten, brullende van genoegen, niet omdat zij eten, maar omdat zij
slachten,--hoe zouden u de haren te berge rijzen, hoe zou vleeschhouwer
en uitdeeler, hoe het geheele heir geabonneerden rillen en beven!
Alleronuitstaanbaarst is mij in een beestenspel de uitlegger. Gij
lacht om zijn gemeen Fransch en nog ellendiger Hollandsch, om zijn
eeuwig wederkeerende volzinnen: ik kan niet lachen. Hij ergert mij.
Sire, ce n'est pas bien:
Sur le lion mourant vous lâchez votre chien!
Foei! hij noemt den tijger monsieur en de leeuwin madame; hij
vertelt aardigheden op hun rekening; zij zijn de dupes zijner
van buitengeleerde geestigheid. O! zoo zij konden, hoe zouden zij
zich op den grappenmaker wreken. Hoe zou monsieur hem vierendeelen,
madame hem vernielen. Hij zou 't verdienen. Hij behandelt dieren als
dingen. Hij verdient een dommen glimlach aan den een, een drinkgeld
aan den ander. Hij ontneemt u het schoone zinnebeeld der moederliefde,
dat gij in den pelikaan zaagt, en maakt liever een slaapmuts van
zijn onderkaak. Ellendige potsenmaker, straffeloos lasteraar, die
zijne beteren bespot. Met een paar knevels en een stok loopt hij om,
en speelt den held onder de gevangenen.
Ja, het is ijselijk als gij een verren neef of halfvergeten vriend
overkrijgt, die u vriendschappelijk dringt hem het Leidsch museum
te laten zien, en ge moet, terwijl gij liever de bekoorlijken
op Rapenburg en Breestraat gadesloegt, met hem op een schoonen
voormiddag de eene zaal na de andere doordrentelen, zonder iets te
zien dan natuurlijke historie, zonder ergens een knie te buigen; en
het is er kelderachtig koud! Maar zoo het er op aankomt om vreemde
dieren te zien: ik zie ze liever daar dan hier. Liever een museum
dan een menagerie. 't Is waar, het knekelhuis, dat gij eerst door
moet wandelen, neemt een goed deel van de illusie weg; de anatomie,
gelijk alle analyse, is schadelijk aan de poëzie; maar de opgezette
dieren zijn niet vernederd. Hier ronken zij niet, hier slapen zij
niet, hier sterven zij niet, hier zijn zij dood. Hier geen dofheid,
geen traagheid, geen luiheid; hier koude en ongevoeligheid. Het is
hier als in hun onderwereld: gij ziet hunne schimmen, hunne omtrekken,
hunne eidola! Aan hun stoffelijk omkleedsel, hun houding, hun stand
moge door opvulling en kunstenarij een weinig zijn te kort gedaan, maar
de ziel (gij gelooft toch dat de dieren een ziel hebben?) wordt hier
niet verdoofd of verminkt. Niet de lage baatzucht, maar de deftige
wetenschap heeft hen bijeenvergaderd. Zij staan hier niet te kijk,
zij staan hier tot uwe onderwijzing. Hunne namen worden in eerbiedig
Latijn genoemd. Zwijgend gaat men langs hunne rijen, met al het ontzag,
dat men voor de dooden heeft.
Maar een menagerie!
o Gij, heeren der schepping! ik weet niet of gij in de 19de
eeuw onzer jaartelling, en zoo ver van het paradijs, dien naam
nog verdient.... maar gij hoort hem zoo gaarne, en zijt er zoo
hoovaardig op; o gij, heeren der schepping! laat u gelden in het
dierenrijk, laat u gelden bij al wat slagtanden, klauwen, hoeven
en horens heeft. Heerscht, dwingt, gebiedt, overweldigt, beschikt;
zet uw krijgsburcht op den rug der elefanten; legt uw pak op den nek
der buffelen, zet uw tanden in het oor van onagers, jaagt uw lood
door het voorhoofd der tijgers, en maakt hun vacht tot schabrak uwer
paarden; overwint als een Cesar de wereld, en spant als een Cesar
vier leeuwen voor uw triomfkar. Het is wèl. Maar misbruikt uwe kracht
niet. Spot niet, kwelt niet, vernedert niet, dooft niet uit. Geen
gevangenhuis, geen tuchtcel, geen schavot, geen kaak, geen draaikooi,
geen beesten-_spel_. Ja, een spel is het, een afschuwelijk wreed
spel. Moet gij een spel hebben: herstelt het molmend coliséum tot een
worstelperk, en hebt ten minste de grootmoedigheid, uw gelijken met
hen ten kamp te doen treden. Vermaakt u (zoo gij nog niet genoeg hebt
van barbaarsche vermaken) met hunne krachten, met hun moed, met hun
heldeneinde;--niet met hunne slavernij, niet met hunne ontaarding,
niet met hun heimwee, niet met hun teringdood.
1836.
EEN ONAANGENAAM MENSCH IN DEN HAARLEMMERHOUT.
Onbegrijpelijk veel menschen hebben familiebetrekkingen, vrienden of
kennissen te Amsterdam. Het is een verschijnsel, dat ik eenvoudig
toeschrijf aan de veelheid der inwoners van die hoofdstad. Ik had
er voor een paar jaren nog een verren neef. Waar hij nu is, weet ik
niet. Ik geloof dat hij naar de West gegaan is. Misschien heeft de
een of ander van mijne lezers hem wel brieven meegegeven. In dat geval
hebben zij een nauwgezetten, maar onvriendelijken bezorger gehad, als
uit den inhoud van deze weinige bladzijden waarschijnlijk duidelijk
worden zal. Inderdaad, ik ken vele menschen, die nog al ophebben met
hunne Amsterdamsche neven, vooral als ze tot de "Lezers" in Felix
behooren, of als ze rijtuig houden; maar ik heb dikwijls verbaasd
gestaan over mijne verregaande koelheid omtrent den persoon van mijn
neef _Robertus Nurks_; en niets verschrikkelijker, dan wanneer hij
mij zaterdagmiddag per diligence een steen zond met een brief er aan,
inhoudende dat hij (mits het weer goed bleef en er niet, maar dat
kwam er nooit, het een of ander in den weg kwam) met mij den dag in
den Haarlemmerhout zou komen doorbrengen; niet dat ik iets tegen het
gemelde bosch heb, maar wel iets tegen ZEd.
En evenwel was hij een beste, eerlijke, trouwe jongen, prompt in
zijn zaken, stipt in zijn zeden, godsdienstig, en zelfs in den grond
goedhartig. Maar er was iets in hem--ik weet het niet--dat maakte dat
ik met hem niet op mijn gemak was; iets lastigs, iets impertinents,
in één woord iets volmaakt onaangenaams.
Ik zou, om iets te noemen, een nieuwen hoed gekocht hebben; geen
buitensporig fatsoen (geen nationalen bijv.), geen te hoogen of te
platten bol; geen te breeden of te smallen rand; een hoed, goed om af
te nemen voor een verstandig man en op het hoofd te houden voor een
gek, doch stellig een hoed om niets van te zeggen. Toch kon ik bijna
overtuigd zijn, dat mijn beminnelijke neef _Nurks_, de eerste maal
dat hij er mij mee zag, met den hatelijksten glimlach van de wereld
en met een soort van ontevredene verbaasdheid zeggen zou: "Wat een
weergaschen gekken hoed heb _jij_ op".--Nu is het onbegrijpelijk
moeielijk; schoon ik gaarne beken, dat de een zich daar handiger
in gedraagt dan de ander, en ik niet een van de gauwsten ben; nu
is het onbegrijpelijk moeielijk, onder eene dergelijke critische
verklaring omtrent uw hoed, een tamelijk figuur te blijven maken. Het
in ernst voor uw hoed op te nemen, is wat al te gek. Het met een:
"hé, vindje dat?" af te laten loopen, verraadt volslagen gemis van
tegenwoordigheid van geest. Te repliceeren met een hatelijkheid
op des critici eigen hoed, is wat kwajongensachtig. En hoewel een
aardigheid te zeggen het alleruitmuntendste zou zijn, en er een
schat van aardigheden mogelijk is, zoo is het evenwel bijzonder
opmerkelijk, hoe weinig men er dikwijls op zulk een oogenblik bij
de hand heeft. Zoodat de critische hoedeninspecteur gewoonlijk de
voldoening heeft eene kleine verlegenheid te weeg te zien gebracht,
welke hij met demonischen wellust geniet.
Indien gij uit dit kleine voorbeeld van mijn hoed; het is in 't oog
loopend hoe dikwijls hoeden tot voorbeelden dienen; niet een vrij
beslissenden kijk op mijn neef _Nurks_' karakter hebt, dan zal het
heele verhaal, dat ik schrijven ga, nutteloos aan u verkwist zijn,
lezer, en dan zal ik ook zoo vrij zijn u tot uw straf te houden
voor een sprekend evenbeeld en wedergade van dienzelfden _Robertus
Nurks_. Men zou intusschen verkeerd doen, zich dien waardigen
Amsterdamschen jongen voor te stellen als ongelukkig, ontevreden,
of zwartgallig. Hij was alleen maar hatelijk, en zulks deels uit
gewoonte, deels uit een diepe en misschien voor hemzelven verborgen
jaloezie. Hij was in 't geheel geen kniezer, altijd vroolijk gestemd
en de vroolijkheid beminnende; maar hij scheen er een genoegen in te
vinden, zijnen vrienden kleine grieven aan te doen, en niet alleen
zijnen vrienden, maar in het algemeen de onschuldigste menschen
van de wereld. Eene opvoeding boven zijn stand had hem, geloof ik,
die lompe aanmatiging gegeven; en onverstandige ouders hadden hem
te vroeg er aan gewend om zijn jong oordeel over een iegelijk, die
hun huis bezocht, met toejuiching te zien ontvangen. Van daar dat
hij niets had van dien kieschen terughoudenden schroom, die even
bang is om te beleedigen als om beleedigd te worden; niets van die
zachte humaniteit, die men, ondanks alle gezag van spreuken als
"Ingenuas didicisse fideliter artes" etc. nog veel beter van zijn
moeder kan overnemen, dan uit de classieke literatuur halen. Trouwens
hij verstond maar zeer weinig Latijn.
Indien _Robertus Nurks_ zeker wist dat gij half verliefd waart, hij
zou de gelegenheid vinden om het voorwerp uwer stille genegenheid
in het gesprek te pas te brengen, onder de voor u hartdoorsnijdende
bijvoeglijke naamwoorden van "leelijk, dom, onbeduidend, mal",
of dergelijke. Kende hij mijn lievelings-auteur, hij haalde er in
gezelschap de leelijkste plaatsen uit aan, met bijvoeging van "zoo
als _Hildebrands_ hooggeloofde die of die zegt". Waagdet gij nog eens
een oude anecdote, die u veel genoegen verschaft had, waarvoor gij
dus billijk eenige genegenheid voeddet, en waarvan gij u ook deze
maal nog al vrij wat beloofdet, omdat allen zich hielden als of zij
haar niet kenden: hij bedierf er de uitwerking van, door juist als
't op de aardigheid aankwam, het verhaal al raffelende voor u af te
maken, van den Enkhuizer Almanak van 't jaar één te spreken, en te
zeggen dat alle anecdotes laf zijn, en dit er een was, die hij honderd
malen van u gehoord had. In 't kort, hij kende al de zwakke plaatsen
van uw familie, van uw verstand, van uw hart, van uw liefhebberij;
van uw studie, van uw beroep, van uw lichaam, en van uw kleerkast,
en had er vermaak in, ze beurtelings pijnlijk aan te raken. En ik
weet niet welke bezwerende of magnetische kracht hij op u uitoefende,
om u geheel weerloos te doen zijn.
Het zal nu drie jaren geleden zijn; ik moet zuinig omgaan met jaren,
want ik ben nog zoo jong; dat mijn neef _Nurks_ mij op zaterdag
den 14_den_ Juli--gij kunt den almanak nazien of het uitkomt--weder
een steen zond, die mij dan ook als zoodanig op het hart viel. Hij
zou morgen, na ochtendkerktijd, bij mij komen, en 's avonds met den
wagen van achten weer vertrekken. De uren daartusschen zouden wij
aan de vriendschap en het genoegen offeren.--Ondertusschen had ik
plan gemaakt voor eene andere vriendschap en een ander genoegen. Ik
had een Leidschen makker bij mij gelogeerd, met wien ik te Zomerzorg
eten zou, om vervolgens over Velzerend naar Velzen te wandelen,
waar wij den nacht zouden doorbrengen om 's morgens naar de Breezaap
te gaan en aldaar wat te botaniseeren, waarvan wij beide groote
liefhebbers zijn. Ik hoop dat niemand van mijne lezers mij daarom
verachten zal, naar de gewoonte van vele menschen, die aan de waarde
en het gehalte van genoegens twijfelen, die zij niet in staat zijn
te beoordeelen. Mijn neef _Nurks_ behoorde tot dezulken.
Het opgemelde plan was met groote opgewondenheid en wederzijdsche
goedkeuring gemaakt. Het was als of onze zielen er in samensmolten. Ik
beloofde mijnen medischen student; wiens naam omdat hij bang voor
recensenten-hatelijkheden is, ik heb moeten beloven te zullen
verzwijgen, en wien ik daarom voor 't gemak _Boerhave_ zal noemen;
ik beloofde mijnen medischen student, behalve de schatten van de
Breezaap, ook nog bloeiende exemplaren van Aristolochia Clematitis,
op den weg tusschen Zomerzorg en Velzerend en, daar hij ook eene
verzameling van conchiliën er op nahield, stond hij in lichterlaaie
verrukking, toen ik hem verzekerde dat op de hoogte der Blauwe
Trappen de wijngaardslakken over uw laarzen kruipen of 't zoo niets
is.--Maar de steen uit Amsterdam verbrijzelde al die zaligheden,
en het gansche plan moest worden uitgesteld onder de voor ons
verschrikkelijke gedachte, den geheelen dag in Den Hout te zitten;
want een fatsoenlijk Amsterdammer komt alleen in Den Hout.
De opoffering viel ons moeielijk, en ik verdacht den hupschen
_Boerhave_ (die niet zooals ik den band des bloeds gevoelde, en
daarenboven een onbepaald vertrouwen koesteren moest op de wetenschap,
die hij beoefende) van den heimelijken wensch, dat mijn liefelijke
_Nurks_, van wien hij zich half bij instinct, half door mijne
kwaadsprekendheid, niet veel goeds beloofde, tusschen zaterdagavond
en zondagochtend eene kleine ongesteldheid mocht ontwaren, die hem
mocht doen besluiten tot een kort briefjen op de eerste schuit enz.;
maar _ik_ wenschte hem op een allerliefste buitensociëteit vol
"vermoakelijkheden", of op een dolprettig diné aan den Berenbijt,
met drie leden van De Munt en zeven van Doctrina, waar men elkander
allergeestigst met het wederzijds ophemelen der beide sociëteiten
plagen kon, tot groote bemoeilijking van den elfden man, die lid
van beiden was, en den Doctrinisten wel gelijk wilde geven, omdat
ze de meerderheid hadden, maar den Munters niet afvallen, omdat
ze de grootste heeren waren. In een dergelijk gezelschap had mijn
vriend _Nurks_, die in de universaliteit van den elfden deelde, dan
gelegenheid gehad om zijn hart te luchten over den "lastigen dikken
weerga" (een oom van een der gasten), die altijd den Haarlemmer
las als _hij_ hem wou hebben, in de eene, en "den onverdragelijken
langen zwiep" (een vollen neef van een ander der aanwezigen), in de
andere, die altijd pot maakte als _hij_ pas begonnen was carambole
te spelen. Edoch het was bestemd, dat hij den zondag van den 15_den_
Juli in den Haarlemmerhout zou doorbrengen.
"Ha, hoe maakje 't, _Rob_!" riep ik uit toen hij binnenstapte. "Mijn
vriend, de student _Boerhave_, neef".--Was het valschheid dat ik hem
hartelijk ontving? Ik geloof neen. Toen ik over het plan van Zomerzorg
en de Breezaap heen en hij werkelijk daar was, nam ik er den besten
kant van; en ik had hem toch ook in zoo lang niet gezien.
"Best, jongen;--mijnheer, je dienaar! Jongens, wat is me dat end van
de Amsterdamsche poort weer tegengevallen!"
"Mijnheer moet anders aan lange enden gewoon zijn," merkte _Boerhave_
aan, ik geloof om zijn aardrijkskundige kennis van de hoofdstad
te toonen.
"Ja, dat _is_ zoo", zei _Nurks_, met een bijzondere kracht op 't
woordje _is_, "maar daarom juist, als men zoo'n mal klein stadje als
Haarlem de eer aan doet, wil men 't liever niet."
_Nurks_ wierp een blik in den spiegel. Zijn eene halsboord had het door
de warmte; het was zeer warm weder dien dag, vooral in de diligences;
had het door de warmte te kwaad gekregen, en lag in zwijm over den
rand van zijn strop.
"Malle dingen! Anders een goed fatsoen. Ik hou niet van die ronde
boorden."
_Boerhave_ en de nederige inwoner van het malle, kleine stadje waren
er mooi mee; hij verbeeldde 't niet gezien te hebben.
"Kanje _nog_ al niet rooken, _Hildebrand_?"
Ik vloog naar den portecigares en bood hem dien aan.
"Hebje nog altijd dat _strooien_ soortje?" zei hij, de punt van
degene, die hij genomen had, met het ongeloovigste gezicht van de
wereld afbijtende, en toen zijn vroeger onderwerp weer opnemende,
daar hij nog niet genoeg van had:
"Jongens, ik vind dat het zoo mal staat als iemand niet rooken kan. Hij
zit altijd met zijne vingers ergens aan. Ik ken _nog_ iemand die
nooit rookt, maar dat is de miserabelste kerel van de wereld."
Ik begreep dat ik al vrij veel kans had om, bij eventueel overlijden
van dien heer, denzelven in zijn hoogen rang in de schatting van mijn
neef op te volgen.
Nu volgde een gesprek, voornamelijk bestaande uit eenige informatiën
naar wederzijdsche kennissen, waarin geen enkele onaangenaamheid
voorkwam, dan dat hij, toen ik naar een zeer intiemen vriend vroeg,
dien hij zeer wel kende, noodig had zijn geheugen op te scherpen met
de herinnering, "of het die was, wiens broer die smerige affaire met
de politie gehad had", opdat _Boerhave_, die daartoe al den tijd
had, zoo mogelijk allerlei vermoedens tegen de familie zou kunnen
opvatten. Ik weet niet of hij het deed; maar kort daarop verliet hij
ons een oogenblik om een knijpbriefjen af te vaardigen, welk punt
des tijds onmiddellijk door _Nurks_ werd waargenomen, om mij met de
aanmerking op te winden:
"Die vriend van jou lijkt sprekend op dien schoenenjood, die altijd op
den hoek van de Vijzelstraat en de Heerengracht staat;"--en toen ik
groote oogen opzette,--"och ja, je weet wel, die leelijke kerel! net
of hij een trap van een paard gehad heeft."
Nu, op dat oogenblik kwam _Boerhave_ weer binnen. Over de
gelijkenis met den schoenenjood, op den hoek van de Vijzelstraat
en de Heerengracht, kon ik niet oordeelen, omdat de respectieve
aangezichten der respectieve schoenenjoden van Amsterdam mij niet
duidelijk en onderscheiden voor den geest stonden; maar op mijn
vriends gelaat iets te lezen, dat denken deed dat het ooit in eenige
on vermakelijke aanraking geweest was met het viervoetig dier door
den vleienden _Nurks_ genoemd, was mij t' eenenmale onmogelijk.
Wij gebruikten koffie en brood, welke beide artikelen de eer
hadden de volkomen goedkeuring van mijn neef weg te dragen. Wel
beweerde hij de nadeeligheid van de eerste zonder melk te drinken,
waaraan zich de medicus schuldig maakte, en verzekerde hij dat hij
't altijd aan iemands teint zien kon "want het teint werd er leelijk
van;" maar toen de medicus er voor uitkwam dat hij medicus was, en
in die hoedanigheid daar nooit van gehoord had, veranderde hij van
batterij, en begon mijn vriend een verkwikkend tafereel op te hangen
van de veelheid der jonge doctoren, die in Amsterdam, zonder brood,
op dure kamers woonden en allerlei laagheden doen moesten om een bus
te krijgen, en dergelijke opwekkelijke voorstellingen meer, recht
geschikt om een medicina candidatum in zijn studiën aan te moedigen;
terwijl hij ze allen bekroonde met de plechtige verklaring "dat er
niet één medicus in de wereld was, wien hij, _Robertus Nurks_, wat
hèm betrof, zelfs maar over zijn kat vertrouwde."
Wij gingen Houtwaarts. Het was ruim één ure. Nu, alle welopgevoede
dingen hebben hun gestelden tijd. De nachtegalen komen in 't
voorjaar, de vinken en lijsters in 't najaar; de zon schijnt bij
dag, de kaars bij avond, en de maan bij nacht. Zoo is het ook met
de menschensoorten. Al wie met de duizend en een _species_ van het
_genus_ Haarlemmer bekend is, weet dat zij allen des zondags haar
verschillenden wandeltijd hebben; iets, 't welk zeer natuurlijk
wordt, als men aan den verschillenden eettijd denkt, en daarbij in
't oog houdt dat er veel menschen naar de middagkerk gaan, terwijl een
groot gedeelte niet weet dat er een middagkerk is. Als men alle deze
_species_ rangschikt, en men tevens achtslaat op de vreemde vogelen,
die uit andere luchten op een zonnigen zondag komen aanwaaien, dan zal
men een aaneengeschakelde opvolging hebben, niet ongelijk aan die der
elkander, naar de schoone vergelijking van _Homerus_, als boombladeren
wegstootende geslachten in het bestaan des menschdoms, of aan die
der elkander voortstuwende barbaren van het Europa der vijfde eeuw.
Zoo zal de natuuronderzoeker, die des zondagsmorgens de kerk verzuimt
of naar de vroegpreek is geweest (wat ik liever onderstellen wil)
en om tien uren, half elf, in Den Hout komt, op het Plein of bij den
Koekamp (de naam is niet welluidend), eenige zwermen feestvierende
vogels van den Haarlemmerdijk inhalen, per schuit van zevenen uit
Amsterdam vertrokken. De mannetjes zijn blauw of zwart geteekend en
hebben sliknatte, fijngekrulde bakkebaarden. Ze zijn voorzien van
lange Goudsche pijpen, waaruit ze òf rooken, òf die ze losjes bij den
kop tusschen de vingers houden en zoo, met den steel naar beneden,
onverschillig laten slingeren. Merk de regenschermen. De wijfjes
zijn wit. Zij houden haar opperkleed op, zoo dikwijls ze over een
droppel water stappen, en dragen 't geheel _opgesteld_ als er wezenlijk
plassen liggen van den regen van zaterdag. Zij eten gestadig uit haar
zak; sommigen in den zwerm hebben daarenboven nog een toegeknoopte
kinderluur met mondkost bij zich. Men ontmoet ze meestal in koppels
van negenen: twee mannetjes op zeven wijfjes. Ze dwalen een heel
end ver, somtijds wel tot Heemstede of de Glip af, maar strijken
's namiddags, onder een kruik bier en een bosje scharren, aan de
Groene Valk of in den Aalbessenboom neder, om met de laatste schuit
naar Amsterdam te vertrekken, terwijl intusschen de toegeknoopte
kinderluur van knapzak tot een korfje is omgeschapen, om "blommen"
in thuis te brengen, die drie weken lang in een aarden melkkan zonder
oor, in een klein winkeltje, of op den bovensten trap van een kelder,
hier zonder licht, en daar onder den frisschen adem van een stinkend
riool, het geluk en den rijkdom zullen uitmaken van iemand die garen
en band verkoopt en tevens besteedster is, of van iemand die turf en
hout slijt en tegelijk uit werken gaat.
Wandelt de natuuronderzoeker voort, dan ziet hij in 't voorbijgaan
eerst nog een dergelijken troep, die zich in den aanblik van
het Paviljoen verlustigt, en waarvan al de individu's, om zich
te overtuigen dat het geen droom is, zich met beide handen aan de
spijlen van het hek vastklemmen, zich bij geen mogelijkheid kunnende
verklaren wat voor aardigheid of vroolijkheid er wezen mag in de
groep van Laokoön, maar op dit punt overeenkomende, dat de W in het
frontispice "_Wullem_" beduidt.
Meergemelde natuuronderzoeker heeft even de Dreef verlaten, om in
de verrukking van deze vreemdelingen te deelen, maar gaat nu door
een allerliefst laantje, waarin de ochtendzon allergeestigst door
't hoog geboomte speelt, op de "logementen" af. Hij wandelt een gele
barouchette en een blauwen char-à-bancs voorbij, die hij onder 't
geboomte uitgespannen ziet, als ware 't om menigeen van huns gelijken
derwaarts te lokken. Hier is alles nog doodstil. 't Is een liefelijke
morgen. Een enkel heer met een grijzen paardenharen Saksen-Weimar,
bruinen rok, grijze zomerbroek, Engelsche spikkelkousen, lage schoenen
en een tenger, hoogstfatsoenlijk uiterlijk, zit aan een der houten
marmeren tafeltjes van het "Wapen van Amsterdam" voor de deur,
zeer op zijn gemak een boek te lezen. Een dikachtig heer met roode
wangen en een opvliegend voorkomen, met zwarten rok en in 't kort,
leest er steunende op zijn stok een courant, zonder tafeltje op een
stoel neergevallen. Een jonge vrouw, eerst onlangs uit het kraambed
hersteld en nog een weinigje bleek, zit aan een ander tafeltje,
waarop uitgediend ontbijtgoed staat, met een lief mutsje met lichtblauw
Zeister op en een lichtblauw japonnetje aan, gemakkelijk in haar stoel
geleund, te breien, en wijdt van tijd tot tijd haar aandacht aan haar
kindermeid, die met een Amsterdamsche kornet op 't hoofd, of liever ààn
't hoofd, want dat soort van mutsen laat het hoofdhaar tot de kruin toe
onbedekt, en een rozerood japonnetje met een zwart schort met puntjes
voor, op everlasting schoenen, met kruislinten net als mevrouw, over
het schelpenpad aan den overkant rustig voorttrippelt, met aan de eene
gehandschoende hand een kind van twee jaar, met een baleinen valhoedje
met rozeroode strikjes en, aan de andere, een van drie, in beugeltjes;
welke kinderen zij, zoo dikwijls als zij iemand tegenkomt, wien zij
een goed denkbeeld van hare opvoeding of van haar dienst geven wil,
met het plechtige "uwé" toespreekt: "Spreekt uwé niet tegen meneer,
_Sorsetje_?--Foei _Franswatje_, wat maakt uwé uwees handjes vuil
met die schullepies."--Aan de Hertebaan vertoonen zich hier en daar
een paar jonge dames, in 't bloote hoofd, en in een costuum, dat
zij "zoo geheel buiten" noemen, en 't welk voornamelijk gekenmerkt
wordt door sterk gekleurde zijden schortjes, bezig met "aan de lieve
beestjes eten te geven".--Dit nu zijn de gelukkigen, die bij _Stoffels_
logeeren.--In de Sociëteit is nog niemand, maar een tweetal knechts,
een volwassene en een jongen die nooit volwassen worden zal, staan
tegen elkander over in het middelste deurraam met de handen op den
rug het talent van _Zocher_ te bewonderen, dat de heeren van _Trou
Moet Blijcken_ in de gelegenheid gesteld heeft tot de schepen toe te
zien, die door 't Sparen gaan.--In 't logement op den hoek zit een
Zaandamsche familie, gisteren aangekomen, al de mannen zeer lang,
en in een volmaakt pak blauwe kleederen uitgedost, met zwarte dassen
en witte onderdassen; de vrouwen met de nationale kap, en zwarte
tanden. Zij drinken reeds koffie, en laten zich van den kastelein,
die de vrijheid neemt van in de deur te blijven staan, omtrent vele
wetenswaardige dingen onderrichten. Opmerkelijk is, tegen een der
palen en daarenboven op een stok geleund, een gebrekkig man, niet
zoo zeer een bedelaar, als wel een afwachter van aalmoezen; een dier
onsterfelijken, die de oudste Haarlemmers altijd even oud en altijd
even beschadigd, daar gezien hebben. Sommige verdenken hem van een
stilleverklikker te zijn; ik geloof het niet; maar indien hij het is,
dan is hij het zeker alleen maar om aan de kindskinderen te verklikken
op wat wijze hunne grootvaders in Den Hout hun geld verteerden.
In dezen toestand blijft Den Hout tot elf uren of half twaalf. Alsdan
rukt de voorhoede der Haarlemsche wandelaars er in. Zij bestaat
voornamelijk uit dezulken, die zich de zes overige dagen, aan beroep of
nering gebonden, van alle vertreding spenen moeten, en dus des zondags
de grootste appetijt hebben. Het zijn de kleine winkeliers met lange
roksmouwen; de boekhouders met watten in de ooren; de ambachtsbazen met
hooge hoeden, lange panden, en lange lenden; allen met hunne vrouwen
één, en met hunne dochters drie graden boven haar stand gekleed,
en alleen in dit bijzondere geval met hunne zonen, wanneer deze het
niet zóó ver in de wereld hebben gebracht om zich hunner te schamen;
want er vallen secretarieklerken, ondermeesters en kleine bloemisten
onder voor; maar indien dit het geval niet is, dan ook kunt gij
zeker zijn, vader en zoon met gelijke en gelijkvormige rottingen
te zien voortschrijden. Voor het overige bemerkt men nu reeds een
enkel jong mensch uit deftiger stand, hetzij dan een notarisklerk of
een surnumerair bij het gouvernement van Noordholland, die, daar hij
geen schepsel wist te verzinnen, aan wien hij na kerktijd een bezoek
schuldig was, nu maar naar _Stoffels_ stapt en, verbaasd van daar
nog niemand van zijn kennis te ontmoeten, zich met den hond van den
kastelein behelpt, die door zijn innemende vriendelijkheid bewijst
dat mijnheer habitué is.
Hem volgen, tegen halftwee, twee uren, de deftige bewoners uit de
stad. De fabrikant met zijn familie, de notaris met zijn familie,
de boekhandelaar met zijn familie, en de wereldsche kinderen van den
geestelijke, zonder hunne ouders. Ook komen nu de bloemisten van
den Kleinen Houtweg met vrouw en kroost opzetten. Voorts bemerkt
men zusters met haar eerste voiles, die met broers met hun eerste
rokken gaan wandelen, op hoop van andere zusters met voiles en broers
met rokken tegen te komen; en reeds nu en dan een enkel rijtuig, als
b.v. de sjees van den dokter, die met zijn beste tuig en zijn vrouw een
toertje doet, en het wagentje van den grutter, die geen pleiziergeld
betaalt, alreede tegenkomt; voorts de demi-fortune van den kleinen
rentenier; maar ook reeds het blinkend verlakte rijtuig met de zwarte
harddravers met witte koorden leidsels van den welgestelden makelaar,
en het rijpaard van den kostschoolhouderszoon; alles doorkruist en
voorbijgereden van Amsterdamsche char-à-bancs voor twaalf personen,
daar er veertien met een kind, en calèches voor drie, daar er vijf
met een hoedendoos in zitten, schoon ik zeggen moet dat de meeste
dezer laatsten in de stad uitspannen.
Het gebeurde alzoo dat, als wij drieën om één uur de Houtpoort
uittraden, wij noodwendig op hun terugtocht tegenkwamen de kleine
winkeliers met de lange roksmouwen, de boekhouders met de watten,
de hooghoedigen, de langpandigen, de langlijvigen enz., en als
't ware aankondigden de komst der notarissen, der fabrikanten,
der boekverkoopers, der doctoren, der apothekers, der bloemisten,
der zusters en broers enz., die nog achter ons waren.
"Wat zien uw stadgenooten er over 't algemeen peu fashionable uit!" zei
_Nurks_, met dien bijzonderen lach, die de Engelschen _a sneer_ noemen,
een zeer druk en aangenaam gesprek afbrekende en oogenblikkelijk weer
opvattende, om mij het antwoorden te beletten.
Een boom of wat verder pleegde hij mij hetzelfde boevestuk met den
uitroep:
"Ik dacht dat er zooveel beau-monde in je menniste Haarlem was!" en
weder vergunde hij mij niet in het midden te brengen, dat de geheele
deftige middelstand nog achter onzen rug was, die niet voor een uur
later, eerst door de hoogere ambtenaars, en daarna door de haute
volée zou worden opgevolgd. Hij wist het ook trouwens even goed als ik.
Wij namen plaats bij _Stoffels_. De onbeleefdheden, die tot nog
toe alleen aan ons beiden verkwist waren, werden nu ook algemeen
verkrijgbaar gesteld. Ik zat nog niet, toen _Nurks_ al uitriep,
zoodat al de belendende gezelschappen het hooren konden:
"Lieve hemel, _Hild_, wat hebje een mooi vest aan; dat had ik nog niet
van je gezien; jammer dat het fatsoen een paar modes ten achteren is."
De leelijkert had duidelijk bemerkt, dat ik het voor 't eerst aanhad
en er van tijd tot tijd met innig welgevallen naar keek. Ik stak
onmiddellijk mijn beenen onder de tafel; want het was mij op zijn
minst vijfenzeventig maal gebeurd, dat hij, met een opgetrokken
neus naar de punten van mijn schoenen loerende, mij had afgevraagd:
"Waar laat je _die_ turftrappers maken?"
Van een goedigen krulhond, die met veel liefde door een oud man
gestreeld werd, heette het "Wat een mormel!" Van een paar schimmeltjes,
die voor de deur stilhielden en waarmee de eigenaar met groot
zelfbehagen pronkte: "Leelijke koppen!" Van het kindje in beugels,
dat al van half elf gewandeld had en er schrikkelijk verhit uitzag:
"Als ik er zóó eentje had, deed ik het een steen om den hals". Alles
luid genoeg om verstaan te worden door de respectieve eigenaars van
het mormel, de leelijke koppen, en den jongen heer. Er zat een statig
man, wiens geluk half weg was, omdat hij in den morgen bloemen gezien
hebbende in het "Cieraad van Flora", bij het inkruipen van een enge
broeikas, eenigszins aan een spijker was blijven haken. Hij had daar
toen niet veel acht op gegeven, maar nu rustig in Den Hout een sigaar
zittende te rooken ontdekt hij te midden zijner overpeinzingen een
kleinen winkelhaak in zijn pantalon, vlak bij de knie. Hij had het
zoo haast niet gezien of hij wierp er met veel handigheid zijn zijden
zakdoek over, maar te laat om de aanmerking van _Nurks_ te ontgaan,
die juist op dit zelfde oogenblik tot ons zei: "Ik mag wel zoo'n
maneschijntje". De bloemliefhebber kreeg een kleur als een Cactus
Speciosa, om welke te verbergen hij in verwarring naar zijn zakdoek
greep om zijn neus te snuiten, zoodat de maan weer plotseling door de
wolken brak, tot groote vroolijkheid van een gezelschap Amsterdamsche
juffrouwen en heeren uit een manufactuur-winkel, dien zich op dien
merkwaardigen dag op zijn minst voor staatjufferen en kamerheeren
van Z.M. den koning wilden gehouden hebben.
"Is dat een rok van je vader?" vroeg _Nurks_ grappig aan den jongen,
die hem zijn limonade bracht, en zich zeker niet zeer bekrompen in
dat kleedingstuk bewoog.
"Ik heb geen vader," zei de arme jongen, en het ging mij door de ziel.
De beau-monde verscheen met al zijn gedistingueerde geuren en kleuren;
met al de pracht van vederen, sjaals, parasols, mantilles, amazones,
koetsiers, rijtuigen en rijpaarden. Ik had het ongeluk gehad _Nurks_
te voorspellen, dat hij een brillante nieuwe equipage zou zien. Hij
kreeg die zoodra niet in het oog, of hij vroeg mij ongeduldig:
"Wanneer komt nu die mooie equipage, waar je van gesproken hebt?"
En zoo was het telkens, tot groote ergernis van _Boerhave_, die evenwel
nog al aardig vrijliep, maar wiens horlogesnoer ijselijk door _Nurks_
gefixeerd werd, zoodat hij alle oogenblikken dacht dat er iets op
komen zou, en eindelijk dan ook zijn rok maar toeknoopte. Ik herinner
mij nog slechts twee onaangenaamheden, die _Nurks_ mijn goeden medicus
deed doorstaan, doch die even als de aangehaalde zich ook alleen bij
het physionomisch hatelijke bepaalden. De eene was deze. Wij spraken
over de ongelukken, die men met zwemmen kan krijgen. Op een warmen
zomerschen dag is 't een wellust om over water te handelen. _Boerhave_
verhaalde een treffend geval van schitterende zelfopoffering in een
zwemmer, buitengewoon genoeg om al de eerepenningen der Maatschappij
tot Nut enz. te verdienen, indien deze 't niet tot regel gesteld had,
alleen dezulken te beloonen die _niet_ zwemmen kunnen, maar althans
buitengewoon genoeg om een steenkoud hart te doen ontgloeien. _Nurks_
evenwel hoorde het met de volmaaktste onverschilligheid aan en nam
zelfs onder 't verhaal allerlei bijzaken waar. Nu eens, bijvoorbeeld,
scheen hij zich met de borst toe te leggen op het vormen van kunstige
kringen van tabaksrook; dan weder blies hij, volmaakt in de houding
van iemand die volstrekt niets anders te doen heeft, de sigaarasch van
zijn knie, en zelfs van de tafel; dan weder scheen hij al zijn aandacht
en belangstelling te wijden aan zijn nog altijd ziekelijken halsboord,
die nog telkens nieuwe aanvallen van flauwte had; welke veelzijdigheid
van oefening mijn opgewonden vriend, die van geestverrukking gloeide,
op den duur weinig streelde. Hij trof het even ongelukkig met het
verhalen eener splinternieuwe anecdote van drie Leidenaars, waar
ik met mijn heele familie den vorigen avond tot schreiens toe om
gelachen had, met groot gevaar van in ons warm brood te stikken, maar
die totaal schipbreuk leed op de stalen onbuigzaamheid van mijn heer
en neef, die ditmaal in een ander uiterste viel, en zeer geduldig en
ingespannen zat te luisteren, ja zelfs zoo geduldig en ingespannen,
dat het hem scheen te treffen dat het verhaal waarlijk uit was,
en hij nog altijd op het slot en de aardigheid zat te wachten,
die, indien men zijn gezicht had willen gelooven, nog immer komen
moesten. Mij is niettemin van goederhand verzekerd, dat opgemelde neef
èn de edelmoedige menschenredding èn het geval der drie Leidenaars,
nog dien zelfden avond, met zichtbare blijken van zelfbehagen heeft
medegedeeld op de diligence; gelijk hij ze ook beiden des anderen
daags wist te pas te brengen op Doctrina, aan zijn tafel, en in de
Munt, en in den loop van de week te pas te _jagen_ op twee concerten
en in vijf koffiehuizen (zoodat ik met grond onderstel dat hij er nu
de harten der liplappen en der blauwen in de West mee verkwikt); en al
wie de eerste niet "verbazend" en de laatste niet "om te schreeuwen"
vond, wist hij oogenblikkelijk iets stekeligs te zeggen op het gevoelig
punt van bakkebaarden en stropdassen.
Er kwam muziek. Drie dames met lange reticules en opmerkelijk door
roode linten op de muts, oranje tissu's om den hals en voorschooten
met diepe zakken met schuifjes. Eene breede sproeterige Saffo met een
hooge sproeterige harp in het midden, en twee tanige vrouwen, die met
handen vol diamanten, die een sterken familietrek van glas hadden, op
de viool speelden. "Drie poetjes van gratietjes", zei _Nurks_ lachende,
en luid genoeg om een langen procureursklerk mee te doen lachen,
die veel verder van hem af was dan de gratietjes in quaestie. Het
snarenspel begon, _Nurks_ stopte van tijd tot tijd den vinger in de
ooren, dat toch niet opwekkelijk wezen kon voor drie kunstenaressen,
die ook wel wisten dat het zoo heel mooi niet was, en ook niets verder
bejaagden dan een dubbeltje of een stuiver van elk der toehoorders,
en een weinigje geduld. De violen hielden met een fiksche kras op,
en de harpspeelster hief, met een eenigszins schorre stem, en juist
voor de drieëntwintigste maal op dien gedenkwaardigen morgen, het
toen even zoo min als nu nieuwe, maar altijd slepende
Fleu--ve du--Ta--ge!
aan.
"Ba; wat is ze leelijk als ze zingt," klonk het, dwars door de
aandoenlijke woorden der romance heen, uit den heuschen mond van
_Robertus_, wien het zeker nooit in 't hoofd was gekomen dat ook een
arme vrouw ijdelheid zou kunnen hebben.
Het lied liep verder zonder stoornis af; zoodat de reticule geopend
kon worden, om het bekende roodverlakte flesschebakje met blinkenden
rand te voorschijn te brengen. Ik had er een gulden op willen leggen,
indien de zangeres _Nurks_ niets gevraagd had. Maar er was geen houden
aan; dus gaf ik maar een dubbeltje. Zij kwam tot _Nurks_.
"Hoeveel octaven kan _jij_ wel zingen?" vroeg hij werkelijk
grijnslachende, maar tegelijk een vijfje op 't blaadje leggende;
want zoo was hij.
Men moet in den handel ook het vuile geld aannemen.
"Merci, monsieur", zei de harpspeelster, met neergeslagen oogen en
was reeds bij den man met den gescheurden pantalon.
De lange procureursklerk was middelerwijl van plaats veranderd,
en zat nu toevallig aan een tafeltje, 't welk de virtuoze alreede
was voorbijgegaan.
De violen hadden ondertusschen lustig doorgespeeld; ik weet niet of
men er te milder of te kariger om gegeven had. Nu werd er nog een
zeer korte, zeer vlugge trio uitgevoerd, waarop al de dames al de
oogen nedersloegen, al de lippen bewogen, negen, en vertrokken. Thans
zag een eenloopend klarinettist, zonder hoed, de baan schoon om ook
zijne talenten te doen hooren.
"Altijd hier in het land een opeenvolging van slechte muziek," merkte
_Nurks_ aan.
"Och, ik vind het nog al vroolijk," zei ik bemiddelend.
"Ja maar", zei hij, mij strak in de oogen ziende, en een lange teug
limonade nemende--"ja maar--ik geloof, om je de waarheid te zeggen,
niet dat je heel muzikaal bent."
Nu, voor deze laatste onhebbelijkheid behoeft men geen _Robertus
Nurks_ te wezen. Daartoe acht zich, volgens mijne ondervinding, ieder
liefhebber gerechtigd, die in zijn huis een eerste en eenige, en in het
een of ander orkest een tweede viool speelt, en een derde spelen zou,
indien er een derde viool bestond; ja, ik heb er onder de paukenslagers
gekend, die in dit opzicht de crimineelste waren. Och, al is men maar
iemand, die op een concert de hand met zekere majesteit onder de kin
kan leggen en de oogen toeknijpen met diep gevoel, om ze niet dan bij
een point d'orgue schielijk en geheel verward, en als kwam men uit
eene andere wereld (uit de wereld der inbeelding bij voorbeeld) open
te doen;--of al slaat men er zelfs maar met zekere wijsheid de maat
met het opgevouwen affiche of met den geglaceerden wijsvinger;--of
al heeft men maar even den slag om, bij het wederkeeren van het
thema in een groot muziekstuk, een lachje, liefst een zenuwachtig
lachje, voort te brengen, dat met telegraphische duidelijkheid zegt:
"we zijn weer thuis"!--of al heeft men maar alleen de vereischte
bekwaamheid om van een zangeres, die algemeen bevallen heeft, met
een diep noodlottig neergelaten wenkbrauw en allerbedenkelijkst
hoofdschudden te decreteeren, "weinig methode";--of den tact om
classieke van romantieke muziek te onderscheiden en te zeggen:
"ik hoorde toch liever _Lafont_ of _Beriot_ dan de _Eichhorns_ of
_Ernst_";--ik zou zeggen, al heeft men slechts eenmaal een blad muziek
gecopiëerd; met een van alle deze muzikale verdiensten toegerust,
heeft men eens vooral de bevoegdheid op de rest van 't heelal met
verachting neer te zien en alle verdere creaturen, zoodra ze zich
iets omtrent de goddelijke toonkunst verstouten, in haar aangezicht
te verklaren dat ze niet muzikaal zijn. Die onbeschaamdheid hebben de
speelmannen, hoorenblazers, doedelaars, tokkelaars, en trommelslagers
op de kunstenaars van andere vakken vooruit. Geen schilder, wanneer
gij in zijn atelier komt en gij zegt iets van zijne of eens anders
schilderij, hetzij juist of minder juist, zou de onbeleefdheid hebben
van te zeggen: "Ik geloof niet dat mijnheer veel oog op de kunst
heeft". Geen auteur, voor wien een fatsoenlijk mensch zijn gedachten
uitbrengt over een roman, een gedicht, of een vertoog, zal hem durven
vragen: "of hij eigenlijk wel smaak en gezond oordeel heeft". Maar de
muzikanten! Zij hebben met betrekking tot hun kunstvak zich dezelfde
onheuschheid aangewend, die mijnen neve _Nurks_ was aangeboren, en
ik heb jongelieden ontmoet, uit de beschaafdste kringen, "every inch
gentlemen", die op dit punt volstrekt onoverdragelijk waren.
Ik geloof dat ik maar niet meer op mijn neef moet terugkomen. Als
ik het indenk, weet ik nauwelijks van waar mij de vermetelheid is
aangewaaid om hem u voortestellen. Ik vertel u nu maar niet, hoe
wij in het "Wapen van Amsterdam" aan de table d'hôte dineerden. Hoe
hij halfluid fluisterde over de economie van een paar eenvoudigen,
die tegen 't reglement van den kastelein aan, een halve flesch voor
hun beiden bestelden, en daarna dreigden zich een indigestie te eten
aan den bouilli, die na de soep werd rondgediend, in de stellige
overtuiging dat er geen ander vleesch komen zou; hoe zijne blikken
later den arm verlamden van een deftig heer met gepoeierd hoofd, die
een taaie kip met een bot mes, natuurlijk niet heel handig, voorsneed;
hoe hij een juffertje, dat nog niet veel van de wereld gezien had en
vlak tegenover hem gezeten was, tusschenbeide zoo ironisch aanzag,
dat zij eerst in 't denkbeeld geraakte dat zij onbehoorlijk veel at,
en derhalve begon voor alles te bedanken, en vervolgens tot de stellige
overtuiging kwam dat zij gemorst moest hebben, en al haar best deed om
een lonk in den spiegel te krijgen om te weten te komen waar 't zat;
hoe ik, toen wij na den eten de Hertebaan nog eens omwandelden, in
duizend angsten leefde dat hij een streek met de parapluie zou krijgen
van een of ander der met blauwe jassen geadoniseerde ambachtslieden,
die met beminnelijke, beminnende en beminde dienstmeiden aan den arm
(uitgedost met zwartzijden hoeden en bruine gepalmde omslagdoeken)
met groote stappen voortschreden, op welker heeren toilet hij niet
nalaten kon de namen van "twijfelaar, heel stuk laken, kuitendekker",
of "sleepjurk" toe te passen.
Na al dergelijke jammeren kregen wij den goeden, besten,
liefdekweekenden en vriendhoudenden _Robertus Nurks_ aan "de Bel"
in de diligence. Nog even stak hij het hoofd uit het portier om
ons toe te roepen: "niet veel zaaks!" 't welk het reisgezelschap,
op goede gronden, op zich kon toepassen. Daar reed hij heen. Wij
wandelden tezamen nog even de poort uit; want ik noem het hek met alle
Haarlemmers, die de poort gekend hebben, nog altijd met dien naam. En
toen wij, over het Hazepatersveld heenblikkende, de zon zagen, die
bloedrood onderging en hare schoone tint mededeelde aan de witte
schuimige wolkjes, die als dunne sluiertjes door de lucht dreven,
durfde ik _Boerhave_ een mooien Maandag voorspellen, en vergat hij
in 't vooruitzicht van bloeiende Aristolochia Clematitis en levende
wijngaardslakken, spoedig geheel en al den beminnelijken bloedverwant,
waarmee ik hem had in kennis gebracht.
1839.
HUMORISTEN.
Het legher treckt vast in met duizenden, een macht
Zoo groot als Waterlant noch oit te velde bracht,
En Kennemer, en Vries en Zeeu en Holland t' zaemen.
_Gysbrecht van Aemstel_.
(_Uit een brief van Melchior_.)
Beste _Hildebrand_!
Ik verneem met een zeker genoegen, dat er van tijd tot tijd iets van
u gedrukt wordt; met een zeker genoegen, zeg ik; want wij hebben nog
samen school gegaan. Ik heb toen altijd wel gedacht dat er wat in u
zat, maar ik wist niet of er ooit wat uit u komen zou. Mijn vader zegt
evenwel dat hij dat altijd voorspeld heeft, ofschoon ik er mij niets
van herinner, maar wel weet ik dat ik driemaal een hekel aan u gehad
heb, omdat mijn vader u tot een voorbeeld van goed oppassen nam, en ik
wist toch dat ge ook wel eens kattekwaad deedt, _Hildje_! Denk maar
eens aan de klapdeur van het Bonte Kalfje, die alle morgens om half
tien en iederen namiddag om drie uren werd opengetrokken dat de bel
rammelde, een kwartier lang, als het Fransche gebed al lang op school
was voorgelezen.--Maar dat daargelaten, vriend; ik hoor dat gij weer
iets op de pers hebt, en gij zult mij, op grond van heel goede kennis,
wel vergunnen willen, u eenige raadgevingen mede te deelen. Ik ken
menschen, die dat veel liever doen bij wijze van recensiën; daar zijn
er, die de kopij onberispelijk en het gedrukte boek allerdolst vinden;
maar ik hou van die methode niet, en kom liever met mijn raad voorop.
Eerst echter wilde ik u vragen, ronduit vragen, of gij een humorist
zijt? Ik denk het half, omdat het tegenwoordig zoo ijselijk aan de orde
is. Kijk _Hildebrand_, als gij een humorist waart, dat zou me leelijk
spijten; ik zou haast zeggen, schoon mijn hart er bij breekt:--als
gij een humorist zijt, _Hildebrand_, leg drie stuivers uit, koop een
touw, en... Maar gij zijt immers geen humorist, mijn waarde! o Zeg,
dat gij het niet zijt.
Daar is tegenwoordig zulk eene ontzettende consumtie van humor, mijn
vriend, dat dit artikel verschrikkelijk duur moet geworden zijn en
dan ook bij gevolg akelig wordt vervalscht. Ik ben overtuigd dat er
in iedere kerk, de dominé meegerekend, meer dan honderd humoristen
bijeenzijn. Men komt in geen koffiehuis, men rijdt in geen diligence,
ja wat meer is, men zit in geen "bijwagen" zonder een humorist. Het
heele land is er van vergiftigd: humoristen op rijm; humoristen in
proza; geleerde humoristen; huiselijke humoristen; hooge humoristen;
lage humoristen; hybridische humoristen; bloempjes-humoristen;
tekst-humoristen; sprookjes-humoristen; vrouwenhatende en
vrouwenfleemende humoristen; sentimenteele humoristen; ongelikte
humoristen; gedachten denkende humoristen; boek-, recensie-,
mengelwerk-, brief-, voorrede-, titelblad-humoristen; humoristen,
die op de groote lui schelden en verklaren dat die geen greintje
gevoel hebben, omdat ze een knecht hebben met galons aan den rok,
en een spelende pendule; humoristen, die het met de bedelaars
houden in de boeken, en ze naar Frederiksoord helpen sturen in de
Maatschappij van Weldadigheid; reizende humoristen; huiszittende
humoristen; tuin- en prieeltje-humoristen, wier vrouwen aan iets
anders bezig zijn, terwijl _zij_ humoriseeren; en dan eindelijk de
heele simpele plattelands-humoristen, schoon ze allegaar wel een
deel van simpelheid weg hebben, in deze manier: "je zoudt wel denken
dat ik heelemaal onnoozel was, maar 't is allemaal lievigheid"! Ik
spreek niet van de heele grappige, de zeer onfeilbare, en de zeer
onduidelijke humoristen... Och lieve _Hildebrand_, honderd soorten
zijn er daar ik niet van spreek, want ze komen uit den grond op, en
ik weet evenmin als in de kennis der kruiden of men veiliger doet ze
te rangschikken naar _partes essentiales_ of naar _habitus_, naar een
_systema naturale_ of naar een _systema artificiale_; wat eigenlijk,
waar het den stijl geldt, tegenwoordig het vraagstuk naar de mode is,
waarover gij in 't Latijn en in 't Hollandsen, in 't beleefd en in
't scherp, heel veel stichtelijks en afdoends lezen kunt.
Ik kan mij ondertusschen niet verklaren hoe 't bij zoo veel humor
mogelijk is, dat er nog geen betere definitie van het ding in de
wereld komt. Lieve hemel! wij drijven in humor, en niemand heeft
adem om te zeggen wat het eigenlijk voor een vocht is. Ik zou dan
haast gelooven moeten dat wij er in _verdrinken_. In dat geval,
kan men er niet gauw genoeg bij zijn, een drenkelinggenootschap
voor de humoristen op te richten, of een afschaffings-, ten minste
een matigheids-maatschappij onder de zinspreuk: "Laat staan uw
humor". _Jean Paul_ pakt het verhevene bij de beenen, keert het
met Rapponische krachten om en zegt: "Ziedaar het humoristische:
't is niet anders dan het verhevene met de voeten in de lucht"
[7]. Ik heb allen eerbied voor die kunstbewerking, maar _Jean
Paul_ was somtijds een zeer onduidelijk humorist. _Bilderdijk_
zegt ergens, en zoo niet in zijne boeken, dan heb ik het uit zijn
mond, dat het precies het Hooftiaansche _neskheit_ is; maar _Hooft_
en _neskheit_ zijn, wat de "Tesselschade" er ook tegen doen moge,
zulke oude humoristen, dat ik vrees dat die aanhaling de zaak voor 't
algemeen niet veel opheldert. En _après tout_: wat heeft het algemeen
er mee te maken? De humoristen zijn er, zijn er in grooten getale,
en vermenigvuldigen met den dag. Eerstdaags zien wij eene koninklijke
humoristen-stoeterij. Wat weet ik waar 't op uit zal komen? Eerstdaags
eene humoristische revolutie, eene op end' op humoristische orde van
zaken, met eene hartroerende oude vrijster op den troon, met een
kring van sentimenteele daglooners tot ministerie. Daar zullen in
de vergaderzaal de eenvoudige, de onschuldige kindertjes zitten; het
leger zal bestaan uit duivenhartige bloodaards onder den hoogdravenden
naam van medelijdende zielen; het rechterambt zal bekleed worden
door menschen die tegen àlle straf zijn, niemand dan een grijsaard
zal er schrijver, dichter of geleerde zijn mogen of tot de hoop des
vaderlands worden gerekend, uitgenomen de humoristen zelve; ieder
hunner zal een goelijken oom en een onnoozelen neef hebben, maar,
met uitzondering van deze lieve kinderen, zullen de jongelingen als
eene schadelijke uitvinding buiten 's lands gezonden worden. Geen adel
meer, geen rijkdom, geen livereibedienden, geen _paté de foie gras_,
geen kooien meer voor vogels, en geen modes meer voor dames; maar een
aanmerkelijke invoer van huisjassen, sloffen, pijpjes, tuinstokken,
kinderboekjes, Moeder-de-Ganzen.... Wat ik u bidden mag, _Hildebrand_,
ga niet onder de humoristen!
Ten tweede, enz. enz.
DE FAMILIE STASTOK.
De Aankomst.
In het kleine stadje D---- werd op een donderdag in de maand October,
des namiddags omtrent één ure, de stijle ijzeren trede neergelaten van
een gele diligence, rijdende over D---- van C---- tot E---- vice versa,
en uit dezelve daalde, tot groote bemoddering van dengenen die hem
onmiddellijk volgde, en die niemand anders was dan zijn eigen cloak, uw
onderdanige dienaar _Hildebrand_. Hij had gereisd met een bleeke dame,
die het rooken had verboden, en gedurig de kronkelbochten van haar boa
had zitten te verschikken, dan eens had gezucht, dan eens ingesluimerd
was, dan eens eau de cologne genomen, dan weer eens geslapen had,
en altijddoor leelijk was geweest. Op dezelfde bank met deze had een
jong juffertje gezeten, in een blauwen geruiten mantel niet gedoken,
het denkbeeld is te ruim, maar gestoken; een mantel, die, naar een
langvergeten mode vatbaar was om van achteren te worden ingehaald
door een klein lapje van dezelfde stof, in den vorm van een souspied,
op twee paarlemoeren knoopjes uitgespannen; dezelve juffer had een
stroohoed op met blauw gaas lint met bruine strepen, in groote lissen
met stevig soutien opgemaakt, en een hardgeel sjaaltje om den hals. Zij
was zeer bang voor de bleeke dame naast haar, en bleef op een schuwen
afstand; soms had zij den goeden wil haar in 't verschikken van haar
boa te hulp te komen, en eenmaal had zij er werkelijk een dikachtig
roodvingerig handje, met een ring, die bijzonder veel op tin geleek,
voor ontbloot; maar de bleeke dame had haar aangeblikt, en toen had zij
haar neus gesnoten, volgens een in den omgang zeer deugdelijk stelsel,
naar 't welk de neus alle mispassen, voorbarigheden en malle figuren
misgelden moet. Dit was het personeel van de achterste bank geweest. Op
de volgende had een jodin gezeten, als een oostersche edelsteen gevat
tusschen twee christenen; zij verborg onder een groen nopjesgoed
manteltje een klein kind, dat al haar trots uitmaakte omdat het niet
schreeuwde, zelfs niet toen zij het omstreeks halfweg een schoone
luier aandeed. Het kind nu was zeer klein, en had een zeer groote dot
in den mond. Van de christenen, waartusschen zij gevat was, had de
een een grooten rondglazigen zilveren bril, een zilveren sigaarkoker,
een zilver potlood, een zilver horloge, benevens zilveren broek- en
schoengespen, waaruit ik opmaakte dat hij een zilversmid was; en de
andere een koperen doekspeld, een koperen tabaksdoos, en een koperen
guirlande op zijn buik, waaruit ik besloot dat hij niet minder dan
een banketbakkers meesterknecht zijn moest. De eerste haalde, daar er
niet gerookt mocht worden, den zilveren sigaarkoker een paar malen uit
den zak, alleen om 't vermaak te hebben van hem open te doen, er een
zilveren sigarepijpje uit te halen, en er nog iets in te zoeken dat
er niet in was, maar dat, zoo 't er in was geweest, zeker beter te
pas had kunnen komen dan het pijpje, en hem vervolgens weer dicht te
sluiten, na alvorens meergemeld pijpje, eerst met het voor- en daarna
met het achtereinde naar beneden, er in gepast te hebben; de laatste
stak uit de koperen tabaksdoos eene niet onaardige tijdpasseering in
den mond. De zilveren man had eene groote neiging tot spreken, de
koperen scheen vast besloten te hebben, geen mond open te doen. De
jodin had natuurlijk veel meer achting voor den zilveren; maar de
zilveren was terughoudend voor de jodin. Vóór den zilveren zat een
knorrig, groot dik man, dien ikzelf niet toe dorst spreken, want hij
had twee jassen over elkaar aan, een dikken rotting in de hand, een
kleur als of hij zoo pas van een vechtpartij kwam, en een uitdrukking
alsof hij zich gereed maakte met den eersten die hem toesprak een
vechtpartij te beginnen; het was ongetwijfeld een commissaris van
politie, of een plaatsmajoor in politiek. Aan zijne zijde sluimerde
een jong mensch met gescheiden haar, zoo glad gekamd alsof het uit
eén stuk was, hooge jukbeenderen, een blauwe das, een turkooizen
doekspeld, een roodgebloemd vest, heele korte toegeknoopte mouwen aan
een langlijvig bruin jasje, handschoenen met bont, en overschoenen.
't Was een Duitsch kantoorreiziger. Daar naast--maar wat heb ik er
aan, mijn talent te toonen in 't beschrijven van een reisgezelschap,
dat volstrekt niet pikant was, en dat ik aan het begin van dit opstel
reeds vaarwel had gezegd? Om korter te gaan: ik stapte van de trede,
viel eerst bijna in de armen van een geknevelden heer, met een stijf
been en gelen rotting, die de bleeke dame afwachtte en, bang zijnde
dat iemand anders haar de hand toesteken zou dan ZEd., de zijne
alvast uitstak, dook onder de reeds tegen het dak van het voertuig,
waarmee ik gekomen was, opgezette ladder dóór, riep den knecht toe:
"die zwarte koffer met een H!" gaf den conducteur, die met de maal
naar binnen ging, mijn vijfje, en keek naar iemand om, die mijn goed
zou kunnen dragen zonder in de verzoeking te komen het aan zijn eigen
adres te bezorgen.
"Is uwé meheer _Willebram_, als ik vragen mag?" vroeg een zwak,
pieperig stemmetje, blijkbaar toebehoorende aan iemand, die nog
nooit een onbekende van de diligence gehaald had. De vraag was tot
den commissaris van politie gericht.
"Benje d......mal, kerel", zei de commissaris van politie.
"Moet hij uit dezen wagen komen?" vroeg op hupschen toon de man van
het maagdelijk metaal.
"Dat zal _ik_ wezen", zei ik, eene nadere beschouwing daarlatende
van de zorg, waarmee het (naar alle gedachten gezelschap-)juffertje
voor haar hoedendoos was aangedaan en die zich uitte in de gedurige
verzuchting: "Is dat met me goed leven, kondelteur!"
Het mannetje, dat vóór mij stond, had zijn opvoeding waarschijnlijk
in een weeshuis begonnen en was nu bezig haar in een diaconiehuis te
voltooien. Hij was hoog in de schouders en stijf van knieën, droeg
een langen bruinen duffelschen jas, met het teeken zijner orde op de
mouw, en had onder den arm een versleten portefeuilletje, waarin de
boeken van een of ander leesgezelschap werden rondgebracht.
"Ik moest een boodschap voor meheer doen", zei het mannetje, dat ik
voor ongeveer achtenzestig aanzag, "en nu zei meheer, dat ik meteen
reis na' de dullezan zou gaan, om te kijken of meheer gekommen was. Uwé
mot niet kwalijk nemen, dat ik uwé niet trekt kon".
Nu, daar men de alleronmenschelijkste beul zou moeten wezen, om
't iemand kwalijk te nemen dat hij u niet kent, indien hij u nooit
zijn dagen gezien heeft, schonk ik den goeden diaconieburger op
dit punt eene volkomene vergiffenis, liet mijn koffertje, totdat
het afgehaald worden zou, in de "Rustende Moor", en sukkelde met
mijn nieuwen kennis naar het huis mijns ooms; onder het faveur van
onderweg vriendelijk door hem onderricht te worden aangaande het doel
van een groot gebouw met gotische deuren en vensters, waarop een toren
stond met ordentelijke omgangen, appel en weerhaan, 't welk hij zeide
"de kerk" te wezen; als ook omtrent een breede streep groenkleurig
vocht tusschen twee hooge gemetselde wallen, 't welk hij verklaarde
"de gracht" te zijn.
"En dit is het huis", zeide hij, zijne oude beenen op een stoep
zettende en een goeden ruk aan een lange schel gevende, met die
uitdrukking van gelaat, die bij een oud man te kennen geeft: ik kan
het toch niet hooren of ze zacht of hard overgaat.
De Ontvangst.
Het duurde een minuut of wat alvorens een eigenaardig sloffen in het
voorhuis de aankomst eener bejaarde keukenmeid verried, die eerst
natuurlijk den aardappel waaraan zij bezig was, had moeten afschillen,
daarna den bak van haar schoot en haar beide voeten van haar stoof
zetten, om vervolgens haar roode muilen aan te trekken, haar neus met
het buitenste van haar hand af te vegen, haar eva in de schuinte op te
slaan, en den langen weg te aanvaarden, die van de keukendeur tot bij
den barometer twintig, en van den barometer tot de mat, zes stappen
vergde. In dien tusschentijd bekeek ik den voorgevel van de woning.
Het huis was, als mijn oom, burgerlijk, en schoon het huis ouder was,
was hij toch, zoowel als zijn huis, van een vroeger eeuw. Het had
een trapgevel, en de bovenste verdieping was met kruiskozijnen in
het lood. Het had slechts ééne zijkamer, met twee schuiframen met
middelsoort ruiten, versierd door groene gazen gordijntjes op breede
koperen roeden, in het midden een weinigje opengeschoven om het licht
vriendelijk uit te noodigen wel te willen beschijnen twee bloempotten
van mijn tante, onder streng verbod van iets anders in het vertrek òf
op te luisteren òf te verbleeken. Ik was nieuwsgierig of ik ooit in
die kamer zou toegelaten worden. In allen gevalle werd ik alvast in
't voorhuis gelaten, en kwam ik spoedig in een achterkamer met een
hoog licht, in de onmiddellijke tegenwoordigheid van mijn oom en tante.
De ontvangst was recht hartelijk, en de goede menschen die mij nog
nooit in mijn leven gezien hadden, schenen zeer verheugd dat genoegen
te smaken, ofschoon gemeld genoegen bij den eersten eenigszins
scheen verbitterd te worden door de omstandigheid, dat ik juist op
een donderdag gekomen was, als wanneer de voorkamer "gedaan werd",
zoodat men nu achter zat; waarop mijne moei aanmerkte, dat neef het
wel zoo voor lief zou nemen en dat hij zeker in zijn ouders huis ook
wel eens in een achterkamer gezeten had; waarop neef zei, dat deze een
heele lieve achterkamer was, en dat hij wel van een achterkamer hield;
waarop oom zei, dat hij er, al zei hij 't zelf, _niet_ van hield, en
tante het met neef eens was dat zij er _wel_ van hield, waarop oom
wat bijkwam met te zeggen, dat hij er 's avonds _nogal_ van hield;
waarop tante en neef zeiden, dat zij er ook 's avonds het _meest_
van hielden; zoodat er met eenparigheid van stemmen besloten werd,
dat een achterkamer met een hoog licht des avonds op haar voordeeligst
is. Ik ben verplicht hier bij te voegen dat de geheele redewisseling
op de goelijkste en vriendelijkste wijze gevoerd werd terwijl oom
zijn ingebrande pijp met een zwavelstok weer op de wijs bracht,
en tante de kopjes van 't koffiegoed met een minzaam lachjen en een
bonten theedoek zat af te drogen. Zij schikte juist de stapeltjes in
orde op het blad, toen zij vroeg: "Wel heeremijntijd, _Hildebrand_,
hadje nou niet nog koffie willen hebben?"
Nu was er op dit oogenblik inderdaad niets waar ik vuriger naar
verlangde dan naar een kop koffie; maar daar ik mijn tante verdacht
dat zij het middel om koffie te vermeerderen zou zoeken in de kunst
om ze te verdunnen, bedankte ik edelmoediglijk, en zei dat ik straks
met oom een bittertje zou nemen, waarop oom verklaarde dat hij dat
altijd gebruikte als de wagen van tweeën voorbijkwam.
Met dit vooruitzicht schikte ik mijn stoel wat dichter bij den haard,
waarbij mijn oom altijd zat als hij achter zat, ofschoon er nooit in
gestookt werd vóór den eersten November en er dus ook nu geen vuur
aanlag, en begon met naar mijn neef _Pieter_ te vragen.
Mijn neef _Pieter_ studeerde te Utrecht in de rechten; maar hoewel
ik bij onderscheidene gelegenheden aan onderscheidene studenten van
onderscheidene faculteiten gevraagd had of zij mijn neef _Pieter
Stastok_ ook kenden, had ik daarop te geenen tijde een voldoend
antwoord ontvangen, zoodat ik, in de onzekerheid der oorzaken, waaraan
deze onbekendheid wellicht moest worden toegeschreven, eindelijk
begonnen was met niet meer naar _mijn neef_ _Pieter Stastok_, maar
naar een zekeren student _Stastok_ navraag te doen.
"Gij moest hem al gezien hebben, neef _Hildebrand_", zei de oudere
_Stastok_, "want hij is uitgegaan om u op te wachten."
"Om u op te wachten," herhaalde mijn tante, haar breiwerk in haar
schoot latende vallen en over haar bril heenziende: "hij moet u
zeker misgeloopen zijn; maar hij zal wel spoedig hier wezen. Hij is
tegenwoordig zoo druk aan zijn examen! Ik ben eigenlijk bang dat hij
te veel werkt; hij is zoo vlug, weet u!"
En nog nauwelijks had ik den tijd mijn vurig verlangen te uiten
om die zeldzame vereeniging van vlugheid en arbeidzaamheid, den
jongeren _Stastok_, te aanschouwen of de schel ging over, de muilen
van de keukenmeid sloften, en de stap van den Utrechtschen student
werd gehoord.
Had ik tot nog toe niet de minste notie van mijn heer en neef gehad,
zooras hij de kamer binnenkwam kende ik hem door en door. Zijn geheele
voorkomen sprak collegehouden uit; zijn geheele lichaam dicteerde
dictaten. De bleeke kleur, het gebogen hoofd, de stalen bril, de
theedoekige das, de sluitjas met dubbele borst, de horlogesleutel,
de niet nauwe en niet wijde pantalon, de verschoende laarzen, de
floretten handschoenen, de zwarte kapelaansrotting met twee nuffige
kwastjes--alles deed den student zien, die van het academieleven
niets kent dan de collegekamers en de thé's der professoren; van
de studenten, geen andere dan zijn stadgenoot en en de senatoren,
die hem ontgroend hebben; van de burgers, niemand dan zijn hospita;
den student, die een kleur krijgt als hij twee, en een straat omloopt
als hij een partijtje van zes studenten tegenkomt; den student, die
er over klaagt dat er zoo weinig studenten-broederschap is, en niet
weet dat er studenten-vreugd bestaat; den student, die een dispuut
zou willen oprichten, waarvan niemand lid zou willen wezen; die van
den kok dagelijks vijf borden eten krijgt: één, gesneden vleesch, één,
ingemaakte postelijn, één, dito andijvie, één, opgekookte aardappels,
en één, rijst met bessennat, omdat hij den moed niet heeft zich
aan een tafel te doen voorstellen; den student, die in de sociëteit
duizend angsten uitstaat dat iemand om de courant zal vragen, waar
hij zich achter verbergt, en wiens naam de andere studenten voor 't
eerst hooren, als zij toevallig op 't college zijn daar hij afgeroepen
wordt om te respondeeren.--Zulk een student was zonder twijfel mijn
onbekende neef _Pieter Stastok_.
"Hoe komt het, _Piet_! dat je neef _Hildebrand_ misgeloopen
bent?" vroeg tante verwonderd.
De student _Pieter Stastok_ keerde zich om, ten einde zijn rotting
in een hoek te zetten, en zei dat de diligence verwonderlijk vroeg
aangekomen was, eene omstandigheid, die zeer zeker verwonderlijk was,
aangezien wij op weg een oponthoud gehad hadden van een half uur,
door 't storten van een der paarden. "Hij was eerst nog effen bij
den boekverkooper geweest, die zijne Instituten inbinden moest,
en was toen regelrecht naar de diligence gegaan, maar had tot zijne
verbazing gehoord dat die al lang aan was, en dat ik met den knecht
was opgewandeld", enz. enz.
De zaak was dat hij een singeltje had omgeloopen, totdat hij zeker wist
dat ik reeds lang onder zijn vaders dak goed en wel zou gevestigd zijn,
uit vrees van den verkeerden persoon voor mij aan te spreken. Nu,
indien hij den commissaris van politie getroffen had--hij was voor
zes weken een bedorven man geweest!
"De neven moeten nu maar eens goed kennismaken", zei mijn tante,
die tot de minzaamste aller schommelige huismoeders behoorde;
"ze zijn toch allebei student".
"Ja maar", zei _Pieter_, nog lang niet gemeenzaam met het denkbeeld
van eene kennismaking, "in verschillende vakken".
Dat was waar, en zelfs op verschillende academiën. Maar ik ben nooit
zoo zeer Leidsch student geweest, dat ik niet altijd gaarne dronk op de
harmonie tusschen de zusteracademiën, een toost, die immer gedronken
wordt, waar Utrechtsche en Leidsche studenten bijeen zijn, maar die
men evenwel niet te druk moet herhalen om geen twist te krijgen. Wat
ons betreft, er kwam al spoedig gelegenheid voor een toost; want
na nog een woord of wat met _Pieter Stastok_, ter informatie wáár
hij te Utrecht woonde, waarop het antwoord was, ten huize van een
catechiseermeester in de Lijsbethstraat, en na een kort gesprek met
mijn oom over het nieuws dat er niet was, en een dito met mijn tante
over het goudleeren behangsel in de kamer, waarvoor zij ook wel had
hooren zeggen dat de muilenmakers te Waalwijk, vóór dat zij door den
brand geruïneerd waren, groote sommen zouden hebben willen geven,
kwam het diaconiemannetje (dat ik bij deze gelegenheid met den naam
van _Keesje_ hoorde versieren) binnen met de boodschap, dat de wagen
van tweeën net voorbijging; waarop tante, na alvorens haar bril te
hebben afgezet, opstond, een kastje opende en daaruit te voorschijn
bracht en fleschje met _Van der Veen's_ elixer, een fleschje met "Erger
dan de cholera", en drie glaasjes. Oom wenschte mij frisschen morgen.
De verdere afloop van dien dag was als gewoonlijk bij een eerste
kennismaking. Wij bevielen elkander onderling, en ik werd dikke vrinden
met _Pieter_. 's Middags stal ik het hart van mijn tante nog eens door
van schorseneren te houden, en bewoog mijn oom bijna tot tranen door
met opgewondenheid van een gestoofden kabeljauwshom te spreken. Om
_Pieter_ ook een genoegen te doen wist ik eenige kennis van zijn vak
te verraden, door de begripsbepaling van Justitia en van Ususfructus
te pas te brengen. Na den middag nam mijn oom een slaapje bij den
kouden haard, en ging mijn tante eens naar boven. Daarna dronken wij te
zamen recht gezellig thee, zagen de achterkamer op haar voordeeligst,
en wat dies meer zij.
Mijn oom was iemand, wiens grootvader en vader een zeer bloeiende,
en die zelf een vrij bloeiende lintweverij gehad had; om de strikte
waarheid te zeggen, moet ik bekennen dat hij ze nog had, maar er
werd volstrekt niet meer in gewerkt, en op de zolders lag nog een
aanzienlijke partij oortjesband, die hij "liever daar zag verrotten
dan haar onder de markt te verkoopen". Hij behoorde alzoo tot die
menschen, die hun zaken aan kant gedaan hebben en, het uitzicht op
verdere winsten opgevende, zich met een vrij aardig inkomen, een
onverzettelijken afkeer van stoommachines, en de Haarlemsche courant
tevredenstellen. In den loop van den avond kwam het uit dat hij een
bijzondere genegenheid had voor het stopwoord "al zeg ik het zelf",
alleen overtroffen door de verslingerdheid van zijne echtgenoot aan den
uitroep "wel heeremijntijd!" welke termen dit echtpaar buitengemeen
beminde; ofschoon ik zeggen moet dat zij zo somtijds afwisselden met
de bevallige tusschenvoegsels van, "wat hamer", "goede genadigheid",
"och grut" en andere dergelijke vloeken meer, die een balk in hun
wapenschild voeren. De student _Petrus Stastokius_ Jun. had daartegen
niets in te leggen dan zijn geliefkoosde verzekering "waaratje",
waarvan ik evenwel, om billijk te zijn, erkennen moet, dat hij in
't geheel geen misbruik maakte.
Hildebrand ziet de stad, en Pieter verstout zich pot te spelen.
Ik werd des anderen daags om zeven uren waker, en toen ik de groene
saaien gordijnen openschoof om te zien wat voor weer het was,--welke
was mijne ontzetting, te bemerken dat (wij sliepen op dezelfde kamer)
_Pieter_ zich reeds geperpendiculariseerd had en bezig was om, met
den bril op, een paar schoone kousen aan te trekken, waarin zijne
moeder den vorigen avond plichtmatig hieltjes gemaakt had.
De oudere _Stastok_ was een man van de klok en stond diensvolgens om
zes uren op, ten einde om halfacht aan het ontbijt te zijn; en daar hij
volstrekt niets te doen had, vulde hij dien tusschentijd met pijpjes
rooken aan. Opmerkelijk is het, dat naarmate men minder bezigheid
heeft, men des te bekrompener over den tijd denkt. Indien men den
goeden _Pieter Stastok_ Senior het moeilijke vraagstuk omtrent de
zetelplaats van den wil had voorgelegd, zou hij, indien hij daartoe
genoegzame tegenwoordigheid van geest had gehad, zijn wijsvinger op
twee duim afstand van zijn maag hebben moeten leggen, door die beweging
datgene zijner ingewanden aanwijzende, 't welk hij zijn "goud horloge"
noemde. En inderdaad, indien ik mij door een goud horloge moest laten
regeeren, ik zou van zulk een geregeerd willen worden; want een goed,
groot, dik en vet uurwerk was het, met twee kasten over elkaar; en daar
het iederen morgen, klokke negen, met de torenklok werd gelijkgezet,
liep het doorgaans volmaakt.
Ik vond mijn oom in de voorkamer (die zulk een heiligdom niet scheen
te wezen als ik mij wel voorgesteld had) juist daar hij van onder de
handen van zijn barbier kwam. Hij had zijn slaapmuts nog op het kale
hoofd, daar hij gewoon was die niet vóór elf uren voor zijn pruik
te verwisselen.
"Mooi weertje, neef _Hildebrand_", riep hij mij toe: "mooi weertje,
al zeg ik 't zelf."
Tante, die reeds zat te breien, zette, tengevolge eener zeer
oneigenaardige gewoonte, haar bril af, om te beter mijne robe de
chambre te bekijken, en na een "heeremijntijd! zijn _die_ dingen
weer in de mode?" (het was in 1836) begon zij een optelling van
al de japonnen met sjerpen, die haar vader en haar man in vroeger
eeuwen gedragen hadden en die, naar haar voorgeven, nog boven in een
kast hingen.
Oom vond dat het veel te gemakkelijk was voor een jong mensch, en in
de oogen van _Petrus_ geleek ik in dit ochtendgewaad zoo volmaakt op
de grootste Jannen der Utrechtsche academie, dat hij mij, geloof ik,
voor een overgegeven lichtmis begon te houden.
De bijbel werd opengeslagen, en mijn oom las er uit voor. Eerwaardige
gewoonte! Waarom is zij zoo bijna uitsluitend tot de burgerlijke
huishoudens bepaald, en raakt zij ook zelfs daar meer en meer in
onbruik? Mijn oom las niet welsprekend, niet mooi, zelfs niet goed op
sommige plaatsen--maar het was stichtelijk, want hij las den bijbel;
het was goed, want hij las met eenvoudigheid; het was schoon, want
het was hem aan te zien dat hij geloofde. Hij las Luc. X, en bijzonder
trof mij, in dezen kring en uit dien mond, het 21ste vers: "Ik danke u,
vader, Heer des hemels en der aarde, dat gij deze dingen voor de wijzen
en verstandigen verborgen hebt en hebt ze den kinderkens geopenbaard".
Na den ontbijt ging _Pieter_ "aan zijn examen werken", 't welk bestond
in zeer breedvoerige tabellen van de Instituten te fabriceeren, met
rooden, blauwen en zwarten inkt geschreven, en ik volgde hem naar
zijn kamer, waar ik mij tot koffietijd met een paar boeken bezighield.
En nu was het oogenblik daar, dat mijn neef mij aan de stad en de
stad aan mij vertoonen zou. Wij gingen dus samen uit, en daar hij een
rotting had, liet ik den mijnen thuis. Wij zagen dan: eerst de gracht,
daarna de korenbeurs, en vervolgens twee kerken, waarin praalgraven en
kosters die een fooi begeerden, als ook in een dier kerken een orgel,
dat op het Haarlemsche na, het mooiste der wereld was; eene eer,
die ik te Gouda, aan het Goudsche, te Leidon, aan het Leidsche, te
Alkmaar, aan het Alkmaarsche, te Zwol, aan het Zwolsche, en nu weder
te D. aan het Deesche hoorde toeëigenen; zoodat het de zaak van de
4de klasse des Koninklijken Nederlandschen Instituuts worden zal,
daaromtrent een prijsvraag uit te schrijven. Wij beklommen zelfs met
levensgevaar den toren van een dier kerken, en maakten er de opmerking
dat het er woei, en dat er rondom de stad veel weiland, veel water,
en veel molens waren. Daarop begaven wij ons naar het stadhuis, en
bevonden dat onze voorvaderen nòg beter schilderden en er nòg gezonder
uitzagen dan wij; ook had ik tegelijk gelegenheid het manlijk voorkomen
der Deesche dienders te bewonderen. In zijn ijver om mij alles te
laten zien, bracht _Pieter_ mij zelfs naar de vleeschhal, en over de
vischmarkt, en eindelijk aan een groote vierkante eendekom, die hij
"de haven" noemde. Al voortgaande informeerde hij zich zeer sterk,
hoeveel colleges de juristen te Leiden op één dag hadden en of het
bij prof. A. fideel was op de thé's; als ook welke colleges gemelde
hooggeleerde in 't Hollandsch gaf en hoeveel prof. B. dicteerde;
of iedereen bij prof. C. zoo maar een testimonium krijgen kon; of
prof. D. liefhebberij-colleges hield; en of ik _Smallenburg_ wel eens
gezien had; tegen welke berichten hij de zijnen omtrent de Uitertsche
Juris professores met eene eerlijkheid inwisselde, eene betere zaak
waardig. Hij verzuimde niet den billijken Utrechtschen trots op
prof. _Van Heusde_ en op de moeilijkheid van een mathesis-examen in
't Latijn te pas te brengen; en toen ik 't gesprek voor de afwisseling
op lichtvaardiger onderwerpen wendde, kwam het uit, dat hij, _Pieter
Stastok_, zonder evenwel hartstocht voor die spelen te koesteren, wel
eens domino speelde, ja zelfs wel eens biljartte, en daar wij juist
vóór een koffiehuis stonden, noodigde ik hem uit zich in laatstgenoemde
kunst met mij te meten.
_Pieter Stastok_ had noch den moed, noch den slag mij iets aan te
bieden; daarom bestelde ik een bittertje voor mij zelven, en hij
insgelijks voor zich. Op dat oogenblik sloeg de klok boven't buffet
twee uren, en zag ik aan den overkant der straat de diligence afrijden,
die mijn oom in staat zou stellen ons voorbeeld te volgen.
Er waren vrij wat menschen in het koffiehuis, maar daar wij met niemand
dan met het biljart te maken hadden en geen hunner speelde, hinderden
zij ons volstrekt niet. _Pieter_ sloeg de mouwen van zijn sluitjas
op, en vertoonde de groote gesteven boorden van wat zijn moeder,
hoe algemeen Europeesch die dracht ook geworden was, nog altijd een
Engelsch hemd noemde; daarop verzocht hij den jongen zeer beleefd om
eene "_goede_ keu". De jongen gaf hem natuurlijk de beste die in het
rek was, en wij trokken wie vóór zou spelen. Die eer viel mij te beurt,
en de partij begon.
Wij hadden evenwel nog nauwelijks eenige punten gemaakt, toen een
luidruchtig geroep van "pot, jongen!" al onze zaligheden verstoorde.
Het geroep kwam van een winderigen jongen advocaat, die pas voor de
studentensociëteit te Utrecht bedankt had, en nu nog voorhing op de
particuliere sociëteit te D. en van dit interregnum gebruik maakte,
om alledag in het koffiehuis "de Noordstar" pot te maken.
"Vierentwintig uit, menheeren!" riep de jongen ons toe, en tegelijk het
korfje schuddende, waarin hij de potballen had, bood hij ze ons aan.
Ik trok er een; en met een gezicht waarover een kleine stuiptrekking
scheen te gaan, stak _Pieter_, dien ik ondertusschen als geen
grooten _Mingaud_ had leeren kennen, zijn hand alsmede manmoedig in
den korf. Daarop kwamen al de habitués van den pot uit hunne hoeken
en vroegen dopjes voor hunne pijpen; de jongen deelde de eigen keuen
rond, en de jonge advocaat nam in persoon het krijt om op te schrijven.
"Wie van de heeren heeft het aas?"
"Ik", riep een barsche stem, die aan niemand anders toebehoorde dan
aan den heer met de twee jassen over elkaar, dien ik in de diligence
voor een commissaris van politie gehouden had; het bleek mij echter
dat hij volstrekt geen commissaris van politie was, maar wel pikeur
der kleine manege, die te D. aanwezig was, en tevens eigenaar van de
kleine comedie, die aldaar ingelijks bestond.
"Wie van de heeren de twee?"
_Pieter Stastok_ ging zelf naar de lei om den jongen advocaat in te
fluisteren dat hij het was.
"Zoo! zal jij ook pot spelen?" vroeg de jonge advocaat, die als
stadgenoot mijn neef wel kende.
_Pieter_ werd bleek.
De drie had ik. De vier had een bejaard tweede luitenant van de
infanterie, met de medaille van twaalfjarigen dienst. De vijf had
een chirurgijnsleerling, die te veel tijd had. De zes, een kort, dik
man met stoppelig grijs haar, die een graankooper scheen te zijn. De
zeven, een jong mensch van drieëntwintig jaar, die student geweest
was, maar om slecht gedrag thuisgehaald, voor wien _Pieter_ bang
was, te meer daar hij hem zeer gemeenzaam behandelde. Deze scheen
de boezemvriend van den bejaarden luitenant der infanterie met de
medaille van twaalfjarigen dienst te wezen. De advocaat zelf had de
acht, en de negen was in handen van een jongeling van drieëndertig
jaren, in een leverkleurigen pantalon, die op zijn moeders zak leefde,
een hond hield, nooit iets had uitgevoerd, en in groote achting stond
bij den kastelein van het koffiehuis "de Noordstar."
Toen de jonge advocaat de namen van al deze heeren netjes had
opgeschreven, nam de biljartjongen het krijt in de eene en den
kleinen bok in de andere hand, en gilde met al de kracht, die een
kind van veertien jaren over kan houden, als hij den geheelen dag en
den halven nacht op één been staat, te midden van de uitwaseming van
mensehen en pijpen: "Aas acquit, twee speelt!"
_Petrus Stastokius_ Junior moest alzoo op het acquit spelen, en hij
maakte zich werkelijk tot dien arbeid gereed. Te dien einde lei _Petrus
Stastokius_ Junior zijn pijp neer; maakte de punt van zijn keu wel
een halven voet ver wit; plaatste zijn bal met de linkerhand op drie
vierden; drukte de vier vingers van zijn linkerhand op een handbreed
afstands van denzelven bal op 't biljart; krulde den duim bevallig om,
zoodat hij aan 't geheele gezelschap zijn tot op 't leven afgesneden
nagel vertoonde, en begon met de rechterhand de keu tusschen duim
en vinger heen en weder te bewegen op eene wijze, die deskundigen
"zagen" noemen.
Tot zoover ging _Petri Stastokiï_ wetenschap om op het acquit te
spelen. Ja, hij had zelfs een flauwe notie van de theorie van halfbal
raken; maar daar het hem aan practijk in het edele potspel haperde,
was hij bijna zoo wit als zijn bal, en stiet hem eindelijk krampachtig
er op los, met dit gevolg dat hij klotste en "à faire" lag voor den
rechter hoekzak.
Het zou onmenschelijk geweest zijn hem "te maken" en daarom, mijn
eigen bal stevig "houdende", bracht ik den zijnen naar onderen, een
goed eind voorbij den milieu. Daarop nam de bejaarde luitenant der
infanterie zijn pijp tusschen zijn grauwe knevels en speelde met de
linkerhand op goedaf, maar werd niettemin met "een beest" gesneden door
den chirurgijnsleerling; waarop de verloopen student, die onder ons
gezegd een grappenmaker was, zeide dat die chirurgijns niet leefden
of zij moesten wat te snijden hebben. De graankooper verzocht daarop
den jongen om acquit voor hem te zetten en bleef met een wijs gezicht
en onder het genot van zeker mengsel van geestrijk vocht en suiker,
't welk in 't gemeene leven een sneeuwballetje genoemd wordt, in 't
Handelsblad turen, en de verloopen student, zijn sigaar op den rand
van 't biljart neergelegd hebbende, stiet met veel nonchalance en
verschrikkelijk hard op 't acquit, welk voorbeeld van hard spelen door
den advocaat met gelijke woede werd opgevolgd. Nu was de beurt aan den
jongeling van drieëndertig jaren met den leverkleurigen pantalon, die,
van het beginsel uitgaande dat hij zijn bal voordeelig moest trachten
te verkoopen, nooit op goedaf speelde, als hij zeker wist dat hij een
bal maken kon. Hij maakte: en zoo gebeurde het dat _Petrus Stastokius_
andermaal op het acquit spelen moest.
Hij was nu zoo ver, dat het zweet hem in groote parels op het
voorhoofd stond.
"Dat wordt een collé, mijnheer"; riep de barsche stem van den pikeur.
_Pieter_ sprak niet, maar in zijne desperate poging om den geduchten
spreker eens niet te logenstraffen, en in een van die dwaze inblazingen
van hoop, waaraan slechte spelers somtijds gehoor geven, dat namelijk
het goed geluk voor hen zal doen wat hunne kunst niet vermag, raakte
hij den acquitbal zoo fijn, dat hij hem, tegen alle etiquette aan,
in den linker hoekzak "sneed".
"Dat doet men niet, mijnheer!" riep de pikeur, hevig met de keu op
den grond stampende.
"Het was een ongeluk"; stamelde _Pieter_, die nu zoodanig
transpireerde, dat ik vreesde dat zijn bril op den vloed zou afdrijven.
"Het was een lompigheid", brulde de pikeur.
"Leve het snijen!" riep de chirurgijnsleerling.
"Die mijnheer is gevaarlijk!" schertste de bejaarde luitenant.
"Aas één appèl, drie acquit, vier speelt!" riep de biljartjongen.
Ik geloof dat mijn neef poogde in een onverschillige houding zijn
neus te snuiten, maar het had er niets van.
Het derde toertje liep goed voor _Petrus_ af, maar het vierde was
geschikt om hem er gansch onder te werken. De pikeur lag voor den
middelzak; het was een gemakkelijke bal; een kind kon hem maken.
"Je kunt hem best sauveeren", zei de pikeur, "en goed afkomen ook".
Dit was volmaakt overeenkomstig de gezindheden van _Pieter_, die,
uit aanmerking van den snijbal, voor geen geld ter wereld hem
maken wilde, zelfs al moest hij er _slecht_ op afkomen. Maar daar
de pikeur een gevreesd potspeler was en, sedert onheuglijke jaren,
van de drie potjes, die gespeeld werden, er twee in zijn zak stak,
riepen natuurlijk al de anderen: "stop weg; stop weg!"
_Pieter_ stootte niettemin met het voornemen om hem stellig _niet_
weg te stoppen; en toch scheelde het zoo weinig of hij had hem
weggestopt, dat de winderige advocaat, die in 't gewoel was opgestaan,
uitriep: "hij zit!" waarop de verloopen student, die als gezegd is,
een grappenmaker was, geestig antwoordde, "als hij een stoel had";
waarop allen lachten.
"Wacht wat!" riep de chirurgijnsleerling, die voor 't snijen was;
"hier is nòg een zak!"
En inderdaad! _Petrus Stastokius_ had geheel buiten zijn eigen
voorkennis of medeweten een doublé gemaakt, waarop allen juichten,
behalve de pikeur, die op een grimmige wijze nog een glas bitter
bestelde en de Goudsche courant opnam, alleen om haar hard weer neer
te smijten.
Men speelde voort en, na al de wederwaardigheden die hij had
doorgestaan, werd mijn vriend _Pieter_ weder vrij kalm, waartoe vooral
machtig medewerkte dat hij een paar malen acquit moest leggen. Maar op
eens werd zijne rust akelig verstoord door den uitroep van den jongen:
"vier driemaal, zes acquit, zeven speelt! mijnheer _Hastok_ (de _St_
was onduidelijk geschreven) de Vlag!"
Nu was er geen eind aan de kortswijl en de grappen van den
chirurgijnsleerling, en den verloopen student, en den advocaat, en den
jongeling van drieëndertig jaren met den leverkleurigen pantalon. De
een noemde hem een Mingaud, de ander een blauwbaard, de derde een
boa constrictor, allen te zamen: "den mijnheer van de vlag". De
bejaarde luitenant, die op drie stond en met den verloopen student
geassureerd was, wilde zich doodstooten en hem voor een daalder koopen;
de graankooper, die tegen die manoeuvre was, zei dat _Pieter_ veel te
sterk speelde om het aan te nemen; de chirurgijnsleerling bestelde
de bokaal voor mijnheer "_Hastok_", die den pot "op schoon dacht te
winnen";--het was een leven als een oordeel. En onder dit alles stond,
met verwilderden blik, het onschuldig voorwerp van al dit rumoer
altijd maar krijt aan zijn keu te strijken. De beurt kwam weer aan hem.
"Welke bal?" vroeg hij verlegen.
"Die witte!" riep de verloopen student, die een grappenmaker was.
"Die ronde!" zei de chirurgijnsleerling, niet minder aardig.
"De beste", zei de leverkleurige pantalon, die ook iets zeggen wou.
"De benedenste", zei de dikke graankooper, die medelijden kreeg.
Nu was het zoo gelegen, dat het vrij onverschillig was met welken
bal de arme _Pieter_, die geen drogen draad meer aan 't lijf had,
op dat merkwaardig oogenblik spelen zou, aangezien beide ballen,
de een boven, de ander beneden, stijf en allerstijfst collé lagen;
ik herinner mij niet in al den tijd dat ik mee gebiljart heb--nu
slaapt mijn keu voor immer in haar zelfkanten graf--ooit zulk een
stijven collé gezien te hebben. De verloopen student bood mijn neef
den bok aan. _Pieter_ zag hem aan met een blik van machteloozen haat
en stootte een voet of drie mis.
"Strijk de vlag!" riep de chirurgijnsleerling.
Zij was alreede gestreken. De pikeur had zich bij voorraad gewroken.
Van dat oogenblik aan bood de luitenant _Pieter_ een gulden; maar
hij was te zeer van zijn stuk om te verkoopen. In den volgenden toer
maakte ik hem, uit medelijden; den daarop volgenden, verliep hij en
smaakte de voldoening dat de luitenant hem een beschuitje voor zijn
bal bood; met een mispunt besloot hij, in den voor hem laatsten toer,
zijn carrière in het edele ballenspel; en daar hij zeer veel haast
scheen te hebben om te vertrekken, brak ik, die nog een enkel appèl
te verliezen had, mijn bal op, vooral ook om een einde te maken aan de
dringende aanzoeken van den jongeling met den leverkleurigen pantalon,
die nu zichzelven voor een achtentwintig aan "_Hastok_" verkoopen
wilde, in welk aanbod hem al de vroolijke jongelui ondersteunden.
Op straat gekomen scheen de frissche octoberlucht _Pieter_ weer moed
en verwaandheid toe te waaien.
"Daar zijn goede spelers onder", zei hij, "maar toch waaràtje geen
een, die eigenlijk uitmunt. Ik had een kromme keu", voegde hij er bij;
"en hebje wel gezien hoe de hoekzakken trokken?"
Ik had alles gezien, en wist dat de graankooper het potje zou gewonnen
hebben eer wij thuis waren.
Het eten stond reeds op tafel. _Pieter_ had geen honger.
Het diakenhuismannetje vertelt zijn historie.
Drie dagen had ik bij de familie _Stastok_ vertoefd, en in dien
tijd was ik groote vrienden met _Keesje_ geworden. Een paar malen
had hij mij door de stad vergezeld om mij den weg te wijzen, als
ik boodschappen te doen had; en daar hij, als vele oude lieden,
praatziek was, en ik in dat gebrek soms met vele oude lieden deel,
hadden wij dikwijls te zamen vrij wat afgehandeld. _Keesje_ was een
eenvoudig, braaf, goedaardig mannetje. Hij had een flauwe herinnering
van zijn vader, die borstelmaker geweest was en groote "zulveren"
gespen op zijn schoenen had gedragen. Behalve de gespen, herinnerde
hij zich niets meer van hem dan zijn dood, en hoe hij met een groote
huilebalk en lange witte das achter zijn lijk gegaan was; en hoe er
toen hij thuis kwam een zwarte doek over den spiegel had "gehongen";
en hoe hij, bij die gelegenheid, zoo veel geraspte broodjes had mogen
eten als hij maar wilde; en dat daar een lange moei was bijgeweest,
die zóóveel witten wijn gedronken had, dat een dikke oom gezegd had:
"je krijgt niet meer". Zijne moeder had hij nooit gekend. De dikke
oom had hem naar 't Weeshuis gebracht; hij had er leeren spellen,
en toen was hij op timmeren gedaan; maar hij was te zwak voor dat
werk, weshalve men hem bij een apotheker besteld had, om fleschjes
te spoelen, en te stampen: een baantje dat juist niet rijk is aan
schitterende vooruitzichten. Vijftien jaar had hij er gediend, maar
daar hij maar heel weinig lezen kon, en hij dikwijls tegelijk twee
halfpintsflesschen, drie kinderglazen, een amplet, een likkepot en een
pakje poeiers weg moest brengen, was 't hem eindelijk eens gebeurd
dat hij een salebdrank gebracht had bij iemand die obstructies had,
en daarentegen de poeiers met jalappeharst bij eene dame die aan
diarrhee leed, waarop hij, als niet genoeg geletterd, ontslagen
werd. Sedert was hij looper voor een kantoor, en daarna huisknecht
bij onderscheidene lieden geweest, waarvan sommige dood en andere
geruïneerd waren; en daar hij, bij de groote opruiming, te oud was
geweest om naar Frederiksoord te worden gezonden, had eindelijk
het Weeshuis hem overgedaan aan het Diakoniehuis. En nu werd hij
op zijn ouden dag nog door mijn oom en een paar lieden van diens
slag gebruikt tot het smeren van schoenen, uitkloppen van kleeren,
wegbrengen van de courant en, in één woord, tot het doen van min
gewichtige boodschappen. Hetgeen, volgens de inlichtingen van mijn oom,
's mans carrière het meest had gedwarsboomd, was zijne verregaande
onnoozelheid en daaraan geëvenredigde menschenvrees.
Behalve de achterkamer met het hooge licht, die om het huis van den
buurman heensprong en waarachter de keuken lag, was er aan het huis
van _Petrus Stastok_ Senior nòg een achterkamer, waarin ik u nader
denk binnen te leiden, naar een kleinen tuin, waarop zij uitzag, niet
oneigenaardig de tuinkamer geheeten. Als men de plaatsdeur uittrad,
had men eerst een soort van trottoir van gele klinkers, van omstreeks
drie passen breed, en als men dan over eene hooge rollaag van blauwe
klinkers [8] heenstapte, waarvóór aan de overzijde drie voetschrabbers
waren geplaatst, was men eensklaps in het kleine elyseum van mijn
tante. Men zag er een grooten appelboom, waaraan soms meer dan een
dozijn reinetten groen werden, verscheidene rozeperken, waaromheen
in 't voorjaar een kring gele krokussen bloeien moest, meer dan één
seringeboom, twee goudenregens, een dubbelen kers en, tegen den muur
aan den eenen kant een wingerd, en aan den anderen een moerbeiboom. De
paden waren niet met gewoon gras, maar met roode en witte madelieven
en z.g. zeegras omzoomd. Omtrent dezen tijd stonden er verscheidene
potten met asters en twee of drie dahlia's in bloei; en achterin was
een groen geschilderd priëeltje met vijfblad, kamperfoelie, rupsen en
spinnen. Daaraan belendde de fabriek, waaraan, tegenover 't priëel,
eene kleine loods was uitgebouwd met een klein plaatsje, waarop
_Keesje_ zijn huiswerk verrichtte, en daaromheen een klein hekje.
In dit priëeltje zocht ik, op zaterdag morgen na den ontbijt, met een
boek onder den arm, het zonnetje. Waarom ik het boek niet opensloeg
zal terstond blijken.
Ik had nog nauwelijks met mijn zakdoek het stof van de bank in 't
priëeltje geslagen, en was bezig, op mijn gemak nedergezeten, met
de oogen op het loodsje, het plaatsje en het hekje gericht, mij te
verlustigen in het denkbeeld, hoe goed alles bij mijn oom en tante in
de verf was, als de plaatsdeur openging en _Keesje_ verscheen. Daar
hij den geheelen tuin doormoest om ter plaatse zijner bestemming te
komen, en hij bijna zeventig jaar op de schouders torste, had ik tijd
genoeg om op te merken, dat er iets aan scheelde. Hij strompelde eerst
bijna tegen de rollaag aan, waarop hij niet scheen verdacht te wezen,
schoon hij er sedert jaren alle morgens om halftien uren overheen moest
stappen; hij liet den zondagschen rok van mijn oom, dien hij over den
arm had, in het zand slepen en, eer hij den appelboom voorbij was,
den borstel, dien hij in de hand hield, tweemaal vallen. Als hij nader
kwam, zag ik dat zijn wangen zeer bleek en flets waren, onder zijn
niet zeer net onderhouden baard; zijn geheele gelaat was betrokken,
zijn oogen stonden dof, en toen hij mij voorbijging was het niet als
anders: "lief weertje, meheer!" maar hij nam zijn hoed stilzwijgend af,
en strompelde naar het plaatsje. Met een diepen zucht trok hij daarop
zijn jas uit, zoodat hij mij in zijn eng zwart vest met mouwen, al
het magere en gebogene van zijne gestalte zien liet. De roode blikken
tabaksdoos, die half uit den eenen vestzak stak, bleef onaangeroerd,
en met wederom een diepen zucht hing hij den rok van mijn oom over
den knaap. Met een nog dieper zucht greep hij den borstel op, stond
eenige oogenblikken in gedachten tegen de haren op te strijken,
en begon toen den rok te borstelen, beginnende met de panden.
"Hoe is 't _Keesje_! Gaan de zaken niet goed?" riep ik hem
toe. _Keesje_ borstelde altijd door. Hij was wat doof.
Wanneer men den volzin herhalen moet, die men op een eenigszins
meewarigen toon heeft uitgesproken, is 't glad onmogelijk het met
dezelfde woorden te doen. Ik stond op, kwam een stapje nader, en zei
wat luider:
"Wat scheelt er aan, _Kees_?"
_Kees_ ontstelde, zag mij aan, en _bleef_ mij een oogenblik met strakke
oogen aanzien; daarop vatte hij weer een mouw van mijn ooms zondagschen
rok en begon op nieuw te borstelen. Er liep een traan over zijn wangen.
"Foei, _Kees_!" zei ik, "dat moet niet wezen: ik zie waterlanders,
dunkt me".
_Keesje_ veegde zijn oogen met de mouw van zijn vest af en zei:
"'t Is een schrale wind, meheer _Hildebrand_".
"Ei wat _Keesje_;" zei ik, "de wind is niemendal schraal. Maar daar
schort iets aan, man! Hebje een courant verloren?"
_Keesje_ schudde het hoofd en ging hardnekkiger dan ooit aan het
schuieren.
"_Kees_!" zei ik: "Je bent te oud om verdriet te hebben. Is er niets
aan te doen, vrind?"
De oude man zag vreemd op bij het hooren van het woord "vrind". Helaas,
misschien was 't hem op zijn negenenzestigste jaar nog geheel
nieuw. Een zenuwachtige glimlach, die iets verschrikkelijks had,
kwam over zijn mager gezicht; zijne grijze oogen luisterden eerst op,
werden toen weer dof, en schoten vol tranen. Zijn gansche gelaat zeide:
ik zal u vertrouwen. Zijn lippen zeiden:
"Hoor reis meheer! Kent uwe Klein _Klaasje_?"
Hoewel ik nu een zeer bijzonderen vriend heb, die _Nicolaas_ gedoopt
is, en van wien 't niet ondenkbaar was dat _Keesje_ hem wel eens gezien
had, zoo kon ik echter onmogelijk op gemelden _Nicolaas_ den naam van
Klein _Klaasje_ toepassen, aangezien hij een zeer "lange blonde jongen"
is, en nooit zou ik hebben willen gelooven dat gemelde _Nicolaas_,
hoe onaardig hij ook somtijds wezen kan, de oorzaak zou kunnen zijn
van ouden _Keesjes_ tranen. Ik antwoordde dus dat ik Klein _Klaasje_
niet kende.
"Heeft meheer _Pieter_ hem uwe dan niet gewezen? De heele stad kent
Klein _Klaasje_. Hij krijgt centen genoeg"; ging _Keesje_ voort.
"Maar wat is het dan voor een man?" vroeg ik.
"Het is", zei _Keesje_, "in 't geheel geen man. 't Is een dwerg,
meheer! een dwerg, zoo waar as ik hier voor je sta. Je kent er mee
in een spul reizen. Maar 't is een kwaad kreng. _Ik_ ken hem goed".
Ik wenschte hartelijk naar wat meer orde in de berichten van _Keesje_.
"Hij is uit het Huis", hernam hij na een oogenblik zwijgens: "hij
loopt over straat as 'en gek. Hij wint geld met zen bochel. Als er
'en school uitgaat, leggen de jongens centen bij mekaar, en laten
Klein _Klaasje_ dansen. Dan springt ie om een stok net as zoo'n aap,
en dan maakt ie zijn bochel wel eens zoo groot. Ik _heb_ geen bochel,
meheer!" liet hij er met een zucht op volgen.
Terecht begreep ik dat _Keesje_ minder jaloersch was van den bochel
dan van diens geldige vrucht.
"Ik wou", ging hij op een treurigen toon voort, den rok een veel
harder streek met den schuier gevende, dan voor laken van negen
gulden dienstig was; "ik wou dat ik een bochel _had_. Ik zou nies
uitvoeren; ik zou centen krijgen; ze zouen om me lachen.... Maar ik
zou niet drinken", zei hij eensklaps van toon veranderende. En den
volzin omkeerende, voegde hij er, zeer bedaard den rok van den knaap
nemende en hem opvouwende, nog eens bij: "drinken zou ik niet".
"_Keesje_", zei ik, "toen je den tuin doorkwaamt, en toen ik je
aansprak, was je bedroefd, en nu lijk je wel wat boos te zijn; ik
zie je liever bedroefd!"
De oude oogen schoten weer vol tranen; hij stak zijne dorre handen naar
mij uit; ik vatte ze, toen hij ze, beschaamd over zijn gemeenzaamheid,
terug wilde trekken, en liet ze niet dan na een bemoedigend drukje
varen.
"Och", zei hij--"och meheer weet dat zoo niet;--maar ik ben--ik ben
veel bedroefder dan boos. Maar Klein _Klaasje_ het me mishandeld. Klein
_Klaasje_ is slecht. De menschen", ging hij voort, naar het schoensmeer
bukkende, "de menschen denken soms dat ie gek is; maar hij is slecht".
"Hoor eens, _Keesje_!" zei ik, een klaptafeltje op een ijzeren poot
opslaande; "ga hier eens wat zitten en vertel me reis geregeld,
wat heeft Klein _Klaasje_ je gedaan?"
"Het zel niet helpen", zei _Keesje_, "maar ik zel et doen, as u
't niemand zegt. Kent meheer et Huis?"
"Welk huis?"
"Van de Diakenie."
"Ik heb het in 't voorbijgaan gezien."
"Goed. Et is een leelijk huis, is et niet? een leelijk huis; met rooie
deuren en vensters; en van binnen alles rood en alles donker. Nou;
meheer weet wel dat we daar allemaal arm zijn, allemaal even arm;
ik kan et niet anders zeggen, net precies, denk ik wel, as op 't
kerkhof. Ik en een ander verdienen iets, maar et helpt niet. We brengen
et in bij den Vader; en de Vader geeft ons alle weken zakduiten. Dat
is goed, meheer; dat is heel goed. Als ik oud wor, verdien ik geen
kopere' cent meer; maar ik krijg toch de' zakduit. Hier", zeide hij,
een bonten katoenen zakdoek uithalende, "deuze, en", op zijn tabaksdoos
kloppende, "en deuze, heb ik van me zakduit gekocht".
Het was aandoenlijk een man van bij de negenenzestig te hooren spreken
van "als ik oud word"!
"_Klaas_",--ging hij voort--"zoo as meheer wel begrijpt, krijgt ook
een zakduit. Maar wat doet _Klaas_? _Klaas_ doet niets, dan nou en dan
de straat voor iemand wieden. _Klaas_ houdt zich gek; _Klaas_ danst
met zen bochel; en as ie centen krijgt van de lui en van de kinderen,
dan wandelt _Klaas_ de poort uit. Kent meheer de Vette Vadoek?
"Neen, _Keesje_."
"Et is een herberg in de Hazelaan, daar drinkt _Klaas_ 'en borrel;
en welreis twee, en welreis drie borrels".
"En als hij dan in 't Huis komt?"
"o Hij heeft allerlei kunsten. Hij neemt een groote pruim tabak. Hij
haalt 'en oranjeschilletje bij de' drogist. Soms merkt de Vader et. Dan
krijgt hij 'en blok aan zen been, want hij is te oud om op de bok
gelegd te worden, en men kan em ook niet op zen bochel slaan; maar
wat is 't as ie met het blok loopt? Dan zeit ie teugen de kinderen:
St ... jongens! _Klaas_ is ondeugend geweest; _Klaas_ het 'en graantje
gepikt; en de Vader het _Klaas_ al zen centen afgenomen. Je begrijpt
wel, meheer, dat ie dan nog meer opdoet".
Ik begreep het volkomen.
"Maar dat zijn _zijn_ zaken", ging _Keesje_ voort, een schoen van mijn
oom opnemende, dien hij smeren moest en onmiddellijk weer neerzette;
"maar wat hoeft ie _mijn_ ongelukkig te maken? Weet u wat et is. Ik zel
et u vertellen. Ik had geld,--ik had veul geld,--ik had twaalf gulden!"
"En hoe kwam je daaraan, _Keesje_?"
"Met God en met eere. Ik had et gespaard toen ik in de apteek
was. Somwijlen, als ik 'n drankje buiten de stad brocht, op een
buitenplaats of in een theetuin, zei de meheer of de mevrouw: geef
de' looper een dubbeltje; 't is slecht weer. Zoo had ik twaalf gulden
bij mekaar. Ik mocht die in 't Huis niet hebben. Maar ik bewaarde ze;
op me hart".
"En waartoe bewaarde je die? Hadje dat geld noodig; of deeje 't alleen
om 't pleizier van het te hebben?"
"Och, meheer"! zei het diakenhuismannetje, het hoofd schuddende:
"Als ik et zeggen mag, die rijke lui weten dat zoo niet; de Regenten
weten 't ook niet; want zij hebben er geen zorg voor. 't Gaat alles
goed bij zulke menschen; bij leven en sterven. Hoor reis; we hebben
't goed in et Huis; de Regenten zijn goed; op vastelavond krijgen we
bollen met botter; over drie weken, as de slacht is, krijgt et Huis
'n os, ik weet niet van wat voor groot heer die lang dood is. Dan eten
we allemaal gehakt; en de heeren hebben 'n partij en eten de tong,
We hebben 't er heel goed; maar 'n mensch, meneer, denkt altijd om
zen dood".
"Ik denk nogal dat je 't na je dood ook heel goed zult hebben,
_Keesje_!" zei ik.
"Ik hoop et, meheer: in den Hemel is alles goed; maar dat meen ik
niet. Ik wou me lijk verbeteren, weet u?"
"Wat is dat, _Kees_?"
"Hoor reis, as we dood zijn, dan leit men ons op strooi en we krijgen
't goed an van 't Huis, net as wanneer we leven, en dan gaan we na
't kerkhof, in de put; dat wou ik niet. Ik wou, as ik dood was,
geen diakenhuisgoed aanhebben...."
Hij zweeg een oogenblik; en weder kwamen de tranen.
"Ik wou in me kist leggen, ik weet niet, ik zel maar zeggen, zoo as
ik er mijn vader in heb zien leggen, met eigen goed; ik heb nooit
een eigen hemd gehad; één eigen doodhemd wou ik hebben".
Ik was aangedaan. Spreek mij niet van vooroordeelen. De rijken der
aarde hebben er duizend. Deze arme man kon alles verdragen: schrale
spijs, een hard bed en, naar de mate zijner jaren, harden arbeid. Hij
had geen eigen huis, hij zou geen eigen graf hebben: o had hij dan ten
minste de zekerheid dat zijn allerlaatste gewaad het zijne wezen zou!
"Meheer begrijpt wel!" ging hij, eenigszins schor, voort, "dat daar
die twaalf gulden voor was. Het was veuls te veul. Maar ik wou nog
meer; ik wou fassoendelijk begraven worden. Ik heb geen verstand van
die dingen; maar ik had gerekend vier gulden voor et linnen, en dan
twee gulden voor de menschen, die me zouen ofleggen, en tien stuivers
voor een draagplaats an twaalf dragers. Was dat niet knap geweest? De
bediende van den apteker had het zoo beschreven; het geld was in et
pampiertje; en alles in een leeren zakkie: dat heb ik dertig jaar op
me hart gehad.... en nou is het weg..."
"Heeft _Klaas_ het gestolen?" vroeg ik.
"Neen!"--zei hij, uit het droef gepeins, waarin zijn eigen laatste
woord hem gestort had, oplevende: "maar hij is er achter gekomme dat
ik et had. _Zijn_ kreb staat naast _mijn_ kreb. Of ie et gezien het
as ik me uitkleedde, of as ik me aankleedde, of toen ik ziek was, of
dat ik er hardop van gedroomd heb, ik weet et niet. Ik zou wel haast
zeggen dat ik er van gedroomd had; want ik denk er altijd om.--Verleden
dinsdag had et den heelen voormiddag geregend, as meheer wel weten
zel. _Klaas_ had geen cent opgedaan. Het was te slecht weer; de jongens
hielden zich niet met hem op. Zen zakduiten waren ook weg, en hij had
een razenden trek om na de Vette Vadoek te gaan. "_Kees_", zeid' ie na
den eten, "leen me zes centen". "_Klaas_", zeg ik, "dat doei ik niet;
want je verzuipt ze toch maar". "_Kees_" zeid' ie, "ik mot ze hebben",
zeid' ie. Ik zeg: "nou je krijgt ze niet, hoor!" "Weetje wat," zeid'
ie, "_Kees_", zeid' ie, "as je ze me niet geeft, zel ik an de' Vader
zeggen, wat je onder je hemd hebt, hoor!" Ik besturf as 'en doek,
en gaf 'em de zes centen. Maar ik zeid' er bij: "_Klaas_, je bent een
schurk!" Dat zei ik. Of ie daar toen toch kwaad om geworden is, kan
ik niet zeggen; maar gisteren mot ie dronken geweest zijn, en toen de
suppoosten 'em 't blok andoen lieten, het ie as 'en gek geschreeuwd en
gezongen: "_Kees_ het geld! _Kees_ het geld! Onder zen hemmetje het ie
geld"! de broers vertelden 't me, toen ik in 't Huis kwam. Ik was as
'en dooie. We gingen na' de mannezaal en kleedden ons uit. _Klaas_
lag er al en snurkte as 'en os. Toen ze allemaal sliepen, stak ik
me hand onder me hemd om et zakkie weg te nemen en, als ik kon, in
't strooi van me bulster te verstoppen. Maar eer ik et los had, daar
ging de deur ope', en de Vader kwam op de zaal met 'en lantaren. Ik
viel achterover op me kussen met et geld in me hand, en tuurde as 'en
gek mensch na' de lantaren. Ieder stap, die de vader dee, voelde ik
op me hart. "_Kees_," zeid' ie, over me heen bukkende: "Je heb geld;
je weet wel dat je dat hier in 't Huis niet verstoppen mag"; en meteen
trok ie 't uit me hand.--"'t Is voor een doodhemd",--stotterde ik,
en viel op me knieën in de krib--maar 't holp niet. "We zellen 't
voor je bewaren", zei de Vader, en maakte het zakkie ope', en telde
et geld bedaard. Mijn eigen oogen hadden et niet gezien sunt ik et
er in genaaid had; dat was dertig jaar geleden; et was mijn, eigen,
lief, begrafenisgeldje. "Ik zweer je dat ik er niets voor doen zel",
huilde ik, "dan me eerlek laten begraven."--"Daar zellen we zelf
wel voor zorgen", zei de vader; en weg ging ie met et geld en met
de lantaren. "_Klaas_", riep ik hem na, "het et je verteld, omdat
ie".... maar wat holp het of ik gezeid had, omdat ie 'en lap is! wat
holp et of ik hem verteld had dat _Klaas_ alle dag na' de Vette Vadoek
ging? Ik had er me geld niet mee weerom. Den heelen nacht heb ik geen
oog toegedaan.--Et is wat te zeggen!"
"Zou er bij de Regenten niets aan te doen zijn, _Keesje_?" vroeg
ik vertroostend.
"Neen! neen!" snikte hij, de hand op zijn borst rondwrijvende, als
zocht hij er het geld nog: "het geld most weg; dat is 'en wet zoo
oud as et Huis, en et Huis is zoo oud--zoo oud as de wereld!"
"Dat's wat kras, _Keesje_", zei ik; "en wanneer"....
Hij liet mij niet uitspreken.
"Wat kras? Het is niemendal kras. Zijn er dan niet altijd armelui
geweest zoo as ik, die an de Diakenie kwammen, en van de Diakenie
mosten eten en drinken, en bed en leger hebben, en begraven
worden?--Maar _ik_ wou begraven worden van mijn, eigen, geld,--en ik
wou zeker _weten_ dat ik van mijn, eigen, geld begraven zou worden;
en dat was mijn grootste troost; en daarom droeg ik et vlak op me
hart.--O, as _Klaas_ kon weten dat ie me dood maakte!"
"Hoor eens, _Keesje_", zei ik, "je zult en moet je geld weerom hebben;
ik beloof het je: ik zal mijn oom er over spreken; hij kent zeker
de Regenten wel; wij zullen zien of zij de wet, voor een oud, braaf,
oppassend man, als gij zijt, niet eens zullen willen overtreden. Maak
er staat op, _Kees_, je zult je geld weerom hebben".
"Zel ik?" zei de arme man, door mijn stelligen toon bemoedigd. "Zel
ik wezenlijk?"
En zijn oogen afvegende met een blij gelaat, gaf hij mij de hand.
In zijn behoefte om ook mij iets aangenaams te zeggen vroeg hij:
"Smeer ik uw laarzen netjes genoeg?"
"Overheerlijk", was mijn antwoord.
"En is uw jassie goed genoeg geborsteld?" vroeg hij verder; "as er
iets an mankeert, mot meheer 't maar zeggen".
Dat beloofde ik hem en ging in huis. Maar hij kwam mij achterop,
met den linkerarm in een laars van _Pieter_ en den schoenborstel in
de rechterhand. "Vraag escuus, meheer, dat ik zoo vrijpostig ben",
zei hij, "maar mag ik u nog wel iets verzoeken?"
"Wel ja _Kees_!"
"As meheer na' de Regenten gaat", hernam hij, "mot meheer maar net
doen as of ie van nies weet."
"Ik beloof het u, _Keesje_!"
Ik ging naar mijn oom en wist dien te bewegen naar de Regenten te
gaan. De president liet den Vader bij zich komen, en daarna den vader
rondgaan bij de andere Regenten, om ze tot een extra vergadering te
convoceeren. Op die vergadering moest eerst _Keesje_ binnenkomen,
en vervolgens buitenstaan; daarna moest ook de Vader binnenkomen,
en vervolgens buitenstaan. Daarop werd er een uur gedelibereerd,
hetwelk hoofdzakelijk daarmee werd doorgebracht dat de president
gedurig zei dat hij de zaak aan de heeren overliet, en de heeren
gedurig zeiden dat zij de zaak aan den president overlieten.
Daar het zóó niet blijven kon, bracht eindelijk de president het
advies uit, "dat het, aan den eenen kant, wel doenlijk was _Keesje_
zijn geld terug te geven, daar _Keesje_ een man was van voorbeeldig
gedrag, die het geld zeker tot aan zijn dood toe zoo goed bewaren zou
als de ijverige thesaurierzelve",--waarop de "ijverige thesaurierzelve"
boog--"maar dat, aan den anderen kant, de ijverige thesaurier het weder
even zoo goed bewaren zou als _Keesje_, en dat het dus volstrekt niet
noodig was _Keesje_ in het vooroordeel te stijven dat zijn geld beter
bewaard zou worden en zekerder tot deszelfs, d.i. _Keesjes_, doel zou
worden aangewend, indien hij, _Keesje_, het zelf bewaarde, dan indien
de ijverige thesaurier het bewaarde; en dat dit zijn advies was".
De secretaris meende echter met eenig recht dat dit advies den
knoop niet genoeg doorhakte, en stelde dus onder verbetering voor,
tot een van de beide maatregelen over te gaan;--waarop "de ijverige
thesaurierzelve" de edelmoedigheid had afstand te doen van het
"custodiëeren der penningen in quaesti", en men eenparig besloot
aan _Keesje_ zijn twaalf gulden, weder behoorlijk in een zeemlederen
zakje vastgenaaid, terug te geven.
_Keesje_ heeft nog twee jaren zijn geld "vlak op zijn hart"
gedragen. En toen ik in 't verleden jaar het kerhof te D. zag, was
't mij zoet te mogen denken, dat aldaar in het algemeene graf der
armen één man sluimerde, die er eerbiedig was heengedragen door
twaalf broeders van zijne eigene keuze, nadat hij, ook eenigszins
door mijn toedoen, in de gerustheid was ontslapen dat hij in zijn
eigen doodskleed zou worden gewikkeld.
Had hij misschien in zijn laatste oogenblikken nog aan _Hildebrand_
gedacht?
Er komen menschen op een kopje thee, om verder het avondje te
passeeren.
Des zondagsavonds was de tuinkamer in haar schitterendste pracht. Ik
zal pogen er u een flauw denkbeeld van te geven.
Verbeeld u een ruim vierkant vertrek, met een vierkante tafel in het
midden, waar het vierkante groene kleed van is afgenomen en vervangen
door een vierkant zilveren theeblad, waarop een degelijk ouderwetsch
porselein theeservies prijkt, lange lijzen met zes merken. Daaromheen
staan vijf stoelen geschikt, met hooge ruggen en zittingen van groen
gebloemd trijp. Men maakt dat tegenwoordig zoo goed niet meer. Als
men onder de tafel kijkt, ziet men als twintig vurige oogen, van wege
vier stoven; de vijfde vonkelt niet; het is een steenen. Daaraan,
en aan de plaatsing van het theegoed, en aan den verlakten ketel, die
naast den stoel staat, ken ik de plaats mijner eerzame moei. Midden
op de tafel staat een dierbaar pronkstuk. Het is een verbazend groote
bronzen lamp, die door een olifant getorst wordt, in wiens voetstuk
een speelwerk verborgen zit. Bij deze bijzondere gelegenheid ligt
er, reeds vóór November, een netgebouwd turfvuurtje in den helder
gepolijsten haard; het is alleen maar opdat er met schik stoelen
omheen zouden kunnen worden gezet, voor de heeren. De smalle marmeren
schoorsteenmantel is versierd met een pendule, voorstellende een
negerslaaf met witte oogen, roode neusgaten, en gouden voorschoot,
die op eene ongedwongen wijze den arm om een wijzerplaat slaat;
en aan de beide kanten, met twee vaasjes met gekleurde bloempjes
onder stolpjes, zoo poppigjes en zoo kleintjes, dat men ze voor de
pasgeboren kindertjes houden zou van die groote stolp met opgezette
vogels, die tegenover den schoorsteen, op een bruinhouten tafeltje
met ééne lade, pronkt. Het schoorsteenstuk vertoont in stukadoorwerk
eene aangename partij weverskammen, weversspoelen en weversklossen,
in een luchtigen strik bijeengehouden en halfbegraven onder witsellagen
van onderscheidene formatie.
Maar wat de feestelijke zaal, niet alleen nu, maar altijd den
meesten luister bijzet, is zonder twijfel, boven een hooge grijze
lambrizeering, op snee verguld, het prachtig behangsel, beschilderd met
niet onaardige bergachtige landschappen, met op- en ondergaande zonnen,
zandwegen met diepe sporen, en waterplassen met riet en zwanen; voorts
gestoffeerd met vrouwen met manden op den rug, waar bovenuit een bos
stroo steekt; mannen aan den waterkant, die aan lange hengels visschen
opslaan; kinderen met bloote hoofden en bloote voeten, die bij een
geit in 't gras liggen; reizigers op bruine paarden, met den rug naar
u toe om het valies te laten zien, en op witte paarden, die een dunne
rijzweep zeer rechtop houden; wandelaars met enorme wandelstokken
en driekante..... Wat ga ik zeggen? Ja, zij hadden driekante hoeden
opgehad, maar die tijd was voorbij; de kamer was voor een paar jaar
"opgeknapt", en de heer _Petrus Stastokius_ Sen., hoe ouderwetsch ook
in vele opzichten, had in dezen gemeend een proeve te moeten geven,
dat hij met zijn tijd was vooruitgegaan. Hij had al wat kleedij was
laten modernizeeren. Een geestig schilder had op zijn gebod al de
hoeden veranderd, naar het toen nieuwste model, bij den hoedemaker
gehaald, en al de wandelaars hadden bruine, gele of gestreepte
pantalons aangekregen met soupieds en naar de nieuwste snede. Al
de pruiken waren verbannen. De dames, die tot hiertoe de openlijke
bewijzen hadden gegeven dat onze grootmoeders veel meer gedecolleteerd
waren op hare wandelingen dan onze zusters op hare bals, hadden hooge
japonnen met stukken, wijde mouwen, en lange lijven ontvangen, en zelfs
het haar der halfnaakte kinderen was in naam der beschaving geknipt.
't Is waar, dat deze vernieuwerwetsching in vele opzichten nog veel
te wenschen overliet, vooral ten opzichte van de rottingen, regen-
en zonneschermen, die hunne vorige gestalte hadden behouden; maar de
waaiers waren allen in bloemruikers veranderd, en dus bestond er van
dien kant volstrekt geen tijdsverwarring meer.
Toen mijn oom en tante dit alzoo met wijsheid hadden laten in orde
brengen, meenden zij zich van hun plicht gekweten te hebben, en een
offer aan den Moloch der negentiende eeuw te hebben gebracht, groot
genoeg om hun te vergunnen, voor hun persoon, die eeuw op velerlei
wijze te hoonen en weg te cijferen; want om de waarheid te verklaren:
de heeren en dames op 't behangsel waren mijnheer en juffrouw _Stastok_
een goed eind vooruit; en daar zij op dezen heugelijken avond op hun
mooist gekleed zijn, vooreerst omdat het zondag is, en ten anderen
omdat zij "menschen wachten", wil ik deze gelegenheid waarnemen om u
eene tot hiertoe verzuimde beschrijving van hun persoon en voorkomen
te geven.
Het is nog doodstil in de tuinkamer; "diezelfde tuinkamer" zou een
redenaar zeggen, "die zoo aanstonds weergalmen zal van het luidruchtig
gesnap eener vroolijke menigte!" Ik verneem er niets dan het gezellig
gezang van het theewater, dat door de tuit stoomt, en het spinnen
van de cyprische poes, die voor den haard zit, verwonderd van hier
zoo vroeg in 't jaar vuur aan te zien. Ik ruik er niets dan den
theeketel, die nog lang niet dikwijls genoeg gebruikt is om niet te
stinken, en ik zie er, behalve de voormelde poes, niemand anders dan
mijn deftigen oom, die met den rug naar het vuur gekeerd, en met de
handen op dien rug, beschenen wordt door de vier waskaarsen op de
vergulde lustres aan zijn schoorsteen, en wiens beeld zich weerkaatst
in den spiegel tegenover hem. Een heerlijk oogenblik om zijn portret
te maken! Mijn oom, schoon in de zestig jaren oud, is hetgeen men
voor dien ouderdom, nog "een kras ventje" noemt. Hij heeft geen grijs
hoofd, vermits hij een bruine pruik draagt, die over zijn ooren gaat,
en waar hij bijgevolg door heen moet hooren; hij heeft een rond,
blozend gezicht, volstrekt geen bakkebaarden, een niet onaardig
bruin oog, en een onderkin. Hij is niet groot van postuur, en heeft,
om hem recht te doen, geen ander lichaamsgebrek dan zijn hooge linnen
halsboorden. Deze zijn heden, wegens het feest van den dag, nog ééns
zoo hoog, zoodat ze zelfs de uiteinden van zijne ooren in eenige
ongelegenheid brengen. Voor het overige draagt hij een wit stropje,
een overhemd met jabot, een wijden zwarten rok, die van achteren
gezien wel wat van een jas heeft, en nog altijd een korte broek, zoodat
men in de gelegenheid is de welgevormde kuiten te bewonderen, die in
fijne floretten kousen steken. Op dit oogenblik treedt mijne tante
binnen, die het toilet van mijn oom volmaakt, door hem een grooten,
schoonen linnen zakdoek met breede zoomen aan te bieden. Gij hebt
lang gemerkt dat zij een neepjes-mutsje draagt. Zij heeft van avond
het beste op, met een net wit satijn lintje met tandjes;--het heugt
mij hoe ik mijn grootmoeder zulke lintjes op haar verjaardag gaf!--Zij
draagt het haar gepoeierd, althans er komt een weinigje van dat wit,
met een mesje gelijkgestreken, op haar voorhoofd; en dat staat heel
wel bij haar helder, welgedaan gezicht, en bij de goelijke kuilen,
die, als zij spreekt, in haar wangen komen. Zij heeft om haar hals een
aardig snoertje kleine paarlen met een juweelen bootje, en een hoogen
dikgeplooiden kamerijkschen doek in haar lage japon van weerschijnende
zijde met ruim lijf.
Wij laten haar, eenigszins vermoeid van al de bereddering, plaats nemen
om thee te zetten, en slaan terwijl onze oogen op _Pieter_ Jr., die
juist binnentreedt. Ook hij ligt onder zijn, wat de zeelieden noemen,
beste tuig. Hij is (ik moet het zeggen) volmaakt naar de mode gekleed;
een zwarte pantalon met soupieds, een zwart satijn vest, een blauwe
rok met glimmende knoopen; en toch ziet hij er infaam ouderwetsch
uit. Want de pantalon is zoo kort, en de soupieds zijn zoo lang, en
het vest is zoo laag uitgesneden, en zoo wijd om het midden; en de
rok is zoo smal van kraag en zoo breed van rug; en waarom verstokt
hij zich nu om zich met een bruine stropdas te willen uitzonderen,
in plaats van een zwarte om te hebben, als alle fatsoenlijke menschen?
Oom kijkt een paar malen op zijn horloge, om aan te merken dat
Ds. S. het geweldig lang moet maken. Dit is, in 't voorbijgaan gezegd,
de eenige reden, waarom _Petrus Stastokius_ Sen. nooit diaken of
ouderling heeft willen worden, omdat hij alsdan genoodzaakt zou zijn
geweest, op zijn beurt, ook bij die predikanten te kerk te gaan,
die niet als hij, lieden van de klok waren.
Het duurt evenwel niet lang of een bescheiden belletje kondigt de
aankomst van den eerstverschijnenden gast aan. Wij zullen hem en al
de verdere hun jassen en mantels laten afdoen en in handen stellen van
_Keesje_, die van avond bijzonder verlof heeft om later in 't Huis te
komen; hun vervolgens pijpen laten stoppen, en complimenten maken over
"de zorg"; hen daarna een uurtje laten praten over 't weer, over de
kou in de kerk, over het verkieslijke van een open haard boven een
"toe kachel", over den stand der fondsen, over het werk van de dames,
en over de laatste verkooping van huizen en het laatste plan van
den stedelijken raad om een brug te leggen over een water, waarover
reeds voor tien jaren een brug is noodig geweest; om u daarna op
eens midden in 't gezelschap binnen te leiden en u al zijne leden
in hunne grootheid te laten aanschouwen. Gij kunt ondertusschen zelf
een versche pijp stoppen.
De man, dien gij bij den haard ziet, met mijn oom in druk gesprek
gewikkeld over de meerdere voortreffelijkheid van de inrichting der
gilden, zooals die vroeger bestond, boven die van de patenten, onder
het ministerie _Gogel_ ingevoerd, is een oude kennis, en niemand
anders dan de zilveren man uit de diligence. Hij is evenwel zoo min
een zilversmid, als de pikeur een commissaris van politie was. Ik
ben ongelukkig in mijne waanwijze gissingen geweest. Hij is alleen
maar oudste commies ter secretarie van de stad D. Hij behoort tot
die menschen, die jaar en dag in _Wagenaar_ en in de vervolgen op
_Wagenaar_, alsmede in de boeken van _Le Francq van Berkhey_, en
in _Tuinmans_ "Nederduytsche Spreekwoorden" studeeren, terwijl hun
verdere lectuur bestaat in onbeschrijfelijk veel Preken, en Reizen
rondom de wereld. Hij kan met wijsheid op zijn snuifdoos kloppen,
en verklaren hoe een snuiter heette in den tijd, toen de kaarsen nog
niet gesnoten werden, en voor hoeveel geld men een huis kon huren,
in een jaar, waarvan hij in de stoffige papieren der secretarie
een rekening gezien heeft. Hij heeft groot gezag in het beoordeelen
der talenten aller predikanten; en in 't geheel, als er iets is in
de familie dat duister voorkomt, richt men zich tot den heer _Van
Naslaan_, "die onbegrijpelijk veel gelezen" heeft. Het is echter waar,
dat in de laatste jaren de hooge wijsheid van den jongen _Pieter_
's mans gezag veel kwaad heeft gedaan, vooral omdat gemelde _Pieter_
het alle voorrechten verzekerend Latijn verstaat.
_Pieter_ en ik worden beziggehouden door een langwerpig man van
een groote dertig jaren, met een kaalachtig hoofd en in een langen
sluitjas, die den naam _draagt_ van den heer _Dorbeen_, en den naam
_heeft_ van droogkomiek te zijn. Behalve dit, oefent hij het ambt
van makelaar uit. Hij vraagt ons naar studentegrappen, die sedert de
oprichting der academiën, aan alle academiën eenmaal 's jaars gebeurd
moeten zijn, die _hij_ gehoord heeft in zijn jeugd, die aan _mij_
en aan _Pieter_ verteld zijn als onder onze laatste voorgangers aan
de hoogeschool vertoond, en die waarschijnlijk nooit hebben plaats
gehad, en nooit _zullen_ plaats hebben; en als hij er een heeft
opgehaald die heel aardig is, dan vraagt hij terstond een baleintje
en steekt zijn pijp door, met een gezicht zoo lang en zoo akelig,
dat hij duidelijk toont hoe droogkomiek hij is. _Pieter_ is onder
zijn verhalen verstrooid, rookt wanhopig door, grinnikt als er een
vertelsel, en stopt een nieuwe als er een pijp uit is. Ik sta op
heete kolen om eens nader kennis met de dames te maken.
"De heeren zullen zeker liever bij den wijnstok blijven?" zegt mijn
welgedane tante, vriendelijk omkijkende, en een ruimen witten ketel
opbeurende; "_Pieter_ wil misschien wel een kopje slemp?"
"Dat wil ik óók wel tantelief!" zei ik, en trad naar haar toe, om
haar den grooten ketel vooreerst wat lichter te maken, daar zij hem
onmogelijk tillen kon. Weet gij voor wie ik inschonk?
Voor een deftige dame, die, als mijn tante, zat te breien, maar
toch meer naar de mode gekleed was en de wettige echtgenoot van den
commies, echter veel jaren jonger dan hij; voor een jeugdige zuster
van dezen haren man, van een veertig jaar, met kalfsoogen, die bij
haar inwoonde met het voorrecht van de wasch voor haar te doen,
haar kousen te mazen, haar hoeden te vermaken, en haar japonnen af
te dragen; als ook voor haar dochtertje _Koosje_, een meisje van
ik denk zeventien jaren, die er met haar gescheiden bruin haar en
rozerood japonnetje allerliefst uitzag; en behalve voor mijn tante en
mijzelven, voor de zeer modieuze gade van den makelaar, die de eenige
"mevrouw" van de partij was, een enorme muts met vuurrood lint droeg,
en een niet minder enorme gouden gesp aan haar ceintuur.
Mejuffrouw _Van Naslaan_ was een zeer wijze dame, die zeer verstandige
bevindingen had. Zoo vond zij bijv. een kouden tocht altijd erger dan
een koude lucht; zoo vond zij altijd, dat het op een heeten dag nog al
eens wat helpt als er wat wind is; zoo merkte zij op, dat als men veel
verloor, het altijd nog een troost was als men iets behield; zoo had
zij ontdekt dat, als men ergens aan gewende, zoo iets gemakkelijker
viel dan als men er volstrekt _niet_ aan gewoon was; zoo was zij er
zelfs, door vlijtige en innige nasporingen op het gebied der zielkunde,
toe gekomen, een wezenlijk onderscheid tusschen menschen en menschen
waar te nemen en met grond te kunnen verklaren, dat de eene mensen
de andere niet was; en dergelijke verstandige dingen meer, die haar
een grooten roep van knapheid en ervarenheid gaven onder de vrouwen
van haar kennis; en daar zij van alle eenvoudige zaken zei, dat er
meer achter zat, en alle dingen geestiglijk bij muisjes vergeleek die
staartjes hebben zouden, zoo hield men het er met reden voor, dat zij
meer zag dan een ander. Mevrouw _Dorbeen_ daarentegen was een rammel,
trotsch op haar mevrouwschap, haar muts en haar echtgenoot. Ik had
van haar hooren spreken als van iemand die heel mooi een vers opzei,
dat ik wel geloofde, daar zij sterk brouwde, en zeer rollende bruine
oogen bezat.
De manszuster van mejuffrouw _Van Naslaan_ heette _Mietje_, en was
volstrekt niets dan een goed mensch.
Met uitzondering van deze die niets, en van de lieve zeventienjarige,
die zeer weinig sprak, praatten de aanwezige dames doorgaans alle
tegelijk, en de heeren bij het vuur zongen er de tweede partij
toe. Bijvoorbeeld:
"Hoor eens, me lieve juffrouw _Stastok_", zei mejuffrouw _Van Naslaan_,
haar breiwerk neerleggende en haar wijsvinger op de hand van mijn
tante drukkende: "Hoor eens; me lieve juffrouw _Stastok_, je hoeft
er me niets van te zeggen; ik weet" (hier kneep zij hare oogen op
een interessante wijze dicht), "ik weet dat allemaal wel; ik ken die
menschen door en door; en zoodra als ik hoorde dat _Keetje_ _dat_ in
't hoofd had, wist ik wel hoe de vork in den steel stak".
Hierop nam zij haar breiwerk weer op, en telde de steken van het
toertje, daar zij aan bezig was, na.
"Ja maar, _Koosje_!" rammelde mevrouw _Dorbeen_, voorbij _Mietje van
Naslaan_ heen sprekende, en die met haar roode mutslinten, zoodanig
voor de oogen schitterende, dat de goede ziel den anderen dag betuigde,
er wee van te zijn geworden: "je kunt je niet begrijpen hoe druk
_Dorbeen_ het heeft; dat is van den ochtend tot den avond; daar had
je nog gisteren morgen mijnheer _Van der Helm_"; (deze was, moet men
weten, de grootste heer uit de stad, wiens zaken _Dorbeen_ waarnam);
"daar hadje nog gisteren morgen mijnheer _Van der Helm_, al vóór den
ontbijt: hij ging op de jacht en wou _Dorbeen_ nog eerst spreken;
nu is hij gelukkig heel eigen bij ons, zoodat het er niet op aankwam
dat _Dorbeen_ nog niet gekleed was; maar zoo gaat het dag op dag; nu
heb ik het óók wel druk met de kinderen, maar ik zei tegen _Dorbeen_:
weetje wat? ik ga er zelf maar reis op af. Nu is _Dorbeen_ daar altijd
heel wèl van, en vindt het altijd goed zoo als _ik_ het maak..."
"Juffrouw _Mietje_, nog niet een roomsoesje?" vroeg mijn tante--"Jij
ook niet, _Koosje_? Wel kind! wat heb ik je in lang niet reis hier
gezien. Het heugt me nog dat je met _Pieter_ speelde. Ja, kleine
kinderen worden groot, _Koos_!"
"Dat zeg ik zoo dikwijls", zei mejuffrouw _Van Naslaan_. "Waar blijft
de tijd? En ik zeg maar, hoe ouder dat je wordt, hoe meer de tijd
vliegt; maar je jonge jaren, kind! zeg ik alle dag tegen _Koosje_,
leer dat van mij, die komen nooit weerom".
"En dat zijn van die dingen", klonk het van den schoorsteen, uit
den mond van den heer _Van Naslaan_, met plechtige langzaamheid en
afgebroken door het statig uitblazen van tabaksrook: "dat zijn van die
dingen, mijn goede vriend!--(p'hoe), die u--(p'hoe) en mij--en een
ander--(p'hoe, p'hoe) ongelukkig maken. En onze voorvaderen",--hier
nam hij de pijp uit den mond, om er den derden knoop van mijn ooms
rok onder 't spreken onderscheidene kleine tikjes mee te geven--"onze
vaderen ... ik vraag je of ze der zoo veel slechter aan waren dan
wij?--onze vaderen, mijnheer! hielden zich met die dingen niet op".
"Neen!" verklaarde mijn oom, in edele opgewondenheid een versche pijp
stoppende, "dat waren andere menschen! die wisten--_Piet_, geef me 't
komfoortje reis aan--die wisten handen uit de mouw te steken, al zeg
ik 't zelf;--en wat ik altijd zeg--ze pasten op er tijd. _Mijn_ vader
was altijd 's morgens kwartier voor zessen gekleed en geschoren--kom
daar nú reis om!"
En zijn pijp op het vuur zettende, spande hij een schrikkelijke
kracht in om haar ineens aan te trekken, en ze daarop omkeerende,
en een mondvol rook tegen den kop blazende, herhaalde hij, door de
inspanning half uit zijn adem: "Kom daar nú reis om!"
"Ja, lieve vriend!" zei _Dorbeen_ tot _Pieter_, bijna een der vergulde
knoopen van diens nieuwerwetschen ouderwetschen rok aftrekkende, daar
hij met hem in gesprek was geraakt over een der rijkste jongelui,
die te Utrecht studeerden: "Zijn vader heet _Goedelaken_, maar hij
mocht wel _Goudlaken_ heeten".
Dit was een trant van geestigheid, waarin de heer _Dorbeen_ sterk was;
en daar _Pieter_ grinnikte, en mijn oom, die 't ook hoorde, zijn hoofd
lachend schudde, en de grap voor den heer _Van Naslaan_ herhaalde,
merkte mevrouw _Dorbeen_ dat er iets grappigs aan de hand was en,
haar gevuurvlamd hoofd opheffende, zeide zij allerinnemendst:
"Lieve _Dorbeen_! laten de dames ook reis wat van je hooren". Allen
zagen hem aan en zwegen.
"Beste schat!" zei _Dorbeen_, toen het heel stil was, met een lief
lachje--"ze hebben immers al heel veel van mij gehoord".
"Hoe zoo?" vroeg mevrouw _Dorbeen_.
"Wel, ze hooren immers _u_, mijn beste! en zijt gij niet van
mij?" antwoordde hij, heel "droogkomiek".
Allen lachten; maar het lieve zeventienjarige _Koosje_ had moeite, en
daarom vond mevrouw _Dorbeen_ het gepast haar lachende toe te voegen:
"Och _Koosje_! zoo is hij altijd; trouw nooit, kind; want de mannen
laten er hun vrouwen altijd inloopen".
_Pieter_ was intusschen achter den stoel van _Koosje_ gaan staan
rooken en werd op deze woorden bleek. Hij gevoelde dat hij er nooit
iemand, laat staan een vrouw, laat staan de zijne, in, zou, kunnen,
doen, loopen.
Daar nu dan toch de muur gevallen was, die op dergelijke bijeenkomsten,
welke men in burgerkringen "een kopje thee, en verder het avondje te
passeeren" of ook wel een "presenteertje", of een "aangekleede pijp",
of een "aangekleede boterham" noemt; daar nu dan toch, zeg ik, de muur
gevallen was, die op dergelijke bijeenkomsten de mannen van de vrouwen
scheidt, en er als 't ware eene verbroedering der beide seksen had
plaats gehad, en daar mevrouw _Dorbeen_ op eene ongezochte wijze het
voorwerp der algemeene opmerkzaamheid geworden was, vond mijn oom
goed met een verzoek voor den dag te komen, dat hij reeds lang op
't hart had gehad.
"Nu, mevrouw! maar je zult toch ons en de vrienden wel een plezier
willen doen?"
"Wel zeker, mijnheer _Stastok_!" En zich, met een bescheidenheid
grooten genieën eigen, spoedig tot mejuffrouw _Van Naslaan_ wendende,
"wat heb je daar een lief patroontje van een kraagje om!"
"Ja, mevrouw!" was het antwoord, ik "zeg altijd: duurkoop
goedkoop. Want ik vind dat het beste goed het 'et beste uithoudt. Ik
had het in den winkel bij _Van Drommelen_ gezien, en ik zeg tegen
mijn kinderen, als ik nú reis weer jarig ben...."
"Hoor eens," zei _Stastok_ tegen _Dorbeen_: "je moet maken dat je
vrouw reis reciteert, hoor".
"Heeremijntijd ja, je moet strak stellig reis reciteeren, lieve
mevrouw!" zei mijn tante met eenige ongerustheid, en op het woord
_strak_ zooveel kracht leggende als zij in bescheidenheid doen kon.
"Och toe, mevrouw!" zei _Koosje_ met een allerliefste uitdrukking
van gelaat.
"Hè ja!" zei _Mietje_ met de kalfsoogen.
"We moeten mevrouw niet overhaasten", zei mijn tante.
"Neen!" zei mevrouw _Dorbeen_, eenigszins bleek wordende, "als het dan
moet, moet het ineens maar. Wat wil je hebben? Kom, het Rijntje dan
nog maar reis". En haar schaar opnemende, om die, onder 't opzeggen,
bij iederen nieuwen regel open te doen en bij 't invallen der caesuur
toe te knijpen, begon zij met een door verlegenheid wat heesche stem,
die gedurig scheller werd:
"Zoo rust dan _eind_lijk, 't ruwe _noor_den
Van hagel_jacht_ en storm_geloei_,
En rolt de _Rijn_ weer langs zijn _boor_den,
Ontslagen _van_ de winter_boei_."
Toen zij zoover gekomen was, hield mevrouw _Dorbeen_ haar zakdoek voor
den mond en had een hevigen aanval van hoesten. Zij begon op nieuw en
geheel in denzelfden toon, maar andermaal bracht zij 't niet verder
dan tot "de winterboei". Zoodat mejuffrouw _Van Naslaan_ dadelijk
begreep dat zij wel ingezien had dat er achter die hoestbui meer zat.
Mevrouw _Dorbeen_ werd zoo rood als de linten van haar muts, staarde
in de lamp, en zei nogmaals, als om weer op gang te raken,
Ontslagen _van_ de winter_boei_.
Nieuwe stilte.
"Die winterboei boeit je tong, lieve!" merkte mijnheer _Dorbeen_
droogkomiek aan.
"Foei! daar had ik het nou net, en nou breng jij er me weer af. Wacht!
"Zijn waatren _drenken_ de oude _zoo_men,
En 't landvolk"
hier werd de stem zeer hoog:
"spelende aan zijn vloed,
Brengt vader _Rijn_ den lente_groet_...."
Aldus ging mevrouw _Dorbeen_ voort op een hartroerende wijze het
hartroerende meesterstuk des grooten _Borgers_ te bederven. Bij
het derde couplet begonnen hare oogen te rollen, en bij het vierde
rolden zij zoo zeer, dat ik vreesde dat zij van hare wangen afrollen
zouden. Zij was nu al rollende en brouwende en zingende en gillende
gekomen tot:
"Noem hij deze _aarde_ een hof van _Eden_,
Die altijd _mocht_ op rozen gaan,..."
Ach, du lieber Augustin, Augustin, Augustin!
klonk het over de tafel.
Het was het speelwerk in de lamp, door mijn tante, in schijn van
lepeltjes uit het lepeldoosje, dat vóór den olifant stond, te zoeken,
opgewonden. Ik begreep na waarom zij er zoo op gesteld was geweest,
dat mevrouw _Dorbeen_ haar reciet mocht hebben uitgesteld.
Mevrouw _Dorbeens_ oogen, die net gereed stonden om met
"Ik wensch geen _stap_ terug te _treden_",
hevig uit te rollen, rolden terug met de snelheid van een spoortrein.
"Wat is dat?" riep ze.
"Dat is een walsje," zei haar man.
"Neem mij niet kwalijk, mevrouw," smeekte mijn tante, "ik had het
opgewonden. 't Is het speelwerk in de lamp. 't Is anders de aardigheid,
dat het zoo onverwachts begint, een poosje nadat het opgewonden is. 't
Was om de vrinden te verrassen. Ik had gehoopt dat UE. wat later zou
hebben gereciteerd; nu komt het er ook zoo mal in."
Mijn tante zou gaarne, in dat oogenblik van verlegenheid, den geheelen
bronzen olifant den kop ingedrukt hebben. Maar er was niets aan te
doen, en in blinde opgewondenheid ging hij voort met zijn
Ach, du lieber Augustin!
Het was een tartend geluid voor mevrouw _Dorbeen_, en zij beefde
inwendig van toorn. Zij hield zich evenwel goed, en met langzame
teugen een kopje slemp uitgedronken hebbende, zei ze:
"Och! het vers was zoo goed als uit; de vrienden verliezen er niet
veel bij. Nu zal _Koosje_ wel eens wat willen doen."
_Koosje_ bloosde, en zei met de oogen op haar moeder geslagen:
"Ik kan niets; wel moeder?"
"Stil!" zei _Dorbeen_: "het verandert weer:
Où peut-on être mieux?"
En waarlijk, daar de olifant drie deuntjes machtig scheen te zijn, was
er voor niemand anders gehoor dan voor het grootste der viervoetige
dieren; totdat het al zijn kunsten getoond had, en met een forschen
tjingel besloot.
Mama _Van Naslaan_ bleek van eene meening te wezen tegenovergesteld
aan die, welke haar lief kind met het zoetste lipje der wereld had
beleden; zij geloofde veeleer dat haar _Koosje_ niet alleen iets,
maar zelfs zeer veel vermocht, en knikte haar daarom toe, ook iets
in het midden te brengen, waarop mevrouw _Dorbeen_ zei:
"Wel ja, laat je ook reis hooren, _Koosje_! _ik_ heb nu mijn plicht
gedaan!"
En tante riep: "Och ja, asjeblieft?" en mijnheer _Dorbeen_, zeer
droogkomiek, rijmde:
"Kom Koosje,
Lief roosje,
Reciteer reis een poosje!"
En _Mietje_, die niets was, zei alweer: "Hè ja!" en de oude _Stastok_
zei: "Komaan!" en stopte een pijp; en de jongere _Stastok_ verstoutte
zich om met een hooge kleur te zeggen: "Toe, als 't u belieft!"
Maar het lieve kind bloosde zoo sterk, en was zoo angstig, en
verontschuldigde zich zoo smeekend, dat tante er medelijden mee kreeg
en zei:
"_Koosje_ is misschien bang voor den vreemden heer; ik geloof dat
we haar meer pleizier doen zullen als we 't voor dezen keer te goed
houden!"
Waarop mevrouw _Dorbeen_, haar oogen zeer sterk op den snuit van den
olifant gevestigd houdende, op een aardig toontje zei:
"Als die vreemde heer ons dan ook eens schadeloos wilde
stellen! Mijnheer _Hildebrand_ kan immers ook wel een kleinigheid!"
"Dat was goed," zeiden allen, en mijn oom keerde zich om, ten einde
even op zijn horloge te kijken; want "hij wou om den dood niet graag
dat er nachtwerk van wierd."
Men stopte versche pijpen; de heeren gingen zitten; de heer _Van
Naslaan_ met een zucht; de heer _Dorbeen_ met het oog van een kenner;
_Pieter_ met dat van een verachter; mijn oom met dat van iemand die
pas op zijn horloge heeft gekeken en halftien heeft ontwaard. Ik
stoorde mij volstrekt niet aan de heeren, en plaatste mij zoo, dat ik
het lieve gezichtje van _Koosje_ vlak voor oogen had; men moet _wat_
hebben voor de moeite.
"Ik zal," zeide ik, toen alles doodstil was, "het gezelschap lastig
vallen met een klein stukje. 't Is een vertaling door een mijner
vrienden, en uit het Fransch."
"Uit het Fransch!" herhaalde de heer _Van Naslaan_, met een bedenkelijk
gezicht mijn oom aanziende.
"Kom aan, dat 's goed!" zei mevrouw _Dorbeen_.
Alles was doodstil om den vreemden stoethaspel te hooren, maar
geen der dames zag hem aan, vermits hare loffelijke bescheidenheid
dit nooit gedoogt, als men in gezelschap iets voor haar opzegt, met
uitzondering van mevrouw _Dorbeen_, die scheen te willen weten "of hij
goed met zijn oogen rollen zou". _Koosje_ zat hevig te festonneeren,
en ik zag niets dan haar gescheiden haar.
Ik begon:
"Als 't kindje binnenkomt--"
Pie-ie-iep! zei de deur, langzaam opengaande, en binnenkwam--geenszins
een kindje, maar de vijftigjarige dienstmaagd in haar wit pak; belast
en beladen met de aangekleede boterham in persoon, in de gedaante van
een schat van broodjes met kaas en rookvleesch, en een macht van ster-,
ruit-, cirkel-, klaverblad-, en vischvormige gebakjes, die ondanks
hun verschillende gedaante, wegens de evenredigheden van hun inhoud,
in het dagelijksch leven den wiskundigen naam van evenveeltjes dragen.
Mevrouw _Dorbeen_ kon een klein lachje van zenuwachtige voldoening
niet onderdrukken.
Er werd rondgepresenteerd, en ik wreekte mij over de stoornis met
een evenveel; en toen die op was, hervatte ik vol moed, ofschoon de
uitwerking van den eersten regel bedorven was, en ik duidelijk zag dat
de droogkomieke heer _Dorbeen_, toen ik de eerste woorden herhaalde,
nog weer aan de vijftigjarige dienstmaagd dacht:
"Als 't kindje binnenkomt, juicht heel het huisgezin;
Men haalt het met een lachje en zoete woordjes in;
Het schittren van zijn oog deelt aan elks oog zich mede;
En 't rimpligst voorhoofd (ook 't bezoedeldste wellicht!)
Klaart voor den aanblik op van 't vroolijk aangezicht,
Met iedereen in vrede.
't Zij we onder 't lindeloof des zomers zijn vereend,
't Zij 't snerpen van de koude ons stiller vreugd verleent
En we om een knappend vuur de stoelen samenschikken;
Als 't kind verschijnt, ziedaar een waarborg voor de vreugd;
Men lacht, men troetelt, kust en tergt zijn dartle jeugd;
En moeders harte smaakt zijn zaligste oogenblikken."
Mevrouw _Dorbeen_ lachte goedkeurend.
"Soms spreken we om den haard, met ernst en met verstand,
Van wetenschap en kunst, van plicht en vaderland,"
De heer _Van Naslaan_ knikte zeer verstandig.
"Van staat, van godsdienst, van geschriften en gezangen;
Het kind komt in: vaarwel kunst, godsdienst, plicht en staat!
't Wordt: kusjes voor den mond, en kneepjes in de wangen,
En hobblen op de knie, en jok en kinderpraat."
"Dat is heel lief!" zei mijn goedhartige tante, halfluid.
"Als, na een duistren nacht van stormwind en van regen,
Een nacht, wen menigeen, vergeefs ter rust gezegen,
Naar 't woelig gieren hoort, daar 't kind doorheen slaapt; als,
Na zulk een nacht, het rood des uchtends, dat de kimmen
Van liefelijken waas en zachten gloed doet glimmen,
En blijde zangen wekt bij 't vooglenkoor des dals;"
De heer _Dorbeen_ kuchte. De heer _Van Naslaan_ trok oogen en
wenkbrauwen pijnlijk samen, als of hij vragen wilde: "waar moet dat
naar toe?"--Juist omdat ook hij dat niet wist, liet mijn ooms gelaat
onbepaalde bewondering blijken.
"Zoo zijt gij, dierbaar kind! Waar gij verschijnt, daar vluchten
En duisternis en nacht en zwarte regenluchten;
Gij zijt een heldre zon, een blijd en vroolijk licht;
Door d'adem van uw mond verwekt gij v
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/15975