De Kerels van Vlaanderen
by Hendrik Conscience · Dutch · Gutenberg #13625 · 1,061,549 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of De Kerels van Vlaanderen
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: De Kerels van Vlaanderen
Author: Hendrik Conscience
Release date: October 5, 2004 [eBook #13625]
Most recently updated: October 28, 2024
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/13625
Credits: Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the Online
Distributed Proofreading Team.
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KERELS VAN VLAANDEREN ***
HENDRIK CONSCIENCE
De Kerels van Vlaanderen
Brussel
[1883]
De Kerels van Vlaanderen
I
Op eenen herfstmorgen van het jaar 1126 weergalmden de plechtige tonen
van eenen lofzang binnen de kerk van Onze-Lieve-Vrouwe te Brugge.
Ongetwijfeld zaten onder hare breede gewelven gansche scharen
nedergeknield; want nu en dan riep het gerinkel der schellen de
geloovigen tot een inniger gebed.
Evenwel, op het doodenveld, dat den tempel omringde, heerschte de
volledigste eenzaamheid. Geen ander gerucht stoorde er de stilte dan het
aanhoudend geschreeuw eener vlucht zwarte kauwen, die daarboven, op meer
dan vierhonderd voet hoogte, de lucht met hun treurig gekras vervulden
en als een onweerswolk rondom de spits van den reusachtigen toren vlogen
en slingerden.
Aan eene groeiende rots gelijk, schoot het logge gevaarte zijne bonkige
freiten en graten ten hemel, en hief het teeken der verlossing zoo hoog
boven de stad, dat de scheepslieden, van uren en uren verre in zee, deze
baak konden herkennen....[1]
Een man trad langzaam op het kerkhof, luisterde eene wijl op de statige
galmen die in den tempel herklonken en stapte dan verder in het
kronkelend voetpad.
Hij naderde een steenen kruis,--godvruchtige gedachtenis aan eenen
dierbaren doode,--leunde met den elleboog er tegen en bleef zoo, half
glimlachend, naar de kerkdeur blikken, als wachtte hij met vurig
verlangen op iemand wiens verschijning hem gelukkig kon maken.
Deze man had wel de dertig jaar bereikt; zijne weinig verhevene gestalte
en de magerheid zijner leden deden hem echter jonger schijnen dan hij
was. Met vrij regelmatige wezenstrekken en diep zwarte oogen mocht hij
sommigen toeschijnen als niet beroofd van zekere schoonheid; maar zware
wenkbrauwen en scherpgeslotene lippen gaven zijn gelaat een zuur en
onvriendelijk voorkomen dat, bij den eersten blik, twijfel of mistrouwen
aangaande zijne inborst kon verwekken.
Zijne kleeding liet gissen dat hij tot den ridderstand behoorde; want
zijn overkolder was van fijn groen laken en de draagband, waaraan zijn
zwaard hing, glinsterde van gouden en zilveren stikwerk In diepe
gedachten was hij verslonden. Had in het eerste een glimlach van blijde
verwachting de harde plooi zijner lippen gematigd, nu toch schoot er
insgelijks eene bedroevende overweging door zijnen geest; want hij
sidderde van verborgene gramschap en sloeg met zijne vuist aan den arm
van het kruis waartegen hij leunde, als wilde hij den steen vermorzelen.
Dan was zijn aangezicht terugstootend van bitterheid en haat.... Maar nu
traden er eenige lieden uit de kerk--en de glimlach verscheen weder op
des ridders mond, terwijl hij verder het doodenveld overstapte om niet
te laten vermoeden dat hij daar wachtend had gestaan.
De godsdienstige plechtigheid moest ten einde zijn; want uit de nauwe
tempeldeur stroomde een vloed geloovigen van allen ouderdom en stand.
Al hadde ook het dragen der lange zwaarden en rijke kleederen de ridders
tusschen de menigte niet aangewezen, hunne trotsche houding en de
dienaars welke hen ootmoedig volgden waren toereikend geweest om hen en
hun huisgezin van de Poorters[2] of burgers te doen onderscheiden.
Deze laatsten, ernstig en bescheiden, droegen eenen langen kolder van
donkerkleurig laken, meest zwart of bruin, waarboven, aan eenen
gordelriem, de lederen tassche hing met een mes in eene scheede.
De lijfeigenen of dienstbare lieden,--die men nog met den akker, waarop
zij geboren waren, kon koopen en verkoopen,--waren gekleed in ongebleekt
linnen of in grof roestvervig laken, onzindelijk en slordig. Velen zelfs
gingen met armen en voeten naakt.
Geen dezer ongelukkigen hadde eenig wapen durven dragen, al ware het
slechts een schier onzichtbaar mes geweest. Het teeken hunner slavernij
bestond in de berooving van alle verdedigingsmiddel, en eene wreede
straf wachtte dengene die de onedelheid zijner afkomst poogde te
verbergen.
Reeds hadden vele geloovigen zich verwijderd, toen een bejaard ridder
met zijne dochter uit de kerk kwam en bij de ingangdeur bleef staan, om
met haar over iets te spreken.
Burgers en mindere lieden schikten zich met eerbied op eenige stappen
rondom hem en keken stil en verbaasd op de jonge maagd, wier schoonheid
elkeen met bewondering trof.
Deze ridder, Segher Wulf van Lampernisse, was weduwnaar; zijn eenig
kind, hem dierbaar als het licht zijner oogen, heette Dakerlia.
Alhoewel zij door hare opgeschotene gestalte en sterken lichaamsbouw de
andere vrouwen scheen te overheerschen, was zij echter nog zeer jong.
Dit getuigde het donzig waas op hare beroosde wangen, de zoete
schuchtere blik harer diepe bruine oogen, het koraal op haren fijnen
mond en iets onbestemds in haren gang.
Maar het geviel tevens dat zij, haastig met haren vader sprekende, meer
nadruk aan haar woord wilde geven, en dan ontschoot aan dit helder oog
eene vonk van gemoedskracht die de omstanders met verwondering trof en
deed denken dat in dit zoete maagdelijk wezen eene sterke ziel moest
wonen.
Zelfs murmelde op dit oogenblik eene oude burgersvrouw schier
onhoorbaar:
"Ho, de lieve jonkvrouw! Prachtige Kerlinne van het zuiverste bloed!"
Dakerlia droeg een onderkleed van witte gebloemde zijde met enge,
spannende mouwen; daarop een lichtblauw overkleed, waarvan de mouwen
integendeel wijd en afhangend waren. Haar golvend zwart haar was boven
haar hoofd met eenen witten sluier bedekt en te zaam gehouden door eenen
platten band van zuiver goud, die als eene kroon aan haar voorhoofd
blonk.
Haar vader drukte haar de hand en meende haar te verlaten; de
dienstmeid, door hem geroepen, naderde reeds om hare jonge meesteresse
te vergezellen toen eensklaps de man, die op het kerkhof had gestaan,
met vele buigingen tot hem kwam en onder vriendelijk glimlachen zeide:
"God geve u alle heil, mher Wulf en u, jonkver Dakerlia. Welkom, welkom!
Hoe verblijdt het mij u behouden weder te zien na zulke lange
afwezigheid!"[3]
"Zulke lange afwezigheid, mher Disdir Vos?" schertste Segher Wulf.
"Nauwelijks eene maand."
"Het schijnt zeer lang voor die u eeren ... en beminnen", antwoordde
Disdir, terwijl hij met eenen zucht de oogen op de jonkvrouw richtte.
"Ik dank u voor uwe genegenheid", zeide Segher Wulf, minzaam lachende,
"maar gij zult het mij vergeven, mijn goede Disdir, indien ik niet
langer met u kan kouten. Ik ben slechts gisterenavond van den zeekant
teruggekeerd en moet onmiddellijk bij den proost van St-Donaas eene
gewichtige boodschap gaan vervullen. Indien gij waarlijk nieuwsgierig
zijt om te weten hoe het ons op de reis is gegaan, Dakerlia kan er u
iets van zeggen, terwijl gij haar een eindweegs huiswaarts vergezelt."
"O, God, alleen met haar!" mompelde Disdir Vos binnensmonds terwijl
zijne oogen van blijdschap glinsterden.
En zich tot de jongvrouw keerende, vroeg hij met zekere aarzeling:
"Gij stemt toe, Dakerlia?"
[Illustratie: Ik verbied u mij nog ooit het woord toe te sturen!]
"Uw gezelschap is vereerend voor mij, mher Vos", stamelde zij, "maar, ik
bid u, geef deze moeite niet; mijne dienstmeid zal mij vergezellen."
Haar vader drukte Disdir de hand en verwijderde zich in de richting naar
den Dyver; Dakerlia, door hare meid gevolgd, stapte aan de zijde van
Disdir de Maria-straat in.
Eene wijl gingen zij stilzwijgend. De ridder hield de oogen zijdelings
op haar; zijne borst zwoegde en zijn blik ontvlamde, als bereidde hij
zich tot eenen harden strijd waarin hij eene pijnlijke wonde moest
bekomen.
Eensklaps zeide hij op eenen hollen toon, die van zijne overmatige
ontsteltenis getuigde:
"Dakerlia, ik ben ongelukkig; ik doorsta smarten die mij het leven
ondraaglijk maken. Reeds tweemaal heb ik u durven bekennen wat
onverwinnelijk gevoel voor u in mijnen boezem is ontstaan. Gij hebt
eerst ongevoelig den spot met mijn lijden gedreven, daarna koel en
bitter mij afgewezen. Ach, sedert dan is die vonk in mijn hart tot een
verterend vuur aangegroeid...."
"Maar bedwing u, heer", murmelde Dakerlia op strengen toon. "Spreek zoo
niet tot mij."
"Uw vader, die mij acht en mij met zijne genegenheid vereert, gaf mij er
het recht toe. Hem heb ik de hand zijner dochter gevraagd, en hij heeft
ze mij toegestaan op voorwaarde dat ik uwe toestemming verwierf.
Dakerlia, heb medelijden; blijf niet onmeedoogend mij veroordeelen!"
"Ik ben te jong nog om aan zulke dingen te denken", zeide de jonkvrouw.
"Te jong nog?" schertste Disdir. "Gave God dat het zoo ware!... Maar
versmachten wij den wreeden worm die daar binnen knaagt.... Dakerlia,
het lot heeft mij begunstigd: wij zijn alleen. Ik wil u mijne bekentenis
herhalen, al dreigde mij daarom de dood zelf. Ja, Dakerlia, ik bemin u;
niet zooals een ander man u zou kunnen beminnen, neen, meer dan het
leven, meer dan mijne plaats in het Walhalla der vaderen, meer dan
mijner ziele zaligheid...."
"Schromelijk!" zuchtte de maagd. "Wat gij zegt, heer, is eene
godslastering!"
"Eilaas, het is waar: ik ben blind, betooverd, zinneloos", ging Disdir
voort. "Wees toch genadig, Dakerlia; red mij uit deze hel van
vertwijfeling door een enkel minzaam woord! Gij zwijgt, o wreede?"
"Wat kan ik antwoorden op zulke taal?" morde de jonkvrouw met
ontevredenheid.
"Zeg mij, zeg mij, om Gods wil, dat ik mag hopen!"
"Ik zou liegen, Disdir."
"Gij zoudt liegen! Wee mij! Er is dus geene de minste vonk van
genegenheid voor mij in uw ijskoel hart?"
"Vriendschap, genegenheid kan ik u gunnen, als aan elk der bekenden
mijns vaders", antwoordde het meisje, "maar het gevoel dat gij van mij
eischt, mher Disdir, is iets dat zich niet laat gebieden, gij weet het
wel. Is uwe smart ongeveinsd, dan heb ik waarlijk medelijden met u. Meer
kan ik u niet geven."
Als geheel ontmoedigd, liet de ridder het hoofd op de borst vallen en
stapte eenige oogenblikken zwijgend voort.
Eene rilling doorliep welhaast zijne leden, en hij sprak tot de maagd op
zoeteren, doch niet min ontstelden toon:
"Dakerlia, gedurende deze vier eindelooze weken uwer afwezigheid heb ik
aan niets gedacht dan aan u alleen; mijne ziel is vervuld gebleven met
uw beeld; nacht en dag hebt gij voor mijne oogen gewaard. Ik heb
gedwaald als een verloren geest, u zoekende in de straten, in de
bosschen, in de woestijnen; en overal klonk mij in de ooren het
onverbiddelijke "neen, neen!" dat gij mij, als een gloeiend ijzer, op
het bloedend hart hebt gedrukt. Dakerlia, uw vader stemt toe in ons
huwelijk. Verwerp mij niet voor eeuwig. O, laat mij hopen! Bedrieg mij,
maar laat mij hopen!"
"Bedriegen kan ik niet; bedriegen wil ik niet", zuchtte de maagd, droef
en ongeduldig.
"Niets voor mij dan afkeer en misprijzen!" huilde Disdir op versmachten
toon. "Zelfs geene genegenheid genoeg om mij uit medelijden te
bedriegen! Welaan, het zij dan zoo! Liefde of verachting, mijne vrouw
zult gij worden, Dakerlia!"
"Ik uwe vrouw?" kreet de maagd met verontwaardiging. "Welk ridder, welk
vrijgeboren man zou eene vrouw door geweld tot een huwelijk zonder
genegenheid willen dwingen?"
"Eene liefde als de mijne is blind en kent geene wetten. Wat mij
verhindert, wat mij in den weg staat zal ik verbrijzelen!"
"En ik zal mijnen vader zeggen wat schaamtelooze taal gij tot zijn kind
durft voeren."
"Hij zelf schonk mij uwe hand."
"Gij weet wel, heer, dat dit onwaar is. Mijn vader laat mij de vrije
keus. Hij heeft niet verzuimd het u uitdrukkelijk te zeggen. Daarbij, ik
herhaal het u, ik ben veel te jong om aan zulk iets te denken."
Hij schouwde haar diep in de oogen en vroeg met ontstelde stemme:
"Dakerlia,--o, folterend vermoeden!--Dakerlia, gij bedriegt mij. Ware uw
hart vrij, gij zoudt niet zoo onmeedoogend voor mij zijn. Durf zeggen
dat gij niet reeds uwe keus hebt gedaan!"
Een hevige schaamteblos kleurde het voorhoofd der maagd. Zij voelde zich
gekwetst, aanzag Disdir met fieren blik en antwoordde:
"Wat geeft u de stoutheid om dus beschuldigend mij te ondervragen? Zijt
gij een eerlijk ridder en een Kerel? Waarom vergeet gij dan dat ik eene
vrouw ben en recht heb op uwen eerbied?"
"Nu, durf spreken!"
"Verwijder u, verlaat mij!" gebood de jonkvrouw op ontzagwekkenden toon.
"Ja, ik zal mij verwijderen!" gromde Disdir, uitzinnig van spijt. "Ik
weet wel wie het is die mij belet in uw hart de minste plaats te vinden,
omdat hij het geheel vervult. Robrecht Snelhoge, niet waar? Hij is een
Erembald, hij is machtig, rijk als een vorst; en de hoop dat gij nevens
hem zult schitteren...."
"Onbeschaamde, gij verzaakt zelfs mijne achting!" onderbrak de maagd met
gramschap. "Ga uwen weg; ik verbied u mij nog ooit het woord toe te
sturen!"
"Ach, vergiffenis, medelijden!" smeekte Disdir, die beefde onder den
vertoornden blik der maagd. "Laat mij eene vonk, eenen schemer slechts
van hoop!"
"Mijnen vader zal ik verzoeken u mijn verbod te doen eerbiedigen; en wij
zullen zien of gij den ouden krijgsman zult durven trotsen en zijn kind
blijven hoonen."
"Doemenis, doemenis!" kreet Disdir, van vertwijfeling de vuisten
wringende. "Gij veroordeelt mij tot eeuwige wanhoop?... Ah, neen, neen,
mijne vrouw zult gij worden, Dakerlia!"
En onder het uiten dezer woorden keerde hij zich om en liep met hevige
gebaren terug in de straat.
De jonkvrouw hield vol ontroering den blik nederwaarts en stapte in
gepeinzen voort. Het was haar bang om het hart en zij schudde soms het
hoofd in pijnlijken twijfel. Niet omdat de laatste woorden van mher Vos
haar verschrikten; want zij kende hem als een grootspreker wiens
overdrevene woorden en wiens bedreigingen weinig te vreezen waren; maar
hij had haar iets gezegd dat haar als eene angstwekkende veropenbaring
had getroffen.
Robrecht Snelhoge!--Disdir had deze beschuldiging ongetwijfeld op een
ijdel vermoeden gegrond; de schijn had hem bedrogen?
Als gebuurkind en vriendinne was Dakerlia, om zoo te zeggen, met
Robrechts zuster opgevoed geworden. Van hare eerste stappen in het leven
had zij Robrecht aan hare zijde gezien, en zij was allengs gewoon
geworden hem als eenen broeder te beschouwen. Ofschoon eenige jaren
ouder dan zij, had hij gedurende hare kindsheid wel dikwijls hare spelen
gedeeld. Later was hij ernstiger geworden; maar hij was toch zoo goed en
zoo minzaam voor haar gebleven dat zij dan met dankbaarheid aan hem en
aan hare kinderjaren kon denken. Ach, was het iets meer dan broederlijke
genegenheid, dit diep en innig gevoel dat hen alle drie reeds zoolang in
den band der schuldelooze vriendschap hield gesloten?
Dit waren de angstige gepeinzen der maagd, terwijl zij langzaam de
Hoogstraat instapte.
Van wederzijde dezer straat kon men drie slag van woningen bemerken. De
talrijkste waren huizen tot welker bouw men terzelfder tijd hout en
baksteenen had gebezigd. Eenigen dezer woonsteden van welhebbende
poorters waren tamelijk hoog, en de stijlen hunner enge deuren en de
omlijsten hunner rondbogige vensters waren met eenen overvloed van
gesneden beeldwerk versierd. Het benedengedeelte dezer huizen was
ingericht tot winkels of stapels van allerlei waren; men verkocht er
laken en lijnwaad, leder, huisgerief, ijzerwerk, landbouwgereedschappen
en vele andere benoodigheden des levens of voorwerpen des handels.
Daartusschen en bij groepen hier en daar te zamen geschikt, zag men ook
houten hutten zonder verdiep, zeer laag en onzindelijk, die tot
schuilplaats dienden aan onvrije of geheel arme lieden.
Verder, ten einde der straat, hieven twee ridderlijke Steenen[4] hunne
ronde of achtkantige torens in de hoogte; zij schenen door hunnen loggen
bouwtrant en door de schietgaten, die als zoovele wakende oogen over de
poortershuizen heenkeken, al wat hen omringde te bedreigen en te
overheerschen. En waarlijk, zulk sterk slot, te midden der stad zelve
opgericht, moest in dien tijd den burgers en onvrijen lieden ontzag en
vrees inboezemen voor de heerschzuchtige ridders, die met macht uit dit
arendnest konden vallen, om onrecht te plegen, doch niet vervolgd konden
worden achter muren welke de stormram zelfs onwrikbaar vond.
Van zulke versterkte Steenen stonden er velen binnen Brugge of in de
nabijheid; want reeds alsdan ontkiemden niet alleenlijk in deze stad de
Vlaamsche bedrijvigheid en de Vlaamsche koophandel; maar zij was tevens
het gewoon verblijf van den graaf van Vlaanderen, wiens hofhouding
talrijke edele landheeren uitlokte. Elk dezer machtige ridders had zich
het recht aangematigd om een dergelijk bewald en immer dreigend kasteel
te bewonen.
Dakerlia hield haren ontstelden blik gericht naar eene der beide
ridderwoningen, welker gulden weerhanen in de verte boven de hoogste
poortershuizen glinsterden.
Nu moest zij in hare overwegingen tot een besluit geraakt zijn, want zij
zag er zeer droef en neerslachtig uit; ja, zij vertraagde nog haren
gang, als hadde zij gevreesd het einde der straat te bereiken.
Daar stond nochtans de Steen haars vaders ... maar bijna recht er over
stond de Steen waar de ouderlooze Robrecht Sneloghe met zijne jonge
zuster Witta woonde.
Kon Dakerlia, na eene maandlange afwezigheid, nalaten hare trouwe
vriendin Witta te bezoeken? Onmogelijk!... maar indien Robrecht te huis
was en zijn oog haren vreesachtigen blik ontmoette? Zou zij niet beven,
schaamrood worden en den angst haars harten verraden?
Ja, nu toch zag zij klaar in hare eigene ziel. Hoe had zij het zoolang
voor zich zelve kunnen verborgen houden? Het nijdig woord van Disdir Vos
was er noodig geweest om haar die geheimenis te veropenbaren: uit hare
zusterlijke vriendschap voor Robrecht was een ander gevoel ontstaan!
Nu wist zij waarom zij, maanden reeds voor haar vertrek, eene
onweerstaanbare neiging had gevoeld om hare bezoeken bij Witta in getal
te verminderen en in duur te verkorten; waarom zij zwijgend was geworden
in Robrechts tegenwoordigheid en den blik nedersloeg als hij haar
bezag.... Ah, daarom had het beeld van Robrecht op geheel deze reis haar
vervolgd als een onverjaagbare droom!
Zij stond voor de poort van haars vaders Steen, toen zij met een treurig
knikken deze laatste gedachten bevestigde. Zij meende binnen te treden,
want de meid had reeds den ijzeren klopper laten nedervallen; maar
eensklaps ontsnapte haar een lange zucht; zij richtte het hoofd als met
fierheid op en murmelde in zich zelve:
"Waarom zou ik beschaamd zijn? Ben ik schuldig? Heb ik voor mij zelve
het zoolang kunnen verborgen houden, waarom zou mij dan de noodige
sterkte ontbreken om het voor alle anderen te verbergen? En indien
Robrecht niet vermoedt wat er in mijn hart omgaat?... Misschien is hij
niet te huis? Ik kan toch niet als eene vijandin afbreken met zijne
goede zuster. Wat kwaad heeft zij mij gedaan? Kom, ik zal moed hebben,
mij sterk houden en God bidden dat Hij mij machtig make tegen een gevoel
dat mij verschrikt...."
Zij wenkte de meid en zeide haar:
"Ga binnen, Gertrudis; ik behoef uwen dienst niet meer. Komt mijn heer
vader te huis en vraagt hij naar mij, meld hem dat ik mijne vriendin
Witta ben gaan bezoeken."
Zij richtte zich hierop tot den grooten Steen aan de overzijde der
straat en vroeg eenen dienaar, die in de halfgeopende poort stond, of
jonkver Witta Sneloghe te huis was.
Met een bevestigend antwoord leidde de huisknecht haar over den Neerhof.
Zij volgde hem schier bevend; doch toen hij haar meldde dat zijn meester
sedert den vroegen morgen reeds was uitgegaan, verlichtte haar gemoed en
zij glimlachte zelfs met blijdschap, als viele er een drukkende steen
van haar hart.
De dienaar bracht haar in eene kleine benedenzaal en schoof eenen
leunstoel vooruit.
"Jonkver Wulf", zeide hij, "mijne meesteresse is boven en ongetwijfeld
bezig aan haren opschik. Ik zal eene meid bevelen haar van uwe komst te
gaan verwittigen. Gelief dus het mij niet ten kwade te duiden indien gij
verplicht waart eene korte wijle te wachten"
Dakerlia zette zich neder en liet hare blikken, vrij en helder, rondom
deze kamer dwalen, elk voorwerp glimlachend aanziende, als begroette zij
oude, zeer oude vrienden, tusschen welke zij in reeds verre afzijnde
tijden had geleefd.
Inderdaad, het speelzieke kind, het vrije en zorgelooze meisje, dat hier
vroeger leefde, bestond niet meer; de tijd van heldere, belanglooze
vriendschap was reeds het verleden geworden....
De zaal waarin zij zich bevond was tamelijk duister, dewijl de kleine,
groenachtige vensterruiten slechts een beperkt en gematigd licht
toelieten. Aan de voeten der jonkvrouw spreidde de vloer van kleurige
baksteenen zijne gebloemde reken uit; boven haar hoofd rustte het
verdiep op eiken balken, welker kanten en steunsels versierd waren met
schoone beeldingen, schitterende van goud en allerlei prachtige verven.
Eveneens bestond hier alle huisraad uit gesneden eikenhout dat, ofschoon
donker en zwaar, de teekens droeg van geduldvollen arbeid en van
rijkdom.
In het diepe der zaal verhief zich een hooge schoorsteen van blauw
arduin, en daarboven prijkten eenige ridderlijke wapens, zooals een
krijgsdegen, een maliehemd, een harnas en een ijzeren stormhoed.
Dakerlia was opgestaan en stapte rondom de kamer, als wilde zij elk der
voorwerpen, welke er zich bevonden, van naderbij beschouwen. Misschien
gaf zij slechts toe aan de onrustigheid die haar nog beheerschte.
Zij was blijven stilstaan voor eene halfgeopende kas waarin drie of vier
boeken op een berd lagen. Met verslondenheid hield zij eene wijl de
oogen er op gevestigd. Zij keek eensklaps bespiedend naar de deur der
zaal, als iemand die aarzelt om eene laakbare daad te plegen, greep dan
de deur der kas aan en opende ze verder....
Een zucht ontsnapte haar. Daar stond, nevens de boeken, eene dooze of
zeer klein schrijn, met leder overtogen en met gulden inlegwerk gesierd,
dat ongetwijfeld een juweel of eenig ander kostbaar kleinood moest
bevatten.
Eene lange wijl staarde zij beweegloos doch met begeesterden blik op
deze dooze, legde eindelijk aarzelend de hand er op en schouwde biddend
ten hemel.
Zij murmelde zeer zacht, als vreesde zij dat haar gelispel door iemand
kon worden gehoord:
"Dit schrijn bevat het levensgeluk eener vrouw! Toen zijne moeder haar
einde voelde naderen, schonk zij hem het kostbaar juweel, en zeide tot
vaarwel:'Robrecht, sier daarmede den hals uwer bruid tot mijne
gedachtenis!' Wie? wie zal het zijn, o genadige God?"
Maar een gevoel van beschaamdheid greep haar aan; zij duwde de kas toe,
keerde terug naar den leunstoel en liet er zich op nederzakken.
Waarschijnlijk zette zij den gelukkigen droom voort, die bij de kas hare
dwalende ziel had gestreeld; want nog was haar oog helder en een blijde
glimlach bleef op hare lippen zweven ... totdat eene nog jongere maagd
dan zij in de zaal trad en, met opene armen op haar toesnelde terwijl
zij uitriep:
"Ah, God dank, God dank, daar zijt gij behouden weergekeerd, lieve
Dakerlia!"
"Goede, dierbare Witta", murmelde jonkver Wulf ontroerd, terwijl zij
Robrechts zuster omhelsde, "hoe heb ik onverpoosd aan u gedacht! Nu toch
ben ik wel gelukkig u weder te zien!"
"En ik, Dakerlia, ik was zoo bedroefd en treurig dezen morgen...."
"Treurig? Waarom, vriendinne?"
"Van gisterenavond heeft mijn broeder mij gezegd dat gij teruggekomen
waart. Hij vernam het van onzen oom, den kastelein Hacket, die u in
eenen wagen de Ezelpoort zag binnenrijden. Ik ben vandaag met de zon
opgestaan en heb lang uitgezien of gij niet kwaamt. De vermoeidheid,
niet waar? Gij hebt wat laat geslapen?"
"Maar neen, gij misgrijpt u", antwoordde Dakerlia, hare vriendin de hand
nemende. "Kom, laat ons zitten en kouten. Het is eene gansche
geschiedenis die ik u moet vertellen."
"De reden waarom gij zoo laat mij bezoekt?"
"Ja, Witta; het was eene gelofte die ik, op zee, aan Onze-Lieve-Vrouw
van Brugge heb gedaan."
"Op zee, Dakerlia? In eenen storm? Geloofd zij de Heilige Moeder, die u
heeft beschermd. Maar, lieve hemel, hoe geraaktet gij op de woeste zee?"
"Die zal ik u gaan verhalen, Witta. Luister slechts.... Toen wij te
Lampernisse op de hofstede mijner moei kwamen, was zij zoo ziek dat wij
haar onzen innigen dank betuigden omdat zij ons had laten roepen. Nadat
ik bijna twee weken nevens haar bed had gewaakt, haar had getroost en
verpleegd, werd zij eensklaps beter, en een paar dagen daarna gevoelde
zij zich reeds tot zooverre hersteld dat zij van den bedde opstond en
met mij in den hof wandelde...."
"Hoe? Uwe moei is genezen!" kreet Robrechts zuster verwonderd.
"Maar neen, Witta. Laat mij toch voortgaan. Zij scheen geheel genezen en
onze zorgen niet meer te behoeven. Te Veurne, dat schier aan Lampernisse
paalt, vernam mijn vader dat eenige kooplieden, vrije mannen en Kerels
als hij, voorgenomen hadden in gezelschap naar Witzand te reizen, eene
zeehaven in het graafschap van Boonen[5] gelegen. Dit bracht mijnen
vader op de gedachte deze gelegenheid waar te nemen om zijnen broeder te
bezoeken die niet verre van daar te Helbedinghem woont, en welken hij in
tien jaar niet meer had gezien. Het was wel dertig uren verre; maar
toch, ik, nieuwsgierig om dit gedeelte van het oude Kerlingaland te
kennen...."
"Dertig uren verre over zee? En gij hebt aanvaard?" kreet Witta
verbaasd.
"Dan nog niet, vriendin. Wij reisden over land, en kwamen na vier dagen
behouden te Witzand aan."
"Maar hebt gij niets merkwaardigs of zonderlings onderwege gezien,
Dakerlia? Vertel mij toch iets van uwe lange reis!"
"Wat zal ik u vertellen? Het land, alhoewel wat heuvelachtig, ziet er
uit als hier; de lieden zijn er Kerels van ons geslacht en spreken er
hetzelfde Dietsch als wij, Kerels van Vlaanderen[6]."
"Zij zijn dus ook vrije mannen?"
"Dat weet ik niet al te wel", gaf Dakerlia, het hoofd schuddende, ten
antwoord. "Het schijnt dat hunne voorvaders vroeger door de graven van
Gwynen en van Boonen wreedelijk zijn verdrukt geworden, en dat zij nu in
eene halve dienstbaarheid leven. Het recht tot het voeren van wapens is
hun ontroofd. Zij betalen eene schatting om eene houten kolf tot
verdediging te mogen dragen, en die verlaten zij nooit. Daarom noemt men
hen de Kolvekerels, en die onrechtvaardige schatting, de Kolvekerlij[7].
Deze menschen, wanneer de vrije Kerels uit Vlaanderen zien, klagen over
hun lot en drukken de hoop uit dat zij nog wel eens uit de
dienstbaarheid zullen opstaan. Anders zijn zij van opzicht, gestalte en
kleeding geheel gelijk aan onze Kerels die de Ambachten bewonen. Meer
weet ik u van hen niet te vertellen."
"Maar hoe geraakt gij op de zee, Dakerlia?"
"Het is gansch eenvoudig. Te Witzand lag een schip van Brugge, dat met
eene lading koren en schapevachten naar het Swin[8] zou varen. De
stuurman was een Kerel van Uitkerke die mijn vader goed kende. Hij
stelde ons voor ons onderweg te Sandeshove[9], op de Vlaamsche kust, aan
wal te zetten. Daar wij geen gezelschap hadden om over land terug te
keeren en de reis over zee korter en gemakkelijker is, besloot mijn
vader het aanbod van den stuurman te aanvaarden, indien ik toestemde. Ik
durf het wel bekennen, Witta: ik was een beetje verschrikt van de
overvaart op den grooten, wilden plas; maar de tegenwoordigheid van
eenen Walschen priester, die naar Rodenburg[10] wilde en met ons zou
varen, gaf mij moed."
"En gij deinsdet niet terug van eene zoo lange zeereis, Dakerlia?"
"Neen, vermits een priester ze zonder kommer wilde ondernemen."
"Een priester is een man; wij zijn zwakke vrouwen."
"Maar, onnoozele Witta, onderscheidt de zee?"
"Het is gelijk, Dakerlia; gij doet mij kiekenvleesch krijgen. Vertel
haastig: gij gingt op het schip?"
"Ja. Den vijfden dag na onze aankomst te Witzand, met eenen zachten,
gunstigen wind, staken wij des morgens in zee. Het was helder weder en,
ofschoon zeer verre van de kust, konden wij de zandduinen langs het
strand in de zon zien schitteren. De Walsche priester koutte met mij en
toonde mij in de verte de havens en dorpen welke hij herkende. Zoo
voeren wij voorbij eene stad die mijn vader Rembrechtsgat noemde en de
priester mij met den naam van Calaisiacum of Kales aanwees. Daar viel,
nevens ons schip, een groote vogel uit de lucht, die duikelde en met
eenen visch in den snavel opwaarts steeg. Deze vogel was een zee-arend
en had blauwe beenen. Mijn vader zeide mij ter dier gelegenheid dat de
Kerels van de zeekust, om te betuigen dat zij stoute en behendige
stuurlieden zijn, zich zelven Blauwvoeten noemen, dit wil zeggen:
arenden der zee. Daarvan komt het, Witta, dat onze vijanden alle Kerels
dien naam als een spotwoord toewerpen[11]."
"Ja, maar de Kerels noemen de Leenheeren Isegrims, dat is wolven. Het
is niet schooner...."
"Later op den dag zagen wij Mardyck en de nieuwe kerk in de duinen, die
de priester Dino-Clesia heette, dat is Duinkerke. Schoon en zacht was
het weder tot dan gebleven; ik had den ganschen dag op het dek gestaan,
uitkijkend naar de duinen, of mijnen blik badend in het kolkachtig en
onbestemd verschiet der groene zee, toen eene grauwe wolk zich aan den
gezichteinder vertoonde. Alhoewel nu en dan een zwakke weerlicht uit den
schoot der donkere streep opwalmde, begreep ik niet waarom de schipper
onmiddellijk ongerust werd en met stille stem geheimzinnige bevelen aan
zijne bootsgezellen gaf. Maar de wolk groeide al spoedig tot eenen
zwarten berg aan, schoot als een loodvervige muur voor de zon,
ontplooide zich over den ganschen hemel en dompelde ons in eene
angstwekkende duisternis. Onder voorwendsel dat het sterk zou regenen,
had men mijnen vader en mij naar beneden in de kamer van het schip doen
gaan. Daar hoorden wij weldra doffe, doch akelige donderslagen. Het
bliksemlicht was zoo hevig dat het ons scheen te willen verblinden. Tot
dan besefte ik niet dat eenig bijzonder gevaar ons bedreigde; want het
schip lag stil en rustig, dacht mij. Ik geloofde mijnen vader die poogde
mij te overtuigen dat hier geene reden bestond om ongerust te zijn, en
ik toonde mij zelfs zeer tevreden, omdat iets nieuws de eentonigheid
onzer reis ging onderbreken.... Maar, Witta lief, eenige oogenblikken
daarna zat ik nevens mijnen vader geknield, hem met de eene hand
vasthoudend om niet te vallen, en de andere in de hoogte heffende om 's
hemels bijstand af te smeeken. Een woedend orkaan was over de zee
gerezen en hief nu de golven tot bergen in de hoogte. Het schip
slingerde heen en weer, het draaide, het wentelde, het kraakte! Tweemaal
werd ik met mijnen vader tegen den wand geslagen; doch wij stonden
telkens op om nog inniger te bidden. Donder, hagel, wind huilden
daarbuiten, als ware het einde der wereld verschenen...."
"O, mijn God!" zuchtte Robrechts zuster, "ik beef! Het koude zweet staat
mij op het voorhoofd! En gij zijt niet van schrik gestorven, Dakerlia?"
"Het is dan, Witta, dat ik Onze-Lieve-Vrouwe van Brugge mijn gouden
kruis met de groene smaragden heb beloofd op te dragen, indien zij
mijnen vader en mij geliefde tegen dezen akeligen dood te beschermen.
Zij heeft mijn gebed verhoord. En ik, zoohaast dezen morgen de zon was
opgerezen, ben met mijnen vader ter kerke gegaan om er de gedane gelofte
te vervullen. Wij zijn zeer lang blijven bidden en danken ... en dit is
de reden waarom ik zoo laat tot u ben gekomen."
"Maar Dakerlia", murmelde Witta, "dit is een verbazend mirakel! Viel het
schrikkelijk onweer zoo eensklaps door de voorspraak van
Onze-Lieve-Vrouw?"
"Neen, het duurde nog lang voort; maar het verminderde allengs. Ik werd
ziek van de zeekwaal en bleef dien geheelen nacht te bedde, schrikkelijk
lijdend, doch bijna bewusteloos. Des anderen daags rees de zon weder aan
eenen blauwen hemel op, en ik was geheel genezen. De stuurman liep de
haven van Sandeshove binnen en zette ons daar aan wal. Wij, uiterst
welgemoed over onze behoudenis, trokken langs Veurne naar
Lampernisse...."
Hier werd Dakerlia's stem eensklaps dof en zij onderbrak haar verhaal.
"Welnu?" vroeg Robrechts zuster. "Wat geschiedt u? Tranen in uwe oogen?"
"Ja, Witta; wij meenden mijne goede moei gansch hersteld te vinden ...
en oordeel over onze droefheid: toen wij de hofstede binnentraden en de
armen reeds uitstaken om haar te omhelzen, toonde men ons...."
"Hemel, wat toch?"
"Haar lijk, Witta!"
Een kreet van medelijden klonk door de zaal, en de beide jonkvrouwen
bleven eene poos zwijgend. Dan zeide Witta:
"Kom, Dakerlia, troost u in de gedachte dat de Heer haar eene plaats in
zijnen schoonen hemel heeft gegund. Zij was reeds oud, ongetwijfeld, en
wij zijn allen sterfelijk."
"Het is waar, mijne goede Witta; genoeg reeds heb ik ginder geweend;
want gij zoudt niet gelooven, vriendinne, hoe treffend en hoe roerend de
lijkplechtigheden zijn onder onze Kerels der Ambachten!"
"De Kerels zijn immers Christenen als wij?" bemerkte Robrechts zuster,
"Het moet te Veurne bijna toegaan gelijk hier te Brugge."
"Neen, toch niet. Wel zijn zij Christenen; maar zij hebben nog vele
voorvaderlijke gewoonten behouden, welke wij, Kerels in de steden,
sedert lang hebben vergeten. Van den kerkelijken dienst moet ik u niet
spreken, die is inderdaad overal dezelfde. Het lijk mijner moei lag in
hare schoonste zondagskleederen uitgestrekt op eene breede tafel, met
een spinrok in den arm, even alsof zij nog leefde. Iemand zeide mij
sedert, dat men nevens het doode lichaam van eenen man een naakt zwaard
legt en de afgestorvene kinderen met speelgoed omringt....[12] Aan het
voeteneinde mijner moei stonden drie schotels, de eene met gebraden
vleesch, de andere met gortebrij, de derde met kleine koeken van
weitebloem, en daarnevens eene groote kruik met hoppebier. Met welk
inzicht zulks geschiedde, kon men mij niet goed verklaren. Oude vrouwen
schenen te gelooven dat 's menschen ziel, wanneer zij eens van het
lichaam is gescheiden, nog kan eten, en men daarom voedsel bij het lijk
moet zetten. Vindt gij die gedachte niet zonderling, Witta?"
"Het is bijgeloof, zondig bijgeloof, Dakerlia."
"Het scheen mij insgelijks zoo. Maar het is niet alles. Gedurende de
drie dagen dat mijne moei boven de aarde bleef liggen, zaten immer
twaalf vrouwen rondom het lijk te krijschen en te huilen, dat men het
wel op honderd stappen buiten de hofstede kon hooren. Deze vrouwen
woonden in de gebuurte of waren bloedverwanten of bekenden, en alle drie
uren wisselden zij elkander af. Mij kwetste dit overdreven misbaar; maar
men deed mij begrijpen dat, hoe meer en hoe heviger er werd geweend en
geklaagd, hoe grooter eere der afgestorvene werd bewezen.--Den avond
voor de begrafenis had men mij uit de doodenkamer doen gaan; maar men
riep mij een half uur daarna terug. Daar vond ik al onze bloedverwanten,
vrouwen en mannen, in grooten ernst en plechtigheid rondom de lijktafel.
Een stokoud man, met eenen langen witten baard, deed eenige zonderlinge
teekens over mijne moei en scheen iets in haar oor te prevelen; dan nam
hij de weitekoekjes, brak ze aan twee en gaf den omstanders elk een
stuk. Iedereen begon er van te eten. Mijn vader, die mijne aarzeling
bemerkte, deed mij de anderen navolgen. Ik mocht niet weigeren deel te
nemen aan deze plechtigheid, die men _het doodenmaal_ noemde. Daarna
schonk men bier uit de kanne in eenen grooten hoorn en men dronk _de
doodenminne_ in het ronde, terwijl de oude man met den witten baard
eenige druppels uit de kan rondom het lijk stortte en vreemdklinkende
woorden mompelde. Voor het laatste moesten wij tot vaarwel het lijk
eenen kus op voorhoofd en lippen drukken, en dit heet men daar de
_doodenzoene_, die alle reden tot wrok, haat of vijandschap vernietigt
welke er tusschen de afgestorvene en iemand der aanwezigen zou kunnen
bestaan."
"Maar, lieve hemel!" zuchtte Robrechts zuster, "men zou zeggen dat gij
van Heidenen spreekt! En gij hebt aan deze onchristelijke plechtigheden
deelgenomen, Dakerlia?"
"Ik moest wel, mijn vader gebood het mij. En toch, wat kwaad bestaat
daarin, Witta? Het zijn onze voorouderlijke gewoonten."
Robrechts zuster schudde afkeurend het hoofd.
"Kom, laat ons nu daarover niet twisten", hernam Dakerlia "Waren wij in
de Ambachten geboren en opgevoed, wij zouden deze gewoonten noch vreemd
noch laakbaar vinden."
"Maar, Dakerlia, een kanunnik van Poperinghem zeide mij eens dat de
Houtkerels, die in de bosschen wonen, den boozen geest aanbidden."
"Deze kanunnik heeft men bedrogen. De Kerels hebben vele vijanden die
kwaad van hen spreken; maar geloof mij, Witta, de lieden van
Kerlingaland[13] denken aan God bij al wat zij doen."
"Welnu, ga voort, Dakerlia. Was de begrafenis uwer moei prachtig?"
"Prachtig, zooals wij het verstaan, neen; maar er was groote toeloop
van volk. Het lijk, door vrouwen gedragen, was opgevolgd door wel
vijfhonderd menschen, allen met bukstwijgen of wijpalmtakken in de hand.
De wijpalm is in Kerlingaland de boom der dooden. Al de mannen hadden
lange baarden, die afhingen tot verre op de borst, en aan hunne zijde
een krom zwaard, dat zij eene schermzeis noemen[14]. Elk gehuwde Kerel
was vergezeld van zijne vrouw en kinderen. Ik zag er die er wel zeven of
acht rondom zich hadden."
"En gingen die kinderen ter begrafenis, Dakerlia?"
"Het is eene wonderlijke gewoonte, ginder, Witta. Waar het niet
volstrekt onmogelijk is, heeft de Kerel altijd zijne vrouw bij zich, en
zijne kinderen zelven verlaten hem zelden. Wat eerbied en wat
genegenheid een Kerel zijne vrouw betuigt, is bijna niet begrijpelijk.
Ook, wie ginder, buiten zake van oorlog of veete, eene vrouw durft
hinderen of hoonen, wordt, het geheele Ambacht door, als een eerlooze
veracht en gehaat. Van de begrafenis zelve zal ik u niet veel zeggen;
zij geschiedde op geheel christelijke en stichtende wijze. Maar toen wij
op de hofstede terugkeerden, begon daar een feest dat mij eerst zeer
verbaasde, doch eindelijk mij, als een vreemd schouwspel, met groote
belangstelling de oogen uit het hoofd deed kijken. Men had de groote
schuur geledigd en vele banken en tafels er in gesteld. Daar werden nu
groote ketels brij, een kalf en twee schapen gebraden en gezoden
opgediend. Al deze lieden, mannen, vrouwen, kinderen, begonnen te eten
met zulken lust dat het zonderling was om te zien. Een paar vaten lagen
in eenen hoek der schuur, en men dronk mee en bier bij herhaalde teugen,
telkens daarvan eenige druppels ten gronde stortende. Eene vrouw, die ik
naar de reden dezer vreemde gewoonte vroeg zeide mij dat men dus van den
drank een weinig ter aarde werpt voor de ziel van den afgestorvene,
welke onzichtbaar het doodenfeest bijwoont. Eene andere, integendeel,
beweerde dat men het doet als een offer om de Drollen te bevredigen."
"De Drollen, wat is dit?" mompelde Witta verrast.
"Ja, dit weet ik reeds sedert jaren", antwoordde Dakerlia. "Mijn vader
heeft mij er meer dan eens van gesproken. Vroeger tijd, toen de Kerels
nog geheel Heidenen waren, had elk zijn huisgod, wiens beeld nevens den
haard in een klein kapelleken stond; en, wat men at of dronk, men smeet
er een weinig van ten gronde om hem te vereeren. Deze huisgoden noemde
men de Drollen, en onze Kerels gelooven nu, dat deze Drollen kwade
geesten geworden zijn.--Daarvan, Witta, dat wij nog, in al onze
schoorsteenen, zulk kapelleken hebben, alhoewel wij er nu een beeldje
der heilige maagd Maria inzetten ...[15] maar ik ga voort met u te
vertellen van het feest. Eindelijk, als dit groote doodenmaal ten einde
was, haalde men een paar doedelzakken voor den dag, en al deze mannen
met hunne lange baarden, en de vrouwen en de kinderen begonnen te dansen
en te zingen, op de maat der speeltuigen, dat ik er schier blind en doof
van werd. Dit duurde zeer laat op den dag, totdat twee Kerels, door de
mee en den dans verdwaasd, "kamp! kamp!" riepen, hunne zwaarden trokken
en elkander het hoofd wilden klooven. De twist werd door vrienden
bijgelegd, en men besliste daarop dat het tijd was om huiswaarts te
keeren. Zingende en springende door veld en bosch, ging elke Kerel met
vrouw en kinderen zijnen weg; en een vierendeel uur later was het zoo
stil op de hofstede alsof er niets was geschied."
"Mij schijnt", bemerkte Witta, "dat de Kerels in de Ambachten grof en
woest moeten zijn."
"Toch niet; zij zijn zeer goed, vroolijk, trouw, dienstvaardig en
arbeidszaam; maar hunne trotschheid is iets opmerkelijks. Bij den
minsten hoon grijpen zij naar hunne schermzeis...."
De huisknecht opende de deur en meldde zijne meesteresse dat er een
schildknaap was gekomen met eene boodschap voor mher Robrecht, welke hij
slechts aan haar wilde afgeven.
Jonkver Sneloghe ging daarop ter zaal uit en liet hare vriendin alleen.
Korten tijd daarna keerde zij echter terug en zeide tot Dakerlia:
"Dit is een schildknaap van mehr Rijkaard Van Woumen, die mijnen broeder
laat weten dat hij hem heden voor den middag ten zijnent zal verwachten.
Ik denk er nu eerst aan, Dakerlia: gij hebt mij nog niet eens gevraagd
hoe het met mijnen broeder gaat."
Jonkver Wulf, door dezen onverwachten oproep verrast, murmelde eene
onduidelijke verschooning.
"Inderdaad", bevestigde Witta, "al die vervaarlijke geschiedenissen van
den storm op zee en de akelige lijkplechtigheden der Kerels beletteden u
aan Robrecht te denken."
"Neen, neen, ik wist van uwen huisschalk dat zijn meester welvarend is
en reeds dezen morgen, zeer vroeg en opgeruimd van geest, is uitgegaan."
"Opgeruimd van geest? Heeft de schalk zulks gezegd, Dakerlia?"
"Ik meen het zoo te hebben verstaan."
"Hij zal niet wel gezien hebben: mijn broeder is integendeel, sedert
meer dan drie weken, zwaarmoedig en diep treurig zelfs."
"Hij heeft verdriet? Waarom?"
"Ik weet het niet; hij verbergt het mij. Het moet een geheim, een
pijnlijk geheim zijn; want hij is ontevreden en verlegen als ik hem naar
de reden zijner afgetrokkenheid vraag.--Wel poogt hij dan mij te doen
gelooven dat niets hem bekommerd, en veinst hij opgeruimdheid; maar
evenras vervalt hij in stille mijmerij en murmelt treurige woorden in
zich zelven. Nauwelijks waart gij vertrokken, Dakerlia, of mijn broeder
werd dus droefgeestig en zwijgend; nu, sedert eenige dagen is zijn
verdriet nog aangegroeid. De reden daarvan meen ik te kunnen raden.
Verbeeld u, Dakerlia, dat onze oom, de proost van St-Donaas, en Hacket,
de kastelein, zich in het hoofd gestoken hebben mijnen broeder met
Placida Van Woumen te doen trouwen...."
"Mijn God ... trouwen ... wat zegt gij, Witta?" stamelde jonkver Wulf,
sidderend van het geweld dat zij deed om den diepen indruk dezer tijding
op haar te verbergen.
"Het zou voorwaar een eervol huwelijk zijn, Dakerlia. Mher Rijkaard Van
Woumen is een zeer geacht ridder en uiterst machtig bij den graaf."
"Maar die Placida, kent gij haar, Witta?"
"Zeker. Men roemt hare schoonheid. Wel zegt men dat zij trotsch is, doch
dat misstaat eene edelgeborene jonkvrouw niet. Daarbij, zij is eene der
rijkste erfgenamen van Vlaanderen."
"Maar, Witta, haar vader is een Isegrim; een dergenen die samenspannen
met de Tancmars, onze vijanden, en met de Leenheeren, die de Kerels der
Ambachten van hunne vrijheid hebben willen berooven."
"Mijn oom, de proost van St-Donaas, zegt, dat men hem ten onrechte zulks
ten laste legt. Hij heeft integendeel de Kerels bij den graaf
verdedigd."
"Maar, Witta, jonkver Van Woumen moest trouwen met Ghijselbrecht
Tancmar, den rusteloozen vijand der Erembalds?"
"Van dit huwelijk is er geen spraak meer."
"Het is gelijk: Placida is geene Kerlinne; het bloed der verdrukkers
vloeit in hare aderen."
Robrechts zuster, verwonderd over den scherpen toon van Dakerlia's
stemme, aanschouwde haar twijfelend.
"Gij verwondert mij", zeide zij. "Hoe zijt gij nu eensklaps zulke
onverzoenbare Kerlinne geworden? Men zou gaan vermoeden dat gij die
schuldelooze Placida eenen bijzonderen haat toedraagt."
Jonkver Wulf antwoordde niet; zij scheen vertoornd, alhoewel hare
glinsterende oogen vochtig waren en zij zichtbaar geweld deed om
opwellende tranen te bedwingen.
Zij stond op en zeide:
"Ik gevoel mij niet al te wel; ik heb pijn in het hoofd en moet rusten.
Naar huis wil ik gaan."
Witta greep haar de hand en sprak lachende:
"Kom, kom, blijf met mij. Gij veinst! Maar hoe kan toch zulk onbeduidend
nieuws u dermate ontstellen?"
"Robrecht zal ongelukkig zijn."
"Indien hij met jonkver Van Woumen trouwt?"
"Ja, zeer ongelukkig."
"Waarom?"
"Ah, Witta, gij kent haren hoogmoed niet! Zij zal hem later de eer
verwijten die zij meent hem aan te doen door hare hand hem te schenken."
"Hoe toch? mijn broeder is rijker dan zij."
"Ja, maar zij waant zich van edeler bloed dan een Kerel. Nu stemt zij
misschien toe het te vergeten; maar er zijn honderden Isegrims in haar
eigen maagschap, die later haar deze verbintenis met eenen Blauwvoet
zullen verwijten. Arme Robrecht, welk lot voor zijne fiere mannelijke
ziel!"
En bij het uiten dezer laatste woorden legde Dakerlia zich de handen
voor de oogen om de geweldige droefheid te verbergen die haar het hart
beklemde.
Witta misgreep zich over de reden dezer ontsteltenis en voelde zich
geneigd om de vrees harer vriendin te deelen. Zij sprak troostende:
"Nu, Dakerlia, dit huwelijk is nog niet gesloten. Mijn broeder heeft
niet veel lust om te trouwen."
"Heeft hij u dit gezegd?" kreet Dakerlia met eene vonk van blijdschap in
de oogen.
"Neen, duidelijk heeft hij het mij niet gezegd. Hij is ook voor deze
zaak zoo achterhoudend, zoo stilzwijgend met mij! Ik heb reeds eens
eenen geheelen nacht in stilte geweend, omdat ik meende zijn broederlijk
vertrouwen te hebben verloren. Maar, Dakerlia, indien hij verheugd was
over de pogingen die de proost van St-Donaas aanwendt om dit huwelijk
mogelijk te maken, zou dan mijn arme broeder sedert vijftien dagen in
eenzaamheid morren, het hoofd schudden en zijne vuisten wringen, als
drukte hem een pijnlijk gewicht op het hart?"
"Ach, ik begrijp het, Witta: men wil hem dwingen!"
"Gij weet, Dakerlia, dat hij niet licht te dwingen is."
"Maar indien zijn oom, de proost, het gebiedt?"
"Hij zal toch weigeren."
"Hoe weet gij dit?"
"Hij heeft het gezegd."
"U gezegd?"
"Neen, maar ik hoorde eens, op eenen laten avond dat ik voorbij mijns
broeders kamer ging, hoe hij met kracht uitriep: Nooit, nooit! Ik mag
niet, ik kan niet!... Maar hoort gij het kort en snel geblaf van onzen
wolfshond? Gij kent dit teeken: mijn broeder komt!"
Dakerlia beschouwde bevend rondom de kamer, als iemand die onbewust een
middel zoekt om aan eene gevreesde ontmoeting te ontsnappen. Zij stapte
zelfs naar de deur om heen te gaan; maar Witta hield haar terug en riep
lachend uit:
"Maar wat is dit nu, lieve hemel? Zijt gij vervaard van mijnen broeder
geworden? Hij is toch reeds in den gang; gij kunt hem niet beletten u
welkom te heeten."
Nauwelijks was Dakerlia in de zaal teruggeweken, of Robrecht Sneloghe
verscheen in de deur.
Hij was een jong ridder, rijzig van gestalte, sterk van leden, met
schoon gelaat, glinsterende donkere oogen en lange bruine haren. Zijn
degengevest was met gesteente afgezet, en zijn zwierig kleedsel met
kostbaar gouden stikwerk geboord. Konden deze teekenen van rijkdom den
eerbied der mindere lieden voor hem opwekken, zijn open doch mannelijk
aangezicht, iets in zijne uitdrukking, zacht en fier tevens, stemde
iedereen bij den eersten blik tot toeneiging voor hem.
Bij zijne intrede in de zaal onderbrak hij zijnen stap, als verraste de
tegenwoordigheid van Dakerlia hem pijnlijk. Hij schouwde haar zoo diep
in de oogen dat zij beefde onder zijnen blik; maar dan, zijne
ontsteltenis meester wordende, ging hij tot de jonkvrouw, reikte haar de
hand en zeide met eene stem, die eene uiterste moedeloosheid verried:
"Dakerlia, gij zijt terug van de reis? Wees welkom.... Ik hoopte evenwel
dat gij nog meer dan eene maand te Veurne zoudt gebleven zijn."
De jonkvrouw staarde hem verwonderd aan.
"Zulke wensch schijnt u onbegrijpelijk, niet waar, Dakerlia? Ach, er
gaat hier iets gebeuren dat mij verschrikt en doet lijden. Mijn verdriet
kan u slechts bedroeven. Ik ga trouwen, Dakerlia!"
Een smartkreet ontsnapte jonkver Wulf.
"Wat zoet en helder leven sleet ik hier tusschen eene teedere zuster en
eene zoete vriendinne!" zuchtte de jonge ridder, "Dit leven is ten einde
voor mij!"
"Maar, Robrecht, het is nog niet zeker. Gij kunt weigeren! riep Witta.
"Wie heeft het recht om u te dwingen?"
"Weigeren, zuster? Ik heb langen tijd geweigerd; er is niets aan te
doen. Wie kan mij dwingen? Menschen niet; maar mijn plicht jegens
Kerlingaland, jegens de vrijheid. Neen, neen. Mijn vonnis is geveld; en
ik zelf heb het aanvaard. Hoe dit mogelijk, hoe dit onvermijdelijk was,
zal ik u later verklaren, zuster lief. Nu heb ik geenen tijd; men wacht
op mij."
Hij hoorde hoe Dakerlia snikte; hij zag hoe glinsterende tranen van hare
vingeren ten gronde vielen. Het hart klopte hem fel bij het gezicht van
Dakerlia's medelijden mij zijne smart. Tot haar gaande, sprak hij op
diep ontroerden toon:
"Dakerlia, gij beklaagt mij, niet waar? Ik dank u, lieve vriendinne. Het
is een bitter lot zijn leven te moeten slijten met eene vrouw die men
niet bemint en vreest nimmer te zullen beminnen ... maar troost u,
waarschijnlijk bedrieg ik mij. Placida Van Woumen is schoon; er is
goedheid in haar hart. Wie weet? misschien zal ik haar de liefde kunnen
schenken die zij verdient...."
In Dakerlia's oogen, welke zij nu ontdekte, vlamde een vreemde blik. De
ridder begreep hem niet, doch deinsde er van terug en bleef vragend op
de maagd staren.
"Placida?" riep zij, "Placida zal u ongelukkig maken, arme Robrecht!"
"Hoe kunt gij het weten?"
"Mijn hart, mijn hart, dat niet kan liegen, roept het luid."
Mher Sneloghe worstelde in eene pijnlijke verlegenheid tegen zijn eigen
gemoed. Hij deed geweld op zich zelven om door woorden noch gebaren het
gevoel te verraden dat de bron was van zijn verdriet. Dakerlia zou het
in alle geval niet begrijpen, en zulke veropenbaring op dit oogenblik,
ware niet alleen nutteloos, maar zelfs voor allen schadelijk, ja,
misschien misdadig voor God!
Deze overweging deed hem besluiten de lastige, de droeve samenspraak af
te breken.
"Uw medelijden doet u dwalen, Dakerlia", zeide hij. "Jonkver Placida is
beminnenswaardig. Ik moet weder uitgaan en mij haasten. Ongetwijfeld
wacht men reeds met ongeduld op mij. Kom dezen namiddag ... of ik zal
met mijne zuster ten uwent gaan om u te verklaren wat mij tot dit
huwelijk dwingt."
Hij stapte tot eene kas, trok ze open en nam er eene dooze uit welker
deksel met gulden inlegwerk was versierd.
Dakerlia slaakte eenen angstschreeuw, sprong vooruit en rukte de doos
uit zijne handen ... maar, alsof zij besef had van de onbetamelijkheid
harer daad, gaf zij ze spoedig terug. Dan bezwijkende onder hare
geweldige ontsteltenis, liet zij zich op eenen stoel vallen en bleef
daar beschaamd en overvloedig weenend, met den blik neergeslagen zitten.
Eene hevige siddering had Robrecht aangegrepen en eene doffe angstkreet
was hem ontsnapt. Hij aanschouwde haar eene wijl verbaasd en zeide dan
op pijnlijken toon:
"Dakerlia, Dakerlia, indien gij een geheim in uw hart hebt gedragen, o,
verberg het voor eeuwig uit medelijden! Er zijn dingen die, wanneer men
ze weet, ons zoo rampzalig kunnen maken, dat wij elken verderen dag van
ons leven God om den dood zouden bidden als om de verlossing."
Jonkver Dakerlia stond op en, terwijl de tranen nog over hare wangen
rolden, sprak zij snikkend:
"Ik vertrek van hier; ik begrijp mijnen plicht, over den dorpel van
dezen Steen mag ik niet meer treden. Het geheim dat, eilaas, tegen
mijnen wil mij is ontsnapt, zal ik opsluiten in mijn lijdend hart. Wees
gelukkig, Robrecht.... O, mijn God, Placida Van Woumen uwe vrouw! Ik zou
ze zien aan uwe zijde, op de plaats die.... Zinnelooze droom die mij de
zinnen ontstelt! Vaarwel, mher Sneloghe; bekreun u niet om mij: laat mij
ziek worden, verkwijnen, sterven!"
Zij wierp zich aan den hals van Witta en riep tusschen haren koortsigen
zoen:
"Nog eens, nog eens voor de laatste maal!"
En zich uit de omhelzing losrukkende, meende zij haren stap tot de deur
te richten; maar Robrecht hield haar terug en zeide met aangejaagdheid:
"Blijf, Dakerlia, ik smeek u! Gij waant mij gevoelloos voor uwe smart?
Mijn verdriet is dieper dan het uwe. Ach, hadde ik het vroeger kunnen
gelooven! Maar alle hoop is nog niet verloren. Kerlingaland kan de
slachtoffering van ons beider geluk niet eischen. Wees getroost,
Dakerlia. Wij hebben in elkanders hart gelezen. Neen, neen, Placida Van
Woumen wordt mijne echtgenoote niet! Laat mij gaan; ons levensheil kan
afhangen van een enkel oogenblik."
Hij wierp de juweeldoos op de tafel en liep ter zaal uit.
Dakerlia staarde hem achterna; doch, alsof zij geen geloof had in zijne
voorspelling, legde zij welhaast de handen voor de oogen en begon
overvloediger nog te weenen.
VOETNOTEN:
[Voetnoot 1: De kerk van O.L.V. te Brugge was eerst eene kapel, ten jare
745 door St-Bonifacius gesticht.... Haar schoone toren, die voor baak
aan de zeevaarders dient, heeft eerst 442 voet hoogte gehad.
LANSSENS _aloude staat van Vl._, bl. 235]
[Voetnoot 2: Men noemde alsdan eene stad _eene poort_ en de burgers
_poorters_.]
[Voetnoot 3: Bij verkorting zeide men, tot aanzienlijke personen
sprekende, _mher_ voor mijnheer, _ver_ voor vrouw, _jonkver_ voor
jonkvrouw.]
[Voetnoot 4: De woningen van aanzienlijke lieden, meest uit zware
steenen gebouwd en met waaktorens voorzien, noemde men Steenen, welk
woord gelijkstaat met het Fransch _manoir, donjon, castel_.]
[Voetnoot 5: Niet verre van de Fransche stad Boulogne lag alsdan de
vermaarde zeehaven _Witsant_, dus genoemd naar het witte zand der
duinen, evenals nu het Vlaamsche zeestadje _Blankenberghe_.]
[Voetnoot 6: Dat de bevolking der kusten tot onder de muren van Boulogne
Vlaamsch sprak, bewijzen de namen der omliggende dorpen, zooals
Helbedinghem Leubringhem, Santingheveld, Pepelingen, enz.]
[Voetnoot 7: "In diebus illis fuerunt homines quidam clavati sive
clavigeri, quos vulgo _Colvekerlos_ nominatos audivimus, in terra
Ghisnensium habitantes, qui clavati sive vlavigeri a clava dicebantur
agnominati, eo quod non licebat eis aliquod genus armorum nisi clavas
tantum bajulare. Hii siquidem, quadam impropitiationis specie, ab
Hammensibus dominis quasi sub servilis conditionis jugo constricti
tenebantur."
LAMBERTI _Ardensis ecclesiae presbiteri chronicon_, uitgegeven door le
Mis Godefroy Menilglaise, Parijs. 1855, pag. 87.]
[Voetnoot 8: De wijde inham bij Sluis, vroeger de haven van Brugge,
heette men het _Swin_.]
[Voetnoot 9: Nu de haven van Nieuwpoort.]
[Voetnoot 10: Nu Ardenburg.]
[Voetnoot 11:
In deser wijs so hadden die aren,
Valken en de sperwaren,
_Blauwvoeten_ ende smerlen mede
Al vergadert daer ter stede.
Gedicht _van der Vledermuus_.
In het nabericht van den _Reinaert de Vos_, uitgegeven door J.F.
WILLEMS, pag. 384.
Bij JOHANNES LEUNIS, _Synopsis der drei Naturreiche,_ t. I, p. 81, wordt
deze vogel dus opgegeven: _Pandion Haliaetos_. L. Flussadler. Fischaar,
Entenstosser.... BLEINE BLAU.]
[Voetnoot 12: Zie over deze lijkplechtigheden: _Overblijfsels van den
Heidenschen godsdienst onzer voorvaderen_, J. HUYTENS, Messager des
sciences hist. de Gand, année 1860.]
[Voetnoot 13: "De zeekust van Vlaanderen, die de Noormannen
_Kerlingaland_ noemden." VICTOR DE RODE, _Annales du Comité flamand de
France_, t. VIII, pag. 51]
[Voetnoot 14: Scharmasax, scarmsax.]
[Voetnoot 15: Zie over de bijgeloovigheid aangaande deze _Drollen_ J.
HUYTTENS, _Messag. des sciences de gand_, 1860.
J.F. WILLEMS, in zijne uitgaaf van _Reinaert de Vos_, haalt de volgende
verzen aan uit _eene genouchelijke clute van nu noch_:
Ic wil u belesen ende besweren
By cocketoysen, by neckers, by maren
Ende by den _drollen_....
]
II
In het midden der stad Brugge stond eene sterke vesting, weleer als
wijkplaats tegen de invallen der wreede Noormannen gebouwd. Men noemde
ze den Burg.
Ten zuiden en ten westen was zij ongenaakbaar gemaakt door zeer breede
grachten; ten noorden en ten oosten was zij beschut door eenen hoogen
steenen wal, met gaanderijen, schietgaten en kanteelen.
Drie bruggen en vier poorten gaven toegang tot het wijde vierkante
binnenplein, waar rondom de aanzienlijkste gebouwen der stad zich
verhieven.
Trad men van den kant der Markt, over de Hofbrug, den Burg binnen, dan
zag men schuins voor zich 's Heeren hof, een schoon paleis, met eene
overwelfde bovengang, die men de Loove noemde, en waarbinnen de graaf
van Vlaanderen, als hij te Brugge zich bevond, zijn hof hield.
Ter rechterzijde verhief zich een even groot doch min prachtig huis, dat
men den Steen heete en waarin de kastelein van Brugge, dit is de
bevelhebber en bewaarder van den Burg, zijn verblijf had.
Daarnevens, met den achtergevel naar de Markt, stond het Gijselhuis, dat
tot gevangenis diende.
De vierde zijde, ten noorden van het plein, was geheel ingenomen door
geestelijke gebouwen, zijnde ten eerste de schoone kerk van St-Donaas,
welker hooge, vierkante toren omringd was met twee breede, gekanteelde
gaanderijen, opdat men ook van daar den vijand mocht bevechten, indien
de Burg eenen aanval af te weren had[16]; dan het klooster St-Donaas met
de huizen der kanunniken en de slaapsteden en eetzalen der broeders en
eindelijk het hof der proostdij, dat door Bertulf, proost van St-Donaas
en erfkanselier van Vlaanderen, werd bewoond.
Alhoewel deze geestelijke gebouwen binnen den algemeenen wal van den
Burg waren begrepen, omringde hen nog een bijzondere muur, zeer hoog en
sterk, met torentjes en kanteelen, zoodat, indien de Burg in de handen
der vijanden mocht vallen, de kerk, het klooster en de proostdij nog
lang wederstand konden bieden.
Tusschen de grootere gebouwen van den Burg zag men, in alle
tusschenruimten, er nog andere van mindere uitgestrektheid, die tot
voorraadstapels, wapenhuizen of stallingen waren bestemd.
De Burg was dus de zetel der openbare macht in Vlaanderen. Niet slechts
omdat hij het paleis van den vorst bevatte; maar bovenal omdat de proost
van St-Donaas en de kastelein van Brugge er hun verblijf hielden.
Trouwens, deze twee ambtenaren, staande de eene aan het hoofd der
geestelijke en de andere aan het hoofd der wereldlijke overheid,
opzichtens al de vrije Ambachten afhangende van Brugge, bezaten meer
onmiddellijken invloed op dit groot gedeelte van het Westelijk
Vlaanderen dan de vorst zelf. Hunne aanzienlijke grondbezittingen en hun
persoonlijke rijkdom vermeerderden dien invloed tot zooverre, dat de
ridders van de hofhouding des graven met nijdig oog zulke buitenmatige
macht aanschouwden, meest nog omdat deze, volgens hunne meening, eenen
ondraaglijken hoon voor allen waarlijk edelgeboren man daarstelde.
Inderdaad, Bertulf, de proost van St-Donaas, en zijn broeder Hacket, de
kastelein, waren Kerels, afkomstig uit het Veurne-Ambacht, waar zij
hunne grondbezittingen hadden.
Nog meer kerels genoten in Brugge door hunnen rijkdom eenen bijzonderen
invloed. Men noemde hen de Erembalds, omdat de voornaamste onder hen
afstamden van Erembald, den eersten Kerel die het ambt van kastelein
bekwam, en daardoor in 's lands bestuur boven andere ridders zich
verhief.
Hoe dit laatste geschiedde, is gemakkelijk te begrijpen. De leenheeren
of de zoogenaamde edellieden aanzagen allen arbeid en allen handel als
onteerend. Hunne eenige inkomsten bestonden in de lasten en schattingen
welke zij hunnen lijfeigenen of dienstbaren veldbewoner opdrongen, en in
de tollen van doorvaart die zij reizigers en kooplieden afpersten.
De vrije mannen van Kerlingaland aanschouwden daarentegen den arbeid als
eenen plicht en den landbouw en den koophandel als vereerend. De gansche
scheepvaart van Vlaanderen en de visscherij, tot de Engelsche kust,
waren in hunne handen. Ontbrak er graan in het land, zij gingen het
koopen tot in Denemarken, ja, tot in de Morgenlandsche zee.
Geen wonder dus, dat mettertijd de bedrijvigste en verstandigste dezer
Kerels groote rijkdommen hadden verzameld.
Toen nu de vorsten en voorname leenheeren, om zich gemakkelijk geld aan
te schaffen, hadden begonnen de ambachten, tollen en inkomsten, waarover
zij beschikten, om zoo te zeggen, aan den meestbiedende te verkoopen,
dan zullen zulke Kerels, zooals de genaamde Erembald, niet nagelaten
hebben deze gelegenheid te benuttigen om zich tot de eerste waardigheden
van den Staat te verheffen.
Dewijl zij deze waardigheden door zulken koop wettelijk en erfelijk
bezaten, konden zij daarvan niet worden beroofd, al mochten ook de
ridders, ja de graaf zelf, met geheime spijt de verheffing dezer
machtige Brugsche Kerels aanzien.
Eene meerdere reden nog om de leenheerschap tegen de Erembalds te
verbitteren was dat zij, als de erkende hoofden en beschermers der
Kerels van de vrije Ambachten, dezen immer tegen de heerschzuchtige
aanslagen der leenheeren verdedigden; maar daarom tevens durfde de
graaf, noch zijne hovelingen, openlijk tegen de Erembalds ingaan, want
zij wisten dat de Kerels der Ambachten met eede aan hen waren verbonden
en niet zouden nalaten het leed, hun aangedaan, bloedig te wreken.
Dien dag heerschte er zekere geheimzinnige onrust of nieuwsgierigheid op
den Burg. Men zag er niet alleen kanunniken, geestelijke broeders en
vele poorters in groepen en met de hoofden te zamen staan kouten; maar
aan de deur der proostdij hielden zich een aantal boden te paard, van
welke er nu en dan een met de hem vertrouwde brieven of bevelen den Burg
verliet. Van den graaf konden de bevelen niet uitgaan, want deze was met
duizenden Vlaamsche ridders ten oorlog getrokken, om onder het Fransche
vaandel in Aquitanië te gaan strijden.
De lieden, die op het plein stonden, poogden wel uit de ruiters te
vernemen welke tijding zij voerden, doch zij konden geen voldoende
antwoord bekomen, dewijl de boden den inhoud der brieven niet kenden.
Op dit oogenblik vertoonde zich onder de voornaamste poort van den Burg
een persoon die aller aandacht tot zich trok en eene zonderlinge
beweging onder de groepen der nieuwsgierige lieden deed ontstaan.
Het was een ridder, buitengewoon hoog van gestalte en sterk van leden.
Zooals hij daar met zwaren tred en met het hoofd fier opgeheven den Burg
opstapte, had hij het voorkomen van eenen reus. De genster, die uit
zijne groote zwarte oogen lichtte, moest den aanschouwers ontzag
inboezemen; want alhoewel men vermoedde dat hij de aangekomen tijding
moest kennen, durfde niemand hem het woord toesturen, ja, men trad terug
om hem eenen onbelemmerden doorgang te bieden[17].
Een vrij man en ridder moest hij zijn; want aan zijne zijde hing een
groot, krom zwaard. Op zijne kleeding, waarin de blauwe verf heerschte,
bemerkte men echter geene de minste pracht.
"Daar is Burchard Knap, de neef van onzen proost", murmelde een
geestelijken broeder.
"Is hij niet de zoon van Lambrecht van Rodenburg, den eigen broeder van
den proost?" vroeg de poorter.
"Ja, maar hij woont meest buiten, tusschen de Kerels. Wie hem zou durven
ondervragen zou wel te weten komen wat er gaande is."
"Wel, vraag gij het hem."
"Ik zal er mij wel van wachten. Die mher Burchard is de ongenaakste en
de gramstorigste man der wereld."
"Ja, en gij vreest dat hij met eenen slag zijner reusachtige vuist u zou
kunnen verpletten?"
"Spot er niet mede; het is zooals gij zegt. Zwijgt, daar nadert die
vervloekte bullekop!"
"Welnu, ik zal hem vragen wat nieuws er is", mompelde een oude
zwaardveger. "Hij komt dikwijls in mijnen winkel; hij kent mij en zal
minzaam mij antwoorden."
Inderdaad, hij ging den ridder te gemoet en stamelde, terwijl deze met
scherpen blik van uit de hoogte op hem nederzag:
"Mher Burchard, duid mijne stoutheid niet ten kwade. Welke tijding is er
toch gekomen?"
"Weet gij het?" vroeg de ridder met eene stem die uit eenen kelder
scheen op te klimmen.
"Neen, heer."
"Ik even min. Gij verveelt mij; ga uit mijnen weg!"
Hij deed door zijnen zuren blik den verbluften zwaardveger terugdeinzen
en richtte zich, zonder meer acht op de omstanders te geven, naar de
poort der proostdij.
Hij stapte onder eenen langen zuilengang door, duwde eene deur open en
trad in eene zaal waar een twaalftal ridders rondom eene tafel zaten,
bij welke een paar groote leuningstoelen ledig stonden, als wachtte men
hier op twee voorname personen.
"Welnu, wat is er ophanden?" vroeg Burchard, nadat hij den ridders eenen
korten groet had toegestuurd.
"De graaf is terug uit Aquitanië[18]", antwoordde hem Segher Wulf. "Het
Fransche leger is te Atrecht aangekomen. Onze ridders zullen nog daar
blijven; want de koning van Frankrijk vreest eenen aanval der Engelschen
uit Normandië; maar de graaf komt overmorgen te Brugge."
Eene uitdrukking van ongenoegen trok Burchards lippen te zamen.
"Waar is de proost?" vroeg hij.
"Hij is bezig met het schrijven van eenige bevelen; hij zal aanstonds
komen."
"En de kastelein?"
"Die is met hem."
Burchard zette zich zoo zwaar neder dat de eiken stoel onder hem
kraakte, als ginge hij breken.
"Het schijnt dat de komst van onzen graaf u niet verblijdt?" bemerkte
Segher Wulf.
"De komst van den graaf is mij onverschillig" mordde Burchard.
"Waarom ziet gij er zoo ontevreden uit?"
"De Isegrims komen met hem?"
"Natuurlijk."
"En zijn duivel Tancmar insgelijks."
"Altijd even grimmig, mher Burchard?" lachte Yorg Koevoet, een der
aanwezige ridders. "Wat vreest gij van de komst des graven? Toen hij ten
oorlog trekken zou heeft hij eenen algemeenen landsvrede doen uitroepen
en ons gelast in zijne afwezigheid over de openbare rust te waken.
Hebben wij deze zending niet trouw volbracht? Gij zelf, mher Burchard,
hebt gij niet toegestemd om uwen twist met den hofraadsheer Tancmar
opgeschorst te laten tot des graven terugkeer!"
"Ja, ja, tot mijne groote schande", antwoordde Burchard gramstorig.
"Tancmar had voor den oorlog mij een gedeelte mijner gronden ontnomen.
Ik heb het hem voorloopig laten behouden, om den landsvrede niet te
breken, zooals gij zegt, mher Yorg; maar wat gebeurt er nu? Tancmar is
in het leger met zijne beide zonen en heeft intusschen het beheer zijner
goederen toevertrouwd aan zijnen neef Rambold Tancmar. Weet gij wat deze
doet om mij te hoonen en uit te dagen? Hij zaait en oogst op mijnen
grond en bouwt er eene schuur op. Het is een ware diefstal ... en ik,
Burchard Knap, dien men eenen woestaard en eenen trotschaard noemt, ik
heb het tot nu toe kunnen verkroppen als een machteloos kind! De graaf
komt overmorgen in Brugge, zegt gij? Welnu, hij zal mij doen teruggeven
wat mijn eigendom is, of bij Thors hamer[19], ik verplet al wie het mij
nog durft betwisten!"
"Mher Tancmar beweert dat de graaf zelf hem dien grond heeft
geschonken", bemerkte Matfried Wegel.
"Maar mag de graaf het eigendom van eenen vrijen man onder zijne voeten
wegschenken?"
"De listige Tancmar heeft onzen graaf bedrogen en hem doen gelooven dat
die grond der kroon toebehoort."
"Ben ik dan een lijfeigene of een slaaf", bulderde Burchard.
"Kom, kom, onze heer graaf zal de zaak onderzoeken en u recht doen",
zeide Gerwijn Eekel.
"Karel van Denemarken?" vroeg Burchard met eenen grijns van misprijzen
op de lippen, "Is dit nu een vorst die Vlaanderen betaamt? Hij kruipt
voor den koning van Frankrijk; en deze zal hem zeker niet leeren hoe men
de rechten der vrije mannen van Kerlingaland eerbiedigen moet."
"Beschuldig onzen vorst Karel niet", bemerkte Segher Wulf. "Ware hij
niet slecht geraden, hij zou in alles rechtvaardigheid plegen; maar de
valsche Isegrims, die hem omringen...."
"Dit is juist de zaak", bevestigde Willem van Wervick. "De leenheeren,
die bloedvijanden der Kerels, drijven hem onverpoosd tot onrecht aan.
Men noemt ze Isegrims, dit is wolven, en zij verdienen het wel, zij, die
niets betrachten dan het vrije volk van Vlaanderen te verslinden. Meent
gij dat zij verzadigd zijn?"
"Dat geloove de duivel indien hij zich wil laten bedriegen!" riep
Burchard. "Gij zult het zien, heeren: zoohaast de Isegrims in het land
zijn zullen zij weder hunne kuiperijen beginnen om onzen Kerels den
balfaart, het juk der slavernij op den nek te drukken![20]"
"De graaf zal het beletten", zeide Matfried.
"De graaf?" schertste Burchard. "Die huichelaar? Hij heeft het zelf
gepoogd; de oorlog alleen...."
"Zwijg, zwijg, daar is de proost!" mompelden eenige stemmen.
Bertulf, de proost van St-Donaas, die nu met zijnen broeder Hacket, den
kastelein, in de kamer verscheen, was een man van meer dan zestig jaar,
met grijze haarkroon en een ernstig en eerbiedwekkend gelaat. Ondanks
zijnen ouderdom ging hij rechtop, en het geheel zijner statige
wezenstrekken ademde niet alleen wijsheid maar tevens een diep gevoel
van eigen waarde.
Hij droeg eenen zwarten tabbaard, die hem in wijde plooien tot op de
voeten daalde en rondom hals en schouders eenig wit bont, zoodat zijne
kleeding half geestelijk en half wereldlijk scheen. Inderdaad, ofschoon
eene hooge kerkelijke waardigheid bezettende, was hij evenwel geen
priester.
Na zijnen bloedverwanten en vrienden eenen stillen groet te hebben
toegestuurd, zette hij zich nevens den kastelein in eenen der groote
leunstoelen en zeide tot de aanwezigen:
"Heeren, ik heb u de tijding mede te deelen dat onze heer graaf
overmorgen te Brugge zal aankomen. Hij zal ditmaal nog niet in
Vlaanderen blijven; want hij moet terug naar het leger te Atrecht, waar
de koning van Frankrijk eenen aanval der Engelschen uit Normandië
verwacht. Hoe het zij, het betaamt dat wij onzen vorst, na zijne lange
afwezigheid, met de verschuldigde eerbewijzen onthalen. Ik heb u doen
roepen, heeren, om uwe hulp te vragen ten einde op den dag van 's
vorsten intrede een behoorlijk getal vrije lieden uit de Ambachten naar
de stad te doen komen. Gij zult begrijpen dat zulks noodig is om te
beletten dat onze vijanden bij den graaf de Kerels beschuldigen van
onverschilligheid of oneerbiedigheid jegens hem. Onze zaken staan nu op
eenen goeden voet. Wij zijn er in gelukt gedurende des vorsten
afwezigheid Kerlingaland in eene volstrekte rust te houden. De graaf
moet over ons voldaan zijn en wij hebben dus het recht te hopen dat hij
ons tegen de booze aanslagen der Isegrims zal beschermen."
"Ja, verwacht u daaraan!" gromde Burchard. "Hij is zelf de grootste
Isegrim...."
"Mijn neef heeft altijd iets onaangenaams voor onzen heer graaf in den
mond", zeide de proost berispende. "Het zijn persoonlijke redenen waarop
wij nu geene acht dienen te slaan.... Alzoo, heeren, gelieft brieven of
boden naar uwe burchten en hofsteden te zenden, met het verzoek dat men
van daar eenige lieden naar Brugge doe komen om bij de intrede des
vorsten tegenwoordig te zijn. Laat hen begrijpen dat het voor de Kerels
een plicht is, een vaderlandsche plicht, onzen heer graaf met eerbied en
blijdschap te verwelkomen."
De aanwezige ridders toonden zich bereid om aan dit verzoek te voldoen.
Dat de graaf waarlijk ten opzichte der Kerels gunstig gestemd was,
daaraan twijfelde de meerderheid sterk; maar zij wilden in deze
onzekerheid den Isegrims geenen schijn van reden geven om hen bij den
vorst van vijandschap tegen hem te betichten.
Burchard Knap alleen riep luid dat hij zulk onthaal vanwege de Kerels
als eene laffe kuiperij aanzag. Graaf Karel van Denemarken was, volgens
zijn gevoelen, een valschaard en een geboren vijand van alle recht en
alle vrijheid zijns volks.
Terwijl de proost met bitterheid de onvoorzichtige woorden van zijnen
neef laakte, als de zaak der Kerels ten hoogst schadelijk, werd de deur
geopend en een ridder, met den helm op het hoofd en het maliehemd aan
het lijf, trad onder het uitspreken eener luide groetenis in de zaal.
"Welkom, welkom, onze vriend Isaac Van Reninghe!" riepen de ridders, van
hunne zetels opstaande om hem de hand te drukken.
"Gij komt van het leger? Hoe is het in Aquitanië vergaan? Mher
Luitprand van Rousbrugge was erg gekwetst. Is hij genezen? Zijn er vele
Vlaamsche ridders gesneuveld? Wie heeft er zich het meest onderscheiden?
Wanneer komt ons leger terug?"
Dergelijke vragen werden hem van alle kanten toegestuurd; hij antwoordde
er met zekere verstrooidheid op en scheen haast te hebben om hen van
andere dingen te spreken. Nauwelijks kon hij met zijne vrienden eenige
korte groetenissen gewisseld hebben, of hij stapte naar de deur, sloot
ze toe en, tot de tafel terugkeerende, zeide hij:
"Heeren, ik ben vermoeid van de lange vaart en vraag u oorlof om te
zitten. Ik heb ernstige berichten u mede te deelen."
Hij nam eenen stoel; en toen hij zag dat de anderen hem hierin hadden
nagevolgd en hem nieuwsgierig aanzagen, sprak hij:
"Volgens hetgene ik onderwege van eenige vrienden heb vernomen, vleit
gij u hier met de hoop dat men het ontwerp om de Kerels van hunne
vrijheid te berooven heeft laten varen. Het doet mij leed uwe gerustheid
te moeten storen; maar gij bedriegt u. De Kerels zijn integendeel
bedreigd met eene nieuwe en ergere vervolging."
Een kreet van verrassing en gramschap ontsnapte den ridderen; Burchard
Knap stampte geweldig op den vloer en gromde eene vermaledijding, maar
de proost gebood hem de stilte en vroeg aan Isaac:
"Waarop, mher Van Reninghe, vestigt gij dit vermoeden? Zijn er
bewijzen?"
"Bewijzen?" was het antwoord. "De leenheeren, de Isegrims sedert wij uit
Aquitanië wederkeerden, beroemen zich openlijk dat zij de wapens niet
zullen nederleggen voordat de Kerels den balfaart op den nek hebben en
in eeuwige slavernij zijn gedompeld."
"Verstikke mij de nachtmare!" riep Burchard. "Indien wij door onze
lankmoedigheid...."
"Zwijg, mijn neef, laat mher Isaac ten minste voortgaan", onderbrak hem
de proost. "Wat heeft deze pocherij der Isegrims te beduiden? Wij zijn
er aan gewend. Waarom zou ze ons nu verwonderen als iets nieuws?"
"Het zijn de Isegrims niet meer alleen", hernam Isaac. "De koning van
Frankrijk en de voornaamste ridders, die hem omringen, moeten zich
sedert eenigen tijd met de zaak der Kerels bezighouden; want zij spreken
er van en beslissen den twist met de Walsche spreuk: _pas de terre sans
seigneur, geen grond zonder heer_".
"Bij Loki en zijne horens! wat is dit voor eene taal?" riep Burchard.
"Is elk vrij man niet meester van den grond die hem toebehoord? De
Fransche koning? Ha, ha, de Fransche koning bemoeit zich met onze zaken?
Niet genoeg dat men ons slaven wil maken, onze dwingeland zelf zou slaaf
zijn van eenen vreemden vorst! Het is om te barsten van schaamte!"
"In dit geval blijft ons niets anders te doen dan geheel Kerlingaland te
wapen te roepen", zeide Willem Van Wervick. "De schermzeis uit de
scheede getogen voordat het te laat zij!"
"Ja, en zonder toeven al de burchten afbranden, die onze vijanden, om
onze vrijheid te bedreigen, te midden der Ambachten hebben gebouwd!"
voegde Burchard er bij. "Ik heb omtrent Eerneghem, in de bosschen,
tweehonderd Houtkerels, echte Blauwvoeten, die snakken naar den strijd."
"Heeren, ik kan u niet genoeg de voorzichtigheid aanbevelen", zeide de
proost, "u bovenal, mijn oploopende neef Burchard! Ontijdig geweld redt
geene zaak, zelfs niet de rechtvaardigste. Houd u stil; blijf bedaard,
zooals het een redelijk man betaamt."
Een somber gegrol ratelde in Burchards keel. Hij zou zulke berisping van
geenen anderen man op aarde verdragen hebben; maar de proost, die als
hoofd der Erembalds recht had om hier te gebieden, gaf geene acht op
zijne spijt.
"Vrienden", ging hij voort, "ik beken dat de berichten, ons door mher
Isaac Van Reninghe aangebracht, in schijn, ten minste, van aard zijn om
u te kwetsen en te verbitteren; maar gelieft in te zien dat wij nooit
iets anders dan zulke grootspraak vanwege de Isegrims te verwachten
hebben."
"Ja, maar het is nu veel erger dan te voren", wedersprak hem Isaac. "Er
moet eene geheime reden tot den eensklaps aangegroeiden overmoed der
leenheeren bestaan. Kondet gij het hooren, vrienden, hoe onbeschaamd de
Isegrims hunnen haat tegen de Kerels lucht geven! Zij zingen zelfs, met
de hanaps in de hand, een spotlied tegen ons. Het is zeer lang en vol
hoon. Ik heb er slechts de volgende rijmen van kunnen onthouden:
Wij willen de Kerels doen greinsen,
Al dravende over het velt;
Het 's al kwaad dat si peinsen,
Ic weetse wel bestelt,
Men sal se slepen en hangen,
Haar baart is al te lanc;
Sine connens niet ontgangen;
Sine dogen niet sonder bedwanc."
Een storm van verontwaardigingskreten borst los.
"Zoo sla mij Thors hamer, indien ik den eersten Isegrim die slechts een
woord van dit lied in mijn bijwezen durft zingen het hoofd niet kloof!"
schreeuwde Burchard boven het gerucht uit.
"Klachten genoeg, daden moeten er zijn", zeide Willem Van Wervick. "Wat
blijft ons te doen? Het is gansch eenvoudig: ons in de Ambachten begeven
en alles tot den opstand bereiden."
"Ja, en onmiddellijk Willem Van Loo, den burggraaf van Yperen, tot graaf
van Vlaanderen uitroepen", viel Burchard woedend uit, "te wapen loopen
met dien wettigen erfgenaam onzer graven aan het hoofd en Karel van
Denemarken het land uitjagen!"
"Zijt gij daar alweder met die dwaze gedachte?" schertste de kastelein
Hacket. "Is het zoo dat men beraadslaagt over de hoogste belangen? Gij
maakt gerucht en tiert. Dit zijn geene redenen."
"Dwaze gedachte?" herhaalde Burchard. "Is Willem Van Loo niet de
kleinzoon en erfgenaam van den graaf Robrecht De Vries, door de mannen,
terwijl Karel van Denemarken dit slechts is door de vrouwen? Haddet gij,
mijne ooms, in den oorlog tusschen beiden, Karel niet geholpen, wij
zouden nu eenen vorst hebben met Kerlenbloed in de aderen; want de
moeder van Willem was eene Kerlinne[21]."
"En haddet gij en mher Isaac en velen uwer vrienden in den oorlog voor
de Kroon u onzijdig gehouden", wedervoer Hacket, "de Kerels zouden
waarschijnlijk nu de ongunst van den graaf niet te vreezen hebben."
"Ik verzoek u bedaard te blijven, heeren", zeide de proost. "Laat mij
mher Isaac Van Reninghe vragen of hij ons met eenige zekerheid kan
bevestigen dat graaf Karel dezelfde inzichten als de Isegrims jegens ons
heeft."
"In der waarheid, ik moet bekennen", antwoordde Isaac Van Reninghe,
"dat, welke moeite ik ook aanwendde, ik desaangaande niets heb kunnen
vernemen. Maar gij weet hoe ondoorgrondelijk onze graaf is; en
daarenboven, men mistrouwt mij omdat men vermoedt dat ik een vriend der
Erembalds ben."
"Welnu", bemerkte de proost met eene zegevierende uitdrukking, "ik,
integendeel, heb daarover rechtstreeksche berichten van iemand die meer
dan anderen het vertrouwen van onzen graaf bezit en hem nooit verlaat,
namelijk den ouden Frumold, wiens geloofbaarheid wel niemand uwer zal
betwisten. Deze heeft mij geschreven dat wij alle redenen hebben om te
gelooven dat men de Kerels voortaan aangaande hunne vrijheid niet meer
zal verontrusten; en hij raadt ons aan onzen heer graaf met betuigingen
van eerbied en verkleefdheid te onthalen en hem in zijne goede stemming
ten onzen opzichte te versterken. Het is onze plicht dezen wijzen raad
te volgen. De oorlog tegen onzen wettigen vorst, indien wij er toe
gedwongen worden zal, in alle geval, een groot ongeluk zijn, dat wij
behooren te ontwijken zoolang wij kunnen. Is dit niet het gevoelen der
meerderheid dezer vergadering?"
Velen der tegenwoordig zijnde ridders knikten met het hoofd of
antwoordden bevestigend.
"Laat ons dan tot een besluit komen, heeren", hernam de proost. "Mijn
tijd is kostelijk; ik verwacht den voorschepen van Brugge. Ziet hier
mijn gevoelen. Wij moeten ons bereiden om onzen heer graaf bij zijne
intrede met de meest mogelijke eerbewijzen te verwelkomen. Diegenen
onzer die niet gehouden zijn hem af te wachten, zullen hem te gemoet
rijden...."
"Ik den graaf te gemoet rijden?" kreet Burchard. "Mij door de Isegrims
uitdagend laten bekijken? Neen, neen, ik zou een ongeluk doen!"
"Daarom juist, mijn neef, omdat gij zoo oploopend zijt en u zelven niet
kunt bedwingen, wilde ik u verzoeken dien dag te Bethferkerke te
blijven[22]."
"Ha, vrees niet: men zal mij in Brugge niet zien!"
"Tot nu toe, heeren", ging de proost voort, "hebben wij geene redenen om
den graaf als een vijand der Kerels te beschouwen. Integendeel, ik durf
de overtuiging uitdrukken dat vorst Karel een edelmoedig hart heeft en
nooit ons recht zal te kort doen, indien slechte raadslieden hem niet
valschelijk tegen de Kerels aanhitsten. Wij zullen ons nu eerbiedig en
verkleefd jegens hem toonen en zelfs, indien het geval zich voordoet, de
hoonende houding der Isegrims over het hoofd zien, om geene reden van
ontevredenheid aan den vorst te geven. Ontstaat het kwaad dat gij
vreest, wij zullen onzen plicht doen en met goed en bloed de vrijheid
van Kerlingaland verdedigen; maar niemand toch zal ons kunnen
beschuldigen dat wij zelven de oorzaak der bloedige botsing waren.... In
deze omstandigheid, heeren, verheugt het mij ten hoogste u te kunnen
melden dat ik er gelukt ben het machtige huis van Rijkaard Van Woumen
door een huwelijk aan onzen stam te verbinden. Rijkaard en de zijnen
zijn machtig bij den graaf en hunne hulp is ons meer waard dan duizend
zwaarden."
"Zoo? heeft mehr Robrecht Sneloghe dan eindelijk toegestemd?" vroeg
Matfried Wegel. "Hij scheen van dit huwelijk niet te willen hooren."
"Inderdaad", bevestigde de proost, "hij heeft wel eenigen tegenstand
geboden; maar gij weet het, onder ons is er geen die met meer edelmoed
dan mijn neef Robrecht zich bereid toont tot zelfopoffering, zoohaast
hij iets kan doen ten goede van ons geslacht en van Kerlingaland. Het
was mij genoeg hem te doen begrijpen welke gelukkige gevolgen dit
huwelijk, zoowel voor de Erembalds in het bijzonder als voor de Kerels
in het algemeen, moest hebben, om hem de eervolle verbintenis te doen
aanvaarden."
"En is Rijkaard Van Woumen met dit huwelijk tevreden?"
"Zeer tevreden."
"Een der machtigste leenheeren zich verbinden met eenen Kerel!"
"Met den rijksten en machtigsten Kerel", verbeterde Bertulf. "Wie weet
niet dat mijn neef meer vrije gronden bezit dan mher Rijkaard
leengoederen?"
"Het is gelijk, heer proost, indien dit huwelijk voltrokken wordt zult
gij iets wonders gewrocht hebben dat, inderdaad, de Kerels sterk moet
maken tegen de kuiperijen der Isegrims."
"Maar Ghijselbrecht Tancmar stond insgelijks naar de hand van jonkver
Placida", bemerkte Yorg Koevoet. "Indien zijn oom, de hofraadsheer, met
den graaf terugkomt, zou hij dit huwelijk nog wel kunnen beletten."
"Onmogelijk", antwoordde Bertulf, "heden nog, dezen morgen zelfs, zal
Placida Van Woumen de beloftegift uit Robrechts handen ontvangen. Het is
daarom dat mijn neef zich niet hier met ons bevindt."
"God zij dank, dit is eene goede tijding!" juichten al de aanwezigen.
Burchard zelf glimlachte van tevredenheid en loofde uitbundig zijnen oom
over deze zegepraal.
De proost was bezig met hun uit te leggen, hoe dit huwelijk den Kerels
in eenmaal vele invloedrijke vrienden aan het hof des graven zelven
moest verschaffen en hoe hij hoopte daardoor beter dan door eenen
verderfelijken oorlog de rechten en de vrijheid van Kerlingaland te doen
eerbiedigen. Een dienaar opende zachtjes de deur en meldde hem dat de
voorschepen van Brugge verlangde hem te spreken.
Al de ridders stonden op. Zijne aanbeveling tot voorzichtigheid
herhalende, leidde de oude Bertulf hen tot aan de deur.
Hier zeide zijn broeder Hacket in stilte tot hem:
"Maar, proost, waarom verbergt gij den toestand der zaken? Onze
berichten zijn niet zoo geruststellend als gij het voorgeeft."
"Wat wij te vreezen hebben is dat de Kerels der Ambachten in beroering
geraken. Dit zou de graaf ongunstig stemmen en de Isegrims in de hand
werken. Met zulken onvoorzichtigen woestaard als onze neef Burchard,
kunnen wij de waarheid niet gansch openbaren. De minste genster ware
genoeg om het vuur van eenen ontijdigen opstand in Kerlingaland te doen
ontvlammen. Ga zonder kommer, broeder, en gelief den deurwaarder te
zeggen dat men den voorschepen binnenlate."
De kastelein drukte hem de hand en verwijderde zich.
Een voornaam en rijk poorter, die als voorschepen of burgemeester aan
het hoofd van het stadsbestuur stond, trad in de zaal en groette den
proost, terwijl deze hem minzaam eenen zetel aanbood.
Toen beiden gezeten waren, zeide de oude Bertulf:
"Heer voorschepen, dringende bezigheden, zooals gij aanstonds zult
begrijpen, laten mij niet toe ten uwent te gaan; daarom deed ik u bidden
u ten Burg te willen begeven. Ik moet u melden dat onze heer graaf
overmorgen in Brugge komt...."
"Ik weet het reeds, heer proost", bemerkte de voorschepen.
"Gij weet het? Heeft dan de graaf u insgelijks eenen bode gestuurd?"
"Neen, maar de hofraadsheer Tancmar Van Straten bracht zelf mij de
tijding."
"De raadsheer Tancmar?" herhaalde Bertulf met zichtbare bekommerdheid.
"Ja, en tevens de hofbottelier Walter Van Lokeren."
"Zij hebben wel veel haast om in Brugge te verschijnen, heer
voorschepen."
"Inderdaad."
"Brachten zij u ook eenige bijzondere bevelen van den graaf?"
"Bevelen wel niet; maar zij raadden mij aan eene houten trede op de
markt te doen timmeren om daarop de sleutels der stad den graaf te
overhandigen alsof hij eene eerste intrede deed. De reden daarvan is dat
eenige voorname Fransche ridders onzen vorst zullen vergezellen en hij
verlangt dat zijn onthaal zoo plechtig mogelijk geschiede. Ik zie geen
beletsel om onzen heer graaf hierin te vergenoegen. Daarenboven, ik zal
de poorters uitnoodigen hunne huizen op den doortocht van den stoet met
alle mogelijke pracht te versieren."
"Ik hoor wel dat voor alles naar behooren zal gezorgd worden", sprak de
proost. "Het spijt mij u zoo verre te hebben doen komen, dewijl ik u
niets anders te zeggen of te raden had."
De voorschepen stond op.
"Alzoo de raadsheer Tancmar is in de stad?" vroeg de proost peinzend.
"Ja, maar hij keert terug op de baan naar Atrecht om den graaf te gemoet
te gaan."
"Wanneer vertrekt hij? Dezen morgen nog?"
"Neen, in den vooravond."
Bertulf schudde het hoofd.
"Verwacht gij dan een erg kwaad van Tancmars tegenwoordigheid?" vroeg de
voorschepen verwonderd.
"Zit nog een oogenblik, heer voorschepen", zeide de proost. "Wat goeds
kunnen de poorters zoowel als de Kerels van deze aanleiders der Isegrims
verwachten?"
"Niet veel goeds", antwoordde de voorschepen, het hoofd schuddende. "Zij
zijn de erfvijanden des volks in het algemeen. Verbeeld u, heer proost,
dat zij nu beweren het recht te hebben om den balfaart der
dienstbaarheid door een groot getal Brugsche poorters te doen betalen,
onder voorwendsel dat dezen voortgesproten zijn uit onvrije lieden welke
vroeger tot bezittingen der leenheeren behoorden. Onze keure, door
vorige vorsten ons verleend, stelt als wet vast dat een onvrij man, die
gedurende een jaar en eenen dag in onze stad woont zonder dat zijn heer
hem teruggevorderd hebbe, tot poorter mag aanvaard worden en van dan af
de vrijheid dezer poort geniet[23]."
"En de lieden welke de Isegrims den tol der dienstbaarheid willen doen
betalen, wonen meer dan een jaar in Brugge?"
"Vele jaren, heer proost. Van sommigen weet men zelfs niet meer wanneer
zij of hunne ouders binnen deze poort zijn komen wonen."
"Gij zult dit onrecht niet lijdzaam onderstaan, hoop ik, heer
voorschepen?"
"Wij zullen ons bij den graaf beklagen en rechtvaardigheid eischen."
"Ja, onze heer graaf zal u waarschijnlijk tegen de aanmatiging der
leenheeren beschermen. Wij moeten het hopen ... maar indien hij onzen
vijanden gelijk gaf en men u wilde dwingen?"
"Wat er zou geschieden, heer proost? Wie kan het voorzien? Wij poorters
hebben een taai geduld; maar des te meer gespaard bloed zouden wij voor
het behoud onzer rechten kunnen opofferen indien eens de boog door
overspanning brak."
Bertulf greep den voorschepen de hand.
"Wel gesproken", zeide hij. "Geduld hebben en door zachte middelen het
onheil, dat ons dreigt, pogen af te weren, zoolang het mogelijk is; maar
intusschen waken en zich bereid houden om op het uiterst oogenblik de
dwingelandij der Isegrims eenen hardnekkigen tegenstand te kunnen
bieden. Werden de poorters eerder dan de Kerels aangerand, wij zouden
allen u ter hulp vliegen; want het geldt hier het dierbaarste dat onze
vaderen ons hebben nagelaten. Hoezeer vroegere tijdsomstandigheden de
instellingen dezer landen hebben veranderd, wij zijn toch altemaal van
hetzelfde bloed: uwe voorouders en onze voorouders waren Kerels van
éénen stam."
"Het is waar, heer proost", murmelde de voorsehepen.
"De Isegrims begrijpen ons daarom in denzelfden haat", ging Bertulf
voort. "Poorters, Kerels, vrije mannen van binnen en buiten de steden,
wil men doen bukken onder eene zelfde verdrukking. Slaan wij dus immer
de handen te zaam en, waar het volk bedreigd wordt door degenen die
niets beoogen dan al wat werkt of handel drijft in slavernij te
dompelen, daar vinde het gevaar ons als broeders in dezelfde scharen!"
"Zoo zal het zijn als de worsteling ooit uitbreekt", bevestigde de
voorschepen. "Wij poorters, zijn allen uwe vrienden, gij weet het wel;
en wij zullen u helpen tegen uwe vijanden, die ook de onze zijn."
Hij reikte den proost tot vaarwel de hand.
Bertulf vergezelde hem tot bij de deur, keerde dan terug naar de tafel
en mompelde in gedachten:
"Tancmar is in de stad! Wat komt hij er doen? En indien hij iets van
het ontworpen huwelijk verneemt? Zijn zoon Ghijselbrecht heeft lang naar
de hand van jonkver Placida gestaan. Gelukkig dat op dit oogenblik de
beloftegift reeds moet aanvaard zijn en het dus geheel onwaarschijnlijk
is dat Rijkaard Van Woumen nog op eene wederzijds bevestigde verbintenis
kan terugkomen.... Maar Tancmar is zoo vol list en zoo bedrijvig!"
Hij hief het hoofd op en zag Robrecht Sneloghe die met droef en spijtig
gelaat te midden der zaal stond.
"Nu, mijn neef, wat beduidt dit treurig aangezicht?" vroeg hij
verwonderd en bekommerd. "Heeft jonkver Van Woumen uwe gift aanvaard?"
"Ik heb mij nog niet bij haar aangeboden", was het antwoord.
"Hoe, gij zijt nog niet in sher Rijkaards Steen[24] geweest?" riep de
proost met verbazing uit. "Welk noodlottig beletsel hield u terug?"
"Wees toegevend voor mij: laat mij afzien van dit huwelijk!" zeide
Robrecht.
"Onmogelijk, gij zijt zinneloos!" kreet de proost, die zich door zijne
spijt liet vervoeren.
Robrecht zou anders van niemand zulke harde woorden geduld hebben; maar
hij onderstond deemoedig den uitval van zijnen ouden oom.
"Ik bezweer u, heer oom", smeekte hij, "bij de gedachtenis mijns vaders,
dien gij zoo liefhadt, dwing mij niet tot het aangaan dezer
verbintenis!"
"Zij is noodig tot het heil van Kerlingaland. De Isegrims bedreigen onze
vrijheid."
"Welnu, oom, dat het zwaard dan onze rechter weze! Mijn bloed wil ik
geven tot den laatsten druppel; maar gij eischt mijne ziel...."
"Uwe ziel?"
"Ja, gij slachtoffert mij zonder mededoogen, ik weet niet ten gevolge
van welke diepe berekeningen. Bestrijden wij de Isegrims, maar het weze
niet door sluwe middelen. De list was altoos de toevlucht der zwakken
en der lafaards; wij zijn sterk en onversaagd."
"Waarlijk, gij doet mij twijfelen aan de vastheid uwer zinnen" morde de
proost, sidderend van verontwaardiging en ongeduld. "Waarom breekt gij
uwe belofte?"
"Ik zal ongelukkig zijn, geheel mijn leven!"
"Met Placida Van Woumen? Is zij niet schoon genoeg?"
"Schoon als eene lelie is zij, heer oom."
"En rijk en edel geboren?"
"Ik zal ze nooit kunnen beminnen. Dit huwelijk boezemt mij schrik en
afkeer in."
"Waarom toch?"
Robrecht aarzelde om de bekentenis, die hem op de lippen zweefde, uit te
spreken. Evenwel hij deed geweld op zich zelven en zeide met vaste stem:
"Omdat ik eene andere vrouw bemin."
"Gij bemint eene andere vrouw?" kreet de proost met verbaasdheid.
"Dakerlia Wulf."
"Kom, kom, dit is onmogelijk, mijn neef! Disdir Vos staat naar de hand
van jonkver Dakerlia en haar vader stemt toe in haar huwelijk met hem."
"Mher Wulf laat zijne dochter de vrije keus. Mij bemint Dakerlia."
"Gij hieldt dezen band uws harten voor mij verborgen! Gij hebt mij dus
bedrogen?"
"Eerst heden ontving ik hare bekentenis."
"En om deze liefde van eenen enkelen dag gehoor te geven wilt gij de
hoogste belangen uws vaderlands slachtofferen en mijne gelukkige
pogingen verijdelen?" gromde de proost bitter schertsend. "Het is eene
onbegrijpelijke dwaasheid. Spreken wij er niet langer van. Wilt gij niet
dat ik, door de diepste treurnis getroffen, u voor altoos mijne
vriendschap en mijne achting onttrekke, begeef u onmiddellijk naar sher
Rijkaards Steen en bied jonkver Placida uwe beloftegift aan!"
"Dus geene genade voor mij?"
"Geene. Uwe belofte moet u heilig zijn."
Robrecht bezag zijnen oom eene wijl met strakken blik, als worstelde
hij nog tegen een pijnlijk besluit. Dan zeide hij, het hoofd
verheffende:
"Gij weet, heer oom, hoe ik u sedert mijne kindsheid heb geëerbiedigd en
bemind als waart gij mijn vader. Er is eene grens aan alles. Vermits gij
onverbiddelijk blijft, welnu, laad uwe gramschap op mij: ik weiger u te
gehoorzamen. De bruidegom van Placida word ik niet!"
"Niet?"
"Nimmer, heer oom. Dakerlia Wulf zal mijne levensgezellinne zijn."
"Ha, ha, dit zullen wij zien!" riep de proost met ongeduld. "Luister
slechts op de tijding welke ik u mede te deelen heb. Overmorgen komt de
graaf in Brugge. De Leenheeren, de Isegrims, onze vijanden, beroemen
zich openlijk dat zij nu met geweld onze broederen, de Kerels der
Ambachten, den balfaart gaan opdringen. Het uur van den grooten strijd
om vrijheid of slavernij, om leven of dood nadert dus waarschijnlijk
voor het Kerlingaland."
"God zij dank", mompelde Robrecht, "dat wij eindelijk ons leven mogen
wagen voor de vrijheid!"
"Dat kan de minste Kerel", wedervoer de proost met drift. "Wie meer
heeft brenge meer ten offer, indien hij zijnen plicht getrouw wil zijn.
Daareven was ik, in deze zaal zelve, vergaderd met uwe ooms en neven en
met eenigen onzer vrienden. Allen juichten bij de aankondiging van uw
huwelijk, als bij iets dat de booze ontwerpen onzer vijanden voor altijd
kon verijdelen. Want, misken het niet, dit huwelijk moet geheel een
edelgeboren en aanzienlijk geslacht tot vrienden en verdedigers der
Kerels maken. Door aldus de verdeeldheid onder de Isegrims zelven te
brengen, breken wij hunne macht.
Rijkaard Van Woumen kan dit alles bij den graaf. Indien hij den vorst
rechtvaardigheid jegens de Kerels inboezemt, wat hebben wij te vreezen?"
Robrecht was bleek geworden en hield den blik beweegloos op zijnen
grijzen oom gevestigd.
"Volhard nu in uwe weigering", ging deze met klimmenden nadruk voort;
"maak dat de hulp van mher Rijkaard ons ontbreke en de noodlottige
botsing diensvolgens niet worde belet. De grond van Kerlingaland zal met
lijken en puinen overdekt worden, en--wie kan het weten?--misschien zal
in dit akelig bloedbad de vrijheid der Kerels, de vrijheid van ons
geslacht voor eeuwig vergaan. Na zulke ijselijke ramp zou de vloek der
overlevenden op eenen enkelen man geladen worden. Uit den afgrond der
slavernij zou men, tot in de verre toekomst zelve, den naam van eenen
trouwelooze, van eenen ondankbare vermaledijden, wien de noodige moed
ontbrak om op het altaar van den plicht het offer te brengen dat zijn
vaderland kon redden!"
Met het hoofd gebogen en als neergedrukt onder het gewicht der wreede
noodzakelijkheid, luisterde Robrecht sprakeloos op de strenge woorden
van zijnen oom.
Deze meende te voorzien dat zijn neef zich eindelijk weder zou
onderwerpen en verzachtte daarom eenigszins den toon zijner stem.
"Mijn goede Robrecht", zeide hij, "ik kan waarlijk niet begrijpen hoe
gij niet met blijdschap de hand van Jonkver Placida aanvaardt. Dit
huwelijk moet niet alleen u tot eenen hoogen trap van roem verheffen,
maar zelf gansch ons geslacht nader bij den troon brengen. Mher Wulf
daarentegen is niet rijk; hoe eerlijk en hoe achtbaar hij ook weze, de
hand zijner dochter doet u afdalen."
Eene hevige siddering doorliep Robrechts leden en een ongeduldige grijns
verkrampte zijne lippen; doch hij antwoordde niets.
Bertulf aanzag deze zure uitdrukking als het teeken van nieuwen onwil.
"Verlangt gij inderdaad, mehr Sneloghe", vroeg hij met nog meer klem,
"dat ik onze magen en vrienden doen terugroepen om hun aan te kondigen
dat gij liever nog Kerlingaland aan verdelging en slavernij ten prooi
geeft dan de hand te aanvaarden der schoonste en rijkste erfgename van
Vlaanderen? Gij aanroept de gedachtenis uws vaders? Meent gij misschien
dat zijne ziel juicht, daar hij ziet hoe zijn eenig zoon zijn geslacht
verraadt en weigert te gehoorzamen aan mij die de erfgenaam ben zijner
overheid op aarde? Gij antwoordt mij niet? Is alle gevoel van eer en
plicht eensklaps in u gestorven? Weigert gij dan de minste opoffering
voor het welzijn van Kerlingaland? Wilt gij de vermaledijding te gemoet
gaan van een gansch volk, dat door uwe zwakmoedigheid kan veroordeeld
worden tot eeuwige slavernij? Ha, ha, ware jonkver Dakerlia hier met
ons, en eischte ik van haar, tot redding onzer vrijheid, zulke
opoffering, meent gij dat zij, die eene vrouw is, zou weigeren? Is zij
geene Kerlinne?"
Robrecht stond op. Zijn gelaat droeg nog wel den stempel eener diepe
droefheid, doch in zijne oogen fonkelde eene genster van beradenheid.
"Heer oom, staak uwe bittere verwijten", zeide hij, "zij zijn
overbodig."
"Hoe meent gij het?"
"De wreede strijd is over in mij. Het kost moeite. Ik dwaalde; gij hebt
gelijk. Hoezeer ik ook hadde gewenscht dit huwelijk te kunnen ontwijken,
ik erken mijnen plicht en onderwerp mij aan de noodzakelijkheid."
"Oprecht? Ernstig?"
"In vollen ernst. Wees gerust: eer een half uur verloopen zij, zal
jonkver Placida mijne beloftegift ontvangen hebben. Zooals gij zegt,
oom, Dakerlia zal begrijpen dat de plicht jegens Kerlingaland...."
"Dank zij God, die u mijne genegenheid en achting waardig laat blijven!"
juichte de proost met onverborgene blijdschap. "Ga, mijn goede neef,
haast u; want onze vijanden zijn waakzaam."
Bij de deur hield hij mher Sneloghe met de hand terug, als schoot er een
onrustwekkend gepeins door zijnen geest, en zeide:
"Robrecht, indien gij door de zuurheid of de treurigheid uws gelaats
gingt toonen dat dit huwelijk u bedroeft? Indien gij door de koelheid
uwer woorden jonkver Placida tot eene weigering deedt besluiten of een
uitstel deedt vragen, meent gij dat gij jegens uw geslacht niet even
schuldig zoudt zijn?"
"Vrees niet, heer oom", antwoordde de jonge ridder, "mijn besluit is
genomen, rechtzinnig genomen; ik zal onderwege mijne krachten verzamelen
en, wees zeker, mij zal de moed niet ontbreken om mijnen plicht tot het
einde te volbrengen."
"Toon u ten minste een weinig lieftallig voor jonkver Placida."
"Hoofsch en minzaam moet een ridder immer met jonkvrouwen zijn. Dit kan
ik niet vergeten. Placida is schoon en bevallig. Ik zal mij aan het
denkbeeld van dit huwelijk pogen te gewennen. Hopen wij dat er later ook
liefde voor jonkver Van Woumen in mijn hart zal groeien. Wel schijnt het
mij nu moeilijk; maar de wil van eenen man, als hij eenen duren plicht
vervult, kan wonderen wrochten...."
"Zoo is het wel, mijn goede Robrecht!" riep de proost, hem juichend op
den schouder slaande. "Ga nu spoedig met mijnen groet en mijnen zegen."
Hij meende zich naar de Hof straat te richten; maar nu schoot hem
eensklaps de herinnering te binnen, dat hij de juweeldoos in zijne
woning had gelaten. Zonder beloftegift kon hij niet tot jonkver Placida
gaan.
Het hoofd met mismoed schuddende, begaf hij zich naar de Hoogstraat. Wel
vertraagde hij zijnen stap en wel scheen hij soms te willen staan; maar
het lot en de plicht dreven hem naar zijnen Steen.
Hij trad bevend in de zaal waar hij Dakerlia nog meende aan te treffen.
Zijne zuster was gansch alleen. Dit gaf hem eenige sterkmoedigheid
weder.
Terwijl Witta bij zijne eerste woorden reeds in tranen van medelijden
losborst, poogde hij haar te doen begrijpen dat zij allen met
verduldigheid zich onderwerpen moesten aan den onverbiddelijken plicht.
Hij, Robrecht, mocht nu met Dakerlia niet meer spreken. Jonkver Wulf zou
dit zelve wel erkennen. Witta zou haar gaan zeggen dat alle hoop was
verloren. Zij beloofde, op het dringend verzoek haars broeders, alles
aan te wenden wat mogelijk was om hem bij Dakerlia te verontschuldigen
en hare arme vriendin te troosten.
Mher Sneloghe stak de juweeldoos in de tasch die hem aan den gordel hing
en verliet zijnen Steen met opgehouden tranen in de oogen.
Hij stapte haastig voort tot op de Markt. Hier bleef hij staan en wreef
zich met kracht over het voorhoofd, als om de volle bewustheid van
zijnen toestand te bekomen. Na eene wijl overwogen te hebben mompelde
hij treurig in zich zelven:
"Vaarwel, vaarwel, o schoone droom die den hemel voor mijne oogen had
geopend! Een enkel uur hebt gij geduurd ... om mij de slachtoffering
bitter en schrikkelijk te maken! Het is gedaan: uwe herinnering zelve
wil ik uit mijne hersens vagen. Ach, het lot is mij wreed; maar de
plicht is eene stalen wet. Ik ben man en Kerel; geene zwakheid!"
En na het uitspreken dezer woorden, stapte hij langzaam en immer denkend
over de Markt, en verdween achter St-Christoffels-kapelle.
VOETNOTEN:
[Voetnoot 16: Deze oude toren is ingestort ten jare 1316. Zie DESPARS,
_cronycke_, enz., I, pag. 395.]
[Voetnoot 17: "Burchard, die wreede, woedende, onversaagde krijgsman,
begaafd met eene wonderlijke lichaamskracht."
GALBERTUS, uitgegeven door Guizot, _Collection des Mém. rel. à l'hist.
de Fr._, tom. VIII, pag. 314.]
[Voetnoot 18: Over dezen krijgstocht van den graaf van Vlaanderen in
Aquitanië met den koning van Frankrijk, zie SUGER, _Vie de
Louis-le-Gros_, uitgegeven door Guizot, tome VIII, pag. 132.]
[Voetnoot 19: Thor, de krijgsgod der Romeinen, werd verbeeld met eenen
zwaren hamer in de hand. Men zegt daarvan nog in Brabant, van iemand die
zeer verbaasd of verbluft is: _hij staat als van den hamer geslagen_.]
[Voetnoot 20: "De tol der dienstbaarheid, gezegd _half have_ en
_Balfaert_, ook geheeten _beste hooft_."
VICTOR DE RODE, _Ann. du Comité Fl. de Fr._, t. VIII, pag. 145.]
[Voetnoot 21: Deze Willem Van Loo, burggraaf, dit is kastelein van
Yperen, was kleinzoon van Robrecht-de-Vries door Philips; Karel van
Denemarken was dit insgelijks, doch door Adela. Men vindt den volledigen
geslachtsboom in _Vie de Charles-le-Bon par le Dr. Wagner, trad. du
Danois par un Bollandiste._]
[Voetnoot 22: Tancmar had een landgoed te Straten en Burchard eene
woning te Bethferkerke. Beide deze plaatsen lagen op het gebied der
tegenwoordige parochie St-Andries, op eene mijl van Brugge.]
[Voetnoot 23: Bij het ontstaan der steden of vrije gemeenten was een
slaaf vrij als hij ongestoord een jaar en eenen dag in de stad had
gewoond."
P. BLOMMAERT, _Aloude Gesch. der Belgen_, pag. 175.]
[Voetnoot 24: Die vorm _Sher_ of _Ser_, alsdan gebruikt, is de genitivus
van _heer_; het is alsof er stond: _des heeren Rijkaards steen_.]
III
Ten einde der Kuiperstraat verhief zich, verre boven de poortershuizen,
de achtkantige toren van sher Rijkaards Steen.
Deze aanzienlijke woning bestond uit verschillige gebouwen, rondom een
vierkante neerhof, en uit eenen tuin, waarvan de gekanteelde
omheiningsmuur met zijne schietgaten op St-Pieters voorgeborchte uitzag.
Zij was van alle zijden omringd met water, en eene ophaalbrug onderbrak
des nachts of in tijden van gevaar hare gemeenschap met de stad.
De wijde tuin was overlommerd met hooge boomen, welker gebladerte in dit
gevorderde jaargetijde zich reeds begon te sieren met de veelkleurige
tinten die den komenden winter aankondigen. Dien morgen echter stond de
zon glanzend aan den hemel, en de wind was even zoel en even verheugend
als op eenen lentedag.
Onder de boomen, rondom eene tafel, zaten drie vrouwen te arbeiden aan
zekere kostbare kleedingstukken. Eene der jongsten verwerkte zelfs
goud-en zilverdraad in een zijden hoofdhulsel.
De oudste, wier haar reeds begon te vergrijzen, sloeg nu en dan eenen
blik op den arbeid harer twee gezellinnen en wees hen terecht en gaf hun
raad, als ware zij hier de meesteresse.
Evenwel, het was genoegkennelijk aan het eenvoudig linnen kleedsel dezer
vrouwen, dat zij allen dienstmeiden waren; ja, eene zilveren schaar
naast een fraai naaischrijn op de tafel en een stoel van gesneden
eikenhout met een gebloemd zitkussen konden doen vermoeden dat de ware
meesteresse onlangs was opgestaan en den tuin had verlaten.
Eene der beide jongere vrouwen moest geweend hebben; want zij hield
mismoedig het hoofd over haar werk gebogen en hare oogen waren nog
vochtig.
"Kom, Brigitta, denk niet meer aan het voorval", zeide de oudere
troostend. "Gij zijt te gevoelig; en daarbij, onze jonkvrouw heeft
gelijk: wij arme dienaars mogen ons met de zaken onzer meesters niet
bemoeien, zooals gij het soms doet."
"Het is alweder voorbij, Martha", antwoordde het treurige meisje. "Onze
jonkvrouw toont zich hard voor mij. Wat kwaad bestaat daarin dat ik mher
Robrecht Sneloghe roemde?"
"Geen, inderdaad; maar waarom spraakt gij van mehr Ghijselbrecht Tancmar
zonder den verschuldigden eerbied? Mher Ghijselbrecht is ridder; wij
zijn lijfeigene lieden,--slaven."
"Ja, ja, slaven!" herhaalde de jonge Brigitta met eenen diepen zucht.
"En omdat gij zoo stout van eenen edelgeboren man durft spreken, heeft
uwe taal jonkver Placida diep gekwetst. Zij bestrafte u met bitterheid;
gij moet het ootmoedig verdragen."
Brigitta bedwong hare stem, als vreesde zij van uit den Steen gehoord te
kunnen worden. Fluisterend zeide zij:
"Weet gij wat ik denk, Martha? Ik denk dat onze jonkvrouw liever mher
Ghijselbrecht tot bruidegom zou hebben en dat zij nu de hand van
Robrecht Sneloghe slechts aanvaardt omdat hare ouders het zoo willen;
want ziet gij niet...."
"Spreek stiller nog!" onderbrak de oude vrouw, met een gebaar van angst.
"Indien men u hoorde, ongelukkige!"
"Meent gij dat ik mij misgrijp? Wat denkt gij er over, Amelberga?"
"Ik, ik?" stamelde het andere jonge meisje. "Ik denk dat wij beter doen
met hoegenaamd niets te denken."
"Zijn wij dan geene menschen meer?" vroeg Brigitta met eene soort van
verontwaardiging in de oogen.
"Eilaas, ja", was het antwoord, "maar ik weet nog dat ik, voor drie
jaren, eens door eenige stoute woorden liet hooren dat ik zulks
geloofde. Ik zeide tot onze jonkvrouw, die mij al te ruw toesprak, dat
ik mensch en Christen was evenals zij. Weet gij welk antwoord zij mij
gaf?"
"Geen minzaam antwoord, dit is begrijpelijk."
"Zij deed mij door de schalken op den Neerhof zoo wreedelijk met roeden
geeselen, dat het bloed mij van de schouders liep."
"Wee, wee, moest mij zulken hoon geschieden", kreet Brigitta
"Gij zoudt het verdragen evenals Amelberga", bemerkte de oude vrouw.
"Maar wat zoudt gij doen, Brigitta?"
"Ik zou alle voedsel weigeren totdat de honger of de schaamte mij deed
sterven. Reeds meer dan eens heb ik er aan gedacht. Wees zeker, ik zou
zulke mishandeling niet lang overleven."
"Nu, nu, dit is al grootspraak", schertste Amelberga, "zulke taal in den
mond eener lijfeigene!"
"Ja, gij kunt het niet begrijpen", wedervoer Brigitta. "Beiden zijt gij
in slavernij geboren, op een leen dat onze heer omtrent Aalst in
Zeizers-Vlaanderen bezit; maar ik kwam ter wereld omtrent Loo, in het
Land der Kerels, en ik ben eene Kerlinne geweest."
"Wat doet het, vermits er insgelijks dienstbare Kerels zijn?"
"Die zijn er niet, Martha. Wie zijne vrijheid verliest houdt op Kerel te
zijn."
"Dan heeft waarschijnlijk uw vader zich verkocht, of de straf eener
misdaad bracht hem in slavernij", bemerkte Amelberga met eenen
twijfellach op de lippen.
"Ik vergeef u den spot, omdat gij onzer gewoonten onwetend zijt",
wedervoer Brigitta. "Vermits wij hier nu alleen zijn en vrij kunnen
kouten tusschen den arbeid, laat mij u de zaak uitleggen en gij zult
begrijpen waarom er nog eenige fierheid in mijn bloed overblijft. Mijn
vader heette Warnfried; hij woonde in Kerlingaland en was een vrij man;
als eigenaar van eene hut en van eenen akker, was hij lid van het Gilde
en had stemrecht in de vergadering van het Ambacht. Voor alle maagschap
had hij eenen neef, evenals hij. Deze neef werd de oorzaak van ons aller
ongeluk. Op een plechtig Gildenmaal te Loo, door het drinken van
hoppebier verhit, geraakte hij in twist met eenen anderen Kerel en
bracht met zijne schermzeis--dit is een zwaard--zijnen tegenstrever
eenen zoo noodlottigen slag toe dat hij er van stierf. De talrijke
bloedverwanten van den overledene zouden onzen neef en mijnen vader
gedood hebben, zooals het recht en de plicht der _Veete_ het hun
oplegden. Evenwel, zij gaven ons vrede en aanvaardden den zoen; maar het
zoengeld dat zij eischten was zoo aanzienlijk, dat alwat mijn vader en
zijn neef bezaten nauwelijks toereikend was om het te betalen[25]. Mijn
vader bleef dan zijne hut bewonen, niet meer als eigenaar, maar als
vrijlaat, zittende op een anders goed. Weinig tijds daarna, in den
Houthulst op jacht zijnde, werd hij, eilaas, door een everzwijn zoo
deerlijk gewond, dat men hem ter plaatse dood vond. Nu bleef mijne
moeder alleen met drie onmondige meisjes, zonder maagschap en zonder
eenen enkelen verdediger. Door wanhoop gedreven, reisde zij met mij en
mijne kleine zusters naar het klooster ten Nonnenbosch, bij Yperen, en
gaf zich zelve en hare kinderen tot lijfeigenen van het klooster aan de
Priorine[26]. Zoo ben ik, zonder mijn toedoen, van vrijgeborene Kerlinne
in eeuwige dienstbaarheid vervallen. Ten Nonnenbossche heeft men mij wel
behandeld en mij veel schoon werk geleerd. Mijne arme moeder, die nu bij
den Heer is, beschuldig ik insgelijks niet; maar de vrijheid, ziet gij,
is een kostbaardere schat dan het leven; en wat moeite ik er ook toe
inspanne, ik kan mij aan de dienstbaarheid niet gewennen."
Er bleef eene wijl stilte.
"Alzoo, gij zijt waarlijk vrij geweest?" murmelde Martha.
"Gij hoort het wel. Wat ik zeg is enkel waarheid. Toen onze jonkver
Placida den wensch had uitgedrukt om eene jonge huismeid te vinden die
handig was in naai- en stikwerk, heeft haar heer vader mij afgekocht van
het klooster ten Nonnenbosche, en zoo ben ik nu zijne lijfeigene
geworden."
"Maar wat kon uwe moeder anders doen?" bemerkte Amelberga. "In alle
geval zoudt gij de dienaresse van vreemden geworden zijn en uwe vrijheid
verloren hebben."
"Daarin bedriegt gij u", was het antwoord. "Zijn er onvrije menschen in
Kerlingaland, dezen wonen op de leenen der heeren. De Kerels in de
Ambachten kennen geene slaven. Hunne huisdienaars zijn ook vrije
menschen die aan denzelfden disch eten met degenen voor wie zij werken.
Men noemt ze niet dienaars of schalken, maar _gezellen_, en zij gaan en
komen en verhuren hunnen arbeid waar en aan wien zij willen. Het eenig
onderscheid bestaat daarin dat men een grondeigendom, hoe gering ook,
moet bezitten om stemrecht in de vergadering te hebben[27]. Ware ik vrij
gebleven, ik hadde gemakkelijk eenen Kerel tot bruidegom gevonden.
Indien mijn man geen stuk grond bezat, zouden wij jaren gearbeid hebben
om er een te koopen. Dan hadde ik gewoond in onze eigene hut, op onze
eigene aarde, vrij en trotsch als de edelste jonkvrouw van Vlaanderen.
Begrijpt gij dat ik de noodlottige daad mijner moeder betreur, en
moeilijk de schaamte verkrop wanneer men mij toespreekt alsof ik zelf
geen mensch was?"
"Ja, en nu begrijp ik insgelijks waarom gij zulke voorliefde voor mher
Robrecht Sneloghe toont, terwijl gij van mher Ghijselbrecht Tancmar met
weinig eerbied spreekt", zeide de oude Martha.
"Is het niet met reden?" antwoordde Brigitta. "Mher Robrecht is veel
rijker dan mher Ghijselbrecht; hij is schooner van gelaat, zachter van
gemoed en daarbij minzaam met iedereen, zelfs met ons. Hij is slechts
driemaal hier geweest en heeft telkens ons gegroet. Zou Ghijselbrecht
Tancmar zulks doen?"
"Dit is evenwel niet wat ik wil zeggen, Brigitta."
"Wat dan, Martha?"
"Het bloed spreekt in u."
"Ik begrijp u niet."
"Ik zal u dan iets zeggen, Brigitta, dat gij niet weet. Robrecht
Sneloghe is een Kerel geweest."
"Onmogelijk. Wie Kerel geboren is blijft het zoolang hij zijne vrijheid
behoudt."
"En wanneer men wil ophouden Kerel te zijn?"
"Men kan dit niet, Martha. Men is door eenen onverbreekbaren band aan
het Gilde verbonden."
"Welnu, zijn vader, vroeger kastelein van Brugge, was een Kerel, in het
Veurne-Ambacht geboren. Mher Robrecht zelf, meen ik, kwam ter wereld te
Eggewaardskapelle, waar hij nu nog vele goederen bezit."
"Dan is mher Robrecht insgelijks een Kerel!" riep Brigitta met
blijdschap uit.
"Dat hij het nog is, geloof ik zeker niet", ging Martha voort, "maar
indien gij dit alles niet wist, dan heeft wel werkelijk het bloed in u
gesproken, Brigitta."
"Inderdaad, het is wel mogelijk.... Ach, Martha, ik smeek u, beloof mij
iets! Gij kunt veel op onze jonkvrouw. Raad haar aan mij met zich te
nemen als zij, na haar huwelijk, dezen Steen verlaat. Wie weet of zij
niet in Kerlingaland zal wonen? Zoo, met mher Robrecht, met eenen Kerel
tot meester, zal ik mij gelukkig achten; de dienstbaarheid zal mij
lichter wezen en ik zal mij misschien in mijn lot.... Stil! daar is onze
jonkvrouw met mher Robrecht...."
De vrouwen stonden op en bogen ten teeken van eerbied het hoofd, doch
schouwden tersluips naar hunne naderende meesters.
Bovenal hielden zij met bewondering en nieuwsgierigheid den blik
gevestigd op een kostbaar juweel van Oostersche parelen en groene
smaragden, dat aan den hals der jonkvrouw glinsterde en, met een kruis
van vuurroode robijnen, tot op hare borst nederhing. Zij twijfelden niet
of dit moest de aanvaarde gift van haren verloofde zijn. Het huwelijk
zou dus binnen eenige weken worden gevierd!
Placida Van Woumen kon twintig jaar oud zijn. Zij was rijzig van
gestalte en hield hals en hoofd zeer rechtop. Dit gaf haar een voorkomen
van trotschheid, dat nog versterkt werd door den tragen, statigen blik
harer oogen. Het blonde haar dat, evenals bij alle ongehuwde vrouwen,
haar in lange lokken over de schouders golfde, was boven haar hoofd met
eenen gouden band bevestigd. Gansch in witte zijde was zij gekleed.
Men zou gezegd hebben dat zij insgelijks tot het aanvaarden van dit
huwelijk zekeren dwang onderging, of, ten minste, met volledige
onverschilligheid zich aan den wensch harer ouders had onderworpen; want
zij antwoordde slechts met korte bevestigende woorden op de hoofsche
gezegden van Robrecht, en haar gelaat, alhoewel het geene teekens van
ontevredenheid toonde, bleef onbewogen en koel.
Achter de jongelieden kwam Rijkaard Van Woumen met zijne echtgenoote,
Ver Aldegunda.
Eenige dienaars of schalken volgden hen met leunstoelen.
Op een teeken van mher Rijkaard verliet de oude Martha met hare beide
gezellinnen den tuin.
De leunstoelen werden onder eenen hoogen lindeboom geschikt. Elk nam
plaats, en men zettede het afgesproken gesprek voort, terwijl een oude
schalk en een jonge knaap bij de achterdeur van den Steen bleven staan
om elk bevel der meesters te ontvangen.
"Alzoo, mher Sneloghe", vroeg Placida's vader, "het is wel besloten,
niet waar, dat gij Ravenschoot tot zomerverblijf zult kiezen? Deze
burcht staat niet verre van Brugge. Het zou ons pijnlijk vallen van onze
eenige dochter door eenen grooten afstand gescheiden te blijven; maar op
zulke wijze zal het zijn alsof zij ons niet had verlaten."
"O, mijne lieve Placida", riep Ver Aldegunda uit, als wilde zij hare
dochter tot blijdschap opwekken, "Ravenschoot is zulk schoon landgoed,
dat het geroemd wordt in gansch Vlaanderen om zijne lustige boomgaarden,
waranden en tuinen! Het is tevens zeer uitgestrekt en heeft groene
weiden en wildrijke bosschen. Ik ken het wel: toen mher Robrechts moeder
en ik nog kinderen waren, heb ik dikwijls op Ravenschoot gespeeld. Wie
hadde dan kunnen denken dat mijne dochter, mijne lieve Placida, eens
daar als meesteresse den sleutelbosch zou dragen! Zijt gij niet
vroolijk daarom, Placida?"
"Ja, moeder", antwoordde de jonkvrouw. "Ik weet sedert lang dat geen
landgoed zoo schoon als Ravenschoot rondom Brugge ligt; maar wat mij
meest verheugd is toch dat ik u bijna dagelijks zal kunnen zien en
omhelzen."
"Die goede Placida!" zuchtte Ver Aldegunda ontroerd.
"Ik had een oogenblik gevreesd", zeide mher Rijkaard tot zijnen
toekomenden schoonzoon, "dat gij lust kondet hebben om van het landgoed
te Houthem uw zomerverblijf te maken. Het is wel een aanzienlijk
eigendom, maar veel minder toch dan Ravenschoot, en het ligt bij Veurne,
zoo verre van Brugge!"
Robrecht had het hoofd gebogen en scheen in gepeinzen verzonken.
Daarover verwonderd, aanschouwden Rijkaard en zijne vrouw den jongen
ridder met kommer.
Na eene korte stilte vroeg Placida's vader:
"Gij zijt zoo droomachtig, mher Sneloghe?"
Robrecht hief het hoofd op, sloeg met eenen glimlach den blik op Placida
en zeide:
"Ja, mij boezemt de Heer eene goede gedachte in. Ik meende ze verborgen
te houden tot den dag na ons huwelijk; maar dewijl jonkver Placida zoo
minzaam mijne beloftegift heeft aanvaard, voel ik mij aangedreven tot
onbescheidenheid. Volgens de overeenkomst tusschen u, mher Van Woumen,
en mijnen oom, den proost van St-Donaas, gesloten, zal ik mijner bruid
het landgoed te Houthem als morgengave[28] in vollen eigendom schenken,
niet waar?"
"Zoo is het inderdaad tusschen ons bepaald geworden."
"Welnu, ik ben overtuigd dat de heer proost en geheel mijne maagschap
mijn nieuw besluit zullen goedkeuren. Niet Houthem, maar wel het schoone
Ravenschoot zal de morgengave mijner bruid zijn. Zoo wone dan mijne
echtgenoote met mij op haar persoonlijk eigendom."
Placida's oogen glansden van ware blijdschap en van hoogmoed; hare
ouders juichten luid. Ravenschoot was inderdaad zulk uitgestrekt goed,
dat het alleen den rijkdom van een ridderlijk huisgezin kon uitmaken.
Terwijl men nog bezig was met Eobrecht om zijne vrijgevigheid te roemen
en hij betuigde dat hij, zooveel het hem mogelijk was, alles wilde
inspannen om zijne vrouw gelukkig te maken en vereerd te zien, naderde
de knaap die tot dan bij de deur had gestaan.
[Illustratie: ... Robrecht hief het hoofd op. (bladz. 64)]
"Heer", zeide hij tot Van Woumen, "er is een ridder in de zaal; hij
verlangt u te spreken."
"Ik heb nu geenen tijd", mompelde Rijkaard ontevreden. "Verzoek hem na
den middag te willen wederkeeren."
De knaap trok de schouders op, als wilde hij betuigen dat zulke
boodschap moeilijk was.
"Wie is dan deze ontijdige bezoeker?" vroeg zijn meester.
"De hofraadsheer Tancmar Van Straten", was het antwoord.
Mher Rijkaard stond met verrassing op.
"Tancmar? 's Graven raadsheer?" herhaalde hij. Zou hij waarlijk van het
leger teruggekeerd zijn? Zeker, hij brengt belangrijk nieuws.... Nu,
Aldegunda, blijf intusschen met onze jongelieden nog wat kouten. Ik keer
zoo spoedig mogelijk tot u weder."
Deze woorden sprekende, begaf hij zich naar den Steen en trad in eene
groote zaal, waar hij een reeds bejaarden ridder, die hem met bewijzen
van vriendschap te gemoet kwam, de handen hartelijk drukte.
Na de eerste grotenissen gewisseld te hebben, zeide Rijkaard:
"Zoo, zoo, mher Tancmar, gij zijt terug van den oorlog?"
"Niet voor goed, vriend Van Woumen", was het antwoord. "Ons leger blijft
nog te Atrecht; maar de graaf komt overmorgen naar Brugge."
"Onze graaf komt overmorgen te Brugge?"
"Ja. Op mijn verzoek heeft hij mij met Walter Van Lokeren afgezonden om
zijnen voornamen leenhouders de tijding zijner komst te brengen; want
hij verlangt met plecht te worden onthaald, om reden dat eenige Fransche
ridders hem zullen vergezellen, onder anderen de jonge Willem van
Normandië, 's konings gunsteling. Gij zult niet nalaten, mher Rijkaard,
onzen graaf te gemoet te gaan?"
"Zeker niet; ik zal mijnen plicht als trouw vazal met blijdschap
vervullen. Maar hoe komt het dat gij zoo onverwachts uit Frankrijk
terugkeert? Is de oorlog ten einde?"
"De vrede is gesloten."
"En zal onze heer graaf nu voor goed in Brugge blijven?"
"Nog niet. Hij zal insgelijks te Yperen eene plechtige intrede doen en
keert dan onmiddellijk weder naar het leger.... Maar zeg mij, mher Van
Woumen, ik heb in Brugge iets vernomen, zoo verrassend en zoo
ongeloofelijk, dat ik nog zou twijfelen, al verzekerdet gij zelf het
mij...."
Het gelaat van Rijkaard werd streng en mistrouwend. Hij voorzag waarover
Tancmar hem ging onderhouden.
"Aangaande mher Robrecht Sneloghe?" murmelde hij.
"Inderdaad; men zeide mij dat er spraak is van een huwelijk tusschen
uwe dochter en mher Sneloghe."
"Men heeft u niet bedrogen", wedervoer Bijkaard met fierheid, als
wapende hij zich op voorhand tegen eene waarschijnlijke aanvechting.
"Dit huwelijk is besloten."
"Besloten?" riep Tancmar.
"De beloftegift is dezen morgen aanvaard; nog eene maand en het zal
voltrokken worden."
"Ik geloof het niet, mehr Van Woumen."
"Waarom?"
"Omdat de graaf zelf desnoods het u zal afraden; en gij, vriend
Rijkaard, zoudt wel zeker zijnen raad volgen, tenzij gij voorgenomen
haddet, evenals de Kerels, juist dat te doen wat den vorst kan
mishagen."
"De graaf weet niets van het ontworpen huwelijk. Gij zijt het dus die
hem daartoe zoudt aandrijven?"
"Ik of anderen uwer vrienden, uit genegenheid voor u, in het belang uwer
dochter en voor de eer van uwen naam."
"Waarlijk, ik begrijp niet wat gij wilt zeggen", riep Rijkaard met
spijtig ongeduld. "Robrecht Sneloghe is uiterst rijk, een volmaakt
ridder, hoofsch, edelmoedig, goed van harte en door iedereen geacht en
bemind. Zijn vader, die met onzen heer graaf ter kruisvaart trok, heeft
zich in het Heilige Land door zijne dapperheid vermaard gemaakt."
"Sneloghe is een Erembald, mijn vriend."
"Welnu, wat geeft dit?"
"De Erembalds zijn Kerels."
"Meent gij dan dat ik zulks niet weet?" morde Rijkaard Van Woumen.
"Eilaas, eenen goeden vriend blindelings de oneer voor zijn geslacht
zien aanvaarden, het is pijnlijk!" zuchtte Tancmar.
"Maar welke oneer toch? Omdat Robrecht een Kerel is? Ik weet het, mher
Tancmar, gij haat de Kerels en bovenal de Erembalds. Mij verwondert het
dat gij Robrecht Sneloghe niet reeds een Blauwvoet hebt genoemd; maar
Blauwvoet, Isegrim, het zijn scheldwoorden, die niets voortbrengen dan
haat en twist. Mij is een vrije Kerel even waardig als een edelgeboren
ridder."
"Maar de Kerels kunnen niet vrij blijven", wedersprak de hofraadsheer
met nadruk. "Niets kan hen tegen de dienstbaarheid behoeden; het is
slechts eene zaak van tijd."
"Hoe meent gij het?"
"Wel ja, mijn vriend; laat ons vooronderstellen dat de Kerels, van de
barbaarsche tijden af, vrije lieden zijn geweest, zooals overigens al de
barbaren, die naar het zuiden afzakken, de Romeinen uit Gallië, dat is
uit Frankrijk, hebben verdreven. Nu toch, door verloop der eeuwen en
door de meerdere beschaving der wereld, heeft in Frankrijk, in
Duitschland, in Italië en zelfs in het grootste gedeelte van Vlaanderen
het volk zijne vrijheid verloren en zijn de dorpers, arbeiders en alle
laaggeboren lieden den heeren en edelen ondergeschikt en dienstbaar
gemaakt. Meent gij dat de Kerels, zoo weinig sterk als afzonderlijk
volk, alleen wetten en inrichtingen zouden kunnen behouden, die de
gansche ridderschap moet aanzien als eene inbreuk op de vorstelijke
macht en op de overheid die den edelgeborenen toebehoort?"
"Maar het is nu misschien sedert twee eeuwen dat de Kerels hunne
vrijheid te verdedigen hadden", bemerkte Rijkaard. "Mij dunkt, dat ze
daardoor niet zijn verzwakt."
"Inderdaad, maar nu nadert wel zeker hun einde. Tot den dag van heden
bestond onder de ridders van Frankrijk en van Vlaanderen veel
verdeeldheid. Zij hadden geen hoofd, dat hen kon leiden en gebieden. Dit
hoofd is nu de machtige en gevreesde koning van Frankrijk. Zoo, aan één
opperhoofd gehoorzamende, zal de ridderschap, door hare eendracht
alleen, elke zucht naar onafhankelijkheid verstikken, die ergens uit den
schoot van het dorpere volk mocht opstijgen; en waar nog iets van de
oude vrijheid der onedelgeborenen overblijft, daar zullen wij deze
laatste sporen der barbaarsche wetten onmeedoogend vernietigen. Het is
te zeggen dat de Kerels welhaast tot de dienstbaarheid zullen worden
gedwongen."
"En zijt gij voornemens dit doel met geweld pogen te bereiken?"
"Met list en geweld."
"Maar het is eene schandelijke valschheid!" riep Rijkaard met
verontwaardiging uit. "Gij en de andere ridders, de graaf zelf, hebt
voor uw vertrek de Kerels laten gelooven dat men hun voortaan hunne
vrijheid niet meer zou betwisten!"
"Wanneer men naar verre streken ten oorlog trekt, moet men den vrede
achter zich in het land laten", antwoordde Tancmar met eenen slimmen
glimlach.
"En nu zou onze heer graaf de Kerels bedriegen?"
"Neen; dat zulks voor alsnu ten minste zijn inzicht zij, zou ik niet
durven beweren. Maar vergeet niet dat onze heer graaf eenen heimelijken
wrok tegen de Kerels in het hart draagt, omdat vele Ambachten en zelfs
eenige Erembalds, in den oorlog voor de Kroon, Willem van Loo tegen hem
hebben geholpen. Hij wenscht daarom insgelijks de Kerels onderjukt te
zien; maar hij hoopt mettertijd en zonder bloedstorting allengs dit doel
te bereiken. Laat de Kerels iets bedrijven dat onzen graaf bijzonder
mishaagt,--wij zullen er voor zorgen,--dan zal hij onmiddellijk doen wat
de koning van Frankrijk en wat al de ridders hem raden, dit is te zeggen
de Kerels verpletten en voor altijd in dienstbaarheid slaan."
"De Kerels verpletten?" herhaalde Rijkaard. "Het is zoo gemakkelijk
niet. Welk ijselijk bloedbad!"
"Neen, geen bloedbad, mijn vriend. Weet gij wel dat wij, Vlaamsche
ridders, met onze wapenknechten, in het Fransche leger wel tienduizend
sterk zijn[29]? Wat zouden de Kerels kunnen doen, indien eene macht van
tienduizend krijgslieden in de Ambachten verscheen, om daar al te
verpletteren wat weerstand zou durven bieden? En ware dit ontoereikend,
is geheel het Fransche leger niet daar om ons te helpen."
"Het Fransche leger zou u helpen tegen de Kerels?"
"Ja, zeker."
"Maar onze heer graaf zou het beletten."
"Nu misschien, inderdaad; maar wij kennen zoovele middelen om de Kerels
tot onvoorzichtigheid aan te drijven en den graaf tegen hen verbolgen te
maken!... Kom, kom, mijn vriend Rijkaard, het is ten einde met de
Kerels. Geen grond zonder heer. De Kerels zullen den graaf dienstbaar
gemaakt worden, en willen die vermaledijde Blauwvoeten den nek onder het
juk niet buigen, welnu, dan zal men ze vernietigen en hun land met een
min onplooibaar ras bevolken."
Rijkaard Van Woumen schouwde ten gronde en schudde kommervol het hoofd.
"Ha, ik wist wel dat gij eindelijk den afgrond zoudt erkennen waarin
gij, door onwetendheid der zaken, u en uw onnoozel kind ging storten!"
riep Tancmar zegevierend uit. "Laat ons nu vooronderstellen dat jonkver
Placida met Robrecht Sneloghe getrouwd zij, op het oogenblik dat de
Kerels tot den staat van onvrije lieden worden verlaagd. Uwe dochter zou
dus het lot van het veroordeeld geslacht moeten deelen? Gij zelf zoudt
in dezen strijd de zijde der Kerels moeten kiezen tegen den graaf en
tegen de ridders van Frankrijk en van Vlaanderen. De banden des bloeds
zouden u er toe verplichten; want gij zoudt van der Keerlen maagschap
zijn."
"Veroordeeld geslacht? De Erembalds?" mompelde Rijkaard verschrikt.
"Meent gij macht genoeg op den graaf te hebben om hem de Erembalds in de
vervolving te doen begrijpen?"
"Ik twijfel er niet aan", was het vaste antwoord. "Er is in alle
gebeurtenissen eene natuurlijke volgorde die mij het recht geeft te
denken dat de Erembalds in den val der Kerels zullen begrepen worden."
"Gij brengt mij in erge verlegenheid, mehr Tancmar."
"Maar neen, de zaak is eenvoudig. Zoek het een of ander voorwendsel om
mehr Sneloghe af te wijzen. Willen de Erembalds zich daarover wreken, ik
beloof u niet alleen de hulp van al de ridders, maar tevens de
bijzondere bescherming van den graaf. Gij zult gemakkelijk eenen even
voordeeligen bruidegom voor uwe dochter vinden ... Mijnen zoon
Ghijselbrecht, bijvoorbeeld. Hij geniet 's vorsten gunst in hooge maat."
"Ghijselbrecht, uwen zoon?" herhaalde Rijkaard met eenen schertsenden
glimlach.
"Ik weet dat gij hem niet genegen zijt", zeide Tancmar, "maar bij
bemint jonkver Placida en zij zou hem gewillig tot echtgenoot
aanvaarden."
"Is het daarom dat gij hare huwelijksbelofte met Sneloghe poogt te
verbreken?" morde Van Woumen.
"Ho, neen, spreken wij er niet meer van. Later zult gij rechtvaardiger
jegens hem worden. Nu, zeg mij, vriend Rijkaard, blijft gij waarlijk bij
uw voornemen uwe dochter in een geslacht te doen treden dat eerlang tot
den slavenstaat kan gedompeld worden?"
"Het is eene erge zaak!" zuchtte Van Woumen. "Ik wil daarover nu niets
beslissen. Er blijft nog tijds genoeg over ons er op na te denken."
"Inderdaad; maar ik ben toch zeker van uw besluit. Overmorgen zullen
velen uwer beste vrienden met den graaf in Brugge komen. Ondervraag hen;
gij zult overtuigd worden dat ik uit plichtgevoel nog veel van de
waarheid u heb verzwegen ... Nu moet ik u verlaten; mijn tijd is
kostelijk: ik heb nog veel te bezorgen. Indien gij onzen vriend Walter
Van Lokeren wenscht te zien, gij zult hem ten mijnent vinden tot verre
op den namiddag."
"Ik zal komen", murmelde Rijkaard in gedachten, "ja, ik zal komen."
Beiden verlieten de zaal en stapten over den neerhof.
Tancmar bleef eene wijl staan en zeide tot Rijkaard met teruggehouden
stem:
"Als de Kerels onderjukt zijn, worden al hunne eigendommen tot gronden
der kroon verklaard. Overweeg, mijn vriend, dat, buiten eenige leenen,
de Kerels geheel het land der Ambachten bezitten, van Grevelinghe af tot
op de eilanden in de mondingen der Schelde. Dit schoon en rijk gewest
zal dus door den graaf in leenen worden verdeeld en weggeschonken aan de
ridders die 's vorsten gunst genieten. Onze graaf bemint u zeer
uithoofde der vorige diensten welke gij hem hebt bewezen. Gij zult toch
de kans om uwe erfgoederen aanzienlijk te vergrooten niet willen
vernietigen ... Nu, vaarwel, tot dezen namiddag. Overweeg met wijsheid;
want het lot uwer eenige dochter en de eer van uw geslacht hangen van de
beslissing die gij zult nemen." Onder het uitspreken dezer woorden was
hij tot de poort genaderd. Hij drukte nu de hand van zijnen gezel en
verliet sher Rijkaards Steen.
Placida's vader keerde terug tot de zaal en liet zich daar op eenen
stoel nederzakken. Hij legde zich de hand op het voorhoofd schouwde eene
wijl denkend ten gronde en murmelde dan:
"Arme Kerels! Zij arbeiden in vertrouwen, zij bevaren de zee, zij
beploegen den grond, zij weven, zij drijven handel, zij openen zoo voor
Vlaanderen de bronnen van welvaart en rijkdom, terwijl heerschzuchtige
lieden hunnen ondergang smeden!... Tancmar is de geboren vijand der
Erembalds en, om dezer macht te breken wenscht hij de Kerels onderjukt
te zien. Maar onze graaf zal zijne kroon aan de uitvoering dezer
onrechtvaardige ontwerpen niet gaan wagen. Hij is een wijs en edelmoedig
vorst ... Evenwel, wie weet, eilaas, welke gedachten de koning hem kan
hebben ingeboezemd De Fransche ridders begrijpen niet dat geheel een
volk uit vrije mannen kan bestaan. De geest van onafhankelijkheid, dien
de Kerels tegenover elkeen, zelfs tegenover den vorst toonen behaagt
onzen graaf niet ... Zoo Tancmar mij de waarheid had gezegd? Ik ben
vader: mijn kind mag ik niet opofferen ... Maar indien Tancmar mij had
bedrogen? Droeve onzekerheid!"
Hij stond op en begaf zich met tragen stap naar den tuin, intusschen
zeer bezorgd om te weten welke houding hij nu jegens Robrecht Sneloghe
zou aannemen; maar bij geluk vond hij den jongen ridder bezig met eene
groetenis uit te spreken, om voor dien dag afscheid van zijne verloofde
te nemen. Hij meende te bemerken dat, terwijl Robrecht tot vaarwel
Placida de hand drukte, zijne dochter haren toekomenden echtgenoot eenen
blik toestuurde vol teedere minzaamheid. Dit gezicht bedroefde hem nu,
om reden dat de liefde, indien zij met zekere innigheid tusschen de
jongelieden ontstond, hem het te nemen besluit oneindig moeielijker zou
maken, in geval hij zich gedwongen zag voor het geluk van zijn kind bet
ontworpen huwelijk te breken.
Tot Robrecht naderende, zeide hij:
"Gij verlaat ons, mijn vriend? Het is waar, gij zijt reeds een paar uren
hier, en er zijn tijdingen gekomen die van elk onzer eenige werkzaamheid
eischen. Gij weet ongetwijfeld reeds dat onze heer graaf overmorgen in
Brugge komt?"
"Ja, mher Van Woumen, ik weet het", was bet antwoord. "Zooals gij zegt,
deze komst legt ons zekere plichten op die niemand onzer mag verzuimen.
Wij moeten onzen vorst eene schitterende intrede bereiden."
Op de vraag van Placida en hare moeder, gaf Rijkaard eenige uitleggingen
over het bericht dat des graven raadsheer hem had gebracht. Dan zeide
hij:
"Ik moet ten gevolge dezer tijding onmiddellijk uitgaan. Indien Robrecht
mij een eind weegs wil vergezellen?"
De jonge ridder herhaalde zijnen afscheidsgroet en volgde, zonder meer
te spreken, Rijkaard Van Woumen tot in de Naaldestraat.
Dit stilzwijgen scheen Placida's vader te hinderen. Hij vroeg dan, als
om toch iets te zeggen:
"Wat benevelt dan uwen geest, mijn vriend? Gij zijt zwaarmoedig"
"Ik zwaarmoedig?" mompelde Robrecht, uit eene diepe mijmering
opschietende. "Ho neen, heer, ik dacht aan de onverwachte terugkomst van
onzen heer graaf."
"Indien ik wel onderricht ben, dan zou inderdaad de terugkeer van onzen
vorst niet even verblijdend zijn voor al de lieden van Vlaanderen. Weet
gij iets van zekere onrustwekkende geruchten?"
En onder het uiten dezer woorden bezag hij mher Sneloghe aandachtig.
"Onrustwekkende geruchten?" herhaalde deze, in twijfel het hoofd
schuddende.
"Ah, God dank, men zal mij bedrogen hebben!" juichte Rijkaard.
"Meent gij misschien de geruchten volgens welke de Isegrims zouden
voornemens zijn de Kerels opnieuw te verontrusten en te vervolgen,
zoohaast het leger in Vlaanderen wederkeert?"
"Ja, mijn vriend."
"Mijn oom, de proost, moet er iets van weten; want hij sprak mij er van
met treurnis en spijt."
"Het zou dus waar zijn?" kreet Rijkaard. "De proost sprak er van met
treurnis? Hij vreest dus dat men er in gelukke den Kerels het juk der
dienstbaarheid op te leggen?"
"Ho, neen, dit kan een Erembald niet vreezen", wedervoer Robrecht met
fierheid. "Niemand zal Kerlingaland onderjukken; maar mijn oom treurt
bij het gepeins dat alweder duizenden Christenen gaan sterven om hunne
bedreigde vrijheid te verdedigen."
"Zouden de Erembalds zich waarlijk de zaak der Kerels aantrekken?"
"Daaraan kunt gij niet twijfelen, heer. Wij, zonen van Erembald zijn
Kerels zoowel als de vrije lieden der Ambachten, en wij zullen tegen het
onrecht blijven worstelen ten koste van goed en bloed, al moest ook de
laatste onzer in dien strijd bezwijken."
Deze bevestiging van Tancmars voorspelling verschrikte Rijkaard. Hij
zeide dat hij naar de Zilverstraat moest gaan, drukte Robrecht ontsteld
de hand en verwijderde zich.
De jongeling zette met zekeren haast zijnen weg huiswaarts voort, door
de St-Jacobsstraat; maar na eene korte wijl begon allengs zijn stap meer
en meer te vertragen en zijn hoofd voorover te hellen, als wierd zijn
geest bezwaard door duistere gedachten.
Toen hij achter St-Christoffelskapelle kwam, bleef hij staan en keek
aarzelend in het ronde, als wist hij niet meer welken weg hij zou
inslaan om zich naar zijnen Steen te begeven.
In stede van de Markt over te gaan, keerde hij ter linkerhand, stapte
over de Kraanbrug en daalde eene nauwe straat af, totdat hij de
Spiegelrei bereikte.
Hier naderde hij den boord der vliet, staarde eene lange wijl in de
diepte van het heldere water en zette dan zijne droomachtige wandeling
voort onder de hooge olmen die de kade overlommerden.
Eindelijk liet hij zich, als afgemat van denken, op eene steenen bank
nederzakken, en bleef daar met den blik ten gronde zitten.
Zijn lot was dus beslist, afdoende en voor altijd beslist! Hij had zich
onderworpen aan de onverbiddelijke wet des plichts; hij had moed en wil
getoond en zich jegens Palcida en hare ouders op zulke wijze gedragen
dat zijn oom over hem moest tevreden zijn. In den eerste had deze
overtuiging hem verblijd en getroost: maar nu die eerste worsteling was
doorgestreden en hij zich alleen bevond met zijne gedachten, was allengs
weder het beeld van Dakerlia in zijnen geest opgestaan. Zijne droomen
schetsten hem nu voor de oogen het stil en gelukkig leven dat hij hadde
gesleten indien hij tot aan het graf had mogen vereenigd blijven met de
zoete speelgenoote zijner eerste jaren, met de teedere maagd wier beeld
zijn hart gansch had ingenomen en het nog onverwinbaar beheerschte, hoe
hij ook poogde, in het gevoel des plichts, krachten te vinden om het te
verjagen. Ach, nu hij eeuwig vaarwel aan den schoonsten droom zijner
ziel had gezegd, nu las hij met klaarheid in zijnen eigen boezem, nu kon
hij afmeten wat hij had verloren en welke schrikkelijke opoffering het
noodlot hem had afgedwongen! Zijne goede zuster Witta, de arme weeze,
welk zou voortaan haar lot zijn? Met de trotsche Placida zou zij niet
lang kunnen wonen zonder zich vernederd te gevoelen. Zij zou dus
heengaan en bij magen of vreemden eene toevlucht tegen de droeve
eenzaamheid moeten zoeken. Met Dakerlia hadde zij aan de zijde eener
zoete vriendin, eener teedere zuster geleefd. Welk huisgezin ware op de
gansche wereld gelukkiger geweest? Een hemel van genegenheid, van
vriendschap en van liefde! En nu, wat zou het zijn?... Maar er was niet
op terug te keeren. Zijn hart bloedde en stortte nog eens zijne treurnis
uit. Voor de laatste maal! Hij was man en zou zijnen plicht vervullen.
Het beeld van Dakerlia zou hij uit zijn hart rukken, zijn vorig leven
vergeten, en pogen gansch en oprecht de echtgenoote te beminnen die het
lot hem had gegeven.
Dit waren de gepeinzen van den lijdenden jongeling, daar hij onder de
boomen, op de steenen bank, gansch bewusteloos van het overige der
wereld, eenen smartelijken strijd tegen zijn eigen hart voerde.
Bij het einde dezer overweging ontsnapte hem een diepe zucht, en nog
meer helde zijn hoofd voorover onder het gewicht der smart.
Terwijl hij daar beweegloos zat, naderde van den kant der Engelsche
straat een ander ridder. Zoohaast deze mher Sneloghe herkende, bleef hij
verrast staan en beschouwde hem met oogen waarin haat en nijd schenen te
vlammen. Van dit bitter gevoel moest zijn hart overstorten; want zijne
scherpe lippen trokken bevend tot eenen grijns te zamen.
Na eene wijl dus met eene soort van booze vreugde op Robrecht te hebben
gestaard, gaf hij zijn gelaat eene treurige, doch minzame uitdrukking en
trad langzaam tot de steenen bank.
Onder het murmelen eener groetenis zette hij zich neder met eenen diepen
zucht en zeide:
"God zij dank dat Hij mij den eenigen mensch laat ontmoeten die mij kan
troosten. Robrecht, ik ben ongelukkig, diep ongelukkig O, mocht ik door
u vernemen dat alle hoop mij niet is ontnomen!"
"Wat wilt gij zeggen? Ik begrijp u niet", mompelde mher Sneloghe.
"Robrecht, wij zijn vrienden. Laat gij mij toe u iets te vragen?"
"Waarom niet? Spreek vrij, Disdir."
"Robrecht, Dakerlia is schoon, niet waar?"
"Welke vraag! Dit weet toch iedereen."
"Ik bemin haar uit al de kracht mijner ziel; zonder hare wederliefde kan
ik niet leven."
Mher Sneloghe zag hem verwonderd aan.
"En Dakerlia bemint u niet?" murmelde hij. "Het is pijnlijk inderdaad."
"Ha, zij zou zoo koel en zoo wreed niet voor mij blijven", kreet Disdir
Vos met eene nijdigheid welke hij poogde te bedwingen "maar, eilaas, zij
bemint iemand anders! Kent gij dien gelukkigen sterveling, Robrecht?"
"Kom, kom, mijn vriend Disdir", antwoordde mher Sneloghe, treurig
glimlachende, "waarom dus met linksche omwegen mij ondervragen? Wees
openhartig. Gij wilt zeggen dat ik bet beletsel ben tot uw geluk? Heeft
jonkver Dakerlia dit verklaard?"
"Ho, neen, maar ik meende het uit hare woorden te verstaan. Zij bemint u
wel zeker. Beken het mij, ik smeek u!"
"Wat daarvan zij, Disdir, het is haar geheim."
Eene zenuwtrekking schokte Disdirs leden, en een zucht ontsnapte hem.
"Dit behoefde ik u niet te vragen, Robrecht", zeide hij, "ik wist het
sedert lang. Het is eene andere vrees die mij als een venijnige worm aan
het harte knaagt. Indien gij, Robrecht, voor Dakerlia hetzelfde gevoel
koestert, ben ik veroordeeld tot levenslange hopeloosheid. Indien gij,
integendeel, haar niet bemint, dan zal ik hare koelheid jegens mij wel
overwinnen. Wees edelmoedig ik zal, indien gij het eischt, alle hoop
verzaken en mijne liefde voor jonkver Wulf in mijnen boezem versmachten;
maar zeg het mij oprecht: bemint gij Dakerlia, Robrecht?"
Zonder het zelf te weten, knikte mher Sneloghe met het hoofd.
Een somber gegrol van wanhoop ontsnapte Disdir; hij stak de hand in zijn
kleed en neep zich de borst ten bloede, terwijl een traan van afgunst of
van smart in zijne oogen blikkerde.
"Gij hebt mij niet begrepen, Disdir", zeide Robrecht, door medelijden
ontroerd.
"Aldus gij bemint haar niet?" kreet mher Vos.
"Ik heb haar inderdaad bemind ..."
"O, hemel! En nu?"
"Nu is die liefde door den plicht en door God zelf mij verboden Ik ga
trouwen-"
"Trouwen?"
"Met Placida Van Woumen. Ik kom van sher Rijkaards Steen. Jonkver
Placida heeft dezen morgen mijne beloftegift aanvaard. Binnen eene maand
zal ik haar echtgenoot zijn. Mijn oom de proost heeft dit huwelijk
bereid."
"Ha, dank, dank!" murmelde Disdir. "Gij ontlast mijn hart van een
versmachtend gewicht."
"Ik geloof inderdaad, Disdir, dat mijn huwelijk met jonkver Van Woumen
het u gemakkelijker zal maken de hand van Dakerlia te bekomen. Dit
gezegde kwetse u niet. Gij weet dat Dakerlia bijna van kindsbeen af met
mijne zuster Witta is opgevoed geworden. Geen wonder diensvolgens dat er
allengs een gevoel van wederzijdsche genegenheid in ons is ontstaan,
zonder dat wij het zelven wisten ..."
"Zonder dat gij het wist?" onderbrak Disdir met eenen glim van
blijdschap.
"Slechts dezen morgen, bij de aankondiging van mijn huwelijk ontsnapte
ons dit geheim."
"En gij hadt nooit te voren uwe liefde bekend?"
"Noch ik, noch zij. Geen woord had ooit deze geheime zucht onzer harten
verraden."
"Ach, bedriegt gij mij niet, Robrecht?"
"Wanneer heb ik iemand bedrogen? Ik ben niet verplicht u dit alles te
zeggen; maar ik gevoel te diep in mijnen eigen boezem wat gij moet
lijden. Daarom poog ik u te troosten."
"O, heb dank!" riep Disdir Vos, zijnen vriend de hand drukkende "Het is
als gaaft gij mij, met de verlorene hoop, een nieuw leven weder. Durfde
ik van uwe edelmoedige vriendschap eene weldaad afsmeeken ..."
"Spreek; wat mogelijk is zal ik gaarne doen."
"Indien gij bij jonkver Dakerlia eenige goede woorden ten mijnen
voordeele wildet spreken? Naar u zal zij luisteren-"
"Onmogelijk!" antwoordde Robrecht met eenen zucht, "Gij begrijpt het,
niet waar? Als eerlijk ridder moet ik mijne toekomende echtgenoote
eerbiedigen en mijnen plicht jegens haar vervullen Tusschen jonkver
Dakerlia en mij mogen geene betrekkingen meer bestaan. Kan ik haar naar
mijnen wensch geheel ontwijken, dan zal ik haar zelfs in vele maanden
niet meer zien."
"Gij hebt gelijk, ja, gij hebt groot gelijk!" juichte Disdir.
Na eene wijl vroeg hij, alsof hij eene overweging voortzette:
"En is uw huwelijk wel zeker vastgesteld? Er is niet meer op terug te
komen?"
"Onverbrekelijk vastgesteld, vermits jonkver Van Woumen daarop mijne
beloftegift heeft ontvangen."
"En gij verzaakt Dakerlia voor immer?"
"Uwe vragen zijn stout en indringend", antwoordde Robrecht met lichte
spijtigheid. "Ware ik nog vrij, dan zeker zou ik aan geen mensch ter
wereld de hand van Dakerlia afstaan. Nu even wel kost het mij niets u te
bevredigen door u te zeggen dat ik desaangaande alle hoop heb verzaakt.
Ik wensch uiterharte dat gij gelukket; geloof mij, ik zou Dakerlia
willen getrouwd zien."
Robrecht stond op en, de hand drukkende die hem werd toegereikt zeide
hij nog met eene uiterste goedheid:
"Nu, Disdir, heb moed. Ik zal mijne zuster aanraden in uw voordeel te
pleiten, als zij jonkver Wulf gaat bezoeken. Wat mij betreft, ik herhaal
het u, met Dakerlia wil nog mag ik voortaan spreken. Nu, vaarwel, en
blijf hopen."
Hij verwijderde zich tusschen de boomen. Disdir Vos zag hem achterna
met een zuren lach op de lippen.
"Hij heeft haar bemind! Hij bemint haar nog!" morde hij binnensmonds.
"En voor hem alleen klopt haar hart ... Wreede minnenijd, die mij den
boezem verscheurt!"
Robrecht verliet welhaast de Spiegelrei en trad in de Ridderstrate, ten
einde derwelke de gulden weerhaan boven den toren van zijn Steen hem in
de oogen blonk.
Al gaande overwoog hij eerst wat Disdir hem had gezegd, doch even ras
keerden zijne gedachten op zijn eigen lot en op het verlies van alle
levenshoop voor hem zelven. Weder werd hij treurig, bovenal toen hij
voorbij sher Wulfs Steen moest en het hoofd afkeerde om het gevaar te
voorkomen van Dakerlia's blik te ontmoeten.
Toen hij zijne woning had bereikt en in de zaal trad, vond hij zijne
zuster met de handen voor de oogen zitten. Hij zag dat hare borst hijgde
en glinsterende tranen van hare vingeren rolden.
"Mijne zuster, mijne goede Witta", vroeg hij, "hoe zijt gij zoo
bedroefd? Wat is de reden uwer smart?"
"Ach, Robrecht", kreet zij, "die arme ongelukkige Dakerlia!"
"Welnu? Dakerlia? Wat is haar geschied?" morde de jongeling verschrikt.
"Ik heb haar de pijnlijke boodschap gebracht. Zij heeft nog niets gedaan
dan weenen, zij gaat te werk als eene zinnelooze. Nu ligt zij te bed.
Haar vader is niet te huis; maar de kamermeid heeft in aller haast
gezonden om den geneesheer te halen. Zij meent dat men Dakerlia zal
moeten aderlaten. Ik ben weggevlucht bij de komst van den geneesheer.
Bloed, bloed van die arme Dakerlia? Ik stierve moest ik het zien!"
Een traan wilde in des jongelings oogen opwellen; maar hij bedwong dit
teeken zijner ontroering met geweld.
"Ach, het is wel wreed, het lot dat ons allen treft!" klaagde Witta. "Nu
zal Dakerlia nooit meer in onzen Steen mogen komen. Dit is de belooning
voor hare teedere vriendschap, voor hare liefde! Eilaas, ik bezwijk van
wanhoop bij het verlies mijner goede zuster!"
"Luister, Witta", sprak Robrecht op ernstigen toon. "Het huwelijk is een
band door God geheiligd en dien wij als Christenen verplicht zijn, tot
in den grond van ons hart te eerbiedigen. Ik ga trouwen, Placida Van
Woumen wordt mijne echtgenoote. Van dit oogenblik af mag ik aan Dakerlia
niet meer denken en gij, zuster, gij moogt haren naam voor mij niet meer
uitspreken. Begrijpt gij mij, Witta?"
"Ik begrijp u, broeder", was het treurig antwoord. "Pijnlijk is de
plicht, maar toch, gij hebt gelijk. Zwijgen zal ik. Eilaas, indien die
arme ... Bloed laten! Het is schromelijk!"
"Houd u sterk, Witta", zeide Robrecht met eene stemme die door den angst
was verdoofd. "Ga naar sher Wulfs Steen, verneem wat daar geschiedt,
opdat gij ten minste van de onrust wordet verlost. Ik ga op mijne kamer;
ik heb eenzaamheid noodig. Men store mij niet, ik smeek u, zuster lief."
De smart overwon hem plotseling; hij sloeg de handen voor de oogen en
verliet met haast de zaal.
VOETNOTEN:
[Voetnoot 25: Eenen moord kon men afkoopen van de erfgenamen of naaste
bloedverwanten des vermoorden, betalende eene zekere vergoeding, welke
men het _zoengeld_ noemde.]
[Voetnoot 26: Er bestaan van dien tijd nog vele oorkonden waarbij zekere
vrije personen zich de eene of andere abdij dienstbaar maken om hare
bescherming te genieten.]
[Voetnoot 27: Bij de Germaansche stammen moest men een grondeigendom
bezitten om stemrecht in de vergaderingen te hebben. Dit eigendom noemde
men eene _were_ en den bezitter eenen _weerman_.]
[Voetnoot 28: _Morgengave_ was de gift welke de bruidegom zijne bruid
moest schenken den morgen na zijn huwelijk; het was de eigenlijke
bruidschat.]
[Voetnoot 29: Zie aangaande de Vlaamsche strijdmacht, in het Fransche
leger: SUGER, _vie de Louis V, le gros,_ in de Coll. des mémoires rel. à
l'hist. de Fr., tome VIII, pag. 126.]
IV
Karel van Denemarken, komende van Atrecht, over Rijssel en Kortrijk, had
met zijn gevolg den nacht te Thourout doorgebracht, waar hem de
gastvrijheid in het machtige klooster van St-Pieter was aangeboden
geworden.
Vele Vlaamsche ridders, waaronder ook wel eenige Erembalds of voorname
Kerels van Brugge, waren hem hier komen vervoegen en hadden hem reeds
hunne hulde bewezen.
Wat dezen hem hadden gezegd aangaande de volstrekte rust die gedurende
zijne lange afwezigheid in het Westelijk Vlaanderen had geheerscht, was
hem eene bron van voldoening, en hij toonde zich zeer minzaam met
elkeen, zelfs jegens zulke Kerels die vroeger, in den oorlog voor de
kroon, zijnen medestrever Willem Van Loo hadden geholpen.
Dien dag nog zou hij te Brugge aankomen en, volgens de hem gebrachte
berichten, er met alle mogelijke pracht en onder de oprechtste en
warmste toejuichingen des volks worden onthaald. Daar hij innig wenschte
aan de Fransche ridders, die hem vergezelden, te kunnen toonen dat hij
in zijn graafschap hoog was geëerd en algemeen bemind, stemde de
zekerheid van zulk schitterend onthaal hem gunstig. Het was met
zichtbare teekens van welgemoedheid dat hij, na een hartelijk ontbijt,
te paard steeg, om aan het hoofd van zijn gevolg den weg naar Brugge in
te slaan.
De ridders en wapenlieden, die al te zamen eene tamelijk sterke bende
vormden, hielden zich uit eerbied op eenigen afstand achter den graaf.
Deze reed alleen aan het hoofd van den stoet met Willem, den jongsten
hertog van Normandië, welke ditzelfde jaar met eene zuster der koningin
van Frankrijk was getrouwd en, als gunsteling des konings, zeer werd
vereerd en ontzien.
Beide vorsten spraken vroolijk en vertrouwelijk van allerlei dingen;
maar het onthaal dat hem te Brugge was bereid, scheen graaf Karel meest
bezig te houden, want hij keerde er telkens op terug, wanneer zijn
gezel, door eenige bemerkingen over de landstreek, hem er af had geleid.
Langen tijd hadden zij op matigen stap tusschen dichte bosschen gereden,
en slechts van verre eenige lieden gezien; maar nu kwamen zij eensklaps
in eene vlakte van bebouwde velden waar, om zoo te zeggen, de wegenissen
van Aartrijke, Ruddervoorde, Wardamme en andere dorpen te zamen liepen.
Hier bemerkten zij dat de groote baan naar Brugge aan wederzijde bezet
was door eenen grooten toevloed van hoogstaltige mannen met lange
baarden[30], en bijna even hoogstaltige vrouwen.
De hertog van Normandië, toen zij meer genaderd waren, keek met eene
bijzondere aandacht en met nieuwsgierigheid naar deze lieden, die hem
voorkwamen als een vreemd en hem nog onbekend volk.
"Het zijn de Kerels waarvan men u reeds dikwijls heeft gesproken",
zeide de graaf.
"Ha, dit zijn nu Kerels!" murmelde Willem van Normandië. "Zij hebben
waarlijk het voorkomen van halve wilden met die leelijke baarden!"
In de kleeding dezer Kerels heerschte vooral de blauwe verf[31]; ook der
vrouwen optooi was geheel blauw, behalve dat hun lijnwaden kapmanteltje
bezaaid scheen met witte bloemstippen op donkerblauwen grond. Maar wat
aan de welhebbende Kerlinnen, nu zij hun feestgewaad hadden aangetogen,
het opmerkelijkste voorkwam, was de groote hoeveelheid goud en zilver
waarmede zij waren behangen: hoofd, hals, borst, ooren, handen
glinsterden bij hen met voorwerpen van kostelijk metaal. Ja, zelfs de
vele kinderen, die hen volgden, droegen insgelijks zulke kostbare
versiersels.
Elke Kerel voerde aan zijne zijde een krom zwaard, dat hij zijne
scarmsax of schermzeis noemde, en waarvan het gevest bij sommigen met
zilveren drijfwerk was opgeluisterd.
Toen de vorsten hen gingen naderen zwaaiden de Kerels en hunne vrouwen
hoeden en handen, en deden de lucht onder eenen machtigen welkomsgroet
hergalmen. Graaf Karel scheen gevoelig aan deze hartelijke uitdrukking
hunner hulde en groette meermalen met minzaamheid onder het
voorbijrijden.
"Maar het zijn boeren, niet waar?" vroeg de hertog van Normandië
verwonderd. "Waarom dan voeren zij zwaarden, als waren zij
edelgeborenen?"
"Ja, landbouwers zijn zij", antwoordde de graaf, "maar niet zooals men
dit in Frankrijk verstaat. Deze Kerels beweren van oude tijden af vrij
te zijn, evenals de beste ridder. Eenen Kerel zonder zwaard ontmoet men
nooit. Mijne voorgangers en ik zelf hebben vele pogingen aangewend om
het recht tot het dragen van wapens hun te ontnemen; maar dewijl zij
zeer manhaftig zijn en zij dit recht als een teeken hunner vrije
geboorte aanzien, zouden zij veeleer zich tot den laatste toe laten
dooden dan hun zwaard af te leggen."
"En is het waar, heer graaf, zooals uw hofraadsheer mij zeide, dat zij
weigeren u eenige schatting te betalen?"
"Inderdaad, het betalen eener schatting aanzien zij als het teeken der
dienstbaarheid; als vrije mannen willen zij zich daar niet aan
onderwerpen; maar wanneer ik hun verzoek mij eene hoeveelheid marken
zilvers te leveren, als hun deel in de kosten van 's lands bestuur of
van den oorlog, dan beraadslagen zij onder elkander daarover en schenken
mij de gevraagde hulp uit gelden die zij te zamen brengen en hunnen
Gildenschat noemen."
"En zij zouden kunnen weigeren?"
"Zeker, dewijl zij het aanschouwen als eene vrijwillige gift."
"Men zegt dat deze Kerels niemand gehoorzamen, noch u, heer graaf, noch
uwe ambtenaars, noch hunne leenheeren."
"Zij doen mij hulde als vorst en achten zich slechts verplicht mij in
geval van oorlog met wapenen te dienen. Heeren hebben zij niet. Zij
verwerpen allen invloed eener hoogere overheid in het bestuur hunner
zaken."
"Maar uwe kasteleins hebben dan volstrekt niets te gebieden?"
"De overheid mijner kasteleins strekt, in dit gedeelte van mijn
graafschap, niet verder dan het gebied der bemuurde steden. Daar benoem
ik de schepenen; maar de Kerels, in het veld en in de opene steden,
hebben hun land in zekere kringen verdeeld. Elke kring vormt een
rechtsgebied, dat zij een _Ambacht_[32] noemen, en de bewoners van zulk
Ambacht kiezen zelven, bij meerderheid van stemmen, hunne oversten en
hunne rechters. Zij leven waarlijk in eene bijna volledige
onafhankelijkheid van de kroon, en weigeren zelfs mij rekening te geven
van hetgeen zij aangaande het bestier hunner zaken beslissen of
verrichten."
"En gij kunt zulken toestand van zaken dulden, heer graaf?" riep Willem
van Normandië, met eene verontwaardiging welke hij niet geheel kon
bedwingen. "Mher Tancmar heeft gelijk, het is eene miskenning uwer
overheid en eene bloedige vernedering voor alle ridders die gedwongen
zijn zulke grove boeren als hunne gelijken te erkennen. In welk oord der
wereld vindt men nog zulke monsterachtige inrichting?"
"Ja, ja, ik denk er dikwijls aan", mompelde de graaf, "maar de Kerels
hebben een geschreven recht dat ik, bij mijne troonsbeklimming, heb
gezworen te eerbiedigen."
"Wat doet het? Is alles op aarde niet van natuur veranderlijk? En zou
een vorst gedwongen zijn te eerbiedigen wat schadelijk is voor zijn land
of wat inbreuk doet op zijne wettige overheid?"
"Het is eene zaak van tijd, heer hertog", antwoordde de graaf zeer
bedaard. "De wetten van het zoogenaamd Kerlingaland zal ik veranderd
krijgen; het is zelfs, ik beken het, een voornaam doel van mijn streven;
maar ik wil mijn gansche graafschap niet overdekken met bloed. De zaak
is moeielijker dan gij meent. Misschien zal ik door geduld en
voorzichtigheid meer bekomen dan door geweld."
"De koning, mijn broeder, heeft u de hulp van zijn leger aangeboden. Men
kon dit trotsche gebroed in weinige dagen verpletten en voor altoos
terugwerpen in de dienstbaarheid, waar het nooit hadde mogen uit
opstaan."
"Dit is de groote vraag", mompelde graaf Karel in zich zelven. "Zijn de
Kerels van Vlaanderen wel ooit dienstbaar geweest?"
"Maar wat slag van volk is dit dan, en van waar zijn ze hier te lande
gekomen?"
"Daarover zou de oude Littra, een geleerd kanunnik van St-Donaas te
Brugge, u beter dan ik bescheid kunnen geven," antwoordde de graaf. "Hij
weet uit de oude kronieken wat er in vroegere eeuwen is geschied.
Volgens hem wonen de Kerels reeds van den tijd der Romeinen in
Vlaanderen, en zijn hetzelfde volk als de Angelsaksen, die eertijds
onder hunne aanleiders Hengist en Horsa het Britsche eiland, dat is
Engeland, veroverden."
"In uw graafschap vindt men dus volkeren van verschillig geslacht?"
"Toch niet, heer hertog: al de bewoners van Vlaanderen zijn van
Germaanschen oorsprong; en is er eenig plaatselijk verschil in hunne
spraak, zij hebben toch eene gemeene taal, welke zij Dietsch noemen en
die in al de landen langs de zee wordt gebezigd, van Denemarken af tot
op de grenzen van uw hertogdom Normandië."
"Dus zouden de Kerels van hetzelfde volk zijn als de Saksische bewoners
van Engeland?"
"Het moet zijn, hertog; want de taal, de zeden en de wetten der Kerels
hebben nog eene opmerkelijke gelijkenis met hetgeen men desaangaande in
Engeland vindt."
"Maar zijn ze dan nog zoo machtig en talrijk dat gij vreest ze tot
onderwerping te dwingen, heer graaf?"
"Machtig, ja, in zeker opzicht, vooral door hunne onverschrokkenheid en
den rijkdom van sommige geslachten. Vroeger waren het al Kerels, die
gansch het Westelijk Vlaanderen bewoonden, van de stad Boulogne af tot
Kortrijk, en zoo naar de Zeeuwsche eilanden op tot over de kust van
Holland en Friesland. Door verloop des tijds hebben vele streken reeds
zich aan de algemeene wetten van het Frankische rijk onderworpen, en
dezen noemen zelfs zich geene Kerels meer; maar de bewoners der
Vlaamsche zeekust, tot voorbij Yperen, Thourout en Brugge, hebben hunne
oorspronkelijke zeden en wetten met hardnekkigheid verdedigd en ze tot
nu toe behouden, ondanks de onophoudende pogingen van vorsten en
ridders."
"En zijn er geene edelen onder hen?"
"Neen; maar, zooals ik u zeide, hertog, onder hen heeft men zekere
voorname lieden die eenen grooten invloed op de menigte uitoefenen. Zoo
hebben wij in Brugge een Kerlengeslacht dat uitnemend rijk en machtig
is, en welks leden men de Erembalds noemt. Deze zijn zeer hoog geacht en
zoo invloedrijk, dat het waarlijk, zooals gij ten onrechte meent, een
hoon voor mij en voor mijne edelen is, door hen eene overheid te zien
uitoefenen die mij en mijnen ridders wordt ontzegd."
"Maar die schreeuwende schennis uwer kroon kan niet voortduren, heer
graaf!" kreet Willem van Normandië. "De gansche ridderschap zal u
betichten van zwakheid!"
"Ik herhaal het u", zeide de graaf, het hoofd schuddende, "die toestand
zal veranderen; maar ik moet tijd en gelegenheid afwachten om dit doel
te kunnen bereiken zonder groote bloedstorting. Ik wil mijne kroon aan
dit gevaarlijk spel niet wagen. Wat mij tot geduld aandrijft is de goede
wil dien sedert eenigen tijd de Kerels mij betoonen; ik heb de hoop dat
ik, zonder geweld, hen zal kunnen doen toestemmen in het vrijwillig
overeenbrengen hunner wetten met de algemeene wetten van Vlaanderen. De
Kerels, ziet gij, heer hertog, zijn de beste en nijverigste landbouwers,
werklieden, koophandelaars en zeevaarders die men vinden kan. Een oorlog
tegen hen zou voor langen tijd de openbare welvaart in Vlaanderen
vernietigen."
"Maar, heer graaf!" bemerkte Willem van Normandië verwonderd, "gij
spreekt zoo welwillend van deze Kerels! Uw hofraadsheer Tancmar
schilderde ze mij af als een verachtelijk ras van grove dorpers, van
moordenaars en dieven."
"Mijn hofraadsheer overdrijft. Hij haat de Kerels onzeglijk. Het
schijnt, dat het eene oude veete van zijn geslacht tegen het geslacht
der Erembalds is."
"Toch niet, heer graaf, gij misgrijpt u daarover", wedervoer Willem;
"mher Tancmar verfoeit de Kerels met recht, omdat zij uwe overheid
miskennen. Wat gij zijnen haat noemt, is niet anders dan de
verontwaardiging hem ingeboezemd door zijne eindelooze verkleefdheid aan
zijnen vorst."
"Inderdaad, Tancmar is mij zeer verkleefd, en ik ben hem er dankbaar
voor; maar ik wil mij door zijnen raad tot geene onvoorzichtigheid laten
drijven. Niet alles, wat hij over de Kerels zegt, is gegrond."
Willem van Normandië wenkte den hofraadsheer Tancmar. Deze bracht zijn
paard nevens de vorsten.
"Het schijnt, mher Tancmar", zeide hij, "dat gij de Kerels bij mij hebt
gelasterd, of ten minste hunne ondeugden zeer hebt overdreven. Uw heer
graaf meent dat een bijzonder gevoel van haat u verblindt."
"Geliefde mijn heer graaf het mij toe te laten", antwoordde de
hofraadsheer op eerbiedvollen toon, "dan zou ik durven beweren dat zijne
al te groote goedhartigheid hem verblindt. De Kerels zijn godvergetene,
woeste, schaamtelooze lieden, die de overheid van onzen vorst met
schuldige trotschheid miskennen en verachten. Ik wil het bewijzen ..."
"Nu, nu, raadsheer, laat die bewijzen achter; wij kennen ze sedert
lang", morde de vorst met zichtbare ontevredenheid. "Het lust mij heden
niet den bedroevenden kant der dingen te zien. Doe mij het vermaak voor
alsnu daarvan te zwijgen."
"Naar uw believen, heer graaf", murmelde Tancmar, het hoofd buigende,
terwijl hij den toom van zijn paard spande en daardoor het dier dwong
achteruit te blijven.
Op dit oogenblik kwam een ridder van den kant van Brugge gereden en deze
meende de vorsten, onder het uitspreken eener eerbiedvolle groetenis,
voorbij te gaan om de ridders van het gevolg te vervoegen; maar graaf
Karel reikte hem glimlachend de hand toe, vraagde hem minzaam hoe het
hem ging, en liet hem niet doorrijden dan na met hem eenige vriendelijke
woorden te hebben gewisseld.
"Een schoon jonkman, een zeer hoofsch ridder", bemerkte Willem van
Normandië.
"Hij is een Kerel", zeide de graaf.
"Een Kerel? Onmogelijk!"
"Ja, een Erembald van Brugge; zijn naam is Robrecht Sneloghe. Zijn
vader, zaliger gedachtenis, was kastelein van Brugge en mijn bijzondere
vriend en wapenmakker, van voor den tijd dat ik tot het graafschap werd
verheven. Ik draag daarom dezen jongen ridder zekere genegenheid toe.
Men zou het niet vermoeden, heer hertog, maar deze Kerel is misschien
wel de rijkste man van geheel mijn graafschap."
Zoo over de Kerels koutende, vervorderden de beide vorsten hunnen weg.
Zij waren Zedelghem voorbij en zouden in min dan een uur de stad Brugge
bereiken ...
Zeer lang reeds, ja van in den vroegen morgen zelfs, werden zij
afgewacht door de bevolking van Brugge en der omstreken, die vroolijk en
luidruchtig over de Markt krielde waar de graaf met plechtigheid en met
vreugdebewijzen zou worden onthaald. Bovenal verdrong zich de menigte
rondom eene houten stelling die men te midden van het plein had
opgetimmerd.
Vele werklieden waren nog druk bezig aan de laatste versiering van
dezen hoogen vloer, waarop de graaf van Vlaanderen de hulde zijner
leenmannen en der stadsbestuurders zou ontvangen. Men bracht kostelijke
zetels uit den Burg, men spreidde bonte tapijten uit, men hechtte
kleurige baanders en vlaggen aan hooge stijlen.
De gevels der huizen rondom de Markt waren overdekt met groene twijgen
en met bloemen; uit vele vensters hingen roode lakens; zelfs hadden
sommige poorters voor hunne deuren looverrijke boomkens geplant en
daaraan schilden gehangen waarop de letter K, de vorstelijke kroon en de
leeuw van Vlaanderen ter eere van graaf Karel zeer dikwijls waren
herhaald.
Boven elken ridderlijken Steen, op de torenspits of op het dak, waaide
een standaard met de wapenteekens van den bewoner.
Om al deze toebereidselen van naderbij te kunnen zien, vlotte het volk
van de eene zijde der Markt naar de andere. Er heerschte voortdurend een
dof gerucht als het gebruis eener verre zee, slechts nu en dan
onderbroken door eenige luidruchtige vreugdekreten. Op aller gelaat
blonk een heldere lach, en het was zichtbaar dat de plechtige terugkomst
des graven met blijdschap werd afgewacht.
De rondstroomende menigte bestond grootendeels uit Brugsche poorters,
reeds uit de verte herkennelijk aan de zwarte of bruine verf hunner
kleederen, welke op alle boorden omzet waren met donker pelswerk. Zij
droegen het haar kort, en hun baard was geheel geschoren. Door deze
beide laatste omstandigheden onderscheidden zij zich terzelfder tijd van
de leenheeren of edelen, wier haar in lokken op de schouders daalde, en
van de Kerels uit de Ambachten, die hunne baarden lieten groeien.
Vele lijfeigenen of dienaars, zeer armelijk in ongebleekt linnen
gekleed, liepen met houten schoenen of blootsvoets. Zij hielden zich
meest stil en ingetogen bij en rondom de St-Christoffelskapelle.
De Kerels uit de naaste Ambachten hadden de uitnoodiging hunner Brugsche
beschermers in groot getal beantwoord; zij stonden in groepen verspreid
met hunne vrouwen en kinderen, en men kon ze van zeer verre herkennen
aan hunne blauwe kleeding en hunne kromme zwaarden.
Op eenige stappen van de houten stelling stond een Kerel die, alhoewel
niet bijzonder groot, om de sterkte zijner leden vele poorters
verwonderd deed opkijken. De dikke baard die hem op de borst hing begon
reeds te vergrijzen; zijn aangezicht was getaand en rimpelig als van
iemand die in zijn leven veel en zwaar heeft gewerkt.
Op elk zijner breede schouders zat een jongsken van zeven of acht jaar.
Hij had zijne kinderen dus opgeheven om hun toe te laten over de hoofden
der omstanders te zien wat de arbeiders op den verheven vloer doende
waren. Onderwijl koutte hij met zijne vrouw, die nevens hem zich hield.
"Maar Arnulf", bemerkte zij op dit oogenblik, "de graaf laat zich
zoolang wachten; zijt gij zeker dat hij voor den middag nog zal komen?"
"Gansch zeker, Strena", was het antwoord. "Gij hebt wel gezien dat de
proost en de kanunniken van St-Donaas, met de ridders en met schepenen
van Brugge, door de Steenstraat hem zijn te gemoet gegaan?"
"Het is meer dan een uur geleden, Arnulf. Moeten zij nog van zooverre
terugkeeren, dan zullen zij ongetwijfeld tot den middag en langer
uitblijven."
"Neen, gij bedriegt u, Strena: zij bevinden zich allen wachtend op het
Zand. Gij weet wel, het groote onbebouwde plein, even buiten de poort
die naar Thourout leidt? Van daar zullen zij al te zamen den graaf tot
op deze stelling geleiden."
"Laat ons dan naar het Zand gaan", zeide de vrouw. "De kinderen zouden
zoo het gezicht van gansch de feestelijkheid kunnen genieten."
"Integendeel, Strena, op zulke wijze zouden zij de bijzonderste
plechtigheid missen. Het Zand krielt waarschijnlijk van volk. Wanneer de
graaf nu de stad binnenrijdt, zullen al deze menschen hem willen volgen.
De Steenstraat is niet breed; er zullen vele paarden zijn. In dit
gedrang met kleine kinderen zich begeven ..."
Hij zweeg eensklaps, zette met eene haastige beweging de beide kinderen
ten gronde, en verhief zich op de teenen en rekte den hals om over de
menigte te kunnen heenzien.
Zijne vrouw aanschouwde hem verwonderd.
"Wat bemerkt gij zoo verrassends, Arnulf?" vroeg zij. "Komt de graaf?"
De Kerel greep zijne vrouw de hand, trok haar tot zich en, met den
vinger in eene zekere richting naar het volk wijzende, zeide hij zeer
stil:
"Strena, ziet gij, ginder verre tegen dien hoogen Steen, den man met
zwarten baard?"
"Ja, zeer wel", antwoordde zij.
"Herkent gij hem?"
"Neen, Arnulf, ik heb hem nooit ontmoet, dat ik wete."
"Is het niet Warad Valk, van Dudzeele?"
"Wat? de moordenaar uws broeders?" kreet de vrouw verschrikt. "Gij
misgrijpt u: die man is Warad niet."
"Hij is het, zeg ik u, Strena."
"Neen, neen, dit verhoede de hemel!" zuchtte de vrouw. "Zulke ontmoeting
op dezen dag? Het ware een noodlottig toeval!"
"Ongelukkig toeval, inderdaad; maar ik mag den dood van mijnen armen
broeder niet ongewroken laten."
"Wat gaat gij doen, Arnulf?" morde zij, hem angstig bij den arm
vattende.
"Gij kunt het vermoeden", antwoordde hij op somberen toon. "Plicht is
plicht; weerhoud mij niet; blijf stil en waak over de kinderen. Gebaar u
alsof gij niets had bemerkt. Heb ik mij misgrepen is die man Warad niet,
dan kom ik onmiddellijk bij u terug."
Hij drong vooruit en verdween tusschen de menigte.
De verschrikte moeder omarmde hare kinderen en sloot ze met teekens van
angstige liefde tegen hare borst. Eilaas, wat ging er geschieden?
Misschien glinsterden reeds ginder de zwaarden, misschien vloeide reeds
daar een duurbaar bloed! Zij was zoo welgemoed en zoo vroolijk aan de
hand van haren man in Brugge getreden. Hoe zou zij nu naar hare hofstede
te Moerkerke wederkeeren Als weduwe, met vaderlooze kinderen? Wie kon
het weten?
Door deze angstige gepeinzen neergedrukt had zij het hoofd gebogen en
blikte ten gronde. Zij ontwaakte echter met eenen blijden kreet uit
dezen naren droom: haar echtgenoot stond nevens haar.
"De man dien ik had gezien was verdwenen", zeide hij. "Nergens kon ik
hem nog bespeuren. Misschien was het inderdaad Warad Valk niet. Gij moet
het weten, Strena, uw gezicht is sterker dan het mijne."
"Geloof mij, Arnulf", antwoordde zij, "zeker, gij hebt u bedrogen."
"Des te beter, Strena. Ik zou niet gaarne heden wraak te plegen hebben;
maar, zage ik bij geval de moordenaar mijns broeders, ik zou wel moeten
gehoorzamen; Waarad heeft den vrede verbroken en den zoen geweigerd."
"Maar indien gij evenwel de vervulling van uwen plicht uitsteldet tot op
eenen anderen dag?"
"Onmogelijk! ik ware onteerd voor gansch mijn leven; elk vrij man zou
mij als eenen lafaard verachten, gij weet het wel, Strena. Danken wij
God dat ik mij heb misgrepen. Laat ons nu weder vroolijk met de kinderen
... Geef acht! Die beweging bij den ingang der Steenstraat! Daar komt
ongetwijfeld de stoet!... Blijf immer dicht bij mij, Strena. Komt,
kinderen, geeft mij elk eene hand. Wij zullen het dringen zooveel
mogelijk wederstaan; dan zien wij de plechtigheid van nabij."
Uit de Steenstraat stroomde allereerst een golvende volksvloed over de
Markt. Men hoorde in de verte de scherpe of zware tonen van trompen en
bazuinen tusschen de herhaalde welkomskreten der menigte hergalmen, en
welhaast vertoonde het hoofd van den stoet zich op het plein.
Vooraan ging de proost van St-Donaas met zijne kanunniken en de overige
geestelijkheid der stad. Bij tusschenpoozen zongen zij gebeden en
lofpsalmen, terwijl vele koorknapen hunne wierookvaten zwaaiden en
geurige wolken in de hoogte deden stijgen.
Hierop volgden de voorschepen en de twaalf andere schepen van Brugge,
vergezeld van een twintigtal klerken en andere bedienden.
Achter hen, tusschen twee trompers, stapte een man die een rood
fluweelen kussen droeg, waarop men de sleutels der stad voor deze
plechtige omstandigheid verguld, zag blikkeren.
Dan kwamen vijf wapenboden te paard, met lange bazuinen, en in hun
midden een ridder die den baander of standaard van Vlaanderen opgeheven
hield.
Onmiddellijk na zijne wapenboden verscheen de graaf van Vlaanderen,
gezeten op een moedig wit paard, dat bijna geheel met een dekkleed van
goudlaken was behangen.
Graaf Karel kon de veertig jaar bereikt hebben. Zijne statige
wezenstrekken droegen den stempel van strenge fierheid en wilskracht
alhoewel tevens de zachtere, ja zelfs de fijne teekening zijner lippen
liet vermoeden dat zijn hart met goedheid en vriendelijkheid moest
begaafd zijn. Dit stemde overeen met het gevoelen dat ridders en
poorters over hem hadden, aangezien zij gewoon waren te zeggen: "graaf
Karel is uiterst goed en minzaam voor wie hem bevalt, maar streng en
onverbiddelijk voor wie hem mishaagt".
Om zijne plechtige intrede op dezen dag te doen, had de vorst zijne
oorlogskleeding gedeeltelijk afgelegd. Wel zag men nog aan zijne armen
en beenen de duizenden ringen van zijn maliehemd glinsteren; maar
daarboven had hij een overkleed van rood fluweel aangetogen. Zijn gulden
helm blonk in het zonnelicht; rondom zijnen hals en op zijne borst hing
een zwaar snoer van veelkleurig gesteente, waaraan een kruis van
gewrocht goud en diamanten glinsterde. De graaf toonde dit kostbaar
kleinood gaarne in het openbaar, omdat hij de gesteenten er van gewonnen
had in Palestina tegen de Saracenen, en het hem een dierbaar aandenken
was van zijne tochten in het Heilig Land.
Aan de eene zijde van den vorst reed de jonge hertog Willem van
Normandië. Aan de andere zijde hield zich Gervaas van Praet, kamerheer
van den graaf, en geroemd als een wijs, moedig en verkleefd ridder.
Achter de vorsten kwamen Tancmar Van Straten, de raadsheer; Walter Van
Lokeren, de hofbottelier; Frumold, 's graven schrijver en rekenmeester;
Hacket, de kastelein van Brugge; Eijkaard Van Woumen, Baudewijn van
Aelst en Daniël Van Dendermonde.
De andere Fransche of Vlaamsche ridders, die den graaf op de reis hadden
vergezeld of hem nu te gemoet gekomen waren, volgden allen zonder
herkenbare schikking. Zelfs bevonden zich in dit gedeelte van den
ruiterstoet vele Kerels; en men kon ook hier bemerken dat er geene
vriendschap tusschen deze laatsten en de leenheeren bestond, want zij
reden zichtbaar van elkander gescheiden.
Nauwelijks had de menigte, die krielend de Markt overdekte, den vorst
ontwaard, of er verhief zich een algemeen gejuich dat meermaals met
vernieuwde kracht werd herhaald, naarmate de stoet over het plein
vooruitkwam. Bovenal gaf de vreugde der menigte zich lucht in machtige
galmen, toen de vorst met zijn gevolg de houten trede had beklommen en
daar het volk zijnen groet toestuurde.
Ridders, poorters, Kerels, allen wedijverden om door luid geroep, door
het zwaaien der hoeden of door het opheffen der handen hunne blijdschap
te betuigen en den graaf te verwelkomen.
Terwijl men bezig was met de menigte van de stelling te ver wijderen, om
eenige ruimte te maken, terwijl de laatste ridders afstegen en de
schalken hunne paarden op eenigen afstand wegleidden stuurde de graaf
zijnen blik over de Markt. Hij staarde met bijzondere aandacht op de
talrijke groepen der Kerels, die luidruchtiger en driftiger dan alle
anderen, hem toejuichten en dikwijls de oorzaak waren dat de volksschaar
hare blijde kreten herhaalde.
De vorst scheen tevreden; het was met eenen helderen glimlach dat hij in
stilte nu en dan een woord wisselde met Willem van Normandië, wanneer
deze hem geluk wenschte over de liefde welke het Vlaamsche volk hem
betuigde.
Op een teeken van den voorschepen hieven de trompen en bazuinen een
feestgeschal aan. De leden van den stadsraad beklommen de trede en bogen
voor den vorst, totdat hij den voorschepen de hand bood. Dan naderde de
man met het fluweelen kussen.
De voorschepen, na den graaf de sleutels der poorten te hebben
aangeboden, begon eene lange redevoering waarin hij den vorst, in naam
der stad, hulde bewees en verkleefdheid beloofde, evenwel in
eerbiedvolle woorden zijne bescherming inroepende tegen degenen die de
vrijheden of de rechten der poorters van Brugge zouden willen schenden.
De graaf gaf hem een minzaam antwoord en behandigde hem opnieuw de
sleutels die toch, zeide hij, aan niemand beter konden worden
toevertrouwd dan aan de bestuurders zijner beminde en verkleefde stad
Brugge zelve; maar aangaande de zinspeling op het eerbiedigen der
rechten en vrijheden antwoordde hij niets en deed alsof hij dit gedeelte
der redevoering niet had gehoord.
De schepenen bemerkten deze achterhoudendheid met zekere treurnis, en
zij daalden half mismoedig de trede af.
Dan verschenen de leden der geestelijkheid voor den vorst. Op de
aanspraak, hem door den proost van St-Donaas toegericht, betuigde hij
zijnen innigen wensch om in alle omstandigheden de Kerk en hare dienaars
niet alleen te beschermen maar tevens hoog te vereeren en mildelijk te
begiftigen.
Na den proost van St-Donaas, bood de abt van het klooster Ten Eeckhout
zich aan om den graaf hulde te bewijzen en zijne goedwilligheid voor dit
belangrijk gesticht in te roepen.
Graaf Karel, die het klooster Ten Eeckhout eene bijzondere gunst
toedroeg, onderhield zich lang met den abt en hij was nog bezig met
spreken toen, eensklaps, een hevig en vreemd gerucht hem kwam
onderbreken en hem met verstoorden blik deed rondkijken Wie was er
vermetel genoeg om in zijne tegenwoordigheid zulk oneerbiediglijk
geschreeuw aan te heffen of te veroorzaken?
Hij zag aan de eene zijde der Markt, niet verre van de trede, eenige
poorters verschrikt wegvluchten, terwijl daar ter plaatse vele Kerels
tot eenen hoop te zamen liepen. Twee naakte zwaarden glinsterden hem in
de oogen. Hij zag eenen man wien bloed van de wang afliep en die met
eene reuzenstem den noodkreet "haarop! haarop! hulp! hulp!" over de
Markt deed hergalmen[33].
Onmiddellijk waren eenige ridders toegesneld om de ruststoorders tot
stilte te dwingen; maar de Kerels hielden hen terug met de woorden
"kamp! kamp!" waardoor zij wilden betuigen dat daar een twist werd
beslecht waarmede niemand zich te bemoeien had.
Vooraleer de graaf, die van gramschap sidderde, eenige bevelen kon
geven, bliksemden de uitgetogen zwaarden door de lucht en een der beide
kampers viel met gekloofd hoofd ten gronde.
"Men vange den snooden moordenaar!" riep de graaf. "Men brenge hem
levend of dood voor mij! Ik wil, tot een voorbeeld, in het aanschijn des
volks kort recht doen over zulke verfoeilijke misdaad!"
Een tiental ridders sprongen te gelijk van de trede en liepen ter plaats
waar de manslag was geschied; zij meenden de hand aan den plichtige te
leggen, maar deze hield zijn bloot zwaard tot slaan gereed, roepende dat
hij den eerste die hem raken dorst voor zijne voeten zou nedervellen.
Velen der omstaande Kerels hadden insgelijks hunne zwaarden getrokken en
betuigden dat zij hunnen makker zouden verdedigen, indien iemand hem
geweld aandeed.
Hacket, de kastelein van Brugge, die nu kwam toegeloopen, herkende den
woedenden Kerel en zeide hem op spijtigen toon:
"Eilaas, Arnulf, wat hebt gij gedaan?"
"Mijnen plicht heb ik gedaan", antwoordde de andere, "Hij is de
moordenaar mijns broeders en hij heeft den zoen geweigerd. Gij, heer
kastelein, kent de wet beter dan ik[34]."
"Maar de graaf is buiten zich zelven van toorn! Onderwerp u, om grooter
kwaad te vermijden."
"De hand aan mij leggen?" kreet de Kerel, "Ik ben een vrij man en zal
mijne daad verantwoorden waar en wanneer men het moge eischen."
"De graaf wil dat gij onmiddellijk voor hem verschijnt, Arnulf. Toon u
onderdanig uit voorzichtigheid."
"Het zij zoo, kastelein; leid mij tot den graaf, maar behoed mij voor
hoon en onrecht," mompelde Arnulf, terwijl hij zijn swaard in de schede
stak en, door wel vijftig Kerels gevolgd, naar de stelling
vooruitstapte.
Hij klom alleen met den kastelein op de trede en bood zich voor den
vorst aan, wel met eene diepe buiging en ontdekten hoofde, doch fier en
beraden als ontstelde hem niet de minste vrees.
"Verwaten woestaard!" viel de vertoornde vorst uit. "Hoe durft gij dezen
plechtigen dag door zulke gruwelijke misdaad bezoedelen? Gij zult de
straf uwer boosheid ondergaan: nog heden zal de beul u op het galgeveld,
ten voorbeeld aller moordenaars en ruststoorders, aan eenen strop ten
toon hangen!"
Arnulf aanschouwde den vorst met zulke zonderlinge en diepe verwondering
in de oogen, dat deze verrast murmelde:
"Vermetele, gij gelooft het niet?"
"Waar in de wereld het recht heerscht", antwoordde de Kerel, "wordt
niemand veroordeeld zonder dat men hem tot zijne verdediging gehoord
hebbe. Verleent de heer graaf mij oorlof om te spreken?"
"Spreek", morde de vorst met ongeduld.
"Ziehier de zaak die u ten onrechte tegen mij verbolgen doet zijn, heer
graaf", begon de Kerel. "Ik had eenen broeder, een goedhartig man, door
iedereen bemind en geacht. Een zekere Warad Valk, van Dudzeele, geraakte
in twist met hem aangaande het gebruik eener schapenweide, en bracht hem
eenen doodelijken slag toe. Ik, de naaste bloedverwant, erfde, krachtens
onze wetten en onze gewoonten, niet alleen den plicht om voor zijne
weduwe en kinderen te zorgen, maar tevens om de veete te vervolgen en
wraak te nemen. In de meening dat de doodslag het gevolg van een
onvrijwillig toeval kon zijn, bood ik den moordenaar den vrede, en liet
scheidsmannen het zoengeld bepalen, dat Warad Valk ten voordeele der
weduwe mijns broeders zou te betalen hebben. Wat deed hij? Op den
zoendag verscheen hij niet voor de Keurmannen[35] en misprees aldus het
gerecht. Ondanks den vrede hoonde hij nog de arme weduwe en dreigde hare
hofstede in brand te steken. Sedert dan is hij uit het Ambacht
verdwenen. Ik ontmoette hem hier en deed mijnen plicht."
"En moest gij daarom bloed in mijne tegenwoordigheid vergieten? Eenen
afschuwelijken moord plegen?" riep de vorst, die eerder door de koele
woorden van den Kerel was verbitterd geworden dan gestild.
[Illustratie: ...viel met gekloofd hoofd ten gronde. (Bladz. 95.)]
"De wet gebood het mij" wedervoer Arnulf. "Zij heeft geene bijzondere
gevallen voorzien. Wie den gebannen vrede breekt mag overal aangevallen
en gestraft worden. Ik kon Warad Valk zonder verwittiging doodslaan, en
evenwel heb ik hem tot zelfverdediging uitgedaagd en hem ten kamp
geroepen. Hadde ik mijnen broeder niet gewroken, ik ware als lafaard
onteerd gebleven Iedereen moet mij prijzen omdat ik mijnen plicht heb
gedaan."
"Ha, dit zullen wij zien!" kreet graaf Karel, over zooveel stoutheid
verbaasd. "Kastelein, men leide dien man naar het Gijselhuis op den
Burg. Hij blijve gevangen totdat wij zijn vonnis hebben uitgesproken."
"Ik in de gevangenis?" mompelde de Kerel, met eenen ongeloovigen lach op
de lippen. "Ik ben een vrij man; ik heb geenen lust tot vluchten; ik zal
komen op de eerste dagvaarding, maar in de gevangenis wil ik niet! Geen
der Kerels die daarbeneden staan zal dulden dat men mij, schuldeloos als
ik ben, naar de gevangenis voere. Stroomt er meer bloed, God zal weten
wie het deed vergieten!"
Een honderdtal Kerels, die aan den voet der trap stonden en dit tooneel
met angst en klimmende verontwaardiging volgden, getuigden door hun
dreigend gemor dat zij waarlijk bekwaam waren om hunnen makker ook
gewelddadig ter hulp te komen, indien men onrecht jegens hem pleegde.
De dreigende houding der Kerels verbitterde den graaf nog meer; want in
tegenwoordigheid der Fransche ridders, die hunne verbaasdheid over zijne
aarzeling betuigden, was zijn toestand zeer onaangenaam en schier
belachelijk.
"Gij zult in de gevangenis!" riep hij. "Indien de kastelein van Brugge
de macht niet heeft om mijn bevel uit te doen voeren, zullen mijne
ridders of hunne wapenlieden u wel dwingen."
Arnulf, die zag dat er waarlijk eene beweging onder de ridders ontstond,
sprong een paar stappen achteruit en sloeg de vuist aan het gevest van
zijn zwaard.
"Men voere dan mijn lijk naar de gevangenis!" gromde hij, terwijl zijne
oogen zoo bloedig werden en zoo dreigend vlamden dat elkeen aarzelde om
hem te naderen.
Terwijl de kastelein Arnulf poogde te bedaren, was Robrecht Sneloghe te
midden der Kerels geloopen en verkreeg van hen door vriendelijke woorden
en gebeden dat zij zich nog stilhielden.
Arnulf wilde naar niets luisteren en weigerde zich naar de gevangenis te
laten leiden. Maar nu beklom de proost van St-Donaas de stelling,
naderde den vertoornden Kerel en zeide aan zijn oor:
"Volg den kastelein naar het Gijselhuis, Arnulf. Doet gij het niet, gij
brengt waarschijnlijk de vrijheid van gansch Kerlingaland in gevaar.
Wij zullen over u waken en zorgen dat u geschiede volgens wet en recht.
Ik smeek u, gehoorzaam den graaf ... Desnoods gebied ik het u op uwen
gilden-eed!"
"Welaan, heer vorst, ik onderwerp mij aan uwen wil", zeide de Kerel,
eensklaps met eene diepe buiging vooruittredende. "Naar de gevangenis
zal ik mij begeven met het vertrouwen dat men mij, als vrij man, in de
vierschaar zal hooren en rechters zal geven zooals het behoort."
"Rechters? Gij hebt gelijk", antwoordde de graaf met bittere scherts.
"Gij zult ze hebben. Voor den avond zult gij ter hooger vierschaar
verschijnen om uw vonnis te hooren uitspreken."
De Kerel daalde met den kastelein van de trede, omarmde eene vrouw en
twee weenende kinderen, drukte eenigen vrienden de hand en verdween uit
het gezicht der ridders tusschen de menigte, die als een rollende stroom
op zijne baan over en weder golfde. Vele Kerels volgden hem, luidop
morrend tegen het onrecht dat hem werd aangedaan; maar hij zelf zeide
dat hij zich vrijwillig naar het gevang begaf, en zoo bracht hij zijne
vrienden tot bedaren.
Graaf Karel, door het gebeurde diep ontsteld en wel bemerkende dat de
plechtigheid zijner intrede beslissend was gestoord, gaf bevel om de
paarden bij te brengen en den stoet te vormen.
Terwijl men daarmede bezig was, zat hij beweegloos, met strakke oogen,
welker scherpe blik de verbolgenheid zijns harten verried.
Even ontroerd en verontwaardigd waren de ridders. Zij durfden den graaf
in zijne stilzwijgendheid niet storen. De eenige, die niet bedroefd
scheen, was de raadsheer Tancmar Van Straten. Hij wisselde zelfs in het
verborgen eenen glimlach met den hofbottelier Walter Van Lokeren. In
zijne oogen glinsterde eene geheime blijdschap; want hij twijfelde niet
of dit voorval zou den graaf onverzoenbaar tegen de Kerels verbitteren.
De vorst weigerde nog altijd den Kerels met geweld het juk der
dienstbaarheid op te leggen; maar nu zou zijne gramschap in hunne
vernedering wraak zoeken voor den hoon hem heden aangedaan.
Toen de paarden bijgebracht waren en de kamerheer Gervaas Van Praet den
vorst had verwittigd dat alles gereed was, daalde deze met zijn gansch
gevolg van de trede.
Men steeg te paard, en de stoet begaf zich op weg over de Markt in
dezelfde schikking als bij zijne komst. Weder hergalmden de schelle
tonen van bazuinen en trompen; weder hieven de kanunniken in de
tusschenpoozingen plechtige lofzangen aan; maar de menigte, nog ontroerd
en treurig over het gebeurde, bleef koel en betuigde slechts haren
eerbied door zich, bij het voorbijrijden van den vorst, diep te buigen.
Karel zelf was nog verslonden in spijtige gepeinzen en reed over de
markt en door de Hofstraat, zonder schijnbaar acht te geven op hetgeen
rondom hem geschiedde.
Zoo kwam de stoet op den Burg.
Hier stonden voor het Gijselhuis misschien tweehonderd Kerels, waar
tusschen ook eenige vrouwen en kinderen. Zoohaast zij den graaf
bemerkten hieven zij den roep: "recht! recht!" zoo luidruchtig aan dat
het middenplein van den Burg er van hergalmde.
Dit herhaalde geschreeuw kwetste den graaf; want hij aanzag het als eene
poging om hem tot het vrijlaten van den gevangene te dwingen.
Nauwelijks was hij afgestegen, of hij wenkte den kastelein van Brugge
tot zich en vroeg met dreigenden blik:
"Zit de uitzinnige Kerel in de gevangenis?"
"Ja, heer graaf", was het antwoord, "hij zal er blijven totdat het u
gelieve hem te ontslaan."
"Ontslaan?" herhaalde de vorst, bitter spottende. "Heeft men hem in den
moordenaarskuil geketend?"
"Neen, heer".
"Waarom niet, kastelein?"
"Hij is een vrij man, heer graaf."
"Vrij man? die grove woestaard? Ah, mijn geduld is ten einde: ik wil
gehoorzaamd worden! Gij blijft verantwoordelijk voor den gevangene. Houd
u gereed om op het eerste bevel hem in mijne tegenwoordigheid te doen
voeren."
De graaf, door al de ridders van zijn hof gevolgd, trad in de groote
zaal van zijn paleis. Iedereen aanschouwde hem in stilte, want men
begreep dat hij zeer vergramd en bedroefd moest zijn. Bovenal waren de
Fransche ridders verontwaardigd over de voorbeeldelooze stoutheid der
Kerels en de oneerbiedige houding van gansch het volk, dat zich den
moordenaar veeleer gunstig dan vijandig had getoond.
Graaf Karel keerde zich tot de vergadering en zeide:
"Heeren, gij zult mijn verdriet en mijne ontsteltenis begrijpen na de
ongehoorde dingen die heden zijn voorgevallen. Niet alleenlijk ben ik
vermoeid en behoef een weinig rust; maar ik wil tevens zonder uitstel
overwegen wat mijn plicht, als graaf van Vlaanderen mij gebiedt te doen
om den schuldige te straffen en door een streng voorbeeld anderen te
beletten mijne overheid nog te miskennen. Binnen een paar uren zal ik u
aan het middagmaal wedervinden. Gelieft intusschen u niet te
verwijderen, aangezien uwe tegenwoodigheid mij noodig kan zijn.... De
leden van mijnen bijzonderen raad volgen mij!"
Hij bood zijnen arm aan Willem van Normandië, stapte door eene
zuilengang en trad in eene zaal waar eenige zetels rondom eene breede
tafel geschikt stonden. Hij nam plaats aan het hooger einde der tafel en
toonde Willem van Normandië eenen zetel nevens zich.
Hier waren nog tegenwoordig Tancmar Van Straten, Walter Van Lokeren,
Gervaas Van Praet, benevens de oude Frumold en zijn neef, rekenmeesters
en schrijvers des graven, en twee of drie andere ridders.
Toen allen gezeten waren, vroeg de vorst:
"Welnu, heeren, wat zegt gij van zulke schennis onzer overheid?"
"Verfoeilijk, snood, ongehoord; hij verdient den dood!" morden meest al
de raadsheeren.
"Ja, eenen onmiddellijken dood!" zeide Tancmar Van Straten. "Maar dit is
niet genoeg. De verwaande Kerels en hunne aanleiders de Erembalds, die
door hunne dreigende houding onzen goeden vorst nog dieper hoonen,
moeten insgelijks worden gestraft Het zal niemand der heeren ontsnapt
zijn, hoe de moordenaar hardnekkig weigerde het gebod van onzen heer
graaf te gehoorzamen en hoe een enkel woord door den proost van
St-Donaas aan zijn oor gesproken, hem gedwee maakte als een lam. Het is
dus de proost, het zijn dus de Erembalds die over de Ambachten en over
de Kerels gebieden! Zij ontrooven aan den vorst zijne wettig overheid en
maken er dan nog gebruik van om de Kerels tot hoovaardigheid en tot
opstand aan te drijven, niet alleen tegen den graaf, maar tegen al wat
edel is in Vlaanderen ..."
"Elkeen zal, op tijd en plaats, krijgen wat hij verdient", onderbrak de
graaf. "Spreken wij van den moordenaar. Onze waardigheid eischt dat hij
sterve; maar men kan hem toch niet veroordeelen zonder hem te hooren.
Wie zal zijn vonnis uitspreken?"
"Een woord van u, heer graaf, is voldoende", antwoordde Walter Van
Lokeren. "Wie zou zich tegen uw besluit durven verzetten?"
"Inderdaad", bemerkte Willem van Normandië, "mij dunkt dat er reeds te
veel is geaarzeld. Indien zulke zaak in Frankrijk ware voorgevallen, de
plichtige hinge reeds aan de galg."
"Ja, maar, heer, in Vlaanderen zijn wij nog zooverre niet", antwoordde
de graaf. "Mijn voornemen is den plichtige rechters te geven en hem in
zijne verdediging te hooren. Het vonnis kan niet twijfelachtig zijn,
aangezien ik den Kerel voor het hoogerhof der ridders wil doen
verschijnen. Zoo ten minste zal het volk mij niet kunnen beschuldigen
van willekeur of dwingelandij. Ziet gij eenige redenen, heeren, om niet
onmiddellijk het hooge hof der ridders te doen vergaderen?"
"Geene de minste", zeide Tancmar Van Straten. "Er zijn ridders genoeg in
het paleis tegenwoordig, en allen wenschen den dood des moordenaars als
een noodig voorbeeld.... Luistert, heeren, hoe die schaamtelooze
Blauwvoeten daarbuiten roepen 'recht! recht!', zonder eerbied voor den
vorst. Men geve hun dus wat zij eischen. Een bevel van u, heer graaf, en
ik zal oogenblikkelijk het hoogerhof doen vergaderen."
"Verleent de heer graaf mij oorlof om te spreken?" zeide de kamerheer,
Gervaas Van Praet. "Zeker, wat heden op de Markt voorviel is eene
wraakroepende miskenning van den eerbied dien men onzen vorst
verschuldigd is. Wij zullen later, op behoorlijken tijd en door
doelmatige middelen, het trotsche geslacht verpletten dat zich dus tegen
alle wettelijke overheid durft opwerpen. Maar wat kan ons nu het
straffen van eenen enkelen man baten? Men neme in acht dat de
beschuldigde Kerel, volgens de wetten der Ambachten, in zijn recht was
en niets gedaan heeft dan zijnen plicht."
"Daarover zal het hoogerhof der ridderen uitspraak doen", wedervoer
Tancmar met eenige bitterheid.
"Het hoogerhof der ridderen?" hernam Gervaas Van Praet. "Dit hof is
ingesteld om in zaken van edelen, ridders en vrije lieden uitspraak te
doen. De gevangen Kerel is een dorper, een landbouwer. Zult gij, door
hem voor het hooge ridderhof te brengen, zijne vrije geboorte erkennen?
Begrijpt gij niet dat zulks den hoogmoed der Kerels nog zou vermeerderen
en ons in den weg zou staan, als wij later hun deze vrijheid willen
ontkennen?"
"Het is waar, daaraan hadden wij niet gedacht", mompelde Tancmar. "Beter
ware het dat de heer graaf, door een besluit van zijnen vorstelijken
wil, den schuldigen Kerel tot de galg verwees."
"Even onvoorzichtig ware dit", wedersprak hem Gervaas Van Praet. "Wilt
gij heden nog de Kerels, die in Brugge zich bevinden, tot gewelddaden
aandrijven? Wie zal met ons zijn als wij de poorters oproepen om te
verdedigen wat zij een onrecht meenen te zijn? En indien hier bloed
vergoten werd in eenen nutteloozen strijd, zou dan niet het geheele
Kerlingaland in opstand kunnen komen? Ons leger is te Atrecht. Vergeet
niet dat, indien wij in zulk geval tot den laatste toe ons leven gaven
om den persoon van onzen welbeminden vorst te verdedigen, die opoffering
misschien niet toereikend zou zijn. En daarbij, waar bleve dan het
ontwerp om de Kerels der Ambachten tot onderwerping te dwingen zoohaast
wij het met zekerheid kunnen doen?"
"De kamerheer heeft gelijk", bemerkte de oude Frumold. "Ik ken de
poorters van Brugge: het onrecht zullen zij niet verdedigen. Zonder
hunne hulp zijn wij in de macht der Kerels."
"Het schijnt dat ik van de overheid niets dan de schaduw bezit!"
schertste de graaf spijtig. "Ja, ja, ik heb het te lang geduld: dit moet
en zal veranderen! In afwachting geloof ik dat de kamerheer gelijk
heeft. Het kwetst mij diep, dit te moeten erkennen. De Kerel blijve dus
in de gevangenis ..."
"Gelieft de heer graaf mij nog eene bemerking toe te laten?" vroeg
Gervaas Van Praet. "Indien men den Kerel in de gevangenis houdt heeft
men hetzelfde kwaad te vreezen. Volgens de wet mag niemand een vrijen
Kerel in hechtenis houden zonder toelating der Keurmans, die
onmiddellijk de zaak moeten onderzoeken,--en, willen andere begoede
Kerels borg voor hem blijven, dan mag men hem hoegenaamd niet kerkeren.
Het onrecht zou dus blijven bestaan en het aangewezen gevaar
insgelijks."
De vorst toonde zich zeer ontevreden, niet over de woorden van zijnen
kamerheer, wiens trouw en verkleefdheid hij kende, maar over zijne
onmacht als vorst en over den tergenden toestand waarin hij zich bevond.
"Ik zou dus den hoon moeten verkroppen en den moordenaar laten loopen?"
kreet hij. "Zulke vernedering!"
"Het is een ondraaglijke hoon voor al wie edel bloed in de aderen heeft!
Er moet een einde aan onze schandelijke lijdzaamheid komen!"
"Inderdaad", bevestigde Gervaas, "er moet en er zal een einde aan den
overmoed der Kerels gesteld worden; maar wie een doel beoogt aanvaarde
de middelen om het te bereiken. Ik ben van gevoelen dat men de gevangen
Kerel in vrijheid moet laten gaan. Is hij plichtig, de Keurmans van zijn
Ambacht zullen hem oordeelen."
"Maar zijt gij zinneloos, mijn goede heer Van Praet?" riep de graaf.
"Zal uwe zwakheid mij niet een voorwerp van spot maken in de oogen der
hoogmoedige Kerels zelven? is de moordenaar, volgens de wetten der
Ambachten, niet voor zijne misdaad strafbaar, hij is toch schuldig van
oneerbiedigheid jegens mijnen persoon en van openbaren opstand tegen
mijnen wil."
"Ja, heer graaf, en hij verdient den dood; maar het groote doel,
waarnaar onze plicht als ridders ons oplegt te streven, eischt dat wij
voor alsnu dit doel niet in gevaar brengen door eene afzonderlijke wraak
op eenen enkelen persoon te plegen."
De ouden Frumold, wiens woord de graaf gewoon was aan te hooren, stond
op en sprak:
"Heer vorst, ik weet een middel waardoor niet alleen uwe overheid tegen
alle schennis zal gewaarborgd blijven, maar deze droeve zaak nog ter
uwer meerdere eere zal worden geëindigd. Laat den Kerel u verschooning
en vergiffenis vragen, omdat hij op zulken dag en in uwe
tegenwoordigheid wraak pleegde, en schenk hem dan door eigene beweging
de vrijheid. Men zal deze daad onthalen als eene hulde aan het recht,
zoolang dit recht bestaat, en men zal u roemen als een grootmoedig
vorst."
Velen, over dezen wijzen vond verwonderd en verblijd, knikten
bevestigend.
"Maar zal de hardnekkige Blauwvoet zich wel voor den graaf willen
vernederen?" vroeg Tancmar. "Ik twijfel er aan. De Kerels buigen niet;
men moet ze breken."
"De heer graaf late mij toe het te beproeven", sprak de oude Frumold.
"Met goedheid kan men veel van de Kerels bekomen."
"Nu, ga, en beproef het", beval de vorst. "Mij bedroeft en verveelt die
zaak uitermate. Later zal men weten wie ik ben!"
Frumold verliet de zaal en zocht naar den kastelein Hacket. Hij vond hem
onder de Loove, met de kommervolle oogen naar het gijselhuis gericht,
waar eene gansche schaar Kerels, hetzij staande, hetzij ten gronde
zittende, afwachtte wat men in het paleis aangaande hunnen gevangen
vriend zou beslissen.
"Heer kastelein", sprak hij, "gelief mij te volgen; ik heb u iets
belangrijks mede te deelen."
Hij leidde hem eenige stappen verre op het binnenplein, hield hem dan
staan en zeide hem dat de graaf den gevangen Kerel in vrijheid zou laten
gaan op voorwaarde dat deze hem verschooning vroege, niet aangaande het
feit van den doodslag zelven, maar nopens den tijd en de plaats waarop
de wraakneming was geschied.
Alhoewel de kastelein sterk twijfelde of Arnulf, dien hij kende als een
vastberaden man zonder vrees, wel tot zulk iets kon toestemmen, beloofde
hij al het mogelijke aan te wenden om hem er toe over te halen.
Hij riep vijf of zes wapenmannen tot zich en richtte zich naar het
Gijselhuis waar hij, om de onrustige Kerels te stillen, verplicht was
hun te zeggen dat hun vriend waarschijnlijk binnen een half uur zijne
vrijheid zou terugbekomen.
Deze aankondiging werd door een algemeen gejuich van blijdschap begroet.
Om meerdere kans tot welgelukken zijner zending te hebben, verzocht de
kastelein de weenende vrouw en twee kinderen van Arnulf hem in de
gevangenis te volgen.
De oude Frumold bleef te midden van het plein staan, afwachtende wat de
uitslag van des kasteleins poging zou zijn.
Het duurde niet zeer lang of een vreugdekreet ontsnapte hem; want hij
zag den kastelein met den Kerel uit het Gijselhuis komen. De laatste
moest dus toegestemd hebben tot het afsmeeken van des graven
vergiffenis.
Al de verzamelde Kerels vergezelden hunnen makker tot voor de Loove, en
begroetten hem en moedigden hem aan totdat hij onder de poort van het
paleis verdween. Eenigen der stoutsten volgden hem zelfs tot binnen het
hof.
De kastelein verscheen met zijnen gevangene bij den ingang der raadzaal
en wachtte daar een verder bevel.
"Treed nader!" gebood de vorst.
Met eene diepe buiging doch met helderen, onbevreesden blik stapte de
Kerel vooruit.
"Men heeft ons gemeld dat gij ons vergiffenis wilt vragen en onze
grootmoedigheid afsmeeken", zeide de graaf. "Is dit waar, zoo spreek!"
"Wie schuldig is, vraagt vergiffenis", antwoordde Arnulf. "Ik heb mijnen
plicht gedaan."
"Versteende trotschaard!" gromde de vorst, van ongeduld ter tafel
slaande.
"Gelief mij te hooren, heer graaf", hernam de Kerel, even onbewogen,
"Toen ik eerst op de Markt den moordenaar mijns broeders meende te
herkennen, zeide ik tot mijne vrouw dat deze ontmoeting, op zulken dag
en in uwe tegenwoordigheid, een ongeluk zou zijn, hetwelk ik diep zou
betreuren. Het heeft mij leed gedaan, heer graaf, door het vervullen van
eenen onverbiddelijken plicht de plechtigheid uwer blijde intrede te
hebben gestoord. Het grieft mij nog en ik smeek u, aangaande deze
omstandigheid, die onafhankelijk was van mijnen wil, mij uwe
grootmoedige verschooning te gunnen."
"Het is wel", sprak de graaf, in schijn tevreden over deze ootmoedige
woorden, die hem gelegenheid gaven om uit den neteligen toestand te
geraken, "Ik schenk u vergiffenis; ga in vrijheid en in vrede!"
Onmiddellijk verhief zich een gejuich dat door gangen en zalen voortliep
en welhaast tot op het middenplein hergalmde.
Meer nog werden de Kerels met blijdschap vervuld toen Arnulf buiten kwam
en zijne vrouw en kinderen omhelsde. Een schallend triumfkreet bonsde
tegen de muren van het paleis; en de vorst kon van in de raadzaal hooren
hoe daarbuiten hem ten lof wel twintigmaal opnieuw de schreeuw: "Heil
onze vorst! Leve de graaf van Vlaanderen!" werd aangeheven.
Dit gejuich deed den proost van St-Donaas en eenigen zijner vrienden,
die met groote bekommerdheid in de proostdij den loop der zaak
afwachtten, buiten komen. Met teekens van blijdschap liep de kastelein
tot hen en vertelde hun hoe deze erge zaak gelukkig was afgeloopen.
Allen betuigden hunne tevredenheid en drukten
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/13625