Gutenberg · eo1.org

← catalogue

Een Heldin

by A. C. Kuiper · Dutch · Gutenberg #11285 · 421,194 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of Een Heldin
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: Een Heldin

Author: A. C. Kuiper


        
Release date: February 1, 2004 [eBook #11285]
                Most recently updated: October 28, 2024

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/11285

Credits: Produced by Joris Van Dael and PG Distributed Proofreaders


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN HELDIN ***

EEN HELDIN

DOOR

A. C. KUIPER,

SCHRIJFSTER VAN "ELSJE", "ANNEKE", "EEN HOLLANDSCH MEISJE OP EEN
ENGELSCHE KOSTSCHOOL", "ALLEEN IN EEN KLEINE STAD",
ENZ.

MET ILLUSTRATIËN NAAR FOTOGRAFIEËN.

HAARLEM.

VINCENT LOOSJES.

1906.



[Illustration: De vestibule van het Iersche kasteel.]




_Dit verhaal bevat veel, dat verdicht is en toch is het op waarheid
gegrond, omdat de voornaamste gebeurtenissen, die erin worden
beschreven, werkelijk hebben plaats gehad. Ook de ervaringen op de
Engelsche kostschool zijn, zonder de minste overdrijving, geheel naar
waarheid weer gegeven, terwijl de hoofdpersoon, een Duitsche, werkelijk
heeft geleefd en--nog leeft, al is haar naam niet Hedwig Eiche!

Hoewel zij zichzelf allerminst "een Heldin" zou noemen, heeft zij toch
het volste recht op dien naam. Menige jonge lezeres, die zelf een
zonnige, gelukkige jeugd geniet, zal dit met mij eens zijn, vooral als
in aanmerking genomen wordt dat "Hedwig Eiche" den moed had reeds op
haar 15^e jaar de wereld in te gaan in een tijd, toen er van werken
buitenshuis voor de meeste meisjes nog maar zeer weinig sprake kon zijn
en de keuze van werkkring voor haar dus uiterst beperkt was.

A. C. K._




INHOUD.


Hoofdstuk I. EEN KLOEK MEISJE

         II. "MY DEAR!"

        III. EEN BRIEF, WAAR VAN ALLES IN STAAT

         IV. OP DE PROEF GESTELD

          V. CHESTER

         VI. KOUDE EN HONGER

        VII. "FLINKIE"

       VIII. UITKOMST

         IX. VIER IERSCHE KINDEREN EN EEN HOND

          X. NESTA'S DRIFT

         XI. LONDEN EN MIST

        XII. AAN DE BLAUWE ZEE

       XIII. EEN RIJK LEVEN




HOOFDSTUK I.

Een kloek Meisje.


Zij woonden in de sombere buitenwijk van een Duitsche stad, in een groot
blok van een huis, dat in verschillende verdiepingen verdeeld was, één
verdieping voor elk gezin. Vóór acht maanden waren zij verhuisd naar de
bovenste verdieping, omdat men daar het goedkoopst woonde en toch was
het voor hen nog veel te duur! Want de laatste jaren waren zij hoe
langer hoe armer geworden en het allerlaatste jaar, o, dat was
vreeselijk geweest, zóó vreeselijk dat het jongste zusje, Clärchen,
altijd weer angstig en diep bedroefd werd, als er over werd gesproken.
Ach, het was ook zoo treurig dat die arme, geduldige moeder zóóveel
verdriet had gehad en dat de rust eigenlijk eerst in huis was gekomen na
vaders dood, nu drie maanden geleden. Hedwig, de oudste dochter, had
toen gezegd dat zij nu dubbel haar best moesten doen om lief voor
moeder te zijn en Clärchen had terstond met een ernstig gezichtje: "Ja"
geknikt; dat wilde zij ook heel graag. Maar soms, als zij met een kale,
verstelde jurk naar school moest of naar bed werd gestuurd zonder
avondeten, vond zij het wèl moeielijk om niet boos en ontevreden te
zijn. Waarom waren zij dan toch ook zoo heel arm?

"Ik weet niet hoe wij met ons drieën rond moeten komen!" had de moeder
gisteren voor de zooveelste maal uitgeroepen, nadat zij allerlei
berekeningen had zitten te maken op een stukje papier. Hedwig had daarop
wel lachend het papier naar zich toe getrokken en gezegd: "Allemaal maar
flink de handen uit de mouw steken, moedertje, en niet in dit paleis
blijven wonen, dan zal het wel gaan," maar Clärchen had toen toch heel
goed gezien dat ook Hedwig zeer bezorgd was. En toen zij 's avonds te
bed lag en de Septemberregen tegen het raam van het zolderkamertje
hoorde kletteren, dat zij met Hedwig deelde, werd zij zoo treurig
gestemd dat zij wel moest gaan schreien of ze wilde of niet. En snikkend
had zij bedacht dat het nu misschien wel niet lang meer zou duren of zij
zouden op straat moeten gaan bedelen om een stuk droog brood....

Toen had zij opeens Hedwig's arm om zich heen gevoeld. "Kindje, kindje;
wat is er toch? Stil nu!" had het sussend geklonken. Daarop had zij
Hedwig alles gezegd wat haar op het hart lag en Hedwig had haar getroost
en opgebeurd--dat kon Hedwig zóó goed!--en toen ze kalmer geworden was,
had Hedwig nog heel ernstig gevraagd: "Beloof je me zusje, dat je je
best zult doen zooveel mogelijk voor moeder te zijn en je flink te
houden, ook ... ook als er dingen mochten gebeuren, die je in 't geheel
niet verwacht?"

Zij had Hedwig toen verbaasd aangekeken--wat meende ze toch?--maar toen
Hedwig herhaalde: "Dat beloof je mij immers?" had zij beslist gezegd: "O
ja, ja."

Hedwig had toen even haar hoofd in de kussens gedrukt en een oogenblik
had Clärchen gemeend dat zij haar zacht hoorde snikken, maar ze dacht
later dat zij zich dit toch moest verbeeld hebben, want toen Hedwig weer
opkeek, glimlachte zij en zag ze alleen maar wat bleek.

En nu was het juist alsof vandaag alles weer wat vroolijker was dan
gisteren! Zij kregen nu ook wèl avondeten; dat was in lang niet gebeurd.
Hedwig had naaiwerk verkocht in een der groote winkels in de stad en er
meer geld voor ontvangen dan zij verwacht had en terwijl zij de tafel
dekte, deed zij een aardig verhaal van haar tocht, dat haar moeder en
Clärchen aan het lachen bracht.

Wat keken Clärchen's oogen begeerig naar de gebakken aardappelen! Die
zagen er dan ook zoo lekker bruin uit, met de smakelijke, knappende
korstjes; alleen moeder kon ze zóó bakken. Zij kregen er sla bij en
ieder een half ei; Clärchen vond het een feestmaal, maar zij had wel
heel graag wat meer gehad!

Wat had Hedwig toch langzaam gegeten, dacht ze; die alleen had nog maar
wat op haar bord en zij had nog wel het minst genomen, dat had Clärchen
duidelijk gezien! Zij keek eens even naar het heerlijke hapje, dat
straks in Hedwig's mond moest verdwijnen; toen zag ze snel weer voor
zich, want Hedwig had haar lachend aangekeken. Daar schoof ze haar bord
naar Clärchen toe.

"Hier, neem jij dit nog maar."

"Neen, neen, Hedwig."

"Ja, ja, Clärchen. Kom, eet maar gauw op; ik zie aan je neus dat je er
trek in hebt."

"Ja maar ... jij dan niet?"

"Lang niet zooveel als jij. Komaan, een, twee, drie, opeten! Je moet mij
gehoorzamen, vergeet dat niet. Ik ben al vijftien en jij pas elf."

"Over een maand twaalf," zei Clärchen. Ze liet zich echter niet langer
nooden. Lachend at zij het lekkere hapje op, terwijl ze Hedwig dankbaar
toeknikte. Of zij nog trek had! Eigenlijk had zij dat tegenwoordig
altijd nog, als zij van tafel opstond. Hedwig niet, ten minste ... die
_deed_ gewoonlijk net of zij wel degelijk genoeg gehad had.

Clärchen hoopte altijd dat zij later op Hedwig zou gaan lijken en even
knap worden. Hedwig ging niet meer school; dat was, ten minste volgens
Clärchen's oordeel, ook niet meer noodig, zij wist werkelijk genoeg! Zij
kon vrij goed Fransch en Engelsch spreken en vele andere dingen, die
Clärchen nog leeren moest. Toen zij klein was, had Hedwig een poosje een
Engelsche gouvernante gehad, maar dat was geweest in den tijd toen zij
nog rijk waren en van dien tijd herinnerde Clärchen zich al heel weinig
meer.

Ook Hedwig scheen het thans als een droom toe dat er werkelijk jaren
waren geweest, waarin haar moeder geen geldzorgen had gekend. Zóó arm
als zij nu dan toch ook waren....

In diep gepeins verzonken zat zij 's avonds laat op den rand van haar
bed. Na den storm van gisteren was de lucht als schoongeveegd; nu scheen
de maan helder naar binnen, een lichte streep werpend op den houten
vloer van het zolderkamertje.

Hedwig keek naar het rustige, zachte licht; toen knikte zij even. "Ik
doe het," fluisterde ze, "het moet!" En heel zacht: "Dan zullen moeder
en Clärchen ook hier kunnen blijven wonen. Ik zal moeder schrijven...."

Bedaard stond zij op en liep op hare teenen naar de tafel om Clärchen
niet wakker te maken. Ze nam papier en potlood en trachtte bij het
maanlicht te schrijven, maar het wilde niet vlotten. Voorzichtig stak
zij een eindje kaars aan; nu ging het beter, al beefde haar mond en al
moest zij een paar malen met de oogen knippen. Maar ze gaf geen geluid;
ze _bleef_ voelen dat zij stil moest zijn om Clärchen. Eindelijk vouwde
zij het briefje dicht, stond vastberaden op, pakte enkele dingen in een
oud reistaschje en keek om zich heen of ze niets vergeten had.
Zorgvuldig telde zij het geld na, dat ze nog over had van de verdienste
van dien middag en dat haar eerlijk toekwam; het zou juist genoeg zijn
voor haar doel, meende ze.

Opeens, een inval gehoor gevend, nam zij de kaars op en liep er mee naar
een spiegeltje, dat tegen het houten beschot hing. Ze zette het eindje
kaars op een richel; zoo kon ze juist goed zien.

"Niet _heelemaal_ oud genoeg," vond ze, terwijl zij ernstig en
aandachtig--haast alsof het iets nieuws voor haar was--keek naar wat de
spiegel haar toonde: een smal meisjesgezicht met verstandige,
grijsblauwe oogen. "Wacht eens!" En met een vlugge beweging van hare
beide handen, legde zij de blonde vlecht, die op haar rug hing, om het
hoofd, stak haar vast, schuierde het springerige voorhaar glad en knikte
tevreden. "_Veel_ beter zoo," fluisterde zij opgeruimd. "Zoo zullen zij
mij heel licht voor achttien of twintig houden. En nu naar bed!"

Zij sliep echter niet veel dien nacht, want als zij al even
insluimerde, werd ze spoedig met schrik weer wakker, zelfs in hare
droomen gekweld door de vrees dat zij zich verslapen zou. Eindelijk,
toen het een weinig begon te schemeren, stond zij op. In het grauwe
halfduister knielde zij neer om haar ochtendgebed te doen en God vuriger
dan ooit te smeeken haar te helpen; toen kleedde zij zich snel aan, nam
haar reistaschje op, drukte voorzichtig een kus op Clärchen's krulhaar,
legde haar briefje in de zitkamer, keek verlangend naar de deur van het
zijvertrek, waar haar moeder sliep, aarzelde even of zij er binnen zou
durven gaan, keerde zich snel af, zei zacht: "Dag mijn lief, lief
moedertje"--en liep naar beneden en het huis uit.

Toen zij op straat stond, keek ze nog even naar boven, hoog naar boven.
Achter dat smalle raam sliep haar moeder; als zij wakker werd, zou zij
haar missen....

Ze mocht nu echter geen tijd verliezen, niet langer staan te droomen. Al
was het ook nog zoo vroeg, ze moest zich haasten, als zij, wat haar plan
was, werkelijk den eersten trein naar Hamburg halen wilde, waar ze dan
om half tien zijn kon. Ze wilde daar de oude kindermeid Anna Schaub gaan
opzoeken, die jaren lang bij het gezin had gewoond en alles wist wat er
gebeurd was. Anna schreef telkens nog zulke hartelijke brieven aan
Hedwig's moeder; zij zou Hedwig zeker voort willen helpen en haar zeggen
wat ze doen moest om een geschikte betrekking te vinden. Want dat was
wat Hedwig wilde en ze geloofde stellig dat het wel gelukken zou; ze zou
dan flink gaan verdienen en een steun voor haar moeder kunnen zijn. Als
ze nu maar eerst in Hamburg was, dan kon ze terstond met Anna aan het
zoeken gaan!

Snel liep ze door. Zij was buiten adem, toen zij aan het station kwam
en juist had zij een kaartje genomen aan het 3^e-klasse loket en was op
het punt de wachtkamer in te gaan, toen zij een stem hoorde zeggen:

"Ik zag Hedwig Eiche ook staan zooeven. Waar die opeens naar toe wil?
Het moet treurig gesteld zijn daar aan huis...."

Hedwig keek niet om, maar haastte zich op het perron te komen. De trein
stond er al. Ze stapte vlug in en was blij, toen de portieren gesloten
waren en de trein zich in beweging zette. Zij begon nu vermoeid en
slaperig te worden; ze leunde in haar hoekje en sloot de oogen, al haar
best doende om zich te verzetten tegen het gevoel van angstige
gejaagdheid, dat zich van haar trachtte meester te maken. Ze wou flink
zijn, flink zijn, flink zijn, herhaalde ze zacht bij zichzelf. En ze
glimlachte even. Hedwig _Eiche_ heette ze immers, dan moest zij haar
naam toch ook eer aandoen! Ze dwong zich tot kalmte met die eigenaardige
krachtsinspanning, waarvan zij, jong als zij was, maar al te zeer de
macht had leeren kennen in de smartelijke jaren, die achter haar lagen.

Met de handen stil in den schoot, bleef zij een poos heel rustig zitten,
werkelijk kalmer wordend omdat zij dit worden _wilde_; toen sliep zij
even in.

Zij voelde zich verkwikt, toen zij in Hamburg aankwam en liep in een
opgewekte stemming door de mooie, drukke straten. Wat was het prettig
levendig hier! Zij was echt blij dat ze gegaan was; hier zou _zij_ ook
werk vinden. Ieder scheen het even druk te hebben; dan moest er voor
haar ook wel wat te doen wezen! Ze wou hard werken, kleine kinderen les
geven als het kon, flink geld verdienen voor haar moeder en Clärchen....

Zij had Anna Schaub een paar malen met haar moeder bezocht en ze wist
dus hoe ze loopen moest; het was niet ver en vrij spoedig schelde zij
aan bij het kleine, nette huisje, dat Anna bewoonde sedert zij hare
schaapjes op het droge had.

De deur werd bijna terstond door Anna zelf geopend. Heel verbaasd keek
zij op! Hare bruine oogjes werden eens zoo groot als anders en
glinsterden als twee sterretjes. Hedwig keek haar vroolijk aan.

"Hoe vindt je dat nu wel?" vroeg ze.

Anna sloeg de handen in elkaar. "Neen maar...." begon ze.

"Dat dacht je niet, he?" riep Hedwig lachend, terwijl zij het huis
inging om daarop door Anna zeer hartelijk omhelsd te worden. "Een echte
verrassing, niet waar? Maar breng mij maar gauw binnen en geef me wat te
eten, want ik heb nog niets gehad vandaag en ik verga van den honger."

"Wat? Ach, arm kind!" Anna was een en al medelijden. Zij trok Hedwig mee
naar het achterkamertje, waar een rij maandroosjes voor het raam stond
te bloeien en de koffiegeur van het ontbijt nog flauw in het vertrek
hing.

"Ziezoo, ga daar nu maar eens zitten en zeg niets meer voordat je flink
ontbeten hebt," zei Anna en in één adem door: "Mevrouw en Clärchen nogal
wel?"

Hedwig knikte; ze kon opeens niet goed spreken. Ze dacht eraan hoe haar
moeder en Clärchen haar nu zouden missen en hoe heel graag zij nog even
afscheid van haar zou hebben willen nemen. Maar ze vermande zich en
glimlachte weer. "Vóór alles geen sentimentaliteit," besloot ze bij
zichzelf.

Zij deed zich te goed aan de warme koffie, het brood en den honig, die
Anna haar voorzette en hoewel deze brandde van verlangen om het doel van
haar reis te weten te komen, herhaalde zij toch telkens weer dat zij
niets moest vertellen voordat zij geheel verzadigd was.

Hedwig liet haar echter niet lang in het onzekere. "Anna," vroeg zij
plotseling heel ernstig, "wil jij me helpen om een goede betrekking te
vinden?"

"Mijn lief kind...."

"We zijn heel, heel arm, zie-je, _veel_ armer nog dan verleden jaar en
wij kunnen zoo niet voortleven. Ik moet flink aan het werk gaan en geld
verdienen; als ik dan van tijd tot tijd wat naar huis stuur, kunnen
moeder en Clärchen blijven wonen waar zij nu zijn...."

"Vindt mevrouw dàt goed?"

"Ik ben weggegaan ... heel vroeg van ochtend, ik heb moeder niet meer
gezien," zei Hedwig ontwijkend en met een kleur. "Zij zou mij misschien
niet hebben laten gaan, maar als ik iets goeds vind, zal zij natuurlijk
heel blij zijn. Ik heb een briefje achtergelaten om te vertellen wat ik
ging doen. O Anna, het _moet_ gebeuren; zóó gaat het niet langer! Help
mij toch! Hier in dit groote Hamburg, waar iedereen het zoo druk heeft,
zal toch ook voor mij wel iets te vinden zijn, een betrekking als
gouvernante of kinderjuffrouw of iets dergelijks. Ik zal erg mijn best
doen dat men tevreden over mij kan wezen en ik ben zoo sterk en ... en
niet zoo heel dom...."

Hare oogen glimlachten weer bij de laatste woorden, haar geheele
gezichtje gloeide van opwinding.

Anna schudde even het hoofd. "Je bent pas vijftien jaar," zei ze.

"Maar ik zie er ouder uit!" riep Hedwig en toen Anna weer het hoofd
schudde: "Ja, ja, ik zie er veel ouder uit, heusch, als ik maar wil!
Vanochtend in de haast kon ik het niet zoo gauw goed krijgen, maar kijk
eens!"

Ze wierp haar hoed af, haalde een pakje haarspelden uit haar taschje,
legde de blonde vlecht weer om het hoofd en stak haar vast en trachtte
een streng gezicht te zetten.

"Zou je nu ooit denken dat ik pas vijftien was, als je 't niet wist?"

"Ik ... weet het niet zeker," zei Anna eerlijk. "Maar je bent toch in
ieder geval veel te jong om in betrekking te gaan."

"Neen, neen, daar vergis je je mee; gerust, daar vergis je je mee," zei
Hedwig zeer beslist. Toen overredend: "En het _moet_ ook wezenlijk
gebeuren, Anna, het is _heel_ noodzakelijk; wij zijn zóó arm, zoo
verschrikkelijk arm! En als ik misschien iets bij kinderen kon krijgen,
ik houd zooveel van kinderen, ik zou het heerlijk vinden...."

"Ja, je waart ten minste als klein meisje ook altijd even engelachtig
voor Clärchen," zei Anna met vuur.

"Engelachtig? Ik!" Hedwig lachte vroolijk. "Neen Annalief, nu vergis je
je al weer. Dat ben ik nooit geweest. Maar weet je wat? Wees jij nu eens
wèl engelachtig voor mij en help me om wat goeds te vinden."

Anna dacht even na. Toen zei ze met nadruk:

"Dan moet je me beloven dat je stellig niets aannemen zult, dat niet
werkelijk goed is."

"Dat beloof ik," zei Hedwig plechtig. "Kan ik hier logeeren?"

"Natuurlijk lieveling."

"En ... als het noodig mocht zijn en dat zal wel...." zei Hedwig
aarzelend, "dat ik nog wat nieuwe kleeren koop, zou je ... heb je dan
... zou je me dan wat geld willen leenen?"

Anna stond op en sloeg den arm om haar heen. "O zoo graag," zei ze.

"Ik hoop maar dat we heel gauw wat vinden, _heel_ gauw," hernam Hedwig.
"Het zal ook zoo prettig zijn om dat dan aan moeder te schrijven. En nu
ga ik even uit om een krant te koopen; dan kijken we samen de
advertentiën na en dan ... o, natuurlijk vind ik iets, dat geschikt is!"

Ze snelde het huisje uit, kwam spoedig weer terug met een dichtgedrukte
krant in de hand en gunde zich den tijd niet om haar goed af te doen,
voordat ze de advertentie-kolommen doorgezien had. Anna las over haar
schouder heen ijverig mee, met haar bril op het puntje van haar neus.

"Daar is niets bij," mompelde Hedwig een paar malen, maar eensklaps
veranderde de uitdrukking van haar gezicht. "O, heb je dat gezien, dat?
Daar, daar!" riep zij en ze wees met haar vinger op een advertentie met
het opschrift: _Gouvernante_.

Anna zei nog niets; ze moest eerst de advertentie op haar gemak
doorlezen.

Het duurde Hedwig lang genoeg, maar ze bedwong haar ongeduld. Hare oogen
glinsterden, terwijl ze nu eens naar Anna, dan weer naar de krant keek.

"Een gouvernante gezocht voor haar dochtertje door een barones, die
spoedig naar het buitenland vertrekt ... muziek en kennis der Engelsche
taal vereischten," zei Anna eindelijk. "Ja, ik weet niet...."

"Nu, maar _ik_ weet het wel," viel Hedwig lachend in. "Ik ga er straks
dadelijk op af, hoor! Kijk, er staat dat men zich in persoon moet
aanmelden aan het hotel, waar de barones op 't oogenblik logeert. O, ik
hoop, ik hoop, ik _hoop_ dat ik dat krijg!"

Ze greep de oude Anna om het middel en trachtte met haar het kamertje
door te dansen.

Anna rukte zich echter vroolijk los. "Als je zóó bij de barones doet,"
hijgde ze, "zal zij je wel een geschikte gouvernante voor haar
dochtertje vinden!"

"Daar doe ik me streng en deftig voor, dat spreekt van zelf," zei
Hedwig, rimpels in haar voorhoofd trekkend. "In ieder geval wil jij me
straks zeker wel even den weg wijzen? Ik weet niet waar dat hotel is."

"Ik wil je wel den weg wijzen, maar ik ga niet mee naar binnen," zei
Anna snel.

"Neen natuurlijk niet, dan zou het net zijn alsof ik niet alleen
durfde," zei Hedwig. "We moeten er om twee uur zijn; er staat dat de
barones dan te spreken is."

Anna vond alles goed. Zij hielp Hedwig zich zoo netjes mogelijk te maken
en er zoo oud mogelijk uit te zien, waartoe werkelijk het glad
geschuierde, opgestoken haar, de eenvoudige, zwarte hoed, waarvan Hedwig
in overdreven ijver nog gauw de klaprozen door een bouquetje viooltjes
van Arma verving en het donkere japonnetje het hunne bijdroegen. Anna
sloop even alleen uit om met een glans op haar gezicht terug te komen
met een paar keurige glacé handschoenen. "Die moet je van mij aannemen,"
zei ze en Hedwig zei dankbaar: "Heel graag."

Zij waren blij toen het eindelijk tijd was om op weg te gaan en Anna,
die verreweg de zenuwachtigste was van de twee, slaakte een zucht van
verademing, toen Hedwig het hotel binnenging en zij, volgens afspraak,
buiten op haar bleef wachten. "Nu weten wij het ten minste gauw," dacht
ze.

Intusschen liep Hedwig moedig de ruime vestibule van het groote hotel
in. Ze keek bewonderend om zich heen naar de smaakvolle meubeltjes en de
hooge manden met bloeiende planten, die hier en daar waren neergezet,
tot de portier haar vroeg wat er van haar dienst was. Zij zeide het hem
en had nauwelijks het woord "barones" genoemd of een kellner stond naast
haar.

"Wenscht u aangediend te worden?" vroeg hij.

Hedwig knikte en haar hart begon sneller te kloppen, toen zij den
kellner de breede trap op volgde naar de eerste verdieping, waar al weer
een frissche bloemengeur haar te gemoet kwam. Zij hoorde hare
voetstappen niet over den dikken Smyrna looper, wat de gewaarwording van
deftige geheimzinnigheid, die over haar gekomen was, nog verhoogde.
Onwillekeurig boog zij even statig als de kellner zelf, toen hij beleefd
de deur van een kleine kamer voor haar opende en haar vroeg hier een
oogenblikje te willen wachten. Hedwig noemde hem haar naam, toen sloot
hij heel zacht de deur en verdween.

Wat een aardig kamertje was het, zoo vroolijk en licht! En men moest
hier in dit hotel wel veel van bloemen houden, dacht Hedwig; ook hier
zag zij er op de tafel staan, terwijl het behang en de lichte
overgordijnen met losse tuiltjes viooltjes als bezaaid waren.

Ze bleef stokstijf staan, toen ze vrij dicht in hare nabijheid een
kinderstem hoorde en daarop een andere stem, die vermanend zei: "Neen
Tieka, dat mag niet!" Toen was alles weer stil.

Zij moest lang wachten en begon ongerust te worden. Zou de barones haar
misschien niet eens willen zien en al klaar zijn met een andere
gouvernante? De angst sloeg haar om het hart. Maar spoedig greep ze weer
moed, streek de mooie, nieuwe glacés nog wat gladder, trok haar gezicht
in de gewenschte plooi en ... wachtte zoo geduldig, als haar mogelijk
was.

Hoorde zij daar niet iets? Zij hield den adem in en werkelijk werd thans
de deurknop omgedraaid en verscheen de kellner met de vraag of zij zoo
goed wilde zijn hem te volgen.

Hedwig wilde niets liever. Nog even een haastigen blik in den spiegel.
Juist, zoo'n gezicht moest ze zetten!

Spoedig stond zij in een, naar zij later aan Anna meedeelde,
"allerprachtigste zitkamer, alles blauw en terra-cotta en oud goud."
Toen zij nader kwam, maakte een statige, lange dame even een beweging
alsof zij op wilde staan, maar ging terstond weer zitten. Zij bekeek
Hedwig van het hoofd tot de voeten en vroeg haar toen ook plaats te
nemen.

Met een bescheiden stem waagde Hedwig het op te merken dat zij kwam voor
de betrekking als gouvernante.

"Uw naam is Eiche, Hedwig Eiche?" vroeg de dame met een eigenaardig
uitheemsch accent.

Hedwig boog, zeer ontevreden op zichzelf omdat ze zoo warm werd; maar de
barones keek haar ook zóó onderzoekend aan! Als nu haar volgende vraag
maar niet was: "En hoe oud...?"

Het was Hedwig haast alsof er met groote letters _vijftien_ op haar
voorhoofd stond geschreven!

De barones scheen zich echter niet om haar leeftijd te bekommeren, nog
niet althans, bedacht Hedwig angstig.

"Wees zoo goed mij nauwkeurig te zeggen waarin gij les kunt geven,"
klonk het wat hoog.

Hedwig gehoorzaamde terstond. De barones toonde veel belangstelling voor
haar Fransch en Engelsch, liet haar die talen even spreken en kwam
blijkbaar onder den indruk van de beschaafde wijze, waarop zij zich
uitte.

Toen Hedwig op de vraag of zij van kinderen hield, opgewonden: "O ja!"
antwoordde, glimlachte zij flauwtjes. Eindelijk zeide zij:

"Ik zou wel lust hebben het eens met u te beproeven. Kan ik nog
informaties krijgen uit een vroegere betrekking?"

"O heden," dacht Hedwig, "nu komt het! Nu komt er stellig ook nog: "En
hoe oud....""

Maar ze moest antwoorden. "Ik ben nooit eerder in betrekking geweest,"
bracht zij er bedremmeld uit.

"O juist...." zei de barones langzaam. "Ja, dan moet u natuurlijk ook
met een klein salaris beginnen; maar daarover kunnen we straks nog
spreken. Ik had u wel eerder mogen vragen of het voor u geen bezwaar zou
zijn Duitschland te verlaten? Mijn echtgenoot is consul geweest in
Italië; hij heeft zijn betrekking neergelegd en nu gaan wij voor goed in
Schotland wonen. Wij hebben een huis even buiten Edinburg. Ik ben een
Engelsche."

Hedwig haastte zich op te merken dat er voor haar geen 't minste bezwaar
bestond om naar Schotland te gaan. "Ik vind het juist heerlijk veel te
zien van de wereld," liet zij zich ontvallen.

De barones knikte even heel genadig. Zij stelde nu juist niet zoo heel
veel belang in wat Hedwig "heerlijk" vond.

"Ik heb lust het eens met u te beproeven," herhaalde zij, "maar u lijkt
me nog heel jong...." Hedwig beefde, "en u zult u dus met een niet groot
salaris tevreden moeten stellen. Ik zal u jaarlijks 15 pond[1] geven;
vindt u dat goed? Natuurlijk betaal ik ook uw overtocht."

Hedwig boog haastig toestemmend. _Zij_ vond het salaris niet klein.
Vijftien pond! Daarvan zou ze toch het grootste gedeelte aan haar moeder
kunnen sturen.

"Wilt u dan nog even piano voor mij spelen of wat zingen?" vroeg de
barones opstaande en Hedwig de piano wijzend. "Ik zal mijn dochtertje
roepen, dan kunt u kennis met haar maken. Begin maar te spelen, als 't
je blieft."

Hedwig gehoorzaamde. Ze was juist in een stemming om te zingen; ze
voelde zich zóó opgewekt! Even dacht zij na, toen sloeg ze de toetsen
aan en zong vroolijk met haar frissche, jonge stem:

  "Ein Männlein steht im Walde ganz still und stumm,
  es hat von lauter Purpur ein Mänt'lein um.
    Sagt, wer mag das Männlein sein,
    das da steht im Wald allein
    mit dem purpurrothen Mäntelein?
...
  Das Männlein steht im Walde auf einem Bein,
  und hat auf seinem Haupte schwarz Käpplein klein.
    Sagt, wer mag das Männlein sein,
    das da steht im Wald allein
    mit dem kleinen schwarzen Käppelein?"

Nauwelijks had zij het laatste woord gezongen of een blijde kinderstem
riep: "_Schön! Nice!_" En terstond daarop zong dezelfde stem:

"Das Männlein dort auf einem Bein, mit seinem rothen Mäntelein und
seinem schwarzen Käppelein, kann nur die Hagebutte sein!"

Hedwig keek snel om. Naast de barones stond de kleine zangeres, een kind
met kort, heel krullend donker haar en donkerblauwe oogen, die haar
vroolijk aanzagen.

"Heel goed gespeeld en uwe stem bevalt mij ook," zei de barones. "En dit
is nu mijn dochtertje, uwe aanstaande leerling."

Met een aardige, bevallige beweging stak het kind Hedwig de hand toe.
"Wat ziet u er prettig jong uit!" riep ze.

Hedwig lachte. "Ik houd ook nog heel veel van spelletjes," zei ze, "en
van vertellen en zingen en pretmaken...."

"Tieka moet nu echter ook eens flink aan 't leeren gaan," viel de
barones beslist in. "En ik vertrouw dat u begrijpen zult dat zij te oud
is om hoofdzakelijk aan spelen te denken."

"O ja zeker, mevrouw," haastte Hedwig zich te antwoorden.

"Als u nu nog even wachten wilt," zei de barones, "dan kan ik u
zeggen...."

Zij eindigde den zin niet en ging aan een schrijftafeltje zitten, een
eind van Hedwig en het kind af.

"Wanneer komt u bij ons?" vroeg het kleine meisje fluisterend. "Heel
gauw, hoop ik. Ik ben nu zoo alleen."

"Heb je dan geen broertjes of zusjes?" vroeg Hedwig, eveneens
fluisterend om de barones niet te storen.

"O neen, nooit gehad."

"Hoe heet je ook weer?"

"Tieka," zei het kind gewichtig.

"Tieka? Wat een aardige naam! En hoe verder?"

"Tieka, Helene, Adelaïde von Zercläre, maar niemand noemt mij ooit
Helene of Adelaïde, altijd alleen maar Tieka."

"Hoe oud ben je?"

"Over vier dagen word ik al tien. Ik had u straks willen halen uit de
aardige viooltjeskamer, maar mama vond het niet goed."

"Ga nu nog maar wat lezen, Tieka en zeg Fräulein goeden dag," kwam de
barones tusschenbeide en Tieka gehoorzaamde onmiddellijk; bij de deur
wierp zij Hedwig nog vlug een paar kushanden toe.

"Ik veronderstel dat u zoo spoedig mogelijk zult kunnen komen?" hernam
de barones. "Wij vertrekken reeds overmorgen naar Londen, waar wij een
paar dagen wenschen te logeeren. Het is nu Donderdag, het zou mij
aangenaam zijn als u dan Maandagavond op reis kondt gaan. U kunt dan
Woensdagochtend in Londen zijn en u per rijtuig naar het station King's
Cross laten brengen. Als u een voorspoedige zeereis hebt, vinden wij
elkaar daar en u reist met ons door naar Edinburg. Voor alle zekerheid
geef ik u ons adres in Edinburg ook nog. Hier is het, benevens het geld
voor uwe reis."

Hedwig nam het couvert met een zeer dankbaar gezicht in ontvangst.

"Ik zal erg mijn best doen...." stamelde ze.

"Daarop vertrouw ik ook zeer zeker," zei de barones koel. "Dag Fräulein
Eiche, ik geloof dat wij nu alles goed hebben afgesproken en ons
onderhoud als geëindigd kunnen beschouwen."

Zij schelde en de kellner verscheen weer. Hedwig maakte een diepe
buiging voor haar aanstaande meesteres en verdween.

"O, o, wat _ben_ je lang weggebleven! Ik dacht dat ik je nooit weer
terug zou zien. En hoe is het?" riep de trouwe Anna Schaub, zoodra zij
haar het hotel uit zag snellen.

"Aangenomen!" riep Hedwig met een stralend gezicht. "Aangenomen als
gouvernante bij een allersnoesigst meisje van tien jaar. En zij wonen in
Schotland, in Edinburg, en Maandag moet ik eerst naar Londen en ik ben
zoo dol, dol, dolblij dat ik jou even een kus _moet_ geven!"

En tot verbazing van de voorbijgangers drukte zij Anna opeens een
hartelijken kus op de wang.

"Niet doen! Niet doen!" riep Anna onthutst, maar Hedwig lachte maar.
"Den baron heb ik nog niet gezien," ging zij voort, heel rad sprekend,
"van hem kan ik je dus nog niets vertellen; dat komt dan later wel. O,
nu zal ik moeder echt kunnen helpen! Ik schrijf dadelijk naar huis. Wat
zal Clärchen ophooren! Zij zal natuurlijk alles van Tieka willen weten."

"En je leeftijd," vroeg Anna, "was die geen bezwaar?"

"Neen, daar heeft de barones _gelukkig_ niet naar gevraagd. Ze merkte
wel een paar malen op dat zij me jong vond, maar ze denkt toch bepaald
dat ik minstens twintig ben...."

Anna schudde zwijgend het hoofd; ze zag met zekeren weemoed naar het
jonge meisjesgezicht, op dit oogenblik haast weer geheel een
kindergezicht, dat blij en onbezorgd het leven in keek. "Ik hoop heel
hartelijk dat het je niet tegen zal vallen," zei ze.

"Daar ben ik niet bang voor," klonk het opgeruimd uit Hedwig's mond.




HOOFDSTUK II.

"My Dear!"


De brief naar huis werd dadelijk geschreven: Hedwig's pen vloog over het
papier. "O moeder, ik ben zoo blij, zoo vreeselijk blij, vooral omdat u
ook zoo blij zult zijn," schreef zij. "Prachtig, drie malen blij in één
zin, vindt u niet? En dat nog wel voor een gouvernante! Maar u plaagt
mij altijd omdat ik zoo graag een woord, dat me bevalt, vaak gebruik,
weet u wel? Dat moet u nu echter maar over het hoofd zien; het komt
allemaal omdat ik het zoo heerlijk, _heerlijk_ vind dat ik zoo gauw iets
goeds gevonden heb. Ik zal u alles haarfijn vertellen...."

Wat ging dat vlug en wat waren er gauw een paar velletjes vol, dacht
Anna. Hedwig moest toch wel bizonder knap zijn en de barones von
Zerkläre mocht het wel op prijs stellen dat zij zoo'n flink, lief
gouvernantetje bij haar kind kreeg!

Hedwig's moeder schreef per keerende post een brief terug vol liefde en
hartelijke groeten van haarzelf en van Clärchen. Hedwig zou toch immers
dadelijk weer thuis komen, als deze werkkring haar niet beviel? Er zou
dan zeker wel wat anders voor haar te vinden wezen en zij was nog zoo
heel jong....

Maar Hedwig twijfelde er geen oogenblik aan of alles zou heel goed en
prettig gaan. Zij had lust in het werk en verlangde te beginnen en het
was met een opgewekt gezicht en een moedig hart dat ze Maandags afscheid
van Anna Schaub nam en haar plaatsje op de boot naar Londen veroverde.
Anna had haar een grooten koffer afgestaan, "een echt ouderwetsche
Duitsche reiskist, een huis haast," zooals Hedwig lachend beweerde. Zij
hadden allerlei inkoopen gedaan en Hedwig voelde zich heel rijk met een
paar nieuwe blouses en een sterken, serge rok. De koffer was ten slotte
nog geheel vol geworden, wat Anna triomfantelijk had doen uitroepen:
"Zie je wel dat hij niet te groot is? Het maakt ook dadelijk veel beter
indruk, als je met een flink stuk bagage komt," en Hedwig was haar
dankbaar geweest voor hare goede zorgen en had meer dan eens gezegd:

"Ik stuur je later terug wat je voor me betaald hebt, hoor; reken daar
vast op."

Nu was het afscheid achter den rug en lag ze languit op de bank in de
dameskajuit van de boot, die haar naar Londen zou brengen. Het was
donker, druilerig weer en zij had geen neiging gevoeld lang op het dek
te blijven, waar de fijne motregen haar huiveren deed. Anna had haar
taschje gevuld met "allerlei, waarin je zeker wel trek krijgen zult," en
soms betastte zij het eens even; het was haar net of Anna daardoor weer
wat dichter in haar nabijheid was. Zij had nog in 't geheel geen
"trek", maar ze moest herhaaldelijk aan Anna en hare trouwe liefde
denken. Het was toch wel eenzaam nu, vond ze. Zij sloot de oogen en
bewoog zich niet; ze wou zorgen dat ze spoedig in slaap kwam, maar
telkens weer zag zij Anna Schaub voor zich en haar moeder en
Clärchen....

Langzamerhand viel zij in een lichte sluimering. Ze was echter weinig
verkwikt, toen ze 's ochtends vroeg klaar wakker werd en kreunend keerde
zij zich af, toen de hofmeesteres iets tot haar zeide. Ook later op den
dag voelde zij volstrekt geen verlangen om op te staan; haar hoofd
klopte en ze was heel vermoeid. "Nu ben ik dus zeker zeeziek", dacht ze.
Zij was nog nooit op zee geweest en had wel eens gezegd dat zij graag
zou weten hoe dat was: zeeziek zijn. Nu wist zij het dan!

Tegen den avond werd zij beter en kon zij zelfs met smaak wat gebruiken
en vrij vroeg viel ze weer in slaap, om eindelijk tot haar groote
vreugde gewekt te worden met het bericht dat men Londen naderde.

Wat een drukte en gewoel om haar heen, toen ze boven kwam en hoe vreemd
was het bij het aan land komen onder al die gezichten geen enkel te
vinden, dat haar bekend was en een welkom toeknikte!

De regen was opgehouden en eerst heel flauwtjes, toen wat helderder,
begon de zon te schijnen. Het stemde Hedwig opgewekter. "Ik hoop dat
moeder en Clärchen en Anna Schaub die zon ook zien en aan mij denken,"
dacht zij even; toen kreeg zij het te druk met haar koffer en het zoeken
naar een vigilante om zich aan gepeins over te kunnen geven.

Ze kwam in een energieke stemming, terwijl ze door de drukke, Londensche
straten reed en met groote oogen keek naar al dat nieuwe, geheimzinnig
onbekende, dat haar met magnetische kracht aantrok. Zij vond ze mooi die
grijze gebouwen, waarop, door een dunnen nevel heen, als een waas van
zonlicht lag, de plotselinge kijkjes op de rivier met het bijna stille,
even rimpelende water, waarover de booten en schepen schenen heen te
glijden, de bruggen met hare ranke bogen en de bevallige _hansoms_, die
haar _cab_ voorbij snelden; en door het open raampje keek en luisterde
ze nieuwsgierig naar de pratende en roepende menigte. Het was haar haast
alsof zij in een tooverwereld was, ook om dat wonderbaar teere,
zachtgele licht, dat zij nergens ooit zóó had zien schijnen en met een
soort van schok kwam ze tot zichzelf, toen zij King's Cross station
binnen reed en de vigilante stil stond.

Wat een volte! Zij werd er een oogenblik door verbijsterd. Hoe moest zij
onder al die menschen de barones en Tieka vinden? Zij sprong uit de
vigilante en keek even verschrikt naar haar japon, die door de lange
reis erg gekreukeld was. Zij streek er haastig met haar hand overheen;
ze had geen tijd er veel aandacht aan te geven, want de koetsier moest
betaald worden, onderwijl nam een _porter_ haar koffer op zijn kruiwagen
en keek haar vragend aan en intusschen zochten hare oogen, zochten ...
om niets te vinden dan een pratende, bevelende, dravende menschenmassa,
waaronder niemand zich harer ook maar in 't minst aantrok.

Daar stootte de koetsier haar aan den arm. Wat zeide hij toch allemaal?
Hij sprak zoo rad en zulk raar Engelsch; zij kon hem haast niet
verstaan. Zij had hem geld gegeven en hij had het op de vlakke hand
gelegd en wees er voortdurend naar. Vond hij het niet genoeg? Hedwig
meende dat hij reeds meer had gekregen dan hem toekwam; nu legde zij er
toch nog maar een _shilling_ bij. De _cabby_ knikte: "_All right_" en
reed weg.

"_Where to Miss?_" vroeg de kruier. "_Come along._"

"Edinburg," zei Hedwig wat geagiteerd. "Edinburg," maar ze sprak den
naam zoo Duitsch uit dat de man haar niet begreep en de schouders
ophaalde. "_Got your ticket?_" vroeg hij. Neen, Hedwig had nog geen
kaartje. "Scotland," zei ze, "Edinburg!" Nu wist hij wat zij meende. Dan
moest ze voortmaken, ze had nog maar drie minuten tijd. En Hedwig liet
zich den weg wijzen, nam in de haast een kaartje derde klasse in plaats
van eerste, hoewel ze bij het reisgezelschap van de familie von Zercläre
behoorde en liep op een drafje met haar geleider naar den trein. Daar
ontdekte ze zoowaar in de verte het aardige figuurtje van Tieka! Haar
ruime, lichte reisjurk stak frisch af bij de donkere kleeding van eenige
heeren, die naast haar stonden. Kijk, nu had zij Hedwig ook gezien! Ze
wuifde met beide handen en wilde naar haar toesnellen, maar Hedwig zag
nog juist hoe een hand uit den coupé haar terughield. Toen werd ze zelf
door een ondernemenden conducteur een derde klasse wagen ingetild.

Ze kwam naast een dikken heereboer te recht. "Dat is nog maar net
bijtijds," zei hij. "_Yes indeed_," antwoordde zij hijgend.

"Koffer in den goederenwagen. Alles in orde, _Miss_," klonk nu de stem
van den kruier, die zijn gezicht door het raampje stak.

"O!" riep Hedwig. Dat was waar ook; ze moest dien man nog betalen!
Schielijk haalde ze haar portemonnaie te voorschijn en zocht naar
kleingeld. De lokomotief floot af.

"Hier," en zij liet heel den schat van groote, koperen _pennies_, die
ze bij zich had, in zijn hand glijden, waardoor haar beurs aanmerkelijk
lichter werd. "_Thank you_," zei de man en verdween; meteen stootte
Hedwig's arm tegen den knop van den dikken stok, dien de heereboer
tusschen zijn beenen hield, haar portemonnaie gaapte wijder en de
geldstukken vielen er uit en verstrooiden zich over den grond.

"_Ach, du liebe Zeit!_" liet Hedwig zich ontvallen en de heereboer keek
haar aan met een medelijdenden blik. "Hoe jammer voor dat jonge meisje
om geen Engelsche te zijn," dacht hij met de eigenaardige verwaandheid
van een Engelschman, maar trots zijne dikte, hielp hij haar toch heel
gedienstig het geld weer bij elkaar zoeken.

Hedwig telde na of zij alles had. Tot haar schrik mistte zij nog het
eenige goudstukje, dat zij in haar beurs had gehad. Ze boog zich
voorover en keek scherp rond of zij op den grond tusschen de voeten en
neerhangende kleeren der andere reizigers ook iets zag blinken; tot haar
groote teleurstelling vond zij echter niets. Zij schudde haar
portemonnaie uit op haar schoot, misschien was het tien-shillingsstukje
in een hoekje achter gebleven, hoopte ze, toen het andere geld op den
grond viel,--maar zij zag zich bedrogen in die hoop.

Ze ging heel rechtop zitten met het vaste voornemen nu maar niet meer
aan dat ongelukkige goudstukje te denken, toen zij opeens iemand in haar
nabijheid in mooi, duidelijk Engelsch hoorde zeggen:

"Mag ik u dit misschien aanbieden?"

Opkijkend zag zij het vriendelijke gezicht van een heer, die tegenover
haar zat, maar zoo ver in zijn hoekje gedoken was geweest dat zij hem
nauwelijks had opgemerkt.

"Dit" was ... het verloren geldstukje en zij nam het gretig van hem aan.

"_Thank you_," zei ze, dubbel blij omdat zij zoo goed begrijpen kon wat
hij zeide.

"Ik had het al opgeraapt voordat u het mistte," zei hij vroolijk. "Het
was niet beleefd van mij het u niet terstond ter hand te stellen, maar
om de waarheid te zeggen, had ik plezier in uw verlegenheid. U bent een
Duitsche, niet waar? Mag ik vragen of u wellicht ook naar York gaat?
Mijn oudste dochtertje is daar op kostschool en ik ga haar bezoeken. Ik
dacht ... het was maar een inval natuurlijk, dat u misschien een
aanstaande medeleerlinge van haar zoudt kunnen zijn. Er zijn daar meer
Duitsche meisjes."

Hedwig voelde snel naar haar kapsel. Ja, het haar was nog wel
opgestoken. Hoe akelig dat zij er nu toch weer zoo lastig jong uitzag!
"Neen" zei ze bedeesd, "ik ga niet naar York, ik ben op weg naar
Edinburg."

"Och, dat spijt me."

"Ik ben niet rijk," zei Hedwig met een vaag besef dat zij hem niet in
den waan mocht laten als zouden zijn dochter en zij in gelijke
omstandigheden verkeeren. "Ik ga in betrekking als gouvernante." Het
kwam er zoo eenvoudig en bedaard mogelijk uit, haast alsof zij reeds
jaren als gouvernante was werkzaam geweest, toch keek de heer tegenover
haar heel vreemd op en de dikke heereboer liet zich ontvallen: "_Well, I
never...!_"

Hedwig voelde zich min of meer in haar eer getast. "Ik vind het heel
prettig," zei ze met nadruk.

"Daar ben ik blij om," zei de heer tegenover haar, "maar ... leven uwe
ouders nog?"

"Mijn moeder leeft nog," zei Hedwig zacht.

De vreemde heer vroeg niet verder en Hedwig zweeg thans ook liever.
Waarom keek hij zoo ernstig en waarom vond hij het blijkbaar heel
vreemd dat zij als gouvernante de wereld inging? Het kwam er toch niet
zooveel opaan of zij pas vijftien was, ze zou spoedig genoeg achttien
wezen; drie jaren waren gauw om!

Ze vond het niet onaangenaam dat beiden, de heereboer en de heer, wiens
dochtertje te York school ging, bij die plaats den trein verlieten en
zij tot aan Edinburg toe geheel met rust gelaten werd. Het was een vrij
lange reis van Londen af--een uur of acht sporen---en zij begon hongerig
te worden en verorberde met graagte wat zij nog in haar taschje had, al
waren de broodjes met tong erg oud geworden en al was het stuk _Kuchen_
nu wat lederachtig van smaak.

Zij schudde de kruimels van haar japon af en stond op om aandachtig het
raampje uit te kijken, toen de trein Waverley-station binnen reed. Zij
was dus nu te Edinburg! Nu moest zij terstond zorgen dat ze de familie
von Zercläre in het oog kreeg en zich bij haar voegen; de barones zou
zeker ook wel al naar haar uitzien.

Maar was het te Londen aan het station King's Cross vol geweest, te
Edinburg aan het reusachtige Waverley-station was het nog veel en veel
voller, ook omdat alle reizigers hier den trein verlieten. Daarbij was
de trein zoo buitengewoon lang dat het Hedwig toescheen alsof er geen
begin of eind aan was. Zij kon zich ook onmogelijk herinneren bij welken
coupé ongeveer zij Tieka had zien staan. Zij meende dat zij een goed
eind naar rechts moest gaan, maar toen ze zich met niet geringe moeite
een weg had gebaand tusschen karren, kruiwagens, kisten, manden, fietsen
en dringende, ongeduldige reizigers door, verbeeldde zij zich weer dat
ze te ver was geloopen en op een geheel andere plek zijn moest. Het was
lastig zoeken op deze wijze. Ze begreep ook niet waarom de barones niet
iemand naar haar toestuurde; zij wist toch dat ze met dezen trein mee
was gekomen en ze wist ook dat zij, Hedwig, hier geheel vreemd was!

Intusschen zag ze wel in dat ze zóó toch niets verder kwam. Komaan, ze
moest dan eerst maar eens zien dat ze haar koffer kreeg; ze kon dan in
ieder geval wel weer een rijtuig nemen en zich naar het huis van den
baron von Zercläre toe laten brengen. Zij had toch immers het adres nog
in haar portemonnaie? Ze keek eens even, maar ... neen, nu zag zij het
niet meer! Ze had het zeker verloren meteen toen ze het geld liet
vallen, wat moest zij nu beginnen? Ze bedacht zich niet lang en trachtte
zoo vlug als het ging, terug te keeren naar den coupé, waarin ze gezeten
had. Zij was boos op zichzelf dat ze niet op het nummer had gelet. Wacht
eens ... hier was het geweest ... neen, toch niet! Waarom waren er ook
zóó vele wagens derde klasse? Zij kreeg het erg benauwd en warm; heel
spoedig echter keerde haar moed terug. Den baron von Zercläre zou men in
Edinburg toch wel goed kennen en natuurlijk zou men haar weten te
zeggen, waar hij woonde.

Eerst dan haar koffer maar! Wat bleef het nog woelig en vol op het
perron en wat was iedereen gejaagd, tot zelfs de beambten toe!

Het viel haar op dat alles hier veel minder geregeld en vlug in zijn
werk ging dan in Londen. En _waar_ was haar koffer toch? Men had de
goederenwagens thans geheel ontladen, stapels bagage waren op het perron
neergezet. Hedwig kon er eerst haar koffer maar niet tusschen ontdekken;
ze was echter vast besloten het station niet te verlaten, voordat ze
haar eigendom veilig weer in haar bezit had. Haar volharding was niet te
vergeefs en met den uitroep:

"_Ach, da bist du ja, mein liebes Haus!_"--een uitroep, die een paar
krantenjongens verschrikt deed omkijken--zette zij eindelijk haar
elleboog op haar koffer neer om er pal bij te blijven staan, tot een der
dravende kruiers het wat minder druk zou krijgen en haar aan een rijtuig
zou kunnen helpen.

Het werd donkerder en zij begon er zeer naar te verlangen eindelijk
geheel het doel van haar reis te bereiken; maar, toen zij er met moeite
in geslaagd was een der voorbijsnellende kruiers bij den arm te grijpen
en te dwingen naar haar te luisteren, kwam ze nog niet veel verder. Want
hij schudde het hoofd, toen zij den naam von Zercläre noemde. "Nooit van
gehoord!" verzekerde hij, om toen een paar andere _porters_ te hulp te
roepen, die met hoog beladen wagens met bagage voorbij kwamen. Hun
antwoord was al even onbevredigend en ook twee spoorbeambten om
inlichting gevraagd, konden die niet geven.

Het begon Hedwig bang te moede te worden. Wat moest ze doen? Te vergeefs
spande zij zich in om zich het bewuste adres te binnen brengen, maar hoe
meer ze haar best deed haar geheugen te hulp te komen, des te erger liet
het haar in den steek! Het werd er niet beter op, toen zij zich
plotseling wèl herinnerde, dat de barones haar verteld had dat zij nog
maar eenmaal en slechts enkele maanden in Edinburg hadden gewoond....
Het was dus nauwelijks meer dan natuurlijk dat de naam von Zercläre nog
niet algemeen bekend was.

Steeds met den arm op haar koffer geleund, stond zij er ernstig over na
te denken wat ze toch beginnen zou, want het werd hoe langer hoe later
en heel veel langer zou ze hier niet kunnen blijven staan! Ze _moest_
dat lastige adres weer te weten zien te komen. Was het niet een
_square_? Ja, dat meende ze zeker te weten, maar hoe heette dat square
nu toch ook weer?

Daar ontdekte zij in de verte een palfrenier in keurige livrei; hij kwam
snel op haar toe en zij kreeg een kleur van verrassing, toen hij beleefd
voor haar boog met de vraag of zij de Duitsche dame was, die bij den
baron von Zercläre verwacht werd.

"_Yes, Yes, Yes!_" riep zij opgewonden, erg blij dat er eindelijk hulp
kwam opdagen.

In een ommezien had de palfrenier iemand gevonden, bereid de zorg voor
den koffer op zich te nemen. "_The carriage is waiting_," zei hij, zich
weer tot Hedwig wendend en zij volgde hem het station uit naar een
fraai, met twee vlugge, jonge paarden bespannen rijtuig, dat, met den
statigen koetsier op den bok, gereed stond haar verder te brengen. Ze
zag dat er niemand in zat, wat haar even verwonderde, maar zij begreep
dat de familie von Zercläre reeds thuis moest zijn.

Beleefd stak de palfrenier zijn hand uit om haar bij het instappen te
helpen; zij vond echter dat zij het wel zonder zijn hulp kon stellen en
wilde vlug de trede opwippen, toen de hak van haar schoen haken bleef in
het boorband van haar japon, dat losgeraakt was.

"_Nein!_" riep ze verschrikt en ze zou gevallen zijn, als de voorkomende
palfrenier het niet verhinderd had.

Het band scheurde een heel eind verder af. Zij vond het erg verdrietig;
nu zag zij er nòg minder netjes uit en ze schaamde zich voor den
palfrenier en voor den koetsier, die even omgekeken had.

[Illustration: Het standbeeld van Walter Scott in Princesstreet, Edinburg.]

Haastig onderzocht zij of ze geen speld bij zich had; ze kon er echter
nergens een vinden. Zou de palfrenier ... maar wat _was_ speld ook weer
in 't Engelsch? Het was haar opeens alsof ze geen enkel Engelsch woord
meer wist!

Daar had zij het! "_Pin ... pin!_" riep ze. "_Have you a pin for me?_"

"_Certainly_," zei de palfrenier, wiens mondhoeken verraderlijk begonnen
te trillen en hij nam vier kostbare spelden van den binnenkant van zijn
jas en reikte haar die over.

Ze dankte hem met een vriendelijk knikje. Hij sloot het portier en met
een zucht van welbehagen leunde zij achterover tegen de zachte kussens
van het rijtuig om zich echter al heel spoedig weer voorover te buigen
en gretig het raampje uit te kijken, terwijl zij Edinburg doorreed.

Het was mooi, frisch weer en het eigenaardig bekoorlijke licht, dat den
avond vooraf gaat, scheen over de schilderachtige stad. Op enkele
plaatsen waren de lantarens reeds aangestoken en achter sommige
winkelramen wierp reeds het kunstlicht een zacht schijnsel op kwistig
uitgestalde, veelkleurige Schotsche zijde en op aardiggevormd bruin- en
-geel aardewerk en kristal. Hedwig keek nieuwsgierig naar een paar
stoergebouwde, Schotsche soldaten, die vlak langs haar rijtuig gingen en
er met hunne frissche gelaatskleur, lichte jassen, korte, geruite
_kilts_ (rokjes) en groote, witte pluimen aan de lederen ceintuurs,
flink en krachtig uitzagen. Verrast keek zij op, toen ze tegenover de
weelderige winkels in Princes-street, in het stille avondlicht, hoog op
een rotsblok, de ruïnes zag liggen van het oude, grijze kasteel en
daaronder de takken der boomen van het fraaie park zag wuiven, waarin ze
nog juist met een oogopslag het beroemde Scott-monument kon
onderscheiden. Noemden de menschen in Edinburg dit een _straat_?
Prachtig mooi vond zij alles van toon en kleur en het onwezenlijke
halfdonker maakte den rit niet minder aantrekkelijk.

Met innig genot ademde zij de geurige lucht in, die door het open
raampje naar binnen kwam en haar hand gleed streelend langs de zachte
zijde der rijtuigkussens, maar toen het rijtuig stilhield voor een groot
heerenhuis, waaruit veel licht naar buiten scheen, begon haar hart
sneller te kloppen en drukte zij de handen even stijf tegen elkaar.

Zou Tieka al in de gang staan om haar op te wachten en ... de barones
misschien ook en zouden zij zich erg ongerust gemaakt hebben over haar
lang weg blijven? Zij sprong vlug het rijtuig uit en liep haastig het
huis in, maar in de hooge, fraai gemeubileerde gang was niemand dan een
zeer deftige knecht, die even voor haar boog met de woorden:

"_What name, please?_"

Haar naam? Hedwig vond het vreemd dat hij dien vroeg, iedereen wist toch
natuurlijk dat Tieka's Duitsche gouvernante elk oogenblik verwacht kon
worden! De knecht scheen hiervan echter volstrekt niet op de hoogte te
wezen en ze noemde hem haar naam en liet zich den weg wijzen naar een
vertrekje aan 't eind der gang. Ze moest een heele poos wachten, voordat
een tweede knecht verscheen om haar naar een schitterend verlichte
_drawing-room_ te brengen, waar de barones en de baron von Zercläre, een
mager, nietig, blond mannetje met een vrij onbeduidend uiterlijk,
aanwezig waren.

De barones gedroeg zich, naar Hedwig voorkwam, nog statiger dan toen zij
haar voor het eerst zag. Zij raakte Hedwig's hand even aan met hare
vingertoppen, stelde haar als ter loops voor aan den heer von Zercläre,
liet haar blik glijden over Hedwig's kleeding en zei:

"We hebben nog naar u uitgekeken aan het station, maar de volte belette
ons u te vinden; daarom zond ik u later het rijtuig maar. Ook van
ochtend in Londen hebben wij elkaar gemist. U hebt een goede reis gehad,
hoop ik?"

"Het gaat wel, dank u," antwoordde Hedwig kortaf, onder den indruk van
de koele ontvangst. Toen snel, omdat ze zag dat de barones weer naar het
gekreukelde japonnetje keek:

"Ik ben zeeziek geweest en van ochtend ging alles wat haastig; daarom
zie ik er...."

"O ja, juist, juist," viel de barones in met een gebiedend gebaar van
haar hand, alsof zij zeggen wilde: "Spaar mij verdere bizonderheden".
"Als u nu maar naar boven gaan wilt, dan zal men u uwe kamer wijzen en u
daar uw _supper_ en wat thee brengen."

Zij schelde en een keurig gekleede jonge vrouw--"heelemaal een dame",
vond Hedwig--verscheen; zij was de kamenier der barones.

Juist wilde Hedwig haar de kamer uit volgen, toen de baron, die zich
onledig hield met door het vertrek heen en weer te loopen, toevallig
zijn voet zette op een lus van het vastgespelde boorband van haar japon,
dat daardoor nog een heel eind verder afscheurde.

"O pardon, pardon," riep hij uit, onthutst naar zijne vrouw kijkend,
maar deze, die de spelden ontdekt had, zei alleen koud: "U zult
verstandig doen, Fräulein, met u spoedig te verkleeden," en keerde
Hedwig toen den rug toe. Hedwig was blij, toen zij de kamer weer uit
was. Onder diep stilzwijgen ging de deftige kamenier haar nu voor naar
een hoogere verdieping. Hedwig zag wel hoe zij haar op het portaal met
een trotsch toegeknepen mondje, van het hoofd tot de voeten op nam, maar
ze liet er zich niet door uit het veld slaan. Zij _zag_ er ook werkelijk
niet netjes uit, moest zij bekennen ... maar o, ze was ook zoo moe en
... het juffertje naast haar had zeker wel gemakkelijker reis gehad dan
zij!

Ze had zich de ontvangst hartelijker en prettiger voorgesteld, maar als
zij maar eenmaal gewend was, zou alles zeker goed gaan. Het was nu ook
nog zoo vreemd....

Daar werd aan het eind van het portaal een deur met een ruk geopend en
een bevallige, kleine gedaante, geheel in het wit, vloog Hedwig te
gemoet. "_Ach du liebe, kleine_ Tieka!" riep Hedwig en er sprongen haar
tranen van blijdschap in de oogen. Want Tieka sloeg de armen om haar
hals en drukte zich tegen haar aan. "_Oh, I am glad, glad!_" riep ze en
zij beduidde de preutsche kamenier dat zij nu wel heen kon gaan; zij
zelf zou "Fräulein" verder den weg wel wijzen. "Ik mocht niet naar
beneden," fluisterde zij Hedwig toe, "maar ik had toch het rijtuig wel
gehoord!"

Ze duwde Hedwig de kinderkamer in, die er met de aardige, kleurige
platen aan den muur, vroolijk uitzag, schoof bedrijvig een gemakkelijken
stoel voor haar aan en dwong haar te gaan zitten en achterover te
leunen. "Zie zoo, rust nu maar eens flink uit," zei ze als een klein
moedertje en ze trachtte Hedwig den hoed af te zetten en haar mantel los
te maken, maar Hedwig sprong lachend op. "Wijs mij mijn kamer eerst maar
eens, Tieka," zei ze en Tieka gehoorzaamde dadelijk. Zij opende een
tusschendeur, die toegang gaf tot een kleiner vertrek, waar sierlijke
miniatuur-meubeltjes stonden: rieten tafeltjes, stoeltjes, twee
linnenkastjes, een kookkacheltje, in een hoek een rij ledikantjes,
toilettafeltjes met licht neteldoek en blauwe strikjes getooid, in een
anderen hoek een pers en mangeltafeltje, strijkplank met toebehooren en
allerlei andere benoodigdheden voor het poppengezin, dat hier wonen
moest.

"Dit is de kleine kinderkamer," zei Tieka, die haar Engelsen en Duitsch
erg door elkaar haspelde, "hier kunnen wij zoo heerlijk spelen! Mijn
poppen zijn nog ingepakt; ik verlang ernaar dat zij uit die donkere
koffers komen, morgen moeten zij hier een feestje hebben. En dit," weer
opende zij een tusschendeur, "is uw kamer, vlak naast mijn
slaapkamertje, dat vind ik zoo heerlijk!"

Onwillekeurig knikte Hedwig blij, toen zij hier haar grooten koffer
reeds zag staan, het was bijna alsof ze een oude kennis ontdekte! Ze
vond het een heel mooie kamer; alles zag er zoo echt comfortable uit:
het flinke ledikant, de spiegelkast, waarin zij haar japonnenschat zou
mogen bergen, de waschtafel met marmeren blad en het meest nog het
aardige hoekje bij het raam, waar een paar gemakkelijke, lage stoelen
waren heen geschoven en tegen den muur een kleine schrijftafel stond.
Een schrijftafeltje, dat zij, Hedwig Eiche, gebruiken mocht! Als haar
moeder en Clärchen dat eens even konden zien!

Zij lichtte snel het gordijn op om het uitzicht te bewonderen en Tieka
drukte haar neusje ook tegen de ruiten. Maar er was niet veel meer te
onderscheiden dan wuivende boomen, de verlichte ramen van een paar
huizen aan den overkant en het schijnsel der lantarens, dat op het
stille, deftige plein viel.

"Zoo echt geheimzinnig, he?" zei Tieka. "Ik wou dat wij saampjes nu eens
even uit mochten gaan, dan was het net als in een sprookje." Toen,
terwijl zij Hedwig met hare donkerblauwe oogen ernstig aanzag: "Ik houd
nú al veel van u!"

"Dat weet je nog niet, daar weet je nog niets van," riep Hedwig
plagend.

"Jawel, jawel, ik weet het juist wel, ik weet het zeker," zei Tieka met
nadruk. En toen Hedwig haar hoed afzette en het blonde haar--dat nog
maar niet aan het opgestoken kapsel kon wennen--losraakte en over haar
schouders golfde, klapte het kleine meisje opgetogen in de handen en
riep uit:

"O, wat aardig! Wat staat dat grappig! Maar...." en opeens werd haar
gezichtje weer ernstig en aarzelend, verlegen vroeg ze:

"Dat mag men niet vragen, is 't wel, hoe oud of iemand is?"

"Wel neen," zei Hedwig terstond, zich op de lippen bijtend om niet te
lachen, "dat behoort heelemaal zoo niet, dat is heel onbeleefd."

Zij keerde zich om naar de kast om Tieka's vragende oogen te ontwijken
en hing haar mantel op, maar Tieka stond dadelijk weer naast haar.

"Ik _heb_ het nog niet gevraagd," zei ze verontschuldigend.

"Neen, pas dan maar op dat je het ook niet doet."

Tieka zweeg even; hare oogen bleven onafgewend op Hedwig gevestigd. Toen
zei ze levendig:

"Ik wou u zoo graag geen Fräulein noemen, ten minste ... niet als wij
alleen zijn. Ik wou zoo graag....

"Nu, wat wou je graag?" vroeg Hedwig bij haar neerknielend.

"Ik wou zoo graag," herhaalde Tieka met haar hand onder Hedwig's kin,
"een apart naampje voor u hebben en niet altijd Fräulein zeggen. Ik wou
... o, ik weet al wat, _my dear_ zal ik u noemen, nooit iets anders dan
_my dear_, als wij samen zijn. Mag dat?"

"Natuurlijk, maar dan moet je ook je best doen, niet telkens Duitsch en
Engelsch door elkaar te spreken, maar iedere taal afzonderlijk."

"_Yes my dear, my dear, my dear_," riep Tieka, half zingend en ze danste
de kamer door, al maar roepende dat ze toch zóó blij was dat "_my dear_"
er nu eindelijk was!

Toen Hedwig den sleutel van haar koffer te voorschijn haalde, vroeg ze
gretig: "Moet ik nu weg of mag ik bij het uitpakken blijven?"

"Wel zeker, je blijft hier, je kunt me juist uitstekend helpen," zei
Hedwig.

"Zij hebben beneden visite, zie-je," babbelde Tieka voort, "een
heeleboel van avond. Ik zal nog wel even geroepen worden misschien, maar
ik blijf niet lang weg, ik kom dadelijk terug."

Tot haar teleurstelling stuurde haar moeder echter om haar, toen het
uitpakken nog maar even aan den gang was en men hield haar zoo lang
beneden dat Hedwig geheel klaar was, zich had verkleed en op het punt
was om iets te gebruiken van het eten, dat men voor haar in de
kinderkamer had gereed gezet, toen Tieka eerst weer verscheen.

"O, ik moest tegen zóóveel menschen wat zeggen!" riep ze, hijgend van
het vlugge loopen. "Ik kon maar niet klaar komen. Mag ik de thee voor u
inschenken en brood snijden? Ik kan het best. Hier is visch. Mag ik u
bedienen? Kijk, dit zijn _scones_, een echt Schotsch gebak; dat smaakt
zoo lekker, daarvan wil ik nog wel een _klein_ stukje. Zal ik een ei
voor u koken? Ik weet heel goed hoe ik dat doen moet."

Hedwig vond alles goed. Zij had er schik in op te merken, hoe handig
het kleine meisje met den zwaren, grooten trekpot omging en er later
zorgvuldig de _cosy_ weer over trok, hoe zij haar voorzag van wat zij
noodig had zonder iets te vergeten en hoe zij later vroolijk toekeek,
terwijl Hedwig at en dronk.

Eindelijk zei ze met een zucht:

"Nu _moet_ ik naar bed, erg vervelend, maar mama vraagt _altijd_ 's
ochtends of ik den vorigen avond op tijd gegaan ben. Misschien ...
misschien komt straks ... iemand nog wel even bij mijn bed, als ik erin
lig?"

"Iemand?" zei Hedwig, zoo ernstig mogelijk. "Wie is iemand?"

"Dat zeg ik niet! Dat zeg ik niet!" zei Tieka, lachend opspringend; de
glimlach in Hedwig's oogen had haar blijkbaar gerust gesteld. Vlug liep
ze naar haar slaapkamertje en Hedwig hoorde niets meer, totdat een
vroolijke stem riep:

"_Ready! Fertig!_"

"O! O! O! Weer Engelsch en Duitsch te gelijk; pas op!" zei Hedwig, maar
ze had weer groote moeite haar gouvernante-waardigheid te bewaren, toen
Tieka rechtop ging zitten in bed en nieuwsgierig vroeg:

"Ben ik wel tien jaar jonger dan u?"

"Wou je dat _heel_ graag weten?"

Tieka knikte alsof haar hoofd eraf moest.

"Ik mag het je toch niet zeggen, nu nog niet, ten minste."

"Wanneer dan wel?"

"Dat weet ik nog niet, maar, als je mij plezier wilt doen, moet je er
niet meer naar vragen en er ook niet met anderen over spreken."

"O."

"Wil je me dat plezier doen?"

"Ik _wil_ wel, maar ik vind het niet prettig."

Hedwig gaf haar een kus. "Nacht lieve Tieka," zei ze, "komt je moeder
ook nog bij je?"

"Mama?" Tieka keek heel verbaasd. "Neen, die komt nooit meer, die heeft
het veel te druk."

Het speet Hedwig dat zij de vraag gedaan had.

"Nacht kindje."

"Goeden nacht, _my dear_."

En toen Hedwig heen gegaan was en reeds een poosje op haar kamer had
zitten nadenken, klonk het nog eens:

"_My dear...._"

Hedwig ging dadelijk naar haar toe. "Slaap je nog niet, Tieka? Wat is
er?"

Zij keek Hedwig ondeugend aan. "Ik wou alleen nog maar één keer zeggen:
"Nacht, _my dear!_""




HOOFDSTUK III.

Een Brief, waar van Alles in staat.


Ongeveer een maand later slaakten Hedwig's moeder en Clärchen een kreet
van verrukking bij het openen van een zeer dikken brief, den eersten
langen brief, dien zij van Hedwig ontvingen.

"Lieve beste moeder," schreef zij, "nu zal ik mijn best doen u eens van
alles en alles te vertellen! Ik kon tot nu toe niet anders dan haastige
brieven schrijven, maar vandaag en morgen is Tieka met hare ouders uit
de stad en heb ik dus twee dagen vacantie en ruim tijd voor een langen
brief.

Ik zal u ook heusch oprecht op al uwe vragen antwoorden, lief, bezorgd
moedertje en dus allereerst maar eerlijk bekennen dat ik soms wel erg
naar u en Clärchen verlang. Maar als dat nu eens niet zoo was, hoe zoudt
u dat dan vinden? _Heel_ onhartelijk en onnatuurlijk, niet waar? Ja, ja,
ik ben soms sentimenteel genoeg om uwe portretten heel dicht ... bij
mijn mond te brengen, maar dat gebeurt lang niet iederen dag! Ik vertel
Tieka ook dikwijls van u beiden en dan is het net of ik even bij u ben
geweest.

Zooals ik u reeds schreef, ga ik geregeld iederen Zondag, dikwijls met
Tieka, maar die gaat ook veel met hare ouders mee--naar de Duitsche
kerk; dat is altijd een echt verkwikkend, rustig uurtje, maar erg jammer
is het dat hier op 't oogenblik geen vaste, Duitsche predikant is en er
telkens iemand anders preekt. Het zou zoo aardig zijn, als er wèl een
predikant was met een groot gezin, waar ik dan aan huis mocht
komen--voorloopig zal daar echter wel niet veel kans op wezen!

Heb ik het anders niet buitengewoon goed getroffen en wat zegt u er toch
wel van dat uw vijftienjarige dochter nu gouvernante is in zoo'n paleis
van een huis? Soms lijkt het me wèl heerlijk om dat paleis eens voor een
half uurtje te verwisselen met ons knus bovenhuisje en even, even mijn
armen om uw hals te slaan en Clärchen te zien smullen van een stuk
Schotsche _scone_ (een smakelijk gebak) of _toffee_, want ik zou
natuurlijk van alles voor haar mee brengen. Even voor een dagje
overkomen gaat echter zoo gemakkelijk niet en daarom zal ik maar
stilletjes in mijn paleis blijven! Soms is het mij haast als een droom
dat ik hier nu heusch thuis behoor. Het huis is zóó groot, Clärchen zou
er best in kunnen verdwalen. Ik weet er nu den weg wel zoowat in te
vinden, maar er zijn zóóveel kamers en zooveel mooie, breede gangen met
hooge, met bloemranken beschilderde muren en kleine nissen met tafeltjes
met planten en rieten stoelen, fraai gedrapeerde rustbanken en kisten
van donker, uitgesneden eikehout en o, zooveel trappen en portalen dat
ik niet begrijp dat de bedienden zich nooit vergissen, als er van
verschillende kanten wordt gescheld.

Die bedienden ... of ik er ooit achter zal komen _hoeveel_ er hier
precies zijn? Ik betwijfel het werkelijk, want ik overdrijf niet, als ik
zeg dat er stellig bij de twintig zijn. En de meesten zien er zoo
verbazend voornaam uit dat men haast niet laten kan een buiging voor hen
te maken, als men hen tegen komt. De mannen: huisknechten, _butler_,
koetsier, palfrenier, enz. enz. zijn allen in livrei en loopen allen
even statig--al _is_ de aard van den palfrenier werkelijk vroolijk en al
heb ik hem herhaaldelijk zien glimlachen om Tieka's grappen.

De meisjes en vrouwen hebben de keurigste japonnetjes aan en gedragen
zich over 't algemeen nogal uit de hoogte tegenover mij, net alsof _zij_
na familie van den baron von Zercläre zijn en _ik_ niet! Maar zij meenen
het niet kwaad, geloof ik, en ik heb niet veel met haar te maken.

Zelfs de kleine Tieka heeft een aparte _maid_ voor zich; dat is wel een
aardig, voorkomend persoontje, maar wie zou ook voor Tieka onaardig
kunnen wezen? Dat kind is en blijft een schat. Wat zou ik graag willen
dat gij haar eens even zien kondt, mijn lief, lief leerlingetje! Als zij
morgenavond thuis komt, zal ze weer met dien aardigen, muzikalen klank
in haar stem roepen: "Waar is _my dear_?" Dat doet zij altijd, als zij
me niet dadelijk vindt, ik kruip wel eens opzettelijk weg om haar te
plagen--en als zij me dan ziet, danst ze letterlijk naar me toe en al
hare korte, donkere krullen dansen mee!

Zijn we met ons tweetjes, dan noemt zij me nooit anders dan _my dear_,
maar als wij beneden dineeren, (ik vergat nog u te zeggen dat mijn
eetlust uitstekend blijft en dat ik zoo gezond ben als een hoentje!)
vergeet ze nooit mij deftig "_Fräulein Eiche_" te noemen. Wij eten
trouwens heel weinig beneden, want de baron en barones hebben bijna
altijd gasten en, als die er zijn, eten wij geregeld op de kinderkamer.

We hebben het heel genoegelijk met ons beiden. Als Tieka naar bed is en
ik alleen op de kinderkamer zit, waar het dan zoo heel rustig kan wezen
en soms het geluid van pratende en lachende stemmen van beneden tot mij
doordringt, ja moeder, dàn verbeeld ik mij wel eens dat ik me wat
eenzaam voel, maar dat is natuurlijk niets dan verbeelding!

Wat die aristocratische, schatrijke menschen hier toch een eigenaardig
leven hebben! Den baron zie ik soms in dagen niet anders dan aan het
ontbijt, waarbij hij de godsdienstoefening leidt; bij de _lunch_ is hij
dikwijls uit. Als hij wel thuis is, hoort men toch zijn stem haast niet;
alleen als Tieka wat al te levendig is, bestraft hij haar; overigens
neemt hij, naar mijn bescheiden meening, veel te weinig notitie van zijn
allerliefst dochtertje. Wel letten hij en de barones er erg op dat ze
goede manieren krijgt en met smaak gekleed gaat, maar Tieka blijft daar
heel eenvoudig onder. Zij geeft niets om mooie jurken en ze zal nog heel
wat moeten veranderen, eer zij is wat hare ouders van haar wenschen te
maken. De barones bemoeit zich nogal met de lessen en liet zich laatst
tegenover mij ontvallen dat zij zeer hoopte dat Tieka niet alleen een
heel mooi, maar ook een heel bizonder meisje zou worden. "Zij zal moeten
schitteren, ook door haar kennis en hare talenten; u hebt daaraan reeds
nù te denken!"

Ik waagde het op te merken dat ik toch vurig hoopte dat Tieka zoo
vroolijk en eenvoudig zou blijven als zij thans was, want dat ik haar
juist nù zoo bizonder aantrekkelijk vond, maar de barones haalde toen
even minachtend de schouders op. "Tieka is nu nog een heel gewoon kind,"
zei ze, "dat kan alleen anders worden, als er veel zorg aan haar
opvoeding wordt besteed."

O, ik hoop dat ik heel, heel lang bij haar zal mogen blijven en ik wou
... dat zij zoo'n moeder had als de mijne!

Met de lessen gaat het heel prettig. Tieka krijgt die, op verzoek der
barones, bijna alle in het Duitsch, wat mij wel aanstaat natuurlijk. Het
allerbest bevalt ons beiden de zangles. Zij heeft een heel zuiver
stemmetje en zingt zoo levendig en met zooveel uitdrukking, dat ik haar
dolgraag wat meer zou laten zingen, maar de barones vindt dat niet goed.
En Tieka zal wel gauw zangles krijgen van een of ander groot musicus!

Tieka heeft ook een verzameling, Clärchen; dat zul jij zeker heel
merkwaardig vinden. Zij is een verzameling begonnen van ... raad eens
wat? Van portretjes van kleine kinderen. Ze vindt het zoo vreeselijk
jammer dat zij geen broertjes of zusjes heeft en soms zet ze de
portretjes op een rij en vraagt mij, wie _ik_ van die kindertjes 't
liefst vind en graag als broertje of zusje zou willen hebben. Zij speelt
ook dolgraag met hare poppen, maar heel veel tijd heeft ze daarvoor
niet; ze moet zóóveel leeren, eigenlijk zelfs als ze speelt.

Waar ze maar kan, vraagt ze tegenwoordig om kinderportretjes; laatst
zelfs toen wij aan het wandelen waren bij _Holyrood_ ... maar daar kom
ik straks wel op terug, ik moet u nu toch allereerst nog eens weer
vertellen hoe prachtig mooi het hier is. Men zegt dat het in Schotland
over het algemeen heel veel regent; ik heb tot nu toe bijna aldoor mooi
weer gehad en op de wandelingen of ritjes met Tieka erg genoten. Op onze
korte ochtendwandeling bekijken wij geregeld even in de fraaie _gardens_
van _Princes' street_ het beroemde standbeeld van Walter Scott, waarover
ik u reeds vroeger heb geschreven. Clärchen herinnert zich zeker wel dat
ik haar, toen ze verkouden te bed lag, eens een stuk uit Ivanhoe heb
voorgelezen? Tieka kent nog geen boeken van Scott natuurlijk, maar zij
stelt toch veel belang in hem en iederen dag, als we bij het standbeeld
ons bankje opzoeken, vertel ik haar iets uit het leven van den grooten
schrijver; ik lees daarover dan den vorigen avond wat na.

O, het standbeeld is zoo mooi! Walter Scott zit daar met zijn
lievelingshond Maida--een prachtig dier--naast zich en er ligt een
eigenaardige, humoristische uitdrukking om zijn mond, die het gezicht
bizonder aantrekkelijk voor mij maakt. Altijd weer vind ik het prettig
ernaar te kijken; hij wordt mij langzamerhand als een oude bekende
en--ja, lacht mij maar uit!--ik begin het gezicht lief te krijgen; het
is of het mij veel te zeggen heeft en mij moed inspreekt.

Over het oude kasteel tegenover _Princes' street_ en het heerlijke
uitzicht, dat men vandaar over de stad heeft, heb ik u in mijn vorigen
brief al geschreven; ik moet u nu vertellen van onzen tocht naar
_Holyrood_, het oude paleis der Schotsche koningen, waar de barones met
Tieka en mij voor een paar dagen heengereden is.

Tieka was uitgelaten dien dag, "onbehoorlijk opgewonden," zei haar
moeder.

_Ik_ vond het, eerlijk gezegd, een genot haar telkens zoo frisch te
hooren lachen en eenmaal werd zij zoo vroolijk om een koetsier, die
voorop een hooge _coach_ zat en allerlei dwaze grappen verkocht aan
zijne passagiers, dat ik ook wel mee moest lachen. Ik kreeg toen een
bestraffenden blik van de barones en een streng: "_Fräulein...._" en ik
schrikte en deed mijn best zoo ernstig mogelijk te kijken!

Het is een opgewekt volkje die Edinburgsche koetsiers, die de _coaches_
besturen, bestemd voor allerlei tochtjes in den omtrek. Zij zien er ook
fleurig uit met hunne roode jassen en hooge, grijze hoeden. Tieka vraagt
telkens weer aan haar moeder: "Mag ik ook niet eens een ritje bovenop
een _coach_ doen met Fräulein? Dat lijkt me zóó heerlijk!" Maar de
barones wil er niet van hooren; zij vindt dat niet deftig genoeg.

Nu, gemakkelijker dan wij in de fraaie equipage der Zercläre's naar
_Holyrood_ reden, kan men dit in een _coach_ wel niet doen. Het was een
heerlijke rijtoer, waarbij wij ook het huis van John Knox voorbij
kwamen, dat er schilderachtig, maar erg donker uitziet.

Nooit zal ik vergeten hoe zacht en teeder de zon scheen op de oude kapel
van _Holyrood_, toen wij aan kwamen rijden. Ik zal dat altijd het mooist
vinden van het geheele, oude paleis, dat stuk ruïne, dat overgebleven is
van de abdij en er zoo plechtig stil uitziet, indrukwekkend nog in zijn
verminkte grootheid, met het grijze steen half door groen mos bedekt.

Door de vensters, waaruit het glas lang verdwenen is, komt het licht vol
en rijk naar binnen, grillige schaduwen tooverend op het grijze steen.
Zoo rustig, zoo geheimzinnig hoorbaar is de stilte daar dat ook Tieka er
door getroffen werd en bedaard, zonder iets te zeggen, haar hand in de
mijne legde.

Ik sprak zooeven van de abdij, maar ik had eerst moeten vertellen--wat
ik er ook den vorigen dag voor Tieka over had nagelezen--dat het slot
_Holyrood_ heet naar het nabijgelegen klooster van dien naam, (_Holy
rood_ = Heilig Kruis) dat in de twaalfde eeuw door den Schotschen koning
David I werd gesticht en rijk met landerijen begiftigd. Gedurende een
paar eeuwen werd het klooster herhaaldelijk door Schotsche vorsten
bewoond, maar het eigenlijke paleis of slot werd eerst in 1528 door
Jacobus V gebouwd en bleef, nadat het klooster in 1544 totop het schip
der kerk door de Engelschen verbrand was, de verblijfplaats van Maria
Stuart en van haar zoon Jacobus VI, tot deze in 1603 als Jacobus I den
Engelschen troon besteeg en Engeland en Schotland onder één vorst werden
vereenigd.

Onder Cromwell werden paleis en klooster grootendeels verwoest en eerst
gedurende de regeering van Karel II in 1671, werd het paleis weer
opgebouwd, waarbij het Noordwestelijk gedeelte uit den tijd van Jacobus
V, dat gespaard was gebleven, zijn oorspronkelijken vorm behield. In dit
oude gedeelte kan men nog de vertrekken zien, eens door Maria Stuart
bewoond.

Ik voelde mij als een ander mensch, toen wij door die nu zoo doodstille,
hooge kamers liepen. Men wees ons ook de deur en de smalle trap,
waarlangs de moordenaars van Rizzio zich indertijd toegang hebben weten
te verschaffen tot de vertrekken der koningin. Ook door de eetzaal
liepen wij, waar zij Rizzio gegrepen hebben, om hem daarna door de
slaapkamer en de audientiezaal heen te sleepen en eindelijk bij de
hoofdtrap dood te steken....

Zijn bloed liet sporen achter op den vloer der audientiezaal en men
zegt dat Maria die vlekken nooit heeft willen laten uitwisschen "omdat
zij er haar aan moesten herinneren dat zij het doel van haar wraak geen
oogenblik uit het oog mocht verliezen." Vreeselijk, niet waar?

Men wees ons later ook nog een eigenaardig oud huis, dicht bij
_Holyrood_ gelegen, dat _Queen Mary's Bath_ wordt genoemd, omdat Maria
Stuart--zoo gaat het verhaal, maar u en mij zou het zeker wel een beetje
duur uit komen!--hier geregeld iederen dag een bad van wijn kwam nemen
ter verhooging van hare schoonheid.

Door dit huis wisten ook de moordenaars van Rizzio te ontsnappen en in
het laatst der 18^e eeuw, toen het dak hersteld moest worden, vond men
tusschen de planken nog een fraai gedreven dolk, die
hoogstwaarschijnlijk aan een der samenzweerders had toebehoord.

Al deze dingen moest ik aan Tieka vertellen, terwijl haar moeder zeer
aandachtig toeluisterde (wel wat griezelig!) en mij op de vingers tikte,
als ik wat onnauwkeurig was in mijne uitleggingen. Ik vond Tieka nog zoo
klein voor al die akeligheid, maar de barones was dit blijkbaar niet met
mij eens en Tieka zelf was gelukkig niet zoo heel erg onder den indruk!
Zij zag telkens iets, dat haar aandacht afleidde en deed ontelbare
vragen en ... toen we weer buiten waren en nog even rond wandelden, liep
zij opeens op een drafje van ons weg naar een heel eenvoudige, Schotsche
vrouw met een alleraardigst, klein, dik jongetje van een paar jaar aan
de hand. Het kereltje had groote, lichtblauwe oogen en zulke bizonder
dikke, ronde wangen dat Tieka den lust niet kon weerstaan er even in te
knijpen. Met een bizonder ernstig gezichtje keek hij tot haar op, toen
zij deze vrijheid nam en de moeder zei lachend, met een sterk Schotsch
accent: "Geef de jongejuffrouw gauw een handje, Bob." Maar Bob kon daar
maar niet zoo dadelijk toe besluiten. Wèl deed hij zijn mond wijd open
om Tieka te laten zien dat hij een pepermuntje op de tong had, maar na
deze heldendaad verschool hij zich achter zijn moeder. "Tieka, kom
terstond hier," gebood de barones, "wat zijn dat nu weer voor manieren!"
En Tieka gehoorzaamde dadelijk, echter niet zonder de vrouw te hebben
toegeroepen: "Stuur mij zijn portretje, stuur mij als 't je blieft zijn
portretje!"

[Illustration: Holyrood.]

Eerst toen het te laat was, bedacht zij dat de vrouw haar adres niet
wist!

Nu heb ik mijn brief toch nog weer een paar dagen moeten laten liggen;
juist toen ik zoo langzamerhand eens wilde gaan eindigen, kwam de
familie thuis en Tieka had mij toen zooveel verhalen te doen, dat ik
geen lettertje meer kon schrijven.

En nu ... ligt mijn aardig leerlingetje te bed. Zij schijnt koude gevat
te hebben op haar reisje en moet er op raad van den dokter, een dag of
vier stilletjes in blijven en zich niet vermoeien. Ik zit bij haar en ze
slaapt nu gelukkig; dat zal haar goed doen. De dokter denkt dat zij wel
gauw weer zal opknappen, maar zij ziet er nu erg bleek en smal uit! Zij
is echter opgewekt en eet flink. "Als _my dear_ maar aldoor bij me mag
blijven, vind ik het niets erg," zei ze tegen den dokter, die natuurlijk
heel verbaasd keek, niet wetende wie "_my dear_" was! Hij lachte, toen
ik het hem uitlegde en zei toen, tot Tieka's groote vreugde, dat ik niet
van haar bed mocht wijken. Toen vroeg hij mij--o schrik!--of ik hier
logeerde en een ouder vriendinnetje van Tieka was en ik keek opeens heel
streng (al beefde ik inwendig!) en zei niet anders dan: "_Her governess,
sir!_" waarop hij bedaard hernam: "_Oh indeed! Yes, of course_".

Het is toch vervelend dat ik er niet uit zie alsof ik ... tachtig was!
De baron kan mij ook zoo lastig onderzoekend aankijken en laatst zei de
barones: "U bent nog wel _heel_ jong, Fräulein, u moet trachten wat
bezadigder te zijn." Ik boog, zielsblij dat zij mij niet vroeg hoe oud
ik toch eigenlijk was--maar och heden, den middag daarop gebeurde er
juist iets, waardoor ik een alles behalve "bezadigden" indruk maakte!

Ik doe heusch mijn best met alles, moeder, en hoe zou ik ook niet? Ik
heb het zóó goed getroffen en vind mijn werk voor en met Tieka zoo
prettig, maar 't is net of ik soms _vergeet_ mijn best te doen om oud te
wezen! Het is werkelijk ook niet zoo heel gemakkelijk dat te zijn, als
men het eigenlijk niet is. Dat klinkt als een raadsel, vindt je niet
Clärchen?

Maar nu is het toch mijn plicht u nog even te vertellen wat er dien
bewusten middag gebeurd is. Het was op een Zaterdag. Tieka behoeft dan
alleen maar 's ochtends te leeren, de overige uren van den dag mogen wij
spelen, wat wij beiden heerlijk vinden! "Ik laat haar zooveel mogelijk
_met u_ spelen," zei de barones, toen ik hier kwam, "omdat wij wenschen
dat zij ook dat verstandig doen zal. U moet dus ook dàn onderwijzend
optreden."

Ik begreep toen niet recht wat de barones hiermee bedoelde, maar dacht
en zeide alweer dat ik mijn best zou doen. Een paar malen, als Tieka en
ik met hare poppen bezig waren, kwam de barones eens kijken en eens
toen Tieka--naar mijne meening heel netjes--poppekleertjes gewasschen en
met mijne hulp gestreken had, moest zij alles weer over doen omdat,
volgens haar moeder, de kleertjes niet schoon waren.

Eerlijk gezegd, kan Tieka het haar moeder slechts zeer zelden naar den
zin maken. Als zij voor de poppenfamilie kookt of bakt en de barones
laat proeven, vindt deze ook nooit iets lekker. Tieka zegt dan altijd
maar weer vroolijk met haar heldere stem: "Een volgend keertje beter
opgepast!" Zij heeft gelukkig een onbezorgde natuur en lacht en zingt
van den ochtend tot den avond.

Dien bewusten Zaterdagmiddag waren wij beiden in een bizonder fleurige
stemming en ... vergat ik, vrees ik, voortdurend "onderwijzend op te
treden".

Tieka houdt dolveel van lezen en is tegenwoordig zeer vervuld van
Robinson Crusoe. "Dat vind ik het mooiste boek dat ik ken," zegt ze dan,
zooals telkens na ieder boek, dat ze juist uit heeft! Wij wilden dien
middag een voorstelling geven van Crusoe en Vrijdag bezig met het bouwen
van hun tent en wij hadden het dus, zooals van zelf spreekt, bizonder
druk!

Tieka wou graag Robinson Crusoe wezen en had zich daarvoor zeer
potsierlijk uitgedost. Zij had haar jurk uitgetrokken, een wit
schapenvacht (het haardkleed) omgeslagen, daarover een lederen ceintuur
gegespt, haar _slippers_ als sandalen met een rood lint onder de bloote
voeten gebonden en hare krullen zoo verward mogelijk over haar voorhoofd
laten vallen. Daarbij had ze, heel achter aan het hoofd, hoe weet ik
niet, een van hare roode kousjes bevestigd, "omdat zij er dan veel meer
wildeman-achtig en voor een onbewoond eiland uitzag."

Wij hadden ons ieder op onze eigene slaapkamer verkleed om later
elkaar, als bij verrassing, in de kinderkamer--Crusoe's eiland--te
ontmoeten en Tieka juichte van pret, toen zij mij als Vrijdag zag. Ik
had mijn gezicht en armen bruin gemaakt en mijn haar los laten hangen
langs mijne slapen, het daarna in verschillende strengen verdeeld en
toen onderaan de punten zwarte bandjes gestrikt; het zag er anders zoo
erg blond uit! Verder droeg ik een zeer fantastisch kostuum in den vorm
van een schilderachtig om mij heen geslagen, geruiten reisdeken, om het
middel met een gordel van dik touw vast gemaakt, dat verder in trossen
van zware knoopen naar beneden hing. Ik weet niet of Vrijdag ooit zoo
getoiletteerd is geweest, maar Tieka vond alles prachtig, vooral mijn
bruin gezicht en het ongemeene kapsel. Ik had mijn japonlijfje
uitgetrokken, maar voelde me onder den plaid toch heel warm natuurlijk,
_te_ warm om behagelijk te zijn. En Tieka vond Vrijdag erg lui, toen
deze opeens midden in het bouwen van een tent van blokken, kistjes,
planken, voetebankjes, enz. op den grond ging zitten en uitriep: "Ik kan
niet meer!" Crusoe trok den ontrouwen knecht aan een van zijne lokken en
riep bevelend: "Gauw meehelpen! Anders komen wij voor den nacht niet
klaar!" toen ... de deur open ging en de barones von Zercläre in
ruischende zijde haar voet op het onbewoonde eiland zette!

Even bleef zij zwijgend staan, daarop zei ze op een toon van de diepste
afkeuring: "Maar Fräulein!" en Vrijdag, die terstond opgesprongen was,
kreeg een kleur onder zijn bruine huid. Tieka riep: "Moeder, moeder, we
spelen Robinson Crusoe!" maar deze verklaring stemde de barones
volstrekt niet gunstiger. Zij nam Tieka bij de hand en bracht haar naar
haar slaapkamer. "Kleed je terstond weer behoorlijk aan en redder daarna
dien prulleboel geheel op!" hoorde ik haar toornig zeggen en Tieka zei
alleen uit den grond van haar hart: "Hè, wat jammer!" maar deed toen
onmiddellijk wat haar bevolen was.

Juist wou ik ook zoo vlug mogelijk naar mijn kamer gaan om me te
verkleeden, toen de barones weer voor mij stond. Nooit zal ik vergeten,
hoe ongelukkig ik mij toen als Vrijdag voelde en hoe vurig ik verlangde,
weer heel gewoon Hedwig Eiche te wezen!

Tieka's moeder vond dat ik mij hoogst onbetamelijk had gedragen. En ik
_had_ zeker ook wel een ander spelletje kunnen kiezen, maar wij vonden
dit beiden zoo erg prettig!

Ik ontstelde, toen de barones zeide:

"U gedraagt u werkelijk soms geheel alsof u zelf ook nog een kind waart!
Dat moet beslist veranderen, anders zou ik Tieka niet onder uwe leiding
kunnen laten." Ze zweeg even, toen vervolgde zij met een vreemden blik
in hare oogen:

"En dan moet ik u bovendien verzoeken u wat minder te beijveren om
Tieka's liefde te winnen. Als zij u gehoorzaamt en ook verder haar
plicht tegenover u doet, is dat volkomen voldoende. Liefde behoort zij
voor hare ouders te voelen, overigens...."

Zij bracht den zin niet ten einde, maar zweeg weer even om mij
toen--alsof dit nog noodig was!--onder het oog te brengen dat
"dergelijke circus-achtige voorstellingen" nooit meer mochten plaats
hebben. Toen ging zij heen.

Vindt u het erg kinderachtig dat niet alleen het water van mijn
waschtafel het bruin van mijn gezicht wegwiesch?!

Maar u moet dit voorval toch vooral niet te tragisch opvatten, hoor!
Het is nu alles al weer voorbij en vergeten en Tieka en ik hebben toch
nog heel wat pret samen, al wagen wij ons slechts zelden meer aan
verkleedpartijtjes en tooneelvoorstellingen!

En wat zegt u nu toch wel van zoo'n brief? Stuur dit pakje ook, als het
kan, aan Anna Schaub ter lezing, of geef het haar te genieten, als zij
wellicht gauw weer eens bij u komt. Ik heb ook haar nog maar een paar
korte episteltjes gestuurd en zij schrijft zelf zoo trouw en zoo
hartelijk.

Ik ben zoo blij dat het u beiden goed gaat en dat Clärchen het nu weer
zoo prettig vindt op school en ook gouvernante wil worden.

Hoezee! Hoezee! Morgen zend ik u mijn eerstverdiende geld of liever mijn
eerstverdiende gouvernantegeld. 't Is een beetje raar uitgedrukt; toch
duidelijk genoeg voor u zeker? Neen moeder, ik heb er heusch zelf niets
van noodig; ik heb nog wel een paar _shillings_ en _pennies_ in mijn
beurs en dat is meer dan genoeg. Mijne kleeren zien er keurig netjes
uit; alles wat ik met Anna in Hamburg gekocht heb, is haast nog nieuw.
En eten of drinken behoef ik toch waarlijk niet te koopen! Dat krijg ik
hier zoo overvloedig; ik word bepaald al wat dikker en mijn wangen zien
er haast even rood uit als die van dien kleinen jongen bij _Holyrood!_

U ontvangt dus een aangeteekenden brief uit Schotland. Gewichtig, he? Ik
ga het geld zelf naar het postkantoor brengen. Dat moet u nu niet
_allemaal_ aan nuttige dingen besteden, moeder; eet eens een
extralekkere _kuchen_ bij de koffie op mijn gezondheid. Ook doen!

En nu houd ik werkelijk eens op. Natuurlijk krijgt u nu voorloopig
alleen maar briefjes in telegramstijl. Duizend groeten, ook van Tieka
aan Clärchen....

HEDWIG.

Zooeven is de dokter er weer geweest. Hij was heel tevreden en vond dat
Tieka goed vooruitging. Als het weer zoo zacht blijft, mag zij morgen
eens opzitten en misschien overmorgen een poosje met mij in den tuin
wandelen. Er is hier een prachtige tuin, een park eigenlijk, voor en
achter het huis, o zoo mooi!




HOOFDSTUK IV.

Op de Proef gesteld.


Tieka herstelde echter niet zoo spoedig als men verwacht had. Zij bleef
hoesten en toen de winter naderde en stroomen "echten Schotschen regen"
meebracht, moest zij zich bepaald in acht nemen. "Er is volstrekt geen
reden om bezorgd te wezen," zei de dokter herhaaldelijk tot de barones,
"als uw dochtertje maar eenmaal gewend is aan onze Schotsche lucht,
wordt ze stellig weer even flink als zij geweest is. Met droog, zonnig
weer mag zij uitgaan; in den regen wandelen is nu echter beslist
verkeerd voor haar."

Het was een heele teleurstelling voor Tieka en voor Hedwig ook. Tieka
vond het juist zoo "_jolly_" om 's ochtends in een gietbui met haar
lossen regenmantel om en haar Schotsch mutsje op, vergezeld door haar
vroolijke gouvernante, naar _Princes' street_ en het standbeeld van
Scott te wandelen of, even voor de _afternoon-tea_, vijf minuten in den
regen door de paden van den grooten tuin te draven, met haar neusje in
de lucht en dan Hedwig te laten raden, hoeveel druppels zij op de punt
van dat neusje had voelen spatten--en nu moest al dat genot den geheelen
winter worden ontbeerd!

Zij hield zich echter dapper. "Dan mag ... neen, dan moet ik den
volgenden winter zeker dubbel vaak uit, niet waar, dokter?" vroeg zij en
de dokter knikte lachend.

"Natuurlijk."

"O _my dear_, wat ben ik nu toch dubbel blij dat ik _my dear_ heb!" zei
ze telkens tot Hedwig, als ochtend aan ochtend de regen tegen de ruiten
kletterde om met hatelijke volharding den ganschen dag te blijven
aanhouden. Dan lachte Hedwig en kneep haar in de kin of danste eens met
haar de kamer door, maar op zekeren dag, toen Hedwig, na ontvangst van
een brief van huis, stiller was dan anders, vroeg Tieka opeens
aarzelend:

"_My dear_, wat gebeurt er in de Kerstvacantie?"

"Wat meen je?"

"Of dan niet ... zou ik dan niet ... ik meen maar ... omdat...."

"_Heel_ duidelijk ben je niet, maar ik geloof toch dat ik wel weet wat
je vragen wilt!"

"O," zei Tieka, die anders niet gewend was zoo weinig woorden te
gebruiken.

"Je zoudt graag eens willen weten of ik met de Kerstvacantie ook naar
huis ga; is het niet zoo?"

"Ja, ja, ik hoop maar...."

"Ik zal je eens wat zeggen Tieka, ik ga niet naar huis met Kerstmis en
nog lang niet, denk ik."

"Wat heerlijk, wat heerlijk!" Zij sprong op en liet haar breikous op den
grond vallen, zoodat een der naalden uit het werk gleed en een heele
rij steken weer opgenomen moest worden.

"Kindje, kijk nu toch eens!" zei Hedwig en Tieka moest zelf trachten het
onheil te herstellen.

Heel vlug ging dat niet, zij vond het erg lastig al de steken weer op de
breinaald te krijgen en met haar donker hoofdje diep over het werk
gebogen, zat zij heel stil. Hedwig hoorde haar een paar malen zuchten.

"Gaat het niet?"

"Het gaat wel, maar o, ik vind breien zóó vervelend!"

"Dat zul je niet vinden, als je het maar eenmaal goed hebt geleerd."

"Mijn neus gaat er altijd zoo van jeuken," klaagde Tieka, "en mijn ooren
ook!"

Toch legde zij het werk niet neer, voordat al de steken opgenomen waren;
toen riep ze vroolijk: "Al weer klaar! En nu is het voor vandaag genoeg
zeker?"

"Ja. Ga nu je Duitsche versje maar overschrijven."

"Maar eerst...." en zij sloeg de armen om Hedwig's hals en fluisterde
vlak bij haar oor:

"Eerst nog eens even zeggen, hoe heerlijk ik het vind dat _my dear_ hier
blijft met Kerstmis."

Hedwig gaf haar een kus. "Lieveling," zei ze zacht en Tieka hoorde
terstond aan haar stem dat zij bedroefd was.

"_My dear_, wat is er?"

Hedwig schudde het hoofd.

"Is het een geheim?" fluisterde Tieka. "Dan, ja, dan màg ik het niet
weten!"

"Het is geen geheim," zei Hedwig. "Mijn zusje is ziek geweest, heel
ziek...."

"Ook al ziek geweest, net als ik en is ze nu weer beter?"

"Ja."

"Heelemaal?"

"Bijna heelemaal."

"Maar dan is het immers al weer over!"

"Ja, gelukkig wel."

Tieka begreep niet recht, waarom Hedwig dan niet blijder was.

"Verlangt zij zoo naar u?"

"Wel wat, denk ik."

"Maar dan moet u met Kerstmis wèl naar huis gaan," zei Tieka, een
overwinning op zichzelf behalend.

"Neen, neen."

Tieka voelde dat Hedwig er verder liever niet over spreken wilde en ging
stil aan haar werk. _My dear_ was anders altijd zoo vroolijk! Zij was nu
zeker wat bedroefd omdat Clärchen zoo ziek was geweest, maar het was
toch _geweest_; dat was een groot lichtpunt, vond Tieka.

Ja, dat was zeker een groot lichtpunt en in dien geest had Hedwig's
moeder ook geschreven. Clärchen's ziekte had echter veel geld gekost en
zij hadden angstige dagen gehad; nu moest zij versterkende middelen
hebben, ook had ze nog veel oppassing noodig en--haar moeder was zóó
arm! Zij schreef zoo opgewekt als ze kon; zij hielden goeden moed; dat
deed Hedwig toch zeker ook? Maar dat behoefde haar moeder eigenlijk niet
eens te vragen, van haar waren zij het niet anders gewend.

Neen, zij zou den moed niet verliezen, maar ach, wat zou het heerlijk
zijn geweest, als zij met Kerstmis één enkelen dag thuis had kunnen
zijn! Er kon daarvan nù natuurlijk heelemaal geen sprake wezen ... en
haar moeder en Clärchen weer zóó arm en zoo vol zorgen....

Doch zij stond op om over Tieka's schouder heen naar haar werk te kijken
en schudde de gedrukte stemming van zich af.

Zij wilde niet bij de pakken neerzitten, maar flink haar weg blijven
gaan, wetend dat God helpt die zichzelven helpen en zoodra zij haar
salaris kreeg, zou ze haar moeder weer al het geld sturen, dat zou
verlichting geven; hoe gelukkig dat de maand bijna om was en dat zij
zelf niets noodig had!

"Ziezoo, _my dear_ is weer vroolijk," zei Tieka, toen zij 's middags
honderd uit bij Hedwig had gezongen aan de piano, terwijl de
regendruppels buiten de maat tikten tegen de ruiten. Ja, Hedwig had haar
gewone blijmoedigheid herkregen en 's avonds schreef zij een paar
opgewekte woorden naar huis, die haar moeder en Clärchen een gevoel
gaven, alsof zij een oogenblikje bij haar had zitten praten.

Enkele dagen later hunkerde zij al naar het uur, waarop zij haar salaris
weer zou ontvangen. Gewoonlijk vond zij het in een couvert op haar kamer
liggen en ook nu was dit het geval. Tot haar verbazing was er thans
echter een briefje bij, waarin de barones haar verzocht dadelijk een
oogenblikje bij haar te komen in haar _boudoir_.--Misschien zou het zijn
om over een rijtoertje te spreken, bedacht Hedwig; het was bij
uitzondering heden mooi weer. Terstond ging zij heen.

Zij had het _boudoir_, dat door een zwaar gordijn van een der zitkamers
was afgescheiden, nog nooit anders dan uit de verte gezien en zij was
echt meisjesachtig nieuwsgierig, hoe zij het er vinden zou. Alweer moest
zij een paar bedienden langs, eer het gordijn achter haar dicht viel.
Zij had slechts even den tijd om onder den indruk te komen van de
zacht-lila tinten van behang en meubileering en van den viooltjesgeur,
die in het vertrek hing, want heel spoedig hoorde zij in hare nabijheid
de stem der barones tot den knecht zeggen:

"Zorg dat ik niet gestoord word."

Toen zij naderde, ontstelde Hedwig van de koude, hooghartige uitdrukking
van haar gelaat. Wat zou er gebeurd zijn? Had zij iets misdaan? Zij
herinnerde zich niet in eenig opzicht tegen de wenschen der barones
gehandeld te hebben....

"Ik moet eens ernstig met u spreken, Fräulein," klonk het zeer uit de
hoogte. "Allereerst moet ik er u nog eens met nadruk op wijzen, dat het
uw plicht is ervoor te zorgen, dat Tieka zich niet te veel aan u gaat
hechten. Zij ... kortom, zij behoort haar genegenheid te geven aan
menschen uit haar eigen stand, niet aan onderhoorigen. Natuurlijk is het
mijn wensch dat gij in aangename verhouding tot elkaar staat, maar de
afstand moet bewaard blijven."

Hedwig boog het hoofd. Zij zeide niet dat Tieka allerminst een kind was,
dat van "afstand bewaren" hield, maar zij dacht het wel en haar hart
werd warm.

"Dan heb ik u nog iets te zeggen. Het zou mij zeer aangenaam wezen u wat
stemmiger, wat minder jeugdig en ook wat eleganter gekleed te zien. Voor
zoover ik weet, heb ik u nog nooit zwart zien dragen. Mag ik vragen hoe
dat komt?"

Hedwig antwoordde dat zij geen enkele zwarte japon bezat.

"Dan zult u er u een dienen aan te schaffen; uw toilet is te weinig,
zooals ik dat van de gouvernante mijner dochter mag verwachten. Heel
stemmig moet het wezen en toch smaakvol. Ik zal u een adres opgeven van
een winkel hier in Edinburg, dan kunt u daar van middag een japon
koopen, terwijl ik met Tieka uit rijden ben."

"Ik...." Hedwig dacht aan het geld, dat zij den volgenden dag aan haar
moeder had willen sturen en er kwam haar een brok voor de keel.

"Hadt u nog iets te vragen?"

"Ik dacht ... zoo'n zwarte japon ... is die niet erg duur?" bracht zij
er hakkelend uit.

"Men zal u gaarne verschillende soorten van stof laten zien," zei de
barones koel. "Maar ik herhaal dat ik bizonder gesteld ben op zwart. Het
hindert me dat men u over 't algemeen een te jonge gouvernante voor
Tieka vindt. Als u wat minder jeugdig gekleed gingt en minder levendig
waart, zou dat natuurlijk niet het geval zijn, want ... hoe oud bent u
eigenlijk?"

"Vijftien jaar ... bijna zestien," zei Hedwig, zoo zacht dat de barones
haar onmogelijk verstaan kon.

"_Hoe_ oud?" vroeg zij scherp.

Met de kalmte der wanhoop herhaalde Hedwig nu luid:

"Vijftien jaar."

"Wat?" De oogen der barones flikkerden toornig. "Waarom is mij dat niet
eerder gezegd?" zeide zij driftig. Toen zich herstellend, met
voorgewende kalmte: "Maar het doet er ook eigenlijk minder toe, hoewel
... u weet immers _zeker_ dat u niet ouder bent?"

Onwillekeurig moest Hedwig nu toch even glimlachen. "Heel zeker," zei
ze.

"Dan zult u dubbel uw best moeten doen ouder te _schijnen_. Het zal mij
ook genoegen doen, u een ander soort hoeden te zien dragen, niet altijd
dat ronde, meisjesachtige model, meer een kapothoedje of iets, dat
daarop lijkt, ten minste."

"Ja," zei Hedwig zacht met de eigenaardige gewaarwording dat zij zou
hebben kunnen lachen en schreien tegelijk.

Daar hoorde zij Tieka's stem roepen:

"Waar is _my dear_?"

De barones stond op. "Ik geloof dat wij elkaar nu goed begrepen hebben,"
zei ze. "Als ik straks met Tieka ga rijden, kunt u de stad in gaan om
uwe boodschappen te doen. Ik heb nu niets meer te zeggen."

Hedwig had echter nog wel degelijk wat te zeggen en hoewel het haar
moeite kostte, bracht zij er toch moedig uit:

"Ik vrees dat ik niet rijk genoeg ben om een japon en een hoed te
koopen."

De schatrijke barones von Zercläre trok verwonderd de wenkbrauwen op;
zij vroeg echter niets. "Dan zal ik u uw salaris eenige maanden vooruit
betalen," zei ze.

Weer boog Hedwig en luider en dichterbij klonk Tieka's ongeduldig
geroep:

"Waar is _my dear_ toch?"

Hedwig kwam haar op de trap tegen. "Ga je klaar maken, Tieka," zei ze.
"Je gaat met je moeder rijden. Heerlijk dat het zulk mooi weer is, he?"

Tieka zag haar met groote oogen aan. Hedwig's stem klonk zóó vreemd!

"Alleen met mama?" vroeg zij teleurgesteld.

"Ja."

Later hoorde Hedwig haar aan de barones vragen: "Waarom mag _my dear_
niet mee?" en het antwoord der barones: "Ik weet niet wie je met die
dwaze benaming bedoelt. Je moest je die kinderachtigheden afwennen,
Tieka, daar wordt je nu te oud voor."

Met looden schoenen ging Hedwig naar haar kamer om zich gereed te maken
voor hare "boodschappen."

Nu zou ze dus geen geld naar huis kunnen sturen en haar moeder had het
zóó noodig! En zeker nog in geen maanden zou ze weer wat kunnen zenden,
want eer die nieuwe japon en hoed betaald waren....

"En ik trek het me toch niet erg aan en ik schrei er ook niet om, want
dat helpt niemand ook maar een ziertje, moeder ook niet," zei ze, met
tranen in de oogen! Ze dronk snel een glas water leeg en knikte zichzelf
even toe in den spiegel, terwijl zij haar hoed opzette. "Moed houden,
hoor oudje!" Toen met een lachje en een zucht: "Och heden, was ik maar
wat meer een oudje, dan verdiende ik zeker ook meer. Nu, daarom niet
getreurd, dat wordt met den dag beter!"

Even later liep zij met een opgewekt gezicht door de straten van
Edinburg. Zij schrikte echter, toen ze voor den bewusten winkel stond;
de uitstalling achter de ramen zag er zoo voornaam en zoo duur uit!

Niet erg op haar gemak ging ze naar binnen en liet zich door een
onberispelijk gekleeden bediende den weg wijzen naar een salonnetje,
waar gemaakte dameskleeding kon worden gepast. "_Miss_ Fichte...." zei
de man, een jong meisje roepend, dat stalen stond te sorteeren en Hedwig
keek verrast op. _Fichte_, dat moest een Duitsche naam zijn!

Het meisje kwam beleefd naar haar toe. Zij zag er nog heel jong uit en
had een aardig, rond gezicht en vriendelijke, lichtblauwe oogen. "_You
wish to see...._" vroeg ze.

Hedwig hoorde terstond dat zij geen Engelsche was. "Ik ben een Duitsche,
u ook?" vroeg zij snel.

"Ja, ja," riep het meisje uit en onmiddellijk waren zij druk aan het
Duitsch praten. _Miss_ Fichte vertelde waar zij vandaan was en dat zij
over een paar dagen weer naar Duitschland terug zou gaan in een nieuwe
betrekking en Hedwig benijdde haar een beetje; maar zij zeide toch
dadelijk dat zij het ook heel goed getroffen had.

Toen werden er allerlei zwarte japonnetjes gepast, die Hedwig wel vrij
goed zaten, maar haar precies stonden alsof zij zich--zooals Miss Fichte
lachend beweerde--"als grootmoeder had verkleed." Ook vond Hedwig de
prijzen schrikbarend hoog!

Het aardige Duitsche juffertje zocht echter ijverig verder en vond
eindelijk iets, dat beter aan het doel beantwoordde. Het was een
eenvoudig kleedje van een zachte, wollige stof, hier en daar met een
weinig git gegarneerd. Hedwig legde even haar vinger op het git.

"Zou dit wel stemmig genoeg zijn?" vroeg ze weifelend.

"Maar natuurlijk," klonk het vroolijk terug. "En deze japon kunt u nogal
heel wat goedkooper krijgen, omdat zij van den vorigen winter is."

"Hoe heerlijk!" en uitgelaten blij sloeg Hedwig hare armen om haar
landgenoote heen.

Miss Fichte lachte opgewekt. "Dat doet mij goed," zei ze, "weer eens met
echt Duitsche manieren in aanraking te komen."

"Had ik nu ook nog maar een hoed!" zei Hedwig, opeens weer ernstig.

"Er is hier ook een hoeden-afdeeling. Als u dat wilt, kan ik wel even
een paar hoeden voor u halen."

"Dolgraag."

"Gewoon rond model zeker? Met een breeden rand?"

"Neen, neen, geen rond model," viel Hedwig haastig in. "'t Moet een
soort kapotje zijn."

"Och neen, dat meent u toch niet?"

"Ik meen het heusch. Kijk maar eens of er niet iets geschikts voor mij
bij is."

Het meisje ging hoofdschuddend heen. Een kapotje voor zoo'n jong
deerntje; het was al te dwaas! Zij kwam echter na eenigen tijd terug met
allerlei soorten hoeden en hoedjes en na veel gebabbel en veel overleg,
slaagde Hedwig er werkelijk in iets te kiezen, dat er "heusch nogal erg
kapotachtig" uitzag.

"Wat spijt het me dat wij niet alle twee in Edinburg blijven!" riep zij
uit, toen zij het adres had opgegeven, waarheen alles moest gezonden
worden. "Ik zou het zóó prettig vinden, als ik hier een Duitsche
vriendin had!"

"Mij spijt het ook. Wij zouden zeker veel aan elkaar kunnen hebben."

"Stellig. Nu, goede reis naar Duitschland terug. _Deutschland über
alles!_"

Zij wuifde met haar handschoen en: "_Auf Wiedersehn!_" klonk het
hartelijk.

Vlug liep Hedwig langs _Princes-street_ weer naar huis, onderweg even
staan blijvend bij het standbeeld van Scott. Zij keek op naar het nobele
gezicht met den fijn humoristischen trek om den mond en dacht: "Die
heeft nog vrij wat meer doorgemaakt dan ik. Ik begin ook eigenlijk pas!"
En met opgeheven hoofd liep zij verder.

De barones en Tieka waren nog niet terug, toen zij thuis kwam. Zij kon
dus juist nog even iets nakijken voor de geschiedenisles, die zij straks
aan Tieka zou moeten geven. Van avond zou zij dan een briefje aan haar
moeder schrijven; ze was weer vol moed.

Verwonderd keek zij op, toen zij op haar kamer een brief van huis vond
liggen. "Al zóó gauw weer, moeder heeft net geschreven," mompelde ze.
"Clärchen zal toch niet erger zijn!"

Neen, Clärchen begon gelukkig goed aan te sterken, schreef haar moeder.
Maar zij had Hedwig iets heel treurigs te vertellen, waarover deze zelf
zeker ook erg bedroefd zou wezen. Anna Schaub was dood! Zij hadden dien
ochtend bericht gekregen....

Hedwig liet den brief uit haar hand glijden. "Ach Anna! Anna!"

Ze voelde zich opeens zoo verlaten, zóó alleen! "Waarom moest zij
heengaan, die goede, trouwe Anna, moeders eenigste vriendin haast! Zij
kon haar immers volstrekt niet missen! O, waarom krijgen wij toch ook
zoovéél leed te dragen, waarom _wij_ juist? En alles komt ook te gelijk
nu...."

Zij nam den brief weer op en las met brandende oogen verder. Anna was
plotseling gestorven, men had haar dood gevonden in haar slaapkamer,
blijkbaar was zij zachtjes ingeslapen.

Die laatste regels stemden Hedwig wat kalmer. Het was of zij het
vriendelijke gezicht van Anna Schaub duidelijk voor zich zag met een
uitdrukking van heiligen vrede erop, "_den vrede, die alle verstand te
boven gaat_."[2]

"God zal ons troosten, ook in dit leed," schreef haar moeder. "O, mijn
lief oudste dochtertje, wat zou ik je nù graag even bij me hebben!
Schrijf mij maar heel gauw weer...."



Toen Tieka thuiskwam, vertelde Hedwig haar waarom zij zoo bedroefd was
en den geheelen dag door deed het kind haar best, allerlei kleine
vriendelijkheden voor haar te bedenken. 's Avonds vond Hedwig op haar
kussen een groot stuk chocolade.

Zooveel zij maar kon, vergat zij zichzelf, toen zij haar briefje naar
huis schreef; ze dacht er alleen aan, hoe het haar moeder en Clärchen
thans te moede moest zijn. Zij wilde ook geen wanhopig bedroefden brief
schrijven en begon met te vertellen van Tieka's deelneming en de
chocolade; het schrijven ging verder gemakkelijker dan zij zich
voorgesteld had. In een paar regels besprak zij de toilet- en
geldkwestie en trachtte die zoo luchtig mogelijk te behandelen, hoewel
hare vingers beefden, toen zij de woorden neerschreef.

Ze kreeg spoedig antwoord van haar moeder terug. Clärchen ging werkelijk
vooruit en zij zelf verdiende flink met naaien--Hedwig moest zich toch
vooral niet ongerust maken.

En ons vijftienjarig gouvernantetje werkte dapper voort, al werd het
verlangen naar huis, vooral toen Kerstmis naderde, soms pijnlijk groot.
's Nachts kon zij plotseling wakker worden met een gewaarwording van
snakkend verlangen om even, even de gezichten van haar moeder en
Clärchen te zien, ook maar één oogenblik haar stemgeluid te hooren;--dan
sprong zij het bed uit, dompelde haar hoofd in het koude water en
berispte zichzelf om haar "lafheid."

Om Kersttijd was het huis vol gasten, iedere kamer was bezet. In de
gangen en op de portalen zag men hulstversieringen en groote bakken met
melkwitte kerstrozen. Tieka werd herhaaldelijk beneden geroepen. Soms
moest Hedwig meekomen en trouw verscheen zij dan in haar stemmig, zwart
japonnetje, waarover de barones, evenals over den nieuwen hoed, haar
hooge goedkeuring had betuigd. Zij had Hedwig ook eens toegevoegd dat
zij "meer tevreden" was over haar gedrag; Hedwig was "rustiger" dan
vroeger. En Hedwig had toen weemoedig geglimlacht, het viel haar in die
dagen van droefheid over den dood van Anna Schaub niet moeielijk
"rustig" te wezen!

Haar Kerstfeest was heel stil. Zij ging 's ochtends naar de Duitsche
kerk en kwam verkwikt en gesterkt terug; het oude, blijde Kerstevangelie
had krachtiger dan ooit tot haar hart gesproken.

Toen zij op haar kamer kwam, vond zij daar vele kleine verrassingen van
Tieka. De pakjes lagen in een kring op de tafel met hulsttakjes
eromheen. Tieka zelf stond er met een vroolijk gezicht bij en klapte in
de handen om Hedwig's verbazing over een pennenhouder, dien zij voor
haar had gewerkt door er in verschillende kleuren zijde omheen te winden
en daarin de woorden "_my dear_" te weven.

Van de barones kreeg Hedwig een paar handschoenen en tot haar groote
blijdschap was er ook een pakje van thuis: zes keurige zakdoekjes, door
haar moeder genaaid en door Clärchen met een ietwat wonderlijke _H_
versierd.

Zij was dankbaar voor de goede gaven en 's avonds, toen men Tieka
beneden had gehouden om een poosje met de gasten feest te vieren--toen
deed zij terdege haar best het "heel gewoon" te vinden, dat zij alleen
op haar kamer zat, terwijl in een ander gedeelte van het huis in
schitterend verlichte zalen, zooveel meisjes, ook van haar leeftijd,
zongen en vroolijk waren en haar jeugd genoten. Heel stil zat zij in het
halfduister naar buiten te kijken, zich koesterend in de warmte en den
gloed van het haardvuur en even vroeg zij zich af, of geen enkel van al
die blijde, lachende menschen beneden, zich erover verwonderen zou dat
zij niet aanwezig was. Men wist toch dat zij bestond, kwam haar telkens
tegen op trap of portaal en gunde haar nu en dan een beleefden groet.
Zou men verder nooit aan haar denken?

Zij wilde er zich niet in verdiepen en dwong zich tot andere gedachten.

Heel spoedig nadat Tieka boven was gekomen om naar bed te gaan,
"heelemaal zonder een greintje zin om te gaan slapen," ging zij zelf ook
ter ruste, na eerst de portretten van haar moeder en van Clärchen
hartelijker dan ooit te hebben toegeknikt en in de stilte van haar kamer
het oude, algemeen bekende Duitsche kerstlied "_die heilige Nacht_" te
hebben opgezegd.

Stille Nacht! heilige Nacht!
  Alles schläft, einsam wacht
nur das traute hoch-heilige Paar.
Holder Knabe im lokkigen Haar,
  Schlaf' in himmlischer Ruh!

Stille Nacht! heilige Nacht!
  Hirten erst kund gemacht;
durch der Engel Halleluja
tönt es laut von fern und nah:
  Christ der Retter ist da!

Stille Nacht, heilige Nacht!
  Gottes Sohn, o wie lacht
Lieb' aus deinem göttlichen Mund,
da uns schlägt die rettende Stund',
  Christ in deiner Geburt.[3]
...

Na de laatste dagen van het jaar met al hunne drukte en afwisseling,
volgden nu weken en maanden van veel werken en veel thuiszitten, want
het weer bleef stormachtig en ongeschikt voor Tieka.

Doch eindelijk bracht het late voorjaar betere dagen. Een teere lentezon
bescheen de grijze, Edinburgsche gebouwen en bracht lichte tinten in het
jonge groen en Tieka was uitgelaten van blijdschap, toen de dokter
uitdrukkelijk gebood dat zij nu zooveel mogelijk in de lucht moest zijn.
Tot haar niet geringe teleurstelling echter namen hare ouders haar thans
telkens lange middagen met zich mee in het rijtuig om bezoeken in den
omtrek af te leggen. "Hè, ik moest me van middag weer zóó _ladylike_
gedragen en ik wou _veel_ liever geen _lady_ wezen, ten minste nog làng
niet," zuchtte zij dikwijls na zulk een tocht. Het was teekenend voor
haar karakter dat zij zich tegenover haar moeder nooit beklaagde, maar
altijd stipt deed wat deze van haar verlangde.

Haar gehoorzaamheid bleef niet zonder uitwerking op hare ouders en nooit
nog had Hedwig hare oogen zóó zien stralen als aan den avond van een
prachtigen Juni-dag, toen zij bij haar kwam binnenstormen met de
woorden:

"Wij gaan naar Melrose. Als het morgen mooi weer is, gaan wij _samen_
uit, samen naar Melrose! Alleen uit met _my dear_! Meer dan dol! En we
mogen gewoon in den trein er heen reizen en dan nemen wij ons lunch mee.
Ik heb er zóó om gesmeekt en eindelijk mocht het!"

"Maar als ik er nu eens heelemaal geen lust in heb," zei Hedwig langzaam
om haar te plagen.

Even keek Tieka ernstig. Toen lachte zij weer en babbelde opgewonden
verder.

"En Melrose is zóó mooi! Wij gaan Abbotsford zien, het huis van Scott,
en we gaan een groote veldbouquet plukken en op het gras zitten, als wij
ons lunch willen opeten en we gaan alles doen, waar we maar zin in
hebben. Hè, ik wou dat die vervelende nacht maar om was!"

"Het zou me niet verwonderen, als er morgen regen kwam," zei Hedwig,
naar het raam toeloopend. "Er zijn al wolkjes aan de lucht."

"Niets van aan, niets van aan, heelemaal niets van aan," zong Tieka,
door de kamer dansend.

Zij kon later haast niet in slaap komen en den volgenden ochtend stond
zij reeds heel vroeg klaar wakker naast Hedwig's bed.

Hedwig was nog vast in slaap, maar werd wakker door de zachte aanraking
van twee warme lipjes op haar voorhoofd. Zij glimlachte, toen ze Tieka
gewaar werd in haar lange witte nachtpon, waarbij het donkere krulkopje
zoo grappig afstak.

"Het prachtigste weer van de wereld, hoor!" zei ze.

"Hoe laat is het?"

"Over half vijf. Zal ik me maar aankleeden?"

"Wel neen," zei Hedwig en zij ging recht overeind in bed zitten. "Ga
maar gauw nog een beetje slapen."

"Mag ik dan mijn kussen halen en hier voor het ledikant een beetje op
den grond gaan liggen? Anders verslapen wij ons misschien," zei Tieka,
blijkbaar nu reeds in een stemming om "alles te doen, waarin ze maar
lust had."

"Wel neen," herhaalde Hedwig, zóó beslist dat Tieka onmiddellijk
verdween.

Het was werkelijk dien dag "het prachtigste weer van de wereld" en
beiden waren in de vroolijkste stemming, toen zij de korte reis naar
Melrose hadden volbracht en, met het mandje met etenswaren gewapend, uit
den trein stapten. Zij hadden gereisd met drie zeer spraakzame
Amerikaansche dames, die ook Melrose en Abbotsford gingen "doen", en
Hedwig moest lachen om de bizonder voelbare wijze, waarop Tieka haar in
den arm kneep, toen het drietal Hedwig vootstelde samen een rijtuig te
huren om zich naar Abbotsford te laten rijden. "Niet doen, niet doen,"
fluisterde Tieka nog ter verduidelijking van haar gebaar en de
Amerikaansche dames moesten het aanzien dat er een paar ledige plaatsen
in het ruime rijtuig over bleven.

In een, volgens Tieka, "alleraardigsten winkel", kochten zij een goede
hoeveelheid kersen en Tieka vond het een genot telkens uit den zak te
mogen presenteeren en al wandelende menige kers te verorberen. "Het
smaakt oneindig lekkerder dan dat je ze van een bordje eet," zei ze,
niet zonder overdrijving.

Wat was het een mooie, lieflijke wandeling naar Abbotsford en hoe
genoten zij! Langs heuvelen vol golvend graan liepen zij en Tieka
lachte, omdat het net was of het koren haar buigend groette. Dan weer
kwamen zij langs velden met groote, witte margrieten en graspluimen,
waarvan zij een "prachtruiker" maakten en eindelijk, even voordat zij
Abbotsford hadden bereikt, gingen zij tegen een grasheuvel aan liggen en
gebruikten haar lunch. "Ik heb toch zoo'n honger vandaag," zei Tieka,
"nu ga ik weer eens probeeren hoe dat smaakt," en dan legde zij een kers
op een stukje brood en verzekerde dat het "verrukkelijk" was! En toen
zij eindelijk klaar waren met haar maaltijd, zei ze: "Als wij nu alweer
naar huis moesten, zou ik toch al verbazend veel plezier gehad hebben.
Maar we gaan nog lang niet naar huis. We zijn eigenlijk net begonnen,
he? Is 't niet lieve, kleine _my dear_?"

"Stil een beetje, wat meer eerbied als 't je blieft."

"Ik heb juist heel veel eerbied," zei Tieka ondeugend. "Maar ik geloof
toch wel dat _my dear_ nog heel jong is."

Hedwig zei niets terug.

"Is het niet zoo?"

"Dat blijft geheim, dat weet je wel."

"Maar ik mag toch zeker wel eens raden?" begon Tieka weer.

"Neen, neen, volstrekt niet."

Het trof gelukkig voor Hedwig dat zij juist op dit oogenblik den ingang
van Abbotsford naderden en er van rustig praten nauwelijks meer sprake
kon zijn. Want bij het hekje, waarbij de concierge toegangskaartjes
stond uit te deelen aan de verschillende bezoekers, was het stampvol.
"Hoe jammer, ik dacht dat wij er bijna alleen zouden zijn," fluisterde
Tieka, toen zij zich achter de Amerikaansche dames plaatsten, die al een
poosje geduldig hadden staan wachten. Als een troep schapen werden allen
nu door den oppasser naar de vertrekken gedreven, die het publiek van
Abbotsford te zien krijgt. Hedwig en Tieka bleven spoedig een weinig
achter en bekeken op haar gemak wat haar het meest aantrok, zeer onder
den indruk van het feit dat zij liepen door de kamers, waar de schrijver
van Ivanhoe "met het bruine haar en de lichtgrijze dichteroogen",
zooveel gedacht en gewerkt en genoten had.

Terwijl de groote menigte reeds door de tusschendeur de bibliotheek was
ingegaan, bleven zij samen nog een oogenblik staan in de studeerkamer,
bij den stoel van Scott en zagen eerbiedig op naar den schat van boeken,
waarmee de muren van onder tot boven waren bedekt. En in de fraaie
bibliotheek, die Tieka "een heerlijke leerkamer" noemde, genoten zij in
de nis van het groote venster staande, het bekoorlijke uitzicht op
Scott's geliefde rivier de Tweed en de zacht glooiende, groene heuvels.

[Illustration: De studeerkamer van Walter Scott op Abbotsford.]

In de _drawingroom_ vond Tieka, niettegenstaande de vele schatten daar
verzameld, het zeer eigenaardige behangsel, een voorstelling gevend van
in kleurige kleedij getooide Chineezen en Japanneezen, verreweg het
aantrekkelijkst; zij was er haast niet vandaan te krijgen! Haar stemming
veranderde echter, toen zij de eetzaal bezochten met de kunstig
uitgesneden zoldering van donker eikenhout en dachten aan het uur,
waarop Walter Scott hier den laatsten adem uitblies, na alles, wat hij
doorgemaakt had, toch nog stervend op zijn innig geliefd Abbotsford,
waarvan hij eens schreef: "_My heart clings to the place I have created,
scarce a tree of which does not owe its being to me._"[4]

En geen wonder dat zijn hart "hing" aan Abbotsford! Kende hij er niet
nagenoeg iederen steen, iedere bloem en iedere boomsoort? En had hij
niet van de onaanzienlijke hoeve en het land, die hij in 1811 kocht, een
waren lusthof gemaakt? En werd hij er zelf ook niet met warme
aanhankelijkheid gediend door al zijne onderhoorigen, tot den bekenden
schaapherder Thomas Purdie en den koetsier Peter Mathieson toe?

"Ik wou dat Walter Scott nog leefde en dat ik dan eens bij hem te
logeeren gevraagd werd op Abbotsford, met _my dear_," zei Tieka, toen
zij het kasteel verlieten en zich haasten moesten om de beroemde ruïne
van de Melrose abdij nog te gaan zien.



De tijd was omgevlogen en zij mochten natuurlijk niet te laat aan het
station komen. "_Als_ wij eens te laat kwamen en pas van nacht weer
thuis konden zijn, zou ik het toch wel een beetje prettig vinden,"
merkte Tieka op, maar Hedwig scheen dit volstrekt niet ook maar "een
beetje" plezierig toe en zij begon onwillekeurig nòg vlugger te loopen.

Ten slotte viel de tijd haar toch nog mee, toen zij bij de indrukwekkend
mooie ruïne van Melrose Abbey stonden en hier nog eenige oogenblikken
konden vertoeven om een dankbare gedachte te wijden aan de begaafde
Benediktijner monniken, die eeuwen geleden in zandsteen de sierlijkste
lijnen wisten te beitelen en al hunne talenten gaven aan de verfraaiing
van het kerkgebouw, dat zelfs als ruïne nog zoo onuitsprekelijk veel
schoons heeft.

"Laten wij nog even blijven, even maar," smeekte Tieka, toen Hedwig
zeide dat het tijd werd om te vertrekken. Hedwig was echter
onverbiddelijk en het was goed dat zij niet langer gewacht hadden, want
toen zij aan het station kwamen, stond niet alleen de trein er reeds,
maar waren de coupés zóó vol dat zij slechts met zeer groote moeite één
plaats konden machtig worden in een derdeklasse wagen. Tieka moest bij
Hedwig op den schoot zitten en vond dit ook al weer "dol prettig." Haar
vroolijkheid werkte aanstekelijk op de medereizigers, waaronder zich een
troepje kleine meisjes bevond, die schaterden van het lachen om Tieka's
grappen en zelf ook allerlei te vertellen hadden. Zij hadden ook op het
gras gezeten om te lunchen, dicht bij een boerderij en terwijl haar
vader bezig was, haar allerlei over het leven van Scott mee te deelen en
daarbij zijn boterham in de hand hield, was opeens een kip op zijn been
gevlogen en had hem de boterham pardoes uit de hand weggepikt. O, zij
moesten nog zóó lachen, als zij er aan dachten hoe vader toen gekeken
had!

Nu, Tieka en Hedwig lachten ook en toen de trein te Edinburg stilstond
en de kinderen afscheid moesten nemen, zei Tieka levendig:

"Hè, ik hoop hartelijk dat wij elkaar nog eens weerzien!"




HOOFDSTUK V.

Chester.


Twee volle jaren bleef Hedwig bij de familie von Zercläre, zonder dat er
van eenige verandering sprake was. Zij was nu bijna achttien jaar. "Over
een paar jaar, als ik twintig word, dàn zal de barones mijn salaris toch
wel verhoogen," dacht ze soms. Zij wist dat de ouders van Tieka tevreden
waren over hare vorderingen, maar zij wist ook zeer goed dat Tieka's
moeder haar bizonder weinig genegen was en er waren dagen dat zij
werkelijk leed onder de scherpe, hatelijke woorden der barones, waaraan
het maar al te zeer merkbaar was dat zij door jaloezie waren ingegeven.

Toch werkte zij vroolijk en moedig voort en bleef zij steeds hopen dat
de houding der barones nog wel eens veranderen zou. Zij was het vorige
jaar met Kerstmis thuis geweest en had van haar moeder ook den raad
gekregen, maar trouw haar best te blijven doen en zij hadden toen
beiden gelachen om Clärchen's verontwaardigden uitroep:

"Nu, _ik_ zou me dan zoo engelachtig niet houden!"

Hedwig moest weer aan die woorden denken, toen zij zich op een stillen,
helderen herfstdag gereed maakte voor haar ochtendwandeling met Tieka.
De barones was den vorigen dag de leerkamer ingekomen op een oogenblik
dat Tieka het juist weer heel druk had met haar "_my dear_" en zij had
toen zeer beslist gezegd dat het nu "voor goed uit moest zijn met die
dwaasheid." Tieka had erg verschrikt gekeken, toen ze haar moeders oogen
zoo toornig zag flikkeren en zij was dadelijk begonnen zich stipt aan
het verbod te houden, zooals haar gewoonte was. Hedwig had den volgenden
ochtend het hartelijke "_my dear_" gemist; zij zuchtte er nu eens even
over en glimlachte flauwtjes om haar "sentimentaliteit."

Wat bleef Tieka toch lang weg! De barones had haar zooeven bij zich
laten roepen. Het kind had toch niets gedaan, waarvoor zij een berisping
verdiende?

Neen, er was niets bizonders voorgevallen, bedacht Hedwig gerustgesteld
en hare oogen keken bewonderend den tuin in naar de hooge beuken,
waarvan het rijke herfstgoud zoo teekenachtig afstak bij de gladde,
slanke stammen. Wat was de lucht boven die beuken klaar en zuiver-blauw!
Het zou heerlijk zijn buiten straks en bij het standbeeld van Scott....

Zij keerde zich snel om, toen zij de stem der barones achter zich
hoorde. Aan de uitdrukking van haar gezicht zag ze terstond dat haar een
onaangenaam onderhoud wachtte en haar hart begon sneller te kloppen.

"Ik heb u iets te zeggen, Fräulein," klonk het stroef.

Hedwig boog zwijgend het hoofd.

"Tieka is met haar vader uitgegaan. Zij blijft een groot gedeelte van
den dag weg en u kunt dus dien tijd voor u zelf gebruiken. Als u even
wilt gaan zitten...."

Tot haar verwondering merkte Hedwig thans een zweem van verlegenheid op
bij de barones; het maakte haar ongerust en zij beefde even, toen ze
zitten ging.

Maar het oogenblik van zwakte bij Tieka's moeder was zeer spoedig weer
voorbij.

Op de haar eigene, hooghartige wijze zei ze:

"Ik wensch er u thans van in kennis te stellen dat de heer von Zercläre
en ik het besluit hebben genomen, Tieka na de kerstvacantie naar een
uitmuntende kostschool te zenden. Wij zijn er volkomen van overtuigd dat
zij daar zeer beschaafden omgang zal kunnen genieten en langzamerhand
gevormd zal kunnen worden voor de hooge plaats, die zij in onze kringen
zal moeten innemen. Zij zal natuurlijk ook aan het hof gepresenteerd
worden en u zult zeker inzien...."

"O, ik kan niet...!" Hedwig was opgesprongen, zij was zichzelve niet en
zij strekte de handen uit met een afwerend gebaar; zij kon niet meer
luisteren! Even zag de barones haar onderzoekend aan. "U zult ruim tijd
hebben iets anders te zoeken," zei ze zacht. Toen ging zij de kamer uit,
waar Hedwig haar dankbaar voor was.

Het onverwachte, hevige van den slag gaf haar voor 't oogenblik een
gevoel alsof zij erdoor verpletterd was. Weg, van Tieka weg, het kon
niet waar zijn immers! Haar hoofd was zoo zwaar; zou ze wel goed gehoord
hebben wat de barones had gezegd?

Ach, zij wist immers dat zij het maar al te goed verstaan had. Zij moest
_weg_! Ze herhaalde het bij zichzelf, telkens weer, met hare oogen strak
gevestigd op de hooge beuken van den tuin, zoo rijk in hun pracht van
goud, zoo stil en lieflijk op dezen wondermooien herfstdag....

De rust daar buiten deed haar nu haast pijn en zij keerde zich af van
het raam en liep snel naar haar kamer. Daar sloeg zij met een
hartstochtelijk gebaar de handen ineen. Weg, van Tieka weg en waar dan
heen?

O, het kon niet, het mocht niet gebeuren!

Wat zou Tieka zeggen? Zou Tieka het hebben willen? Zou zij er zich niet
tegen verzetten? Ze moest nu opeens geheel aan Tieka denken en hoe de
vroolijke uitdrukking van haar gezichtje verdwijnen zou, als zij het
hoorde. En terwijl zij zich, zeer karakteristiek voor haar, geheel
verdiepte in Tieka's droefheid, werd haar eigen smart op den achtergrond
gedrongen en toen zij eindelijk schreien kon, was het meer nog om
Tieka's leed dan om haar eigen.

Toen Tieka 's middags terugkwam, zag zij terstond dat deze reeds alles
wist. Haar vader had haar zijn besluit meegedeeld aan het eind van de
wandeling en zij was blijven staan en had hem ongeloovig aangezien, stom
van verbazing. Maar zij had niets gezegd, dadelijk troost zoekend in een
zeker vaag bewustzijn dat hij zich vergissen moest, dat haar moeder
alleen precies op de hoogte kon wezen van alles wat hare lessen en hare
gouvernante betrof en zoodra zij thuis kwamen, was zij naar de barones
toegesneld. Het was immers niet waar dat Fräulein Eiche wegging?

"Ja natuurlijk is het waar," had de barones gezegd.

Toen was Tieka dadelijk naar boven geloopen en heel bleek, met iets
verschrikts in hare oogen, kwam zij bij Hedwig. En voor 't eerst een
gebod van haar moeder geheel vergetend, sloeg zij de armen om Hedwig's
hals, al maar roepend: "_Oh my dear, my dear_!"

Toen snikte zij even heel zacht met die eigenaardige, bij een kind zoo
treffende zelfbeheersching, die Hedwig reeds dikwijls bij haar had
opgemerkt en zij legde liefkoozend haar wang tegen die van Hedwig aan en
bleef een oogenblik zoo zitten; toen opeens sprong zij op en liep weer
naar beneden naar de barones.

"Moeder," riep ze, "o, ik smeek u, laat Fräulein Eiche toch niet
weggaan; ik vind het zoo vreeselijk!"

"Maar Tieka!"

Het kind had haar hand smeekend op den arm harer moeder gelegd; onder
den kouden, strengen blik, die haar trof, liet zij die hand weer weg
glijden.

"Ik vind het zoo vreeselijk, vreeselijk!" herhaalde zij fluisterend.

"Je moet me voortaan van die kinderachtige vertooningen verschoonen,
Tieka. Begrepen? Het is groote dwaasheid je zoo aan te stellen,
eenvoudig omdat je gouvernante weggaat; je zult er spoedig genoeg aan
gewend zijn."

Tieka's gezicht werd eerst doodsbleek, toen vuurrood, daarna weer heel
bleek. Zij waagde nog een laatste poging.

"Dus het gebeurt echt?"

"Zeer zeker gebeurt het," klonk het driftig. "En ga nu terstond heen. Je
vergeet tegen wie je spreekt."

Tieka ging, diep verslagen. Boven bij Hedwig hield zij zich niet meer
in, maar schreide uit, schreide alsof haar het hart zou breken. En hoe
Hedwig ook haar best deed, zij wilde zich niet laten troosten....

Voor Hedwig zelf kwam thans de gewichtige vraag hoe zij een nieuwe
betrekking zoeken en vinden moest. Aarzelend vroeg zij, na enkele weken,
de barones om raad en deze liet haar kranten brengen, streepte hier en
daar een advertentie aan en schreef een kort getuigschrift, ten volle
overtuigd dat zij daarmede reeds zeer veel voor hare jeugdige
gouvernante gedaan had.

Bij de jonge gouvernante zelf was de oude moed spoedig herleefd. "Niet
tobben, ik _wil_ niet tobben," zei ze herhaaldelijk, als de gedachte aan
het afscheid van Tieka haar te machtig dreigde te worden en dapper
schreef zij brief op brief, gaf en vroeg inlichtingen en veroverde
eindelijk een betrekking als onderwijzeres op een kostschool te Chester,
een inrichting voor weezen en halfweezen, die geen thuis meer hadden of
er nooit een hadden gekend.

Zij zou voornamelijk les moeten geven in Duitsch, rekenen en handwerken,
schreef men haar, daarvoor in ruil onderwijs krijgen in Fransch en
teekenen en bovendien een salaris ontvangen van 12 pond (f144) per jaar.

Veel was het niet, vrij wat minder nog dan ze thans verdiende, maar de
betrekkingen waren niet opgeschept, aan naar huis teruggaan wilde zij
geen oogenblik denken en toen zij, na eenige aarzeling, de vrijheid nam
de barones weer om raad te vragen, sprak deze zoo beslist de meening uit
dat zij "dit vooral aannemen moest, nu zij het krijgen kon," dat zij
niet langer wachtte met het nemen van een besluit en nog dienzelfden dag
aan de directrice der kostschool schreef zij dat zij na de Kerstvacantie
komen zou.

Van een reisje naar Duitschland met de kerstdagen kon, om de groote
onkosten, thans niets komen. Zij liet zich dus in de vacantie nog maar
eens ter dege door Tieka verwennen, slaagde erin de laatste dagen van
het jaar ook voor haar leerlingetje prettig en opgewekt te doen zijn
en--hield zich kloek, toen even na Nieuwjaar, de dag van het afscheid
werkelijk gekomen was.

Het was een snerpend koude ochtend, het vroor hard en de zon trachtte
te vergeefs door den witgrijzen nevel heen te dringen, die als een
reusachtige wolk over heel Edinburg hing. "_Zum Abschied nehmen just das
rechte Wetter_," mompelde Hedwig, terwijl zij zich kleedde.

Zij moest tegen elf uur vertrekken en kon ongeveer half drie te Chester
wezen. Eigenlijk was zij maar blij, toen haar groote koffer--Anna
Schaub's geschenk--reeds naar 't station gebracht was en het voor haar
ook tijd werd om te gaan. De baron en de barones gaven haar de hand bij
het afscheid en zeiden een paar welwillende woorden; Tieka, die te
vergeefs verzocht had mee naar het station te mogen gaan, stond bij hen
en kon niets zeggen. Zij keek Hedwig strak aan met hare groote oogen en
knikte zwijgend, toen deze zeide: "Dag lieve Tieka, zul je mij niet
vergeten?"

Dat was alles. Toen was het voor goed uit. De deur viel achter haar
dicht en zij stond op straat.

Ze had voor het rijtuig bedankt en gezegd graag naar het station toe te
willen loopen, want zij had behoefte aan de frissche wandeling en zij
liep snel door, telkens even op hare lippen bijtend bij de gedachte dat
het nu voorbij was, voor goed voorbij het gelukkige leven met Tieka.
Maar ze hief het hoofd op en liep nog vlugger voort. "_Nooit_ flauw
zijn, God helpt!" fluisterde ze.

Bij het geliefde standbeeld van Scott bleef zij een oogenblik staan. Zij
deed haar best het gezicht duidelijk te onderscheiden door den nevel
heen en even wuifde ze met haar hand....

Ze werd kalmer gestemd, toen zij eenmaal op reis was en zij glimlachte
blij, toen de zon eindelijk door den mistsluier begon heen te dringen.

Toen de trein te Chester stilhield en het haar duidelijk werd dat er
niemand was om haar af te halen, besloot zij haar koffer maar aan 't
station achter te laten en naar de school toe te loopen. Zij zou den weg
wel vinden, meende ze, en zij was na het lange zitten in den trein
letterlijk verstijfd van koude en verlangde naar wat beweging.

Even ging zij de restauratie-zaal in om een kop warme koffie te drinken
en te vragen hoe zij loopen moest om Hill House--zoo heette de
school--te bereiken. "U kunt, in ieder geval, om theetijd wel bij ons
wezen," had Miss Wells, de directrice, geschreven; het was nu nog maar
even half drie en zij had dus nog een paar uren den tijd.

Een vriendelijk buffetmeisje hielp haar te recht en gaf haar zelfs een
kaartje van Chester ten geschenke. Toen zij vertelde dat zij op Hill
House moest wezen, kwam er een zeer eigenaardige uitdrukking op het
gezicht van het meisje, maar Hedwig merkte het niet op; zij was verdiept
in haar kaartje.

"Wilt u bepaald loopen?" zei het meisje nog. "U zoudt ook een heel eind
per tram kunnen gaan; het is een lange wandeling," doch Hedwig
antwoordde vroolijk dat zij daar niet tegen opzag en geen haast had.

Opgewekt, thans weer vol moed voor het nieuwe leven dat haar wachtte,
liep zij het station uit. Zij had lust in haar wandeling en was benieuwd
hoe zij de stad vinden zou en verruimd haalde zij adem, toen juist op
het oogenblik dat zij het station verliet, de mist geheel vaneen
scheurde en de zon in volle glorie doorbrak.

O, wat was het nù mooi! Over alles heen lag de rijp als een kantachtig
wit weefsel, waarin ontelbare sterretjes glinsterden. Het blauw in de
lucht werd hoe langer hoe meer zichtbaar en krachtiger van tint. Het
bleef sterk vriezen en het was doordringend koud, maar Hedwig gaf er
niet om en stapte flink aan, eerst de niet heel fraaie City-road langs,
toen, steeds de aanwijzingen van haar kaartje volgend, een breede straat
in, tot ze bij een poort stond, waarnaast zich een steenen trap bevond
met het opschrift: "_To the city walls_".

De steenen treden zagen er heel glibberig uit, toch kon zij de
verleiding geen weerstand bieden even naar boven te gaan. Men had haar
verteld van de beroemde, oude muren rondom de stad Chester, waarover men
wel een wandeling van een klein uur kon maken en zij moest toch eens
kijken....

Zij liep eerst een eindje door, toen ze boven was;--toen bleef ze
verrast staan, want wat zij voor zich zag, was als een sprookje.

In hare nabijheid, haast vlak bij scheen het haar toe, stond daar in
grootsche majesteit, de hooge, indrukwekkende kathedraal van Chester met
het stille plein met de mooie boomen erom heen, alles bedekt door een
sluier van ragfijne rijp. Geen enkel geluid drong tot haar door en het
was of al die teere witheid de stilte nog verhoogde en haar lieflijker
maakte.

[Illustration: Rows te Chester.]

Zij voelde zich wonderlijk ontroerd. Geheel alleen stond zij daar in een
vreemd land, ver van huis, in een stad, waarin nog niemand haar
kende,--zooeven had zij zich een oogenblik plotseling haast angstig
eenzaam gevoeld,--nu gleed die gewaarwording van haar weg en haalde zij
diep adem met een gevoel van innige vreugde. Onwillekeurig vouwde zij de
handen; haar hart dankte God voor wat Hij haar te genieten gaf.

Voorzichtig ging ze de trap weer af; het was over half vier, ze moest nu
maken dat zij verder kwam. Zij raadpleegde haar kaartje.

Het vriendelijke buffetmeisje had haar gezegd dat de school, zooals de
naam Hill House trouwens ook aanduidde, op een heuvel lag even buiten de
stad en zij zag op haar kaart dat zij nu eerst weer rechtuit moest gaan.
Maar toen zij even doorgeloopen had, keek zij verbaasd om zich heen. Wat
was dat? Liep ze nu opeens door een stad van een paar eeuwen geleden?
Alles zag er zoo geheel anders uit dan zooeven. Schilderachtige oude,
geelbruin en donker getinte geveltjes werden tooverachtig verlicht door
enkele verdwaalde zonnestralen, die de schemering, die in deze straat
heerschte, nog sterker deed uitkomen. Want aan beide kanten bevond zich
hier aan de huizen een soort van lange, overdekte balkons of galerijen,
die er zeer oud en verweerd uitzagen en, in elkaar loopend, de geheele
lengte der straat besloegen en het licht onderschepten. Sommige der oude
huizen waren met schuinloopende strepen of figuren beteekend, andere met
zeer fraai houtsnijwerk versierd en van spreuken voorzien.

Hedwig vond het aardig een trapje naar een der galerijen op te gaan, er
door heen te loopen en zoo een blik te slaan op de straat, die zoo
geheimzinnig in het halfduister lag. Zij liep slechts langzaam verder;
ook in de veelsoortige winkeltjes, die zij langs kwam, was veel dat haar
aandacht boeide en toen zij de galerij verlaten had en, links afslaande,
een kijkje kreeg op een groepje zwart-en-wit getinte huizen, sierlijk
met de vooruitspringende vensters rustend op ranke, spiraalvormige
pilaartjes, was zij één en al opgetogenheid.

"Wat een stad! Wat een mooie stad!" zei ze. "Het zal mij hier stellig
goed bevallen. Wat wou ik graag dat Tieka dit eens zien kon! Zij zou
zeker zeggen dat het echt sprookjesachtig was."

Nu was ze, in al haar verrukking, toch verkeerd geloopen, geloofde ze en
zij bleef even staan en haalde haar kaart weer te voorschijn; zij kon er
echter thans niet wijs uit worden. Juist stond ze voor een bakkerswinkel
en toen zij opkeek, las ze met zekere gretigheid de aankondiging:

"_Hot Pies Every Saturday
  Finest Hand-made
  Bread only Baked_."

Ze was flauw geworden en had trek gekregen; heel veel had zij vandaag
ook nog niet gebruikt. Hier zou zij maar eens even naar den weg vragen
en meteen iets eten, een kleinigheid maar, anders mocht ze haar eetlust
eens bederven voor de _tea_, waarmee men haar op Hill House wachtte. Ze
moest nu toch ook maken dat zij er kwam. Als zij eens één warm pasteitje
kocht.... Ze had er zóó'n trek in! Snel vroeg zij er naar.

"Vandaag niet juffrouw; die hebben wij alleen maar Zaterdags."

Och ja, dat was waar ook, dat stond duidelijk voor het raam. Ze nam het
nu maar voor lief met een vrij oudbakken krentenbroodje; straks op Hill
House zou zij haar schade wel inhalen.

Het bleek dat zij toevallig toch de goede richting had genomen.

"Mag ik vragen bij wien u wezen moet?" vroeg de winkelbediende, die
nogal nieuwsgierig van aard scheen te zijn.

"O jawel," zei Hedwig, "ik ga naar Hill House."

De man zette groote oogen op.

"En...." vroeg hij, veelbeteekenend met het hoofd knikkend, "gaat u daar
heen als onderwijzeres?"

Hedwig keek hem wat scherper aan en glimlachte even om zijn
onbescheidenheid.

"Ja zeker," zei ze kortaf en maakte zich gereed om heen te gaan.

"Dan zult u daar niet veel warme pasteitjes proeven, vrees ik," hoorde
zij hem nog zeggen, terwijl ze den winkel uitging. Zij luisterde echter
niet meer, zij vond hem vrij brutaal en liep haastig verder.

Weldra kwam zij nu even buiten de stad bij een brug over de mooie rivier
de Dee en spoedig daarop aan den tamelijk eenzamen weg, dien zij zocht.

Eindelijk zag zij Hill House op een hoogte liggen. Vroolijk zag het er
niet uit, dat moest zij bekennen, want een groot, kaal, grijs gebouw was
het met een menigte smalle ramen en een hooge voordeur, waarvan de verf
nagenoeg verdwenen was. In den gevel stond met groote, zwarte letters,
die thans nog zwarter schenen door de rijp eromheen: Hill House. Alles,
ook de tuin achter het huis, een groote lap gronds met niets erin dan
enkele lage hulststruiken en een verschrompeld kastanjeboompje, gaf den
indruk van armoede en verwaarloozing.

Hedwig bleef een oogenblik staan voordat zij den heuvel beklom. "Dat is
dus Hill House," zei ze met nadruk. "_Veel_ lijkt het, althans van
buiten, niet op het paleis van den baron von Zercläre, maar wie weet hoe
fraai het van binnen is!"

Binnen een paar minuten stond zij voor het huis. Snel keek ze naar
boven of er ook iemand was, die naar haar uitzag. Er vertoonde zich
echter niets voor de ramen en zij liet dus den zwaren klopper op de deur
vallen.

Wat klonk dat hol! Het was of de geheele bevroren heuvel ervan uit een
soort verdooving ontwaken moest--zij vond het haast griezelig! Het
duurde geruimen tijd, voordat de zware deur langzaam open ging en het
begon reeds te schemeren, toen zij eindelijk binnen gelaten werd en,
huiverig geworden van het staan, nòg kouder werd in de lange, donkere,
kille gang, die zij nu door moest loopen.




HOOFDSTUK VI.

Koude en Honger.


"Ik ben de nieuwe onderwijzeres," zei ze tot het meisje, dat de voordeur
geopend had en haar nu zwijgend den weg wees. Het was een armoedig
gekleed, uit de kracht gegroeid kind van een jaar of dertien met een
heel smal gezichtje, waarin de donkere oogen nog donkerder schenen door
de blauwe kringen, die eronder lagen. "Dat weet ik," antwoordde zij met
een heesche stem en Hedwig zei maar niets meer; het spreken kostte het
arme kind blijkbaar moeite.

Aan het eind der gang stonden zij stil bij een deur, die toegang gaf tot
de kamer van Miss Wells, de directrice. Het meisje klopte aan, een
scherpe, hooge stem riep: "_Come in!_" en Hedwig zag Miss Wells voor
zich.

Zij zat op een houten bankje--zooals Hedwig later ontdekte, was er in
het gansche groote Hill House geen enkele stoel te vinden!--aan een
tafel vol papieren, rekeningen te schrijven. Toen zij Hedwig gewaar
werd, stond zij niet op, maar bekeek haar met groote nauwkeurigheid.

"Fräulein Eiche zeker?" vroeg zij kortaf. Hedwig knikte. Wat was het
benauwd in de kamer; zij kon er haast geen adem halen! De overgang van
de snerpend koude lucht buiten tot de overwarme, onfrissche atmosfeer in
het lage vertrek, waar het gas reeds brandde, was al te groot.

Zij hield zich echter dapper, hoewel het moeite kostte, vooral toen zij
Miss Wells nader bekeek, want smakelijk zag die er allerminst uit! Op
het grijze haar, waarvan enkele lokken uit het slordige kapsel waren
losgeraakt en langs de geelbleeke, bolle wangen hingen, prijkte een
mutsje van vuilwitte kant, waarop een stoffige, roodfluweelen strik ter
verfraaiing was aangebracht. Een verkleurde groene japon hing slordig om
de kleine, zeer gezette gestalte en was letterlijk bezaaid met harde,
witte vetvlekken, terwijl Miss Wells over de schouders heen een
vaalzwart, wollen doekje had geslagen, dat van voren met een haarspeld
was vast gemaakt.

Ook de kamer had een zeer onbehagelijk voorkomen en bevatte geen andere
meubelen dan de tafel, de bank en een groote geelhouten kast. Voor de
ramen, waarvan het ontdooiende ijs in druppels afliep, was geen zweem
van een gordijn te ontdekken en op den ongeverfden vloer lag geen ander
"kleed" dan het vuilwitte schapevachtje, waarop Miss Wells hare voeten
liet rusten.

"Luid spreken, als 't je blieft, ik ben doof," zei ze, Hedwig met haar
hoofd op zijde, stuursch aanziende.

Hedwig knikte maar weer.

"Was de trein zoo laat vandaag?"

"Neen, ik ben op tijd aangekomen," riep Hedwig zoo luid ze kon.

"Zoo. En hoe komt het dan dat het nu zoo laat is?"

"Ik heb nog even een wandeling door de stad gemaakt," zei Hedwig
opgewekt.

"O zoo. Ja, dat konden wij niet weten natuurlijk. Ons theeuur is lang
voorbij en dus...." Zij haalde de schouders op.

"Ik ... er zal misschien nog wel wat thee en een boterhammetje voor mij
bewaard zijn?" waagde Hedwig te vragen. Zij had zóó'n trek; ze _moest_
wat eten!

Miss Wells deed alsof zij haar niet verstaan had.

"Wat zegt u?"

Met een kleur, toch zonder verlegenheid, herhaalde Hedwig luide haar
vraag.

De zuinige directrice schudde echter het hoofd. "Wel neen, er is geen
thee meer te krijgen; daarvoor is het nu te laat," zei ze. "Straks wordt
het avondeten gebruikt."

Hedwig hoopte vurig dat "straks" "heel gauw" beteekende!

"Waar is uw koffer?" vroeg Miss Wells verder. Zij was thans opgestaan en
waggelde in al haar dikte naar de schel toe.

"Dien heb ik aan het station gelaten. Mag hij even gehaald worden?"

Met de hand aan het schelkoord, keerde Miss Wells zich toornig om.

"Nog gehaald worden, van avond? Neen hoor, daar kan niets van komen; wij
houden hier geen hotel! Knechten of dienstmeisjes hebben wij ook niet,
want wij doen alles zelf. _Alles_; begrepen? U zult het dan voorloopig
maar zonder uw koffer moeten stellen en dien morgen gaan halen met
Peter en het wagentje. Er kan dan nog wel iemand met u meegaan." Toen,
ter verduidelijking, alsof ze bang was dat Hedwig in den genoemden
"Peter" een manspersoon zou vermoeden, "Peter is onze pony."

"O," was al wat Hedwig zeide. Ze vond het heel vervelend zoo lang op
haar koffer te moeten wachten, maar zij onderwierp zich zonder meer,
begrijpend dat er toch niets aan te veranderen was.

Miss Wells trok nu met een ruk aan de schel en een oudachtig, schamel,
doch net gekleed dametje verscheen, dat er, evenals het meisje, dat
Hedwig binnen gelaten had en dat in de wandeling Taff of Taffy werd
genoemd, heel vermoeid uitzag.

"Dit is onze huishoudster, Miss Ellis," verklaarde Miss Wells. "Zij zal
u den weg wijzen naar de schoolkamers. Miss Ellis, dit is Fräulein
Eiche, de nieuwe onderwijzeres."

"_How do you do_?" zei Miss Ellis en er kwam een vriendelijk lachje op
haar gezicht, toen zij Hedwig de hand reikte.

Hedwig had haast gezegd: "Goed, maar ik heb zoo'n honger," maar ze
durfde niet recht. En ... we krijgen toch straks avondeten, troostte zij
zich.

Zij volgde Miss Ellis een paar nauwe dwarsgangen door, waar het salpeter
van de muren viel en zich in de koude, grijze vloersteenen holten hadden
gevormd door de vele voetstappen, die erover waren gegaan. Er hing een
vunzige lucht en het was er kil en heel vochtig. Bijna even koud was het
in de groote, kale schoolkamers, waar het vuur op den haard veel te
weinig voedsel kreeg en zeer onvoldoende warmte gaf. De ruiten der
gordijnlooze ramen waren dan ook nog stijf bevroren.

Juist toen Miss Ellis en Hedwig binnen kwamen, werd het gas aangestoken
en het schelle licht der door geen ballons of kappen beschermde
gaspitten, viel onbarmhartig duidelijk op de rijen bleeke gezichten der
kinderen, die op banken aan de lange, houten tafels gezeten waren. Het
waren kleine en grootere meisjes van allerlei leeftijd, maar de
gezichten hadden door de sporen van lijden en ontbering, die erop waren
afgedrukt, iets treurig ouwelijks gekregen, dat zeer pijnlijk trof. Een
zonderling kontrast met de tengere kindergestalten vormde bij velen de
kleeding, blijkbaar afval van vroegere draagsters. Want de leerlingen
van Hill House gingen bijna allen gekleed in wat haar door gulle
bloedverwanten of vrienden was afgestaan en de arme weezen en
half-weezen, die alle moederlijke zorg misten, droegen veel te groote
schoenen, te wijde jurken, te korte of te lange rokken en ach, ook maar
al te vaak, veel te dunne stof voor den kouden winterdag.

Het treurige schouwspel, zoo geheel iets anders dan zij nog aan den
ochtend van dien dag, toen zij zoo moedig op reis ging, zich voorgesteld
had te zullen zien, ontroerde Hedwig tot in de ziel. Het was alsof haar
het hart werd toegeknepen en zij kon zich nauwelijks meer inhouden en
legde de hand voor de oogen, terwijl een korte snik haar ontsnapte.

Toen Miss Ellis haar arm aanraakte, vermande zij zich echter terstond.
En in haar hart vormde zich het besluit om zich goed te houden, flink te
zijn en te trachten iets te wezen, zooveel als zij maar kon te wezen
voor die arme, arme kinderen.... God zou haar helpen ook _hier_; dat
_wist_ zij immers!

De huishoudster stelde haar aan de onderwijzeressen voor, maar de
meesten toonden zich vrij onverschillig omtrent haar komst; zij schenen
met een zekere dofheid geslagen te zijn en zagen er vermoeid en slecht
uit. Er waren er ook met een haast terugstootend uiterlijk en Hedwig
hoorde later dat dezen, evenals verscheidene der arme weezen, eenvoudig
naar Hill House waren gezonden om een onderkomen te hebben. Of zij ook
goede en bekwame onderwijzeressen waren, daarop werd niet gelet; werk
was er immers op Hill House toch altijd voor ieder te vinden! Miss
Wells, die zelf weinig anders deed dan brieven en rekeningen
schrijven--vooral het laatste was haar een zeer geliefde bezigheid, die
zij nooit aan anderen overliet--had er zeer goed den slag van, al hare
onderhoorigen hard te laten arbeiden en zeer weinig rust te gunnen. Er
was in het groote, holle huis met zijne talrijke kamers en bewoonsters
veel te doen, al was het er alles behalve weelderig ingericht en Miss
Wells had waarheid gesproken, dienstmeisjes of knechten waren er in 't
geheel niet; alles moest door de overwerkte huishoudster, de
onderwijzeressen en de leerlingen worden verricht.

Twee onderwijzeressen waren er, die op Hedwig door de groote
tegenstelling in haar uiterlijk, een bizonderen indruk maakten. Beiden
bevonden zich in de tweede schoolkamer, die er al even doodsch en triest
uitzag als de eerste, met geen enkele versiering aan den muur dan een
groote landkaart en een stuk of vier andere kaarten, waarop met
reusachtige letters stond gedrukt dat er in de schooluren nooit
gebabbeld en gelachen mocht worden.

De eene onderwijzeres, Miss May geheeten, was met de jongste kinderen
bezig en had op 't eerste gezicht een tamelijk onbeduidend voorkomen.
Maar toen Hedwig haar aanzag, las zij in de blauwe oogen een uitdrukking
van stillen moed, die bizonder weldadig aandeed en te meer trof, omdat
het gezicht zelf er zeer afgemat uitzag.

Zij bleek meer belang te stellen in Hedwig's komst dan de anderen en
sprak haar even vriendelijk toe en Hedwig vond het een verkwikking naar
de welluidende stem te luisteren.

De andere onderwijzeres, Miss Rench, begroette haar slechts met een
koele hoofdbuiging; Hedwig voelde echter, meer nog dan zij het zag, dat
de kleine, doordringende oogen haar scherp onderzoekend opnamen. Er lag
iets vijandigs en sluws in dien snellen blik, dat haar een oogenblik
angstig maakte, haar haar zelfbeheersching benam en de oogen deed
neerslaan, maar even later glimlachte zij om haar vreemde
zenuwachtigheid. Het verbaasde haar echter niet, toen zij te weten kwam
dat Miss Rench in 't geheim "de spion" werd genoemd en dat er zeer, zeer
weinig op de school voorviel, dat haar aandacht ontsnapte en niet door
haar aan de directrice werd medegedeeld.

"Zou ik nu even naar mijn slaapkamer mogen gaan?" vroeg Hedwig eindelijk
aan Miss Ellis.

"Och, dat kan straks wel. Ik zou nu maar hier blijven, als ik u was; uw
mantel en hoed kunnen wel zoo lang op die leege bank neergelegd worden."
En Miss Ellis verdween.

Hedwig had echter volstrekt geen behoefte haar mantel uit te trekken;
zij had het al koud genoeg! Zij zou niets liever gedaan hebben dan eerst
het smeulende vuur in den haard eens ter dege van brandstof voorzien en
dan, als het flink brandde, de ramen openzetten om de vunzige lucht te
verdrijven, die in de school hing en aan rottende kool deed
denken,--maar zij was hier geen meesteres en moest stil afwachten wat er
over haar zou worden beschikt. Zij deed haar best geduldig te wezen en
keek nog eens met aandacht naar de kinderen, toen zij plotseling een
bel hoorde luiden en spoedig daarop een paar der oudere meisjes rond zag
gaan met bladen, waarop stapels sneden ongesmeerd brood lagen om een
kruik met water en een paar leege tinnen kroezen heen.

"Dat zal zeker reeds een voorproefje van het avondeten zijn," dacht
Hedwig blij en zij nam gretig een stuk brood, toen het haar werd
aangeboden en schonk zich een kroes water in.

Zij at met graagte evenals de anderen, hoewel het brood heel oud en hard
en droog was en een zwakke poging der huishoudster om het te roosteren,
nagenoeg was mislukt. Als er ook maar een ziertje boter op geweest was,
zou het veel lekkerder gesmaakt hebben, meende Hedwig en even moest zij
denken aan het smakelijke maal, waarbij Tieka nu alleen zou aanzitten.
Tieka zou eerst half Januari naar haar kostschool gaan; als zij _deze_
school eens had kunnen zien, wat zou zij dan wel voor oogen opgezet
hebben?

Toen het droge brood verorberd was, begonnen de kinderen hunne schriften
weg te bergen. Nu was het dan zeker heel gauw tijd voor het avondeten,
dacht Hedwig.

Daar zag zij Miss Rench waarlijk al weer met half toegeknepen oogen naar
haar kijken. Wat beteekende dat toch? Zij zou haar maar eens gaan
aanspreken, de lessen waren nu toch afgeloopen. Misschien ging haar
gezicht ook wel wat vriendelijker staan, als zij eens even een praatje
met haar maakte. Beleefd ging zij naar haar toe en vroeg:

"Kunt u mij ook zeggen hoe laat hier het avondeten gebruikt wordt?"

"Het avondeten?" herhaalde Miss Rench schamper, terwijl een spottend
lachje om haar mond kwam, "maar dat hebt u net precies op!"

"Zoo, was dat stuk brood...." stamelde Hedwig ontsteld.

"Dat was uw souper, ja. Ik hoop dat het u goed gesmaakt heeft?"

Hedwig antwoordde niet. Dus dàt was het avondeten geweest! Had ze toch
nog maar wat meer gekocht bij dien bakker of aan het station! Ze begon
nu te begrijpen waarom de bakkersbediende haar zoo vreemd had aangezien,
toen zij zeide dat ze naar Hill House moest en maar al te zeer zag zij
thans de waarheid in van zijne voorspelling: "Daar zult u niet veel
warme pasteitjes proeven!"

Maar zij vergat hoe hongerig ze zelf was bij het zien van al die slecht
gevoede kinderen om zich heen en zij voegde zich bij een troepje, knikte
er een paar eens toe, wreef een der jongsten de koude handjes warm en
trok een klein, mager meisje even aan haar vlecht. Het kind zag haar
verbaasd aan met hare weemoedige, grijze oogen. Hedwig ging bij haar in
de bank zitten. "Hoe heet je?" vroeg ze. "Mary Wren," zei het kind heel
ernstig. "En kun je _heelemaal_ niet lachen?" Nu kwam er even een flauw
lachje op het bleeke gezicht. "Neen, neen, nog een beetje meer," drong
Hedwig aan. Maar het kind kon niet; ze begon te hoesten, een akelige,
droge kuch en Hedwig sloeg den arm om haar heen. "Stil maar, stil maar,
praat maar niet."

"Sst.... _No more talking.... Prayers!_" riep een stem en Hedwig zag
Miss Wells binnen komen voor de avondgodsdienstoefening. Met een
eentonige, zeurderige stem las zij de gebeden. Hedwig luisterde
verontwaardigd toe, geschokt door de wijze, waarop de indrukwekkende
woorden van den Engelschen avonddienst werden opgedreund en daardoor
alle kracht verloren. Toch knielde zij neer als de kinderen en zij
vouwde de handen en bad, bad vurig en innig tot God om kracht.

Eindelijk ging het de uitgesleten, vuilgrijze trappen op naar de
armoedige slaapvertrekken, waarvan Hedwig schrikte toen zij ze zag. Ook
hier hing voor geen enkel raam iets, dat ook maar in de verte naar een
gordijn geleek; alles was kaal en guur en onbedekt.

Toen men Hedwig gewezen had waar zij slapen moest, vroeg zij zich voor
de zooveelste maal af, waar zij toch aangeland was en of zij hier
_werkelijk_ zou kunnen blijven; het was haast geen leven in zoo'n
ongezonde, schamele omgeving! Zou zij niet wijs doen met morgen aan den
dag te beginnen met iets anders te zoeken? Wel was het heel moeielijk
iets te vinden....

Juist op dat oogenblik werd even, heel voorzichtig,--nauwelijks kon het
een aanraking genoemd worden--een bevende, kleine hand in de hare gelegd
en zij zag Mary Wren naast zich staan en schuchter tot haar opzien. Haar
hart werd warm. Hoe kon zij nog aan weggaan denken? Natuurlijk bleef zij
immers!

Er stonden op iedere slaapkamer twaalf smalle, ijzeren ledikanten en ook
Hedwig had dus, evenals de andere onderwijzeressen, het opzicht over elf
leerlingen; zij moest bij het uitkleeden tegenwoordig zijn, had men haar
gezegd en daarna mocht zij zelf te bed gaan. Op hare prettige, opgewekte
wijze hielp zij de kinderen om vlug voort te maken, telkens weer de
koude handen wrijvend en een aardigheidje zeggend, als er een het
schreien nader stond dan het lachen. Dan kwam er een blijde glinstering
in de droevige kinderoogen en eens zelfs lachte Mary Wren hardop. Hedwig
knikte haar toe. "Goed zoo!" zei ze.

Maar toen al de elf leerlingen te bed lagen en zij haar één voor één
eens warmpjes in wilde stoppen en de kussens wat opschudden, maakte zich
een hevige verontwaardiging van haar meester. Want nu ontdekte zij dat
de slappe, platte kussens met snippers papier waren opgevuld of opgevuld
heetten en dat de zoogenaamde dekens bestonden uit een zeer goedkoop
soort wollen lappen, waartusschen groote stukken papier waren
vastgenaaid. Geen wonder dat de arme meisjes bijna allen hoestten en
half ziek waren van de koude.

Zoo goed mogelijk dekte zij haar elftal toe; toen ging zij even heen om
te vragen of de een of andere onderwijzeres haar ook een nachtpon zou
willen leenen. Meer dan ooit betreurde zij thans het gemis van haar
koffer en van den warmen wollen doek, dien zij ingepakt had en dien Anna
Schaub haar nog mee had gegeven, toen zij naar Engeland ging. Wat was
dat al lang geleden!

Zij liep op een drafje het donkere portaal over, slaagde er na veel
moeite in, een zeer dun nachtgewaad ter leen te krijgen en snelde toen
naar de slaapkamer terug, om zich al rillend te ontkleeden, terwijl de
aanhoudende vorst de ruiten met een steeds dichtere laag ijs bedekte en
de koude tocht door de slecht sluitende vensters naar binnen drong.

Het was of de eenzame gaspit ook bevriezen ging, zoo flauw was de vlam;
zij hield er even hare handen bij, maar zij voelde er hoegenaamd geen
warmte van uitstralen en toen zij in het voor haar bestemde ledikantje
lag, kon ze van koude en honger eerst niet in slaap komen. Zij verbaasde
er zich over dat de kinderen wèl sliepen; zij hoorde het aan de
geregelde ademhaling, hoewel Mary Wren telkens nog in haar slaap kuchte
en zich soms onrustig bewoog.

Toen zij eindelijk zelf ook ingesluimerd was, werd zij vrij spoedig
weer uit den slaap opgeschrikt door een heftige windvlaag, die het oude
vensterkozijn letterlijk stuk dreigde te schudden. Aan verder slapen was
nu voorloopig niet meer te denken, want de wind werd hoe langer hoe
heviger, deed de ruiten kletteren en loeide om het huis heen met een
gierend geluid, dat Hedwig als een sombere klaagtoon in de ooren klonk.
Een tijdlang lag zij in bijna zwarte duisternis; alleen kon zij door een
der ruiten, waarvan een hoekje door de vorst vrij gelaten was, een
stukje van de donkere lucht onderscheiden. Langzamerhand zag zij enkele
sneeuwvlokken vallen, toen meer, meer, al maar meer en steeds dichter,
tot het een dwarrelende massa werd, waarnaar zij niet meer kijken kon,
zoo duizelde het haar voor de oogen. Eindelijk ging de wind liggen, het
werd stiller en doodelijk vermoeid sloot zij de oogen en sliep nog even
in, nadat zij zich bibberend het dunne dek over het hoofd had getrokken.

Het was nog geheel donker, toen zij wakker werd door het luiden van een
bel. Terstond zat zij overeind in bed.

"We moeten opstaan, dadelijk opstaan, dat beteekent die bel," riep een
der kinderen haar toe en Hedwig sprong moedig het bed uit en stak het
licht aan. Het bleek juist vier uur te zijn!

"Maar dat moet een vergissing wezen," riep zij uit. "Neen, neen, het is
geen vergissing, wij staan altijd om vier uur op," zei Mary Wren al
kuchend. "Miss Ellis zelf is er altijd al om half vier uit om ons wakker
te kunnen bellen...."

Hedwig zuchtte; ze was nog zóó weinig uitgerust! En wat een tooneel zag
zij voor zich! Bibberend, half schreiend van de koude, stonden daar de
arme kinderen zich aan te kleeden of te wachten, tot haar beurt zou
komen om zich te wasschen. Want midden in de kamer bevond zich een
ruwhouten tafel met vier waschkommen en een reusachtige kan met water;
hier konden er zich vier te gelijk wasschen, wie er niet gauw genoeg bij
was, moest wachten tot er weer een kom open kwam.

Vandaag ging het wasschen met nog meer moeielijkheden gepaard dan
anders, omdat de dikke stukken ijs in het water dreven en het dooien
daarvan boven het gas--wat Hedwig beproefde--al heel langzaam ging. Zij
moest aan Tieka denken, die zulk "echt winterweer" altijd zoo mooi en
zoo heerlijk vond. Als zij deze slecht verzorgde kinderen eens had
kunnen zien, hoe zouden hare donkere oogen dan gekeken hebben?

De scherpe noordoosten wind drong door tot in het vertrek en op de
vensterbanken binnenin de kamer lag een dikke, ruige laag sneeuw; ook op
den houten vloer was sneeuw gevallen. Was zij wel ooit in haar leven zóó
koud geweest?

Daar luidde alweer een bel en nu moesten allen zich haasten om langs de
donkere trappen naar beneden te gaan en in de groote, kille schoolkamer
bij de ochtendgebeden tegenwoordig te zijn, die door Miss May werden
gelezen; de directrice vertoonde zich eerst later op den dag. Voor de
zuinigheid brandde er nu slechts één gaspit, wat alweer Hedwig's innige
verontwaardiging opwekte. Daarbij kon ze van vermoeidheid en van honger
haast niet op hare beenen blijven staan.

Wat schandelijke toestanden waren dat hier toch! Zij nam zich voor zoo
gauw als ze maar kon aan de barones von Zercläre te schrijven en haar
eens goed op de hoogte te brengen van alles wat zij hier zag en
ondervond; zij zou zoo iets toch zeker ook beneden alles vinden en haar
helpen willen om er verandering in te brengen.

O, wat leek het haar heerlijk toe, al was het maar één oogenblikje, bij
Tieka te wezen en in de aardige kinderkamer van het mooie, Edinburgsche
huis! Het scheen haar nu toe, terwijl zij hier in de kale, onbehagelijke
schoolkamer stond in die bedompte atmosfeer, haast in halfduister en te
midden van zooveel treurige kindergezichten, alsof het al veel langer
dan één dag was geleden dat zij van Tieka afscheid had genomen....

Men vertelde haar dat het ontbijt op half zeven was vastgesteld. En nù
was het pas vijf uur! Hoe hield men dat uit? Ze zou maar hard met de
anderen meewerken--wat trouwens ook zeer beslist van haar verwacht
werd--dan vergat zij haar honger wellicht! Er moesten nu schoenen
gepoetst worden, brandstoffen gehaald, trappen, portalen en kamers
worden aangeveegd, bedden opgemaakt, kannen met water gevuld en allerlei
andere werkzaamheden worden verricht, waarvan ieder, ook de allerjongste
leerling, haar deel moest vervullen.

Mary Wren bleef zooveel mogelijk in Hedwig's nabijheid; blijkbaar had
zij reeds nu genegenheid voor haar opgevat. Telkens hoorde Hedwig het
korte, droge kuchje en waar ze maar kon, hielp zij het zwakke kind en
gaf haar een vriendelijk woord.

Eindelijk klonk de ontbijtbel door het huis en nu konden de ijverige
werksters zich te goed doen aan bizonder slappe thee--"gootwater" hoorde
Hedwig fluisteren--zonder suiker en _zeer_ oudbakken brood, want het was
op Hill House een wet dat de bakker er slechts eens in de veertien dagen
versch brood mocht brengen. Op de sneden brood was, in plaats van
boter, een dun laagje moes van gestoofde appelen gesmeerd.

Een heel lekker ontbijt was het niet, toch at Hedwig het hare gretig op.
Zij miste de boter al minder dan den avond te voren en dat was maar goed
ook, want boter was op Hill House een ongekende weelde en _als_ er al
soms op de dikke sneden zoogenaamd geroosterd brood, die als "avondeten"
werden rondgediend, iets glinsterde, dat heel in de verte aan boter deed
denken, dan was dit slechts een soort van _dripping_, afgedruppeld
vleeschvet, dat onmogelijk lekker smaken kon, omdat voor Hill House
nooit wezenlijk goed vleesch werd gekocht.

En ook appelmoes, al is het nog zoo smakelijk toebereid--wat van dat op
Hill House niet verklaard kan worden--verveelt op den duur. Hedwig had
gelegenheid dit te ondervinden, toen het haar dag in, dag uit, werd
voorgezet: bij het ontbijt, aan de thee en bij het stuk avondbrood. De
boeren in den omtrek verkochten hunne gedroogde appelen tegen zeer lagen
prijs aan Miss Wells en deze vond dat zij niet beter en zuiniger doen
kon dan er het geheele jaar door haar groot gezin mee te voeden!

Met het les geven had Hedwig geen moeite. De kinderen waren stil en
gewillig, ja gedroegen zich naar haar zin haast al te gehoorzaam; zoo
graag zou zij hen wat levendiger gezien hebben! Nù waren zij, onder den
indruk van het onnatuurlijke, ongezonde leven dat zij leidden, bijna
onkinderlijk bedaard.

Het middagmaal, dat om twaalf uur plaats had, was al even karig als de
andere maaltijden en bestond heden uit niets anders dan slecht vleesch
en droge aardappelen, waaraan een grondige bijsmaak was. Op de dagen dat
er geen vleesch gegeten werd, kreeg men daarvoor in de plaats kwalijk
riekende visch en in ruil voor de aardappelen waterige rijst; een groot
verschil maakte de verandering niet, vond Hedwig.

Na den eten moesten de kinderen met de onderwijzeressen drie kwartier
gaan wandelen, hoewel de sneeuw zeer hoog lag en het door den plotseling
invallenden dooi op verschillende plaatsen heel vuil en drabbig begon te
worden. Het sneeuwde niet meer, maar er hing een donkere, dreigende
lucht en toen zij een eind den weg op waren, niet naar de stad toe,
volgens uitdrukkelijk bevel der directrice, die zelf thuis gebleven
was,--begon er een fijne motregen te vallen, die langzaam maar zeker de
dunne kleeding der kinderen doorweekte. "Ik ga met mijn troepje terug,
zóó kan het niet langer," besloot Hedwig, maar Mary Wren, die naast haar
liep, vertelde haar dat er van nu reeds naar huis gaan geen sprake kon
wezen; dan zou Miss Wells haar toch verhinderen binnen te komen. Eerst
moest de bepaalde tijd om zijn. "Dat vind ik heel verkeerd," liet Hedwig
zich driftig ontvallen. Miss Rench, de "spion", hoorde het haar zeggen
en deelde het ook, zoo spoedig zij maar kon, aan Miss Wells mede. Deze
liet toen Hedwig bij zich komen en nam haar zoo geducht onder handen,
dat Hedwig het het verstandigst vond er maar het zwijgen toe te doen.
Alleen nam zij de gelegenheid waar om te vragen of zij nu--het was na de
schooluren--haar koffer mocht gaan halen.

Tot haar verwondering werd haar dit toegestaan en even later reed zij
met de onderwijzeres, die in het bizonder met het toezicht over den pony
was belast en zeer zwijgzaam van aard was, in het krakende wagentje,
door den mageren Peter getrokken, naar het station. De sneeuwmodder
spatte om de wielen van het voertuig en maakte de straten op plaatsen,
waar niet geveegd was, haast onbegaanbaar, maar de zon scheen weer en de
oude stad zag er schilderachtig uit. "Wij kunnen zeker eerst wel even
een boodschap doen?" vroeg Hedwig, die wat brood koopen wilde, maar haar
gezellin was hier zóó beslist tegen en toonde zich zoo verschrikt bij
het denkbeeld dat zij langer van Hill House weg zouden blijven dan
strikt noodzakelijk was, dat Hedwig maar toegaf en dadelijk doorreed
naar het station.

Zij was heel blij, toen zij den grooten koffer weer veilig in haar bezit
had, al werd hij, naar den regel van het huis, niet naar haar slaapkamer
gebracht, maar in een bedompte soort kelderkamer neergezet.

Bij het licht van een stukje kaars mocht Hedwig er hier uitnemen wat zij
noodig had. Veel kon het niet zijn, want een kastje om een en ander in
te bergen was haar slaapkamer niet rijk. Zij greep echter gretig naar
Anna Schaub's wollen doek, die bovenop lag; die moest in ieder geval mee
naar boven!

Zij was geheel alleen in het sombere vertrek, dat door het kaarsje
slechts flauw verlicht werd. Een smalle streep van het licht viel in den
koffer en, toen zij er den doek had uitgenomen, op een pakje in wit
papier gewikkeld, dat zij zich niet herinnerde erin gelegd te hebben.
Zij nam het in de handen en deed er het bovenste papier af. "_To my
dearest ... dearest Fräulein_," las ze.

"Lieve, lieve Tieka," fluisterde zij en het pakje verder openend, vond
zij een mooi portret van Tieka, dat haar een gevoel gaf alsof het kind
opeens weer dichter bij haar was. Toen hield zij een paar plakken
chocolade in de hand. "Natuurlijk chocolade, die geeft ze mij altijd,"
fluisterde zij. "Nu, die zal hier goed te pas komen!"

Zij deed den koffer op slot, rolde de chocolade in haar doek en sloop
er mee naar boven naar haar slaapkamer. Het was er donker, toch kon zij
op den tast af gemakkelijk de elf ledikantjes van hare leerlingen
vinden. Voorzichtig legde zij onder ieder kussen een stukje chocolade,
sloeg den doek om de schouders en keerde naar de schoolkamers terug.




HOOFDSTUK VII.

"Flinkie."


Toen zij zich later weer met hare leerlingen op de slaapkamer bevond,
liet zij allen zich eerst vlug ontkleeden en te bed gaan, voordat zij
iets zeide over de verrassing, die haar wachtte. Toen de kinderen klaar
waren, ging zij evenals den vorigen avond, de ijzeren ledikantjes langs
om het schamele dek wat steviger in te stoppen en eerst toen fluisterde
zij ieder meisje een paar woorden toe. Zij deed het zóó zacht dat geen
der anderen er iets van verstaan kon en allen waren te verbaasd om wat
terug te kunnen zeggen, maar de plotselinge kleur op de ingevallen
wangen en de blijde glinstering in de oogen, waren Hedwig welsprekend
genoeg. Later, toen alles donker was en zij zelf ook te bed lag, hoorde
zij telkens een zacht, zuigend geluid en met een glimlach om den mond
viel zij in slaap. Een paar dagen later echter zou zij inzien dat zelfs
het weggeven van een onschuldig stukje chocolade ernstige gevolgen na
zich kan sleepen.

Zij ontdekte namelijk op zekeren ochtend dat Mary Wren den moed had
gehad, iets van haar deel voor Taffy te bewaren en zij had er Mary te
liever om, wèl wetend hoe moeielijk het haar gevallen moest zijn, niet
het geheele stukje zelf op te eten. Daarbij kwam dat Taff of Taffy min
of meer de verschoppeling was op school, bij de meeste onderwijzeressen
ten minste, omdat zij volstrekt niet gemakkelijk leerde en traag van
begrip was. Intusschen werd zij den geheelen dag door voor alle
mogelijke werkjes in huis en daar buiten gebruikt. "Taff, doe jij dat
eens even," "dat kan Taffy wel doen!" "Waar is Taffy toch?" "Taffy moet
dat opredderen." "Taffy, haal dit of dat eens gauw van boven," klonk het
herhaaldelijk, vooral uit den mond van Miss Rench en de arme Taffy, die
een zachtaardigen, gewilligen aard had en heel wel wist dat zij geen
geleerde was, meende voor haar onwetendheid niet beter te kunnen boeten
dan door met grooten ijver alles te verrichten, waartoe zij wèl in staat
was!

Toen Hedwig dan bemerkte dat Mary Wren erin geslaagd was een paar dagen
lang een stukje chocolade voor Taffy te bewaren, knikte zij tevreden.
Taffy zat niet bij Mary in de klasse en sliep ook in een geheel ander
gedeelte van het huis, zoodat het Mary tot nog toe niet gelukt was haar
een oogenblikje voor zich alleen te krijgen. Op den bewusten ochtend
echter toen zij, op weg naar een der schoolkamers, met Hedwig door de
gang liep, kwamen zij Taff tegen, een zwaren bak met kolen torsend, die
naar de kamer van Miss Wells moest worden gebracht. Nu zag Mary haar
kans schoon. Snel had zij de chocolade uit haar zak gehaald en tusschen
Taffy's lippen gestoken en Taffy, die zeker zelden of nooit zoo iets
geproefd had, slikte van pure verrukking het kostbare stukje ineens
door!

Toch ging dit alles niet zoo gauw of Miss Rench, de "spion", was er
achter gekomen. Hoe zij het te weten kwam en dat nog wel zoo spoedig,
terwijl zij, naar Hedwig stellig meende, niet in de gang was, bleef
altijd een raadsel, maar een feit is het dat Taffy nog maar juist met
hare kolen de kamer van de directrice binnen gegaan was, toen deze
reeds, gevolgd door Miss Rench, naar buiten kwam stuiven op Mary Wren
af, haar onzacht bij den arm greep en zoo meesleurde naar de
schoolkamer, waar deze stoornis algemeene ontsteltenis te weeg bracht.

"Ondeugend nest! Ik zal jou leeren te snoepen, ergerlijk te snoepen en
anderen te bederven door haar eten in den mond te stoppen. Wat heb jij
Taffy gegeven, zeg?"

Maar Mary Wren zag doodsbleek van schrik en kon niet antwoorden.

"Nu, voor den dag ermee als 't je blieft en dadelijk."

Nu bracht Mary Wren het er haperend uit.

"Wat?" gilde Miss Wells driftig en met de hand aan haar oor. "Ik versta
je niet." Toen tot Miss Rench, die met een hatelijken glimlach op haar
gezicht stond toe te luisteren: "Wat zegt ze?"

"Zij had chocolade in haar zak," riep Miss Rench schamper.

"Wat! Chocolade! Hoe komt ze daaraan? Er mag hier op school niet
gesnoept worden, dat weet zij heel goed. De kinderen krijgen meer dan
genoeg te eten...."

Hedwig's oogen schoten vonken; toch hield zij zich bedaard.

"_Ik_ heb Mary de chocolade gegeven," zei ze luid en op kalmen toon.
"Ik had die in mijn koffer en gekregen van een vroegere leerling...."

"O zoo," viel Miss Wells uit de hoogte in. "Heb dan de goedheid er
voortaan aan te denken dat het tegen de wetten van het huis is de
meisjes snoepgoed te voeren. En wat Mary Wren betreft, die weet
opperbest dat zij iets gedaan heeft, dat streng verboden is en dat zij
straf verdiend heeft. Och Miss Rench, wees zoo goed dit meisje eens
gehoorzaamheid te leeren; de gewone straf als 't je blieft."

Miss Rench trad met zekere gretigheid naderbij, nam op hare beurt Mary
bij den arm, trok haar mee naar een der leege schoolbanken en dwong
haar, in een zeer ongemakkelijke, sterk gebogene houding, onder die bank
te gaan zitten. Toen liep zij naar een kast, haalde er een stapel oude
cahiers uit en gebood Mary deze tot kleine snippers te verscheuren.

Zonder een enkel woord van tegenwerping, deed Mary wat van haar verlangd
werd en met een hart vol bitterheid zag Hedwig toe hoe zij, steeds meer
kuchend in hare lastige houding, het eene schrift na het andere tot
snippers scheurde en deze op stapeltjes legde. Later hoorde zij van Miss
May dat het zulke snippers waren, door menige, menige leerling in
"straftijd" vermeerderd, die tot vulling der bedkussens dienen moesten.

Zij begreep dat het haar niets baten zou, al verzette zij zich nog zoo
sterk tegen deze wijze van strafgeven en hare machteloosheid drukte haar
als een ondragelijke last. Als bij ingeving voelde zij ook dat slechts
enkele onderwijzeressen, waaronder Miss May, haar verontwaardiging
deelden en wat konden zóó weinigen tegenover zoo velen?

Het mocht echter niet langer zoo blijven, besloot ze vast bij zichzelf;
er _moest_ verandering komen en zeer spoedig ook. Zij zou, zoodra ze
maar kon, een brief aan de barones von Zercläre schrijven en haar om
raad en hulp vragen.

Zoodra ze maar kon ... de gelegenheid tot schrijven deed zich echter
niet eerder voor dan den tweeden daarop volgenden Zondag, toen haar
eindelijk als een gunst werd toegestaan, een uurtje voor zichzelf te
gebruiken. Evenals den vorigen Zondag, had zij 's ochtends een troepje
kinderen vergezeld naar de kerk. Heden hadden zij den dienst bijgewoond
in de prachtige kathedraal en met hare geheele ziel had zij geluisterd
naar een bemoedigende preek over: "_Weest in geen ding bezorgd_"[5] en
naar het schoone koorgezang, dat haar onuitsprekelijk verkwikt had.

In een werkelijk opgewekte stemming kon zij--voor 't eerst na haar komst
te Chester,--een brief naar huis schrijven. Tot hiertoe had zij slechts
een paar briefkaarten kunnen zenden en een lange brief werd het ook
thans niet, omdat haar tijd kostbaar was en zij volstrekt ook nog aan de
barones schrijven wilde; toch vertelde zij allerlei over Chester en over
de liefde der kinderen, die nu reeds--evenals vroeger Tieka!--een
naampje voor haar hadden bedacht en haar "Flinkie" noemden;--over de
inrichting der school en de armoede en koude, die er geleden werden,
zweeg zij. Waarom zou zij haar moeder en Clärchen met een beschrijving
daarvan verontrusten? Er zou toch zeker spoedig verandering in de
toestanden op Hill House komen, als de barones von Zercläre maar eerst
goed op de hoogte was gebracht en dàn zou het tijd genoeg zijn, haar
moeder eens te vertellen, hoe het er hier vroeger had uitgezien.



Zij toonde zich den naam "Flinkie" waardig, terwijl zij den gewichtigen
brief aan de barones schreef, want in flinke, veelzeggende taal vertelde
zij het voornaamste en vroeg om raad. Toen ze den brief verzonden had,
voelde zij zich verlicht; het was heerlijk dat zij nu eindelijk eens
iets _gedaan_ had! Ze zou nu moedig het antwoord der barones afwachten
en dan ... ja, wat er dan precies gebeuren moest, was haar nog niet
recht duidelijk, maar al mocht de barones zich soms koud en
onverschillig toonen, _dit_ zou toch indruk op haar maken, hier zou zij
wenschen te helpen, daarvan was Hedwig bepaald overtuigd.

Doch het antwoord bleef uit. Er gingen acht, veertien dagen voorbij en
nog was er geen brief. Het kostte haar moeite geduldig te blijven. Toch
deed zij iederen dag weer haar uiterste best om althans eenige
vroolijkheid te brengen in het leven der arme, half-zieke kinderen, die
zij onderwijzen moest, zich niet te storen aan de scherpe uitvallen van
Miss Rench en hare satellieten en de loomheid te overwinnen, die haar
telkens plaagde en een gevolg was van het slechte en weinige voedsel,
waarmee zij zich tevreden moest stellen.

Lang voordat het zijn tijd was om te komen, spande zij zich in om het
geluid op te vangen, waarmede de post zijn komst aankondigde: het
tweemaal herhaald getik, veroorzaakt door het vallen van den zwaren
klopper op de voordeur; en _als_ hij dan eindelijk gekomen was en toch
weer niet den brief gebracht had, waarnaar zij zoo vurig verlangde, kon
zij zich plotseling zoo verlaten voelen, zoo "alleen op de wereld" dat
zij zich geweld aan moest doen om hare teleurstelling dapper te dragen.
Dan vroeg zij zich soms met bitterheid af, of men haar dan bij de
familie von Zercläre geheel vergeten was of niets meer met haar te doen
wilde hebben,--want ook van Tieka hoorde zij niets, geen enkel woord.

Eindelijk, bijna drie weken nadat zij haar brief verzonden had, kwam er
antwoord in den vorm van een kort, koel briefje der barones. "_Het doet
mij leed_," schreef zij, "_dat het u in uw tegenwoordigen werkkring
minder goed bevalt en de inrichting der school, volgens uwe meening, te
wenschen overlaat. Het komt mij echter voor dat zulk een proeftijd u
geen kwaad kan doen, maar integendeel zeer heilzaam voor u kan wezen. Ik
zou u dus willen raden, den moed niet te gauw op te geven, maar te
blijven waar gij zijt en volharding te toonen. Gaarne zend ik u mijne
beste wenschen._"

En in een noot onder aan den brief stond nog in haastig schrift: "_Tieka
heeft mij, vóór haar vertrek, verzocht u te groeten. Zij is reeds geheel
gewend op de school, waar het haar uitstekend bevalt. Zij had u nog eens
een briefje willen schrijven, maar de dagen voordat zij wegging, waren
zóó bezet dat ik het beter voor haar oordeelde, zich niet meer in te
spannen dan noodig was. Op haar school is het haar alleen geoorloofd
brieven naar huis te schrijven en vandaar te ontvangen._"

Dat was alles. Hedwig frommelde het papier ineen en stak het in haar
zak, toornig en gegriefd tevens. Toen hief zij het hoofd weer op. Zij
moest dus geheel alleen haar weg vinden, zonder hulp? Op die der barones
behoefde zij in geen enkel opzicht te rekenen? Tieka mocht haar zelfs
niet meer schrijven? Het was hard, maar zij zou zich niet terneer laten
slaan, ze _zou_ haar weg vinden....

En het hoofd buigend, voelde zij dat toch één hulp haar altijd bleef,
de hulp van Hem, zonder Wiens hulp de sterkste zwak is en op Zijn hulp
bleef zij vertrouwen, met Hem zou ze sterk wezen.

Zoo hield zij moed en volhardde, den raad der barones volgend op een
wijze, die deze, haars ondanks, zou getroffen hebben, indien zij er
getuige van had kunnen zijn. Gemakkelijk was het niet. Maar toen de
dagen tot weken werden en de weken tot maanden, toen de felste koude
voorbij was en het er zelfs in den armoedigen tuin van Hill House
lenteachtig ging uitzien, begon haar taak haar toch minder zwaar te
vallen, al had zij het, zooals allen op Hill House, overdruk.

Hare brieven naar huis bleven kort en haastig. Haar moeder was niet
gerust en vroeg haar telkens of het haar werkelijk goed ging en of zij
hare krachten niet overschatte; dan schreef zij terug dat alles op Hill
House niet even prettig was, maar dat zij het goed had met de kinderen
en hield van haar werk en ... dat zij stellig hoopte later nog weer eens
iets beters te vinden en meer geld naar huis te kunnen sturen.
Voorloopig bleef zij echter hier; ze had zich zoo aan de kinderen
gehecht!

Op zekeren dag vond zij in een vergeten hoekje van haar koffer een
tijdschriftje, waaruit zij eens met Tieka versjes had zitten lezen en
haar oog viel op een rijmelarijtje, waarbij ze toen lachend een kruisje
had gezet.

"Oh, don't the days seem lank and long,
When all goes right and nothing goes wrong?
And isn't your life extremely flat
With nothing whatever to grumble at?"[6]

Nù was er zeker genoeg in haar leven _to grumble at_; toch morde zij
niet en deed dapper haar plicht, altijd weer haar eigen leed vergetend
om anderen te kunnen troosten en helpen.

In het late voorjaar kwamen er nog een paar heel gure dagen; de zwakke
kinderen leden er onder en in een snerpend kouden nacht werd zij wakker
door het gekreun van Mary Wren, die hevige kiespijn had.

"O, het spijt me zoo dat ik u wakker heb gemaakt, maar ik kòn mij niet
meer inhouden; ik heb zoo'n pijn, zoo'n pijn en ik ben zoo koud!" kermde
het arme kind, toen Hedwig bij haar bed kwam. "Maar blijft u toch niet
op, dan wordt u zelf ziek; het is zóó koud!"

"Neen, neen," zei Hedwig. "Kijk, ik heb mijn wollen doek al om, ik ben
niets koud." Zij haalde de deken van haar bed en wat kleeren en dekte er
Mary mee toe. "Dat helpt zeker wel, he? Zoo, laat mij nu die wang eens
even wrijven. Neen, ik zal je geen pijn doen; het gaat heel zacht, voel
maar. Leg nu je beide handen maar in mijn linkerhand, dan worden zij wat
warmer."

En ze streek met de vingertoppen van haar rechterhand voorzichtig over
de zieke plek en streelde met haar linker Mary's ijskoude, bevende
handen, tot het kind langzamerhand rustiger werd. Eindelijk vielen de
oogleden weer toe, de vingers bewogen niet meer en gleden uit Hedwig's
handdruk weg en de pijnlijke trek op het bleeke gezichtje verdween.
Hedwig bleef nog even naast het ledikant zitten om toen weer te bed te
gaan. Zij had nu geen ander dek dan haar wollen doek en een laken en
warm was ze dus niet; toch sliep zij nog even in.

Den volgenden ochtend werd ze heesch wakker, maar Mary Wren was beter en
zóó dankbaar dat zij zich ruimschoots voor haar moeite beloond achtte.

Het lesgeven ging echter lastig omdat zij telkens haar stem kwijt was
en ze was heel blij toen zij zwijgen mocht. Miss May had haar een paar
malen deelnemend gevraagd of zij haar werk zou overnemen, maar zij had
het hoofd geschud,--Miss May had waarlijk al genoeg te doen.

Toen Taffy haar 's avonds kwam zeggen dat Miss Wells haar wenschte te
spreken, zuchtte zij even. De directrice zou haar nu zeker onder handen
nemen omdat zij dien dag slecht les had gegeven; alsof zij anders gekund
had!

Met het voornemen om de berisping geduldig aan te hooren, ging zij naar
haar toe. Tot haar verwondering kwam er echter geen vermaning, maar een
verzoek of liever een bevel, dat haar een gewaarwording gaf als ging er
opeens weer meer licht komen in haar leven door het uitzicht op een
zekere vrijheid, die haar zeer, zeer welkom was. Tot nu toe was het haar
namelijk niet geoorloofd geweest, Hill House ooit te verlaten dan op de
dagelijksche wandelingen met de leerlingen en Zondags naar de kerk; van
alleen uitgaan mocht nooit sprake wezen. Doch nu _gebood_ Miss Wells
haar, voortaan iederen Zaterdag een uur privaatles te gaan geven aan een
zekere Mrs. Rowley, die in Chester woonde en onderricht in het Duitsch
wenschte te ontvangen. Hedwig kon eerst hare ooren niet gelooven. En dat
zou zij mogen doen, zij, die alles behalve een gunstelinge van Miss
Wells was en steeds door Miss Rench met Argusoogen werd bespied! Zij zou
iederen Zaterdag geheel alleen een wandeling mogen maken naar de stad en
daar privaatles gaan geven! Zij vond het heerlijk en liet hare
blijdschap duidelijk op haar gezicht lezen.

Miss Wells was echter totaal ongevoelig voor die blijdschap en vervolgde
met hare scherpe stem:

"Dat zal dus iederen Zaterdag moeten gebeuren en wel geregeld om drie
uur in den middag. Reeds aanstaanden Zaterdag zal met de lessen moeten
worden begonnen. Natuurlijk eisch ik van u de stellige belofte dat nooit
door u aan Mrs. Rowley iets, ook maar _iets_, herhaal ik, zal worden
meegedeeld van wat op Hill House voorvalt. Indien ik daarop geen staat
kan maken...."

Zoo goed als haar heeschheid het toeliet, viel Hedwig roepend in:

"Ik zal nooit over het minste of geringste, dat op Hill House betrekking
heeft, spreken." Zij had groote neiging eraan toe te voegen: "Zoo'n
aangenaam onderwerp is het niet," maar zij hield die woorden wijselijk
in.

Zij stond op om heen te gaan, doch er brandde haar nog een vraag op de
lippen en snel vroeg ze:

"En wat zal ik met die lessen verdienen?"

Miss Wells zag haar dom aan.

"Ik versta u niet," zei ze knorrig. "Spreek toch duidelijker. Het is of
ik een poes hoor miauwen, als u spreekt."

Zich sterk inspannend om hare stem krachtiger te maken, herhaalde Hedwig
roepend haar vraag.

"Ermee verdienen?" riep de directrice van Hill House driftig uit. "_U?_
Maar hoe komt u aan zulken onzin? Natuurlijk komt het geld van die
lessen _mij_ toe! Ik heb recht op al uw tijd."

Hedwig hield de lippen stijf op elkaar geklemd om niets terug te zeggen.
Tot geen prijs wilde zij zich de wekelijksche afwisseling in haar
somber, eentonig leven ontnomen zien en daarom zweeg zij, hoewel zij
zich zeer verongelijkt voelde. Zij knikte even, ten bewijze dat zij zich
ook aan deze voorwaarde onderwerpen wilde, toen ging zij heen.

Tot haar groote vreugde werd het weer een paar dagen later zachter en
scheen Zaterdags de zon. Zij had haar stem bijna weer terug en verheugde
zich als een kind op haar uitgang. Met zenuwachtige haast kleedde zij
zich, toen het tijd werd om te gaan en toen de deur van Hill House
achter haar dichtviel, was het haar haast alsof zij een vrijgelaten
gevangene was!

Ze moest heel flink aanstappen, want Miss Wells had haar precies een
half uur gegund om naar het huis van Mrs. Rowley toe te loopen; toch
genoot zij hare wandeling, die door een mooi, interessant gedeelte van
het oude Chester liep. Een oogenblik bleef zij staan voor een bizonder
fraai gebouwd huis met paneelen vol keurig beeldhouwwerk in hout. In den
gevel stond gebeiteld: "_God's Providence is mine Inheritance._"[7] Ze
herhaalde de woorden zacht bij zichzelf, zich afvragend wat zij zouden
moeten beteekenen en zij keek bewonderend op naar het in 't oog vallend
schilderachtige huis, toen zij een hand op haar schouder voelde en, zich
omkeerend, het vriendelijke gezicht zag van een dame met grijzend haar
en levendige, bruine oogen, die haar onderzoekend aankeken.

"Neem mij niet kwalijk, maar u _moet_ Fräulein Eiche zijn!"

"Ja," zei Hedwig, wat onthutst door de onverwachte ontmoeting.

"Ik dacht het wel! Ik kon terstond aan uw gezicht zien dat gij geen
Engelsche waart en ik had er een voorgevoel van dat gij Fräulein Eiche
wezen moest. Ik ben Mrs. Rowley, uwe aanstaande leerling. Zullen wij
samen naar mijn huis wandelen?"

[Illustration: God's Providence-House, Chester.]

"Heel graag," zei Hedwig opgewekt. Mrs. Rowley maakte een aangenamen
indruk op haar.



"Aardig dat ik u juist verdiept vond in de aanschouwing van ons
_Providence house_," zei Mrs. Rowley, terwijl zij verder gingen, "het is
een van de allermooiste huizen in Chester uit de zeventiende eeuw. Men
heeft zich verdiept in gissingen wat met het opschrift precies bedoeld
kon zijn; waarschijnlijk is het de vrome uiting van een Puriteinsch hart
en ik voor mij neem gaarne aan dat deze Puritein, naar verteld wordt, de
spreuk op zijn gevel liet zetten om God te danken dat hij bevrijd bleef
van de pest.--Eigenlijk moest ik u nu al deze bizonderheden in het
Duitsch vertellen, maar ... dan zou ik er wel heel lang werk mee hebben.
Ik wil echter graag een ijverige leerling zijn, dat beloof ik u; ik
verlang ernaar om goed Duitsch te leeren spreken, want ik heb niets meer
op de wereld dan twee Duitsche neefjes, die soms bij mij komen logeeren.
Mijn man is dood en kinderen heb ik helaas nooit gehad, maar ... hier
zijn wij bij mijn huis--ik houd mij aan den tekst, die in den gevel
staat; geheel verlaten voelt men zich dan nooit. Dat gelooft gij toch
ook?"

Hedwig keek op naar het aardige zwart-en-witte huis met het opschrift:
_The Fear of the Lord is a Fountain of Life._[8] Zij knikte. O ja, dat
geloofde zij ook.



Toen zij Mrs. Rowley naar binnen gevolgd was en weldra in een vroolijke
kamer stond met een boograam met uitzicht in den tuin, waar de
voorjaarsviooltjes weelderig bloeiden en een gemakkelijke, rieten stoel
voor haar aan de tafel werd geschoven naast het helder brandend vuur,
scheen het haar toe, dat zij in een paleis was gekomen! Was werkelijk de
wereld buiten Hill House altijd zóó mooi en zoo heerlijk en zoo
liefelijk geweest? Zij keek om zich heen in de prettige kamer, terwijl
Mrs. Rowley haar goed afdeed en zij moest eens even diep adem halen. Wat
zag alles er hier netjes en echt _comfortable_ uit!

Hoe goed gekozen waren de fijne etsen aan den muur en hoe aardig stonden
op de kleine schrijftafel bij het boogvenster de vele kinderportretjes,
die haar aan Tieka's verzameling deden denken en o, wat was het heerlijk
weer eens op een _stoel_ te zitten! Zij moest er zelf om lachen dat zij
dit zoo'n genot vond.

Toen Mrs. Rowley weer binnenkwam met boeken voor de Duitsche les, werd
zij gevolgd door het keurige dienstmeisje, ook door Hedwig met
bewondering aanschouwd,--dat allerlei benoodigdheden binnenbracht voor
de _afternoon-tea._ Hedwig moest zich geweld aandoen om niet al te
gretig te kijken naar de geurige thee, de smakelijke _cake_, de
marmelade en de sneedjes brood _met boter_, die zoo maar, alsof het zoo
niets was, voor haar neer werden gezet. Mrs. Rowley moest eens weten hoe
zij verlangde om maar dadelijk aan het eten en drinken te gaan!

Ze wendde haar gezicht naar het vuur toe--ze kòn haast niet langer naar
al die heerlijkheden kijken, zonder er iets van te nemen; ze had zóó'n
trek en dat mocht Mrs. Rowley toch niet bemerken!

Maar hoewel haar gastvrouw niets zeide en niets vroeg, scheen zij toch
wel te begrijpen dat Hedwig lust moest hebben iets te gebruiken.

"We zullen ons eerst maar eens verkwikken, voordat wij aan 't werk gaan,
vindt u niet?" zei ze, de thee inschenkend. "Ik heb trek na mijn
wandeling. U moet er u dus maar niet over verbazen als ik veel eet en ik
hoop dat u mijn voorbeeld zult volgen."

Hedwig wilde niets liever. Had zij ooit zulke lekkere thee geproefd en
werd er wel ergens in de wereld zulke verrukkelijke boter gebruikt? Als
zij Mary Wren eens naast zich had gehad en Taffy, wat zouden die gesmuld
hebben!

Het lesgeven ging later als van een leien dakje. Mrs. Rowley wist veel
meer van het Duitsch af dan Hedwig had vermoed en zij lazen en praatten
en lachten zoo genoegelijk dat de tijd om was voordat zij het wisten.

"Dat is echt prettig geweest," zei Mrs. Rowley vriendelijk, toen Hedwig
zich gereed maakte om weer heen te gaan. "Ik geloof dat ik veel van u
leeren zal."

"Ik vind het heerlijk om de volgende week terug te mogen komen," zei
Hedwig en met een vroolijk knikje nam zij afscheid.

Haast op een drafje liep zij terug, want ze wist dat zij weinig tijd
had. Toch ging ze nog even een kruidenierswinkel in. Veel geld had ze
niet, maar ze slaagde er toch in voor ieder der elf leerlingetjes, die
bij haar op de kamer sliepen, een groote _biscuit_ te koopen en met
stralende oogen nam zij den zak aan en ging verder. Als het haar nu van
avond maar gelukte zonder dat het ontdekt werd, een _biscuit_ onder
ieder kussen te leggen!

Maar het _moest_ gelukken. Zij was na het uurtje bij Mrs. Rowley in een
overmoedige stemming geraakt en heel vlug liep zij verder, uitermate
blij gestemd in het vooruitzicht van de verrassing, die zij "haar
kinderen" zou bereiden. Hoe graag zou zij _al_ de arme stakkertjes op
Hill House eens flink getrakteerd hebben,--als het maar in haar macht
gelegen had!

Mrs. Rowley had haar een korteren weg terug aangeduid en zij kwam nu
door een gedeelte van Chester, dat haar nog geheel nieuw was. In haar
vaart nauwelijks oplettend waar ze ging, liep zij pardoes tegen een
stoeren politieagent aan. Hij kwam juist een steenen trap af, die naar
de muren van Chester leidde. "_Beg pardon_," riep ze verschrikt en de
man glimlachte en zei, naar de trap wijzend: "Moet ge hier uw geluk niet
eens beproeven, jonge dame?"

"Mijn geluk?" vroeg Hedwig verbaasd. "Waarom?"

"Waarom? Wel, het is u toch zeker bekend dat dit de _Wishing steps_
zijn? Wie tweemaal deze steenen treden op en af loopt zonder adem te
scheppen, mag een wensch doen, die stellig in vervulling komt."

"O!" Hedwig had wat ongeduldig geluisterd in het besef dat zij zich
haasten moest om op tijd thuis te komen, maar gauw even die trap op en
neer loopen, nam zoo'n tijd niet! Zij wou het voor de aardigheid
probeeren en dan een wensch doen, die heusch vervuld zou worden?! Wacht,
dan zou ze innig verlangen dat de kinderen haar _biscuits_ ongestoord
zouden mogen genieten, zonder eenige kans op ontdekking van de zijde van
Miss Rench of wie dan ook.

De agent was doorgeloopen. Snel, zoo gauw als zij maar kon, liep zij de
steenen treden tweemaal op en af en deed haar wensch met een lachend
gezicht.

En ... de wensch werd zoowaar vervuld ook! Met groote handigheid wist
zij 's avonds onder elk der elf kussens een _biscuit_ te verstoppen en
niet alleen dien avond, maar geregeld iederen Zaterdag, als ze bij Mrs.
Rowley geweest was en bij een of anderen kruidenier haar inkoop had
gedaan. In den bakkerswinkel, vrij dicht bij Hill House, waar zij den
eersten dag van haar komst te Chester was geweest, kwam zij niet weer,
uit vrees voor ontdekking en ook uit een zeker soort schaamte, waarvan
zij zich geen rekenschap zou hebben kunnen geven.

De dankbaarheid der kinderen, die er merkwaardig gauw van op de hoogte
waren--zij hadden de chocolade nog niet vergeten!--dat er iets onder
haar kussen verborgen lag, toonde zich op eigenaardige, stille wijze.
Niemand durfde ooit ook maar iets over de _biscuits_ zeggen, die
geregeld den volgenden ochtend verdwenen waren, maar soms keek er eens
een Hedwig met een geheimzinnig lachje aan, terwijl allen haar met nog
grooter geestdrift en wanneer zij maar durfden, "Flinkie" bleven noemen.
Nooit echter werd over de gewichtige _biscuits_-zaak één woord gerept en
ook nooit werd zij, tot Hedwig's zeer groote vreugde, ontdekt. Als
Zaterdagsavonds alles donker was op de slaapkamer en zij soms een heel
zacht geknabbel hoorde, klonk haar dit als muziek in de ooren!

De wekelijksche bezoeken aan Mrs. Rowley, haar eenige uitgang in al den
tijd, dien zij op Hill House vertoefde, werden ware glanspunten in haar
bestaan, waarnaar zij de geheele week door reikhalzend uitzag. En geen
wonder! Mrs. Rowley toonde zich niet alleen een prettige leerling, maar
ook een belangstellende vriendin, die zonder ooit over Hill House en
Hedwig's leven aldaar te spreken, toch door de hartelijke, gastvrije
wijze, waarop zij Hedwig steeds ontving, toonde wèl te begrijpen dat
onderwijzeres en huisgenoote wezen van Miss Wells lang geen benijdbaar
baantje was! Zij liet Hedwig vertellen van haar land en van haar thuis,
gaf haar raad omtrent haar toekomst en hielp haar zoo op een kiesche
wijze, die Hedwig zeer trof.

Intusschen begon haar taak haar niet lichter te vallen, al scheen het
haar leerlingen toe dat "Flinkie" nauwelijks zorgen kende, zoo moedig
met een vriendelijk woord of een grapje voor ieder kind, niet het minst
voor de arme Taffy, ging zij haar gang. Of dat soms moeite kostte?
Moeite ook om te midden van zooveel onrecht en zooveel lijden vast te
houden aan het geloof dat God toch nabij was, toch hielp, haar toch
trouw ter zijde stond?

Het kostte moeite, maar het vast vertrouwen in den hemelschen Vader,
die, door alle duisternis heen, leiden zou tot het licht, bleef hecht in
haar ziel. Ook haar oude energie begaf haar niet. Miss May, nagenoeg de
eenige onderwijzeres met wie zij op eenigszins vertrouwelijken voet
stond, benijdde haar die, benijdde haar ook de frissche vroolijkheid en
humor, die haar zelfs op het sombere Hill House niet in den steek
lieten. Gelukkig dat er soms werkelijk een en ander voorviel, dat een
uitbarsting van algemeene vroolijkheid veroorzaakte en de meisjes in de
handen deed klappen en luid lachen van pret,--maar dit was heel, heel
zelden! De arme kinderen waren er lang niet gezond, niet gelukkig genoeg
toe.

Het was echter op een zonnigen Septemberdag dat zulk een voorval
werkelijk plaats had, juist toen enkele onderwijzeressen, waaronder ook
Hedwig, thuis kwamen van een middagwandeling langs de schilderachtige
rivier de Dee, waarop plezierbootjes en zeilschepen tot een frisch
watertochtje schenen uit te noodigen. Hedwig had verlangend naar het
heldere water gekeken en toen medelijdend naar de kinderen, die vermoeid
waren van de hitte en zich loom voortsleepten. Maar toen zij Hill House
naderden, kwam er levendigheid in het stille troepje en Mary Wren, die
vóór Hedwig liep, keerde zich om en riep uit: "O Flinkie, Flinkie, kijk
Peter eens! O, de pony is dol geworden! Kijk! Kijk!"

En waarlijk, Peter was losgebroken! Niettegenstaande de magerte, door
slecht voedsel ontstaan, had hij kracht genoeg gevoeld om de deur van
zijn schuur open te stooten en met één sprong naar buiten te komen. Nu
schopte en sloeg hij uit alle macht met de pooten, schudde den kop
onophoudelijk heen en weer en gedroeg zich zoo weinig als een gehoorzame
pony betaamt, dat de onderwijzeres, die met de zorg voor hem belast was,
zich geen raad wist en niet anders doen kon dan hem op wanhopigen toon
bij zijn naam te roepen en tot stilte te vermanen.

Peter bleef echter doof voor alle vermaningen en schopte door met een
woede en een ijver, een betere zaak waardig. Het zand stoof omhoog! Het
was een heel dwaas gezicht en de kinderen, gesteund door de
onderwijzeressen, schaterden het uit. Zelfs Miss Rench, de zure, kon het
lachen niet laten en de algemeene vroolijkheid was zoo aanstekelijk dat
Peter er nog doller door werd en met vervaarlijke sprongen begon te
huppelen, precies als wou hij op zijn achterste pooten gaan staan.

Misschien zou hij nog meer streken uitgehaald hebben, als niet juist op
het kritieke oogenblik Miss Wells naar buiten was gekomen om te zien wat
er toch gaande was. Zij scheen de zaak volstrekt niet belachelijk te
vinden, schudde ongeduldig het hoofd en riep toen zeer luid en driftig
met haar krakende stem: "Ga naar binnen Peter, dadelijk in je schuur!"

Peter stak de ooren op bij het geluid van de gebiedende stem, die hij
zoo goed kende, zette, onmiddellijk gehoorzamend, zijne vier pooten op
den grond en ... ging gedwee zijn stal weer in.




HOOFDSTUK VIII.

Uitkomst.


Toen de herfst voorbij was en de winter weer kwam met de donkere, koude
dagen, waarin alle ontberingen dubbel werden gevoeld, scheen het Hedwig
soms toe dat de tijd voortkroop en één maand op Hill House driemaal zoo
lang duurde als thuis of in Edinburg. Gelukkig viel er dezen winter niet
veel sneeuw, waren de wegen meer begaanbaar dan het vorige jaar en
bleven de kinderen dus ook gezonder, maar met overgroote vreugde werd
toch door allen de lente begroet, hoewel zij menigen guren,
stormachtigen dag met zich bracht.

Het was op een heel regenachtigen Zondag in Mei dat de directrice van
Hill House in de kerk niet alleen--zooals geregeld het geval was--in
haar bank in slaap viel, maar ook tegen het eind van den dienst, zóó
luid begon adem te halen en eindelijk te snorken dat de kerkbezoekers
elkaar aanstootten en met verontwaardigde gezichten omkeken. Enkele
stoutmoedige leerlingen trapten elkaar op den voet, andere hielden den
zakdoek voor het gezicht om haar lachen te bedwingen--allen vonden het,
kinderen als zij waren, prettig dat er eens "iets ongewoons" gebeurde.

Miss Rench, die naast Miss Wells zat, wist haar echter, door haar op
handige wijze zacht in den arm te knijpen, in zoo verre wakker te
krijgen dat zij ongeduldig haar arm wegtrok en "_don't_" fluisterde. Het
snorken hield op en maakte plaats voor een minder hoorbare, geregelde
ademhaling, maar toen de dienst afgeloopen was, sliep de directrice weer
zoo vast, als lag zij in haar gemakkelijk veeren bed--het eenigste van
die soort dat zich daar bevond!--op Hill House.

Er werd nu besloten dat Hedwig en Miss May met de andere
onderwijzeressen en de kinderen naar Hill House terug zouden gaan,
terwijl Miss Rench en Miss Ellis, de huishoudster, bij de directrice
zouden blijven en later met haar thuis komen.

Intusschen was de stortregen in een druilerigen motregen overgegaan.
Hedwig huiverde onwillekeurig en vond, toen zij Hill House naderden, dat
het er somberder uitzag dan ooit, maar de kinderen waren levendig en vol
nieuwsgierigheid wat Miss Wells toch schelen mocht. Misschien was zij
wel ziek en misschien kreeg de school nu wel een heele week vacantie en
misschien mochten zij dan wel eens een langen dag met "Flinkie" uit,
hoopten sommigen, doch deze hoop bleek gansch ijdel te wezen.

Wel voelde Miss Wells zich, toen zij thuis kwam, "werkelijk ongesteld",
zooals ze klagend tot Miss Rench zeide en wel bleef zij daarom een dag
of vier te bed en liet zich door Miss Ellis ter dege bedienen, maar van
vacantie voor de leerlingen of een extra-uitgangetje kwam niets in; de
kinderen moesten in tegendeel bizonder hard werken. Want de directrice
had het bestuur overgedragen aan Miss Rench, die, haar macht genietend,
met ijzeren hand het bewind voerde en zooveel ze maar kon, straffen
uitdeelde. Bovendien was het voedsel nog slechter en onsmakelijker dan
anders en kreeg men nòg minder te eten. Hedwig vond het schandelijk en
had Zaterdags bij Mrs. Rowley groote moeite de belofte om over Hill
House te zwijgen, niet te verbreken. Zij had er 's ochtends met Miss May
over gesproken dat het zóó niet langer ging, dat er verandering komen
_moest_ en Miss May had met een heftigheid, die zij anders zelden
toonde, ook gezegd dat het niet meer uit te houden was; de kinderen
schreiden haast van honger!

Hedwig dacht aan dit gesprek, toen zij van haar les naar Hill House
terug liep. Mrs. Rowley had haar weer zeer vriendelijk ontvangen. Er
stond, bij haar komst, een kop krachtige, warme bouillon voor haar
klaar, "omdat het zulk erg nat weer was," en later hadden zij thee
gedronken en prettig gebabbeld en gelezen. Toch voelde Hedwig zich niet
opgewekt gestemd, toen het uur om was.

Want sterk leed zij heden weer onder het bewustzijn van haar onmacht om
verbetering te brengen in de toestanden op de school. Had deze maar
onder toezicht gestaan van een commissie, dan zou zij die haar nood
hebben kunnen klagen, maar Miss Wells had alles te zeggen, was
oppermachtig en--wat nog erger was, had het thans Miss Rench gemaakt!

Er moest en zou verandering komen, herhaalde Hedwig vurig bij
zichzelf--het mocht zoo niet langer blijven; ze kon ook niet langer
zwijgen tegenover Mrs. Rowley en het was haar plicht tegen Miss Wells te
zeggen dat zij dat niet langer kon....

Driftig liet zij den klopper vallen op de voordeur, die tot haar
verwondering, bijna terstond daarop door Taffy geopend werd. Zij zag er
doodsbleek en ontdaan uit. Hedwig ontstelde van de uitdrukking van haar
gezicht. "Wat is er? Wat scheelt eraan?" vroeg zij snel.

"Ik heb hier op u gewacht; er is iets vreeselijks gebeurd met Miss May,"
zei Taffy, in tranen uitbarstend. "En Miss Wells is opgestaan, dadelijk
opgestaan, die is heelemaal weer beter."

Het verband tusschen de eerste en de laatste mededeeling was zeker niet
heel 

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/11285