De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
by Various · Dutch · Gutenberg #11317 · 1,665,853 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: De Aarde en haar Volken, Jaargang 1877
Author: Various
Release date: February 1, 2004 [eBook #11317]
Most recently updated: February 11, 2024
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/11317
Credits: Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE AARDE EN HAAR VOLKEN, JAARGANG 1877 ***
De Aarde en haar volken
1877.
Uit het dagboek van een Alpenbeklimmer.
I.
Van al de leden van de Alpine-Club te Londen, die door hunne stoute
tochten in de fransche en zwitsersche Alpen gedurende de jongste
twintig jaren zich een europeeschen naam hebben verworven, is wel
geen zoo algemeen bekend als de heer Edward Whymper. Deze algemeene
bekendheid heeft hij vooral ook te danken aan zijn boek Scrambles
amongst the Alps in the years 1860-1869,--Tochten in de Alpen in
de jaren 1860-1869--dat in 1870 te Londen het licht zag en sedert
herhaalde malen werd herdrukt. Dit werk, dat in het fransch, duitsch en
italiaansch vertaald werd, verdient ten volle de groote belangstelling,
die het alom gevonden heeft: niet alleen om den aangenamen vorm, den
helderen, duidelijken stijl, den humor die telkens treft en boeit, maar
ook om den inhoud zelven. De tochten, door den heer Whymper ondernomen,
behooren tot de merkwaardigste, die in de Alpen zijn volbracht; terwijl
zijn boek, vooral bij de verschijning, eene dubbele aantrekkelijkheid
ontleende aan het verhaal der noodlottige beklimming van den Matterhorn
(Mont-Cervin), waarbij een der beste Alpengidsen en drie jeugdige
landgenooten van den heer Whymper het leven verloren: eene gebeurtenis,
die destijds in geheel Europa de algemeene deelneming opwekte, en nog
niet geheel vergeten is, hoeveel er ook sedert moge gebeurd zijn van
meer ingrijpend belang dan de dood van vier moedige reizigers. Al is
het boek van den engelschen Alpenbeklimmer dan ook reeds enkele jaren
oud, met gerustheid durven wij eenige schetsen daaruit ontleenen, die
den lezers der Aarde gewis welkom zullen zijn, te meer daar, voor zoo
ver wij weten, van deze Scrambles geene hollandsche vertaling bestaat.
Bijna de helft van het boek is toegewijd aan het verhaal van de
verschillende pogingen, die de heer Whymper gedurende negen jaren heeft
aangewend om den Matterhorn te bestijgen; maar hij verhaalt ook in
alle bijzonderheden zijne bestijgingen van den Pelvoux (die vóór hem
slechts door den heer Puiseux, hoogleeraar in de sterrekunde aan de
Sorbonne, was beklommen), van de Pointe des Ecrins, den berg Dolent,
den Grand-Cornier, de Dent-Blanche, de Aiguille-Verte en vele andere
toppen; benevens de niet minder belangrijke tochten door de passen
(cols) van Breuil, van La Brèche, van Pilatte, van Triolet, van
Hérens, van Talèfre, enz. Er is dus geen gebrek aan verscheidenheid
en evenmin aan boeiende episoden.
Den 23sten Juli 1860 vertrok de heer Whymper van Londen, om zijne
eerste reis door de zwitsersche Alpen te ondernemen: eene reis,
die niet anders was dan een verkenningstocht. De heer Whymper trok
hierheen en daarheen, en doorkruiste het land in alle richtingen,
zonder zich ergens te vestigen. Maar hij had de bergen, wier latere
beklimming hij zich had voorgenomen, nauwkeurig bestudeerd en uit
verschillende oogpunten geteekend. Als een voorzichtig veldheer,
had hij zich vooraf zorgvuldig met het terrein bekend gemaakt.
In 1861 begaf hij zich rechtstreeks naar den Pelvoux, waaromtrent
hij trouwens niet dan zeer onvolledige inlichtingen had kunnen
inwinnen, hoofdzakelijk geput uit de werken van Elie de Beaumont
en J.D. Forbes. Het was hem onbekend, dat de heer Puiseux reeds in
1848 den top des bergs had beklommen: de bewoners der omliggende
valleien zelven hadden dat reeds zoo goed als geheel vergeten. In de
maand Augustus 1860 hadden de heeren Bonney, Hawkshaw en Mathews, met
Michel Croz uit Chamonix tot gids, gepoogd den Pelvoux te beklimmen;
maar na verscheidene dagen en nachten in vruchtelooze pogingen te
hebben verspild, waren zij door het slechte weder genoodzaakt geweest,
hun plan op te geven. Een wegopzichter, Jean Reynaud genaamd, dien
zij op hun tocht hadden medegenomen, schreef de mislukking aan het
te ver gevorderde saizoen toe. De heer Whymper, den raad van Reynaud
volgende, kwam dus in de eerste dagen van Augustus 1861 te La Bessée,
een dorp in de vallei der Durance, waar hij tegen den 3den dier maand
zijn vriend en landgenoot Macdonald bescheiden had.
Wij zullen nu hem zelven de beklimming van den Pelvoux laten verhalen.
"Van La Bessée kan men zeer duidelijk alle toppen van den Mont-Pelvoux
onderscheiden, zoowel den hoogsten top als dien, waarop de fransche
ingenieurs hunne pyramide hadden opgericht. Reynaud en al de bewoners
der vallei waren met de eigenlijke gesteldheid zeer slecht bekend. Men
wist alleen dat de ingenieurs een piek hadden beklommen, waar zij een
nog hoogeren top hadden ontdekt, dien zij de Pointe des Arcines of
des Ecrins hadden genoemd. Maar men kon niet zeggen of deze laatste
top te La Bessée zichtbaar was, en kon ook evenmin den top aanwijzen,
waarop de pyramide was verrezen. Naar onze meening werd de hoogste top
door andere kruinen aan ons oog onttrokken, en zouden wij deze laatsten
eerst moeten beklimmen, om de eigenlijke spits des bergs te bereiken.
"Van de beklimming door den heer Puiseux wisten de boeren niets af:
volgens hun zeggen, was de hoogste top van den Pelvoux nog nooit
door iemand beklommen geworden: het was juist die top, dien wij
bestijgen wilden.
"Ons vertrek werd alleen nog maar vertraagd door de afwezigheid van
Macdonald en door het gemis van een stok. Reynaud stelde ons voor,
een bezoek te gaan afleggen bij den postdirecteur, die een Alpenstok
bezat, in den ganschen omtrek bekend en beroemd. Wij begaven ons naar
het kantoor, maar het was gesloten; wij riepen zoo luid wij konden door
de reten van de deur; geen antwoord. Eindelijk echter ontdekten wij
den postdirecteur, blijkbaar bezig met zich te bedrinken, waarin hij
reeds tot eene vrij aanmerkelijke hoogte geslaagd was. Nauwelijks had
hij ons gezien, of hij riep uit, zoo goed en zoo kwaad als het ging:
"Frankrijk is ... de eerste natie ... der ... der ... wereld!" Wij
spraken hem natuurlijk niet tegen, maar trachtten hem aan het verstand
te brengen, waarom wij eigenlijk gekomen waren. De beroemde stok kwam
dan ook voor den dag: het was een tak van een jongen eik, ongeveer
een el en zeventig duim lang, krom en vol kwasten.
"Mijnheer, herhaalde de postdirecteur, terwijl hij ons den stok ter
hand stelde: Frank ... rijk, weet ge, dat is de ... eerste ... de
eerste ... natie der ... wereld, om haar, haar...."
"Hij zweeg.
"Haar stokken, fluisterde ik hem toe.
--Juist, mijnheer ... juist ... om haar ... stokken, om haar
... haar...."
Maar verder kon hij het niet brengen. Toen ik een blik wierp op
dien broozen staf, dacht ik niet zonder eenige ongerustheid aan mijne
eigene zwakheid; maar Reynaud, die het gansche dorp op zijn duim kende,
verzekerde mij dat er geen beter te vinden was. Wij verwijderden ons
dus met den beroemden stok, en lieten den eigenaar op den weg achter,
al waggelende en zwaaiende en steeds herhalende: "Frankrijk is het
eerste land der wereld!"
"De 3de Augustus brak aan; Macdonald was niet verschenen, en wij
begaven ons dus op weg naar de Vallouise. Ons gezelschap bestond
uit drie personen: Reynaud, mijn persoon en een drager, Jean
Casimir Giraud, de schoenmaker van La Bessée, de "kleine spijker"
bijgenaamd. Na anderhalf uur fiks doorgestapt te hebben, kwamen wij
te Ville-Vallouise, opgetogen door het gezicht op de trotsche toppen
van den Pelvoux, die zich stralend verhieven naar den wolkeloozen
hemel. Ik hernieuwde de kennismaking met den maire van Ville. Hij
was een degelijk man, met innemende manieren, maar hij verspreidde
een bijkans ondragelijken stank, zoo als trouwens de meeste bewoners
dezer valleien.
"Reynaud had welwillend op zich genomen, voor de levensmiddelen te
zorgen; maar juist toen wij gereed stonden te vertrekken, zag ik,
tot mijn groote spijt, dat hij van mijn goed vertrouwen gebruik had
gemaakt om een klein vaatje wijn mede te nemen, dat ons al dadelijk
tot grooten overlast was. Het was natuurlijk uiterst ongemakkelijk,
dit vaatje in de hand te houden. Reynaud probeerde om het te dragen,
maar gaf het weldra over aan Giraud, die er ook al spoedig genoeg
van had; eindelijk hingen zij het op aan een stok, dien zij op hunne
schouders droegen.
"Te Ville verdeelt de Vallouise zich in twee takken: de val
d'Entraignes ter linker, en het dal van Alefred (of Ailefroide) ter
rechterhand; onze weg liep door dit laatste dal bergopwaarts. Wij
stapten zonder ophouden door naar het dorp La Pisse, waar Pierre
Sémiond woonde, die, naar het algemeene zeggen, beter dan eenig ander
bewoner der vallei, met den Pelvoux bekend was.
"Deze man maakte op ons een zeer gunstigen indruk; ongelukkig was
hij ziek en kon dus niet met ons medegaan. Echter beval hij ons
zijn broeder aan, een goedaardig bejaard man, wiens gerimpeld en
ingevallen gelaat hem juist niet als gids zou hebben doen verkiezen;
maar wij hadden geen keus, en togen dus met hem op weg.
"Boomen van allerlei soort, waaronder vooral noten, omzoomden het pad;
de koele, verkwikkende lommer gaf ons nieuwe krachten; beneden ons,
in eene prachtige kloof, bruiste de bergstroom, ontsprongen aan de
eeuwige sneeuwvelden, die wij den volgenden morgen hoopten te betreden.
"Te Ville kan men den Pelvoux niet zien: hij schuilt daar weg achter
een anderen berg, langs welks voet wij nu wandelden, op weg naar
de chalets van Alefred of Ailefroide, zooals zij somtijds genoemd
worden, waar de eigenlijke berg begint. Van deze chalets gezien,
schijnen de lagere, maar meer nabijzijnde toppen de meer verwijderde
bergen, aanmerkelijk in hoogte te overtreffen, hoewel dit inderdaad
niet het geval is; somwijlen verbergen zij die geheel. Maar met een
enkelen oogopslag overziet men hier, in zijn volle hoogte, den top,
die in deze valleien onder den naam van den "Grand-Pelvoux" bekend
is, en wiens schier loodrechte rotswanden zich tot eene hoogte van
omstreeks drie-en-twintighonderd el uit het dal verheffen.
"De chalets van Ailefroide zijn niet anders dan een handvol
armoedige houten hutten, aan den voet van den Grand-Pelvoux, nabij de
samenvloeiing der beeken, die van den gletscher van Sapenière of van
Selé ter linkerhand, en de Witte en Zwarte gletschers ter rechterhand
afdalen. Wij vertoeven hier eenige minuten om wat melk en boter te
koopen; Sémiond nam ook een afzichtelijk leelijken knaap mede, om
ons vaatje te helpen dragen, duwen en voortrollen.
"Nadat wij de chalets van Ailefroide verlaten hadden, sloegen wij
eensklaps links af: daar de zon naar het westen neigde, kwam ons nu
de schaduw der bergen ten goede. Men kan zich moeielijk een droeviger
en naargeestiger landschap denken, dan deze sombere vallei; mijlen ver
ziet men hier niets dan omgevallen rotsblokken, hoopen steen, zand en
slijk; de zeer weinige boomen staan zoo hoog, dat zij ter nauwernood
zichtbaar zijn. Geen menschelijk wezen is hier te bespeuren. De lucht
heeft geen vogelen en het water geen visschen; de berghellingen, te
steil voor de gemzen, bieden ook nergens eene schuilplaats aan voor
marmotten; de arenden zelfs vermijden dit onherbergzaam oord. Vier
dagen achtereen zagen wij in deze woeste en dorre vallei geen enkel
levend wezen, met uitzondering van eenige arme geiten, die zeer tegen
haar zin naar deze wildernis waren gevoerd.
"Deze vallei was inderdaad een passend tooneel voor het vreeselijk
drama, dat, omstreeks vierhonderd jaar geleden, hier werd opgevoerd,
en wel in de grot, die wij nu hoog boven ons aanschouwen, in de
Balme-Chapelu:--den moord der Waldenzen van Vallouise. Eene treurige
en jammerlijke geschiedenis is de hunne! Sedert meer dan driehonderd
jaren bewoonden zij deze afgelegen valleien, afgezonderd van de wereld,
in stilte arbeidende voor hun dagelijksch brood. De aartsbisschoppen
van Embrun hadden bij herhaling, maar te vergeefs, gepoogd, hen door
overreding in den schoot der kerk terug te brengen; anderen sloegen,
om dit doel te bereiken, een anderen weg in: zij begonnen hen te
vervolgen, te kwellen en te pijnigen, en eindigden met hen in massa
levend te verbranden. Zoo werden, op den 22sten Mei 1393, tachtig
personen uit de valleien van Freis-senières en van Argentière, en
honderdvijftig personen uit Vallouise te Embrun verbrand.
In het jaar 1488 beraamde Alberto Cattaneo, aarts-diaken van Cremona
en legaat van Paus Innocentius VIII, een algemeenen aanval tegen de
Waldenzen; maar door de Waldenzen van Piemont overal terug geslagen,
verliet hij hunne valleien, en trok den Mont-Genèvre over om de
Waldenzen van Dauphiné aan te tasten, die zwakker in aantal en meer
verspreid waren. Cattaneo verscheen in de vallei van de Durance, aan
het hoofd van een leger, dat, naar men zegt, half uit soldaten en
half uit vagebonden, dieven en moordenaars bestond; om deze lieden
tot zich te lokken en bijeen te houden, beloofde hij hun vooruit
kwijtschelding van al hunne misdaden, ontsloeg hen van de geloften
die zij mochten hebben afgelegd, en verzekerde hun het bezit van
alles wat zij met geweld verworven hadden.
"De bewoners van de Vallouise vluchtten op de nadering van dit
leger, tienmaal sterker dan hun aantal, en verscholen zich in deze
grot, waar zij een voorraad van levensmiddelen, voldoende voor twee
jaren, hadden bijeengebracht. Maar hun verbitterde vijand ontdekte
hunne schuilplaats. Cattaneo had in zijn leger een hoofdman, wiens
wreedheid wedijverde met zijne sluwheid: met behulp van touwen
liet hij zijne soldaten tot voor den ingang der grot zakken, waar
zij groote hoopen takkebossen in brand staken; de meeste Waldenzen,
die hier eene wijkplaats hadden gezocht, kwamen door het vuur en den
rook om; zij die aan de vlammen ontsnapten werden vermoord. Zonder
onderscheid van ouderdom of kunne, werden allen meedoogenloos om het
leven gebracht. Naar men zegt, verloren meer dan drieduizend menschen
bij deze gelegenheid het leven. Al wat in driehonderd-vijftig jaren
van vreedzamen arbeid was verkregen, werd met één slag vernietigd;
de vallei werd geheel ontvolkt. Ruim drie en een halve eeuw zijn
sedert verloopen; de vallei is ledig en woest gebleven.
"Na een poos bij eene kleine bron gerust te hebben, hervatten
wij onzen marsch tot wij bijna aan den voet van den gletscher van
Sapenière waren gekomen; daar sloegen wij, op aanwijzing van Sémiond,
rechts om, en begonnen de helling van den berg te bestijgen. Wij
klauterden naar boven, tusschen denneboomen en geweldige rotsblokken
door. De nacht naderde met rassche schreden; het was hoog tijd een
onderkomen te zoeken. Dit was trouwens niet moeilijk te vinden,
want wij bevonden ons te midden van een waren chaos van rotsen. Wij
besloten den nacht door te brengen onder een geweldigen steenklomp,
die meer dan vijftien ellen lang en zes ellen hoog was. De bodem word
schoon gemaakt, en hout bijeengezameld om vuur te kunnen maken.
"Dit bivouak is niet uit mijne herinnering geweken. Het vaatje wijn was
veilig en behouden tot hier gebracht; nu werd het open gestoken, en het
alles behalve smakelijke vocht scheen den Franschen wel te bevallen en
hunne levensgeesten op te wekken. Reynaud zong eenige fransche liedjes,
en ieder droeg verder het zijne bij tot de algemeene gezelligheid
door lied, verhaal of grap. Het was prachtig weer, en alles beloofde
voor morgen een fraaien dag. De vroolijkheid mijner gezellen steeg ten
top, toen ik een pakje rood bengaalsch vuur in de vlammen wierp. Het
effect dezer plotselinge verlichting was tooverachtig schoon; maar het
wondervolle schouwspel duurde slechts eenige sekonden: toen verzonken
de bergen rondom ons weer in hun plechtig geheimzinnig duister. Voor
en na schikte ieder van ons zich ter ruste; eindelijk wikkelde
ook ik mij in mijn reisdeken. Die voorzorg was haast niet noodig,
want de thermometer daalde niet lager dan veertig graden Fahrenheit,
hoewel wij ons op eene hoogte van minstens drie-en-twintig-honderd
el boven de zee bevonden.
"Om drie uur ontwaakten wij; echter gingen wij niet voor half vijf op
weg. Giraud behoefde niet verder mede te gaan dan tot deze rots; maar
op zijn verlangen, kreeg hij vergunning ons te mogen vergezellen. Met
frisschen moed de steilten beklimmende, hadden wij weldra de grens der
boomen bereikt; toen moesten wij gedurende twee uren voortklauteren
tusschen door elkaar geworpen rotsklompen. Kwart voor zeven uur hadden
wij een smallen gletscher--den Clos de l'Homme--bereikt, die van de
bovenste bergvlakte afdaalt, en kort daarna waren wij op de hoogte van
den gletscher van Sapenière. Wij trachtten eerst rechts af te houden,
in de hoop dat het niet noodig zou zijn den gletscher over te steken;
maar wij moesten telkens op onze schreden terugkeeren, en kwamen
weldra tot de overtuiging dat die tocht niet was te vermijden. De oude
Sémiond had een zeer sterken afkeer voor gletschers, en deed al het
mogelijke om deze gevaarlijke expeditie te voorkomen; maar Reynaud
en ik wilden die liever wagen, en Giraud sloot zich bij ons aan. De
gletscher was smal, niet veel breeder dan een steenworp, en het ging
gemakkelijk genoeg de zijde te beklimmen; maar het midden vormde een
steilen koepel, waarin wij gaten moesten hakken om onze voeten in te
zetten. Giraud ging aan de spits, zeggende dat hij zich oefenen wilde;
en onze bijl nemende, wilde hij die niet meer teruggeven. Dien dag,
en ook later, zoo dikwijls wij ons een weg moesten banen door kloven
en spleten met verharde sneeuw opgevuld,--hetgeen hooger op den berg
telkens het geval was--deed hij alleen al het werk, en wel op de
voortreffelijkste wijze.
"Nadat wij den gletscher waren overgestoken, voegde de oude Sémiond
zich weer bij ons. Wij klauterden nu, zigszagsgewijze, tegen eenige
met sneeuw bedekte hellingen op, en begonnen spoedig daarna de
schier eindelooze reeks van contreforten te bestijgen, die een der
kenmerkende trekken van den Pelvoux zijn. Op sommige punten zeer
steil, vormen zij over het geheel een stevigen en vasten grondslag, en
onder die omstandigheden is eene beklimming eigenlijk nooit moeilijk
te noemen. Tusschen die contreforten bevinden zich talrijke kloven
en ravijnen, somwijlen zeer breed en zeer diep. Voor het meerendeel
waren zij met steenen en puin gevuld, en zonder hulp zou het voor een
toerist alleen moeielijk zijn geweest, er door te komen. Zij die aan
de spits van onze kleine karavaan gingen, waren telkens genoodzaakt
steenklompen op zijde te duwen, en hunne makkers met hunne stokken te
hulp te komen. Intusschen brachten deze incidenten eenige afwisseling
in onzen tocht, die mij anders vrij vervelend zou hebben geschenen.
"Zoo klauterden wij tegen steilten, kloven en ravijnen op, telkens
geloovende het doel bereikt te hebben, dat ons gedurig ontweek. Wij
stonden aan den voet van een geweldig contrefort, omstreeks
vijf-en-zestig el hoog, en beschouwden nauwkeurig het bovenste gedeelte
dezer rotspyramide. Wij konden den top niet onderkennen; maar, naar
onze meening, moest zich toch achter deze lijn van bolwerken ergens
een top bevinden, en die top zou tevens wel de rand zijn van het
bergplateau, waarnaar wij zoo vurig verlangden. IJverig naar boven
klauterende, stonden wij straks op een top; maar, helaas! daarachter
zagen wij er nog een, en nog een, en dan nog een.... Eindelijk hadden
wij het hoogste toppunt bereikt; maar wij stonden wederom op een
contrefort, en moesten een vijftien of twintig el afdalen om dan weer
te klimmen. Deze oefening, eenige dozijnen malen herhaald, viel ons
des te moeielijker, omdat wij werkelijk niet meer wisten waar wij ons
eigenlijk bevonden. Sémiond sprak ons echter moed in: hij was zeker,
zeide hij, dat wij op den goeden weg waren. Wij begonnen dus met
frissche krachten onze verschrikkelijke vesting te bestormen.
"Het was bijna middag geworden, en wij waren nog altijd even ver van
den top van den Pelvoux, als toen wij onzen tocht begonnen. Eindelijk
stonden wij stil om te overleggen.
"Sémiond, oude jongen, weet gij waar wij nu zijn?
--O ja, zeker: op een half uur afstands van de sneeuw.
--Heel goed; dan maar voorwaarts."
"Een half uur verliep, daarna nog een, en er was nog niets veranderd:
allerwege bastions, contreforten, pyramiden, ravijnen, maar van het
plateau was niets te bespeuren. Sémiond wierp angstige blikken om
zich, alsof hij niet geheel zeker was van de richting, die wij volgen
moesten. Wij riepen hem aan, en nogmaals deed ik hem dezelfde vraag.
"Hoe ver zijn wij nu van het plateau?
--Een half uur, antwoordde hij.
--Maar dat hebt ge straks ook al gezegd: weet ge zeker dat wij op
den goeden weg zijn?
--Ja, dat geloof ik wel."
Hij geloofde het: dat was niet genoeg.
"Weet ge zeker dat wij rechtstreeks naar de piek des Arcines klimmen?
--De piek des Arcines! riep hij heel verwonderd, alsof hij die woorden
voor de eerste maal hoorde. De piek des Arcines! Neen! maar wij gaan
in rechte lijn naar de pyramide, naar de beroemde pyramide, die ik
den vermaarden kapitein Durand heb helpen oprichten, enz."
"Wij hadden een ganschen dag met hem over die piek gesproken, en nu
kwam het uit dat hij die zelfs niet kende. Ik keerde mij tot Reynaud,
die als verplet stond.
"Wat zegt hij? vroeg ik hem.
"Reynaud haalde de schouders op.
"Wij gaven Sémiond nog eens duidelijk te kennen wat wij begeerden,
en beduidden hem dat wij liever zouden terugkeeren, want dat wij ons
in het minst niet bekommerden om zijne pyramide.
"Na een uur gerust te hebben, begonnen wij dus weder af te dalen;
wij hadden bijna zeven uren noodig om onze rots te bereiken, waar wij
hadden overnacht; maar ik rekende den afstand niet, en weet mij niets
meer te herinneren van dien fatalen tocht. Nauwelijks waren wij beneden
gekomen, of wij deden eene ontdekking, die ons niet minder verraste,
dan het gezicht van een voetstap in het zand van zijn eiland eenmaal
Robinson verbaasde: nabij onzen uitgebranden vuurhaard lag een blauwe
sluier op den grond. Er was maar ééne verklaring van dit verschijnsel
mogelijk: Macdonald was gekomen; maar waar was hij dan? Haastig rapen
wij onze kleine bagage bijeen, en dalen, al tastende, in den donker,
door deze woestijn van steenen, naar Ailefroide, waar wij tegen half
tien aankomen.
"Waar is de engelsche heer?" dat was onze eerste vraag. Hij was naar
Ville gegaan om daar te overnachten.
"Wij behielpen ons voor dien nacht, zoo goed het ging, op een
hooizolder; en den volgenden morgen, na met Sémiond afgerekend te
hebben, daalden wij de vallei af om Macdonald op te zoeken. Ons
plan was reeds vastgesteld: wij zouden hem overreden met ons te
gaan, en dan zouden wij onzen tocht hervatten, maar nu zonder gids;
de sterkste en verstandigste mijner metgezellen zou dan als drager
dienst kunnen doen. Ik had daarbij bepaaldelijk aan Giraud gedacht,
een flinke kerel, altijd gereed om alles aan te vatten en toch zonder
eenige pretensie. Maar wij werden bitter teleurgesteld: hij moest
noodzakelijk naar Briançon gaan.
"Onderweg hadden wij allerlei oponthoud. De boeren, die wij
tegenkwamen, vroegen ons, hoe het met onzen tocht was afgeloopen, en de
beleefdheid vorderde dat wij stilhielden om te antwoorden. Intusschen
vreesde ik, dat Macdonald mij ontsnappen zou, want, naar men ons
mededeelde, zou hij niet langer dan tot tien uur op ons wachten,
en die termijn was welhaast verstreken. Wij liepen dus zoo hard wij
konden. Eindelijk stond ik op de brug te Ville, juist vijf kwartier
nadat wij Ailefroide verlaten hadden; hier hield een wegwerker mij
tegen, met het bericht dat de engelsche heer naar La Bessée was
vertrokken. Ik spoedde mij voort, en liep een poos haastig over
den weg, zonder hem te zien; maar eindelijk, bij het omslaan van
een nieuwen hoek, bespeurde ik Macdonald, met snellen tred voor mij
uitgaande. Ik riep hem aan; gelukkig hoorde hij mij, en wij keerden te
zamen naar Ville terug. Daar voorzagen wij ons van nieuwen voorraad;
en nog dien eigen middag stegen wij bergopwaarts tot voorbij de rots,
waar ik den vorigen keer had overnacht. Zooals ik gezegd heb, hadden
wij ons voorgenomen ditmaal geen gids te nemen; maar toen wij te La
Pisse kwamen, bood de oude Sémiond ons zijne diensten aan. Ondanks
zijne jaren, kon hij nog zeer goed loopen, en Macdonald was van
oordeel dat wij beter deden hem mede te nemen. Ik bood hem een vijfde
van zijne vroegere belooning, en hij nam zonder bedenken mijn aanbod
aan; maar ditmaal vervulde hij eene meer ondergeschikte betrekking:
wij zouden den weg wijzen, hij had slechts te volgen. Onze tweede
metgezel was een jonkman van zeven-en-twintig jaar, die ons weinig
reden tot tevredenheid gaf. Hij dronk den wijn van Reynaud, rookte
onze sigaren, en hield zeer kalm onze provisiën achter, toen wij half
dood waren van honger.
"Toen het avond geworden was, sloegen wij ons bivouak op, hoog boven
de grenslijn der boomen, zoodat wij het noodige hout op vrij grooten
afstand moesten gaan halen. De rots, die ons ditmaal tot schuilplaats
strekte, was daartoe veel minder geschikt dan die, waaronder ik den
eersten nacht had doorgebracht. Om eene geschikte plaats te kunnen
vinden, moesten wij eerst een zwaren steenklomp uit den weg ruimen;
aanvankelijk gelukte dit niet, maar eindelijk kwam er toch beweging
in den klomp, en begon hij te rollen, eerst langzaam, en toen al
sneller en sneller; eindelijk nam de steen zijn vaart, en stortte,
van rots tot rots springende, in de diepte neder. Telkens als hij
tegen een rotspunt sloeg, spatte er een regen van vonken omhoog,
die den somberen afgrond zonderling verlichtten. Lang nadat wij den
steenklomp uit het oog verloren hadden, hoorden wij hem nog van de
eene rots op de andere springen, tot hij eindelijk met een doffen slag
nederkwam op den gletscher. Toen wij naar ons bivouak terugkeerden,
vroeg Reynaud of wij nooit eene brandende beek hadden gezien. Volgens
zijn zeggen, voert de Durance, in de lente, als zij door het smelten
der sneeuw gezwollen is, zoo veel rotsblokken en steenen mede, dat
men te La Bessée, waar de bedding zeer smal is, geen water meer ziet,
maar alleen steenklompen, die over elkander voortrollen en met zooveel
geweld tegen elkaar botsen, dat geheele zwermen van vonken omhoog
spatten, alsof de beek zelve vlam had gevat.
"Wij brachten een vroolijken avond door; het was prachtig weder;
rustig op onzen rug liggende, genoten wij ten volle van de stilte om
ons heen, en verkwikten ons hart door den aanblik van den onmetelijken,
met fonkelende sterren bezaaiden hemel. Macdonald deelde mij zijne
reisavonturen mede. Dagen achtereen, had hij bijna dag en nacht
doorgewandeld om mij in te halen; maar hij had ons eerste bivouak
niet kunnen vinden, en had eenige honderden ellen van ons af, hooger
op den berg, onder eene andere rots overnacht. Den volgenden morgen
werd hij ons gewaar, terwijl wij, hoog boven hem, bezig waren tegen
eene steilte op te klauteren; maar daar hij ons toen onmogelijk kon
bereiken, onderwierp hij zich aan zijn lot, en bleef ons, met kloppend
hart, nastaren, tot eene kromming van de rots ons aan zijn oog onttrok.
De zware ademhaling onzer makkers, die in diepen slaap lagen gedompeld,
verbrak alleen de onuitsprekelijk plechtige, hartaangrijpende
stilte. Maar wat is dat? Luister! Wat beteekent dat onheilspellend
gerucht hoog boven ons? Ik hoor het weder, en duidelijker dan
straks;--het komt al nader en nader ... het is een rotsblok, dat van de
bergwanden boven ons is losgeraakt. Wat schrikwekkend gerucht! In een
oogwenk zijn wij allen op te been. Het rotsblok nadert met vreeselijk
geweld: wie kan het in zijn vernielende vaart tegenhouden? Het rolt
en springt en vliegt en stoot en botst tegen andere rotsen, dat de
stukken en splinters er afstuiven; brullende en loeiende ijlt het den
gapenden afgrond tegen. Goddank! het is ons voorbij gerold!... Neen,
daar is het weer.... Wij houden onzen adem in, als de steenklomp, door
eene onweerstaanbare kracht voortgeslingerd, met donderend geraas,
alsof eene gansche batterij nevens ons werd afgevuurd, pijlsnel, even
beneden ons bivouak, nederstort, gevolgd door een wolk van ratelende
steenen en kletterend gruis. Het is voorbij; en wij ademen vrijer,
als wij het gevaarte eindelijk op den gletscher, diep beneden ons,
hooren nederploffen.
"Wij keerden naar ons bivouak terug, maar ik was te opgewonden om
te kunnen slapen. Kwart over vieren nam ieder onzer zijn reiszak
weder ter hand, en hervatten wij onzen tocht. Ditmaal waren wij
overeengekomen, zooveel mogelijk rechts te houden, om zoodoende
het plateau te bereiken, zonder onzen tijd te verspillen met het
oversteken van den gletscher. Ik heb niet noodig nogmaals onzen
marsch te beschrijven: het zou slechts herhaling zijn van het
vroeger gezegde. Gedurende anderhalf uur klommen wij snel naar boven,
soms loopende, maar doorgaans met handen en voeten klauterende, om
eindelijk tot de overtuiging te komen, dat wij toch den gletscher
moesten oversteken. Ter plaatse waar wij nu den gletscher betraden,
was hij zeer steil en vol spleten en groote diepe gaten en kloven. De
grootste moeilijkheid was, den top te bereiken; maar met behulp van
ons touw, kwamen wij toch zonder ongeval aan de overzijde. Daar begon
op nieuw de oneindige reeks van contreforten en bolwerken. Uren lang
moesten wij onophoudelijk klimmen, waarbij wij ons dikwijls vergisten
en dan genoodzaakt waren weer af te dalen.
"Al klimmende, was de bergketen achter ons langzamerhand gedaald: over
de toppen heen, konden wij in de verte den majestueusen Monte-Viso
onderkennen. Inmiddels verliep de tijd: de uren volgden elkander
snel op, en nog altijd was er geene verandering te bespeuren. Om
twaalf uur hielden wij stil om te ontbijten, terwijl wij onze blikken
lieten dwalen over het indrukwekkende panorama, dat zich hier voor
ons uitbreidde: met uitzondering alleen van den Viso, waren alle
bergtoppen die wij konden zien lager dan de plek, waar wij ons
bevonden; wij overzagen eene onmetelijke ruimte, een oceaan van
bergspitsen, rotsen en sneeuw. Toch verhieven zich de bolwerken en
contreforten van den geweldigen berg nog altijd boven ons, en algemeen
hielden wij ons overtuigd, dat wij dien dag den top van den Pelvoux
niet zouden zien. De oude Sémiond was ons een voortdurende ergernis:
zoodra een van ons een oogenblik stilstond om zich te oriënteeren,
begon hij te lachen en zeide met domme zelfvoldoening: "Wees niet bang,
volg mij maar."
"Eindelijk kwamen wij aan eene steile glooiing, geheel met losse
steenen en blokken bedekt, die nergens een vast steunpunt voor den voet
aanboden, Reynaud en Macdonald klaagden over vermoeienis en stelden
voor, hier te blijven overnachten. Echter ontdekten wij een punt,
waar wij verder konden komen; en een onzer, ik weet niet meer wie,
riep eensklaps: "Kijkt eens naar den Viso!" En inderdaad scheen het,
of de berg beneden om lag. Wij begonnen dus weer met frisschen moed
te klauteren, en eindelijk zagen wij den kop van den gletscher, ter
plaatse waar hij van het hoogste plateau afdaalt. Dit gezicht vervulde
ons met nieuwe hoop, die ditmaal niet bedrogen werd; met een luiden
vreugdekreet begroetten wij de verschijning der zoo vurig begeerde
sneeuwvelden. Eene breede kloof gaapte nog tusschenbeiden, maar wij
ontdekten eene brug, en ons aan elkander vastbindende, trokken wij
in eene rij achter elkander veilig daarover heen. Terwijl wij ons op
die natuurlijke brug bevonden, verhief zich een fraaie, geheel met
sneeuw bedekte bergtop voor ons. De oude Sémiond riep eensklaps:
"De pyramide! Ik zie de pyramide!
--Waar dan, Sémiond, waar?
--Daar, op den top van dien berg."
"En waarlijk, daar stond de pyramide, die hij ruim dertig jaar geleden
mede had helpen oprichten. Maar waar is dan toch de piek des Arcines,
die wij moesten zien? Die was nergens te bespeuren. Wij zagen niets dan
eene uitgestrekte sneeuwvlakte, begrensd door drie lagere toppen. Een
weinig teleurgesteld en ontmoedigd, trokken wij voort naar de pyramide,
zeer spijtig dat wij geen anderen top konden beklimmen; maar nauwelijks
hadden wij tweehonderd schreden in die richting afgelegd, of daar
zagen wij aan onze linkerhand een prachtigen witten kegel, die tot
dusver door een sneeuwheuvel aan ons oog was onttrokken. "De piek des
Arcines!" riepen wij verrast uit, en vroegen tegelijk aan Sémiond
of die top ook, voor zoo ver hij wist, reeds vroeger was bestegen
geworden. Hij wist niets anders, dan dat die top daar voor ons de
Pyramide heette, en dat hij dertig jaar geleden, enz. enz.; ook wist
hij dat sedert dien tijd niemand dien top had beklommen.--"Dan is
alles in orde. Rechts-om-keert!" riep ik, en dadelijk wendden wij ons
rechts, en begaven ons naar den kegel, terwijl de arme Sémiond nog
eenige zwakke pogingen aanwendde om ons naar zijne geliefde pyramide
mede te troonen. Nauwelijks hadden wij een eind wegs afgelegd, of
wij stuitten tegen den rand van een smallen dam, die de beide toppen
verbond, en die een fraaien hollen boog vormde. Wij waren onzes ondanks
gedwongen, op onze schreden terug te keeren. Sémiond, die de rij sloot,
maakte zich los van het touw en weigerde verder mede te gaan; het was
te gevaarlijk, zeide hij en sprak van spleten en kloven. Wij bonden
hem weder vast, en hervatten onzen tocht. De sneeuw was zeer zacht,
wij zakten er altijd tot aan de knieën en somwijlen tot den gordel in;
maar eene fiksche beweging van voren naar achteren maakte ons telkens
weer vrij. Zoo kwamen wij aan den voet van de hoogste piek. Daar de
dam ter linkerhand ons beter en veiliger toescheen, dan die waarop
wij ons nu bevonden, beschreven wij een halven cirkel om dien dam te
bereiken. Ter hoogte van vijftig el onder den top, staken eenige rotsen
boven de sneeuw uit. Wij klauterden, al kruipende, daar tegen op, en
lieten onzen drager achter, die gansch niet op zijn gemak was. Toen
ik hem verliet, kon ik niet aan de verzoeking weerstaan, om hem te
wenken ons te volgen, en hem toe te roepen: "Wees niet bang, volg mij;"
maar hij luisterde daar niet naar en liet zich niet overhalen om den
top te beklimmen. De rotsen liepen uit op een korten ijsdam, dien wij
over moesten gaan, waarbij wij aan de eene zijde het plateau, aan de
andere een bijna loodrechten afgrond hadden. Macdonald hakte gaten
in het ijs; en ten kwart voor twee uur, drukten wij elkander de hand
op den hoogston top van den grooten Pelvoux, nu eindelijk gewonnen.
"Het weder was ons voortdurend zoo gunstig mogelijk geweest. Van verre
en nabij verhieven zich tallooze spitsen en toppen in de heldere lucht,
terwijl geen enkel wolkje het alom stralende licht verduisterde. In
de eerste plaats werden onze blikken geboeid door den koning der
Alpen, door den Mont-Blanc, ruim zeventig mijlen van ons verwijderd;
verder op vertoonde zich de groep van den Mont-Rose. Oostwaarts
verhieven zich lange reeksen van onbekende bergtoppen, stralende in
weergaloozen glans; hun toon werd al flauwer en flauwer, toch behielden
zij al de zuiverheid en scherpte hunner lijnen en omtrekken; maar het
schemerende oog kon eindelijk de bergen niet meer van den eindeloozen
hemel onderscheiden, en aan den verren, verren horizon smolten zij
weg in zachte, blauwe tinten. De Monte-Viso stond daar voor ons in al
zijne grootheid; maar, daar hij nauwelijks veertig mijlen verwijderd
was, konden wij, over zijne rotsmuren heen, eene nevelachtige massa
onderscheiden: dat moest de vlakte van Piemont zijn. Die blauwe
nevel ten zuiden mocht wel de verre Middellandsche-zee zijn; ten
westen zagen wij tot aan gene zijde der bergen van Auvergne. In bijna
alle richtingen overschouwden wij dus hier een panorama van meer dan
honderd mijlen afstands. Niet zonder moeite wendden wij onze blikken
van deze verwijderde punten af, om acht te geven op hetgeen meer
in onze nabijheid was. Mont-Dauphin was zeer duidelijk zichtbaar;
maar wij hadden eenige moeite om La Bessée te ontdekken; geene andere
menschelijke woning was van hier te bespeuren; alles was rots, sneeuw
of ijs. Wij wisten dat de sneeuwvelden van Dauphiné zeer uitgestrekt
waren, maar zoo groot en wijd uitgestrekt als ze nu bleken te zijn,
hadden wij ze ons toch nooit voorgesteld.
"Onmiddellijk ten zuiden van Château-Queyras, bijna tusschen ons en
den Viso, verhief zich een prachtige berggroep van zeer aanzienlijke
hoogte. Een weinig meer zuidwaarts verrees een andere, onbekende top,
schijnbaar nog hooger; en niet zonder verwondering ontdekten wij in
onze nabijheid nog een anderen berg, die den top waarop wij stonden
in hoogte overtrof. Althans dit kwam mij zoo voor; Macdonald hield
echter dien berg voor lager dan de Pelvoux, en Reynaud dacht dat hij
omstreeks even hoog was.
"Deze berg was niet meer dan twee mijlen van ons verwijderd; tusschen
hem en ons gaapte een vreeselijke afgrond, waarvan wij den bodem niet
konden zien. Aan de overzijde van dezen afgrond verrees een kolossale
piek, met loodrechte wanden, zoo steil, dat de sneeuw er niet op kon
blijven liggen, zwart als de nacht, vol uitstekende scherpe punten,
en uitloopende in een smallen, spitsen top. Wij wisten niet, welke
berg dat was, daar wij die streek niet hadden bezocht. Naar onze
meening, moest La Bérarde beneden in den afgrond liggen, die zich
voor onze voeten opende; maar inderdaad lag dit dorp aan gene zijde
van dien anderen berg, die ons naderhand bleek de hoogste top van
de geheele groep te zijn, op de fransche kaarten aangeduid als de
Pointe des Ecrins. Van La Bessée of Vallouise is deze top echter
geheel onzichtbaar en verborgen achter den Pelvoux.
"Eindelijk maakten wij ons gereed om af te dalen en terug te keeren
naar Sémiond, dien wij bij de rotsen hadden achtergelaten. Ik liet
sneeuw smelten, en maakte het water aan de kook om thee te zetten. Na
een sigaar gerookt te hebben, zagen wij dat het tien minuten over
drieën was, en mitsdien hoog tijd om de reis te hervatten. De tocht
door de sneeuw duurde vijf-en-twintig minuten; wij moesten ons eenige
inspanning getroosten en gleden telkens uit; toen begonnen wij,
omstreeks vier uur, langs de rotsen af te klimmen. Om acht uur zou het
volslagen duister zijn; wij hadden dus geen oogenblik te verliezen en
gunden ons geen rust. Dit gedeelte van den tocht onderscheidde zich
door niets bijzonders. Wij hielden ons dicht bij den gletscher, dien
wij op dezelfde plaats als des morgens overstaken. Het verlaten van den
gletscher was ruim zoo moeilijk en zoo gevaarlijk als de overtocht. De
oude Sémiond had zonder ongeval de bezwaarlijke operatie volbracht;
ook Reynaud; maar Macdonald, die hen volgde, gleed uit terwijl hij
een groot ijsblok trachtte te beklimmen; ware hij niet stevig aan
het touw vastgebonden geweest, dan zou hij onmiddellijk in een diepe
kloof verdwenen zijn.
"Toen wij eindelijk allen weer op vasten bodem stonden, was het
bijna geheel duister geworden; maar toch voedde ik nog de hoop,
dat wij vóór den nacht onze rots zouden bereiken, om daar te kunnen
overnachten. Macdonald was daaromtrent minder gerust; en hij had
gelijk, want in het eind waren wij geheel aan het dwalen, en zwierven
een uur lang doelloos rond, terwijl Reynaud en Sémiond voortdurend
met elkander twistten. Daar wij niet verder konden dalen, moesten wij,
tot onze groote ergernis, blijven waar wij waren.
"Wij bevonden ons op eene hoogte van ruim drieduizend-vijfhonderd
el; en wanneer het ging sneeuwen of regenen, zoo als de wolken,
die zich om den Pelvoux samenpakten, en de opstekende wind schenen
te voorspellen, dan kon onze toestand vrij onpleizierig worden. Daar
wij sedert drie uren in den morgen bijna niets gegeten hadden, begon
de honger ons te kwellen; en het ruischen eener naburige beek, die
wij echter niet konden zien, verdubbelde onzen dorst, Sémiond wilde
water uit die beek gaan scheppen; het gelukte hem inderdaad haar te
bereiken, maar nu kon hij niet meer naar ons terugkeeren; om hem in
zijne gedwongene afzondering te troosten, riepen wij hem van tijd
tot tijd in den donker toe.
"Men zou moeilijk een minder geschikte plaats kunnen bedenken om den
nacht onder den blooten hemel door te brengen: de plek was geheel open
en onbeschut. Ons bivouak lag geheel bloot voor den ijskouden wind, die
van oogenblik tot oogenblik aanwakkerde; daarbij ontbrak het geheel aan
ruimte om ons door heen en weder te loopen eenigermate te verwarmen. De
grond was bedekt met steenen en gruis, die wij moesten wegruimen,
alvorens wij konden gaan zitten om te rusten. Deze gedwongen arbeid,
die ons aanvankelijk zuur genoeg viel, had althans dit voordeel,
dat ons bloed in beweging bleef en wij dus minder last van de koude
hadden. Na met dit wegruimen van steenen zoo wat een uur bezig te zijn
geweest, had ik althans een vrij terrein van ongeveer drie el lengte
verkregen, waar ik op en neder loopen kon. Reynaud maakte zich eerst
boos, en schold op den drager, naar wiens raadgevingen meer dan naar
de zijne geluisterd was; toen stelde hij zich aan als een wanhopige,
maakte allerlei heftige gebaren, wrong zich de handen en jammerde
luide: "O ramp, o ramp! Die ellendelingen!"
"Het duurde niet lang of het begon te donderen; zonder ophouden rolde
de donder en flikkerden de bliksemstralen tusschen de bergtoppen rondom
ons; de wind, die de temperatuur tot bijna op nul had doen dalen,
drong verstijvend door tot op ons gebeente. Huiverend zaten wij daar
bijeen, en onderzochten onzen voorraad. Wij hadden nog zes en een halve
sigaar, twee doosjes lucifers, een derde pint brandewijn met water,
en een halve pint wijngeest: een schrale voorraad voor drie toeristen,
die half dood waren van honger en koude, en die nog zeven uren moesten
wachten eer de dag aanbrak. De lamp met wijngeest werd aangestoken,
en wij warmden daarop het overschot van den wijngeest, den brandewijn
en een weinig sneeuw, alles te zamen. De drank was wel wat al te sterk;
maar toch zouden wij er gaarne meer van hebben gehad. Toen de voorraad
opgedronken was, poogde Macdonald zijn schoenen te drogen bij de vlam
van de lamp; daarop gingen wij alle drie onder mijn plaid liggen,
om zoo mogelijk wat te rusten. Ongelukkig werd Reynaud geplaagd door
eene vreeselijke kiespijn, die er juist niet toe bijdroeg om hem in
zijn humeur te brengen en ons een rustigen nacht te verzekeren.
"Maar zelfs aan de langste nachten komt toch een einde, en ook deze
ging voorbij als alle andere. In vijf kwartier volbrachten wij des
morgens den tocht bergafwaarts naar onze rots, waar wij onzen drager
vonden, schijnbaar zeer verbaasd over onze afwezigheid. Volgens
zijn zeggen had hij een groot vuur aangelegd om ons bij het afdalen
van dienst te zijn, en had hij den geheelen nacht door van tijd tot
tijd geroepen om ons te waarschuwen. Wij hadden niets van zijn vuur
bemerkt, noch zijn roepen gehoord. Hij beweerde dat wij er uitzagen
als spoken. Wat wonder! dit was de vierde nacht, dien wij in de open
lucht doorbrachten.
"Wij verfrischten ons zoo goed wij konden, en reinigden ons, wat
hoog noodig was. De bewoners dezer valleien hebben altijd eene
menigte van die kleine insecten bij zich, wier vlugheid wedijvert
met hun aantal en hunne gulzigheid. Het is gevaarlijk, die lieden
te dicht te naderen: men moet daarbij steeds letten op den wind en
zorgen dien in zijn voordeel te houden. Ondanks al deze voorzorgen,
liepen wij toch soms gevaar, binnen weinige oogenblikken levend
verslonden te worden. Trouwens, wij allen konden hoogstens rekenen op
een kortstondigen wapenstilstand in dezen noodlottigen krijg, want
de herbergen wemelen van dit gedierte, niet minder dan de huid der
inlanders. De plaatselijke traditie weet zelfs te verhalen van een al
te zorgeloos reiziger, die door een leger dezer gulzige folteraars uit
zijn bed werd gelicht! Maar dit feit eischt nadere bevestiging. Nog
een enkel woord, en ik stap van dit misselijk onderwerp af. Toen
wij, na ons gewasschen te hebben, bij ons gezelschap terugkeerden,
waren de Franschen onderling in gesprek. "O, zeide de oude Sémiond,
wat de vlooien betreft, maak ik er geen aanspraak op, anders te zijn
dan de anderen: ik heb er althans geen gebrek aan!" Ditmaal voor
't minst sprak hij stellig de waarheid.
"Wij daalden op ons gemak naar Ville af, waar wij eenige dagen
vertoefden en ons zoo goed mogelijk vermaakten, onder anderen
ook door het balspel, waarbij de dorpelingen ons altijd de baas
waren. Eindelijk, na een pleizierigen tijd hier in het schilderachtige
vlek te hebben doorgebracht, moesten wij van elkander afscheid nemen:
ik ging zuidwaarts naar den Monte-Viso, terwijl Macdonald naar
Briançon vertrok.
"De beklimming van den Pelvoux biedt weinig afwisseling aan: uit
mijn verhaal zelf is dit zeker duidelijk genoeg gebleken; toch durf
ik die beklimming aan de toeristen aanbevelen, ter wille van het
heerlijk uitzicht op den top. Met uitzondering alleen van den Viso,
die in dat opzicht geen wedergade heeft, zou ik geen anderen berg van
aanmerkelijke hoogte kunnen noemen, die een zoo volledig panorama van
de westelijke Alpen te aanschouwen geeft als de Pelvoux. Trouwens,
een blik op de kaart maakt dit van zelf begrijpelijk.
"Zeker was het, in zekeren zin, voor ons eene voldoening geweest,
te hebben ontdekt dat de piek, onder den naam van de Pointe des
Écrins bekend, een op zich zelven staande berg is, afgescheiden
van den Mont-Pelvoux, en niet diens hoogste top;--maar toch had die
ontdekking ons ook zekere teleurstelling gebaard.
"Naar La Bessée afdalende, verwarden wij ten onrechte deze piek met
den bergtop, dien men, van dit punt, tor linkerzijde van den Pelvoux
aanschouwt. De beide bergen gelijken zeer veel op elkander, zoodat
eene vergissing licht mogelijk is. Hoewel deze berg aanmerkelijk
hooger is dan de Wetterhorn of de Monte-Viso, voert hij toch geen
bijzonderen naam: wij noemden hem Piek-zonder-Naam.
"Het is bijna niet te onderstellen dat de ingenieurs eenige dagen
op den top der Pyramide zullen hebben vertoefd, zonder een bezoek
te brengen aan den anderen hoogeren top. Indien zij daar werkelijk
geweest zijn, dan is het echter minstens zonderling dat zij geen enkel
spoor van hunne tegenwoordigheid hebben achtergelaten. De landlieden,
die hen op hun tocht vergezeld hadden, verzekerden ons dat zij niet
van den eenen top naar den anderen waren gegaan; wij maakten daarom in
den beginne aanspraak op de eer der eerste beklimming van den hoogsten
top. Maar sedert is het mij gebleken, dat de heer Puiseux vóór ons
dien top bestegen had. De kwestie van prioriteit is van zeer weinig
belang; onze tocht had voor ons al het aantrekkelijke eener eerste
beklimming; en ik herinner mij deze eerste ernstige expeditie in het
gebergte met meer voldoening en niet minder genot dan eenige andere,
waarvan dit boek het verhaal bevat."
Na den Monte-Viso bezocht te hebben, ging de heer Whymper naar Abries,
en van daar naar Veran en Molines, bij welk laatste dorp hij eene
afbeelding maakte van de zonderlinge naalden, onder den naam van
de Gekapte-Zuilen bekend. Die naalden of obelisken, geologisch van
dezelfde formatie als de bergwanden, zijn ongelijk van hoogte en
omvang; de grootste, aan den oever der beek oprijzende, is meer dan
twaalf ellen hoog; de anderen, op een rij naast elkander staande,
nemen regelmatig in hoogte af naarmate zij den berg naderen. Op den
top van elk dezer obelisken (eene enkele uitgezonderd) ligt een blok
serpentijnsteen, dat ongetwijfeld van den top des bergs is afgerold:
dit geeft haar het voorkomen of zij eene muts of hoed op hadden:--van
daar haar naam. Ongetwijfeld is de voet van den berg door het water
uitgehold en weggevoerd; deze naalden, die zijn blijven staan, wijzen
de hoogte aan, waarop vroeger de bodem der vallei lag.
Het spreekt van zelf, dat wij den heer Whymper niet op al zijne
tochten volgen kunnen: wij zouden dan de ons gestelde perken zeer
verre moeten overschrijden. Wij zullen hem later zijn vreeselijke
beklimming van den Matterhorn laten verhalen; voor ditmaal ontleenen
wij aan zijn boek nog enkele schetsen, in verband met de teekeningen,
die deze bladen versieren. Begeven wij ons dus in de eerste plaats
naar den col de Pilatte, tusschen Vallouise en La Bérarde.
"Gedurende onze opstijging hakte Croz (de gids), met onvermoeiden
ijver, voortdurend gaten in de sneeuw om onze voeten daarin te zetten;
kwart voor elven hadden wij den top van den col (bergpas) bereikt,
en stelden ons voor, hier geruimen tijd uit te rusten; maar juist
op het oogenblik toen wij daar aankwamen, daalde een dichte nevel,
die boven om den top zweefde, eensklaps neder en belette ons ieder
uitzicht aan de noordzijde. Met uitzondering van Croz had niemand
onzer den tijd gehad, om na te gaan hoe wij weder naar beneden moesten
komen; wij oordeelden het daarom raadzaam aanstonds neer te dalen,
eer de herinnering aan het waargenomene misschien ook bij hem zou
zijn verflauwd. Ik kan dus niets van den col zelven zeggen, dan alleen
dat hij juist ten oosten van den berg Bans ligt, en dat zijne hoogte
ongeveer drie-duizend-zeven-honderd-vijftig el bedraagt. Het is de
hoogste bergpas van Dauphiné. Wij noemden hem den col de Pilatte.
"Wij begonnen af te dalen naar den gletscher van Pilatte, langs eene
glooiing van glad ijs, die, volgens de waarnemingen van den heer Moore,
een hoek maakte van vier-en-vijftig graden! Croz liep steeds vooruit,
en wij volgden hem met tusschenruimten van ongeveer vijf el; wij waren
allen met een touw aan elkander vastgebonden, en Almer (mede een gids)
sloot den trein: niet de meest benijdenswaardige positie! De afstand
tusschen de beide gidsen bedroeg dus ongeveer vijf-en-dertig el. De
nevel verborg hen voor elkanders oogen; en wij zelven zagen hen als
twee schimmen, maar flauwelijk kenbaar. Maar wij allen konden hooren
dat Croz onder ons gaten in het ijs hakte; van tijd tot tijd drong
zijne luide stem door den nevel heen:
--"Past op dat gij niet uitglijdt, mijne heeren; zet uwe voeten goed;
gaat niet vooruit, zoo lang gij geen vast steunpunt gevonden hebt."
"Zoo gingen wij drie kwartier al dalende voort. Eensklaps hield de
bijl van Croz op.
"Wat is er Croz?
--Een bergschrund, mijne heeren.
--Kunnen wij er overkomen?
--Ik weet het nog niet; ik geloof dat wij een sprong zullen moeten
wagen."
"Juist terwijl hij met ons sprak, dreven de wolken links en rechts
uiteen: het effect was aangrijpend. Het was inderdaad iets als een
coup de théatre, om ons voor te bereiden op den grooten luchtsprong,
die zoo aanstonds door het gansche gezelschap zou worden uitgevoerd.
"Eene onbekende oorzaak, waarschijnlijk de eigenaardige vorm of
schikking der rotsen beneden ons, had den geweldigen ijsdam, langs
welken wij afdaalden, in tweeën gespleten; zoo ver het oog reikte,
strekte zich ter wederzijde een diepe kloof uit. Met andere woorden:
een wijde scheur scheidde het bovenste gedeelte van den ijsklomp,
waarop wij stonden, van het onderste stuk beneden ons. Wie, om voort
te kunnen gaan, gaten voor zijne voeten moet hakken in eene hellende
ijsvlakte met een hoek van vier-en-vijftig graden, heeft niet veel
tijd of lust om naar een gemakkelijken weg te gaan zoeken: er schoot
niets anders over, dan op het punt zelf waarop wij ons bevonden,
en wel zonder uitstel, den sprong over den afgrond te wagen.
"Wij moesten niet alleen van eene hoogte van vijf el springen, maar ook
dien sprong zoo nemen, dat wij tusschen de twee en drie el voorwaarts
sprongen. Dat is niet veel, zal men misschien zeggen. Zeker, dat is
niet veel; maar de eigenaardige aard van den sprong verontrustte ons
vrij wat meer dan de afstand. Wij moesten juist terecht komen op een
vrij smallen ijsdam; sprongen wij te ver, dan zouden wij onfeilbaar
naar beneden rollen in den afgrond; sprongen wij te kort, dan vielen
wij in de gapende kloof, die hoewel aan den ingang gedeeltelijk met
ijs en sneeuw gevuld, toch meer dan overvloedige gelegenheid aanbood
om te verongelukken.
"Croz maakte eerst Walker los, ten einde eene voldoende lengte touw
vrij te hebben; toen waarschuwde hij ons, het touw stevig vast te
houden, en sprong naar beneden. Hij kwam behendig op zijne voeten
terecht, maakte het touw los, en wierp het Walker toe, die zijn
voorbeeld volgde. Nu was de beurt aan mij. Ik trad vooruit tot
aan den uitersten rand:--de sekonde, die toen volgde, zal ik nooit
vergeten. Ik had een gevoel, alsof de wereld met duizelingwekkende
snelheid ronddraaide, en mijn maag haar navloog. Het volgende oogenblik
lag ik plat voorover in de sneeuw; om mijn vriend Reynaud echter
gerust te stellen, richtte ik mij haastig op, en verzekerde hem dat
het niets te beteekenen had.
"Hij naderde den rand en gaf een luiden kreet. Ik ben overtuigd,
dat hij niet banger was dan iemand onzer, maar hij maakte veel meer
beweging. Hij wrong de handen roepende: "O, hoe vreeselijk! hoe
vreeselijk!
--Het beteekent niets, Reynaud, riep ik hem toe, niets hoegenaamd.
--Kom, spring, riepen ook de anderen;--spring dan toch!"
"Maar in plaats van te springen, begon Reynaud zich om en om te
draaien, voor zoover dat op den gladden ijsdam mogelijk was; toen
sloeg hij zijne handen voor het gelaat, roepende:
"Neen, op mijn woord, neen! neen!! neen!!! dat is onmogelijk!"
"Wat er toen eigenlijk met hem gebeurd is, weet ik niet. Wij zagen
de punt van een voet, die aan Moore scheen te behooren; daarop zagen
wij Reynaud, in een vogel veranderd, en tot ons nederzwevende, alsof
hij kopje onder in het water wilde springen; met uitgestrekte armen
en beenen; zijn schapenbout achter hem aanzwevende, terwijl hem de
stok uit de handen ontglipte; dat duurde een oogenblik:--daarop
hoorden wij een doffen slag, alsof er een matras uit een venster
werd geworpen. Toen wij hem weer op de been hadden geholpen, zag hij
er allerbeklagelijkst uit: zijn hoofd geleek een grooten sneeuwbal;
de brandewijn liep aan de eene zijde uit zijn reiszak, de chartreuse
[1] aan de andere. Hoezeer wij hem om dit verlies beklaagden, konden
wij toch ons lachen niet bedwingen."
Eenige dagen te voren, bij de even moeilijke als gevaarlijke bestijging
van de Pointe des Écrins, had de gids Almer zijne vermetelheid bijna
met den dood bekocht. Hij had zich van het touw losgemaakt, en wilde
beproeven, geheel alleen den top te bereiken. Terwijl hij over een
smallen dam ging, deels uit sneeuw, deels uit rots bestaande, brokkelde
de sneeuw onder hem in den afgrond weg: hij wankelde een oogenblik,
terwijl hij zich staande trachtte te houden op het gedeelte dat nog
vast scheen. "Ik dacht niet anders, dan dat hij verloren was," zegt
de heer Whymper.
"Gelukkig viel hij naar de rechterzijde, en gelukte het hem een
vast steunpunt te vinden. Indien hij, in plaats van den linker,
den rechter voet op de brug van sneeuw had gezet, zou hij in eene
diepte van ruim honderd el zijn neergestort, en hij zou zich niet
aan de rotsen hebben kunnen vastklemmen, voor hij op den gletscher,
duizend el onder ons, ware terecht gekomen."
In datzelfde jaar, namelijk in 1864, trok de heer Whymper, in
gezelschap van den heer Moore, met de gidsen Almer en Croz, voor
het eerst over den bergpas van Moming, tusschen Zinal en Zermatt. De
opklimming was uiterst bezwaarlijk en vol gevaar geweest. Om de rotsen,
die alleen den toegang tot den pas mogelijk maakten, te bereiken,
waren de toeristen verplicht geweest eene zeer steil hellende ijsvlakte
over te trekken; zij hadden daarbij gaten in het ijs moeten hakken,
vlak naast en onder reusachtige spitsen en naalden, die op het punt
stonden van in te storten, en die ook werkelijk neervielen, vijf
minuten nadat Almer, de laatste van het gezelschap, was overgegaan.
"Eindelijk, zoo verhaalt onze toerist, kwamen wij aan het dal
tusschen den Rothhorn en den Schallhorn; deze col ligt ter hoogte
van omstreeks acht-en-dertig honderd el. Wij waren met zeer veel
moeite naar boven geklommen, over allerlei soort van sneeuw, en te
midden van voortdurenden nevel, die ons nu eens aan de nevelen van
Schotland, dan aan een londenschen mist deed denken. Een steile muur
van ijs vormde de helling van den top, die naar Zinal gekeerd is. Maar
wij konden onmogelijk ontdekken of de andere helling, waarlangs wij
moesten afdalen, even zoo gevormd was, want dat deel van den berg
was voor ons geheel onzichtbaar door een geweldigen sneeuwklomp,
dien de westenwind boven den top had opgestapeld, en die nu hoog
boven Zermatt zweefde, niet ongelijk aan eene reusachtige zeegolf,
bevrozen juist op het oogenblik der kentering.
"Stevig aan het touw gebonden en vastgehouden door zijne drie makkers,
die op de helling aan de zijde van Zinal gebleven waren, begon Croz
uit alle macht met zijn bijl op dien sneeuwklomp te hakken, en hieuw
werkelijk de bevroren sneeuw af, tot hij eindelijk op het vaste ijs
stuitte; toen sprong hij kloekmoedig in den pas, en riep ons toe hem
te volgen.
"Wij waren gelukkig, dat wij een zoo onverschrokken man tot gids
hadden. Met een minder bekwamen en minder onversaagden gids zouden
wij waarschijnlijk geaarzeld hebben, de afdaling te ondernemen bij
zoo sterken nevel; ook Croz zelf zou vermoedelijk hier hebben stil
gehouden, als hij niet zoo buitengewoon krachtig en gespierd van
lichaamsbouw was geweest. Hij bracht zijne eigene woorden in praktijk:
"Waar vaste sneeuw is, kan men altijd loopen; waar ijs is, kan men
zich een weg banen, door gaten te hakken; dat komt eenvoudig aan op
lichaamskracht; ik bezit die kracht: al wat gij te doen hebt, is dit
eene:--mij te volgen." Men moet erkennen, dat hij zich niet spaarde;
als hij in een theater de schier ongeloofelijke dingen had verricht,
waarvan wij dien dag getuigen waren, dan zou de zaal gedaverd hebben
van toejuichingen."
Het volgende jaar (1865) beklom de heer Whymper de Dent-Blanche
(3464 el), die voor den eersten keer, op den 18den Juli 1862,
was bestegen door de heeren Kennedy en Wigram, met de gidsen Croz
en Kronig. Whymper volgde evenwel niet denzelfden weg, maar gaf
de voorkeur aan den zuidwestelijken rug; de grootste moeilijkheid,
die hij ondervond, was de overtocht over den bergschrund. Hij moest
tot eene hoogte van vierduizend el opklimmen, eer hij een brug van
sneeuw vond, waarop hij die spleet kon oversteken.
Op den col Dolent, dien Whymper in 1865 overtrok, om van Cormayeur
naar Chamonix te gaan, langs een korteren weg dan dien over den col
du Géant, had hij noch met een bergschrund, noch met een sneeuwbrug te
kampen, maar daarentegen vond hij hier een ijsmuur van vierhonderd el,
met een helling van vijftig graden, waarlangs hij moest afdalen. Croz,
die vooruit liep, vastgebonden aan een touw van manilla, hakte,
gedurende twee uren achtereen, gaten in dien muur, en was toen toch
nog tot slechts zestig el beneden den pas gedaald. Biener en Almer,
die het touw vasthielden, konden met hun beiden maar even op den rand
van den ijsklomp staan. Biener liet zich toen, met behulp van het
touw, tot bij Croz afzakken; en de heer Whymper, die tot dusver op
de andere zijde had moeten blijven, kon nu naast Almer komen staan
en op zijne beurt den zeer comfortabelen weg aanschouwen, dien hij
had ontdekt. Zeven uren achtereen waren de drie gidsen bezig met
gaten in het ijs te hakken, eer men den gletscher van Argentière,
die aan den voet van dezen ijsmuur ligt, kon bereiken. Gelukkig liep
deze roekeloos gevaarlijke onderneming zonder ongelukken af, en kon
de heer Whymper ongestoord zijn triomf genieten.
(Wordt vervolgd.)
De Merinos in Spanje.
De reiziger, die in de lente of den herfst de wijd uitgestrekte en
vaak zoo eenzame en eentonige vlakten van centraal Spanje doorkruist,
ontmoet dikwijls op zijn weg groote kudden schapen, die door hun
lange witte wol de aandacht van den vreemdeling trekken. De kudden
worden geleid en bestuurd door een aantal gewapende mannen, deels
te voet, deels te paard, die op het eerste gezicht meer op roovers
dan op herders gelijken. Voorts behooren nog tot de kudde een zeker
aantal muildieren, met allerlei zaken beladen, en eene menigte groote
honden, wier muil met scherpe tanden is gewapend. Die schapen zijn
de beroemde merinos, wier wol vroeger aan Spanje zoo veel millioenen
piasters heeft opgebracht, toen men zich in het overige Europa bijna
niet op de schapenfokkerij toelegde, waaraan in Spanje destijds zoo
groote zorg werd gewijd.
De merinos slapen nooit onder een dak: zij brengen hun leven door
in de open lucht. Zij veranderen alleen van weidegrond, en trekken
van het noorden naar het zuiden of van het zuiden naar het noorden,
van de sierra naar den campo of van den campo naar de sierra, naar
gelang van den tijd des jaars.
Zulk eene kudde merinos, met haar herders en haar honden, is bijna
een kleine staat op zichzelven. Want men bedenke wel, dat zulk eene
kudde, als algemeene regel en behoudens enkele uitzonderingen, uit
niet minder dan tienduizend stuks bestaat.
De opperste herder of mayoral heeft vijftig ondergeschikte herders
onder zijne bevelen: dit is dus één man voor elke tweehonderd
schapen. Elk dezer herders heeft zijn eigen hond, zoowel om op de
schapen te passen als om ze te verdedigen, want de wolven zijn verre
van zeldzaam in de spaansche sierras. Deze honden, die den strijd
tegen de wilde dieren niet moeten duchten, zijn groot van gestalte
en sterk van bouw en spieren. Zij behooren tot een bijzonder ras,
dat zich door eene groote mate van verstand, vatbaarheid en ijver
onderscheidt. Zij zijn bijna even groot als wolven en zeer goed tegen
die vijanden opgewassen; om hun echter de overwinning gemakkelijker te
maken, dragen zij nog een ijzeren halsband met lange scherpe punten,
die een geducht wapen is.
De herders zijn, evenals hun honden, een eigenaardig ras van
menschen. Echte nomaden, keeren zij maar zelden en dan slechts
voor weinige dagen, ja somwijlen nimmer, naar hunne eigenlijke
woonplaats terug. Gedurende het grootste gedeelte des jaars op reis,
slijten zij hun leven in een tent of in armelijke hutten van takken,
leem of gedroogde steenen. Met hun door de zon gebruind gelaat,
hun woest voorkomen, maken deze krachtige, forsch gespierde mannen
een zeer eigenaardigen indruk. Hunne kleeding bestaat uit slopkousen
van geitenvel, een korten broek, een hemd, een vuil vest van bruin
leder, waarover zij dikwijls een buis zonder mouwen van merino-wol
dragen. Hunne met vodden omwikkelde voeten steken in lompe schoenen;
somwijlen bestaat hun eenig schoeisel uit ruwe sandalen; op hun
kroesharig hoofd, dat nimmer met een kam in aanraking komt, dragen zij
een groven vilten hoed; over hun schouders hangt een schilderachtige
mantel, hetzij van versleten laken, hetzij van rijststroo. Deze
wilde, ruwe, maar dappere en eerlijke herders zijn gewapend met een
vuursteengeweer van buitengewone lengte, en met een sterken doornstok.
De ouder-herders gaan bijna altijd te voet; de mayoral zit steeds
te paard, vergezeld en gevolgd door muilezels, die het benoodigde
dragen, zooals levensmiddelen, zout voor de merinos, tenten en
keukengereedschap. De mayoral geniet eene jaarlijksche belooning
van tusschen de zes- en zevenduizend gulden; de ondergeschikten
verdienen in den regel niet meer dan twee- of driehonderd gulden;
hun dagelijksch rantsoen bestaat uit twee pond brood; de hond krijgt
evenveel, maar zijn brood is van minder gehalte.
De merinos, aldus genoemd naar een spaansch woord, dat zwerven
beteekent, zijn van middelbare grootte, met een kleinen kop en fijn
gevormde pooten. Hunne wol, die gewasschen zijnde helder wit is,
maar er doorgaans zeer vuil en besmoezeld uitziet, doet hen veel
grooter schijnen dan zij inderdaad zijn: die wol is somwijlen een voet
lang, licht gekruld, en hangt bijna tot op den grond. Overigens is de
merino-wol niet meer zoo veel waard als vroeger; zij doet tegenwoordig
in fijnheid voor andere soorten, met name voor de saksische wol,
onder. Dit neemt niet weg, dat nog altijd in Spanje kudden schapen
worden gevonden, welker wol door geene andere overtroffen wordt. Maar
men geeft zich geene moeite om het ras te veredelen, en houdt zich
over het algemeen, ook in de wijze van behandeling der schapen en de
bereiding der wol, te veel aan den ouden sleur.
De provincie Segovia, langs de noordelijke helling van de sierra van
Guadarrama, in Oud-Castilië, wordt over het algemeen als de gunstigste
en meest geschikte streek voor de schapenfokkerij beschouwd. Anderen
spreken dit tegen; niettemin schijnt men als algemeenen regel te
mogen aannemen, dat hooge en droge landstreken, zooals Segovia, het
meest voor de teelt der merinos geschikt zijn. In deze landstreken
is het gras fijn en niet met onkruid vermengd, maar daarentegen
rijk aan aromatische kruiden. Het vaderland der beroemde geiten van
Thibet is eene landstreek van soortgelijke natuur, maar nog veel
schraler en onvruchtbaarder. Het is dan ook niet onwaarschijnlijk,
dat men de geiten van Thibet in sommige bergstreken van Spanje zou
kunnen overbrengen en inheemsch maken. Het ware wel de moeite waard,
de proef te nemen. Spanje zou wellicht in het zoo zeer gezochte en
kostbare zijdeachtige hair dezer geiten eene vergoeding kunnen vinden
voor het verlies, door het dalen der prijzen der merino-wol geleden.
Men meent dat verscheidenheid van voedsel gunstigen invloed uitoefent
op de algemeene gezondheid der dieren, en dus, in dit geval, ook op
de hoedanigheid en den rijkdom der wol. De spaansche veefokkers zijn
daarvan overtuigd; daarin ligt de oorsprong der mesta.
Dit woord (letterlijk vereeniging, vermenging) beteekent de
samensmelting tot ééne groote kudde, van een zeker aantal kleinere
kudden, die, naar gelang van het jaargetijde, in een of ander deel
van het schiereiland rondtrekken. Door deze zwervende levenswijze
bekomen de merinos ongetwijfeld, dank zij de voortdurende beweging
en verandering van lucht, dank zij ook de afwisseling van voedsel,
eenige der eigenschappen, die over het algemeen de in den vrijen
natuurstaat levende dieren onderscheiden van de getemde, aan eene
bepaalde plaats en bepaalde levenswijze gebonden huisdieren. De
merinos met de beste en fijnste wol vindt men in enkele weinig
uitgestrekte landstreken, bij voorbeeld in de vallei van Venasque in
de Pyreneeën, en in het partido of distrikt van Albarracin (in Aragon,
in het bovenste gedeelte der vallei van den Guadalaviar of Turia,
nabij de kusten der Middellandsche-zee); maar het is duidelijk dat
niet al de schapen van Spanje op zoo bekrompen ruimte zouden kunnen
leven; ook is het zeer waarschijnlijk, dat zelfs de daar inheemsche
schapen, als zij nimmer deze streken verlieten, toch spoedig zouden
verbasteren. Om aan het gemis of de schaarschte van voortreffelijke
weidegronden tegemoet te komen, heeft men zijn toevlucht genomen
tot de verre reizen, tot het zwervend leven, in de open lucht, met
zijne beweging, zijne vrijheid, zijn veelzijdigheid van voedsel. En
de voordeelen dezer methode wegen tegen het gemis van voldoenden
weidegrond binnen zekere grenzen ruimschoots op.
In de gebergten van Biscaya, in de sierra's van Asturië, zijn de
schapen van veel slechter ras; in den jongsten carlistischen oorlog is
het meermalen gebeurd, dat de soldaten weigerden zulk een schaap zelfs
voor een matigen prijs te koopen. Deze schapen worden door de zwarte
arenden der Pyreneeën meermalen geroofd en naar hun nest medegevoerd,
om tot voedsel voor hun jongen te dienen. Een echt volwassen
merinoschaap zou deze tyran der lucht wel nimmer mede kunnen voeren.
De mestas of zwervende kudden behooren meestal aan eene maatschappij,
bestaande uit adellijke heeren, aanzienlijke geestelijken of rijke
grondeigenaars, die zich met de exploitatie belast. Elke mesta of
groote kudde bestaat, zooals gezegd is, uit tienduizend stuks schapen
en meer; de mayoral, die met de opperste leiding is belast, is tevens
de algemeene arts dezer blatende gemeente.
Dalmatië.
I.
Herinnert de lezer, die ons op den tocht door Istrië heeft willen
vergezellen, zich nog de belofte, later eene uitnoodiging te
zullen ontvangen voor gelijken tocht door de golf van Quarnero met
hare eilanden en door Dalmatië? [2] Welnu, die belofte komen wij
thans inlossen: zijn hem goede herinneringen van de vorige reis
bijgebleven, dan vertrouwen wij dat hij ook nu genegen zal zijn,
ons te vergezellen. Wij nemen dan te Pola plaats op een der booten
van de oostenrijksche Lloyd, die naar Fiume varen; wij stevenen kaap
Promontore om en de golf van Quarnero binnen.
Met den naam van golf van Quarnero, of wel enkel Quarnero, bedoelt
men de geheele watervlakte tusschen Istrië, te beginnen bij kaap
Promontore, en de kust van Kroatië tot nabij Zara. In den Quarnero
liggen vijf groote eilanden en eene menigte eilandjes en klippen. Deze
vijf eilanden dragen de namen van Cherso, Ossero (of Lussine),
Veglia, Arbe en Pago; zij bevatten allen een of meer kleine steden
en een aantal dorpen. De kanalen tusschen die eilanden en de kust
leveren voor de scheepvaart dikwerf ernstige gevaren op, vooral bij
het heerschen van de bora, de plaag dezer kusten.
Van Triëst kan men op tweeërlei wijze Fiume en de golf van Quarnero
bereiken. Een spoorweg, die het plateau van Karst doorsnijdt, verbindt
de beide steden, en brengt u in zeven uren van Triëst aan den oever
der golf. Een tweede middel van vervoer is de stoomboot, die van
Triëst naar Pola, en verder, deels langs de oostkust van Istrië,
naar Fiume vaart, Maar wie van Fiume verder wil gaan, zal daartoe
bezwaarlijk gelegenheid vinden, tenzij hij eene eigen boot hure en
uitruste om van het eene eiland naar het andere te zeilen. Hieraan
zijn echter bezwaren verbonden, die niet te licht mogen worden
geteld. Vooreerst kost de huur en uitrusting van zulk eene boot,
het loon der bemanning daaronder begrepen, veel geld; daarbij is
goed weder een onontbeerlijk vereischte, en moet men ook eenigszins
aan dergelijke tochten op zee gewend zijn. Die in de kuststeden op
de stoombooten wil wachten, moet over veel tijd kunnen beschikken,
want die booten varen, in elke richting, maar eens in de week.
De Quarnero staat in een zeer slechten roep: de kustbewoners
van de Adriatische-zee, ervaren en onverschrokken zeevaarders,
zoo als men weet, noemen den naam dier golf niet dan met zekeren
schrik; de oude historieschrijvers zien in dien naam zelven eene
toespeling op de bij uitstek kwade faam van dit vaarwater: carnivoro,
vleeschetend, verscheurend. Wat hiervan zij, een enkele blik op de
kaart is voldoende, om deze noodlottige reputatie der golf alleszins
begrijpelijk te maken. De Quarnero is, zooals ik zeide, bezaaid
met eene menigte eilanden en klippen, die fragmenten schijnen van
een door het water half verzwolgen, en door de bora uitgedroogde en
verschroeide bergketen. In de talrijke engten en kanalen tusschen
de kust en die eilanden, wordt de wind opgevangen, juist als in
den hals van eene omgekeerde flesch. De zuid-oosten winden, die de
golven van Venetië en Triëst kunnen teisteren, vinden daar althans
een ruim veld voor zich en verliezen daardoor veel van hun kracht:
maar in den Quarnero, waarin zij door het nauwe kanaal Della Morlacca
doordringen, stuiten zij dadelijk tegen de bergwanden van den Karst
en tegen de hooge oevers van Istrië; zij vallen dan met verdubbelde
kracht op de eilanden terug en brengen de opgezweepte wateren in de
geweldigste beroering. De stormen woeden hier met zoo hevige kracht,
dat zelfs de ervarenste matrozen het dan niet zullen wagen, de kanalen
over te steken, maar een toevlucht zoeken in de zoogenaamde valleien
of vluchthavens, die door de eilanden gevormd worden, waar het water
diep en de ankergrond veilig is.
De golf is bij uitnemendheid vischrijk: niet alleen de bewoners der
eilanden, maar ook de visschers van Ghioggia, aan de italiaansche kust,
komen hun deel van dezen overvloed halen. Deze laatsten verschijnen
hier in November en blijven tot Paschen; zij verlaten hun eiland, waar
de vischvangst minder voordeelig is, en brengen den winter in deze
wateren door. Eens terwijl ik te Venetië vertoefde, was ik getuige
van het vertrek der vloot van Chioggia: dit is een van de meest
belangwekkende tooneelen, die men langs de noordelijke kusten der
Adriatische-zee aanschouwen kan. Vijftig tot zestig groote schuiten,
bragozzi, genoemd, ieder met tweehonderd-vijftig koppen bemand,
verlaten het eiland en varen naar de overzijde der golf. De gevangen
visch wordt echter niet op de plaats zelve verbruikt of verkocht;
beurtelings gaan eenige vaartuigen uit de vloot naar Chioggia en
Venetië terug, om den buit te verkoopen: het totaal der vangst,
gedurende het geheele saizoen, bedraagt gemiddeld vierhonderd-duizend
pond, vertegenwoordigende eene waarde van honderdvijftig-duizend
francs.
De visschers van Fiume leven mede van de golf: te Prelucca en
te Buccari oefenen zij de tonijnvangst uit; deze tonijnen worden
vervolgens gezouten en naar het buitenland verzonden. Een eigenaardig
product der golf zijn ook de scampi, eene soort van kreeften, die
hier zeer geliefd zijn en bij feestelijke gelegenheden met rizzotto
gegeten worden; deze soort komt, behalve hier, enkel in de noorweegsche
fjords voor.
De belangrijkste stad aan de golf, met inbegrip van de steden op
de eilanden, is Fiume. De kust noordwaarts van kaap Promontore is
aanvankelijk naakt en dor; bij de landpunt van den Monte-Maggiore
neemt zij een vriendelijker karakter aan; en zoodra ge het kanaal van
Farasina zijt doorgevaren, maakt de geheele streek, van Moschenizza
tot Fiume, door het eiland Cherso tegen den wind gedekt, den indruk
van een grooten bloeienden tuin. Maar deze buitengewone vruchtbaarheid
houdt geen stand: als ge verder langs de kust vaart naar Novi en Segna,
komt de oude dorheid en woestheid weder, en ziet ge niets dan eene
grauwe kust en naakte rotsen.
Van buiten zou men Fiume allicht voor eene groote stad aanzien:
dit is echter eene illusie, die, bij meer nauwkeurige beschouwing,
spoedig verdwijnt. Die witte stad, aan den oever eener fraaie golf,
aan den voet van hooge bergen, verrast den reiziger door haar reeks
van trotsche huizen, paleizen schier, die zich langs de breede kaai
verheffen. Haar ruime en gemakkelijke haven, haar uitgestrekte
werven en grootsche magazijnen, dit alles geeft den indruk van
eene bloeiende, rusteloos werkzame stad, in volle ontwikkeling en
rasschen vooruitgang. De openbare gebouwen en monumenten zijn edel
en indrukwekkend van stijl; het Corso is breed en goed aangelegd;
hier ziet ge een smaakvol aangelegd plein; elders ruischen overvloedig
springende fonteinen: overal ruimte, licht, groote afmetingen. Ondanks
de groote natuurlijke voordeelen der ligging--Fiume is de natuurlijke
haven voor Hongarije, het Banaat en Kroatië, allen hetzij koren-
hetzij boschrijke landen;--heeft de stad toch niet aan de verwachting
der Hongaren beantwoord, ook niet nadat men haar door spoorwegen
met Agram en Laibach verbonden heeft. De oostenrijksch-hongaarsche
regeering heeft zich de zwaarste offers getroost om haar te verfraaien
en haar eene goede haven te bezorgen. Desniettemin verkeert de handel,
ook volgens officiëele opgaven, hier in kwijnenden toestand en neemt
de in- en uitvoer af.
In de andere steden langs de kust, die wij bezocht hebben eer wij
te Fiume kwamen, herkent men nog altijd onder het officiëele masker,
door de tegenwoordige regeering voorgebonden, de oude venetiaansche
kolonie, waar de republiek, na eene heerschappij van vier of vijf
eeuwen, niet alleen onmiskenbare sporen en karakteristieke monumenten
heeft achtergelaten, maar ook aan alles, aan menschen en dingen, dat
onuitsprekelijk bevallige en bekoorlijke gegeven, dat in Italië wel
in de lucht schijnt te zitten en een onvervreemdbaar erfdeel van dat
gezegend land en zijne kinderen is. Hier daarentegen is, althans voor
het uiterlijke, alles hongaarsch: hier vindt ge het Corso Deak, hot
plein Adamich, de Kossuthstraat, enz. De brouwerijen zijn monumentale
gebouwen; vlugge, handige buffetmeisjes met nette voorschoten, en
muziekanten met zwarte rokken zouden u in den waan brengen dat ge u
te Pesth bevindt. Even als te Weenen en in Hongarije, is ook hier met
ieder hotel een restauratie verbonden; de regeling van de etensuren
is dezelfde als daar ginds, en in de koffiehuizen ziet ge aan bijna
ieder tafeltje kaartspelers, even als in de magyaarsche bierhuizen. De
aanplakbiljetten en de opschriften op de uithangborden zijn in het
hongaarsch gesteld; tegen de muren kunt ge somwijlen groote papieren
geplakt vinden, waarin de kiezers, met hartstochtelijke opgewondenheid,
worden aangespoord om toch vooral te zorgen, dat het bestuur der stad
niet in duitsche of italiaansche handen gerake. Maar er zijn twee
steden te Fiume: de oude stad, die zich eensklaps onthult als ge de
poort van het Corso uitgaat; en deze moderne stad, waar de reizigers
aan wal stappen, en wier straten, evenwijdig loopende met de kaai,
op zee uitzien.
In de oude stad loopen de straten steil naar boven: smalle trappen
voeren naar fantastische steegjes, die u aan Subiaco en aan de
dorpen in do Campagna van Rome denken doen; daar vindt ge, onder lage
gewelven, achter sombere, schemerachtige winkels, pittoreske osterie,
waar, bij het drinken van nieuwen wijn, italiaansche liederen worden
gezongen, terwijl men daar ginds beneden bier drinkt en slavisch of
hongaarsch spreekt. De overigens weinig schilderachtige stad ontleent
toch aan deze verscheidenheid een eigenaardig karakter.
Bij den eersten aanblik schijnt u alles koud, regelmatig, symetrisch;
maar ga door, van de zee naar den berg, en weldra ziet ge, even als in
eene italiaansche voorstad, aardige, lachende villas, schilderachtige
borghi, waar, op breede terrassen dertig voet boven uw hoofd,
liefhebbers bezig zijn met balslaan. Vervolg uw weg: de reusachtige
berg verspert u den doorgang; hij verrijst daar voor u, somber,
grauw, naakt, een dorre doode rotsmassa, door de bora geteisterd,
maar uit wier zijde zich, in reusachtigen val, de Fiumera stort,
die zich straks tot een haven verbreedt.
Deze Fiumera, die uit den schoot des bergs te voorschijn komt en zich
ter linkerzijde van de stad in de golf ontlast, vormt, even voor hare
uitmonding, een kanaal, door eene groote ruime kaai omzoomd, waar al
de houtschepen ten anker liggen. Dit is het schoonste gedeelte van
geheel Fiume. Langs de haven staan eeuwenoude boomen, wier groene
kruinen boven de masten der schepen uitsteken. De breede, fraaie en
zeer levendige kaai is bezet met schoone huizen, in monumentalen
stijl; de paaltjes, die het voetpad van den rijweg afscheiden,
prijken allen met levensgroote hoofden van Turken en Hongaren, in
den steen uitgehouwen. Dit is geen louter toeval of een gril van den
beeldhouwer. Let eens op de gewelven van alle paleizen en openbare
gebouwen in de stad, hef uwe oogen op naar de bogen en kapiteelen
dor zuilengangen: overal ziet ge een turkschen kop met den tulband
gedekt of een gebaarden Slavoniër. Dit is niet alles: de boeren en
boerinnen van de kust van den Quarnero, de dames van Fiume, dragen
sedert eeuwen ringen, armbanden, halskettingen, waarop ge diezelfde
symbolische koppen, op verschillende wijze aangebracht, zult terug
vinden. Ongetwijfeld is dit een bij de Kroaten en Hongaren zeer geliefd
teeken; wellicht eene herinnering aan den vreeselijken slag in 1232,
op een mijl afstands van Fiume, te Grobnick, onder aanvoering van
Bela IV, tegen de Turken geleverd.
Fiume heeft weinig of geen monumenten; de kerken hebben niets
opmerkelijks. De dom is een stijf koud gebouw, met een klassieken
voorgevel, die zijn versiering dankt aan de edelmoedige vrijgevigheid
der familie Wallsee. De stad hoeft een koninklijk gymnasium, in 1627
gesticht, en eene akademie voor de marine. De schouwburg dagteekent
van 1801; het is een zeer fraai gebouw, gesticht op kosten van den
patriciër Ludwig von Adamich. Even als in alle steden van Istrië en
Dalmatië, is ook te Fiume de bevolking in onderscheidene groepen
gesplitst, die scherp van elkaar afgescheiden zijn. In plaats van
eene algemeene plaats van vereeniging en samenkomst voor de lieden
uit den beschaafden stand, vindt men er hier drie: het kroatische
Leesmuseum, het italiaansche Casino, en de duitsche Pick-Nick-Club. De
vreemdelingen worden steeds zeer gastvrij ontvangen in deze drie
sociëteiten, waar fransche, engelsche, duitsche, italiaansche en
slavische dagbladen en tijdschriften te vinden zijn.
Een van de grootste merkwaardigheden van Fiume is het kasteel van de
Frangipani, bij de stad, op eene aanzienlijke hoogte, boven op den berg
Terzato gelegen. Nabij dit kasteel staat een Franciskaner-klooster;
een monumentale trap van vierhonderd treden, tegen de rots geleund,
voert naar dit klooster, dat eene druk bezochte bedevaartsplaats
is. De omtrek van dit klooster was voor mij een lievelingsplekje, waar
ik meermalen nederzat om schetsen te maken. Daar zag ik des morgens,
terwijl ik in mijne eenzaamheid zat te teekenen, de slavische boerinnen
van het gebergte afdalen, om in de stad haar hooi te gaan verkoopen:
en dit tooneel verdient wel eene vluchtige herinnering.
Tusschen de Fiumera, die uit de rots te voorschijn komt, en den
Terzato, die zich daarboven verheft, heeft men langs den bergwand
een weg aangelegd, die naar de dorpen in het gebergte voert, naar
Orechovitza, Czaule, Podervenn en Grobnick, waar Bela IV de Tartaren
versloeg. Deze steile, smalle weg, de zoogenaamde Louisenstrasse,
slingert zich als een mat zilveren lint tegen en tusschen die grauwe,
naakte, doode rotsen. Langs dien weg nu komen de vrouwen, een voor een,
achter elkander; langzaam en met moeite treden zij voort, gebogen onder
zoo zware vracht, dat zij wandelende hooischelven gelijken; ge ziet
van haar lichaam niets dan de naakte bruine beenen, al het overige
verdwijnt onder het hooi. Reeds voor den dageraad hebben zij zich
opgemaakt, om het met groote moeite tusschen de rotsspleten verzamelde
en tot schoven saamgebonden hooi naar de stad te gaan brengen. Zoo,
schier midden door gebogen, hebben zij vier uren achtereen geloopen,
zwoegende, onder haar vracht, nu en dan een oogenblik leunende tegen
de pilaren der trappen van den Terzato; beneden gekomen, knielen
zij neder voor het beeld der Madonna aan den voet van den trap, en
vervolgen dan haar weg tot aan het Urmeny-plein, waar zij blijven
tot zij haar hooi verkocht hebben, dat zij niet meer kunnen medenemen.
Ook wij hebben den reusachtigen trap beklommen, en zien nu den ouden
burcht op korten afstand voor ons. Dit kasteel der Frangipani is
tegenwoordig het eigendom van graaf Nugent en de begraafplaats van
zijne familie. Uit de verte gezien, maakt het een bij uitnemendheid
schilderachtig effect; maar van nabij valt de trotsche ruïne eenigszins
tegen. De oude burcht dagteekent uit de middeleeuwen, waarschijnlijk
uit de twaalfde of dertiende eeuw; een vierkante toren, in fraaien
renaissance stijl, is omstreeks het midden der zestiende eeuw gebouwd,
en bevatte vermoedelijk de woonvertrekken; maar graaf Nugent is op
den zonderlingen inval gekomen om te midden dezer belangwekkende
overblijfselen van den ouden tijd, een splinternieuwen, schitterend
witten, pseudo-griekschen tempel te bouwen, die zelf verbaasd schijnt
over zijne plaatsing en zich hier blijkbaar niet te huis gevoelt. Uit
de verte valt deze wanstaltigheid niet in het oog, lijdt althans
de totaal-indruk er geene schade door, maar van nabij bederft deze
onbegrijpelijke tempel alles.
De graven van Frangipani, aan wie vroeger dit kasteel behoorde,
hebben in de geschiedenis dezer landstreek eene groote rol gespeeld;
langs de geheele kust leeft de herinnering aan dit geslacht nog
in volksoverleveringen en legenden voort. Zij waren eigenlijk geen
heeren van Fiume, maar bezitters van het eiland Veglia, en hebben te
Fiume slechts dertig jaar geregeerd. Toen de patriarchen van Aquilea
nog de souvereiniteit bezaten over de steden langs de kust, schonk
een bisschop van Pola de stad Fiume in leen aan de familie Duino,
die op haar beurt de stad weder aan de Frangipani verpandde: zij
bleven in het bezit van Fiume van omstreeks 1338 tot 1365. Hoewel
Veglia dus eigenlijk de hoofdzetel van het machtige geslacht was,
bevat toch de kerk van het naburige Franciskaner-klooster vele graven
van leden dezer familie. De grafsteenen, die achteloos in een hoek
der kerk liggen, zijn evenwel zeer geschonden.
II.
De omstreken van Fiume zijn wel der bezichtiging waard; men heeft
daarvoor twee dagen noodig. Het strand langs de golf vertoont
tweeërlei, zeer verschillend karakter: de kust van Istrië, ter
rechterhand, door den Moute-Maggiore gedekt, is bloeiend en vruchtbaar;
de kust van Dalmatië daarentegen, ter linkerhand, is dor en doodsch.
Tweemaal heb ik deze omstreken bezocht: de eerste maal met onzen
consul, baron de Reyne, die sedert vijftien jaar te Fiume woont en de
aangenaamste cicerone is, dien men zich denken kan; de tweede keer
ben ik alleen op weg getogen, den wandelstok ter hand, en heb ik te
voet in vier uren denzelfden weg afgewandeld, dien ik eenige maanden
vroeger, op een vlug hongaarsch paard, in anderhalf uur had afgelegd.
Wij volgen den oever der zee, gaan voorbij het station van den spoorweg
naar Triëst, en komen dan op een weg, die hoog boven het strand, langs
den berg loopt. Eerst ontmoeten wij eenige fabrieken en werkplaatsen;
dan volgt van tijd tot tijd een of andere eenzame, romantische tuin,
een donkere boomgaard, met een oud hek afgesloten, waar, te midden
van het hooge gras, standbeelden van satyrs en boschgoden verminkt
ter aarde liggen. Drie uren lang loopt de weg recht door; het is hier
zeer eenzaam en stil; wij zien niemand dan enkele herdersknapen,
met hunne kudden als tegen de berghellingen hangende, of rustig
neergezeten op de rotsen, aan wier voet de golven kabbelen.
Daar is de baai van Prelucca, van alle kanten goed gedekt en
beschermd, waar men een stuk rots heeft laten springen om plaats te
maken voor eenige visschershutten. Dit is een der stations voor de
tonijnvisscherij, die een rijke bron van inkomst oplevert voor de
gansche kust. De inrichting is zoo eenvoudig mogelijk: zij bestaat
uit twee reusachtige ladders, twintig el hoog, schuin in den grond
geplant, en van boven van een zitbank voorzien, waarop de wachter
plaats neemt. Beneden tegen den rotswand staat een houten loods,
van drie kanten open, en van een op balken rustende planken vloer
voorzien. Die loods dient tot verblijf voor het personeel van het
station, bestaande uit negen visschers en een knaap, allen van de
eilanden Cherso en Veglia geboortig. Met behulp van een groot net
sluiten zij de baai, over een gedeelte der breedte, af; de wachter
op den uitkijk houdt het oog op zee gevestigd, en geeft een teeken,
zoodra de tonijn binnen de afgesloten ruimte gekomen is; dan wordt een
ander net uitgezet, en de visch, binnen die netten ingesloten, wordt
met behulp van een schuitje naar den oever gedreven. Dikwerf komen
gansche zwermen tonijnen te gelijk in de netten; de visschers, die,
behalve hun vast loon, nog eene zekere premie per duizend visschen
ontvangen, maken zeer goede zaken, want ook de kleine visschen, die
tusschen de mazen blijven steken, zijn voor hen. Zij gaan die verkoopen
te Volosca, een zeer fraai dorp, even als Mentone, aan de uiterste
punt van een landtong gelegen, en met zijn witte huizen schilderachtig
uitkomende tegen de zwarte rots. Boven Volosca herken ik Abbazia, het
oostenrijksche Nizza, met de prachtige villa, vroeger het eigendom van
graaf Scarpa, en Lovrana, de stad der laurieren. Ginds ligt Castua,
de oude met muren omringde stad; en aan den horizon teekenen zich de
omtrekken van den vierduizend voet hoogen Monte-Maggiore, van welks
top men geheel Istrië, de golf van Quarnero en de dalmatische kust
overziet, en zelfs, naar men zegt, bij helder weer, den Campanile
van Venetië kan ontdekken.
Als wij het strand in de andere richting willen volgen, naar Dalmatië,
moeten wij ons een somberen, tusschen twee muren ingesloten weg
getroosten; het is daarom beter, een bootje in de haven te huren
en een zeetochtje te ondernemen. Met kalm, mooi weer is dit zeer
aangenaam. Wij komen eerst langs Martinschizza, een prachtig lazaret
voor de quarantaine, een van de besten ter wereld en ook van de minst
bezochten, want zeer zelden zet hier een reiziger den voet. Dan volgen
Dragina, Val-Uri, Porto-Re, Buccari, eene oude romeinsche stad, met
eene fraaie haven, in eene zoo goed gesloten baai, dat zij schier op
een voltooid amphitheater gelijkt. Al de bewoners zijn zeevaarders;
de oostenrijksche marine ontvangt van hier hare beste matrozen.
In vier uren vaart de stoomboot van Fiume naar Segna, het oude
roofnest der Uskoken; maar de boot vaart maar eens in de week, des
donderdagsmorgens ten zeven uur; de paketbooten van Lloyd leggen in
dit smalle kanaal van Maltempo, het beruchtste en gevaarlijkste der
geheele golf, slechts acht mijlen in het uur af. Eens te Segna, is
men dan ook als opgesloten, en moet daar blijven tot den volgenden
donderdag, om naar Fiume terug te keeren, of zelfs tot den daarop
volgenden donderdag, als men de reis naar Dalmatië wil vervolgen.
Segna, de oude stad der Uskoken, heeft nog heden, ondanks alle
veranderingen door den tijd en de menschen aangebracht, geheel het
voorkomen van een ongenaakbaren schuilhoek, een uitgezochte plek voor
boeven en gauwdieven om zich te verbergen. De stad ligt aan de kust,
tusschen de eilanden Veglia en Arbe; aan de landzijde wordt zij
gedekt door hooge bergen; aan de zeezijde was zij vroeger niet dan
met kleine vaartuigen te genaken. Tegenwoordig zijn de bosschen op
den berg omgehakt, en heeft men een haven gemaakt; maar nog altijd
bestaat de Bocca di Segna, een uiterst gevaarlijk kanaal tusschen de
klip Perviechio en de uitstekende punt van het eiland Veglia.
Alles is hier nu rustig en vreedzaam; en de arme visschers, die
mij gastvrij ontvingen en aan wie ik de geschiedenis verhaalde der
zeeschuimers, welke hier vóór hen gewoond hebben, zetten bij dit
verhaal groote oogen op, als gold het een sprookje, uitgevonden om
hun de lange avonden te korten.
De naam Uskoke (skoko, vluchteling), die een schandnaam is geworden,
werd oorspronkelijk gegeven aan turksche onderdanen, die een wijkplaats
hadden gezocht op de smalle strook tusschen de zee en het gebergte
langs de kust. Ten getale van hoogstens drie- of vierhonderd man,
werden zij eerst gastvrij ontvangen in Clissa, eene vesting op een
zeer steilen heuvel boven Salona en Spalato in Dalmatië. Heer van
Clissa was destijds een zekere Pietro Crosichio, een leenman van
de hongaarsche kroon. Hij meende die gasten te kunnen gebruiken
in den krijg tegen zijn vijanden; dit was zijn ongeluk. De Uskoken
plunderden en roofden op turksch grondgebied; Clissa werd belegerd,
Crosichio gedood en zijn hoofd in triomf op een lans rondgedragen.
Na den val van Clissa, lag Dalmatië voor den vijand open. Ferdinand
van Oostenrijk wilde nu op zijn beurt die uitgewekenen tot zijn
bondgenooten maken; hij bood hun eene wijkplaats aan in de stad Segna,
destijds een leengoed van de Frangipani. Van de landzijde waren zij
hier veilig, zoowel voor geschut als voor ruiterij. De vele kleine
eilandjes en klippen maakten ook den toegang ter zee haast onmogelijk;
zij behoefden dus voor hunne vijanden niet meer te vreezen. Maar er
viel hier noch aan akkerbouw, noch aan visscherij te denken; bovendien
waren de Uskoken van jongs af in den wapenhandel geoefend en aan den
krijg gewoon. Zij beklommen dus de rotsen, en ondernamen van uit de
bosschen, op den top des bergs, hunne aanvallen en plundertochten
tegen de Turken. Op het strand beroofden zij de schipbreukelingen;
weldra begonnen zij zelven schuiten te bouwen, en zich bewust van de
veiligheid hunner positie, werden zij piraten.
Aanvankelijk tastten de Uskoken alleen de Turken aan, en ontzagen
de Christenen: de Porte protesteerde. Aangezien Venetië aanspraak
maakte op de heerschappij der Adriatische-zee, moest zij ook zorgen
voor de veiligheid der golf; bovendien bestonden er tusschen Turkije
en de republiek traktaten, waarbij de veiligheid van het verkeer ter
zee gewaarborgd was. Venetië beriep zich op Keizer Ferdinand, die
de uitgewekenen onder zijne bescherming had genomen; deze vaardigde
wel de noodige bevelen uit, maar men stoorde zich daar niet aan:
en inderdaad vermocht schier niemand iets tegen deze piraten, die
door de natuur zoowel tegen hunne vijanden als tegen hun beschermer
beveiligd werden. De republiek rustte galeien uit; elke Uskoke, die
gevangen werd genomen, werd aan de raas opgehangen, om zoodoende aan
de Verheven-Porte te toonen dat men acht sloeg op haar vertoogen; zelfs
werden enkele piraten naar Venetië gevoerd, en op het Sint-Marcusplein
in ijzeren kooien ten toon gesteld.
Hun aantal, bereids door eenige vluchtelingen vermeerderd, bedroeg
toch ter nauwernood vijfhonderd; maar allengs voegde het uitschot
van allerlei volken zich bij hen: boosdoeners uit het duitsche Rijk,
turksche renegaten, italiaansche valsche munters, en anderen, die in
de staatkundige partijschappen van Venetië waren betrokken geweest,
sloten zich aan bij deze handvol bandieten. Segna werd een waar
roofnest, en er kwam een oogenblik, dat de blikken van geheel Europa
op dit kleine vlek in de golf van Quarnero waren gevestigd. Zelfs de
Koning van Frankrijk beklaagde zich bij de regeering van Venetië over
de beleedigingen zijne vlag aangedaan.
Ontuchtige vrouwen uit allerlei natiën en stammen, die Dalmatië
bewonen, stroomden in menigte naar dit roovershol toe; zij leidden
daar een gemakkelijk leven, hadden aan niets gebrek en verbonden
zich aan deze piraten; als het bij de terugkomst van een rooftocht
bleek, dat de echtgenoot van eene dier vrouwen was achtergebleven,
dan werd aldra eene nieuwe verbindtenis gesloten, ook al was men nog
in het onzekere omtrent het lot van den vroegeren gemaal. Was een
Uskoke gestorven, dan nam een ander zijne vrouw en zijne kinderen
en zijn woning in bezit. De vrouwen kleedden zich in het rood, en
tooiden zich op met geroofde sieraden en kostbare stoffen van het
Oosten, door de bandieten op hunne strooptochten medegevoerd. De
vroegere bewoners van Segna werden door het algemeene zedenbederf
medegesleept. Aanvankelijk was er eene bijzondere wijk ten verblijve
voor de Uskoken aangewezen: allengs echter kwam de geheele stad in
hunne macht, en de aanzienlijkste burgers namen piraten in hunne
dienst, die de rooftochten mede maakten en hun meesters een deel van
den buit brachten.
Weldra was geheel de omliggende streek in een woestijn herschapen,
waar niets meer te plunderen viel. Om buit te veroveren zouden zij
zich nu te ver op vijandelijk gebied hebben moeten wagen: daarom kozen
zij thans bij voorkeur de zee tot tooneel hunner werkzaamheid. De golf
niet alleen, maar geheel de Adriatische-zee stond op dien tijd onder
een waar schrikbewind. De Senaat van Venetië bepaalde dat de schepen,
naar het Oosten bestemd, voortaan bij wijze van konvooien zouden gaan,
onder geleide van gewapende galeien; de Turken van hun kant deden
hetzelfde of vermeden de golf. De piraten tastten nu de eilanden aan,
die eerlang mede verlaten werden; de onversaagde scogliari van Cherso,
Veglia, Arbe, Ossero en Pago werden matrozen, en daar zij van hunne
geboorte met alle vaarwateren in de golf bekend waren, rustten zij
op kosten van de republiek schuiten uit, waarmede zij de bandieten,
die hen van hunne geliefkoosde rotsen verdreven hadden, zoo veel
mogelijk afbreuk deden en in hunne schuilhoeken achtervolgden.
Wel was er te Segna een hoofdman, die in naam des Keizers het gezag
uitoefende, maar hij was altijd met de roovers in verstandhouding;
als de Uskoken van een strooptocht terugkeerden, werden schijnbaar
de poorten der stad voor hen gesloten, en somwijlen zelfs de kanonnen
van den wal op hen afgevuurd; maar des nachts liet men hen binnen en
deelde met hen den buit.
Het was inderdaad eene onoplosbare kwestie; als Venetië Segna ter
zee wilde aanvallen, zooals het met behulp der scogliari kon doen,
dan waren de Turken dadelijk gereed, dien aanval van de landzijde te
ondersteunen; maar de Keizer van Duitschland, op wiens grondgebied
de stad lag, wilde die schending van zijn staten niet toelaten. Eens
echter trok Assan, pâsja van Bosnië, naar Segna op; hij kon dit
natuurlijk niet doen, zonder de grenzen van Kroatië te overschrijden;
Oostenrijk greep naar de wapenen; Assan werd verslagen; de Porte
kwam hem te hulp, en de oorlog, die aanvankelijk alleen Segna gold,
duurde twaalf jaren.
Venetië, den loop der zaken aandachtig gadeslaande, versterkte zijne
eilanden, die steeds bedreigd werden; de republiek was nu niet langer
beducht voor de piraten, maar voor haar erfvijanden, de Turken. Hare
onzijdigheid was niet naar den zin van Oostenrijk, dat de Uskoken nu
niet langer in bedwang hield; dezen verplaatsten daarop het tooneel
hunner werkzaamheid, en stroopten wijd en zijd in Istrië en Dalmatië,
onder bescherming van de keizerlijke vlag. Tastte de republiek hen aan,
dan liep zij gevaar met Oostenrijk in oorlog te geraken; de republiek
aarzelde en bepaalde zich tot de verdediging harer havens. Eindelijk
liep het den Keizer toch te erg: hij wilde aan de verwoestingen een
einde maken, en noodigde de republiek plechtiglijk uit, gezanten af
te vaardigen, die getuigen zouden zijn van zijne strafoefening.
De opperhoofden der Uskoken werden te Segna zelf gevangen genomen
en zonder verschooning opgehangen; de piraten werden ontwapend,
en de venetiaansche onderdanen, die onder hen gevonden werden,
aan de republiek teruggegeven; men liet in de stad slechts honderd
ongewapende Uskoken; een paar honderd anderen werden naar Kroatië
verjaagd; de overigen verstrooiden zich. Maar die handvol mannen,
in de bosschen verscholen, sloeg den vijand nauwlettend gade; nog eer
de keizerlijke stadhouder Segna verlaten had, drongen zij des nachts
de stad binnen, belegerden hem in zijn huis en vermoordden hem. Op
dit bericht keerden de vluchtelingen en de opgejaagde booswichten
zoo spoedig mogelijk terug; en het oude leven begon op nieuw.
Dit gebeurde omstreeks 1602: in deze tweede periode hunner geschiedenis
ging het aantal der Uskoken nog geen zeshonderd man te boven, en
die kleine schaar hield zich staande tegenover drie mogendheden met
haar vloten en legers. Deze geschiedenis is bijna nog zonderlinger
dan de stoutste verdichting. Eens hebben zij eene kleine havenstad
uitgeplunderd; om hun buit te vervoeren, maken zij zich meester van
de gansche visschersvloot van Sebenico, en laten de schuiten zinken,
als zij ze niet meer noodig hebben. Te gelijker tijd drijven zij de
stoutmoedigheid zoo ver, dat zij, met niet meer dan honderd-vijftig
hunner manschappen, een aanslag wagen op het machtige Pola.
Venetië blokkeert Segna; natuurlijk wordt de oostenrijksche handel
daardoor belemmerd: de Keizer keert zich tegen de Uskoken, neemt
hun hunne vloot af, en zendt die naar Fiume, om daar verbrand te
worden. De Uskoken overvallen Fiume, nemen hunne schepen terug,
en voeren op hunne beurt tachtig schepen van de burgers van Fiume
als buit op sleeptouw mede. Ik ga vele dergelijke episoden met
stilzwijgen voorbij. Eindelijk aan alle kanten benauwd en geperst,
ontsnappen de piraten naar Dalmatië, plunderen en berooven de Turken,
en zoeken een schuilplaats op venetiaaansch gebied. De republiek laat
wel opzettelijk eene vloot bouwen om hen te kunnen aanvallen, maar
nu haar vijanden haar niet meer openlijk bestrijden kunnen, nemen
zij hun toevlucht tot list. Christoforo Verniero, scheepskapitein,
loopt op zekeren dag met zijne galei in de haven van Pago binnen;
de spionnen der piraten ontdekken hem; zij naderen het eiland,
zetten een deel hunner manschappen aan wal; glijden en sluipen,
onder bedekking van den nacht, nevens de galei; enteren en veroveren
het schip, werpen veertig passagiers in zee, en voeren hun buit
naar Segna. Onderweg slaan zij zes officieren het hoofd af; aan land
gekomen, richten zij een kolossaal feest aan, waaraan allen deelnemen,
vermoorden Verniero, halen hem het hart uit het lijf, koken dat en
eten het op. Zijne galei wordt in de haven aan den ketting gelegd;
de kanonnen worden op de wallen der stad geplaatst.
Aan dergelijke feiten en avonturen is geen einde. Minuccio Minucci,
aartsbisschop van Zara, heeft ze opgeteekend in twee deelen, zoo te
zeggen de visu geschreven, en later door Paolo Sarpi voortgezet. De
Venetianen deinsden altijd terug voor het groote gevaar, waarmede de
Uskoken hen telkens dreigden, namelijk een oorlog met den duitschen
Keizer. Toch kon de republiek dien oorlog op den duur niet vermijden:
wederom een historische episode, waarvan de rechtstreeksche aanleiding
moet gezocht worden in de afpersingen der piraten. De Uskoken wonnen
er niets bij: want hunne onmiddellijke buren, vast besloten tot hunne
uitroeiing, keerden zich tegen hen, om zoo doende aan de wraak der
Venetianen. die de gansche kust afliepen, te ontsnappen. De bewoners
van Segna en Crissa, hunne beide roofnesten, grepen de wapenen op tegen
de bandieten, en zonden het hoofd van hun aanvoerder naar Venetië. De
republiek bleef nog steeds oorlogvoeren; Spanje bedreigde haar op zijn
beurt; Frankrijk, destijds haar trouwe bondgenoot, trad bemiddelend
op tusschen den Aartshertog en de Venetianen, en het zoogenaamde
traktaat van Madrid kwam tot stand, dat den 26sten September 1617 te
Parijs werd geratificeerd.
Een artikel van dat traktaat bepaalde, dat de Aartshertog een
duitsch garnizoen in Segna zou leggen, en dat, zoodra dit geschied
was, Venetië hem een der vestingen zou teruggeven, waarvan het zich
gedurende den oorlog had meester gemaakt. Binnen twintig dagen na de
dagteekening van het traktaat, zou eene beslissing genomen worden
ten aanzien der Uskoken: hunne vaartuigen zouden verbrand worden,
de piraten zelven verstrooid; en zoodra de volledige uitvoering van
het traktaat goed verzekerd was, zou de republiek al het op het Rijk
veroverde grondgebied weder afstaan.
Van de stoute en onverschrokken gasten, die aan machtige legers en
vloten weerstand hadden geboden, waren er niet meer dan tusschen de
vier- en vijfhonderd over, die inderdaad Uskoken of zonen van Uskoken
konden heeten. Na eene zorgvuldige telling, verbande de Aartshertog
ze allen met name: men wees hun landerijen aan in den omtrek van
Karlstadt. Zij hadden Segna een eeuw lang bezeten, en waren nooit
meer dan duizend man sterk geweest.
"In dertig jaar, zegt Leon Bruslart (de toenmalige fransche gezant),
hadden zij aan de republiek dertig millioen gouds gekost, zoowel in
buit gemaakte schepen, in nadeelen van anderen aard, als in betaalde
vergoedingen aan de Turken of voor kosten van militaire uitrustingen."
Naar men zegt, zouden de Uskoken, in 1617 naar Krain overgebracht,
nog heden, onder hun waren slavischen naam, ten getale van meer
dan duizend, in die provincie worden aangetroffen. Zij kleeden
zich, naar men verhaalt, in witte wol, dragen des zomers linnen,
en onderscheiden zich verder door eigenaardige zeden en gebruiken
van de andere inwoners.
III.
Men telt in de golf van Quarnero niet minder dan dertig eilanden
of klippen, als schepen te midden der golven geankerd, die allen
bij de zeevaarders bij name bekend zijn. Vijf van deze eilanden,
Cherso, Veglio, Lussine, Pago en Arbe, bevatten steden en havens. De
anderen zijn eigenlijk niet meer dan klippen of rotsen (scogli);
op de grootsten vindt men slechts enkele visschershutten. De drie
eerstgenoemde eilanden behooren tot het markgraafschap Istrië, de
twee anderen tot het koningrijk Dalmatië.
De reiziger, die van Pola naar Fiume vaart, heeft het eiland Cherso
aan zijne rechterhand; oorspronkelijk maakte dit eiland een geheel uit
met het eiland Lussine; maar ten gerieve van de scheepvaart, heeft men
tusschen de beide eilanden een kanaal, het kanaal van Ossoro genoemd,
gegraven, waarover eene smalle brug ligt, de Cavanella genoemd.
Cherso heeft eene lengte van niet minder dan vijf-en-dertig, en eene
breedte van zeven mijlen; de kust is steil, de bergen zijn voor een
deel kaal en naakt; de valleien, ook die het meest tegen den wind
zijn beschermd, bieden slechts een steenachtigen, rotsigen bodem
aan. Er wordt een weinig koren verbouwd, maar daarentegen veel wijn,
olijven en honig. Een van de hoofdbronnen van de welvaart des lands
is de veeteelt. De zee nabij de kust is zeer rijk aan visch; en in het
meer Vrana, in het binnenland, vindt men palingen van zeldzame grootte.
De stad, waaraan het eiland zijn naam ontleent, telt ongeveer
vijfduizend inwoners, en niet minder dan acht kerken. De haven is zeer
goed, de kaaien zijn meerendeels met nieuwerwetsche gebouwen omzoomd;
de stad zelve is aan haar steenen muurgordel ontwassen: zij heeft zich
rechts en links uitgebreid en de berghellingen beklommen. Ondanks de
olijvenkweekerij en den wijnbouw, ondanks de uitgebreide veeteelt ook,
is Cherso toch hoofdzakelijk een land van zeevaarders en matrozen. De
scogliari of eilandbewoners gaan dikwijls ver weg, tot in het uiterste
Oosten, om hunne fortuin te beproeven; en de arme eilander, die met
groote moeite en zware inspanning, door het kweeken van olijven of
druiven, een schamel stuk brood verdient, wijst den vreemdeling met
trotsche bewondering op de enkele gelukkigen, die als signori van
hunne verre reizen zijn teruggekeerd.
Ossero, zoo als het eiland Lussine doorgaans genoemd wordt, is kleiner
dan Cherso, maar bezit twee havens, Lussin-Grande en Lussin-Piccolo,
die van zooveel belang zijn, dat sommige aardrijkskundigen het geheele
eiland met den naam Lussine aanduiden. De stad Ossero treedt voor
deze twee havens in de schaduw; zij ligt op een voorgebergte, op het
eiland Cherso, maar het kanaal, dat haar van het eiland Ossero scheidt,
is zoo smal, dat de Cavanella bijna niet meer dan eene sluis is. Deze
stad, die vroeger haar naam aan het gansche eiland schonk, is thans
verlaten en als uitgestorven: zij telt niet meer dan eenige honderden
inwoners: het leven heeft zich geheel saamgetrokken in de twee havens.
Lussin-Piccolo, naar den naam te oordeelen de kleinste der beide
steden, is echter inderdaad de grootste; zij ligt aan den oever
eener ruime, goed gesloten baai, aan den voet van een tamelijk hoogen
berg. De ingang van de baai is zoo smal, dat wij eenmaal het anker
uitgeworpen hebbende, de straat, waardoor wij de baai zijn binnen
gevaren, niet meer terugvinden kunnen. Lussin-Piccolo is eene nijvere,
vooruitstrevende stad, waar energie en kloeke ondernemingszucht woont;
ook zij heeft haar muurgordel verbroken, en zich naar alle zijden
langs de berghellingen uitgebreid; nog voortdurend zet zij hare palen
uit, overal verrijzen nieuwe, witte, geheel moderne huizen. Zelfs de
voorsteden, waar zich de scheepstimmerwerven, haar rijkdom en haar
trots, bevinden, zijn allengs binnen den kring der wassende gemeente
opgenomen, zoodat men nu, midden in de stad, schepen op stapel kan
zien staan.
De bewoners van Lussine overtreffen al hunne buren in ijver, in
levendigheid, in verstand, in zuinigheid en overleg; zij hebben van
de gunstige omstandigheden uitnemend weten partij te trekken, en
als het getij verliep, de bakens verzet. Zij bouwen de vaartuigen,
die langs de geheele kust voor de kleine vaart gebruikt worden; ook
kan geen andere haven van Istrië of Dalmatië met deze wedijveren voor
den bouw van groote koopvaardijschepen. Tijdens mijn bezoek, wees
men mij op een der werven, het grootste schip dat tot dusver hier
gebouwd was. Er is als het ware een wedstrijd tusschen deze kleine,
energieke stad en de scheepstimmerwerven langs de kust. Te Gravosa, de
haven van Ragusa, was voor eenigen tijd een koopvaardijschip gebouwd,
dat als het grootste werd beschouwd, dat daar nog ooit van stapel was
geloopen. Eenige maanden later werd te Klein-Lussine de kiel gelegd van
een schip van nog meer tonneninhoud. Tijdens mijn verblijf stonden er
acht schepen op stapel. De zee dringt schier als eene wigge in de stad
door; overal zijn kaden; de gansche stad is een haven, en de geheele
haven is stad. De bewoners zijn tegenwoordig geen reeders meer, maar
houden zich hoofdzakelijk met scheepsbouw bezig; zij trekken dus al
het voordeel van hun arbeid, en zijn niet blootgesteld aan verliezen
door het vergaan van schepen. Gedurende den Krimoorlog hebben velen
hunner fortuin gemaakt, door ten behoeve der Franschen, Engelschen,
Piemonteezen en Turken, hunne schepen te verhuren voor het vervoer
van allerlei krijgsbenoodigdheden.
Tegenwoordig liggen de stoombooten viermaal in de week te Lussine
aan; deze stad is, ondanks hare weinig talrijke bevolking, die
hoogstens omstreeks vijfduizend zielen kan bedragen, eene van de
belangrijkste der gansche kust. In 1848 telde zij niet meer dan
vijf-en-twintighonderd zielen.
Van al deze eilanden is Veglia het vruchtbaarste en meest bevolkte;
het ligt onder de kust van Kroatië, waarvan het door het kanaal van
Maltempo is afgescheiden. Op de kaart schijnt dit kanaal smal en
gemakkelijk over te steken, maar inderdaad is dit niet het geval; de
vaart van het eene eiland naar het andere in een visschersvaartuig, is
eene heele reis. De bevolking van het schoone eiland, tusschen vijftien
kleine stadjes en meer dan vijftig dorpjes en gehuchten verdeeld,
bedraagt ongeveer vijf-en-twintigduizend zielen. De inwoners leggen
zich minder dan die van Cherso op de zeevaart toe, en zijn ook minder
welvarend, ondanks de uitnemende vruchtbaarheid van den grond. Van het
eiland Veglia ontvangt Fiume schier al zijne benoodigdheden: koren,
olie, wijn, heerlijke vruchten. Wij steken van Porto-Re de straat over
naar Castelmucchio; langs een zeer moeilijken en vermoeienden weg,
alleen bruikbaar voor voetgangers of voor de kleine, zenuwachtige,
zeer vlugge paarden, die op het eiland geboren en ook naar elders
uitgevoerd worden, wandelen wij, dwars door het eiland heen, naar het
stedeke Veglia. Die kleine havenstadjes gelijken allen op elkander. Zij
zijn allen gebouwd aan een door de natuur gevormden inham van de
hooge kust, eene kalme baai, die door de omringende bergen tegen de
aanvallen van de geduchte bora beveiligd wordt. Langs den oever,
half tegen de berghellingen opklimmende, groepeeren zich dan, in
vaak schilderachtige wanorde, de witte huizen van het kleine vlek,
half handelstad, half visschersdorp.
De geschiedenis van het eiland Veglia is zeer belangwekkend en rijk
aan afwisseling. Sinds de vroegste tijden, waarvan de kronieken
melding maken, was dit eiland eene zelfstandige republiek, waarvan
de magistraten gezamenlijk door de edelen en de plebejers, ieder
voor een deel, werden verkozen. Aan het hoofd van het uitvoerend
bewind stond de hoogste overheidspersoon, met den titel van Graaf,
die voor een jaar gekozen werd. Doch daar het eiland telkens aan
de aanvallen der zeeroovers bloot stond en reeds herhaaldelijk de
bescherming van Venetië had moeten inroepen, gaf de kleine republiek
zich zelve, in de twaalfde eeuw, vrijwillig aan Sint-Marcus. In 1260,
tijdens het bestuur van den Doge Rainero Zeno, werd het eiland, door
de regeering van Venetië, tot een leen verklaard ten behoeve van
de broeders Zuane Schinella, patriciërs van edelen stam. Zonder van
zijne rechten of bezittingen afstand te doen, verklaarde de Senaat
het gezag over het eiland erfelijk in deze familie, die den titel
had aangenomen van graven van Frangipani. Omstreeks dienzelfden tijd
zwierf Bela IV, de verdreven Koning van Hongarije, door de Turken
achtervolgd, als vluchteling langs de naburige kust; hij zocht en hij
vond eene schuilplaats op Veglia. De inwoners, vreezende dat de Turken
hen zouden overvallen, hielpen nu Bela een leger bijeen brengen; de
onttroonde Koning stak daarmede naar den vasten wal over, verjoeg de
Turken en herwon het land. Ter belooning voor de bewezen hulp, gaf
Bela aan de Frangipani de stad Segna ter leen. Toen vormde zich een
hongaarsche partij op Veglia, en het eiland zeide de gehoorzaamheid
aan Venetië op. Maar de Senaat duldde geen verzet van de zijde zijner
koloniën: hij vaardigde gezanten af naar graaf Zuane, die weigerde
zich te onderwerpen. Welhaast uit zijne bezittingen verdreven, moest
Zuane een wijkplaats zoeken in Segna, en do standaard van Sint-Marcus
wapperde op nieuw op het eiland. De macht der Frangipani ging allengs
te gronde. Volgens eene vrij algemeen verspreide overlevering,
zouden de inwoners van Veglia, eeuwen lang, de herinnering aan de
Frangipani hebben bewaard, en, ter gedachtenis aan dit geslacht,
de gewoonte aangenomen om, bij wijze van rouw, donker gekleurde
kleederen te dragen.
Veglia heeft een eigen bisschop; ook was ik getroffen over het groot
aantal priesters, die ik op het eiland ontmoette: ook dat is trouwens
nog eene herinnering uit den tijd der Venetianen. Men vond in de
golf van Quarnero een aantal kloosters, meerendeels door de rijke
patriciërs gesticht en mild begiftigd. Nog heden ontwaart de reiziger,
die deze eilanden doorkruist, hier en daar, op eene eenzame plek,
op een schilderachtigen heuveltop, een eerwaardig kloostergebouw,
op welks muren nog het fiere blazoen van Sint-Marcus prijkt.
De twee dalmatische eilanden, Pago en Arbe, zijn veel kleiner. De kust
langs het kanaal della Morlacca, dat deze eilanden van den vasten
wal scheidt, is steil, wild en rotsachtig. Daar heerschen telkens
geweldige winden, en de hoogste terreinen van deze eilanden zijn
onbewoond en onbebouwd; maar aan de andere zijde, langs de kust van
den Quaruerolo, is de bodem vruchtbaar en wel bebouwd: daar tieren
olijven, wijngaarden en moerbeziënboomen. De bevolking splitst zich
in zeevaarders en landbouwers, tevens veefokkers; de vischvangst is
zeer bloeiend en levert rijke uitkomsten op.
Pago maakt een zeer eigenaardigen indruk: dit eiland is eigenlijk
eene aaneenschakeling van kleine eilandjes, door smalle landtongen aan
elkander verbonden. De stad van gelijken naam is in de zestiende eeuw
door de Venetianen gebouwd; het besluit van den Senaat, waarbij de
bouw der stad binnen een bepaalden tijd werd gelast, berust nog in de
archieven. Pago, een der sleutels van den Quarnero, was een punt van
groot strategisch gewicht; wie hier gebood, was meester van een der
uitgangen van het kanaal della Morlacca, en kon dus gemakkelijker de
Uskoken in Segna blokkeeren. De Venetianen bouwden hier een citadel,
legden een haven aan, en richtten de plaats in tot militaire post
en station voor de galeien, die voor de veiligheid der golf moesten
zorgen. Het eiland telt een tiental dorpen of gehuchten; Pago levert
wijn op, het bezit ook rijke zoutputten en een steenkolenmijn.
De reiziger, die een tocht door deze eilanden wil doen, moet zich
van den noodigen voorraad voorzien en alles wat hij behoeft zelf
medenemen. Men kan zich moeilijk een begrip vormen van de levenswijze
der bewoners van het binnenland. Op Cherso, Veglio en Ossero vindt
men langs de kust, en vooral in de havens, althans een onderkomen,
en wanneer men zijne eischen zeer matig stelt, kan men hier ook het
noodige voor levensonderhoud bekomen. Maar als men de havens verlaat,
om hetzij te paard, hetzij te voet, een dezer eilanden in zijne lengte
en breedte te doorkruisen, is zelfs voor goud noch logies, noch voedsel
te bekomen; en nog altijd herinner ik mij den afschuwelijken smaak
van een schotel olijven, in olie drijvende, die eene arme vrouw van
Val Cassione, ter eere van den vreemdeling, met suiker had bestrooid
en mij voorzette.
IV.
De tocht van Fiume naar Zara duurt zeventien uren; wie van
Lussin-Piccolo vertrekt, hoeft slechts zes uren noodig om de hoofdstad
van Dalmatië to bereiken. Bij fraai weder, is zulk een zeereisje een
waar genot. De uitstekend ingerichte stoombooten van de Lloyd varen
steeds dicht langs de kusten; ge telt achtervolgens al die kleine
havenstadjes en schilderachtige dorpen, half wegschuilende tusschen
de bergen; met rustige zekerheid vervolgt de boot haar weg door dien
doolhof van kanalen, zich slingerende tusschen de tallooze eilandjes
en klippen, langs de kusten gestrooid.
De meest geschikte tijd voor een pleiziertochtje in de
Adriatische-zee is de lente of het begin van den herfst. November
is een noodlottige maand, en de laatste dagen van den winter zijn
vol van gevaren. Naarmate men het Oosten nadert, worden de kleuren
en tinten levendiger; de wateren schijnen met zilver overstrooid;
de donkere bergen schijnen te zweven in een van licht stralenden,
van goudglans doortrokken ether.
Dalmatië vormt eene smalle strook lands, door Kroatië en Herzegowina
begrensd, en zoo zeer tusschen de bergen en de zee ingeklemd, dat het
schijnt of de kust in eene ontelbare menigte eilanden en eilandjes
is verbrokkeld. Op sommige punten is deze strook zoo smal, dat de
Turken, van de toppen der bergen, eene in de dalmatische havens voor
anker liggende vloot zouden kunnen beschieten. Ten zuiden, omstreeks
Ragusa, heeft het land de minste breedte; even beneden Sebenico,
tusschen kaap la Planca en den berg Dinara, is de breedte het grootst.
Een der zijtakken van de Alpen loopt in zuidoostelijke richting van
Krain tot nabij Griekenland, scheidt het bekken van de Adriatische-zee
van het stroomgebied van den Donau on de Zwarte-zee, en sluit zich ten
zuiden aan de gebergten van Epirus aan. De van dezen bergrug uitgaande
zijtakken en heuvelklingen, die naar het zuiden en zuidwesten loopen,
vormen de bergen van Dalmatië.
Vier rivieren, die in sommige gedeelten van haar loop vrij belangrijk
zijn, vormen vier bekkens, en splitsen de bergen van Dalmatië in
vier onderscheidene groepen. Deze rivieren vloeien, door meer of
minder diepe valleien, naar de Adriatische-zee: en naarmate zij de
kust naderen, nemen de bergen in hoogte toe, en eindigen meestal in
zeer hooge, steile rotskegels.
Die vier rivieren zijn: de Zermagna, die de grensscheiding met Kroatië
vormt; de Kerka, dio dicht bij de Zermagna ontspringt, langs het fort
Knin vloeit, bij Scardona een beroemden waterval vormt, en bij Sebenico
in de Adriatische-zee uitloopt; de Czettina, die eerst van het noorden
naar het zuiden, vervolgens naar het westen loopt, en bij Almissa in
zee valt; en eindelijk de Narenta, die in Herzegowina ontspringt,
twintig mijlen van de dalmatische grens verwijderd, en zich in de
moerassen boven Fort-Opus verliest.
De bodem is dor, hard, steenachtig, dikwerf voor bebouwing ongeschikt;
in sommige streken, zoo als, bij voorbeeld, tusschen Zara en Knin,
vindt men op eene uitgestrektheid van vijf of zes mijlen, nergens
bouwland: ter nauwernood bespeurt men hier en daar, op de toppen
der heuvelen, of tusschen de rotsen, eenige dwergachtige, schrale
boomen. Kudden van klein, mager vee vormen schier al den rijkdom
des lands; en de Dalmatiër, hoezeer matig en arbeidzaam van aard,
aan inspanning gewend, heeft toch dikwijls moeite in zijn onderhoud
te voorzien. De oude bosschen van Dalmatië, die nog in den atlas
van Coronelli, den geograaf der doorluchtige Republiek, voorkomen,
bestaan tegenwoordig niet meer, tenzij dan in de gedaante van
doornig struikgewas. De vernieling dezer bosschen wordt hoofdzakelijk
toegeschreven aan de geiten, die de jonge uitspruitsels der boomen
afknabbelen; toen, in het begin dezer eeuw, de fransche troepen
Dalmatië bezetten, bedroeg het getal dezer dieren, naar men zegt,
niet minder dan elfhonderd-duizend. Tijdens het venetiaansche bestuur
bestonden er bepalingen, waarbij het getal der geiten werd beperkt
en regelen gesteld voor het weiden.
Het land is arm, maar de bevolking is wel de aandacht waardig. Naar
men zegt, sterven vele kinderen, ten gevolge der heerschende armoede,
op zeer jeugdigen leeftijd; de sterkeren alleen blijven in leven,
en zoo doende verbetert het ras. De bevolking van Dalmatië is sterk,
moedig, prikkelbaar en vatbaar voor geestdrift; de bewoners zijn voor
het meerendeel zeer onwetend, maar zoo het hun aan kennis ontbreekt,
bezitten zij daarentegen de vrij wat kostelijker gaven van eenvoud des
harten, oprechtheid en onwankelbare loyauteit. Men heeft Dalmatië, niet
ten onrechte, het land der deuren zonder sloten genoemd. Diefstal is
onbekend; de misdrijven, welke hier voorkomen, zijn die van mannen,
gewoon hun tegenstander in het aangezicht te weerstaan, en die
gruwen van lafheid en huichelarij. Deze groote, stevig gebouwde,
sterk gespierde Dalmatiërs, met hunne edele gelaatstrekken en hun
krijgshaftig voorkomen, zijn niettemin lui en zorgeloos; hunne vrouwen
moeten den zwaarsten arbeid verrichten, terwijl de mannen rustig zitten
te rooken. Zij zorgen niet voor den dag van morgen, en spaarzaamheid
is hun eene bijna onbekende deugd. Nog in den laatsten tijd volgde,
op jaren van betrekkelijk overvloedigen oogst, een enkel jaar van
misgewas: dadelijk heerschte alom de grootste ellende; niettemin was
de veiligheid in het door den honger geteisterde land niet minder
volkomen dan vroeger.
Het aantal reizigers, die het land in alle richtingen hebben
doorkruist, is niet groot; en daar men dit niet anders dan te voet of
te paard kan doen, is het aantal van hen, die eene beschrijving van
hunne reis in het licht hebben gegeven, nog geringer. Dalmatië is geen
land voor onze moderne toeristen, die zich niet gaarne blootstellen
aan de ongemakken der reis in een streek, waar men soms honger en
dorst lijden kan, en bijna geen van de gemakken vindt, waaraan het
leven ons gewend heeft. Echter kan men, met eenige zorg zijn dagreizen
berekenende, welhaast zeker zijn, dat men bijna altijd gelegenheid
zal vinden om behoorlijk te overnachten en in een bed te slapen.
Wegen zijn zeldzaam, maar zij zijn volkomen veilig, ondanks het woeste
karakter des lands, het krijgshaftige, min of meer ruwe voorkomen
der bewoners, en het arsenaal van wapenen, dat ieder hier steeds bij
zich draagt. De Dalmatiër is gastvrij, en geheel onbekend met die
streken en kunstgrepen, die geen ander doel hebben dan om den reiziger
af te zetten, en zooveel mogelijk voordeel van hem te trekken. De
levenswijze is meer dan eenvoudig en vordert dus niet veel uitgaven;
de eenige uitgave, waar men niet buiten kan, is die voor de middelen
van vervoer. Op de weinige groote wegen is het vervoer, zelfs per
as, zeer duur; en wanneer men de bergpaden moet volgen, en paarden,
muilezels en gidsen moet huren, dan loopt dit betrekkelijk zeer hoog;
maar daar de overige verteringen weinig te beteekenen hebben, weegt
het een weer tegen het ander op. Wie in Dalmatië wil gaan reizen,
moet zorgen altijd wat brandewijn en eenige ingelegde spijzen bij
zich te hebben; want het is mij meermalen overkomen, dat ik, na een
vermoeienden rit van tien uren langs bijna onbegaanbare wegen, in eene
armelijke woning komende, honger moest lijden, omdat de bewoners,
ook met den besten wil der wereld, mij zelfs geen ei of een handvol
rijst verschaffen konden.
De illyrische oorlogen leverden dit land in handen der Romeinen, die
het in drie provinciën verdeelden, een soort van vazalstaten, welke
wel het oppergezag van Rome erkenden, maar overigens eene groote
mate van zelfstandigheid behielden. Het dalmatische gemeenebest
was voorspoedig en welvarend: het telde niet minder dan tachtig
steden, en was in staat legers op de been te brengen, die, Rome's
oppergezag miskennende, zelfs de romeinsche koloniën te Lissa en Trau
aantastten. Dezen riepen de hulp in van den Senaat, en nu begon een
reeks van oorlogen, die honderd-vijftig jaar lang voortduurden; wel een
bewijs, dat de Romeinen hier met een dapper en energiek ras te doen
hadden. Agrippa, Tiberius, Germanicus, Octavius-Augustus moesten het
land voet voor voet veroveren; in het negende jaar der christelijke
jaartelling was geheel Dalmatië eindelijk voor goed onderworpen aan
de heerschappij van het keizerlijke Rome. Tot dusver had het land
den naam gedragen van Illyrië; nu werd het Dalmatië genoemd, en daar
het ongehoorzaam was geweest aan het gezag der machtige metropolis,
moest het voortaan alle zelfstandigheid missen. Dit gemis werd echter
opgewogen door grooten bloei en ongekenden voorspoed; verder deelde
Dalmatië in de lotgevallen des rijks. Toen de barbaren uit het Oosten
naar het Westen drongen, vernielden zij op hun weg al die bloeiende en
prachtige steden, waarvan wij nog de verstrooide ruïnen aanschouwen:
Scardona, Salona, Epidaurus, Nona, Promona en zoovele anderen.
Achter de Gothen en Avaren komen de Kroaten en de Serviërs, die het
land onder zich verdeelen; dan komt Dalmatië onder de heerschappij
der grieksche Keizers; later, tijdens de oorlogen tusschen de
Turken en het wegstervende byzantijnsche rijk, nemen de Koningen van
Hongarije de plaats der Keizers in. Beurtelings oefent bijna iedereen
de heerschappij in Dalmatië uit: de Sarraceenen, de Venetianen,
de Napolitanen, zelfs de Genueezen; de piraten van Narenta richten
zulke verwoestingen aan, dat Venetië de Dalmatiërs te hulp komt, en,
tot prijs voor deze bescherming, hun de onafhankelijkheid ontneemt.
Eerst bij het traktaat van 6 September 1669 echter, dat, door den
afstand van het eiland Kandia. een einde maakte aan den langdurigen
oorlog tusschen de Turken en de Venetianen, werd door Turkije de
souvereiniteit erkend van de republiek over het gansche kustland
van Cattaro tot aan de golf van Triëst; van weerszijden worden
gevolmachtigden benoemd tot regeling van de grensscheiding. De
heerschappij van Venetië duurde, ondanks de pogingen van
enkele oproerige steden om het vreemde juk af te schudden,
driehonderd-vijftig jaar, tot op het traktaat van Campo-Formio,
den 17den October 1797 gesloten. Daarbij werden Istrië, Dalmatië,
de voormalige venetiaansche eilanden in de Adriatische-zee, Cattaro
en Venetië zelve aan den Keizer-Koning van Duitschland afgestaan. De
oostenrijksche heerschappij duurde echter ditmaal niet lang: reeds
den 9den Februari 1806, bij het traktaat van Presburg, werd Dalmatië
aan Frankrijk afgestaan. Napoleon lijfde het land bij het koningrijk
Italië in, en schonk aan den maarschalk Soult den titel van hertog van
Dalmatië. In Juli 1809 drongen de Oostenrijkers het land binnen; maar
bij den vrede van Weenen werd het op nieuw aan Frankrijk afgestaan. Nu
werd het echter van Italië gescheiden, en van 1809 tot 1814, met de
andere aan Oostenrijk ontweldigde en onder den naam van Illyrische
provinciën vereenigde gewesten, bestuurd door gouverneurs-generaal,
die hunne residentie te Laibach hadden. De eerste dezer stadhouders
was Marmont, begiftigd met den titel van hertog van Ragusa. Na den
val van Napoleon werd het land, bij de traktaten van 1815, weder aan
Oostenrijk teruggegeven, waartoe het tot heden behoort.
Het koningrijk Dalmatië is in vier kreitsen verdeeld, die elk
een zeker aantal distrikten bevatten; de hoofdstad des lands is
Zara, tevens de residentie van den stadhouder, tegenwoordig Baron
Rodich, in wiens handen zoowel het burgerlijk als het militair
gezag berust. De vier kreitsen dragen, naar de hoofdplaatsen, de
namen van Zara, Spalato, Ragusa en Cattaro. Tot den kreits van Zara
behooren de eilanden Pago en Arbe, en voorts de distrikten Zara,
Obbrovatz, Knin, Scardona, Dernis en Sebenico. De kreits van Spalato
bevat de districten Spalato, Trau, Sign, Almissa, Smorchi, Brazza,
Lissa, Macarsca en Fort-Opus. Tot den kreits van Ragusa behooren de
districten Curzola, Sabioncello, Slano, Ragusa en Oud-Ragusa; en tot
den kreits van Cattaro de distrikten van Castel-Nuovo, Cattaro en
Budua. Zara telt tweehonderd-vier-en-negentig gemeenten; Spalato,
tweehonderd-een-en-vijftig; Ragusa, honderd-veertig, en Cattaro,
honderd-vier.
Tegen het einde van het venetiaansche bestuur telde Dalmatië
tweehonderd-twee-en-vijftigduizend inwoners; toen de maarschalk
Marmont eene volkstelling liet houden, schatte hij de bevolking op
tweehonderd-vijftigduizend zielen, die bijna allen de katholieke
godsdienst beleden; de aanhangers der grieksche kerk schatte hij
op niet meer dan een tiende van het geheel. In 1838 bedroeg het
totaalcijfer der bevolking ruim drie-honderd-vijftigduizend;
de verhouding tusschen de Slaven en de Italianen was toen
van driehonderd-veertigduizend tot zestienduizend, bijna allen
kustbewoners. In 1844 werd de bevolking op vierhonderd-drieduizend
zielen geschat; de laatste opgaven geven een cijfer aan van ruim
vierhonderd-vijftigduizend. Er is dus ontegenzeggelijk vooruitgang;
niettemin is de bevolking gering, in verhouding tot de uitgestrektheid
des lands.
Venetië oefende haar gezag uit door middel van beambten, die naar
Dalmatië gezonden werden om in naam van de republiek en den Senaat
het bewind te voeren; zij droegen den naam van proveditoren, en
waren zoowel met het burgerlijk als het militair gezag bekleed;
naar gelang van de belangrijkheid der stad, voerden zij den titel
van graaf, gouverneur, kapitein of burchtvoogd, maar zij stonden
allen onder de bevelen van den proveditor-generaal, die rechtstreeks
briefwisseling voerde met den Senaat en den Doge. Te Zara en te Spalato
werden die proveditoren in het bestuur bijgestaan door een raad van
drie patriciërs, uit Venetië gezonden. Maar daar de republiek nimmer
haar stelsel van argwanende controle liet varen, en daar zij hare
koloniën wenschte te beschermen tegen mogelijk misbruik van macht
van de zijde dezer proveditoren, werd telkens om de drie jaar eene
buitengewone commissie, bestaande uit drie senatoren, afgevaardigd,
om een algemeen onderzoek in te stellen, en tevens aan allen, die
meenden zich over handelingen van het bestuur te moeten beklagen,
gelegenheid te geven, die klachten persoonlijk in te brengen. Deze
buitengewone commissarissen traden met groote staatsie en veel
vertoon van indrukwekkende macht op: tot hun gevolg behoorde ook
de beul, in het rood gekleed en met het zwaard in de hand. Later
werd, vooral op aandrang der proveditoren, de taak dezer commissie
eenigszins gewijzigd.
Tegenwoordig heeft iedere stad haar gemeenteraad, die belast is met
de zorg voor de stoffelijke en zedelijke belangen der burgerij. De
behartiging van de algemeene belangen des lands is opgedragen aan den
Landdag van Dalmatië, eene vertegenwoordigende vergadering, waarvan de
leden gekozen worden, en die te Zara bijeenkomt. De Landdag vaardigt
eenigen zijner leden af naar den Rijksdag te Weenen; de bijzondere
belangen van Dalmatië worden dus ook in de hoogste regeeringscollegiën
der monarchie vertegenwoordigd. De zittingen van deze vergadering
te Zara kunnen soms onstuimig genoeg zijn, wanneer de politieke
hartstochten der verschillende partijen worden opgewekt.
In den Landdag van Dalmatië staan, even als in dien van Istrië,
drie partijen tegenover elkander: de italiaansche partij, de
slavische partij, en de duitsche partij. Elk van deze drie maakt
voor zich aanspraak op de heerschappij. De groote intellektuëele
en staatkundige beweging, in de laatste jaren voornamelijk van
Agram uitgegaan, en de oprichting eener slavische universiteit,
hebben de slavische partij aanmerkelijk versterkt en een vasten
bodem voor haar streven geschapen. De slavische idee ligt ten grond
aan de herhaalde bewegingen en opstanden in de aangrenzende turksche
provinciën; zich harer kracht bewust, streeft zij er naar, zich een
vasten vorm te verschaffen, uitdrukking te vinden, tot werkelijkheid
te worden. Het ware roekelooze verblinding, dit niet te zien, en
gevaarlijke zelfmisleiding het gewicht van deze verschijnselen te
miskennen. Blijkbaar woelt en werkt in de gemoederen dezer bevolkingen
het denkbeeld eener slavische eenheid; en wellicht is de dag niet
zoo verre meer, waarop de Slaven in Bohemen en Moravië, of althans
die in Kroatië, in Servië, in Bosnië, in Herzegowina, in Dalmatië,
in Bulgarije en Montenegro, alle onderlinge verdeeldheid vergetende,
en de slagboomen, die hen nu nog scheiden, verbrekende, zich onder
de banier van één hoofd zullen scharen, en met haastige schreden
zullen jagen naar de verwezenlijking van een ideaal, waarvoor men
nog niet durft uitkomen, maar dat geen geheim kan zijn voor ieder,
die met eenige aandacht de stemming der bevolking in deze gewesten
heeft gade geslagen.
Niemand kan zeggen, hoe lang het nog duren zal eer de groote
slavische beweging zulke kolossale afmetingen zal aannemen, en
eene overweldigende macht zal worden. Om haar einddoel te bereiken,
zal zij zeer geduchte vijanden moeten overwinnen en een harden kamp
hebben te voeren; voor meer dan één europeeschen staat geldt het hier
inderdaad de kwestie van te zijn of niet te zijn. Welke houding zal
Rusland, welke Oostenrijk tegenover deze beweging aannemen? Van welken
invloed zal zij zijn op de naaste toekomst van het vermolmde rijk der
Osmanlis? Ziedaar vragen, waarin wij ons nu niet willen verdiepen,
en waarop het ook onmogelijk is, thans een antwoord te geven. Dit is
zeker: even als Europa eene italiaansche en eene duitsche kwestie
gekend heeft, waarvan de tijdelijke of definitieve oplossing op
stroomen bloeds en tranen is komen te staan, zoo zal het ook weldra
eene slavische kwestie leeren kennen, die niet minder beroeringen,
omwentelingen en oorlogen in haar schoot verbergt. Ieder ziet en
gevoelt dit; zonderling echter is het, dat zij, die, waar het de
unificatie van Duitschland, of liever de onderwerping van Duitschland
aan Pruissen gold, elk middel geoorloofd rekenden, die verraad en
onrecht, geweld en roof toejuichten, mits ze maar bevorderlijk waren
aan het groote doel;--dat diezelfde lieden, voor wie het recht der
duitsche eenheid boven alle bedenking stond, en elk ander recht
beheerschte, nu aan de Slaven het recht betwisten, het hun gegeven
voorbeeld na te volgen en op hunne beurt naar nationale en politieke
eenheid te streven! Dat de verwezenlijking van dit slavische ideaal
voor Pruissen-Duitschland minder aangename gevolgen zou kunnen
hebben, is toch op zich zelve geen reden, waarom het streven der
Slaven ongeoorloofd moet worden genoemd? Van historisch recht mag
hier geen sprake zijn: de moderne staatslieden en rechtsgeleerden
hebben ons immers sedert lang aangetoond en metterdaad bewezen dat
dit niet bestaat?
V.
Mocht een mijner lezers ooit Zara bezoeken, dan wensch ik hem toe,
dat hij daar te scheep aankome, in het begin van den herfst, met mooi
frisch weer, liefst des morgens, als de zwevende nevels wegsmelten voor
de stralen der rijzende zon. Een voor een zal hij dan de eilanden,
die het kanaal van Zara vormen, uit den wijkenden morgennevel zien
opdoemen: en weldra vertoont zich aan zijn blik de blanke stad zelve,
binnen hare muren omsloten, en fier haar vele torens en spitsen ten
hemel heffende.
De stad slaapt nog en de kaaien zijn ledig: enkele pandoeren, geheel
met zilver en blinkende muntstukken bedekt, de roode muts met gouden
pailletten op het hoofd, zitten op den oever, hun kersenhouten
pijp rookende, en naar ons vaartuig ziende. Achter ons laat zich
een eigenaardig geluid hooren: omziende bespeuren wij twee groote
inlandsche vaartuigen, met hun eenvoudige lijnen, hun rood en zwart
geverwden voorsteven, waarop nevens andere figuren twee groote
fantastische oogen geschilderd zijn. Zachtkens door den morgenwind
voortgestuwd, voeren deze vaartuigen een honderdtal vrouwen en jonge
meisjes van de naburige eilanden naar de stad; eene nieuwe wereld,
de wereld van het Oosten, gaat voor ons open.
Wij treden de stad binnen door de poort van San-Chrysogone, eene
romeinsche poort, in den venetiaanschen muur gevat, waarop de republiek
haar fier blazoen met den leeuw van Sint-Marcus heeft gebeiteld. De
straten der stad zijn recht en snijden elkander rechthoekig. Men
gevoelt aanstonds dat Zara eene militaire stad is, weleer een der
hoofdbolworken tegen de Turken en de Hongaren, en telkens aan de
aanvallen der vijandelijke naburen bloot staande.
Wij nemen onzen intrek in het Capello-Nero, een klein hotel, waarvan
de met wijngaarden beplante binnenplaats aan Venetië herinnert. Naar
onze gewoonte, gaan wij, zonder vooraf vastgesteld plan, uit en de
stad in, als op eene ontdekkingsreis.
Eerst naar de markt. Hier is de algemeene verzamelplaats der
landlieden uit het binnenland van Dalmatië, en der vrouwen van de
eilanden; de kleederdrachten zijn vol karakter en van bijkans oneindige
verscheidenheid: elk distrikt heeft zijn eigenaardig kostuum, elk dorp
zijne eigene mode. Bijna alle vrouwen dragen witte linnen hemden, op
de borst en de mouwen met fraai gekleurde borduursels versierd. Over
dit hemd dragen zij een overrok zonder mouwen, donkerblauw van kleur,
van voren open, en versierd met gele, roode, donkergroene oplegsels; de
zakken prijken met zonderlinge borduursels van kleine witte schelpen en
pailletten. De koperen gordel is bezet met tallooze zilveren knoppen;
het voorschoot gelijkt een duizendkleurig tapijt van Khorassan:
het reikt tot aan de knieën, en is van onderen voorzien van eene
lange franje van dezelfde kleur en stof; kousen of beenkleeden van
dezelfde stoffage, met de hand geweven, bedekken ten deele de opanké,
het schoeisel der Slaven, uit schapenvel vervaardigd, dat op den voet
met strooien koorden wordt vastgebonden. Om den hals prijken een
aantal kettingen, die vrij laag op de borst afhangen, en deels uit
glaskoralen, deels uit muntstukken, uit amuletten, ruwe turkoisen en
allerlei andere steenen bestaan. De jonge meisjes vooral dekken zich
het hoofd met de roode muts met goudgalon en gouden pailletten; anderen
dragen een grooten witten sluier of huive, die met een punt tot op
het midden van den rug afhangt, en met een breed rood lint is omzoomd.
Dit is de algemeene type; maar ten aanzien van bijzonderheden en kleur
zijn daarin zoo vele afwijkingen en verscheidenheden, dat het geheel
den indruk maakt van een groot mozaiek. De dames der stad komen,
door hare dienstboden gevolgd, ter markt om haar inkoopen te doen:
haar westersche, moderne kleederdrachten vormen een scherp contrast
met de kostumen der landbewoners. De marktplaats zelve maakt niet veel
indruk; zij is eerst in later tijd aangelegd en bebouwd: de stijl
is een verbasterd gothisch, met byzantijnsche elementen vermengd,
zoo als dat ook nog te Venetië in zwang is. Aan een der hoeken staat,
als op de meeste italiaansche markten, een kolossale antieke zuil,
volgens zeggen, afkomstig van een tempel van Diana, waarvan men nog
de overblijfselen ziet in den tuin der artillerie-kazerne. Op de zuil
staat de leeuw van Sint-Marcus met gebroken vleugels; het voetstuk
bestaat, even als dat der zuil van de Piazzetta, uit trappen; even als
te Verona, te Vicenza en te Venetië, hangt nog op manshoogte aan de
zuil de ijzeren ketting van het brandmerk voor de bankroetiers. Men
was destijds nog naïef genoeg, een bankroetier als een misdadiger te
beschouwen. Wij zijn sedert vooruit gegaan.
Een vriendelijk voorbijganger biedt zich welwillend aan om mij te
geleiden, en met hem bezoek ik achtervolgens vijf of zes kerken:
den dom, Sint-Chrysogonus, Sinte-Anastasia, Sinte-Maria, Sint-Simeon,
Sint-Franciscus, en eenige kloosters.
De dom verdient ten volle de belangstelling: hij dagteekent uit
de dertiende eeuw, is uitnemend bewaard gebleven en wordt goed
onderhouden; in lombardischen stijl gebouwd, vertoont hij veel
overeenkomst met de kerk San-Zenone te Verona. Even als de meest
oud-lombardische basilieken, heeft ook deze dom drie schepen, ieder
met een afzonderlijken ingang; de kerk is zeker een der merkwaardigste
overblijfselen van den oudchristelijken bouwstijl in Dalmatië. De
hoofdgevel staat geheel vrij; ook in een zijstraat bevindt zich een
zeer fraaie gevel. Aan het altaar ziet men een hoogst merkwaardig
beeldwerk, dat mij toescheen afkomstig te zijn uit de eerste eeuwen
onzer jaartelling. De eerste steen van dezen dom werd gelegd door den
Doge Enrico Dandolo, na de verovering der stad door de Venetianen en
de Franschen, bij den aanvang van den vierden kruistocht.
De kerk van Santa-Maria is mede een zeer fraai gebouw, met een ruim
voorplein; zij behoort tot een Benediktijner klooster, dat in de
elfde eeuw werd gesticht door de zuster van Cresimus, Koning van
Kroatië. Een oude toren, evenwel van veel jonger datum en in den
lombardischen stijl gebouwd, dankt zijne stichting aan Koloman,
Koning van Hongarije, die Dalmatië veroverde.
Al voortwandelende door deze lange rechtlijnige straten, door de
ingenieurs der zestiende eeuw aangelegd, komen wij op de Piazza
de'Signori, die nog zeer goed onderhouden is en herinnert aan al
soortgelijke pleinen in de steden van Opper-Italië. Het niet zeer
ruime plein is vierkant; het prijkt met twee monumentale gebouwen,
waarvan het een, tegenwoordig tot bibliotheek dienende, blijkbaar
vroeger werd gebruikt voor de bureaux van den proveditor-generaal en
de zittingen der afgevaardigden. Daar werden de wetten afgekondigd
en der rechterlijke uitspraken en vonnissen den volke bekend
gemaakt. Het heeft eene ruime loggia met drie gesloten bogen, in een
strengen, soberen stijl, overeen komende met dien van Palladio. Het
inwendige is naakt en koud; van de vroegere versiering is niets
meer overgebleven dan een reusachtige schoorsteen, en een steenen
tafel door heraldieke griffioenen gedragen, en met het opschrift:
Hic regimen purum magnaque facta manent. Het beeldwerk in deze zaal
verraadt de meesterhand; in de vakken der wanden vermelden opschriften
de namen der proveditoren. Boven de boekenkasten, te hoog om goed
gezien te kunnen worden, hangen portretten en kopiën naar Tintoretto,
waarschijnlijk geschenken van senatoren. Een zeker hoogleeraar aan
de universiteit van Turijn, van Zara geboortig, Dr. Paravia, heeft
zijne bibliotheek aan zijne vaderstad ten geschenke gegeven; zij is
thans geplaatst in deze ruime zaal. Wij werden hier zeer vriendelijk
ontvangen door den bibliothekaris, den heer Simeone Ferrari Cupich.
Vlak tegenover de Loggia staat de hoofdwacht, door Sammicheli gebouwd,
maar tegenwoordig ontsierd door een toevoegsel uit de achttiende
eeuw. Op het plein bevindt zich ook nog het voornaamste koffiehuis der
stad, waar de oostenrijksche officieren plegen bijeen te komen. Deze
Piazza is het hart van Zara; het Corso loopt er op uit, en op sommige
uren van den dag is het hier buitengewoon druk en levendig.
Van nature was Zara een schiereiland, maar de Venetianen hebben het,
om stategische redenen, tot een eiland gemaakt, en omringd met muren
en breede wallen, waarlangs men de geheele stad kan rondwandelen. Zara
heeft vier poorten: twee daarvan, de poort van San-Chrysogone of de
Zeepoort, en de Landpoort, verdienen bijzondere aandacht.
Do eerste is eene romeinsche poort met een enkelen boog en een
entablement, door korinthische pilasters gedragen; de poort is een
ex-voto, door eene zekere Melia Anniana aan haren gemaal Loepicius
toegewijd. Naar het opschrift te oordeelen, zou zij vroeger nabij eene
markt hebben gestaan, en zonder twijfel was ook deze poort vroeger
versierd met standbeelden, even als de fraaie Porta Aurea van Pola:
MELIA. ANNIANA. IN. MEMOR.
Q. LOEPICI. Q. F. SERG. BASSI. MARITI. SUI. IMPORIUM.
STERNI. ET. ARCUM. FIERI.
ET. STATUAS. SUPERPONI. TEST. IVSS. EX. IIS. DCDXX.
Naar men beweert, is deze poort afkomstig uit de antieke stad Oenona;
ik vermoed dat de Venetianen, bij het bouwen van den muur, volgens
hunne gewoonte, dien boog tot een poort zullen hebben aangewend.
De Landpoort is van Sammicheli; zij vormt een waardigen toegang tot de
stad; door haar schoone en sobere lijnen herinnert zij aan de fraaie
poort te Verona. Het strekt Sammicheli tot blijvenden roem, dat hij
de schoonheid en den adel der vormen heeft weten te verbinden met de
strategische eischen van den vestingbouw, de kunst met de militaire
genie. Een groote, fraai bewerkte leeuw versiert het vak boven den
hoofdingang; de beide zijvakken bevatten opschriften ter eere van
Marc-Antonio Diedo, een proveditor uit het begin der zestiende eeuw,
van wiens bestuur te Zara nog vele sporen te vinden zijn.
Bij het doorwandelen der straten en pleinen, zoo vaak een of ander
kunstwerk uwe aandacht trekt, komt ge steeds meer tot de overtuiging
dat Zara nog geheel venetiaansch in karakter en voorkomen is. De
inwoners spreken hetzelfde dialekt als te Venetië, maar de voortdurende
betrekkingen met het slavische platteland hebben vreemde elementen in
de taal gebracht; ook zijn de meeste inwoners zoowel het italiaansch
als het slavonisch machtig. Het inwendige der huizen vertoont geheel
het italiaansche karakter; zij hebben hun binnenplaatsen (cortile) met
gebeeldhouwde putten, meermalen door wijngaardranken overschaduwd. In
sommige afgelegen straten treft men enkele paleizen aan, die geene
onwaardige figuur zouden maken naast de fraaie paleizen te Venetië.
Ge hebt niet veel meer dan een kwartier noodig om de boulevards af
te wandelen, die allen naar een heilige of een proveditor genoemd
zijn. Niemand zal zich deze wandeling beklagen; want, daar de stad
op een eiland ligt, heeft men overal het uitzicht op de zee en de
eilanden langs de kust. De veldmaarschalk Baron Welden, gouverneur
van Zara en vroeger gouverneur van Weenen, heeft in 1829, op de
vestingwerken een fraaien tuin laten aanleggen. Vroeger omsloot de
muur de stad als een ijzeren gordel; langzamerhand heeft men dien
gordel moeten verwijden, en aan de zeezijde is men bezig den muur af te
breken. De stad zal daardoor in schilderachtigheid en eigenaardigheid
van voorkomen veel verliezen; maar het moderne leven wischt overal
de sporen en herinneringen van het verleden uit, en de pogingen om
deze verwoestingen te stuiten, zijn over het geheel machteloos tegen
het steeds voortwoekerend kwaad.
De kwestie van het drinkwater is, ten allen tijde, voor Zara van
overwegend gewicht geweest. Daar de stad herhaalde belegeringen
heeft moeten doorstaan, was deze zaak van het grootste aanbelang, en
voortdurend heeft men getracht, deze moeilijke kwestie op bevredigende
wijze op te lossen. Dit blijkt vooral aan den zoogenoemde Vijf Putten.
Eene antieke waterleiding, naar men wil door Trajanus gebouwd, en
waarvan men de overblijfselen nog mijlen ver, tot in het slavische
binnenland, kan volgen, voorzag weleer in de behoeften der romeinsche
kolonie; later, toen Sammicheli zijn plan voor den vestingbouw
ontwierp, maakte hij gebruik van de werken zijner voorgangers,
wijzigde ze, en liet nieuwe kanalen graven; en daar de Venetianen
uit den tijd der renaissance niet tevreden waren, wanneer zij bij
de behartiging van het publiek belang niet tevens aan de eischen
der schoonheid voldeden, ontwierp Sammicheli een fraai plein met
vijf sierlijke putten, tegenwoordig de Cinque Pozzi genoemd, waar de
inwoners het noodige drinkwater kunnen verkrijgen.
De voorbijganger ziet van dit groote werk niets meer dan de vijf
uitstekende randen van de putten; maar de onderaardsche werken zijn
van zeer belangrijken omvang en ook uit een archeologisch oogpunt
zeer merkwaardig. Het is moeilijk, zich rekenschap te geven van den
oorspronkelijken aanleg der kanalen. Vermoedelijk hadden zij eene
dubbele bestemming: namelijk, om het water aan te voeren, en ook om,
in geval van belegering, gemeenschap met de buitenwereld mogelijk
te maken.
Dit kleine Zara is in waarheid bekoorlijk. Wij hebben er geen relatiën
aangeknoopt er geen introductie in gezelschappen gezocht. De straat
was ons domein, en het marktplein ons hoofdkwartier; daar knoopten
wij een gesprek aan met den eersten den besten voorbijganger:--en
het toeval is ons gunstig geweest, want onder de voorbijgangers, die
stilstonden om een blik te werpen op onze schetsjes naar de natuur,
bevonden zich ook hooggeplaatste magistraatspersonen, politieke mannen,
en gezeten burgers, volkomen met het land en het volk vertrouwd. Door
hunne welwillende tusschenkomst is het ons mogelijk geweest, het
zoo ver te brengen dat de slavische boeren en de Morlaken uit den
omtrek voor ons poseerden om zich te laten uitteekenen. Maar zeer
weinig reizigers waren zoo gelukkig; doorgaans moet men deze lieden
haastig, in het voorbijgaan, ik zou haast zeggen in de vlucht, en
bijkans zonder dat zij het bemerken, schetsen; hoezeer de kunstenaar
het ook moge bejammeren dat hij deze fraaie belangwekkende typen niet
op zijn gemak kan nateekenen.
Op zekeren morgen, toen ik, met mijn album onder den arm, door de stad
liep te dwalen, lettende op al wat mij omringde, viel mijn oog op een
huis van een statig voorkomen, waarvoor gendarmen, of zoogenoemde
pandoeren, in het meest schilderachtige kostuum, de wacht schenen
te houden. De menigte ging onverschillig voorbij; wij werpen een
blik op de binnenplaats, een fraai patio, uit de zestiende eeuw, in
venetiaanschen stijl gebouwd, geheel met marmer geplaveid, en in een
der hoeken een put uit den tijd der renaissance. Meer dan vijftig
slavische boeren uit den omtrek, allen in hunne schilderachtige
kleederdracht, zijn op die binnenplaats gekampeerd; sommigen liggen
rechtuit op den grond in de zon, anderen rooken in de schaduw der
zuilengangen; terwijl de vrouwen, eenigszins afgezonderd, onbewegelijk
tegen den muur staan geleund.
Dit gebouw is het gerechtshof; daar binnen wordt op dit oogenblik
een proces wegens kindermoord gevoerd. De raadsheer Piperata, lid
van den Landdag van Dalmatië, die over het patio naar de zaal gaat,
deelt mij mede, dat al deze lieden als getuigen zijn opgeroepen. De
kindermoord,--een misdaad, die bij de Slaven uiterst zelden
voorkomt--is ditmaal gepleegd te Kistagné, en een aantal bewoners van
de omliggende distrikten zijn min of meer bij de zaak betrokken: ik
heb dus hier de vertegenwoordigers voor mij der bevolking van bijna
den geheelen kreits.
Men zou diep in het Oosten moeten doordringen, om zulk eene verzameling
van eigenaardige, schilderachtige kostumen te vinden, ondanks al hunne
verscheidenheid, zoo harmonisch van kleur. Juist aan deze wonderbare
kleurenharmonie bespeurt ge onmiddellijk, dat ge het Oosten nadert,
waar deze zin voor kleur en toon den ingeborenen in het bloed zit. Daar
hebt ge vooreerst de pandoeren zelven, die in de zon schitteren als
spiegels; hunne borst is geheel behangen met tien of twaalf snoeren
van groote medailles, meest allen met het portret van Maria-Theresia
prijkende. Het zijn kolossale, prachtige mannen; in sommige distrikten,
waar een energieke policie noodig is, zijn zij bij wijze van lokale
gendarmerie georganiseerd. Eigenlijk zijn zij gewapende boeren, die
geen soldij ontvangen, en beurtelings gedurende een zeker aantal dagen
de wacht betrekken en de dienst waarnemen. Aan hun hoofd staat een
sirdar, die onder de bevelen gesteld is van den kolonel-kommandant der
militie in elken kreits. De kolonel van Zara had weleer onder zijne
bevelen tien sirdars en vijftien onder-sirdars of aramassé. Ik weet
niet, in hoever deze organisatie in den laatsten tijd is gewijzigd.
Als deze pandoeren een misdadiger aanhouden om hem voor het gerecht te
brengen, leggen zij hem niet de handboeien aan, maar in plaats daarvan
snijden zij zijn wijden broek naar de turksche mode, die de bewoners
der omliggende distrikten algemeen dragen, ter zijde open, zoodat
hij op de hielen valt en het ontvluchten onmogelijk maakt. Eenigen
dezer prachtige pandoeren hadden de vriendelijkheid voor mij te
poseeren, zoodat ik, tot mijn genoegen, hun portret maken kon. Uren
lang vertoefde ik op deze binnenplaats, schrijvende, teekenende. Drie
boerinnen van Kistagné zijn welwillend genoeg om mede haar portret te
laten maken. De eene, een blond jong meisje, met eene roode muts met
goud galon en pailletten op het hoofd, met een fijn wit hemd versierd
met veelkleurig borduursel, met fraaie schitterende snoeren om den
hals en medailles op de borst, met een blauwen geborduurden rok en
een veelkleurig voorschoot, staat onbewegelijk voor mij, schier even
onbewust als een standbeeld. Achter haar staan twee oude vrouwen, het
hoofd gehuld in witte doeken met rood lint omzoomd, met groene linten
door haar groote valsche haarvlechten, en den breeden met zilveren
knoppen versierden gordel; zij schijnen voortdurend beheerscht door
een zekeren angst. Zoodra ik mijne schets voltooid heb, spoeden
zij zich weg; en de president van de rechtbank, die de zitting voor
eenige oogenblikken geschorst heeft, komt mij straks eene merkwaardige
mededeeling doen. De twee oude vrouwen, die zwijgende gedurende ruim
een uur geposeerd hebben, zijn hem komen zeggen, dat een man haar
een uur lang voor zich heeft doen staan en haar al dien tijd strak
heeft aangekeken en voortdurend geschreven; dat hij haar daarna een
gulden gegeven heeft, zouder evenwel zijn oordeel te spreken of vonnis
te vellen. De beide vrouwen hadden mij voor een rechter aangezien,
en gemeend dat ik door mijn strak aankijken tot in het diepst harer
ziel had willen doordringen! De vrees of schuwheid om zich te laten
portretteeren, is trouwens aan alle onbeschaafde of onontwikkelde
bevolkingen eigen, en ieder reiziger, die gepoogd heeft zulke
menschen voor zich te laten poseeren, zou daaromtrent merkwaardige
ervaringen kunnen mededeelen. Nauwelijks een maand geleden, toen wij
ons te midden der bosnische uitgewekenen, langs de oevers van de Una
bevonden, vluchtten de arme vrouwen der rajahs verschrikt weg, zoodra
zij bemerkten dat wij schetsen van haar ontwierpen; zij riepen dat wij
haar aan de Turken wilden uitleveren. In de Militaire Grenzen is het
ons nimmer gelukt, hoeveel geld wij ook boden, eene boerin voor ons
te doen poseeren; ja zelfs op de markt te Agram, eene zeer beschaafde
stad, scheelde het weinig of wij hadden het te kwaad gekregen met de
boeren, toen wij hen begonnen uit te teekenen.
Zara is eene stad van ambtenaren. De gouverneur-generaal van Dalmatië
heeft hier zijne residentie, benevens de voorzitter van het hof van
appel, de directeur-generaal van politie, de intendant der financiën,
de intendant der fortificatiën, de directeur-generaal der posterijen,
en met hen het gansche personeel van hoogere en lagere beambten voor
het bestuur eener zeer belangrijke provincie, die den officiëelen
naam van koningrijk draagt.
Zara heeft geen eigen leven, en de industrie beteekent zoo goed als
niets. De kreits brengt wijn en olie voort; in de stad bestaat eene
maatschappij, die zich op de verbetering van den wijnbouw toelegt
en dien aanmoedigt: de marasquin en de rosolio van Zara zijn zeer
beroemd. Zij worden bereid van eene soort van kleine kers, die in
grooten overvloed in den geheelen omtrek groeit.
Het museum is niet onbelangrijk, omdat het overblijfselen bevat
van oude monumenten: antieke standbeelden, fragmenten van gebouwen,
eene menigte oude munten, waaronder zeer zeldzame, antiek glaswerk,
gegraveerde steenen; het museum bezit ook eene collectie van voorwerpen
uit het gebied der natuurlijke historie. Het dankt zijn oorsprong,
of althans zijne tegenwoordige inrichting, aan den gouverneur,
graaf Liliënberg.
Zara heeft ook een splinternieuwen schouwburg, een fraai gebouw,
waar men ruimschoots gelegenheid heeft, de verschillende elementen,
waaruit de bevolking der stad bestaat, te bestudeeren. Daar verschijnen
de eigenlijke Zaratinen, in voorkomen en kleeding aan de italiaansche
dames gelijk, met ontzaggelijk hooge kapsels, van nog reusachtiger
afmetingen dan men in de steden van noordelijk Italië ziet: eene
overdrijving, aan provinciesteden niet ongewoon. Nevens dezen ziet men
de duitsche dames, kenbaar aan den eenvoud en de bescheidenheid van
haar toilet, aan de zedigheid en onbeduidendheid van haar voorkomen;
voorts de oostenrijksche officieren en hoogere ambtenaren, eindelijk
de handelaars van Zara, meest winkeliers of kleinhandelaars.
De stad moet al hare benoodigdheden van buiten ontvangen, en wel
over de zee, van Triëst of uit zuidelijk Italië. Het is een ramp
voor deze slavische kustprovinciën, dat zij, even als Bosnië,
Servië, Herzegowina, voor haar bestaan geheel afhankelijk zijn van
den duitschen handel en de duitsche industrie. Het platteland brengt
vruchten en groenten naar de stad, en koopt daar ook het noodige, om
in zijn behoeften te voorzien. Het intellektuëele leven heeft weinig
te beteekenen: er is eene drukkerij en er verschijnen zes of zeven
dagbladen: eene officiëele courant, een klerikaal dagblad, een slavisch
dagblad, en een vierde, het politiek orgaan van de italiaansche
partij; de anderen zijn aan de belangen van den landbouw gewijd. In
de bibliotheek Paravia, die dertigduizend banden bevat, zult ge bijna
nimmer bezoekers aantreffen: de weinige wetenschappelijke ontwikkeling,
die in Dalmatië valt op te merken, moet ge te Spalato en Ragusa zoeken.
Een paar jaar geleden is Zara als vesting opgeheven: eene groote
overwinning voor het burgerlijk element. Want hoewel de meeste
vestingwerken van deze kuststeden, in verband met de nieuwe
ontdekkingen op het gebied der krijgskunst en bij den grooten
vooruitgang der artillerie, volkomen nutteloos zijn geworden, laat de
militaire genie gewoonlijk hare prooi niet licht los. De vestingwerken
zijn aan de gemeente afgestaan; en tijdens mijn eerste bezoek te Zara,
waren meer dan honderd vrouwen van de eilanden, met bevallige vormen
en standen en bewegingen, die u aan antieke standbeelden denken doen,
bezig met het aanbrengen van aarde voor het doortrekken der kaaien. De
stad, tot hiertoe binnen haar engen muurgordel opgesloten, zal nu
aan licht en lucht winnen, maar aan schilderachtigheid verliezen.
Zara is ook de kerkelijke hoofdstad van geheel Dalmatië en de zetel
van een aartsbisschop. De massa der bevolking, ten beloope van
ruim tienduizend zielen, is katholiek. Men vindt hier ook een zeker
aantal Grieken; zij houden hunne godsdienstoefeningen in de kerk van
Sint-Elia. Vóór de fransche bezetting hadden de Grieken slechts eene
kleine kapel, die geen voldoende ruimte aanbood. Zij beklaagden zich
daarover bij den maarschalk Marmont, die bevel gaf, hun eene kerk af
te staan.
Deze kleine stad, zoo schilderachtig aan haar zeearm gelegen
en door hare Lange Eilanden, de Isole Longhe, aan de blikken der
voorbijvarenden onttrokken, heeft eene merkwaardige en veel bewogen
geschiedenis achter zich.
Sinds overoude tijden was Zara, destijds Jadera geheeten, de hoofdstad
van Liburnia; als romeinsche kolonie, koos zij de partij van Caesar. De
waterleiding, die het water van de Kerka, over een afstand van dertig
mijlen, naar de stad voert, is waarschijnlijk het werk van Trajanus,
wiens naam daarvoor gezegend zij. Bij de verdeeling des rijks,
kwam Zara, destijds Diodora genoemd, onder het gezag der oostersche
Keizers, maar de stad wist eene groote mate van onafhankelijkheid te
bewaren. Toen de barbaren de kusten der Adriatische zee overstroomden,
werd ook zij verwoest, en viel van nu beurtelings in de handen van
Kroaten en Hongaren.
In het voorjaar van 997 rustte Venetië eene groote vloot uit, met het
doel om de zeeroovers, die de vaart belemmerden, te straffen en ook
om de kustlanden aan haar gezag te onderwerpen. De Doge Orseolo voerde
het bevel over die vloot; hij ontving achtervolgens de hulde van Pola,
van Pirano, van Rovigno, van Zara zelve, dat zich van alle zijden
door geduchte vijanden bedreigd zag en den Doge als redder begroette.
Maar reeds in 1050 komt de stad in opstand tegen de republiek,
waarschijnlijk op aansporing van den onttroonden Koning van Kroatië,
die in Zara een toevlucht heeft gezocht. Domenico Contarini ontvangt
van den Senaat bevel, eene vloot uit te rusten, en de oproerige stad te
gaan onderwerpen. Hij trekt Zara binnen, herstelt de orde en ontvangt
op nieuw de hulde en onderwerping der burgers.
In 1115 waagt zij wederom een poging om aan het gezag van Venetië
te ontsnappen, en stelt zich onder de bescherming van den Koning van
Hongarije: zij wordt nogmaals overwonnen. In 1170, nieuwe poging tot
opstand. De Doge Domenico Morosini heeft de stad tot den zetel van
een aartsbisschop gemaakt: aan dezen draagt zij nu alle gezag op,
om zich zoo doende zoowel van de Venetianen, als van de Kroaten en
de Hongaren te bevrijden. De republiek rust wederom een vloot uit,
en dwingt haar tot onderwerping. Doch in 1124 en 1185 komt zij,
ondersteund door den Koning van Hongarije, op nieuw in opstand;
en telkens onderworpen, en telkens weerspannig, waagt zij aldus
nog driemaal de worsteling, tot in het jaar 1346, toen zij een zeer
gedenkwaardig beleg had te doorstaan.
De Koning van Hongarije zag met leede oogen de havens van Dalmatië in
de handen der Venetianen; nadat alle pogingen om het juk der republiek
af te schudden, waren mislukt, sloeg hij eene schikking voor: Zara zou
in de macht van Venetië blijven, maar de republiek zou de stad bezitten
als een leen van de hongaarsche kroon en daarvoor eene jaarlijksche
schatting betalen. De Senaat weigerde: de Koning sloeg het beleg
voor Trau, Spalato en Zara, dat zijne zijde koos. De venetiaansche
vlootvoogd Marc Justiniani tastte de stad van de zeezijde aan,
en vermeesterde haar, ondanks dapperen tegenstand; Faliero werd tot
gouverneur benoemd, en moest nu de stad verdedigen tegen de Hongaren,
die haar van de landzijde bedreigden. Het beleg duurde zes maanden,
en kostte aan de republiek ontzaggelijke sommen en veel verlies van
menschenlevens. Eindelijk viel de stad, door verraad, in de handen
der Hongaren.
Daar Venetië destijds ook op het italiaansche vasteland in een
geduchten oorlog met dezen zelfden Koning van Hongarije was
gewikkeld, en al haar krijgsmacht noodig had, moest zij van van
verdere pogingen tot herovering van Zara afzien. Faliero werd naar
Venetië ontboden, verscheen voor den Senaat, en werd gestraft met
eene geldboete, een jaar gevangenis en levenslange uitsluiting uit
alle regeeringsambten. Daarentegen ontving de militaire bevelhebber
van Onone, die zich hardnekkig verdedigd had, en aan wien de republiek
had gelast zich over te geven, eene openlijke hulde. De veldtocht viel
ongelukkig voor Venetië uit; de Koning van Hongarije was overwinnaar,
en eischte dat de republiek afstand zou doen van geheel Dalmatië
en alle steden en eilanden, van Fiume en Pola tot Durazzo, dat wil
zeggen de gansche kust der Adriatische zee. Het traktaat werd den
18den Februari 1358 geteekend. De Doge verloor de titels van hertog
van Dalmatië en hertog van Kroatië; de Venetianen mochten in de
beide landen zelfs geen eigendom meer bezitten; de republiek mocht
zich in de havens niet meer door consuls laten vertegenwoordigen,
en moest, in gdeal van een oorlog ter zee, den Koning van Hongarije
met vier-en-twintig galeien bijstaan.
Dit vernederende, door den nood afgedwongen traktaat bleef slechts
vijftig jaar in stand. In 1409, toen Ladislas en Sigismond elkander
de kroon van Hongarije betwistten, knoopte de Senaat onderhandelingen
met Ladislas aan, en kocht van hem Zara terug. De stad bleef sedert,
tot aan den vrede van Campo-Formio (1797), in het bezit van Venetië,
dat haar tot een der bolwerken maakte van haar koloniën in Dalmatië,
ter afwering van de zoo lang geduchte turksche macht. Zara kwam ook
niet meer in opstand, en ging, na den val der republiek, over in handen
van Oostenrijk, dat haar, behoudens het korte fransche tusschenbestuur,
nog bezit.
Zoo als ik zeide, is Zara eigenlijk op een schiereiland gebouwd,
in een kanaal of straat, gevormd door den vasten wal van Dalmatië
en door een aantal eilanden, evenwijdig met de kust strekkende. Deze
eilanden ontleenen aan hunne gedaante den naam van Isole Longhe, lange
eilanden: zij heeten Uglian, Eso, Pasman, Longa, Incoronata. Toen de
aangrenzende kust nog onophoudelijk blootstond aan de invallen der
barbaren, namen de bewoners bij herhaling de wijk naar deze rotsige
eilanden, en maakten, door onvermoeiden arbeid, den harden grond
voor bebouwing geschikt. Zij plantten er den wijnstok, die uitnemend
slaagde en een der bronnen van welvaart voor het land werd; ook werd de
proef genomen met graanbouw. Men telt niet minder dan dertig dorpen en
twee-en-twintig parochiën in deze eilanden: de bevolking zal tusschen
de twintig- en vijf-en-twintigduizend zielen bedragen. De inwoners
zijn voor het meerendeel visschers, die de zeer vischrijke wateren
langs de kust exploiteeren. De visschers van Chioggia komen ook hier
gedurende zekeren tijd van het jaar hun bedrijf uitoefenen.
Vóór de Isole Longhe, meer zeewaarts, als uitgezette wachters van het
kanaal van Zara, liggen nog eenige andere kleine eilandjes: Selve,
Ulbo, Premuda, Sabbione, Isto, Melada, Sestrugn. Alle bewoners leven
van de zee. Het zijn echte alcyon-nesten, door de golven gedragen,
door de stormen ombruist; hier kan men prachtige exemplaren der
echte klippen, der scoglie, vinden, waar de eenvoudige visschershut
wegschuilt in de spleten der rots. Aarde is bijna nergens voorhanden;
maar overal, waar zich slechts eene gelegenheid tot zaaien of planten
aanbood, heeft de mensch daarvan gebruik gemaakt, om den ondankbaren
grond een mageren oogst af te dwingen.
Tusschen Zara en de stad Knin, nabij de turksche grenzen gelegen,
bestaat een geregelde postdienst. De afstand tusschen die beide
plaatsen bedraagt een-en-vijftig mijlen, en in vijftien uren kan de
reiziger Dalmatië in zijne grootste breedte doorkruisen, van de kust
der Adriatische-zee tot den berg Dinara. De postwagendienst is, even
als dergelijke staatsondernemingen in Oostenrijk, zeer goed ingericht;
de wagen vertrekt tweemaal per week, en heeft niet meer dan vier
zitplaatsen; maar de reizigers zijn zeldzaam, en men kan dus hier,
des verkiezende, gebruik maken van een gemakkelijk en betrekkelijk
goedkoop vervoermiddel.
Daar het mij echter voornamelijk te doen was, om het volk in zijn
dagelijksch leven te leeren kennen, wilde ik van den postwagen
geen gebruik maken, die mij niet zou vergunnen, naar goedvinden
op te houden. Ik trad in overleg met de landlieden, die ik op
de binnenplaats van het gerechtshof had ontmoet, en die voor het
meerendeel van Kistagné waren, op enkele uren afstands van Knin. Nadat
zij getuigenis in het proces hadden afgelegd, mochten zij weder naar
hunne woning terugkeeren. Wij kwamen overeen dat wij samen zouden
reizen, en des Zaterdags morgens (16 October 1874) bevond ik mij op
de afgesproken plaats, even buiten de Landpoort.
Het was een schilderachig plekje: achter ons verhief zich de
fraaie poort van Sammicheli, met haar lange houten brug over de
Visschershaven, die de stad met den vasten wal verbindt; rechts hadden
wij de kaai, waartegen enkele kleinere vaartuigen, karveelen, lagen
geankerd; vóór ons, de weg, aanvankelijk ingesloten tusschen de zee
en het groote bastion, aan het strand opgeworpen. Boven het bastion
prijkt het fiere wapenschild der oostenrijksche monarchie.
(Wordt vervolgd.)
Blanken en kleurlingen.
(Vervolg van jaargang 1876, bladz. 374.)
XIV.
Zambo's.--Negerslavernij bij de roodhuiden.--Caddo.
Caddo, een dorp in het distrikt Choctaw, twee-en-dertig mijlen
ten noorden van de Red-River, zeven-en-dertig mijlen ten zuiden
van Limestone-Gap, is eene kolonie van zambo's, en zeker een van de
zonderlingste nederzettingen in eene landstreek, zoo bij uitnemendheid
rijk aan ethnologische verrassingen. Een zwerm van houten hutten,
binnen omrasterde velden omsloten, omgeeft eene kleine stad, die
een school en een gevangenis, een kerk en eene vrijmetselaarsloge,
een hoofdstraat en een marktplaats bevat, en waar het vooral ook
niet ontbreekt aan biljardzalen en aan kroegen. Door middel van een
spoorweg is dit stadje verbonden met Fort Gibson in het land der
Creeks, en met Denison-City in Texas. Caddo bezit ook eene drukkerij
en eene krant, die eens in de week uitkomt. Maar het is niet de school
of de gevangenis, niet de spoorweg of de drukkerij, die in de eerste
plaats de belangstelling verdient, de nieuwsgierigheid prikkelt: dat
doet vooral de bevolking van het wonderlijke stedeke. De bewoners van
Caddo zijn op zich zelven de grootste merkwaardigheid. De hutten in
het open veld en bijna al de huizen in de stad zijn toch bewoond door
het nieuwe ras van gemengd bloed, bij de geleerden onder den naam van
Zambo's bekend:--de afstammelingen van negers en indiaansche vrouwen.
Volgens Tschudi's lijst der gemengde rassen, heeten de afstammelingen
van een blanken vader en eene zwarte moeder, mulatten; die van een
blanken vader en eene indiaansche moeder, mestiezen; die van een
indiaanschen vader en eene zwarte moeder, chino's; en die van een
zwarten vader en eene indiaansche moeder, zambo's. Deze vier soorten
van hybriden vormen de oorspronkelijke gemengde bevolking van Amerika.
Een mulat is koffiekleurig; de kleur van een mesties is goud-brons;
een chino is vuil rood; een zambo is vuil bruin.
Een blanke vader verwekt bij eene mulattin een quadroon; een blanke
vader en eene mesties geven het leven aan een creool. Quadronen
en creolen, hoewel donkerklourig en grof van vormen, zijn somtijds
schoon; in de slavenstaten worden voor jonge quadrone of creoolsche
meisjes dikwijls grooter sommen uitgegeven, dan een turksche pasja voor
zijne georgische slavin besteedt. Uit het huwelijk van een neger met
eene mulattin ontspruit een cubra: en een cubra is een zeer leelijk
schepsel. In het volgende geslacht keert de oorspronkelijke negertype
terug. Dit is niet het geval in de indiaansche familie. Een indiaansche
vader en eene mesties schenken het leven aan den mestizo-claro,
den licht gekleurden mesties, zeer dikwijls een fraai exemplaar van
het menschenras. Maar het schijnt wel dat het indiaansche blood zich
nooit volkomen met het zwarte vermengen kan. De chino, het kind van een
roodhuid en eene negerin, is een schraal, mager en onbevallig wezen, en
zijn halve-broeder, de zambo, is nog leelijker. De natuur zelve schijnt
geene vermenging van deze twee rassen te willen. Op de gansche wereld
zijn misschien geen wonderlijker schepselen te vinden dan de kleine
zambo's, die op de straat en in de goten te Caddo spelen en dartelen.
Toch zijn deze afzichtelijke schepsels, naar men zegt, zeer
vruchtbaar. In elke hut van Caddo wemelt het van kinderen; en wanneer
de aanhangers der nieuwe ethnologische school gelijk hebben, is
het te verwachten dat zij zich nog sneller zullen vermenigvuldigen
dan de gewone negers. Wat mogen dan de bewoners van Caddo, physiek
en moreel, wel over honderd jaar zijn? Aan zich zelven overgelaten,
zal Caddo misschien een geslacht voortbrengen naar het model van dat
van Los-Angeles en San-José, en zullen van hier helden uitgaan als
Tiburcio Vasquez, die de schrik zullen zijn der volkplanters langs
de Red-River en van Limestone-Gap.
Te Caddo vooral is het mogelijk, de beide belangrijke problemen der
kleur en der slavernij, in hun oorspronkelijken, meest eenvoudigen
vorm te bestudeeren; in een vorm en uit een oogpunt, te Richmond,
Charleston en Nieuw-Orleans geheel onbekend.
Voor de burgeroorlog uitbrak, waren alle negers op indiaansch
grondgebied slaven, het eigendom van de Creeks en Choctaws, de
Seminolon, de Chickasaws en de Cherokees:--de vijf natiën, die gerekend
worden "den wilden staat vaarwel te hebben gezegd." Hun lot was
hard; hun lijden misschien bitterder dan eenig ander lijden onder de
zon. Elders wordt de slavernij getemperd en verzacht door gemeenschap,
hetzij van ras, hetzij van taal, hetzij van geloof. Te Pekin zijn
slaven en meesters van dezelfde kleur; te Kaïro spreken zij dezelfde
taal; te Rio aanbidden zij denzelfden God. Maar in deze amerikaansche
wildernissen had de neger noch dezelfde gelaatstrekken, noch dezelfde
taal, noch dezelfde geloofsbelijdenis als zijn onbeschaafde meester;
tusschen die beiden geenerlei gemeenschap van belang in deze wereld,
geen gemeenschappelijke hoop voor eene wereld hier namaals.
Is het mogelijk een rampzaliger lot te bedenken, dan slaaf te zijn van
een roodhuid? Het eigendom te zijn van een blanken meester was dikwijls
hard genoeg; maar ook op de slechtste plantages in Georgië en Alabama
waren toch nog elementen van edelmoedigheid en rechtvaardigheid, die
in de indiaansche kampementen vergeefs werden gezocht. In Georgië en
Alabama deed zich toch altijd, al was het soms onbewust, de weldadige
invloed gelden van vrouwen en kinderen. De negers leefden in eene
beschaafde en christelijke maatschappij. Allen stonden onder het gezag
der wet, en zelfs daar waar wreede en harde meesters in groot aantal
gevonden werden, kon toch altijd de bescherming worden ingeroepen der
wet en der overheid. Geen enkele neger in Virginia, of hij vernam het
luiden van de klokken der dorpskerk, of ook tot hem kwam de stille
en heilige verkondiging van den dag der ruste. Geen enkele slaaf in
Louisiana, die niet deelde in de zegeningen en voorrechten van het
geregelde huiselijke en familieleven. Welke gewijde klanken werden
er gehoord in een kamp der Choctaws? Welke bekoorlijkheid des levens
was er te vinden in de tenten der Chickasaws? In elk indiaansch kamp
behandelden de zelven bijna als slavinnen beschouwde squaws de negers
nog harder en onmeedoogender dan hare ruwe echtgenooten; en in stede
van een trooster en soms onbewusten beschermer, was het indiaansche
kind zeer dikwijls de oorzaak van nieuwe folteringen: om hem aan
den aanblik van menschelijk lijden te gewennen, werd de slaaf in
tegenwoordigheid van den jeugdigen krijger gemarteld en gepijnigd. Een
slaaf in Tennessee kon in handen van een onmeedoogenden meester vallen;
maar die meester was toch een beschaafd man en gezeten burger, en hij
kon voor de rechtbank ter verantwoording worden geroepen. Hij was geen
zwervende wilde, die van de jacht leefde, en zijn gezin oppermachtig
regeerde met een bijl en een skalpeermes. Een blanke slavenhouder
mocht driftig en opvliegend, zijn opziener wraakzuchtig en haatdragend
zijn: beidon waren toch burgers, aan het gezag der wet onderworpen,
en Christenen, onderworpen aan de tucht hunner kerk. Er waren zeer
wezenlijke grenzen, die ook de ruwste willekeur zich niet licht
vermat te overschrijden. Maar waar was, bij Seminolen of Cherokees,
voor den mishandelden slaaf zulk eene grens te vinden? Een Seminole
had geen rechter te vreezen, een Cherokee geen priester of leeraar
te ontzien. In zijn stam en op zijn grondgebied, kon eon indiaansch
opperhoofd, als hem dit lustte, even vrij over het leven van zijn slaaf
beschikken, als een negerkoning in het hart van Afrika. Geen sheriff
was daar, om hem rekenschap te vragen van het vergoten bloed. Geen
vrees voor openbare afkeuring hield zijn arm terug. Was eenmaal
zijn toorn opgewekt, dan bekommerde een Indiaan zich even weinig om
hetgeen de menschen van hem denken en zeggen zouden, als de tijger in
de jungles, wanneer hij zijn sprong gaat, nemen, zich om de publieke
opinie bekommert. Een roodhuid had meer vrijheid in de behandeling
van zijn slaaf, dan een blanke in de behandeling van zijn hond.
Eigenaar te zijn van een ploeg negers, was de hoogste wensch van
elk opperhoofd der Creeks of Seminolen; hun aantal was, even als
dat zijner squaws, een bewijs van zijn rijkdom en rang. Zelfs stelde
hij nog hooger prijs op zijne negers, omdat hij juist deze soort van
eigendom met de blanken gemeen had. In zijne jeugd had hij in Georgië
of Carolina geleefd, waar de maatschappij verdeeld was in vrijen
en slaven. Hij zelf was een vrij man, even als al zijne broeders
en stamgenooten; slechts de zonen van een minder krijgshaftig en
donkerkleuriger ras waren slaven. Bekend met de zeden en gewoonten
der blanken, bewees hij hun de eer, hun voorbeeld na te volgen; maar,
als een echte wilde, kocht hij alleen dan zijne slaven, als hij geen
kans zag hen te stelen.
Wanneer een indiaansch opperhoofd door de blanke planters van zijne
jachtgronden in Georgië en Tennessee verdreven werd, voerde hij de
negers in zijn kamp met zich; hij dwong hen mede hun aandeel te dragen
in de vele vermoeienissen en ontberingen van zijn langen tocht, en de
gevaren te trotseeren van zijne nieuwe en ver afgelegene woonstede. De
plagen en rampen, die den roodhuid troffen, daalden met zevenvoudige
kracht neder op het hoofd van zijn slaaf. In de oogen van een Indiaan,
was een neger niet meer waard dan een muilezel. In regen en wind moest
hij zich buiten de tent ter ruste leggen. Als er gebrek was aan wild,
moest hij zich voeden met afval en dikwijls van honger sterven. De
zwaarste en verachtelijkste diensten werden van hem gevergd; met
slagen en schoppen en scheldwoorden werd hij, vooral door de squaws,
naar zijn werk gedreven. Het minste verzet lokte dubbele mishandeling
uit, en kon hem zeer licht het leven kosten.
En toch, ondanks al hun lijden, vermenigvuldigden de negers
zich voortdurend, en dat wel zoo spoedig, dat na verloop van
twintig of vijf-en-twintig jaren, hun aantal dat hunner wilde
meesters dreigde te overtreffen. Toen de oorlog uitbrak, bezaten
de Seminolen duizend slaven; de Cherokees en Chickasaws bezaten
elk omstreeks vijftienhonderd slaven; de Creeks en Choctaws, elk
omstreeks drieduizend. Deze vijf stammen telden te zamen nog geen
veertienduizend volbloed Indianen tegen tienduizend negerslaven. Het
getal der Indianen nam snel af, dat der negers even snel toe.
Deze negers waren zoowel een gevaar als een ramp voor de vijf
natiën. Alom langs de grenzen van haar gebied was eene beweging
ontstaan, die de roodhuiden niet met tomahawks en skalpeermessen
konden bedwingen. Kansas, hun onmiddellijke nabuur ten noorden,
was een vrije staat. De nederzettingen aan gene zijde hunner grenzen
werden voor en na onder de vrije staten opgenomen. Geruchten eener
aanstaande bevrijding drongen door tot in de indiaansche kampementen,
en de kwestie der slavernij begon de stamhoofden der roodhuiden
te verontrusten.
De oorlog barstte uit. De oplossing van een groot en diep ingrijpend
maatschappelijk vraagstuk, waarbij de gewichtigste belangen op het spel
stonden, werd aan het ruw geweld, aan de onzekere kansen van den krijg
toevertrouwd. Toen zond Jefferson Davis een agent naar de indiaansche
legerplaatsen, ten einde den opperhoofden, door de voorspiegeling
van hetgeen waarschijnlijk gebeuren zou, vrees aan te jagen en hen
te bewegen tot een bondgenootschap met de Geconfedereerde Staten.
Albert Pike, zoo heette die agent, was in alle opzichten voor
zijne taak berekend. Reeds zijn voorkomen was uitnemend geschikt
om indruk te maken. Van eene statige, rijzige gestalte, met een
blozend gelaat en lang zilverwit hair, dat hem over hals en schouders
golfde, vereenigde hij de frischheid en levenslust der jeugd met
de eerwaardigheid en bedachtzaamheid van den ouderdom. Beurtelings
en achtervolgens, klerk, dichter, advokaat, pionier, trapper,
schoolmeester, kavallerie-officier, dagbladschrijver,--had Pike
allerlei beroepen bij de hand gehad en de wereld van meer dan eene
zijde leeren kennen. In paardrijden, drinken en bluffen, konden
maar weinig menschen den voorrang aan Albert Pike betwisten. Daar
hij eenige jaren van zijn leven langs de oevers van de Red-River
en den Arkansas had doorgebracht, was hij volkomen vertrouwd met de
eigenaardige zeden en gebruiken der roode en blanke grensbewoners,
en geheel ervaren in alle kunstgrepen en listen, waardoor de wilde
stammen kunnen worden verleid en medegesleept.
Van het eene kamp naar het andere trekkende, vertelde Pike aan
de krijgslieden, dat de oude Unie, waaronder zij geleefd hadden,
niet meer bestond; dat zij voor goed was ondergegaan, even als het
oude indiaansche verbond der Zes-Natiën; dat de vlag in flarden was
gescheurd en de vlaggestok in tweeën gebroken. De heeren van het
Zuiden konden voortaan nooit meer gemeene zaak maken met de ploerten
en gelukzoekers van het Noorden. Daarom kwam het er nu voor hen op
aan, eene keus te doen. De slavernij, zoo zeide hij, was de hoeksteen
van de nieuwe Confederatie; en op een groep negerslaven wijzende,
vroeg hij den Indianen of zij niet liever de zijde wilden kiezen van
de planters van Georgië en Louisiana, dan van de kooplieden van Boston
en New-York. "Vroeger, zoo sprak hij, kondt gij billijke grieven tegen
de planters doen gelden; maar in dezen nieuwen oorlog is uw belang
en uwe toekomst ten nauwste verbonden met die van het Zuiden. Deze
oorlog is door de hebzucht en de dweepzucht van het Noorden verwekt,
en gericht tegen de negerslavernij, tegen den vrijen handel en de
staatkundige vrijheid."
Om zijn doel te bereiken, nam Pike zijn toevlucht tot nog andere
middelen: waar zijn argumenten te zwak bleken om de roodhuiden
over te halen, wierp hij zijn whiskyflesch in de weegschaal. Want
geene behoefte is voor den Indiaan zoo onwederstaanbaar, als die
van sterken drank. Het recht om slaven te koopen en te verkoopen,
kwam maar aan enkele opperhoofden ten goede; maar de vrijheid om
sterken drank te koopen en te verkoopen, ging iederen man en iedere
vrouw in de indiaansche kampementen rechtstreeks ter harte. Door
aan de Indianen den vrijen handel in slaven en whisky te beloven,
won Albert Pike eene groote meerderheid van stemmen voor het Zuiden.
Vijfduizend indiaansche krijgers, met bijlen en messen gewapend,
schaarden zich onder de banier van Albert Pike, die nu zijn burgerlijk
karakter als indiaansche commissaris aflei, een hoed met pluimen
opzette, een gegalonneerden rok aantrok, een zwaard op zijde gespte,
en op het tooneel verscheen als generaal Pike. Twee legers opereerden
langs de grenzen:--een leger der Noordelijken onder Curtis, en een
leger der Zuidelijken onder Van Dorn. Op bevel van het departement
van Oorlog te Richmond, voegde Pike zich met zijne krijgslieden hij
het leger van Dorn, en deze omstandigheid gaf een zekeren komischen
tint aan den bloedigen en onbeslist gebleven veldslag van Pea-Ridge.
Zoo lang als het bij het houden van parade bleef, stond hun militair
beroep den roodhuiden wel aan. Hunne soldij was hoog, hun voedsel
goed, en Pike was niet al te streng op het stuk van discipline en
exercitie. Er was overvloed van whisky in het kamp. Maar toen de vijand
naderde en het vuur uit zijne groote kanonnen opende, toen verlieten
deze kinderen der wouden hunne gelederen en sloegen op de vlucht. Hoe
dapper en onverschrokken ook in het gevecht, is de Indiaan niet
bestand tegen de beproevingen van een geregelden krijg. Zij stormden
onbevreesd voorwaarts: maar door geweer- en geschutvuur ontvangen,
deinsden zij verbijsterd terug. Alles wat zij hoorden en zagen was
geheel nieuw voor hen. Van de tien Indianen had er nauwelijks een
ooit een kanon hooren afschieten; niet een van de vijftig had ooit een
vuurpijl gezien. De granaten zagen zij aan voor vallende sterren. Hun
krijgsgeschreeuw werd overstemd door het oorverdoovend gerucht: de
walmende rook onttrok hunne vijanden aan hun gezicht. Zelfs als zij
achter eiken en dennen wegscholen, waren zij nog niet veilig; want de
granaten ontploften tusschen de boomen en de scherven vlogen hun om
de ooren. Wat konden deze zonen der woestijn hier doen, dan plat op
den grond gaan liggen, hunne lichamen met zand en steenen bedekken,
en zoo te wachten tot de avond was gevallen?
Maar zoodra het duister was geworden, slopen zij naar het slagveld,
gingen zwijgend tusschen de slapende soldaten door, skalpeerden
de dooden en de stervenden, en keerden met hunne afschuwelijke
zegeteekenen naar het kamp terug. Dit was de eenige maal, dat de
Indianen voor het behoud hunner negerslaven streden.
Den volgenden morgen, toen men zich gereed maakte de gesneuvelden te
begraven, kwam de schennis aan de lijken gepleegd aan het licht: en uit
de beide amerikaansche legers ging een kreet van afgrijzen en protest
op tegen het gebruik van deze barbaren. Curtis zond een boodschap naar
Van Dorn, en de zuidelijke generaal was, ter voorkoming van bloedige
weerwraak, genoodzaakt, zijn roode hulptroepen naar huis te zenden.
Pike verloor zijn gegalonneerden rok en zijn hoed met pluimen;
en zijne indiaansche krijgers, door overvloedigen whisky getroost,
konden verder rustig toezien, in afwachting dat de blanken, die met
elkander streden, zoo het heette, over de rechten der zwarten, onder
de muren van Richmond zouden hebben uitgemaakt of de roodhuiden langs
den Arkansas al of niet het recht hadden om hunne zwarte broeders in
slavernij te houden.
Toen Richmond viel, waren de slaven in vijftig indiaansche kampementen
vrij.
De negerslaven waren vrij; maar vrij in een indiaansch land, te midden
van wilde indiaansche stammen!
In de proklamatie van President Lincoln werd met geen enkel woord
gewag gemaakt van de tienduizend negers, die toen als slaven leefden op
indiaansch grondgebied. Eerst tien maanden na den slag van Pea-Ridge
werd de vrijverklaring uitgevaardigd: de slaven der roodhuiden waren
vergeten geworden.
Alleen gelaten met hunne voormalige meesters, buiten bereik van
alle hulp of ondersteuning uit Washington, wat moesten deze vrij
verklaarde slaven nu gaan aanvangen? In theorie waren zij vrij; in de
werkelijkheid bepaalde zich die vrijheid tot de vrijheid om van honger
te sterven. Zij hadden noch tenten, noch geweren, noch paarden; zij
konden geen duim breed gronds hun eigendom noemen; ook hadden zij nu
hunne plaats in den stam verloren. En daar niemand aan de oevers van
den Potomac aan hen dacht, kwam er ook geene wezenlijke verandering
in het lot dezer negers langs de oevers van de Red-Rivier en den
Arkansas. Deze zwarten zijn een zwak ras; met vrouwen opgevoed en door
vrouwen geregeerd, waren zij zelven bijna vrouwen geworden, onbekwaam
voor den strijd des levens, zonder energie en zonder moed. Toen aan
Fort Gibson en Fort Scott de tijding vernomen werd, dat de oorlog
geëindigd was en dat de negers waren vrij verklaard, onderwierpen de
opperhoofden der Cherokees en Choctaws zich met kwalijk verkropten
spijt aan dit gebod. Zij wierpen de vrijverklaarde negers uit hun kamp.
Daar stonden zij nu, zonder eenig middel van bestaan, hulpeloos
als kinderen, alleen in de wijde wereld. Zoo lang hij slaaf was,
had de neger voor 't minst eene plaats in de tent en den stam,
als behoorende tot het huisgezin van het opperhoofd; nu vrij man
geworden zijnde, verloor hij zijn recht om medegeteld te worden,
en werd hij metterdaad een balling, een vagebond. Voor hem was er
geen wet, geen recht. Overal elders werd den neger zijne vrijheid
gewaarborgd en vond hij bescherming; maar het land der Indianen is
eene republiek op zichzelve, waarin de wet van den blanke niet geldt.
De Creeks en Cherokees hebben eenige vormen en gebruiken van de
beschaafde maatschappij overgenomen. Zij houden meer of minder komische
vergaderingen; zij hebben scholen en gerechtshoven, ook meer of minder
komisch. Sommige opperhoofden trachten persoonlijken grondeigendom te
verwerven; enkelen zelfs schijnen niet ongezind, hun zonen het engelsch
alphabet en den christelijke catechismus te laten leeren. Maar niets
van dit alles valt binnen het bereik van den vrijverklaarden slaaf,
zoo lang hij op indiaansch territoir blijft. Een neger heeft geen
stemrecht; hij mag zijn kind niet naar school zenden, noch met eene
aanklacht voor het gerechtshof verschijnen. Hij heeft geen duim gronds
in eigendom. Uit het indiaansche kamp uitgeworpen zwerft hij naakt en
vrij in de wildernis om. Hij durft zich niet vestigen op indiaanschen
grond; want hoewel de President hem tot een vrij man heeft verklaard,
heeft zijn vroegere meester de macht behouden hem te dooden, en
niemand zal dien meester daarvan rekenschap vragen. Wat wonder dat
de vrijverklaarde negers van het indiaansche grondgebied verdwijnen?
Ettelijke honderden van deze geëmancipeerde slaven zijn over de grenzen
naar Arkansas en Texas gevlucht, en hebben bescherming gezocht onder
de hoede der blanken. Maar in den regel is de arme bevolking eener
landstreek niet in staat in massa te verhuizen en elders een nieuw
vaderland te zoeken. Even als planten en dieren, moeten zij den strijd
volhouden of op de plaats zelve vergaan. Voor een aantal vluchtelingen
uit de tenten der Choctaws en Chickasaws is Caddo eene wijkplaats en
vrijstad geworden.
De plek, waarop deze uitgewekenen zich gevestigd hebben, is een stuk
gronds, verlaten door de Caddoes, een kleinen zwervenden stam, die
vroeger in deze wateren vischte en in deze bosschen jaagde. Zeer in
aantal verminderd, zijn de Caddoes uitgeweken naar de streken bij
de Washita, en hebben hunne vroegere jachtvelden overgelaten aan
de coyoten en de wolven. Rechtens ligt het distrikt in het land der
Choctaws, maar de Choctaws hebben nooit deze vallei in bezit genomen;
en de verschijning van blanke werklieden, die een spoorweg kwamen
aanleggen, bewoog de naast bij wonende indiaansche familiën om hare
wigwams verderop te verplaatsen. Caddo, overgelaten aan den "vuurgen
salamander" en aan de vrijgelaten slaven, werd een stad.
Zooals zich, met het oog op haar oorsprong, reeds laat verwachten, is
Caddo in de politiek radikaal, om niet te zeggen revolutionair. Daar
de negers en hunne nakomelingen, de zambo's, geen Indianen zijn, en
er voor hen in de indiaansche republiek dus geen plaats is, wenschen
de inwoners van Caddo niets minder, dan de geheele bestaande orde
van zaken te veranderen:--opheffing van de afzonderlijke indiaansche
nationaliteit; van de verdeeling der Indianen in stammen en gezinnen;
van de uitsluiting van vreemdelingen uit het indiaansche grondgebied;
voorts afschaffing der indiaansche bloedwrake, van de onbeperkte
macht der opperhoofden en den gemeenschappelijken grondeigendom.
"Welke veranderingen zoudt gij alzoo wenschen in te voeren? vraag ik
een zwarten politieken dilettant.
--Welke veranderingen? antwoordt de zwarte radikaal. Alles moet
veranderen. Wij verlangen dat de stammen worden afgeschaft; dat
een regelmatig bestuur worde gevestigd, het land voor den arbeid
en het kapitaal geopend; dat het bestuur der opperhoofden ophoude,
alsmede de handel in vrouwen en het gemeenschappelijk grondbezit. Dit
verlangen wij voor de anderen; maar wij hebben ook iets voor ons zelven
te vragen. Tot nu toe hebben wij geen rechten. Gij vindt ons hier in
Caddo, maar wij worden hier enkel geduld. Onze landerijen behooren ons
niet. Elken dag kan men ons wegjagen, zonder dat wij eenige vergoeding
ontvangen voor de verbeteringen, die wij hebben aangebracht.
--Eenige opperhoofden der Choctaws hebben mij toch verzekerd, dat
zij u naar recht en billijkheid zullen behandelen.
--Ja, misschien zullen zij dat doen; maar wie kan hen daartoe
dwingen? Wij hebben aan iets anders behoefte, dan aan beloften
van opperhoofden. Wij verlangen stemrecht, het recht om ambten te
bekleeden, om land te bezitten, om in de jury te zitten, om onze
jongens naar school te zenden. Wij wenschen dat deze rechten ons
worden toegekend door besluiten van het Congres, en niet afhangen
van beloften van de hoofden der Choctaws."
Dat is het politiek programma van Caddo, een vlek, door negers en
zambo's bewoond; dit zijn ook de beginselen van de Oklahoma Star,
het daar verschijnende weekblad onder redactie van een blanke, een
soort van letterkundigen en politieken avonturier.
XV.
Oklahoma.--Eene vrijstad.
Oklahoma is de naam, dien de radikalen onder de Creeks en Cherokees
wenschen te geven aan de landen der Indianen, nadat de stammen tot
één volk zullen zijn vereenigd en de jachtvelden een staat zullen
zijn geworden:--een droombeeld, waaraan sommige opgewonden dweepers
gelooven. Deze idealisten, die de wonden van hun eigen stam niet kunnen
genezen, noch eenige duizenden Cherokees kunnen bewegen onderling
in vrede te leven, koesteren evenwel de hoop dat zij de Creeks en de
Seminolen, de Choctaws en de Chickasaws met elkander zullen verzoenen,
en die allen zullen vereenigen onder ééne regeering en ééne banier. Nog
meer: in hunne verbeelding zien zij reeds den dag, waarop andere,
nu nog geheel wilde en heidensche stammen--de Cheyennes, de Apachen,
de Kiowas en anderen--zullen hebben opgehouden vee en vrouwen te
rooven, waarop zij hun tomahawks en skalpeermessen zullen begraven, en
novelletjes zullen lezen en whisky zullen drinken, evenals de blanken.
Voorwaar, die dag ligt nog zeer verre in het verschiet!
Eenigen tijd geleden heeft de regeering van Washington besloten,
tegenover de Indianen eene "nieuwe politiek" te volgen, met het
doel om hunne vestiging in vaste woonplaatsen en hunne bekeering
te bevorderen. Deze politiek is gegrond op het oude stelsel der
Franciskaner monniken, maar gewijzigd naar de beginselen van een
civielen staat en in verband met de bestaande toestanden. Voortaan
zullen de Indianen beschouwd en behandeld worden als "pupillen." Door
middel van bajonetten binnen zekere aangewezen terreinen saamgedreven,
worden zij nu gesteld onder de geestelijke leiding van sommige sekten,
die hen moeten voeden en onderwijzen, en ook onder het toezicht
van officieren, die hen moeten bewaken en hen neerschieten, als zij
de op het papier getrokken grenzen overschrijden.--De leeraars en
zendelingen, die natuurlijk zich gaarne bij hunne sekte aangenaam
maken, hangen een bekoorlijk tafreel op van een, tot dusver alleen
in hunne verbeelding bestaand indiaansch land, vol landhoeven
en boerderijen, tuinen, scholen en kerken. Elk indiaansch terrein
(reservation) heeft een eigen schoolfonds, op het papier; in sommige
nederzettingen vindt men ook werkelijk armoedige loodsen, met den
naam van school versierd.--De officieren voeren een andere taal:
zij behoeven geen theorie te verdedigen. Is er een blanke hoeve
uitgeplunderd of eene blanke familie geskalpeerd, dan moeten zij de
wilden najagen en tuchtigen. Een grenspost is juist geen geschikte
plaats om humanitaire illusiën te kweeken. Voor zoover mijne
ondervinding gaat, is de eenvoudige waarheid deze: dat geen enkel
officier, die in de grenslanden gediend heeft, het mogelijk acht,
de volbloed Indianen te beschaven.
Nooit kan een roodhuid iets begrijpen van hetgeen een blanke zijn
wet noemt.
Neem, bij voorbeeld, de laatste uitspraak van den opperrechter Waite en
zijne geleerde bijzitters in het Hoog-Gerechtshof, en vraag dan hoe een
Creek of Cherokee, om nu van de Osages en Kickapoos te zwijgen, zulk
een wet kan begrijpen. Reeds sedert jaren gold voor de Indianen, als de
zwakste partij, de algemeene regel, dat de staat de bevoegdheid had,
hen van de eene plaats naar de andere te doen verhuizen. Als blanke
planters hunne jachtgronden in bezit wenschten te nemen, werden zij
gedwongen te vertrekken; maar hun oorspronkelijk eigendomsrecht op
den grond werd niet geloochend, en voor de in bezit genomen landen,
werden hun altijd andere in ruil gegeven. Toen zij Georgië moesten
verlaten, kregen de Cherokees een beter terrein langs de oevers van den
Vert-de-gris. In plaats van hunne vroegere woonplaatsen, ontvingen de
Creeks en Choctaws jachtgronden langs den Arkansas; de Senecas, langs
de Alleghany; de Oneidas, bij Green-Bay. De Omahas kregen landerijen
langs den Missouri; de Crows, langs de Yellowstone; de Shoshonen, langs
de Snake-River. Geen stam werd ooit uit zijn woonplaats verdreven,
dan met belofte van elders beter terrein te zullen ontvangen. Sedert
de dagen van Penn, was het nog niemand in de gedachte gekomen te
betwisten, dat het land oorspronkelijk aan de roodhuiden behoorde.
Maar Waite en zijn geleerde broederen hebben hierin verandering
gebracht. Deze rechtsgeleerden hebben uitgemaakt dat de Indianen
niet de eigenaren van den grond in het algemeen zijn, ja dat zij
zelfs geen recht van bezit hebben op hun eigen land. Volgens hen,
is de ware en echte grondeigenaar niemand anders dan het gouvernement
der Vereenigde-Staten.
Ook onder de meest ontwikkelde Creeks en Choctaws, zal er wel geen
enkele gevonden worden, die de gronden kan begrijpen, waarop deze
uitspraak van Waite rust; maar zelfs de onwetendste Indiaan begrijpt
het volkomen, dat zijn land hem niet toebehoort, dat hij niet meer
is dan eenvoudig gebruiker, en dat het hem niet langer vrijstaat een
denneboom te vellen en te verkoopen.
Volgens de "nieuwe politiek," die den geduchten oorlog met de
roodhuiden tot een soort van vrome idylle maakt en tegelijk het gansche
grondgebied der Indianen ten bate der regeering verbeurd verklaart,
wordt de inlandsche bevolking in vier groote klassen verdeeld:
1°. Wilde Indianen, met wie geene andere betrekkingen kunnen worden
aangeknoopt, dan dat zij nu en dan uit de handen der regeerings-agenten
dekens en voedsel ontvangen.
2°. Indianen, die ten volle overtuigd zijn van de noodzakelijkheid van
geregelden arbeid en daartoe ook willen overgaan, en die tot dat einde,
in meerdere of mindere mate, de hulp en leiding der regeerings-agenten
aanvaarden.
3°. Indianen, die bereids eene hoeve of boerderij, met de daarbij
behoorende landen, het vee en verder toebehooren, in vollen eigendom
bezitten.
4°. Zwervers en vagebonden.
De eerste klasse omvat, naar men zegt, acht-en-negentigduizend zielen,
en daaronder de Sioux, de Uten, de Apachen, de Kiowas, de Cheyennes, de
Comanchen en Arapahoes. De tweede klasse telt twee-en-vijftigduizend
zielen, en daaronder de Osagen, Kickapoos, Pai-Uten, Shoshonen,
Pawnees on Navajos. De derde klasse wordt geschat op honderdduizend
zielen, on daaronder Creeks, Choctaws, Cherokees, Seminolen en
Chippewais. De vierde is moeilijker te berekenen; naar men vermoedt,
telt zij twintig- of dertigduizend zielen; en daaronder Winnebogoes,
Sacs Pottawatomies en verstrooide benden van Shoshonen en Uten.
Deze verdeeling en deze statistiek is tot niet veel meer nut dan tot
stichting en opvroolijking van de welmeenende sektarissen, die heden
ten dage, met minder takt en onder ongunstiger omstandigheden, in de
westelijke vlakten de proef herhalen, bereids door de Franciskaner
monniken in Californië genomen. Maar deze onbestemde, fantastische
klassificatie heeft niet de minste praktische waarde, en wordt dan
ook geheel ter zijde gesteld door allen, die met de werkelijke feiten
te doen hebben. Voor hen bestaan er maar twee soorten van Indianen:
wilde Indianen, en half-wilde Indianen.
De eerste klasse omvat al de groote stammen en geslachten: Sioux,
Uten, Cheyennes, Arapahoes, Navajos en meer anderen. Zij zijn
nimmer onderworpen en hebben zich nimmer op vaste woonplaatsen
gevestigd. Heidenen, roovers en nomaden, beloopt hun getal omstreeks
tweehonderd-duizend zielen. Zij zijn de echte roodhuiden, wier
bloed vrij bleef van alle vermenging, onveranderlijk getrouw aan hun
voorvaderlijk geloof en aloude zeden.
Tot de tweede klasse rekent men de kleinere indiaansche stammen,
die, door voortdurende aanraking met de blanken, half ouderworpen
en eenigermate aan den grond verbonden zijn: de Indianen der missie
in Californië, de Indianen van Arizona. de Senecas in New-York, de
Chippewais in Michigan, de Winnebogoes in Nebraska, de Choctaws en
Cherokees in Oklahoma, en hunne stamgenooten elders. Deze Indianen,
meestal ingesloten tusschen nederzettingen der blanken, zijn ongeveer
honderdduizend zielen sterk: het treurig overschot van machtige
natiën, die te gronde zijn gegaan. Zij zijn een weinig beschaafd,
en zeer aanzienlijk in getal geslonken. Inderdaad is de Indiaan
voornamelijk daarom bevreesd voor de gewoonten en zeden der blanken,
omdat hij bij ondervinding weet of wel bij instinkt gevoelt, dat de
eerste stap op den weg onzer beschaving voor hem tevens de eerste
stap is naar zijn physieken en zedelijken ondergang.
Kolonel Stevens, die van zeer nabij met de indiaansche zeden en
levenswijze bekend is, werd door de regeering naar de zoogenoemde
vlakte gezonden, om voor de indiaansche opperhoofden een aantal
steenen huizen te bouwen, die als lokaas moesten dienen om hunne
stammen tot onderwerping te bewegen. Na verloop van zes maanden
waren al die huizen, voor eenige vaatjes whisky, in handen van
blanken overgegaan. Slechts één voornaam opperhoofd, Lange-Antilope,
had zijn huis nog behouden; en Stevens ging hem een bezoek brengen,
meenende dat hij nu inderdaad een opperhoofd gevonden had, van wien
iets meer mocht worden verwacht dan van zijne stamgenooten. Hij vond
Lange-Antilope, zijn pijp rookende, in eene tent, nabij het venster
zijner woning opgeslagen.
"Waarom leeft gij in eene tent, Lange-Antilope, daar gij toch een
goed huis hebt?" Lange-Antilope grinnikte en antwoordde:
"Het huis goed voor het paard, niet goed voor een krijgsman.... ugh."
Stevens trad de woning binnen, en vond inderdaad het paard van
Lange-Antilope in de eetkamer staan.
De kolonel, die mij dit zelf verhaalde, voegde er bij:
"Nooit zal een volbloed Indiaan zich met de gedachte aan een huis
verzoenen. Hij begrijpt de beteekenis daarvan niet. Gij kunt hem nooit
aan zijn verstand brengen, dat eene vaste woning te kiezen, nog iets
anders beduidt dan zijne schouders met een warme deken in plaats van
met een beestevel te omwikkelen, van de agentuur brood te ontvangen
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/11317