Gutenberg · eo1.org

← catalogue

20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond

by Jules Verne · Dutch · Gutenberg #11205 · 392,380 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of 20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: 20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond

Author: Jules Verne


        
Release date: February 1, 2004 [eBook #11205]
                Most recently updated: October 28, 2024

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/11205

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at http://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 20.000 MIJLEN ONDER ZEE: OOSTELIJK HALFROND ***

                          Jules Verne.

                            20.000

                        Mijlen onder Zee

                       Oostelijk Halfrond.




Inhoud.




I.      Een onbeweeglijke klip
II.     Het voor en tegen
III.    De trouwe knecht
IV.     Ned Land
V.      Op avontuur
VI.     Met vollen stoom
VII.    Een vreemdsoortige walvisch
VIII.   Mobilis in Mobile
IX.     Woede van Ned Land
X.      De man der zee
XI.     De Nautilus
XII.    Alles door electriciteit
XIII.   Eenige cijfers
XIV.    De zwarte stroom
XV.     Eene schriftelijke uitnoodiging
XVI.    Jachtavonturen
XVII.   Een onderzeesch woud
XVIII.  De Stille Zuidzee
XIX.    Vanikoro
XX.     De Torresstraat
XXI.    Aan land
XXII.   Nemo's Bliksem
XXIII.  Slaapdronken
XXIV.   Het rijk der koralen






HOOFDSTUK I

Een beweeglijke klip.


Het jaar 1866 werd gekenmerkt door eene zonderlinge gebeurtenis,
namelijk eene onverklaarbare verschijning, welke niemand zeker
vergeten heeft. Zonder nog te gewagen van de praatjes, welke de
bewoners der zeeplaatsen ongerust maakten en over het algemeen hen,
die meer binnenslands woonden, in opgewonden toestand brachten, waren
het vooral de zeelieden, die bijzonder in angst verkeerden. Kooplieden,
reeders, scheepsbevelhebbers in Europa en Amerika, zeeofficieren van
allerlei natie en zelfs de regeeringen van de onderscheidene staten der
beide werelddeelen hielden zich met deze zaak in ernstige mate bezig.

En inderdaad, sinds eenigen tijd hadden verscheidene schepen een
verbazend groot voorwerp ontmoet, dat den vorm had van eene spil,
soms licht van zich gaf, en oneindig veel grooter en sneller was dan
een walvisch. De scheepsjournalen kwamen vrij nauwkeurig met elkander
overeen in de beschrijving van den vorm van dat voorwerp of wezen,
van de onberekenbare snelheid zijner bewegingen, de verbazende kracht
waarmede het zich verplaatste, en zijne bijzondere levenswijze. Als
het een walvisch was, overtrof hij in grootte al wat de wetenschap
en het onderzoek tot nog toe hadden doen kennen; noch Cuvier, noch
Lacépède, noch Dumeril, noch Quatrefages zouden zóó iets geloofd
hebben--of zij moesten het monster hebben gezien, dat is te zeggen,
gezien met de oogen van een geleerde!

Als men de gulden middelmaat betrachtte tusschen al de opmerkingen, die
nu en dan gemaakt waren, door zoowel de te kleine opgave te verwerpen,
welke aan dat voorwerp eene lengte gaf van slechts 200 voet, als de
overdreven meening dat het een kilometer breed en drie lang zou zijn,
zoo kon men toch wel aannemen dat dit buitengewone wezen in grootte
verreweg alle berekeningen overtrof, welke ichthyologen tot nog toe
gemaakt hadden, altijd--als het al bewezen kon worden, dat het bestond.

Maar dat het bestond kon niet ontkend worden, en men zal zich een
denkbeeld kunnen vormen van de ontroering, welke deze bovennatuurlijke
verschijning in de geheele wereld te weeg bracht, als men slechts
in het oog houdt dat er in den menschelijken geest eene neiging voor
het wonderbaarlijke bestaat.

Inderdaad had de stoomboot Gouverneur Higginson van de Calcutta-
en Burmah-Compagnie, op 20 Juli 1866, deze beweegbare massa op vijf
kilometers van de oostkust van Australië ontmoet. De kapitein Baker
geloofde eerst dat het een onbekende klip was; hij wilde er reeds de
juiste ligging van bepalen, toen het onverklaarbare ding sissend twee
waterstralen 50 meter hoog in de lucht spoot. Als dat nu geen klip
was waar een onderaardsche warme bron tusschenbeiden met geweld in
de hoogte werd gedreven, dan had de Gouverneur Higginson hier goed en
wel te doen met eenig tot nog toe onbekend zoogdier, dat waterstralen
met lucht en damp vermengd uit zijne kieuwen uitblies.

Iets dergelijks werd 23 Juli van hetzelfde jaar in de Stille
Zuidzee opgemerkt door de Christobal Colon van de West-Indische en
Zuidzee-Compagnie. Derhalve kon die buitengewone visch zich met eene
verbazende snelheid van de eene plek naar de andere bewegen, want
genoemde schepen hadden het monster slechts drie dagen na elkander
op twee verschillende punten van den aardbol ontmoet, welke meer dan
2800 kilometer van elkander lagen.

Veertien dagen daarna zeilden de Helvetia van de Nationale Compagnie
en de Shannon van de Koninklijke Mail op 800 kilometer afstand van
laatstbedoelde plek in elkanders nabijheid; zij zagen het monster op
42° 15' N.B. en 60° 35' W.L. van Greenwich. Bij deze gelijktijdige
ontmoeting meende men de lengte van het zoogdier op minstens 106 meter
te kunnen bepalen, daar beide schepen van kleiner afmeting waren,
hoewel zij van den voor- naar den achtersteven ongeveer 100 meter
lengte hadden. En de grootste walvisschen, die men in den omtrek der
Alcuten vindt, waren niet langer dan 56 meter, als zij die lengte
al hadden.

Over het algemeen was men in gespannen verwachting door die berichten,
welke zoo snel na elkander kwamen. Aan boord van de Transatlantische
boot de Pereira had men het dier gezien; de Etna van de Inmanlinie
had het monster ontmoet; de officieren van het Fransche fregat de
Normandië hadden een proces-verbaal over eene ontmoeting opgesteld,
de officieren van den commodore Fitz-James aan boord van den Lord
Clyde hadden een zeer ernstig bericht gegeven, enz. In sommige landen
had de luchthartigheid der bewoners met het verschijnsel gespot,
maar in ernstiger en vooral practische landen, zooals Engeland,
Amerika en Duitschland, hield men zich er ernstig mede bezig.

Overal kwam het monster in de mode: in koffiehuizen werd het
bezongen, in de dagbladen bespot, zelfs op het tooneel opgevoerd;
het gaf schoone gelegenheid om er tal van leugens op te verzinnen;
als de dagbladen gebrek aan stof hadden, werden wederom allerlei
denkbeeldige en reusachtige wezens besproken van den witten walvisch,
dien vreeslijken "Maby Dick" uit de poolstreken tot den onmetelijken
Kraken toe, wiens voelarmen een schip van 500 ton konden omvatten en
het in de diepten van den Oceaan medeslepen. Men haalde zelfs verhalen
op uit de oudheid, de meeningen van Aristoteles en Plinius, die aan het
bestaan van zulke monsters geloof hechtten, vervolgens de verhalen van
den Noorweegschen bisschop Pontoppidan, het relaas van Paul Heggede,
en eindelijk het verslag van Harrington, wiens goede trouw men niet
kan verdenken als hij de verzekering geeft dat hij in 1857 aan boord
van den Castillaan de groote zeeslang gezien heeft, welke tot nog toe
slechts in de verbeelding van vroegere dagbladschrijvers bestaan had.

Nu ontstond er in geleerde genootschappen en wetenschappelijke bladen
een eindeloos twistgeschrijf tusschen geloovigen en ongeloovigen; het
vraagstuk van het monster ontvlamde de geestdrift. Dagbladschrijvers,
die zich slechts op wetenschappelijk terrein bewogen, verschreven
in den merkwaardigen strijd stroomen van inkt tegen sommigen hunner
confraters, die er zich op toelegden om geestig of vernuftig te zijn;
enkelen zelfs hadden er hun bloed veil voor, want bij het bespreken
van het zeegedrocht wierpen zij elkander de grofste beleedigingen
naar het hoofd. Gedurende zes maanden duurde die strijd onafgebroken
voort. De kleine bladen beantwoordden met onuitputtelijke geestigheid
de degelijke stukken van het aardrijkskundig instituut van Brazilië,
van de koninklijke academie van wetenschappen te Berlijn, van het
Britsch genootschap, van het Smithsoniaansch instituut te Washington,
zelfs het onderzoek van het tijdschrift "The Indian Archipelago," van
den "Cosmos" van den abt Moigno, van de "Mittheilungen" van Peterman en
de wetenschappelijke beoordeelingen van de groote dagbladen. Geestige
schrijvers parodiëerden een gezegde van Linnaeus, dat door hunne
tegenstanders was aangehaald, en hielden vol dat "de natuur geen
gekken voortbracht," waarom zij hunnen tijdgenooten bezwoeren de natuur
niet tot leugenaarster te maken door aan het bestaan van een Kraken,
een zeeslang, een "Maby Dick" en andere buitensporigheden van dwaze
zeelieden te gelooven. Eindelijk richtte een gevierd schrijver in een
zeer gevreesd satiriek blaadje zijne pen tegen het monster en bracht
het onder een algemeen gelach den laatsten slag toe; het vernuft had
de wetenschap overwonnen.

Gedurende de eerste maanden van 1867 scheen het vraagstuk dus in
den doofpot gestoken te zijn, zonder immer weder te voorschijn te
zullen komen, toen nieuwe gebeurtenissen de zaak evenwel anders
beslisten. Er was toen geen sprake meer van het oplossen van
een wetenschappelijk raadsel, maar wel van een ernstig gevaar,
dat vermeden moest worden. De zaak nam een geheel andere wending;
het monster werd wederom een eilandje, of rots, of klip, maar een
beweegbare, onbeschrijfelijke klip.

In den nacht van den 5den Maart 1867 bevond zich de Moravian van
de Montreal Oceaan Compagnie op 27° 30' N.B. en 72° 15' W.L., toen
het schip aan stuurboordzijde op een rotspunt stootte, welke geene
zeekaart aanwees. Met behulp van een goeden wind en eene stoommachine
van 400 paardekracht, stoomde het schip met eene snelheid van dertien
knoopen. Zonder de voortreffelijkheid van den romp zou de Moravian
lek gestooten en met de 237 passagiers, die het schip uit Canada
medebracht, gezonken zijn. Dit ongeval had plaats ongeveer vijf uur
in den morgen, toen het daglicht begon door te breken. De officieren
van de wacht snelden naar het achterschip, en onderzochten nu de
zee in de rondte met de grootste nauwkeurigheid; zij zagen niets
behalve een sterk bewogen zog, dat op drie kabellengten afstands
eene branding vertoonde alsof de golven heftig in beweging waren
gebracht. De plaats werd nauwkeurig bepaald, en de Moravian vervolgde
zonder schijnbare averij haar koers. Men kon niet te weten komen of
het schip op een onderzeesche klip of op eenig groot voorwerp uit
eene schipbreuk herkomstig gestooten had. Toen men het in het dok
onderzocht, ontdekte men dat een gedeelte van de kiel gebroken was.

Hoewel dit op zich zelve een zeer ernstig feit was, zou het wellicht
als zoovele andere zaken vergeten zijn, indien er niet drie weken
later iets dergelijks onder gelijksoortige omstandigheden had plaats
gehad. Doch deze gebeurtenis kreeg bijzonder groote ruchtbaarheid,
én door de herkomst van het schip, waarmede het plaats vond, én door
den grooten naam van de maatschappij, waartoe het behoorde.

Iedereen kent den naam van den beroemden Engelschen reeder Cunard;
deze schrandere industriëel riep in 1840 een postdienst in het leven
tusschen Liverpool en Halifax, waarbij de dienst verricht werd door
drie houten raderstoombooten van 400 paardekracht met een inhoud
van 1162 ton. Acht jaar daarna kwamen er vier schepen bij van 650
paardekracht en 1820 ton, en nog twee jaar later twee nog grooter
schepen. In 1853 liet de Cunard-maatschappij, wier octrooi voor het
brievenvervoer vernieuwd was, achtereenvolgens de Arabia, de Persia, de
China, de Scotia, de Java en de Russia bouwen; het waren allen schepen
van groote snelheid, en de grootste, welke behalve de Great-Eastern,
ooit de zee doorkliefd hadden. Zoo bezat de maatschappij derhalve
in 1867 acht rader- en vier schroefstoombooten. Ik geef deze korte
bijzonderheden op om te doen zien hoe belangrijk deze maatschappij is,
welke overal bekend is om hare soliditeit. Geene enkele onderneming
van overzeeschen stoombootdienst wordt met grooter bekwaamheid
geleid, geen enkele zaak is met beter uitslag bekroond. Gedurende
26 jaar hebben de schepen der Cunard-maatschappij, 2000 maal de reis
over den Oceaan gedaan, en nooit is eene reis mislukt, nimmer heeft
er oponthoud plaats gehad, en geen enkel schip, geen enkel mensch,
zelfs geen enkele brief is er ooit bij verloren gegaan. Daarom kiezen
passagiers niettegenstaande de groote concurrentie van eene Fransche
maatschappij, nog altijd bij voorkeur de schepen der Cunard-lijn,
zooals genoegzaam uit de verslagen der laatste jaren blijkt. Na dit
alles zal niemand zich verwonderen over de ruchtbaarheid, welke een
ongeval kreeg, dat een van hare grootste stoomschepen overkwam.

De Scotia bevond zich 13 April 1867 bij kalme zee en flauwe koelte op
15° 12' W.L. en 45° 37' N.B., en liep met eene snelheid van dertien
en een halven knoop; de raderen bewogen zich zeer regelmatig; de
diepgang was toen 6,7 meter. Zeventien minuten over vieren, terwijl
de passagiers in het salon vereenigd waren om een lunch te gebruiken,
voelde men een niet zeer hevigen schok, die even achter het rad aan
bakboordszijde werd toegebracht. De Scotia had niet gestooten, maar
een stoot ontvangen van een werktuig dat eer snijdend of borend dan
kneuzend was. De schok was zoo gering geweest, dat niemand aan boord
er zich ernstig ongerust over maakte, toen de matrozen uit het ruim
naar boven stormden met den kreet: "wij zinken, wij zinken!" Eerst
waren de passagiers zeer ontsteld, maar kapitein Anderson stelde hen
spoedig gerust; en inderdaad, het gevaar kon zoo dreigend niet zijn;
de Scotia was door waterdichte beschotten in zeven afdeelingen verdeeld
en kon dus zonder vrees een lek velen. De kapitein ging onmiddellijk
naar beneden en bevond dat de vijfde afdeeling vol water liep; dit
geschiedde zoo snel, dat het lek zeer groot zijn moest. Gelukkig
bevond zich de machine niet in dit gedeelte, anders waren de vuren
aanstonds uitgegaan. De kapitein liet onmiddelijk stoppen, en een
matroos dook in het water om te onderzoeken welke averij men had
gekregen; hij vond dat er een gat van twee meter breed in de kiel
was. Zulk een lek kon niet gestopt worden, en de Scotia moest hare
reis vervolgen met de raderen voor de helft in 't water. Men was toen
nog op 300 kilometer van kaap Clear, doch eindelijk liep de boot toch
te Liverpool in het dok der maatschappij binnen; zij kwam drie dagen
te laat aan, waarover men zeer ongerust was geweest.

Toen de Scotia in het droge dok was gehaald, onderzochten de
ingenieurs het schip; zij konden hunne oogen nauwelijks gelooven;
op twee en een halven meter onder de waterlijn was een regelmatig
gat in de gedaante van een gelijkbeenigen driehoek. De breuk van
de ijzeren platen was bijzonder zuiver, en zou in de fabriek niet
beter plaats hebben gehad; het boorwerktuig waarmede dit geschied
was, moest dus van eene buitengewone hardheid zijn, en na met eene
verwonderlijke kracht voortgestooten te zijn om een ijzeren plaat
van vier centimeters dikte te kunnen doorboren, moest het er door
eene achterwaartsche en onverklaarbare beweging van zelf weder zijn
uitgekomen. Dit was een feit waardoor de openbare meening op nieuw in
heftige beweging kwam. Sinds dat oogenblik werden allerlei zeerampen,
welke geene bekende oorzaak hadden, op rekening van het monster
gesteld. Het ingebeelde gedrocht werd verantwoordelijk gesteld voor al
de schipbreuken, wier aantal ongelukkig genoeg zeer aanzienlijk is,
want van de 3000 schepen, welker verlies jaarlijks aan het bureau
Veritas wordt gemeld, bedraagt het getal zeil- of stoomschepen,
welke men veronderstelt dat bij het uitblijven van berichten met man
en muis vergaan zijn, niet minder dan 200!

Rechtvaardig of onrechtvaardig beschuldigde men het monster van de
verdwijning dier schepen; de gemeenschap tusschen de verschillende
tanden werd, dank zij de vrees voor het gedrocht, hoe langer hoe
gevaarlijker, geen wonder dus dat het publiek er zich mede bemoeide
en op stelligen toon eischte, dat de zee eindelijk, het kostte wat
het wilde, van dit vervaarlijk dier zou bevrijd worden.



HOOFDSTUK II

Het voor en tegen.

Toen deze gebeurtenissen plaats vonden, kwam ik juist terug van een
wetenschappelijken tocht door het gebied Nebraska in de Vereenigde
Staten. In mijne betrekking van hoogleeraar bij het museum van
natuurlijke historie te Parijs, had het Fransche gouvernement
mij aan die expeditie toegevoegd. Na zes maanden in Nebraska te
hebben doorgebracht kwam ik tegen het einde van Maart met kostbare
verzamelingen te New-York terug. Mijn vertrek naar Frankrijk was in
het begin van Mei bepaald; ik hield mij dus bezig met het rangschikken
mijner verzamelingen van planten, dieren en mineralen toen het geval
met de Scotia plaats had.

Ik was volkomen op de hoogte van dit vraagstuk van den dag, hoe zou
het ook anders hebben kunnen zijn? Ik had alle Amerikaansche bladen
gelezen en herlezen, zonder er wijzer door geworden te zijn, dit
geheim intrigeerde mij. Het was mij onmogelijk eene vaste meening
te vormen, zoodat ik van het eene uiterste tot het andere verviel;
dat er iets bestond kon niet meer betwijfeld worden; de ongeloovigen
moesten dan het lek in de Scotia slechts eens gaan betasten.

Toen ik te New-York kwam had de belangstelling haar hoogste standpunt
bereikt. Het denkbeeld van een drijvend eiland of van eene onbereikbare
klip, had men geheel en al laten varen; want als die klip geene
machine bevatte, hoe had zij zich dan met zulk eene verbazende snelheid
kunnen verplaatsen?

Evenzeer had men het denkbeeld opgegeven dat het een drijvend wrak zou
zijn, altijd alweer om de snelheid van beweging. Er bleven dus twee
mogelijke oplossingen van die zaak over, zoodat men zich daaromtrent
in twee partijen verdeelde; de eene partij hield vol dat het een
monster was met ontzettende krachten, de andere beweerde dat het een
onderzeesch schip was met eene buitengewone beweegkracht. Deze laatste
veronderstelling was wel aannemelijk, maar hield geen steek tegenover
het onderzoek in beide werelddeelen; het was niet waarschijnlijk dat
een eenvoudig particulier zulk een werktuig ter zijner beschikking
had; waar en wanneer had hij het kunnen doen vervaardigen, hoe
zou hij het geheim gehouden hebben? Slechts eene regeering kon
zulk een vernielend werktuig bezitten, en in deze vernielzuchtige
tijden, waarin de mensch er slechts op bedacht is om de kracht en de
uitwerking der oorlogswapenen te verdubbelen, kon het mogelijk zijn
dat een staat buiten weten van anderen zulk een vreeselijk werktuig
liet beproeven. Na de chassepots, de torpedo's; na de torpedo's,
onderzeesche rammen; daarna reactie; ten minste 't is te hopen!

De veronderstelling van een oorlogswerktuig viel geheel en al in
't water na de verklaring der onderscheiden mogendheden. Omdat het
hier eene zaak van algemeen belang gold en de groote vaart over den
Oceaan er door leed, mocht men de oprechtheid der gouvernementen
niet in twijfel trekken. Hoe kon men overigens ook aannemen dat
zulk een schip gebouwd was zonder door iemand gezien te zijn? Om in
zulke omstandigheden een geheim te bewaren is reeds moeielijk voor
een bijzonder persoon, maar zeker onmogelijk voor eene regeering,
wier handelingen voortdurend door afgunstige mogendheden worden
gadegeslagen. Toen er dus een onderzoek was ingesteld in Engeland,
Frankrijk, Rusland, Pruisen, Spanje, Italië, Amerika, ja zelfs in
Turkije, werd de veronderstelling van een onderzeeschen Monitor voor
goed verworpen. Nu kwam het monster weder op de baan, ten spijt van
de aardigheden, waarmede het door kleine bladen overstelpt werd; het
is licht te begrijpen dat nu men zich eenmaal tot een levend wezen
bepalen moest, de verbeelding weldra de meest dwaze veronderstellingen
maakte op ichthyologisch gebied.

Bij mijne komst te New-York hadden verschillende personen mij
de eer aangedaan om mij over het wonderbaarlijk verschijnsel
te raadplegen. Ik had in Frankrijk een werk uitgegeven in twee
kwartijnen, waarvan de titel luidde: "De geheimen van de diepten
der zee." Dit boek was nog al in den smaak der geleerden gevallen,
en verhief mij tot eene specialiteit in dat vrij onbekende deel der
natuurlijke geschiedenis. Men vroeg mij om raad; voor zoover als ik
het wezenlijke van de zaak begrijpen kon, bepaalde ik mij tot eene
volstrekte ontkenning; maar weldra dreef men mij zoo in het nauw,
dat ik mij bepaald moest uitdrukken; de "hoog geleerde Pierre Aronnax,
hoogleeraar aan het museum te Parijs" werd door den "New-York Herald"
genoodzaakt zijne meening uit te spreken.

Eindelijk liet ik mij dwingen; ik sprak omdat ik niet meer zwijgen
kon; ik bekeek de zaak van alle kanten, zoowel staatkundig als
wetenschappelijk, en ik geef hier slechts het slot van een zeer
uitvoerig artikel, dat ik in het nommer van den 30sten April schreef:

"Derhalve," zei de ik na alle veronderstellingen afzonderlijk te hebben
nagegaan, "nu elke veronderstelling verworpen is, moet men noodzakelijk
aan het bestaan van een zeedier gelooven dat met buitengewone krachten
begaafd is. De grootste diepten van den Oceaan zijn ons geheel
onbekend; het dieplood heeft ze niet kunnen peilen. Wat geschiedt er
in die afgronden? Welke wezens kunnen er 12 of 15 kilometer onder het
oppervlak der zee leven? Hoe is hun samenstel? Men kan er nauwelijks
naar gissen. De oplossing van het raadsel voor hetwelk wij staan,
kan tweeledig zijn. Of wij kennen al de verscheidenheid der dieren,
welke onze planeet bewonen, of wij kennen ze niet. Indien wij ze niet
allen kennen, indien de natuur nog geheimen voor ons heeft op het
gebied der ichthyologie, dan is niets aannemelijker dan te gelooven
aan het bestaan van walvisschen van eene geheel nieuwe soort, van een
bijzonder maaksel, dat hen geschikt maakt om in de grootste diepte te
leven, waar het dieplood nog niet is kunnen doordringen; een bijzonder
toeval, een gril, een luim, als men wil, brengt hen mogelijk van tijd
tot tijd, doch zeldzaam, aan het oppervlak van den Oceaan.

"Indien wij integendeel alle levende soorten kennen, moet men het hier
bedoelde dier noodzakelijk zoeken onder de reeds bekende zeedieren,
en in dat geval zou ik geneigd zijn om aan het bestaan van een
reusachtigen eenhoorn te gelooven.

"De gewone zee-eenhoorn bereikt soms eene lengte van zestig voet. Neem
die afmeting nu vijf- of zelfs tienvoudig; geef aan dit beest eene
kracht evenredig aan zijne grootte, verzwaar zijn hoorn en gij hebt
het bedoelde dier. Dan heeft het afmetingen zooals de officieren van
de Shannon die hebben beschreven, een hoorn sterk en zwaar genoeg
om een gat in de Scotia te booren, en kracht in overvloed om de kiel
van een stoomschip aan te tasten.

"De eenhoorn toch is met een soort van ivoren spoor of met een
hellebaard gewapend, zooals sommige natuurkenners dit voorwerp
beschrijven. Het is een slagtand zoo hard als staal; men heeft
eenige van die tanden gevonden, waarmede het lichaam van walvisschen
doorboord was; deze visch namelijk wordt door den eenhoorn altijd
met goeden uitslag aangevallen. Anderen werden niet zonder inspanning
uit den romp van schepen getrokken, welke zij geheel doorboord hadden,
evenals een drilboor door een vat gaat. Het museum van de geneeskundige
faculteit te Parijs bezit een van die hoorns, welke eene lengte van
2.25 en onderaan eene breedte van O.48 meter heeft.

"Welnu, veronderstel zulk een wapen tienmaal zoo sterk, en het dier
tienmaal zoo krachtig; verbeeld u, dat het zich met eene snelheid
van twintig kilometer in het uur beweegt; vermenigvuldig het gewicht
met de snelheid, en gij verkrijgt tot resultaat een schok, die wel
in staat is om het bedoelde ongeluk te veroorzaken. Voordat ik nader
word ingelicht houd ik het er dus voor dat het een zee-eenhoorn is
geweest van verbazende grootte, niet met een hellebaard, maar met eene
wezenlijke spoor gewapend, zooals gepantserde fregatten of ramschepen
die hebben. Zoo zou dit onverklaarbaar verschijnsel zijn opgelost,
of--er moet niets bestaan, in weerwil van al hetgeen men gegist,
gezien en gevoeld heeft, hetgeen ook nog wel mogelijk is."

Die laatste woorden waren niet vrij van lafhartigheid, maar ik wilde
tot op zekere hoogte mijne waardigheid als professor ophouden, en door
de Amerikanen niet worden uitgelachen. Ik hield een achterdeurtje open,
doch in den grond der zaak geloofde ik aan het bestaan van een monster.

Mijn stuk werd druk besproken, en kreeg daardoor heel wat
ruchtbaarheid; ik had een zeker aantal menschen op mijne hand; de
oplossing, welke ik gaf, leverde overigens stof genoeg op om aan de
verbeelding vrij spel te laten. De menschelijke geest schept behagen
in die grootsche gedachte aan bovennatuurlijke wezens. En de zee is
juist het beste verblijf voor zulke schepsels; zij is het, waar die
reuzen, waarbij landdieren als olifanten of neushoorns slechts dwergen
zijn, zich vrij kunnen ontwikkelen. Het water bevat de grootste
bekende zoogdieren, en misschien verbergt het nog schelpdieren
van onvergelijkelijken omvang, schaaldieren, afschuwelijk om te
aanschouwen, zooals bijvoorbeeld kreeften van honderd meter lengte of
krabben van twee honderd centenaar! waarom niet? In voorhistorische
tijden waren de landdieren, viervoetige, vierhandige, kruipende dieren,
vogels, enz. van reusachtige grootte. De schepper des heelals had ze
in een kolossalen vorm gegoten, welke door den tijd kleiner geworden
is. Waarom zou de zee in hare onbekende diepten geen staaltjes bewaard
hebben van die reusachtige wezens uit de geologische tijdperken der
aarde? de zee toch verandert nooit, terwijl de aardkorst elk oogenblik
verandering ondergaat. Waarom zou zij de laatste verscheidenheden
niet bevatten van die reuzen der voorwereld, voor welke jaren gelijk
zijn aan eeuwen, en eeuwen gelijk aan duizend jaren?

Maar ik laat mij tot zulke droomerijen verleiden nu ik er niet
meer aan mag toegeven; ik laat die hersenschimmen varen, nu de tijd
ze voor mij in eene vreeselijke werkelijkheid veranderd heeft. Ik
herhaal het, men vormde zich toen eene meening over den aard van
het verschijnsel, en het publiek geloofde vrij algemeen aan het
bestaan van een wonderbaarlijk wezen, hetwelk niets gemeen had met
de fabelachtige zeeslangen.

Indien sommigen het slechts beschouwden als een wetenschappelijk
raadsel, hetwelk moest worden opgelost, dan dachten anderen vooral in
Amerika en Engeland, met vrij wat practischer zin er aan om den Oceaan
van dit vreeselijk monster te bevrijden, om de groote vaart daardoor te
beveiligen. Dagbladen en tijdschriften aan de belangen van nijverheid
en handel maar vooral aan het assurantiewezen gewijd, behandelden
de zaak voornamelijk uit dit oogpunt, en waren hierin eenstemmig;
de verzekeringmaatschappijen dreigden zelfs hare premiën te verhoogen.

Toen de openbare meening uitspraak gedaan had, verklaarden de Vereenigde
Staten zich het eerst. Men maakte te New-York toebereidselen voor een
tocht om den eenhoorn te vervolgen. Een fregat met eene spoor voorzien
en van groote snelheid, de Abraham Lincoln, werd uitgerust om zoodra
mogelijk zee te kiezen. De kapitein Farragut had vrije beschikking
over de tuighuizen, en hij maakte daarvan een goed gebruik om zijn
fregat zoo snel mogelijk uit te russen.

Zooals het wel eens meer gebeurt geschiedde het ook thans; toen
men besloten had om het monster te vervolgen, verscheen dit niet
meer. Gedurende twee maanden hoorde niemand er over spreken,
geen schip ontmoette het dier. Het was alsof die eenhoorn kennis
droeg van de samenzwering welke tegen hem gesmeed werd; men had er
zoóveel over gesproken en zelfs door middel van den transatlantischen
telegraafkabel! Daarom beweerden enkele spotters dat die slimme kwant
eenig telegram had opgevangen, waarmede hij nu zijn voordeel deed.

Derhalve wist men niet waarheen het fregat gezonden moest worden, nu
het voor een verren tocht uitgerust--en van verbazende vischtoestellen
voorzien was. Men werd hoe langer hoe ongeduldiger toen men den 2den
Juli vernam dat de Tampico, eene boot van San Francisco naar Shanghai,
het dier drie weken geleden wederom in het noordelijk gedeelte van
de Stille Zuidzee gezien had. De ontroering, welke deze tijding
veroorzaakte, was buitengemeen groot. Men liet den kapitein Farragut
geen vierentwintig uur beraad; zijne victualie was aan boord;
hij had kolen in overvloed, niemand ontbrak er op de scheepsrol,
hij behoefde zijn schip slechts onder stoom te brengen en het anker
te lichten; men zou hem een dag oponthoud kwalijk genomen hebben,
bovendien verlangde de kapitein niets liever dan te vertrekken.

Drie uur voordat de Abraham Lincoln van de kaai van Brooklyn werd
losgemaakt, ontving ik den volgenden brief:


Mijnheer, 3 Juli 1867.

"Indien gij lust gevoelt om den tocht met den Abraham Lincoln mede te
maken, zal de regeering der Vereenigde Staten met genoegen zien dat
Frankrijk daarbij door u vertegenwoordigd wordt. De Kapitein Faragut
heeft eene hut ter uwer beschikking.

Met de meeste hoogachting heb ik de eer te zijn.

Uw. Dw. Dienaar, J. B. Hobson, Secretaris aan het Departement van
Marine.

Den WelEdel Hoog Geleerden Heer den Heer Aronnax, professor aan het
museum te Parijs. Hôtel der vijfde Avenue te New-York.


HOOFDSTUK III

De trouwe knecht.

Drie seconden voor ik den brief van den heer Hobson kreeg, dacht ik
er evenmin aan om den eenhoorn te vervolgen als om de Noordwestelijke
doorvaart te gaan zoeken, maar drie seconden na den brief te hebben
gelezen, begreep ik eindelijk dat mijne wezenlijke roeping, het
eenige doel van mijn leven was om dit onrustbarende monster op te
jagen en er de aarde van te bevrijden. Doch ik kwam pas van eene
moeilijke reis terug, was zeer afgemat en verlangde naar rust;
voor weinige oogenblikken reikhalsde ik er naar om mijn vaderland
en mijne vrienden terug te zien, en weder rustig in mijne kleine
woning in den Plantentuin te midden mijner kostbare verzamelingen te
zitten. Maar niets kon mij nu terughouden; ik vergat alle vermoeienis,
vrienden, verzamelingen, alles, en zonder er lang over te denken nam
ik het aanbod der Amerikaansche regeering aan. Overigens dacht ik,
dat elke andere weg mij ook wel naar Europa kon terugbrengen, en dat
de eenhoorn beleefd genoeg zou zijn om mij naar de Fransche kust te
voeren! Dat dier, hoopte ik, zou zich in de eene of andere Europeesche
zee, al was het alleen om mij genoegen te doen, wel laten vangen,
en dan bracht ik op zijn minst een halven meter van zijn ivoren hoorn
mede voor het museum van natuurlijke historie.

Maar intusschen moest ik het dier in het noordelijk deel der
Stille Zuidzee helpen opzoeken, en dat was zoo wat de weg naar onze
tegenvoeters in plaats van naar Frankrijk.

"Koen!" riep ik ongeduldig.

Koenraad was mijn knecht, een trouwe jongen, die mij op al mijne
reizen vergezelde; een brave Vlaming van wien ik veel hield, en die
mij met gelijke munt betaalde; hij was zeer bedaard van natuur,
nauwgezet van beginselen, ijverig uit gewoonte, verwonderde zich
bijna nimmer over eenig toeval in dit leven, was zeer handig,
geschikt voor allerlei diensten, en gaf, in spijt van zijn naam,
nimmer eenigen raad, zelfs als men er hem om vroeg. Door zijn verkeer
te midden van de geleerden van den Plantentuin had Koenraad ten slotte
nog al een en ander geleerd. Ik bezat in hem eene specialiteit voor
het verdeelen in klassen van voorwerpen uit de natuurlijke historie;
hij was bijzonder vlug in het ordenen van alle vertakkingen, groepen,
klassen, orden, familiën, geslachten, soorten, verscheidenheden, maar
daartoe bepaalde zich ook zijne geheele kennis. Klassenverdeeling was
zijn leven, en hij wist niets meer. Hoe bekwaam ook in de theorie der
klassen, was hij het volstrekt niet in de practijk, en ik geloof dat
hij geen potvisch van een walvisch had kunnen onderscheiden. En toch
was het een brave en flinke jongen!

Koenraad was mij nu gedurende ongeveer tien jaar overal gevolgd waar
mijn wetenschappelijk onderzoek mij heen voerde. Nooit had hij eenige
aanmerking gemaakt over den langen duur of over de vermoeienis eener
reis; nimmer verstoutte hij zich een woord tegen te spreken als hij
zijn valies moest pakken om mij naar eenig land, China of Congo,
hoe ver afgelegen ook, te volgen. Hij trok overal mede heen, zonder
naar eenige reden te vragen. Overigens had hij een sterk gestel,
dat met alle kwalen den spot dreef; stevige spieren, maar geen zweem
van zenuwen--in zedelijken zin altijd.

Die jongen was dertig jaar oud; zijn leeftijd stond tot die van zijn
meester als 3 tot 4, ik behoef dus niet te zeggen dat ik 40 jaar oud
was. Koenraad had slechts éen gebrek; hij nam de vormen tot in het
bespottelijke in acht, zoodat hij mij altijd in den derden persoon
aansprak--soms tot tergens toe.

"Koen!" riep ik nog eens, terwijl ik in koortsige haast toebereidselen
tot mijn vertrek begon te maken.

Ik was zeker van den trouwen jongen; gewoonlijk vroeg ik hem nooit
of hij mij op mijne reizen verkoos te volgen of niet, maar ditmaal
gold het een tocht, die tot in 't oneindige kon duren, en dan nog wel
een zeer gevaarlijken tocht om een dier te vervolgen, dat in staat
was om een fregat als een notedop te doen zinken! Er was wel reden
om er eens over na te denken, zelfs voor den kalmsten mensch van de
wereld. Wat zou Koenraad wel zeggen?

"Koen!" riep ik voor de derde maal.

Koenraad verscheen.

"Roept mijnheer mij?" vroeg hij binnenkomende.

"Ja mijn jongen. Pak mijn goed, en maak u gereed; wij vertrekken over
twee uur."

"Zoo als mijnheer belieft," antwoordde Koenraad bedaard.

"Wij hebben geen oogenblik te verliezen; stop zonder te tellen al
mijne reisbenoodigdheden in mijn koffer; kleeren, hemden, laarzen
zooveel als gij maar kunt, en haast u!"

"En mijnheers verzamelingen?" vroeg hij.

"Daar zal ik mij later mede bemoeien."

"Wat! de archiotheriums, hyracotheriums, oreodons, cheropotamussen
en andere skeletten?"

"Men zal die in 't logement wel voor mij bewaren."

"En mijnheers levende babiroussa?"

"Men zal die in mijne afwezigheid wel voeren. Bovendien zal ik order
geven om onze geheele menagerie naar Frankrijk te zenden."

"Keeren wij dus niet naar Parijs terug?" vroeg Koenraad.

"Ja ... zeker...." antwoordde ik eenigszins ontwijkend, "maar langs
een omweg."

"Zoo als mijnheer belieft."

"'t Is maar eene kleinigheid, een eenigszins minder rechte weg,
dat is alles; wij gaan met den Abraham Lincoln."

"Zooals mijnheer goedvindt," antwoordde Koenraad bedaard.

"Gij weet, mijn vriend, er is sprake van een monster ... een
verschrikkelijken eenhoorn,... wij gaan de zee er van bevrijden!... De
schrijver van een werk in twee quarto deelen over de "Geheimen van de
diepten der zee," mag niet nalaten om zich met kapitein Farragut in
te schepen. Een roemvolle tocht,... maar gevaarlijk ook. Men weet niet
waar men heen gaat. Die dieren kunnen allerlei grillen hebben; maar wij
gaan toch; wij hebben een kapitein, die goed uit zijne oogen kijkt."

"Zooals mijnheer doet, doe ik ook," zeide Koenraad.

"Denk er goed over na, want ik wil u niets verbergen; het is eene
reis waarvan men niet altijd terugkeert."

"Zooals mijnheer goedvindt."

Een kwartier daarna waren onze koffers gepakt: Koen was in een
ommezien gereed, en ik was zeker dat er niets vergeten was, want die
jongen rangschikte mijne hemden en bovenkleeren even goed als vogels
en zoogdieren.

De hijschmachine van het hôtel bracht ons in den grooten gang; ik ging
een paar trappen lager naar het kantoor om mijne rekening te betalen;
ik gaf bevel om mijne opgezette dieren en gedroogde planten naar Parijs
te verzenden en om de babiroussa te voeren, en stapte gevolgd door
Koenraad in een rijtuig. De wagen reed Broadway af naar Unionsquare,
volgde de Vierde Avenue tot aan hare vereeniging met de Bowerystraat,
sloeg toen de Katharinestraat in en hield bij den 34en steiger stil;
daarvandaan bracht ons de Katharinaboot met paarden en rijtuig over
naar Brooklyn, de groote voorhaven van New-York, hetwelk op den
linkeroever der Oost-rivier ligt, en in weinige minuten waren wij op
de kaai, waar de Abraham Lincoln vervaarlijke rookwolken door hare
beide schoorsteenen naar boven stuwde.

Onze bagage werd onmiddellijk op het dek van het fregat gebracht. Ik
haastte mij aan boord te komen en vroeg naar den kapitein. Een der
matrozen bracht mij op de kampanje, waar ik een officier vond met
een goed voorkomen, die mij de hand toestak.

"Mijnheer Pierre Aronnax?" vroeg hij.

"Dat ben ik," antwoordde ik hem. "Kapitein Farragut?"

"In eigen persoon. Wees welkom, mijnheer de professor; uw hut is voor
u gereed."

Ik groette hem, en liet den kapitein verder voor het uitzeilen zorgen,
terwijl ik mij de hut deed aanwijzen, welke voor mij bestemd was.

De Abraham Lincoln was voor hare nieuwe bestemming goed gekozen en
uitgerust. Het was een snelzeilend fregat, met eene machine, welke
eene stoomspanning van zeven atmosferen toeliet. Met deze drukking
had de Abraham Lincoln een gemiddelde snelheid van 18,3 kilometer
in het uur, eene aanzienlijke snelheid, maar onvoldoende om met den
reusachtigen visch te wedijveren.

De inwendige inrichting van het fregat beantwoordde aan het overige. Ik
was zeer tevreden over mijne hut, welke zich in het achterschip bevond
en uitkwam in het officierssalon.

"Wij zullen hier op ons gemak zijn," zeide ik tegen Koenraad.

"Even goed als een slak in haar schelp!" antwoordde Koenraad.

Ik liet Koenraad onze koffers behoorlijk plaatsen en ging zelf
weer naar boven om de toebereidselen tot de afvaart te zien. Op dit
oogenblik liet de kapitein de laatste trossen, welke het fregat aan
de kaai van Brooklyn bevestigden, losgooien. Als ik dus een kwartier
later gekomen was, zou het schip zonder mij vertrokken zijn, en ik
had dien buitengewonen, bovennatuurlijken en onwaarschijnlijken tocht
niet medegemaakt, waarvan het ware verhaal evenwel niet overal geloof
zal vinden. Maar de kapitein wilde geen dag, geen uur zelfs verliezen
om de zee te bereiken waar het dier het laatst gezien was. Hij liet
den machinist op het dek komen.

"Hebben wij drukking genoeg?" vroeg hij.

"Ja wel, mijnheer," antwoordde de machinist.

"Go head!" riep daarop kapitein Farragut.

Dit bevel werd naar de machinekamer overgebracht door middel van een
toestel met samengeperste lucht, en de onder-machinist draaide de kruk
om, welke de machine in beweging moest brengen; de stoom drong sissende
in de geopende pijpen; lange horizontale stampers zuchtten en brachten
de zuigerstang in beweging, de schroef draaide met toenemende snelheid
in het water rond, en de Abraham Lincoln stoomde statig voorwaarts, te
midden van een honderdtal kleine schepen en bootjes vol toeschouwers,
die het fregat uitgeleide deden.

De kaaien van Brooklyn en van New-York langs de Oostrivier wemelden
van nieuwsgierigen. De hoezee's van 500,000 monden barstten
achtereenvolgens los. Duizenden zakdoeken wuifden boven de dichte
menigte en riepen de Abraham Lincoln een laatst vaarwel toe,
totdat het schip in de Hudson kwam, tegenover het uiteinde van het
schiereiland, waarop New-York gebouwd is. Toen volgde het aan de zijde
van New-Jersey den schoonen, met buitenplaatsen bezaaiden rechteroever
van den stroom, en stoomde tusschen de forten door, welke het met
kanonschoten begroetten. De Abraham Lincoln beantwoordde dien groet
met het driemaal hijschen van de Amerikaansche vlag, waarvan de 39
sterren aan de bazaansmast prijkten; daarop verminderde het fregat
zijne snelheid om het afgebakende vaarwater te houden, hetwelk met
eene bocht door de binnenbaai bij Kaap Sandy-Hook loopt, en stoomde
strijkelings voorbij deze zandige landtong waar duizenden toeschouwers
het nog eens toewuifden.

De vloot van scheepjes en booten volgde het fregat nog altijd en
verliet het niet eer dan op de hoogte van het vuurschip, welks beide
lichten den ingang van het nauwe vaarwater te New-York aanduiden.

Het sloeg toen drie uur. De loods ging weer in zijne boot en roeide
naar den schoener, die hem onder den wind wachtte. De vuren werden
aangestookt, de schroef draaide sneller in de golven, het fregat liep
langs de gele en lage kust van Long-Island, en om acht uur des avonds
stoomde het met volle kracht over de grauwe golven van den Oceaan
voorwaarts na in het noordwesten de vuur-bakens van Fire-Island uit
het oog te hebben verloren.


HOOFDSTUK IV

Ned Land.

Kapitein Farragut was een flink zeeman, en het fregat waard dat hij
commandeerde. Zijn schip en hij vormden slechts een geheel; hij was
er de ziel van. Hij twijfelde geen oogenblik aan het bestaan van den
eenhoorn, en hij duldde niet dat men daarover aan boord twistte. Hij
geloofde er aan, zooals sommige oude wijven aan het bestaan van den
Leviathan gelooven, uit geloofsovertuiging, niet door redeneering. Het
monster bestond, hij zou er de zee van bevrijden, dit had hij
gezworen. Het was een soort van ridder van Rhodus, een Dieudonné
de Gozon, die de slang opzocht, welke dit eiland verwoestte. Of de
kapitein zou den eenhoorn dooden of dit dier zou den kapitein dooden;
een middelweg bestond er niet. De officieren deelden het gevoelen
van den commandant. Men had ze eens moeten hooren spreken over de
verschillende kansen eener ontmoeting, en den uitgestrekten Oceaan zien
bekijken. Meer dan een hield vrijwillig de wacht op de bramsteng,
die zulk een baantje onder andere omstandigheden zou verwenscht
hebben. Zoolang de zon hare dagelijksche loopbaan aan den hemel
beschreef, zat het want vol matrozen, wien de planken onder de voeten
brandden zoodat zij op het dek niet konden blijven staan. En toch
kliefde de Abraham Lincoln de golven van den Grooten Oceaan nog niet!

Wat de equipage betrof, deze verlangde niets liever dan om den
eenhoorn te ontmoeten, hem te harpoenen, aan boord te hijschen en
aan stukken te snijden; de matrozen bekeken de zee met bijzondere
oplettendheid. Bovendien had de kapitein gesproken van eene som van
2000 dollars, welke uitbetaald zou worden aan iedereen, matroos of
kajuitsjongen, bootsman of officier, die het dier zou aanwijzen. Men
kan denken hoe de oogen aan boord van de Abraham Lincoln zich
inspanden.

Ik voor mij bleef bij de overigen niet achter, en ik liet aan
niemand mijn aandeel in het dagelijksch uitkijken over. Het fregat
zou honderdmaal eerder Argus hebben moeten heeten. Koenraad alléén
was onverschillig voor de zaak, welke ons allen gespannen hield,
en deelde niet in de algemeene geestdrift.

Ik heb reeds gezegd dat kapitein Farragut het fregat zorgvuldig
voorzien had van allerlei werktuigen om den grooten visch te
vangen. Een walvischvaarder zou niet beter zijn uitgerust. Wij hadden
alle mogelijke instrumenten, van den harpoen, die met de hand geworpen
wordt, tot de met weerhaken voorziene pijlen, die door donderbussen, en
de ontplofbare kogels, welke door ganzenroeren worden afgeschoten. Op
den voorsteven stond een voortreffelijk achterlaadkanon, met dikke
wanden en nauwe ziel, waarvan een model op de tentoonstelling van 1867
zou worden ingezonden. Dit prachtige stuk geschut van Amerikaanschen
oorsprong slingerde een puntkogel van vier kilogram op een gemiddelden
afstand van zestien kilometer.

De Abraham Lincoln miste dus geen enkel vernielingswerktuig, maar
zij had nog beter, namelijk Ned Land den koning der harpoeniers.

Ned Land was uit Canada afkomstig, en wist zoo buitengemeen handig
met den harpoen om te gaan, dat hij in dat gevaarlijk bedrijf zijn
gelijke niet had. Hij was behendig en koelbloedig, stout en listig
in de hoogste mate, en het moest wel een slimme walvisch, of een
bijzonder listige potvisch zijn, die aan zijn harpoen ontsnapte. Ned
Land was omstreeks veertig jaar oud; hij had eene lengte van meer
dan zes Engelsche voet, was forsch gebouwd, had een ernstig gelaat,
sprak weinig, was soms erg driftig en werd zelfs woedend als men hem
tegenwerkte. Zijn persoon trok de opmerkzaamheid tot zich, en zijn
doordringend oog gaf eene zonderlinge uitdrukking aan zijn gelaat.

Ik geloof dat de kapitein wijs gehandeld had met dien man voor den
tocht aan te werven. Hij was, wat de scherpte van zijn blik en de
kracht van zijn arm aangaat, alléen eene geheele equipage waard. Ik kan
hem nergens beter bij vergelijken dan bij een krachtigen verrekijker,
die tegelijk voor kanon kan dienen.

Wie van Canada spreekt denkt aan Frankrijk, en hoe weinig Ned Land
zich ook met anderen bemoeide, moet ik toch bekennen dat hij eene
zekere vriendschap voor mij opvatte. Mijne afkomst trok hem zeker aan;
hij had daardoor gelegenheid die oude taal van Rabelais te spreken,
welke in sommige streken van Canada nog in gebruik is, en die ik
zoo gaarne hoorde. Het geslacht van den harpoenier was uit Quebec
afkomstig, en telde reeds tal van stoutmoedige visschers in den tijd
toen deze stad aan Frankrijk behoorde.

Ned kreeg langzamerhand meer lust in het praten, en ik hoorde gaarne
het verhaal zijner avonturen in de Poolzeeën. In de verhalen van
zijne vischvangsten en gevechten ademde eene natuurlijke poëzie;
zijne geschiedenissen kregen den vorm van heldendichten, en
tusschenbeiden dacht ik een Canadaschen Homerus te hooren, die de
Ilias der poolstreken zong.

Ik beschrijf dien stoutmoedigen makker zooals ik hem nu ken. Wij
zijn oude vrienden geworden, en verbonden door een onverbreekbaren
vriendschapsband, zooals slechts de verschrikkelijkste gebeurtenissen
kan in 't leven roepen! Ik zou honderd jaar willen leven, dappere Ned,
om mij uwer des te langer te kunnen herinneren!

En hoedanig was nu het gevoelen van Ned Land over het zeemonster? Ik
moet bekennen dat hij niet aan den eenhoorn geloofde, en dat hij de
eenige aan boord was, die de algemeene overtuiging niet deelde. Hij
vermeed het zelfs om over die zaak te spreken, waarover ik evenwel
hoopte hem wel eens aan 't praten te krijgen.

Op een prachtigen avond (30 Juni), drie weken na ons vertrek, was
ons fregat op de hoogte van de Witte Kaap, dertig kilometer van de
kust van Patagonië. Wij waren den Steenbokskeerkring gepasseerd, en
de straat van Magelhaen lag op iets minder dan 700 kilometer meer
zuidwaarts. Voor er acht dagen om waren zou de Abraham Lincoln de
golven der Stille Zuidzee klieven.

Op de kampanje gezeten, praatten Ned Land en ik over koetjes
en kalfjes, terwijl wij onze blikken over die geheimzinnige zee
lieten dwalen, wier diepten tot nog toe voor den menschelijken blik
ondoordringbaar waren gebleven. Ik bracht zeer natuurlijk het gesprek
op den reusachtigen eenhoorn, en ik ging de verschillende kansen van
het al of niet gelukken onzer onderneming na. Toen ik zag dat Ned
mij slechts liet praten zonder zelf iets te zeggen, ging ik meer op
den man af.

"Hoe komt het toch Ned," vroeg ik, "dat gij niet overtuigd zijt
van het bestaan van den eenhoorn, dien wij vervolgen? Hebt gij dan
bijzondere redenen om zoo ongeloovig te zijn?"

De harpoenier keek mij eenige oogenblikken aan voor hij een antwoord
gaf; drukte zooals hij gewoonlijk deed de breede hand tegen het
voorhoofd, kneep de oogen toe als om een besluit te nemen, en zeide
eindelijk:

"Misschien wel, mijnheer Aronnax."

"Komaan Ned, gij een walvischvaarder van uw ambacht, gij die met
de groote zoogdieren der zee gemeenzaam geworden zijt, gij die u
gemakkelijk het bestaan van zulke monsters verbeelden kunt, gij moest
de laatste zijn van onder zulke omstandigheden nog twijfel te voeden."

"Daarin bedriegt gij u juist, mijnheer de professor," antwoordde
Ned. "Het domme volk moge geloof slaan aan buitengewone kometen, die
door het hemelruim vliegen, of aan het bestaan van voorwereldlijke
monsters, die nog binnen in de aarde leven, ik laat dat gaan, maar
sterrekundigen noch geologen hechten aan zulke hersenschimmen; met een
walvischvaarder is dit hetzelfde geval. Ik heb er al heel wat vervolgd,
een groot aantal met mijn harpoen getroffen, verscheidene gedood,
maar hoe sterk of hoe goed gewapend zij ook waren, noch hun staart
noch hun tanden of andere verdedigingsmiddelen zouden de ijzeren
platen van een stoomschip ooit hebben kunnen aantasten."

"Maar toch Ned noemt men schepen, die door den eenhoorn doorboord
zijn."

"Houten schepen, dat is mogelijk, maar ik heb ze nooit gezien. Zoolang
ik niet van het tegendeel overtuigd word, ontken ik dat walvisschen,
potvisschen of eenhoorns zoo iets zouden kunnen doen."

"Hoor eens Ned...."

"Neen mijnheer, neen; al wat gij wilt, maar dat nooit. Misschien een
reusachtige polyp?"

"Nog minder Ned. De polyp is een weekdier, en die naam alleen doet u
reeds hooren hoe weinig vastheid haar vleesch heeft. Al was zij ook 500
voet lang, dan nog zou de polyp, die niet tot de klasse der gewervelde
dieren behoort, geheel onschadelijk zijn voor schepen als de Scotia
en de Abraham Lincoln. Verhalen van Kraken of andere monsters van die
soort moet men dan ook geheel naar het gebied der fabelen verbannen.

"Dus mijnheer de natuurkenner, houdt gij het er voor," hernam Ned
Land met ietwat spotachtigs in zijn toon, "dat zulk een groote
eenhoorn bestaat...?"

"Ja Ned, en ik herhaal dit met eene overtuiging, die op feiten
berust. Ik geloof aan het bestaan van een krachtig ontwikkeld zoogdier,
dat tot de gewervelde dieren behoort, zooals walvisschen, potvisschen,
en dolfijnen, en dat met een buitengewoon sterken hoorn voorzien is."

De harpoenier liet een "hm!" hooren, terwijl hij met het hoofd schudde
als iemand, die zich niet wil laten overtuigen.

"Vergeet niet," hernam ik, "dat als zulk een dier bestaat, als het
de diepten van den Oceaan bewoont, als het eenige kilometers onder
de oppervlakte der zee zwemmen kan, dat het dan noodzakelijk een
samenstel hebben moet, welks kracht alle vergelijking te boven gaat."

"En waarom dan?" vroeg Ned.

"Omdat er eene onberekenbare kracht noodig is om zich in zulk eene
groote diepte op te houden, en aan den druk van de massa water boven
zich weerstand te bieden."

"Zoo?" zeide Ned terwijl hij mij aankeek en een oogje knipte.

"Zeker, en eenige cijfers kunnen u dit gemakkelijk bewijzen."

"O cijfers!" antwoordde Ned, "daar doet men mede wat men wil."

"In handelszaken is dit mogelijk Ned, maar niet in de wiskunde. Hoor
slechts: laat ons aannemen dat de drukking van den dampkring wordt
voorgesteld door den druk van eene kolom water van 32 voet hoog;
in wezenlijkheid zou de kolom minder hoog zijn, omdat wij hier
te doen hebben met zeewater, waarvan de dichtheid veel grooter is
dan van zoet water; welnu Ned, evenveel maal 32 voet als gij naar
beneden duikt, even zooveel atmosferen drukken er dan op uw lichaam,
of een even groot aantal kilogrammen op elken vierkanten centimeter
van de oppervlakte uws lichaams. Daarom volgt dat op eene diepte van
320 voet die drukking gelijk staat met die van tien atmosferen, en
als men eene diepte van 32000 voet of ruim tien kilometer bereiken
kon, dan zouden er duizend atmosferen op u drukken; elke vierkante
centimeter derhalve van uwe lichaamsoppervlakte zou een gewicht te
dragen hebben van duizend kilogram; en weet gij nu wel, mijn dappere
Ned, hoeveel vierkante centimeters die oppervlakte bedraagt?"

"In het geheel niet, mijnheer Aronnax."

"Ongeveer 17000."

"Nog zóoveel?"

"En daar in de werkelijkheid de drukking van den dampkring nog iets
meer is dan een kilogram op de vierkante centimeter, zoo dragen uwe
17000 vierkante centimeter op dit oogenblik een gewicht van 17568
kilogram."

"Zonder dat ik er iets van merk?"

"Zonder dat gij het bemerkt. En dat gij door zulk een drukking niet
verpletterd wordt, komt omdat de lucht met een even groote drukking
in uw lichaam doordringt, van daar een volmaakt evenwicht hetwelk het
u gemakkelijk doet dragen; maar in het water is het een ander ding."

"Ja wel, dat begrijp ik," antwoordde Ned, die wat oplettender was
geworden, "omdat het water mij omringt, en niet in mijn lichaam
doordringt."

"Juist Ned; derhalve ondergaat gij 32 voet onder water eene drukking
van 17568 kilogram; en zoo voortgaande hebt gij bijvoorbeeld op
eene diepte van 32000 voet een gewicht op u van 17,568,000 kilogram,
gij zoudt dan zoo platgedrukt zijn, alsof gij uit eene hydraulische
pers kwaamt."

"Drommels," zeide Ned.

"Welnu mijn waarde harpoenier, als gewervelde dieren van eenige
honderden meter lang, en dik naar evenredigheid, zich in zulke diepten
ophielden, zouden zij omdat de oppervlakte van hun lichaam zooveel
grooter is, een gewicht van millioenen maal millioenen kilogrammen te
dragen hebben; en bereken dan maar eens welk een weerstandsvermogen
hun skelet en welke kracht hun samenstel hebben moet om zulk eene
drukking te weerstaan."

"Dan zouden ze van achtduims staalplaten gemaakt moeten zijn, zooals
de gepantserde fregatten."

"Zoo is het Ned, en denk dan eens aan de verwoesting, welke zulk een
massa kan te weeg brengen, als zij met de snelheid van een spoortrein
tegen den romp van een schip aankomt."

"Ja ... inderdaad ... misschien", antwoordde Ned, in de war gebracht
door de cijfers, hoewel hij zich nog niet wilde gewonnen geven.

"Welnu, heb ik u overtuigd?"

"Gij hebt mij van eene zaak overtuigd, mijnheer de natuurkenner,
en dat is dat als zulke dieren in de diepten der zee bestaan, zij
noodzakelijk zoo sterk moeten zijn als gij zegt."

"Maar als zij niet bestaan, koppige harpoenier, hoe verklaart gij
dan het ongeluk van de Scotia?"

"Het is misschien...." zeide Ned aarzelend.

"Wat dan?"

"Omdat ... omdat het niet waar is!" antwoordde Ned, terwijl hij
zonder het te weten een beroemd antwoord van Arago herhaalde. Doch
dit antwoord bewees de stijfhoofdigheid van den harpoenier en anders
niets. Dien dag klampte ik hem niet verder aan boord. Het gebeurde
met de Scotia kon niet ontkend worden; het gat bestond, en men had dit
moeten dicht maken, dat wel het beste bewijs zal zijn voor het bestaan
van het lek. Dat gat was er niet van zelf ingekomen, en omdat het
niet door onderzeesche rotspunten of onzichtbare vernielingswerktuigen
er ingeboord was, moest het natuurlijk aan het werktuig van een dier
worden toegeschreven.

Volgens mij was het dier om alle opgesomde redenen een eenhoorn; om
dien behoorlijk te kennen moest men het onbekende monster in stukken
kunnen snijden; om het stuk te snijden moest men het vangen; om het te
vangen harpoenen, en dat was de zaak van Ned Land, om het te harpoenen
zien, dat was de zaak van de equipage, en om het te zien ontmoeten,
dat was de zaak van het toeval.


HOOFDSTUK V

Op avontuur.

De reis van de Abraham Lincoln werd gedurende eenigen tijd door
niets bijzonders gekenmerkt. Evenwel gebeurde er iets waardoor Ned
Land een proefje van zijne bewonderenswaardige handigheid toonde,
en dat bewees welk vertrouwen men in hem stellen kon.

Op de hoogte van de Malouïnen, praaide het fregat op 30 Juni
Amerikaansche walvischvaarders, die ons verzekerden dat zij niets van
den eenhoorn gemerkt hadden. Maar toen een hunner, de kapitein van
de Monroe, hoorde dat Ned Land bij ons aan boord was, verzocht hij
om zijne hulp om een walvisch te vangen, die in het gezicht was. Onze
kapitein, die begeerig was om Ned Land eens in zijne kracht te zien,
gaf hem verlof om aan boord van de Monroe te gaan. En het toeval
begunstigde Ned zóó zeer dat hij in plaats van éen, twee walvisschen
harpoende; den eenen trof hij midden in het hart, en van den anderen
maakte hij zich na eene vervolging van weinige minuten meester. Als
het monster ooit onder het bereik kwam van Neds harpoen zou ik waarlijk
geene weddenschap vóór het monster hebben willen aangaan.

Het fregat stoomde met bijzondere snelheid langs de zuidoost-kust
van Amerika. Den 3den Juli waren wij voor de straat van Magelhaen
op de hoogte van de Maagdenkaap. De kapitein wilde zich echter
liever niet in deze bochtige doorvaart wagen, en veeleer Kaap
Hoorn omzeilen. De equipage gaf hem eenparig gelijk; en inderdaad,
was het wel waarschijnlijk dat wij den eenhoorn in die nauwe straat
ontmoetten? Verscheidene matrozen verzekerden dat het dier er niet
door kon, "omdat het er te dik voor was!"

Op den zesden Juli zeilde de Abraham Lincoln op 15 kilometer om
de zuid van het eenzame rotseilandje, dat zoo verloren tegenover
het uiteinde van het Amerikaansche vasteland ligt en waaraan de
Hollandsche zeevaarder Schouten den naam van zijne vaderstad Hoorn
gaf. De steven werd naar het noordoosten gewend en den volgenden dag
kliefde het fregat eindelijk de golven van de Stille Zuidzee.

"Nu de kijkgaten open!" zeiden de matrozen op de Abraham Lincoln,
en zij spalkten de oogen wijd op. Men gunde oogen en kijkers geen
oogenblik rust, omdat elk begeerig was naar den uitgeloofden prijs
van 2000 dollars voor hem, die het monster het eerste zag. Nacht en
dag liet men het oog over het vlak der zee weiden; en zij die beter
bij nacht dan bij dag konden zien, deden al hun best om den prijs te
verdienen, waardoor de kans om het monster te ontdekken 50 percent
grooter werd.

Hoewel geene geldelijke belooning mij aanzette, was ik toch niet de
minst oplettende aan boord. Ik besteedde maar enkele minuten aan mijn
middagmaal, aan rusten slechts een uur of wat, was onverschillig voor
regen of wind, en van het dek niet af te slaan. Dan hing ik eens vóór
dan achter op het dek over de verschansing, en staarde met begeerige
blikken op 't schuimende kielwater, dat zoover het oog reikte achter
het schip te zien was. En hoe dikwijls deelde ik niet in de ontroering
van de officieren en van de equipage als een dartele walvisch soms
zijn zwarten rug uit de golven omhoog stak. In een oogenblik was
dan het dek vol; officieren en matrozen stormden door de luiken
naar boven. Elk staarde met hijgende borst en vorschend oog naar den
gang van het dier. Ik keek zelf alsof ik er mijn netvlies bij wilde
verslijten en blind worden, terwijl Koenraad altijd even bedaard en
kalm tot mij zeide:

"Als mijnheer zoo goed wilde zijn om zijne oogen minder wijd open te
spalken, dan zou mijnheer vrij wat beter kunnen zien."

Maar ijdele hoop! De Abraham Lincoln veranderde van koers, stoomde
op het aangewezen dier los, en als men het naderde bleek het slechts
een gewone walvisch of gemeene potvisch te zijn, die weldra onder
tal van verwenschingen verdween.

Het weer bleef echter goed en de reis werd onder de gunstigste
omstandigheden voortgezet. Het slechte jaargetijde was anders in
die streken ingevallen, want de maand Juli komt daar met onze maand
Januari overeen; maar de zee bleef kalm en men kon haar tot op grooten
afstand overzien.

Ned Land toonde altijd nog het hardnekkigste ongeloof; hij hield
zich zelfs alsof hij nooit naar de zee keek, behalve als hij de wacht
had--ten minste als er geen walvisch in het gezicht was. En toch zou
zijn scherp oog groote diensten hebben kunnen bewijzen. Maar gedurende
acht uur van de twaalf was de koppige Amerikaan in zijne hut, waar
hij las of sliep. Honderdmaal verweet ik hem zijne onverschilligheid.

"Och, kom," antwoordde hij "er is niemendal, mijnheer Aronnax,
en al was er eens een beest, welke kans hebben wij dan nog om het
te zien? Dwalen wij niet op avontuur rond? Men heeft, zegt men, dat
ongenaakbare dier in de Zuidzee teruggezien, ik wil dat eens aannemen;
maar er zijn reeds twee maanden voorbijgegaan sedert dit gebeurd
is, en als ik let op den aard van uw eenhoorn dan houdt hij er niet
van om lang in dezelfde streken te huizen. Hij verplaatst zich zeer
gemakkelijk; welnu, gij weet het beter dan ik, mijnheer de professor,
de natuur doet niets in verkeerden zin, en zij zou aan geen dier
dat langzaam van aard is de kracht geven om zich snel te bewegen,
als het beest dit niet noodig had; als derhalve uw dier bestaat,
is het reeds ver weg."

Ik kon daar niets op antwoorden, want het was waar, wij zochten in
den blinde rond; maar hoe kon het anders? Onze kansen waren dus zeer
gering. Echter twijfelde niemand nog aan een goeden uitslag, en elk
matroos aan boord zou eene weddenschap hebben willen aangaan dat de
eenhoorn bestond en weldra zou opdagen.

Den 20sten Juli passeerden wij op 105° W.L. den Steenbokskeerkring,
en den 27sten van diezelfde maand den evenaar op 110° W.L. Toen
hiervan hoogte was genomen, richtte het fregat zijn koers meer naar
het westen en stoomde naar het middelste gedeelte van den Grooten
Oceaan. De kapitein dacht met reden dat het beter was om het diepste
gedeelte van den Oceaan te bevaren, en zich van het vasteland of de
eilanden verwijderd te houden, omdat het dier deze altijd scheen te
vermijden, "zonder twijfel omdat hij daar geen water genoeg heeft,"
zeide de equipagemeester. Na kolen geladen te hebben stoomde het
fregat in de verte langs de Pomotu-eilanden, de Markiezen- en de
Sandwichseilanden, passeerde den Kreeftskeerkring op 132° W.L.,
en zette koers naar de Chineesche zee. Eindelijk waren wij dan in
die streken, waar het monster zich het laatst vertoond had; om de
waarheid te zeggen, men had aan boord maar een half leven. Elks hart
klopte vreeselijk en menigeen haalde zich daardoor voor het vervolg
eene ongeneeslijke kwaal op den hals; de geheele equipage verkeerde
in zulk eene zenuwachtige spanning dat men er zich ter nauwernood
een denkbeeld van kan maken. Men at niet meer, men sliep bijna niet,
twintig keer daags veroorzaakte eene vergissing of een zinsbedrog
van een der matrozen in de raas eene ondraaglijke teleurstelling,
en die zoo dikwijls herhaalde aandoeningen hielden ons voortdurend
in een staat van al te groote opgewondenheid dan dat er niet spoedig
eene reactie komen moest. En inderdaad bleef deze niet uit. Gedurende
drie maanden, waarvan elke dag eene eeuw duurde, kliefde de Abraham
Lincoln de golven van het noordelijk deel der Stille Zuidzee; het
fregat vervolgde walvisschen, maakte eensklaps allerlei omwegen, ging
soms plotseling over stag of keerde op zijn koers terug, spande alle
stoomkracht in, op gevaar af van de ketels te doen springen, en liet
geen enkel punt van de zee tusschen Japan en Amerika onbezocht. En
niets! niets dan de onmetelijke uitgestrektheid der verlaten zee! niets
wat geleek op een reusachtigen eenhoorn of op eene onderzeesche rots,
of op een wrak, of op een klip, of op iets bovennatuurlijks, wat het
ook zij!

Er was dus reactie; moedeloosheid maakte zich van elkeen meester,
en opende ruim baan aan het ongeloof. Een nieuw gevoel maakte zich
van het scheepsvolk meester, dat voor drie tienden uit schaamte
en voor zeven tienden uit woede bestond. Men was dom genoeg om
zich door een hersenschim te laten misleiden, maar ontstak er over
in toorn. Plotseling stortten alle bewijzen in elkander, welke men
sedert een jaar had uitgedacht, en iedereen spande zich slechts in om
in te halen, wat men door opoffering van tijd aan eten en slaap was te
kort gekomen. Met de natuurlijke wispelturigheid van den menschelijken
geest wierp men zich van het eene uiterste op het andere. De warmste
voorstanders van de onderneming werden noodlottigerwijze hare hevigste
tegenstanders. De tegenstand begon bij het mindere deel der equipage en
drong eindelijk zelfs bij de officieren door; zonder eene bijzondere
stijfhoofdigheid van den kapitein zou het fregat zeker den steven
weder naar het zuiden hebben gewend.

Dat nutteloos zoeken kon echter niet lang meer worden voortgezet;
de Abraham Lincoln had zich niets te verwijten, daar alles gedaan was
om te slagen. Geene equipage van eenig Amerikaansch schip toonde ooit
zooveel geduld en zooveel ijver; het mislukken kon haar niet geweten
worden; men kon niets anders doen dan terugkeeren.

Er werd een verzoek in dien zin aan den kapitein gericht; hij hield
zich evenwel goed; de matrozen ontveinsden hunne ontevredenheid niet,
en de dienst leed er onder. Ik zal niet zeggen dat er een opstand
aan boord uitbrak, maar nadat de kapitein lang genoeg tegenstand
had geboden, vroeg hij, evenals in der tijd Columbus, drie dagen
uitstel. Indien in dien tijd het monster niet verschenen was zou de
Abraham Lincoln naar den Atlantischen Oceaan terug keeren.

Deze belofte werd op den 2den November gedaan; zij had ten
minste ten gevolge, dat de moed van het scheepsvolk er een weinig
door werd opgebeurd. Men bekeek den Oceaan weder met vernieuwde
oplettendheid. Elkeen wilde er nog een laatsten blik op slaan;
de kijkers werden weder met koortsige bedrijvigheid aan het oog
gebracht; het was eene laatste uitdaging aan den reus, en deze
kon redelijkerwijze niet nalaten daaraan te beantwoorden door te
verschijnen.

Twee dagen gingen voorbij: de Abraham Lincoln bleef onder halven stoom;
men gebruikte duizenderlei middelen om de opmerkzaamheid van het dier
op te wekken, of zijne lusteloosheid te doen verdwijnen, voor het
geval, dat het zich soms in deze streken mocht ophouden. Vreeselijke
stukken spek werden aan touwen achter aan het schip gehangen, tot
groote vreugde van de haaien. Sloepen zwierven in elke richting
rondom het fregat, terwijl dit opbraste en lieten geen enkel punt
der zee ondoorzocht; maar de avond van den 4den November kwam,
zonder dat men iets gevonden had. Den volgenden dag om 12 uur des
middags was de bepaalde tijd om. Na dit oogenblik moest de kapitein,
als hij trouw bleef aan zijne belofte, naar het zuidoosten stoomen en
de noordelijke streken van den Grooten Oceaan verlaten. Het fregat
bevond zich toen op 31° 15' N.B. en 136° 42' W.L. De Japansche
kust lag minstens 200 mijl ver van ons verwijderd. De duisternis
viel; het was acht uur; groote wolken dreven voorbij de schijf der
maan, welke toen in haar eerste kwartier was; de zee kabbelde kalm
tegen den voorsteven van het fregat. Op dat oogenblik leunde ik
op de verschansing aan stuurboordzijde; Koenraad stond naast mij,
en keek voor zich; de equipage zat in het want, en beschouwde den
horizon, die door het vallen van den nacht hoe langer hoe kleiner
werd. De officieren keken met hunne nachtkijkers in de toenemende
duisternis. Soms schitterde de sombere Oceaan door een straal der
maan, welke tusschen twee wolken doorscheen, en dan verdween weder
alle licht in de duisternis van den nacht.

Toen ik Koenraad aankeek, merkte ik dat die brave jongen
eenigermate onder den algemeenen invloed stond, ten minste ik meende
het. Misschien trilden zijne zenuwen voor het eerst door een gevoel
van nieuwsgierigheid.

"Komaan Koen," zeide ik, "nu hebt gij voor het laatst de gelegenheid
om 2000 dollars in uw zak te steken."

"Mijnheer zal mij vergunnen hem te zeggen," antwoordde Koenraad,
"dat ik nooit op die belooning gerekend heb; de regeering der Unie
kon even goed honderdduizend dollars beloofd hebben, zij zou er geen
duit armer door zijn geworden."

"Gij hebt gelijk, Koen; het is eene dwaze onderneming, waarin wij ons
te lichtvaardig begeven hebben. Wat een tijd is er verloren gegaan,
wat eene nuttelooze inspanning! Sinds zes maanden zouden wij reeds
naar Frankrijk zijn teruggekeerd...."

"In mijnheers kleine kamer," antwoordde Koenraad, "in mijnheers
museum! En ik zou al de fossilen van mijnheer reeds hebben
gerangschikt! En de hertever (babiroussa) zou in den Plantentuin
reeds in zijn hok zitten, en al de nieuwsgierigen tot zich trekken."

"Het is zoo als gij zegt Koen, en ik verbeeld mij dat men ons hartelijk
zal uitlachen."

"Zeker," antwoordde Koenraad bedaard, "ik denk wel dat men mijnheer
zal uitlachen, en--mag ik het zeggen?

"Wel zeker, Koen."

"Welnu, dan heeft mijnheer slechts wat hij verdient."

"Waarlijk?"

"Wanneer men zoo geleerd is als mijnheer, dan stelt men zich niet
bloot aan...."

Maar Koenraad kon zijn zin niet voleinden: te midden van de algemeene
stilte liet zich eene stem hooren. Het was de stem van Ned Land,
die schreeuwde:

"Ohé, daar is het ding, onder den wind, dwars voor ons!"


HOOFDSTUK VI

Met vollen stoom.

Op dat geroep stormde de geheele equipage naar den harpoenier;
kapitein, officieren, bootslieden, matrozen, kajuitsjongens, tot zelfs
de machinisten, die de machine, en de stokers die hunne vuren in den
steek lieten. Er was bevel gegeven om te stoppen, en het fregat liep
nog slechts langzaam vooruit.

Het was zeer donker, en hoe goed of de oogen van den harpoenier ook
waren, vroeg ik mij zelven af hoe en wat hij dan toch gezien had;
mijn hart klopte alsof het barsten moest. Maar Ned Land had zich niet
bedrogen, en wij zagen allen het voorwerp, dat hij met de hand aanwees.

Aan stuurboordszijde op twee kabellengten afstands van de Abraham
Lincoln scheen de zee van onderen verlicht te zijn. Het was niet
het eenvoudige verschijnsel van het lichten der zee; men kon zich
daarin niet bedriegen. Het monster, dat eenige vademen diep onder
het watervlak dreef, gaf dien helderlichtenden, maar onverklaarbaren
glans van zich, waarvan in het rapport van verscheidene kapiteins
gesproken werd. Deze prachtige lichtuitstraling moest door eene groote
lichtgevende kracht worden voortgebracht. Het lichtende gedeelte
beschreef op zee een zeer groot langwerpig ovaal, in welks midden
zich een schitterend brandpunt bevond, welks onbeschrijfelijke glans
langzamerhand verminderde.

"Het is slechts eene ophooping van lichtgevende deeltjes," riep een
van de officieren.

"Neen mijnheer," antwoordde ik met overtuiging, "nooit hebben
steenboorders of salpen zulk eene lichtgevende kracht. Deze glans
moet volstrekt van electrieken aard zijn; bovendien, zie maar eens,
het verandert van plaats, het beweegt zich naar voren ... naar achteren
... het snelt naar ons toe!"

Een algemeene kreet verhief zich van het fregat.

"Stilte," beval de kapitein, "het roer in den wind, achteruit!"

De matrozen snelden naar het roer, de machinisten naar de machine; deze
werkte aanstonds achteruit, en de Abraham Lincoln naar bakboordszijde
wendende, beschreef een halven cirkel.

"Roer recht! Vooruit!" riep de kapitein.

Zijne bevelen werden ten uitvoer gebracht, en het fregat verwijderde
zich snel van het lichtende brandpunt. Neen, ik bedrieg mij: het
wilde zich verwijderen, maar het bovennatuurlijke dier naderde met
dubbele snelheid.

Wij waren buiten adem, verbazing, nog meer dan vrees, maakte ons stom
en onbeweeglijk. Het dier won spelenderwijze op ons; het zwom om het
fregat heen, dat toch veertien knopen in het uur liep, en wikkelde
het in zijn electrieken stroom als in eene lichtende stof. Daarop
verwijderde het zich twee of drie kilometer, en liet eene lichtgevende
streep achter, evenals een wolk van stoom, welke de locomotief van
een sneltrein achter zich laat. Plotseling toen het monster aan den
gezichteinder gekomen was, alsof het zich wilde verwijderen, wierp
het zich met ijzingwekkende snelheid op de Abraham Lincoln, hield
eensklaps twintig voet van den voorsteven op, en doofde zijn licht
uit, niet door dieper onder water te zakken, want het verminderde
niet langzamerhand, maar plotseling, even alsof de bron van dien
schitterenden lichtstroom op eens werd afgebroken. Daarna verscheen
het aan de andere zijde van het fregat, hetzij dat het er omheen was
gedraaid, of dat het onder de kiel was door gegleden. Ieder oogenblik
kon er eene botsing komen, welke ons noodlottig zou geweest zijn.

Met dat al verwonderde ik mij over de wendingen van het fregat;
het vluchtte en viel niet aan; het werd vervolgd, terwijl het zelf
vervolgen moest; ik deelde deze opmerking den kapitein mede. Op
zijn gelaat, dat gewoonlijk zeer kalm was, stond nu stomme verbazing
te lezen.

"Mijnheer Aronnax," antwoordde hij, "ik weet niet met welk
verschrikkelijk wezen ik te doen heb, en ik wil mijn fregat in deze
duisternis niet onvoorzichtig blootstellen: hoe moet ik dat onbekende
dier bovendien aanvallen, hoe mij verdedigen? Laat ons het daglicht
afwachten, en dan zullen de rollen wel veranderen."

"Twijfelt gij niet meer aan den aard van het dier, kapitein?"

"Neen mijnheer, het is duidelijk genoeg een reusachtige eenhoorn,
maar een electrieke tevens."

"Misschien kan men dit dier evenmin naderen als een sidderaal?"

"Misschien," antwoordde de kapitein, "maar als het electrieke kracht
bezit, dan is het gewis het verschrikkelijkste beest, dat de Schepper
ooit gewrocht heeft. Daarom zal ik oppassen, mijnheer."

De geheele equipage bleef des nachts op de been; niemand dacht
aan slapen. De Abraham Lincoln kon niet het dier in snelheid niet
wedijveren, daarom had het fregat zijn gang verminderd en bleef onder
halven stoom. Van zijn kant deed de eenhoorn hetzelfde; hij liet zich
door de golven voortwiegen en scheen vast besloten om het tooneel van
den strijd niet te verlaten. Omstreeks middernacht verdween hij, of
liever om een juister uitdrukking te bezigen "ging hij uit" evenals
een groote glimworm. Was hij gevlucht? men moest het vreezen, maar
niet hopen. Nog geen uur later liet zich een verdoovend gesis hooren,
gelijk aan dat, hetwelk eene kolom water veroorzaakt, welke ergens
met geweld wordt uitgespoten.

De kapitein, Ned Land en ik stonden op dat oogenblik op de kampanje,
en wierpen nieuwsgierige blikken in de dikke duisternis.

"Ned Land," vroeg de kapitein, "hebt gij dikwijls het geblaas van
walvisschen gehoord?"

"Dikwijls kapitein, maar nooit van een dier, welks gezicht alléen
mij 2000 dollars opbracht."

"Het is waar ook, gij hebt recht op die belooning. Maar zeg mij eens,
is dat geraas niet hetzelfde hetwelk de walvisschen maken, als zij
het water door hunne kieuwen uitblazen?"

"Hetzelfde kapitein, maar dit is oneindig sterker. Men kan er zich
dan ook niet in vergissen; het is wel eene soort van walvisch,
die zich in ons vaarwater ophoudt. Als gij het goed vindt kapitein,
zullen wij morgen met het aanbreken van den dag een paar woorden met
hem wisselen."

"Als hij u ten minste wil aanhooren, Ned," antwoordde ik op
ongeloovigen toon.

"Laat ik hem maar eens op vier harpoenlengten kunnen naderen," voegde
Ned er bij, "dan zal hij mij wel moeten aanhooren."

"Maar om hem te naderen, moet ik vast eene walvischsloep ter uwer
beschikking stellen?" hernam de kapitein.

"Zeker kapitein."

"Dan zet ik het leven van mijne matrozen op het spel."

"En het mijne!" antwoordde de harpoenier dood eenvoudig.

Om twee uur des morgens verscheen het licht op nieuw,
maar minder helder, op vijf mijl in den wind van de Abraham
Lincoln. Niettegenstaande den afstand en het geraas van wind en zee,
hoorde men het dier duidelijk met den vreeselijken staart slaan,
en zelfs ademhalen. Het scheen dat als het beest aan het oppervlak
der zee kwam om adem te halen, de lucht met zooveel geweld in zijne
longen drong, als de stoom in de groote ketels van eene machine van
2000 paardekracht.

"Nu," dacht ik, "een walvisch zoo sterk als een regiment ruiterij,
dat is nog al zoo iets!"

Men bleef tot aan het aanbreken van den dag op zijne hoede en
bereidde zich voor op den strijd. De vischtoestellen werden langs de
verschansingen gereed gemaakt. De tweede stuurman liet de donderbussen
laden, die een harpoen een kilometer ver werpen, en lange ganzenroeren
met ontplofbare kogels gereed maken, welker wond doodelijk is, zelfs
voor de grootste dieren. Ned Land had zich vergenoegd met zijn harpoen
klaar te maken, een vreeselijk wapen in zijne hand.

Om zes uur begon de dag aan te breken, en bij de eerste stralen van
het morgenlicht verdween de electrieke glans van den eenhoorn. Om
zeven uur was het helder dag, maar een dikke nevel belette ver om
zich heen te zien, en de beste kijkers konden er niet doorheen boren;
dientengevolge was men aan boord teleurgesteld en boos.

Ik klom in den bezaansmast; eenige officieren zaten reeds in de toppen
der masten. Om acht uur begon de mist langzaam op te trekken. De
gezichteinder verwijdde zich en werd helder, evenals den vorigen dag
liet zich nu plotseling de stem van Ned Land hooren: "Daar is het ding
weer, achter ons, aan bakboord," riep de harpoenier. Aller blikken
richtten zich naar het aangewezen punt. Daar stak op anderhalven
kilometer van het fregat een langwerpig zwart lichaam uit de golven;
het dier sloeg geweldig met den staart en liet eene massa zog achter
zich. Nimmer nog was de zee met zulk eene kracht door een staart in
beweging gebracht; eene lange streep helder wit schuim duidde den
weg van het dier aan en beschreef eene lange bocht.

Het fregat naderde den visch; ik beschouwde het beest zoo nauwkeurig
mogelijk. De rapporten van de Shannon en de Helvetia hadden de
afmetingen wat vergroot, en ik hield het er voor, dat het beest
slechts 250 voet lang was. Moeielijk kon ik nagaan hoe dik het was,
maar het dier scheen mij over het algemeen in zijne afmetingen goed
gevormd te zijn.

Terwijl ik dit wonderbare verschijnsel stond te bekijken, spoot het
twee stralen damp en water tot op eene hoogte van 40 meter op; ik
maakte daaruit en uit al het andere op, dat het tot de gewervelde
zoogdieren behoorde, tot welke familie het moest gerekend worden,
wist ik nog niet, omdat er drie familiën waren, waartoe het behooren
kon, namelijk die der walvisschen, der potvisschen en der dolfijnen,
waartoe ook de eenhoorns gerekend worden; elk van die familiën is
weder in verschillende geslachten ingedeeld, de geslachten in soorten,
de soorten in verschillende onderdeelen, dat alles was mij van dit
dier nog onbekend, maar ik hoopte er achter te komen met de hulp des
Hemels en van kapitein Farragut.

De equipage wachtte ongeduldig de bevelen van den kapitein af; toen
deze het dier nauwkeurig bekeken had, liet hij den machinist roepen;
deze kwam: "Mijnheer," vroeg de kapitein, "hebt gij stoom genoeg!"

"Jawel kapitein," was het antwoord.

Drie hoezee's volgden op dit bevel. Het uur van den strijd had
geslagen; eenige oogenblikken later braakten de beide schoorsteenen
van het fregat wolken zwarten rook uit, en het dek trilde onder de
heftige beweging der machine.

De Abraham Lincoln, door zijne sterke schroef vooruitgestuwd, stoomde
recht op het dier aan. Dit liet zich tot op eene halve kabellengte
naderen; toen nam het den schijn aan van niet eens te willen duiken,
maar zoowat te vluchten, en stelde zich tevreden met den afstand
te bewaren. Deze vervolging duurde ongeveer drie kwartier, zonder
dat het fregat twee vadem op het dier won; het was dus duidelijk,
dat door zoo voort te gaan men het nooit bereiken zou. De kapitein
trok zich woedend aan den baard.

"Ned Land!" riep hij; deze kwam op dit bevel.

"Zeg eens, Land," vroeg de kapitein, "raadt gij mij nog aan de sloepen
in zee te laten?"

"Neen kapitein," antwoordde Ned, "want dat dier zal zich niet laten
vangen dan als het wil."

"Wat dan te doen?"

"Als gij kunt nog harder stoomen, kapitein; indien gij het mij toestaat
ga ik op den boegspriet zitten, en als ik er dan kans toe zie, zal
ik het mijn harpoen in 't lijf gooien."

"Ga je gang," antwoordde de kapitein. "Machinist" riep hij toen,
"vermeerder de drukking!"

Ned Land ging op zijn post zitten. Het vuur werd ferm aangestookt,
de schroef draaide 43 maal in de minuut en de stoom perste door
de kleppen. Toen men de log uitwierp, kon men zien, dat de Abraham
Lincoln met eene vaart van 18,5 kilometer in 't uur liep; maar het
verwenschte dier liep even snel. Gedurende een uur ongeveer, bleef
het fregat dezelfde snelheid behouden zonder éen vadem te winnen. Het
was vernederend voor een van de snelste schepen der Amerikaansche
vloot. Doffe woede bezielde de equipage; de matrozen scholden op
het monster, dat overigens zich niet verwaardigde eenig antwoord te
geven. Kapitein Farragut trok niet alleen aan zijn baard, maar hij
kauwde er op. Hij riep den machinist nog eens.

"Hebt gij de hoogste drukking?" vroeg de kapitein driftig.

"Ja kapitein," antwoordde de machinist.

"En zijn de veiligheidskleppen belast?"

"Tot op 6-1/2 atmosfeer."

"Belast ze tot op tien atmosferen!"

Dit was een echt Amerikaansch bevel; op den Mississippi zou men niet
anders gehandeld hebben om een concurrent vooruit te komen.

"Weet gij wel Koen," zeide ik tegen mijn trouwen knecht die naast
mij stond, "dat wij waarschijnlijk in de lucht zullen vliegen?"

"Zooals mijnheer belieft!" antwoordde Koenraad.

Welnu, ik moet bekennen, dat het mij niet onaangenaam was, deze kans
te loopen.

De kleppen werden belast, de fornuizen werden volgepropt met kolen;
de wind vangers wierpen stroomen lucht in de machinekamer; de snelheid
van de Abraham Lincoln werd nog grooter. De masten trilden over hunne
geheele lengte, en de schoorsteenen konden ter nauwernood de dikke
rookwolken den doorgang verschaffen.

De log werd ten tweeden male uitgeworpen.

"Hoeveel, stuurman?" riep de kapitein.

"19,3 kilometer, kapitein!"

"Stook op!" beval Farragut.

De machinist gehoorzaamde; de manometer teekende tien atmosferen;
maar de visch schoot ook vooruit, want zonder moeite liep hij ook 19,3
kilometer. Welke jacht! Neen, ik ben niet in staat om de ontroering
te beschrijven, welke mijn geheele lichaam deed trillen. Ned Land
was op zijn post met de harpoen in de hand. Verscheidene malen liet
het dier zich naderen.

"Wij halen hem in! Wij halen hem in!" riep Ned, maar op het oogenblik
dat hij wilde werpen, zwom het dier vooruit met eene snelheid, welke ik
op niet minder dan dertig kilometer in het uur schatte. En zelfs toen
wij ons maximum van snelheid bereikt hadden, stak het den draak met het
fregat, door er om heen te zwemmen! Een kreet van woede ontsnapte ons.

Om twaalf uur waren wij niet verder dan om acht uur 's morgens. Toen
besloot kapitein Farragut andere middelen aan te wenden.

"Zoo," zeide hij, "loopt dat beest sneller dan de Abraham Lincoln,
dan zullen wij eens zien of het onze puntkogels vooruit blijft. Mannen
aan het voorstuk!"

Het stuk op den voorsteven werd onmiddellijk geladen en gericht;
het schot ging af, maar de kogel vloog eenige voeten te hoog en over
het dier heen, dat op een halven kilometer voor ons uit zwom.

"Een ander die beter bij de hand is!" schreeuwde de kapitein, "500
dollars voor hem die het verwenschte beest raakt!"

Een oude kanonnier met grijzen baard, ik zie hem nog, naderde bedaard
en kalm het stuk, richtte het en mikte lang. Een zware slag dreunde,
en de equipage stiet een vreugdekreet uit. De kogel had het dier
getroffen, maar niet vlak op zijn lichaam, want hij gleed langs de
ronde oppervlakte af, en vloog twee kilometer verder in zee.

"Wat drommel," riep de oude kanonnier woedend, "is die schelm dan
met zesduims platen gepantserd?"

"Vervloekt!" riep de kapitein.

De jacht begon op nieuw, de kapitein wendde zich tot mij en zeide:
"ik zal het vervolgen tot mijn fregat in de lucht vliegt."

"Gij hebt gelijk!" antwoordde ik.

Men hoopte dat het dier uitgeput zou raken, en dat het niet evenals
een stoommachine onvermoeid zijn zou, maar verre van dien; het
eene uur verliep na het andere, zonder dat het eenig teeken van
afmatting gaf. Ik moet der Abraham Lincoln ter eere nageven, dat
zij met onvermoeide inspanning volhield, ik bereken dat het schip op
dien ongelukkigen zesden November wel 500 kilometer aflegde; maar de
duisternis viel, en overdekte de onstuimige zee met haren sluier. Op
dat oogenblik meende ik, dat onze tocht geëindigd was, en wij het
bovennatuurlijke dier niet terug zouden zien; maar ik bedroog mij. 's
Avonds tien minuten voor elven zagen wij het electrieke licht weder
op drie kilometer voor ons uit; het was even helder, even glanzend
als den vorigen nacht.

De eenhoorn scheen onbeweeglijk. Misschien was hij vermoeid van
den wedren, en sliep hij, of liet hij zich door de golven zachtkens
voortwiegelen. Dit was eene kans, waarvan de kapitein gebruik wilde
maken. Hij gaf dienovereenkomstig zijne bevelen. De Abraham Lincoln
naderde voorzichtig en langzaam onder halven stoom om de aandacht van
zijn tegenstander niet op te wekken. Men ontmoet niet zelden in volle
zee walvisschen in diepe rust, welke men dan met goed gevolg aanvalt,
en Ned Land had er meer dan een in den slaap geharpoend; hij ging weder
op zijn post op den boegspriet. Het fregat naderde zonder veel geraas,
stopte op twee kabellengte afstands van het dier, en dreef langzaam
voort: men haalde bijna geen adem meer; diepe stilte heerschte op
het dek. Wij waren op geen honderd voet afstands van het licht, dat
in onze oogen nog helderder en schitterender werd. Op dat oogenblik
zag ik Ned Land over de verschansing leunen, terwijl hij zich met de
eene hand aan een touw vasthield, en met de andere zijn vreeselijken
harpoen drilde. Hij was nauwelijks twintig voet van het onbeweeglijke
dier verwijderd. Eensklaps strekte hij zijn arm uit en de harpoen
vloog weg. Ik hoorden den doffen slag van het wapen, dat op een hard
voorwerp scheen te stooten. Plotseling doofde de electrieke glans uit,
en twee groote waterstralen stortten op het dek neer; als een woedende
stroom ging het over het dek, wierp de menschen omver en verbrijzelde
alles wat in den weg kwam. Toen voelden wij een vreeselijken schok,
en zonder dat ik tijd had mij ergens aan vast te grijpen, werd ik
over de verschansing in zee geworpen.


HOOFDSTUK VII

Een vreemdsoortige walvisch.

Hoewel ik door dien overwachten val geheel uit het veld was geslagen,
wist ik toch bijzonder goed wat mij overkwam. Eerst zonk ik ongeveer
twintig voet diep in zee, doch daar ik goed zwemmen kan, zonder
daarom nog zoo'n held er in te zijn als b.v. Byron, die de straat
van Konstantinopel over zwom, verloor ik den kop niet, en door een
paar ferme slagen kwam ik weder boven. Mijn eerste werk was om eens
naar het fregat rond te zien. Had de equipage mijne verdwijning
opgemerkt? Had de Abraham Lincoln bijgedraaid? Had de kapitein een
sloep in zee gezet? Kon ik hoop op redding koesteren?

Het was verschrikkelijk donker; ik zag nog even een zwarte
massa, welke zich naar het oosten verwijderde, en welker lichten
langzamerhand verdwenen; het was het fregat, ik voelde dat ik verloren
was. "Help! help!" riep ik, terwijl ik een wanhopige poging aanwendde,
om naar de Abraham Lincoln te zwemmen. Mijn kleeren hinderden mij;
het water plakte ze vast aan mijn lichaam; mijne bewegingen werden
er door verlamd; ik zonk; ik stikte.

"Help!" het was mijn laatste kreet; mijn mond kwam vol water; ik
worstelde en zonk naar den afgrond....

Plotseling werd ik door een krachtige hand bij mijn kleeren gegrepen;
ik voelde mij naar de oppervlakte slepen, en ik hoorde--ja waarachtig
ik hoorde mij de volgende woorden in het oor roepen:

"Als mijnheer zoo goed wil zijn om op mijne schouders te leunen,
zal hij veel gemakkelijker zwemmen."

Ik greep den arm van mijn trouwen Koenraad.

"Hoe, zijt gij het?" vroeg ik.

"Ik zelf mijnheer," antwoordde Koen, "tot mijnheers dienst."

"Heeft die schok u te gelijk met mij in zee geworpen?"

"Neen mijnheer, maar daar ik in mijnheers dienst ben, ben ik mijnheer
gevolgd."

De brave jongen vond dit zeer natuurlijk.

"En het fregat?" vroeg ik.

"Het fregat," antwoordde Koenraad, terwijl hij zich op den rug draaide,
"ik geloof dat mijnheer er maar niet meer op rekenen moet."

"Wat zegt gij?"

"Ik zeg dat op het oogenblik dat ik in zee sprong, ik de stuurlui
hoorde zeggen: "de schroef en het roer zijn stuk...."

"Stuk?"

"Ja! door den tand van het monster verbrijzeld; het is geloof ik de
eenige averij, welke het schip gekregen heeft; maar het is ongelukkig
voor ons, omdat er geen stuur meer in zit."

"Dan zijn wij verloren."

"Misschien," antwoordde Koenraad bedaard; "maar wij hebben toch nog
eenige uren voor ons, en in eenige uren kan er heel wat gebeuren."

De onwrikbare kalmte van Koenraad beurde mij wat op. Ik zwom met meer
kracht, maar daar mijne kleeren zoo zwaar als lood waren geworden, kon
ik mij bijna niet boven houden. Koenraad merkte het. "Als mijnheer
mij veroorlooft ze los te snijden," zeide hij, en hij sneed met
zijn mes mijne kleeren over hunne geheele lengte open; daarop trok
hij ze mij handig uit, terwijl ik voor ons beiden tegelijk zwom. Op
mijne beurt bewees ik hem denzelfden dienst, en wij zwommen daarna
weder naast elkander voort. Onze toestand was echter met dat al
vreeselijk; misschien had men onze verdwijning niet gemerkt, en al
was dit het geval, dan kon het fregat toch tegen den wind in niet
naar ons toekomen, daar het van zijn roer beroofd was; wij konden
dus slechts op de sloepen rekenen. Koenraad redeneerde kalm voort,
en maakte dienovereenkomstig zijn plan; zonderling karakter! die
flegmatieke jongen praatte alsof hij thuis was!

Daar onze eenige kans op levensbehoud gelegen was in de sloepen van
de Abraham Lincoln, besloten wij dus pogingen in het werk te stellen
om ons zoo lang mogelijk boven water te houden, ten einde ze af te
wachten. Ik stelde dus voor om onze krachten te verdeelen, ten einde ze
niet gelijktijdig uit te putten, en ziehier wat wij besloten: terwijl
een van ons beiden onbeweeglijk met over elkander gekruiste armen en
gestrekte beenen op den rug zou liggen, zou de ander zwemmen en hem
voorwaarts duwen. Wij zouden elk niet meer dan tien minuten die rol
van sleper vervullen, en als wij elkander aldus aflosten, zouden wij
nog uren lang, misschien wel tot den morgen toe kunnen boven blijven.

Het was eene geringe kans, maar de hoop is in het menschelijke hart
zoo diep ingeworteld; en ik beken het, hoewel het onwaarschijnlijk
lijkt, dat als ik mij alle illusie trachtte te benemen, of als ik
aan ons behoud wilde wanhopen, ik het niet kon.

De ontmoeting tusschen het fregat en het monster had omstreeks elf uur
's avonds plaats gehad; ik rekende er dus op, dat wij tot zonsopgang
acht uur moesten zwemmen, dit was wel te doen als wij elkander
aflosten; de zee, die vrij kalm was, vermoeide ons weinig door den
golfslag; soms beproefde ik door de dikke duisternis heen te zien,
welke door niets werd afgebroken dan enkele malen door het lichten der
zee vlak voor ons; ik zag die lichtende golven, welke op mijn lichaam
braken, en die dan eenigermate schitterden; men zou gezegd hebben,
dat wij in een bad van kwik lagen. Tegen éen uur 's morgens was ik
erg vermoeid; mijne leden verstijfden door hevige krampen; Koenraad
moest mij ondersteunen, en nu rustte de zorg voor ons behoud op hem
alleen. Ik hoorde den armen jongen hijgen; zijn ademhaling werd kort
en gejaagd. Ik begreep dat het niet lang meer duren kon.

"Laat mij los, laat mij los!"

"Mijnheer los laten? nooit," riep hij, "ik hoop nog vóor mijnheer
te verdrinken."

Op dat oogenblik kwam de maan tusschen de wolken, welke de wind naar
het oosten joeg, te voorschijn. De zee schitterde door hare stralen;
dit weldadige licht deed onze krachten herleven. Ik richtte mijn
hoofd weer op; ik keek naar alle kanten rond en zag het fregat; het
was vijf kilometer van ons af, en vertoonde slechts een somberen,
nauw merkbaren klomp. Maar geen enkele sloep! Ik wilde roepen;
wat zou dit op zulk een afstand helpen! Mijne opgezwollen lippen
lieten geen enkel geluid door; Koenraad kon eenige woorden stamelen,
en ik hoorde hem eenige malen: "help! help!" roepen. Wij hielden ons
een oogenblik stil en luisterden. Was het misschien het suizen in
mijn oor, veroorzaakt door het bloed dat mij naar het hoofd joeg,
of hoorde ik inderdaad een kreet, die op Koenraads geroep antwoord gaf?

"Hebt gij het gehoord?" stamelde ik.

"Ja, ja!" en Koenraad riep nogmaals op wanhopigen toon. Ditmaal
vergisten wij ons niet; eene menschelijke stem gaf ons antwoord;
was het de stem van een ongelukkige of eenig ander slachtoffer van
den schok, dien het fregat ondervonden had? Of was het wellicht eene
sloep van de Abraham Lincoln, die ons in de duisternis zocht?

Koenraad spande eene laatste poging in; hij richtte zich op mijne
schouders op, terwijl ik hem met inspanning mijner laatste krachten
ondersteunde, hij hief zich ten halvenlijve uit het water op en viel
toen uitgeput weer neer.

"Wat hebt gij gezien?"

"Ik zag," stamelde hij, "ik zag ... maar laat ons niet praten ... laten
wij al onze krachten bewaren?"

Wat had hij gezien? Toen kwam, ik weet niet hoe, het monster mij voor
de eerste maal in de gedachten.... Maar die stem dan? De tijden waren
toch voorbij dat een Jonas in den buik van een walvisch zat.

Koenraad stiet mij altijd voor zich uit; nu en dan lichtte hij het
hoofd op, zag voor zich uit en riep, waarop eene andere stem, welke
ons hoe langer hoe meer naderde, het antwoord gaf. Mijne krachten
waren uitgeput; mijne vingers waren verstijfd; ik kon niet meer op
mijn handen steunen; mijn mond, dien ik zenuwachtig opende, liep vol
zeewater; ijskoude overviel mij; eene laatste maal lichtte ik het
hoofd nog eens op, en toen zonk ik in de diepte....

Op dit oogenblik stiet ik op een hard voorwerp; ik klampte mij er
aan vast; toen voelde ik dat men mij optrok en uit het water haalde;
ik haalde ruimer adem en viel in zwijm....

Ik kwam spoedig weer tot mijn bewustzijn, omdat men mij duchtig wreef;
ik opende de oogen....

"Koenraad!" fluisterde ik.

"Heeft mijnheer mij gebeld?" antwoordde Koenraad.

Op dat oogenblik bemerkte ik bij het licht der reeds ondergaande
maan een gelaat, dat niet van Koenraad was, maar hetwelk ik aanstonds
herkende.

"Ned!" riep ik uit.

"Hij zelf, mijnheer, en ik loop mijne premie na," antwoordde Ned Land.

"Zijt gij door den schok in zee geworpen?"

"Ja mijnheer de professor, maar gelukkiger dan gij ben ik bijna
onmiddellijk op een drijvend eiland neergekomen."

"Een eiland?"

"Ja of beter gezegd op uw reusachtigen eenhoorn."

"Verklaar u duidelijker Ned."

"En nu begreep ik aanstonds waarom mijn harpoen hem niet heeft
getroffen, en op zijn huid is afgesprongen."

"Waarom dan Ned, waarom?"

"Omdat dit beest, mijnheer de professor, van stalen platen gemaakt is."

Ik moest een oogenblik tot mijne zinnen komen en mijn
herinneringsvermogen te hulp roepen, ik moest mijne eigene beweringen
nog eens nagaan. De laatste woorden van Ned hadden een plotselingen
omkeer in mijne hersens te weeg gebracht. Ik kroop naar het hoogste
gedeelte van het wezen of het voorwerp, dat half in zee was weggezonken
en waarop wij eene toevlucht hadden gevonden. Ik stampte er met den
voet op; het was klaarblijkelijk een hard, ondoordringbaar voorwerp en
niet die weeke zelfstandigheid waaruit de massa der groote zeedieren
is samengesteld. Maar dit harde lichaam kon een beenachtig schild zijn,
zooals dat van voorwereldlijke dieren, en ik zou het monster misschien
kunnen rangschikken onder de kruipende dieren, zooals schildpadden
en alligators.

Welnu, dit was niet het geval; de zwartachtige rug, waarop wij zaten,
was glad, gepolijst, ongerimpeld; als men er op stampte gaf hij een
metaalklank van zich, en hoe ongeloofelijk het ook schijnen moge, hij
scheen van ijzeren platen gemaakt en met nagels in elkander geklonken
te zijn. Er was geen twijfel meer mogelijk; het dier, het monster,
het wonderlijke verschijnsel dat de geheele wereld in spanning had
gehouden, dat de verbeelding der zeelieden van de beide halfronden
had opgewonden en getroffen, was, ik moest het erkennen, een nog veel
wonderlijker verschijnsel, namelijk een wonder door menschenhanden
gemaakt. De ontdekking van het fabelachtige wezen uit de mythologie
zou mij niet zoo verbaasd hebben. Dat al wat wonder heet uit des
Scheppers hand komt is dood eenvoudig, maar dat men plotseling iets
onmogelijks voor zijne oogen ziet, dat op geheimzinnige wijze door
's menschen hand tot iets wezenlijks geworden is, dat was om iemand
geheel uit het veld te slaan!

Wij behoefden evenwel niet te aarzelen, wij bevonden ons boven op
een soort van onderzeesch vaartuig dat voor zoover als ik er over kan
oordeelen, den vorm had van een metalen visch. Ned Land had er zijn
meening reeds over gevormd; Koenraad en ik konden er zoo spoedig niet
toe komen.

"Maar dan bevat dit toestel," zeide ik, "een werktuig om het in
beweging te brengen en eene equipage om er mede om te gaan?"

"Natuurlijk," antwoordde de harpoenier, "en toch heeft dit drijvend
eiland gedurende de drie uur dat ik er op zit, nog geen teeken van
leven gegeven."

"Heeft het schip zich dan niet bewogen?"

"Neen mijnheer Aronnax; het laat zich door de golven voortwiegelen,
maar het beweegt zich niet."

"Wij weten toch zonder er aan te mogen twijfelen, dat het met groote
snelheid vooruit kan komen; en daar er eene machine noodig is om die
snelheid voort te brengen, en een machinist om de machine te besturen,
zoo houd ik het er voor, dat wij gered zijn."

"Hm!" zeide Ned, zonder zich verder uit te laten.

Op dat oogenblik, als om mijne bewijsvoering te bevestigen, begon
het water aan de achterste punt van dit zonderlinge werktuig heftig
op te borrelen, zoodat de beweging zeker door eene schroef moest
worden voortgebracht. Het schip stoof vooruit, wij hadden slechts den
tijd om ons aan de bovenzijde, welke ongeveer tachtig centimeter uit
het water stak, vast te klampen. Gelukkig was de snelheid niet zoo
buitengewoon groot.

"Zoolang het ding horizontaal doorvaart," mompelde Ned Land, "heb ik
niets te zeggen; maar als het de aardigheid heeft om eens te duiken,
dan geef ik geen twee dollars voor mijn huid."

Ned had er nog wel minder voor kunnen geven; het werd dus noodzakelijk
om ons in gemeenschap te stellen met de wezens, van welke soort ook,
die in dit ding zaten opgesloten; ik zocht aan de oppervlakte eene
opening, of een luik, maar de rijen bouten, welke vast aan de randen
der platen waren ingeklonken, waren allen hetzelfde. Bovendien verdween
de maan, en liet ons in volslagen duisternis. Wij moesten den dag
afwachten om op middelen te peinzen, hoe wij binnen in dit onderzeesche
schip zouden doordringen. Derhalve hing ons behoud alleen af van een
gril der geheimzinnige stuurlieden, die dit vaartuig bestuurden, en als
het dook waren wij verloren. Behalve in dit geval twijfelde ik er geen
oogenblik aan of wij konden ons met hen wel in gemeenschap stellen;
en inderdaad, als zij zelven geen lucht vervaardigden, moesten zij van
tijd tot tijd wel op de oppervlakte komen om hun voorraad versche lucht
te vernieuwen; er moest dus eene opening zijn, welke het binnenste
van het vaartuig met de buitenlucht in gemeenschap stelde.

Wij moesten de hoop geheel opgeven om door kapitein Farragut gered
te worden: wij werden naar het westen medegesleept, en ik berekende,
dat onze snelheid zoo wat twaalf kilometer in het uur bedroeg. De
schroef bewoog zich met wiskunstige regelmatigheid in het water,
en deed enkele malen als zij boven kwam het lichtende zeewater met
groote kracht opspuiten.

Tegen vier uur in den morgen nam de snelheid toe, en het was moeielijk
om ons bij die snelle vaart vast te houden, vooral als de golven
onze lichamen zweepten. Gelukkig ontmoette Ned's hand een grooten
ankerring, die aan het bovenvlak was vastgemaakt, en waaraan wij ons
stevig vastklampten. Eindelijk ging de lange nacht voorbij. Mijne
herinnering roept mij alle indrukken niet meer voor den geest, maar
éene bijzonderheid valt mij nog in. Als zee en wind eens voor een
oogenblik zwegen, meende ik verscheidene malen, een vaag geluid,
een soort van vluchtige harmonie, van verwijderde akkoorden te
hooren. Wat was dan toch het geheim van die onderzeesche vaart, naar
welker verklaring de geheele wereld te vergeefs zocht! Welke wezens
leefden er in dit zonderlinge vaartuig? Welk werktuig zou het met
zulk eene verbazende snelheid in beweging brengen?

De dag brak aan. Morgennevels omhulden ons, doch begonnen weldra te
scheuren. Ik wilde beginnen om het bovenvlak, dat eene soort van
horizontaal plat vormde, nauwkeurig te onderzoeken, toen ik het
vaartuig langzamerhand voelde wegzinken.

"Duizend duivels," riep Ned Land, terwijl hij met zijn voet op het
dof klinkende metaal stampte, "opent dan, ongastvrije schippers!"

Maar het was moeielijk om zich bij het verdoovende geraas van
de schroef te doen verstaan; gelukkig zonk het vaartuig niet
dieper. Plotseling hoorde ik een gekraak van sterk knarsende sloten
binnen in het vaartuig; eene plaat werd opgelicht, een man verscheen,
gaf een zonderlingen kreet en verdween oogenblikkelijk. Eenige
oogenblikken later verschenen er acht sterke klanten met bedekt gelaat,
en sleepten ons in hunne vervaarlijke machine naar beneden.


HOOFDSTUK VIII

Mobilis in Mobile.

Dat naarbinnenslepen was vrij lomp, doch had met de snelheid van
den bliksem plaats gehad. Wij hadden den tijd niet gehad om tot
ons zelven te komen. Ik weet niet wat mijne makkers ondervonden,
toen zij in die drijvende gevangenis naar beneden werden gehaald,
maar wat mij aanging, ik voelde eene kille huivering door mijne leden
gaan. Met wie hadden wij te doen? Zonder twijfel met zeeroovers van
een nieuwe soort, die op hunne wijze de zee doorkruisten.

Nauwelijks was het enge luik gesloten, of ik bevond mij in volslagen
duisternis. Mijne oogen, die nog verblind waren door het daglicht,
zagen niets. Ik voelde met mijne bloote voeten de treden van eene
ijzeren trap. Ned Land en Koen werden stevig aangegrepen en volgden
mij; onder aan de trap opende zich eene deur, die onmiddellijk achter
ons met dof geluid gesloten werd. Wij waren alleen. Waar? Ik kon het
niet zeggen, mij nauwelijks voorstellen. Alles was donker, maar zoo
volslagen donker, dat na eenige minuten wachtens mijne oogen zelfs
nog geen van die onbepaalde schemeringen zagen, welke men zelfs in
den donkersten nacht bemerkt. Ned Land was woedend over die wijze
van handelen, en liet zijne verontwaardiging den vrijen loop.

"Duizend duivels," riep hij, "dat zijn lui aan wie de Caledoniërs nog
een lesje in de gastvrijheid zouden kunnen geven! Het ontbreekt er nog
maar aan, dat het menscheneters zijn! Het zou mij niet verwonderen,
maar ik verklaar, dat ik mij niet zonder tegenstand zal laten opeten."

"Bedaar, vriend Ned, bedaar," antwoordde Koenraad kalm.

"Maak u vóor den tijd niet boos; wij liggen nog niet in de pan
te braden!"

"In de pan, neen," zeide Ned, "maar in den oven wel. Het is hier
waarachtig donker genoeg. Gelukkig heb ik mijn mes nog, en ik zie
genoeg om er mij van te bedienen."

Ik liep al tastende vooruit; na vijf of zes stap stiet ik tegen een
ijzeren muur van platen met bouten vastgeklonken. Toen ik mij omkeerde
voelde ik eene houten tafel, waarbij verscheiden bankjes stonden. De
vloer was bedekt met eene dikke mat, welke het geluid onzer schreden
verdoofde. Aan de naakte wanden voelde ik niets wat op deur of venster
geleek. Koenraad, die langs den tegenovergestelden kant had rondgetast,
kwam weder bij mij, waaruit het ons bleek dat de hut zoo wat twintig
voet lang en tien voet breed zijn moest. Wat de hoogte aangaat,
Ned Land kon, hoewel hij nog al lang was, den zolder niet bereiken.

Er was een half uur voorbijgegaan zonder dat de toestand veranderd
was, toen onze oogen van de diepste duisternis plotseling tot het
scherpste licht overgingen. Eensklaps werd onze gevangenis, verlicht,
dat is te zeggen, dat zij met zulk een schitterend licht vervuld werd,
dat ik het aan de oogen niet verdragen kon. Aan de helderheid en de
witheid herkende ik het als het electrieke schijnsel, dat rondom het
onderzeesche vaartuig dat prachtige lichtverschijnsel had teweeg
gebracht. Nadat ik de oogen eenige oogenblikken onwillekeurig had
gesloten gehouden, opende ik ze weer en zag dat het licht viel uit een
gepolijsten halven bol, welke in de zoldering der hut was aangebracht.

"Nu kan men ten minste zien," riep Ned, die met zijn mes in de hand
zich ter verdediging gereed hield.

"Ja," antwoordde ik, "maar onze toestand blijft er niettemin even
duister om."

"Laat mijnheer slechts geduld nemen," zeide de kalme Koenraad.

De plotselinge verlichting der hut liet mij die in de kleinste
bijzonderheden zien. Er waren slechts een tafel en vijf bankjes in te
vinden; de onzichtbare deur moest hermetisch gesloten zijn; geen het
minste geluid trof ons oor. Alles scheen dood in het vaartuig. Ging
het voorwaarts, dreef het aan de oppervlakte van den Oceaan, of was
het in de diepte gedaald? Ik kon het niet gissen.

Echter was dat licht niet voor niets ontstoken. Ik hoopte dus dat
eenigen van de equipage zich weldra zouden vertoonen. Als men de
menschen wil vergeten, verlicht men hunne gevangenis niet.

Ik bedroog mij niet; een geschuif van grendels deed zich hooren,
de deur ging open en twee mannen traden binnen.

De een was klein maar sterk gespierd, breed van schouders, zwaar
gebouwd van leden, met een krachtig hoofd, zwaar en zwart haar,
en dikken knevel, en een levendig en doordringend oog. Zijn geheele
persoon drukte die zuidelijke levendigheid uit, welke in Frankrijk het
kenmerk is der bewoners van Provence. De tweede onbekende verdient
uitvoeriger beschrijving; een gelaatkundige zou op diens aangezicht
als in een open boek gelezen hebben. Ik herkende zonder aarzelen een
heerschzuchtig karakter, vol vertrouwen op zich zelven, want zijn
hoofd stond edel op zijne schouders, en zijne zwarte oogen zagen u
aan met koele zekerheid; hij was kalm van natuur, want aan de licht
gekleurde huid was het te zien, dat zijn bloed langzaam stroomde; hij
bezat geestkracht, blijkens het snel samentrekken zijner wenkbrauwen;
eindelijk moest hij moed bezitten, want zijne ademhaling bewees,
dat hij groote levenskracht bezat. Ik voeg er nog bij dat die man
trotsch was, dat zijn vaste en kalme blik groote gedachten verried,
en dat hij stellig openhartig zijn moest, omdat de uitdrukking zijner
bewegingen geheel met die van zijn gelaat overeen kwam.

Onwillekeurig voelde ik mij in zijne tegenwoordigheid zeker, en ik
voorspelde mij veel goeds van die samenkomst. Was die man 35 of 50
jaar; ik zou het niet juist hebben kunnen zeggen. Hij was lang van
gestalte, had een breed voorhoofd, een fijnen rechten neus, een scherp
geteekenden mond, prachtige tanden en schoone lange handen. Hij was
zeker wel de verwonderlijkste type, welke ik ooit ontmoet had. Als iets
bijzonders merkte ik op, dat zijne oogen, welke een weinig ver van
elkander stonden, tegelijk een vierde gedeelte van den gezichteinder
konden omvatten, waardoor, zooals mij later bewezen werd, zijn gezicht
nog veel scherper was dan dat van Ned Land. Als die onbekende naar
eenig voorwerp zag, fronste hij de wenkbrauwen, trok het oog zoo te
samen, dat slechts de pupil zichtbaar bleef, beperkte daardoor den
blik alléen tot het bedoelde voorwerp en keek. Maar met welk een
blik! Hoe werden de door den afstand kleiner wordende voorwerpen
verduidelijkt! Hoe drong die blik in de ziel door! Hoe drong hij ook
door in die vloeistof, welke voor ons oog ondoorzichtig is; hoe las
hij in de diepten der zee!

De twee onbekenden hadden mutsen van bevervel op, en laarzen aan van
de huid van een walrus; zij droegen kleeren van bijzonder weefsel,
die de lichaamsvormen gunstig deden uitkomen, en groote vrijheid van
beweging toelieten.

De grootste van de twee, waarschijnlijk de bevelhebber van het
vaartuig, bekeek ons met bijzondere opmerkzaamheid, zonder een
enkel woord te zeggen; toen wendde hij zich tot zijn makker en
onderhield zich met hem in eene mij geheel onbekende taal. Het was
eene welluidende, harmonische, buigzame taal, welker klinkers op
verschillende wijzen schenen te kunnen worden uitgesproken. De ander
antwoordde met een hoofdschudden, en voegde er slechts twee of drie
volkomen onverstaanbare woorden bij, daarop scheen hij mij met zijn
blik te willen ondervragen. Ik antwoordde in het Fransch, dat ik
zijne taal niet verstond, maar hij scheen mij niet te begrijpen;
die toestand werd vrij lastig.

"Als mijnheer onze geschiedenis eens vertelde," zeide Koenraad,
"dan zouden die heeren er mogelijk eenige woorden van begrijpen."

Ik begon het verhaal van onze lotgevallen, terwijl ik op al mijne
woorden een bijzonderen nadruk legde, en geen enkele bijzonderheid
vergat. Ik gaf onze namen en hoedanigheden op, daarop stelde ik hem
volgens de wetten der wellevendheid den hoogleeraar Aronnax, zijn
knecht Koenraad en meester Ned Land den harpoenier voor.

De man met dien zachten en kalmen oogopslag, hoorde mij bedaard,
beleefd en met de grootste oplettendheid aan. Maar geen trek van zijn
gelaat verried, dat hij mij begrepen had. Toen ik gedaan had, sprak hij
geen woord. Ik kon nu nog beproeven hem in het Engelsch aan te spreken;
misschien verstond hij die taal; ik kende haar en ook Hoogduitsch;
maar beiden slechts genoeg om ze vlug te lezen, doch niet om ze vlot
te spreken. En hier kwam het er vooral op aan om mij te doen verstaan.

"Nu is het uwe beurt," zeide ik tot den harpoenier, "praat gij nu
eens in het beste Engelsch, dat ooit een Angelsaks gesproken heeft,
en beproef eens of gij gelukkiger zijt dan ik."

Ned liet het zich geen tweemaal zeggen en begon hetzelfde verhaal
als het mijne; het was in den grond hetzelfde, alleen de vorm
verschilde. De harpoenier door zijn driftig karakter medegesleept,
sprak met zeer veel vuur. Hij beklaagde zich hevig dat hij tegen
alle recht en billijkheid in gevangen werd gehouden, vroeg volgens
welke wet men hem vasthield, riep de habeas corpus-akte in, dreigde
hen te vervolgen, die hem onrechtvaardig opsloten, zwaaide met zijn
armen, schreeuwde en gaf eindelijk door zijne gebaren te kennen,
dat wij van honger stierven. Dit was volkomen waar, doch wij hadden
het bijna vergeten.

Tot zijne groote verbazing scheen het dat Ned evenmin verstaan was als
ik. Onze bezoekers vertrokken zelfs geen wenkbrauw, het was duidelijk
dat zij Fransch, noch Engelsch verstonden. Ik was verlegen omdat wij
onze welsprekendheid te vergeefs hadden uitgeput, en wist niet meer
wat te doen, toen Koenraad mij vroeg: "als mijnheer het goedvindt,
zal ik de zaak eens in 't Hoogduitsch vertellen."

"Wat, kent gij Duitsch?" riep ik uit.

"Een weinig, zooals bijna elk Nederlander, mijnheer!"

"Ga uw gang dan maar, mijn jongen."

En Koenraad vertelde met de grootste bedaardheid voor de derde
maal onze lotgevallen. Maar niettegenstaande de fraaie volzinnen
en het schoone stemgeluid van den verteller, slaagde het Duitsch
evenmin. Eindelijk tot het uiterste gebracht, trachtte ik mij alles nog
te herinneren, wat mij van mijne eerste studiën was bijgebleven, en ik
poogde hun onze geschiedenis in het Latijn te vertellen. Cicero zou
zich de ooren hebben toegestopt, en had mij naar de keuken gejaagd;
maar ik bracht het er redelijk wel af, de uitslag echter was even
ontmoedigend.

Toen deze laatste poging bepaald mislukt was, wisselden de beide
onbekenden eenige woorden in hunne onverstaanbare taal, en vertrokken
zonder ons zelfs met eenige geruststellende beweging te groeten. De
deur ging weer dicht.

"'t Is een schandaal!" schreeuwde Ned Land, die voor de twintigste
maal losbarstte. "Wat, men spreekt hen in het Fransch, Engelsch,
Duitsch en Latijn aan, en geen van die schavuiten heeft de beleefdheid
van te antwoorden!"

"Bedaar, vriend Ned," zeide ik tot den woedenden harpoenier, "uw
toorn leidt tot niets."

"Weet gij dan wel, mijnheer de professor," hernam mijn lichtgeraakte
metgezel, "dat men in die ijzeren kooi best van honger kan sterven?"

"Kom, kom!" zei Koenraad, "met een beetje philosophie kan men het
lang uithouden!"

"Vrienden," zeide ik, men moet niet wanhopen; wij hebben reeds in
vrij wat erger omstandigheden verkeerd. Doet mij dus het genoegen
om nog te wachten, voordat gij een oordeel over den kapitein en de
equipage van dit vaartuig velt."

"Mijn oordeel is reeds gevormd," antwoordde Ned Land, "het zijn
schelmen...."

"Goed, en uit welk land?"

"Uit het land van de schelmen!"

"Mijn beste Ned, dat land staat op de wereldkaart nog niet juist
aangeteekend, en ik beken dat de afkomst van die beide onbekenden
moeielijk te bepalen is. Men kan alleen zeggen, dat het geen Franschen,
Engelschen of Duitschers zijn; evenwel houd ik het er voor, dat die
kapitein en zijn stuurman dicht bij den evenaar geboren zijn; er is
iets zuidelijks in hun voorkomen; maar hun gelaat en vormen kunnen
niet doen beslissen of het Spanjaarden, Turken, Arabieren of Indiërs
zijn. Hunne taal is geheel onverstaanbaar."

"Dat is nu het onaangename van niet alle talen te kennen," antwoordde
Koenraad, "of het nadeel van niet éene eenige wereldtaal te bezitten."

"Dat zou tot niets leiden!" sprak Ned Land. "Hoort gij niet dat dit
volk eene taal op hun eigen hand heeft, een gerammel om iemand wanhopig
te maken, die om eten vraagt! Maar begrijpt men in alle landen van
de wereld niet, wat het beteekent als men den mond open doet, zijn
kakebeen op en neer beweegt, en met tanden en lippen klapt? Wil dat
niet overal, in Quebec en op de Pomotu-eilanden, te Parijs en in
Japan zeggen: ik heb honger, geef mij wat eten?"

"Och," zeide Koenraad, "er zijn zulke onbegrijpelijke menschen."

Toen hij dit zeide ging de deur open, er kwam een hofmeester binnen,
die kleeren bracht van eene stof vervaardigd, welke ik niet kende. Ik
haastte mij om ze aan te trekken, en mijne makkers volgden mijn
voorbeeld.

Gedurende dien tijd had de hofmeester, misschien wel een doofstomme,
de tafel voor drie personen gedekt.

"Dat lijkt toch ernst te zijn," zeide Koenraad, "een goed voorteeken!"

"'t Zou wat," antwoordde de haatdragende harpoenier, "wat drommel
zouden wij hier te eten krijgen? Schildpaddenlever, haaiengebraad,
zeehondenbiefstuk!"

"Dat zullen wij eens zien!" zeide Koenraad.

Eenige schotels met zilveren deksels werden in orde op de tafel gezet,
en wij namen plaats. Het was zeker dat wij met beschaafde lieden
te doen hadden, en zonder het electrieke licht waaronder wij zaten,
zou ik gedacht hebben in een hôtel aan de table d'hôte te zitten. Ik
moet echter zeggen, dat brood en wijn geheel ontbraken. Het water
was frisch en helder, maar--water viel in 't geheel niet in den
smaak van Ned Land. Onder de opgediende gerechten herkende ik eenige
heerlijk klaargemaakte vischsoorten, maar over eenige overigens lekkere
schotels, kon ik geen oordeel uitspreken en ik zou zelfs niet hebben
kunnen zeggen of ze tot het planten- of dierenrijk behoorden. Het
servies en tafelzilver waren net en smaakvol. Elk stuk, lepel, vork,
mes, bord, enz., was met eene letter geteekend, waaromheen in een
kringetje eenige woorden stonden, op deze wijze:

MOBILIS

N

IN MOBILE

Mobilis in mobile [1], een devies, dat zeker sloeg op het vaartuig,
waarin wij ons bevonden; de letter N was waarschijnlijk de eerste
letter van den naam van den raadselachtigen persoon, die hier in de
diepte der zee bevel voerde.

Ned en Koenraad maakten niet zooveel opmerkingen. Zij aten maar, en
ik volgde weldra hun voorbeeld. Ik was bovendien gerust in ons lot,
daar het duidelijk bleek, dat onze gastheeren ons niet van honger
wilden doen sterven. Alles eindigt evenwel hier beneden, alles, zelfs
de honger van menschen, die in geen vijftien uur gegeten hebben. Toen
onze honger gestild was, deed zich de behoefte aan slaap geducht
voelen. Het was zeer natuurlijk ook, na dien eindeloozen nacht,
gedurende welken wij met den dood geworsteld hadden.

"Nu zal ik wel slapen," zeide Koenraad.

"En ik slaap al!" bromde Ned Land, die even als Koenraad op de
vloermatten ging liggen, waar wij weldra vast sliepen. Ik kon
den slaap nog zoo gemakkelijk niet vatten; te veel denkbeelden
doorkruisten mijn geest, te veel onoplosbare vragen kwamen in mij
op, al te veel voorstellingen hielden mijne oogen geopend. Waar
bevonden wij ons? Welke vreemde macht sleepte ons mede. Ik voelde
of liever ik meende te voelen, dat het vaartuig in het diepste
gedeelte der zee daalde; vreeselijke nachtmerriën plaagden mij;
ik zag in die geheimzinnige diepte een wereld van onbekende dieren,
welker samenleving dit onderzeesche vaartuig scheen te deelen, levend,
zich bewegend, even afschuwelijk van gedaante als zij!... Toen werd
het kalmer in mijn geest, mijn denkvermogen loste zich op in eene
onbepaalde lusteloosheid, en ik viel weldra in een doffen slaap.


HOOFDSTUK IX

Woede van Ned Land.

Hoe lang die slaap duurde, weet ik niet; maar het moet lang geduurd
hebben, want wij waren geheel van onze vermoeienissen hersteld. Ik werd
het eerste wakker; mijne makkers bewogen zich nog niet en bleven als
wezenlooze wezens in hun hoek liggen. Nauwelijks was ik van mijn vrij
hard leger opgestaan, of mijn geest was weder helder, mijn denkvermogen
opgeklaard. Ik begon onze cel op nieuw nauwkeurig te onderzoeken. Niets
was er veranderd: wij waren gevangenen gebleven. Gedurende onzen slaap
had de hofmeester de tafel afgenomen; niets duidde dus aan dat onze
toestand spoedig zou veranderen, en ik vroeg mij ernstig af of wij
bestemd waren om altijd in die kooi te leven. Dit vooruitzicht scheen
mij des te onaangenamer toe, omdat, al was mijn hoofd helderder dan
den vorigen dag, ik eene zonderlinge gedruktheid op de borst voelde. Ik
haalde moeielijk adem: de zware lucht was voor mijne longen niet meer
voldoende; hoe groot onze cel ook was, het was duidelijk dat wij het
grootste deel van de daarin aanwezige zuurstof verbruikt hadden; ieder
mensch toch verbruikt in éen uur de zuurstof, welke in honderd liter
lucht vervat is, en die lucht met eene bijna even groote hoeveelheid
koolzuur bezwangerd, wordt dan ongeschikt voor de ademhaling.

Het was dus hoogst noodzakelijk om de lucht in onze gevangenis
te ververschen, en zonder twijfel ook de lucht in het geheele
vaartuig. Hier deed zich eene vraag bij mij op. Hoe handelde
de kapitein van dit drijvende toestel? Verkreeg hij lucht langs
scheikundigen weg, door de zuurstof door middel van warmte uit
chloorzure potasch af te zonderen, en koolzuur met bijtende potasch
te verbinden? In dat geval moest hij toch in eenige betrekking staan
met het land, ten einde zich de noodige grondstoffen te verschaffen,
welke hiertoe noodig waren. Of bepaalde hij er zich slechts toe
om de lucht onder deze drukking in bewaarplaatsen op te hoopen,
en die te verspreiden, naarmate het scheepsvolk er behoefte aan
had? Misschien. Of gebruikt hij een gemakkelijker, goedkooper en dus
ook waarschijnlijker middel, namelijk om aan het oppervlak der zee
als een walvisch te komen ademhalen, en zijn voorraad lucht voor 24
uur te vernieuwen? Hoe het ook zij en welk zijn stelsel ware, het
kwam mij voor dat hij voorzichtig handelen zou als hij het zonder
lang te wachten in het werk stelde.

Ik moest reeds sneller ademhalen om het weinigje zuurstof, hetwelk
de cel nog bevatte in mijne longen te brengen, toen ik plotseling
verfrischt werd door zuivere zeelucht. Ik opende den mond wagewijd,
en mijne longen werden met versche lucht verzadigd. Tegelijkertijd
voelde ik eene schommeling, een kleine slingering, maar welke volkomen
duidelijk te herkennen was. Het vaartuig, het metalen monster, was naar
de oppervlakte van den Oceaan gerezen om er evenals de walvisschen
adem te halen. De wijze van luchtverversching van het vaartuig had
ik dus duidelijk herkend.

Toen ik die zuivere lucht met volle borst had ingeademd, zocht ik
naar de geleidingsbuizen, welke dien weldadigen luchtstroom tot ons
deden komen, en ik vond die spoedig. Boven de deur was een luchtgat,
waardoor een stroom versche lucht kon binnen komen, om de bedorven
atmosfeer van onze cel te ververschen.

Zóover was ik met mijne opmerkingen gekomen, toen Ned en Koenraad
bijna tegelijk door dien stroom van versche lucht wakker werden. Zij
wreven zich de oogen, rekten de armen uit en waren in een oogenblik
op de been.

"Heeft mijnheer goed geslapen?" vroeg Koenraad mij met zijne gewone
beleefdheid.

"Heel goed, mijn jongen," antwoordde ik, "en gij Ned Land?"

"Als een os, mijnheer de professor. Maar ik weet niet of ik mij vergis,
het is alsof ik zeelucht inadem."

Een zeeman kon zich daarin niet bedriegen, en ik vertelde wat er
gedurende hun slaap had plaats gehad.

"Zoo," zeide hij, "dat verklaart volkomen het gebrul dat wij hoorden,
toen de Abraham Lincoln den zoogenaamden eenhoorn in het gezicht
kreeg."

"Zoo is het Ned, het was zijne ademhaling."

"Maar, mijnheer Aronnax, ik kan in de verte zelfs niet gissen hoe
laat het is, of het moest het uur van het middagmaal zijn?"

"Het uur van ons middagmaal, brave harpoenier? Zeg liever het uur van
't ontbijt, want wij zijn zeker reeds meer dan een dag hier."

"Dat bewijst," antwoordde Koenraad, "dat wij vierentwintig uur
geslapen hebben."

"Zoo denk ik er ook over," antwoordde ik.

"Ik spreek u niet tegen," hernam Ned Land, "maar middagmaal of ontbijt,
de hofmeester zal welkom zijn als hij het een en ander brengt."

"Het een en het ander," zeide Koenraad.

"Juist," antwoordde Ned, "wij hebben recht op een dubbel maal, en
wat mij aangaat, ik zal aan beiden eer genoeg bewijzen."

"Welnu Ned, laat ons wachten," antwoordde ik, "het is duidelijk dat
die onbekenden ons niet van honger willen laten sterven, want in dat
geval zou het eten van gisteren avond ongerijmd zijn."

"Of men moest ons willen vetmesten," hernam Ned.

"Dat spreek ik tegen," zeide ik, "wij zijn niet in handen van
menscheneters gevallen."

"Eens is nog geene gewoonte," merkte de harpoenier ernstig op "Wie weet
of die kerels niet sinds lang naar versch vleesch hebben uitgezien, en
in dat geval zijn drie gezonde en goed gebouwde menschen als mijnheer,
Koen en ik...."

"Verban toch die gedachten Ned, en neem daaruit vooral geene aanleiding
om u boos te maken tegen die menschen, want dat zou onzen toestand
slechts verergeren."

"In allen gevalle," sprak Ned, "heb ik een honger als de duivel,
en middagmaal of ontbijt, wij schijnen geen van beiden te krijgen."

"Zeg eens Ned," gaf ik ten antwoord, "wij moeten ons aan de scheepswet
onderwerpen, en ik houd het er voor, dat onze maag vóor is bij het
horloge van den kok."

"Welnu dan zal ik haar gelijk zetten," sprak Koenraad bedaard.

"Daaraan herken ik u weder, vriend Koen," zeide de ongeduldige Ned,
"gij zijt niet toornig of zenuwachtig; altijd bedaard! Gij zoudt in
staat zijn om te danken in plaats van te bidden en eerder van honger
te sterven dan u te beklagen."

"Waartoe zou dat ook dienen?" vroeg Koenraad.

"Alléen om maar te klagen, en dat is reeds iets. Als die zeeroovers
(ik noem ze zeeroovers, om mijnheer niet te ergeren, die verbiedt
om ze menscheneters te noemen), als die zeeroovers zich verbeelden
dat zij mij in die stinkende kooi zullen houden, zonder nog eerst
te hooren met welke verwenschingen ik aan mijne woede lucht geef,
dan zullen zij zich bedriegen. Spreek eens vrij uit, mijnheer, zoudt
gij denken dat zij ons lang in die ijzeren kooi houden?"

"Om u de waarheid te zeggen Ned, weet ik er niet veel meer van
dan gij."

"Maar wat veronderstelt gij dan?"

"Ik veronderstel dat het toeval ons in het bezit gesteld heeft van
een belangrijk geheim. Indien dus de equipage van dit vaartuig er
belang bij heeft om het te bewaren, dan geloof ik dat ons leven
groot gevaar loopt. In het tegenovergestelde geval zal het monster,
dat ons heeft ingeslokt, ons wel weder op de bewoonde aarde uitspuwen."

"Of men moest ons onder de equipage opnemen," zeide Koenraad,
"en ons zóo lang houden...."

"Tot op het oogenblik," antwoordde Ned Land, "dat eenig fregat,
dat harder stoomt, en behendiger is dan de Abraham Lincoln, zich
van dit nest van zeeschuimers meester maakt, en de equipage en ons
aan het uiteinde van de groote ra voor de laatste maal een luchtje
laat scheppen."

"Mooi gezegd, Ned," hervatte ik, "maar voor zoover ik weet, heeft men
ons nog geen voorstel in dien geest gedaan. Het is dus onnoodig om te
twisten over de partij, welke wij moeten nemen, als dit gebeurt. Ik
herhaal het u dat wij moeten wachten; laat ons met de omstandigheden
te rade gaan, en niets doen, omdat wij toch niets doen kunnen."

"Integendeel, mijnheer de professor," zeide de harpoenier, die niet
van zijn stuk te brengen was, "men moet iets doen."

"En wat dan, baas Land?"

"Vluchten."

"Om uit eene aardsche gevangenis te ontsnappen is soms zeer moeilijk,
maar om uit eene onderzeesche gevangenis te ontkomen schijnt mij
geheel onmogelijk."

"Komaan, vriend Ned," vroeg Koenraad, "wat antwoordt gij daarop? Ik
kan niet gelooven dat een Amerikaan ooit ten einde raad is."

De harpoenier was zichtbaar verlegen, en zweeg. Eene ontvluchting was
in ons geval bepaald onmogelijk. Maar een inboorling van Canada is
zoowat een halve Franschman, en dat bewees Ned Land door zijn antwoord.

"Kunt gij dan niet raden, mijnheer," vroeg Ned na eenige oogenblikken
nadenkens, "wat mannen moeten doen, die niet uit hunne gevangenis
kunnen ontsnappen?"

"Nog niet, mijn vriend."

"Dat is dood eenvoudig, dan moeten zij beproeven om er zoo goed
mogelijk in te blijven."

"Dat geloof ik wel," zeide Koenraad, "het is toch beter er in, dan
er op of er onder."

"Maar als men cipier en oppassers er uit gooit," voegde Ned Land
er bij.

"Wat, Ned? Zoudt gij er wezenlijk aan denken, om u van dit vaartuig
meester te maken?"

"Zeker," antwoordde de harpoenier.

"Dat is onmogelijk!"

"Waarom, mijnheer? Misschien krijgen wij wel eens eene gunstige kans,
en ik zie niet in waarom wij daarvan geen gebruik zouden maken. Als
er maar een twintigtal aan boord zijn, dan zullen twee Franschen en
Ned Land toch voor zoo'n handjevol volks niet bang zijn?"

Het was nog beter om het voorstel van den harpoenier aan te nemen
dan er over te twisten; daarom antwoordde ik:

"Laat de kans eerst komen, en dan zullen wij eens zien. Maar tot
dien tijd toe verzoek ik u uw óngeduld te bedwingen; men kan slechts
met list handelen, en als gij u kwaad maakt, zult gij zeker geene
gunstige kans krijgen. Beloof mij dus, u zonder opgewonden drift in
de omstandigheden te schikken?"

"Ik beloof het u, mijnheer de professor," antwoordde Ned op weinig
geruststellenden toon. "Er zal geen driftig woord meer uit mijn mond
komen, geen enkele brutale handeling zal mij verraden, zelfs als
wij niet zoo regelmatig als wij wenschen de tafel voor ons zullen
zien dekken."

"Ik houd u aan uw woord, Ned!" zeide ik.

Daarop zwegen wij stil, en elk onzer gaf zich aan zijne overpeinzingen
over. Ik beken, dat ik niettegenstaande de verzekering van den
harpoenier, mij geene illusiën maakte; ik geloofde niet aan die
gunstige kans, waarvan Ned Land gesproken had. Om zoo goed bestuurd
te worden, had het vaartuig zeker eene talrijke equipage noodig,
en daarom zouden wij bij eene worsteling met eene veel te groote
overmacht te doen hebben. Overigens moesten wij voor alles vrij zijn,
en dat waren wij niet. Ik zag zelfs geen enkel middel om uit de goed
gesloten ijzeren hut te geraken; en als de vreemde kapitein van dat
schip een geheim te bewaren had, wat mij ten minste waarschijnlijk
toescheen, dan zou hij ons niet vrij aan boord laten rondloopen. Zou
hij zich nu met geweld van ons ontslaan, of zou hij ons te eeniger
tijd in het een of ander land afzetten? Dit bleef de vraag. Al die
veronderstellingen schenen mij even waarschijnlijk, en men moest een
harpoenier zijn om ooit op eene bevrijding te hopen.

Overigens begreep ik dat Ned Lands verbittering toenam, naarmate zijne
overdenkingen zich geheel van zijne drift meester maakten. Ik hoorde
hem nu en dan half verstaanbare vloeken mompelen, en ik zag dat hij
op nieuw dreigende gebaren maakte. Hij stond op, liep als een wild
dier in eene kooi rond, en stampte met handen en voeten tegen den
muur. Bovendien verliep de tijd, de honger deed zich erg gevoelen en
de hofmeester verscheen nog niet. Als men ons goed wilde behandelen,
dan vergat men ons, ongelukkige schipbreukelingen, toch wat al te
lang. Ned Land, wiens sterke maag hem begon te plagen, werd hoe langer
hoe driftiger, en hoewel hij mij zijn woord gegeven had, vreesde ik
inderdaad eene uitbarsting, als hij een van de equipage onder handen
kon krijgen. Zijn toorn vermeerderde nog gedurende twee lange uren; hij
riep en schreeuwde, maar te vergeefs. De ijzeren muren waren doof. Ik
hoorde geen het minste geluid in het vaartuig, welks bemanning dood
scheen te zijn. Het schip bewoog zich niet, anders zou ik de trillingen
wel bemerkt hebben, welke het draaien eener schroef veroorzaakt. Het
was zonder twijfel in de diepte der zee afgedaald en behoorde niet meer
tot deze aarde; die doodsche stilte was vreeselijk! Ik durfde er zelfs
niet naar te raden hoe lang onze verlatenheid, of onze eenzaamheid nog
duren zou; langzamerhand verdwenen de verwachtingen, welke ik na onze
ontmoeting met den kapitein gekoesterd had. De zachte blik van dien
man, de edelmoedige uitdrukking van zijn gelaat, de waardigheid in
zijne houding, dit alles verdween uit mijne herinnering. Ik beschouwde
het raadselachtige wezen slechts als onmeedoogend en wreed: ik stelde
mij hem voor als onmenschelijk, ongevoelig voor eenig medelijden,
hard jegens zijne medemenschen aan wie hij een eeuwigen haat scheen
te hebben gezworen. Maar zou die man ons van honger doen sterven,
opgesloten in deze enge gevangenis, en overgegeven aan die vreeselijke
gedachten, welke woedende honger bij den mensch soms opwekt? Dit
ontzettende denkbeeld kwam langzamerhand bij mij tot rijpheid,
en in mijne verbeelding gevoelde ik, dat eene onzinnige vrees mij
bekroop. Koenraad bleef kalm, Ned Land brulde nu en dan van woede.

Op dat oogenblik hoorden wij eenig geraas buiten onze gevangenis;
voetstappen weerklonken op den metalen vloer; sloten werden omgedraaid,
de deur ging open en de hofmeester verscheen. Voordat ik iets kon doen
om het te verhinderen, had Ned Land zich op den ongelukkige geworpen;
hij wierp hem op den grond en greep hem bij de keel; de hofmeester
stikte bijna onder die geweldige vuisten. Koenraad trachtte het
halfdoode slachtoffer aan de handen van den woedenden harpoenier
te onttrekken, en ik wilde hem helpen, toen ik plotseling aan mijne
plaats genageld bleef staan door het uitspreken van deze woorden in
de Fransche taal:

"Wees bedaard, mijnheer Land, en gij, mijnheer de professor, hoor
mij aan."



HOOFDSTUK X

De man der zee.

Hij, die zoo sprak was de gezagvoerder van het vaartuig.

Bij die woorden stond Ned Lang plotseling op; de bijna geworgde
hofmeester ging met wankelende schreden de deur uit, toen zijn meester
dit met een wenk beval; en zóo groot was de invloed van den kapitein
op zijne onderhoorigen, dat geen enkele trek op het gelaat van den
hofmeester de wraak aanduidde, welke die man tegen den harpoenier
moest koesteren. In de grootste verbazing wachtten Koenraad en ik af
hoe dit tooneel zou afloopen. De kapitein leunde tegen een hoek van
de tafel, sloeg de armen over elkander en bekeek ons met de grootste
aandacht. Aarzelde hij om te spreken, of had hij berouw over de pas
in het Fransch gesproken woorden? Ik kon het niet gelooven. Na eenige
oogenblikken van een stilzwijgen, dat geen onzer durfde af te breken,
zeide hij met bedaarde doch doordringende stem:

"Mijne heeren, ik spreek Fransch, Engelsch, Hoogduitsch en Latijn. Ik
had u dus bij ons eerste samenzijn reeds kunnen antwoorden, doch ik
wilde u eerst kennen en dan eens nadenken. Uw viervoudig verhaal, dat
in den grond volkomen gelijk was, heeft mij u doen kennen. Ik weet nu,
dat het toeval mij samen heeft gebracht met den heer Pierre Aronnax,
hoogleeraar in de natuurlijke geschiedenis aan het Museum te Parijs,
Koenraad zijn bediende en Ned Land uit Canada, harpoenier aan boord
van de Abraham Lincoln, een stoomschip van de nationale marine der
Vereenigde Staten."

Ik boog ten teeken van toestemming; het was geene vraag, welke hij
mij deed; derhalve was er ook geen antwoord noodig. Die man sprak
met eene bijzondere gemakkelijkheid, zonder eenig merkbaar accent;
zijne volzinnen waren afgerond, zijne woorden juist gekozen, en hij
had eene opmerkelijk goede uitspraak, en toch gevoelde ik dat het
geen landgenoot van mij was. Hierop vervolgde hij aldus:

"Gij hebt waarschijnlijk gedacht, mijnheer, dat het lang duurde voor
ik u een tweede bezoek bracht; dit was omdat ik, toen ik niet wist
wie gij waart, eerst rijpelijk wilde overdenken, welke partij ik ten
uwen opzichte nemen moest; ik heb lang geaarzeld. De meest toevallige
omstandigheden hebben u bij een man gebracht, die met de menschheid
gebroken heeft. Gij zijt mijn leven komen storen...."

"Onwillekeurig", zeide ik.

"Hoe, onwillekeurig?" vroeg de onbekende met verheffing van stem. "Is
het onwillekeurig dat de Abraham Lincoln mij in alle zeeën heeft
opgezocht? Is het onwillekeurig dat gij aan boord van dat fregat
gekomen zijt? Is het onwillekeurig dat de kanonkogels afgestuit zijn
op den romp van mijn vaartuig? Is het onwillekeurig dat Ned Land zijn
harpoen op mij heeft afgeworpen?"

Ik bemerkte in de woorden een kwalijk bedwongen toorn. Maar op die
beschuldigingen had ik een zeer natuurlijk antwoord, en ik gaf dit
in deze woorden: "Gij weet zeker niet, mijnheer, welke twistvragen
er in Amerika en Europa ten uwen opzichte gerezen zijn; gij weet
waarschijnlijk niet dat verschillende ongelukken, die het gevolg waren
van botsingen met uw onderzeesch vaartuig, de openbare meening in beide
werelddeelen hevig geschokt hebben. Ik zal u niet vermoeien met al de
veronderstellingen, welke men maakte om daarmede het onverklaarbare
verschijnsel te verklaren, waarvan gij alleen het geheim bezit,
maar gij zult mij wel willen gelooven als ik u verzeker, dat toen
de Abraham Lincoln u in het noorden der Stille Zuidzee vervolgde,
wij een sterk zeemonster meenden na te jagen, van hetwelk men den
Oceaan, het kostte wat het wilde, moest verlossen."

Een glimlach speelde om de lippen van den kapitein, die op kalmer
toon vroeg: "Mijnheer Aronnax, zoudt gij durven verzekeren dat uw
fregat niet even goed een onderzeesch vaartuig als een monster zou
hebben vervolgd en beschoten?"

Deze vraag bracht mij in verlegenheid, want kapitein Farragut zou
zeker niet geaarzeld hebben. Hij zou gewis gemeend hebben dat het
zijn plicht was om dit toestel even goed als een reusachtigen eenhoorn
te vernielen.

"Gij begrijpt dus, mijnheer", hervatte de onbekende, "dat ik het
recht heb om u als vijanden te beschouwen."

Ik antwoordde niets, en met reden; waarom zou ik over zulke woorden
twisten, als het geweld de beste bewijsgronden smoren kan?

"Ik heb lang geaarzeld", vervolgde de gezagvoerder, "niets noodzaakte
mij om u gastvrijheid te verleenen: als ik mij van u wilde ontdoen
had ik geen enkel belang om u te houden; ik had u dan weer op het plat
gezet, dat u reeds eens tot schuilplaats diende, ik zou het vaartuig
in zee hebben doen zinken, en ik zou vergeten hebben, dat gij ooit
bestaan hadt. Had ik daartoe geen recht?"

"Dit was misschien het recht van een wilde", antwoordde ik, "maar
zeker niet van een beschaafd mensch."

"Ik ben geen beschaafd mensch", hernam de kapitein driftig, "zooals gij
mij gelieft te noemen, mijnheer de professor; ik heb met de geheele
maatschappij gebroken om redenen, welke ik alleen het recht heb te
beoordeelen. Ik gehoorzaam dus niet aan de wetten dier maatschappij,
en ik verzoek u die nimmer in mijne tegenwoordigheid in te roepen."

Dit was duidelijk; toorn en verachting straalden uit het oog van den
onbekende, en ik vermoedde dat die man een vreeselijk verleden achter
zich had. Niet alleen gehoorzaamde hij niet meer aan de menschelijke
wetten, maar hij had zich vrij en onafhankelijk gemaakt in de strengste
opvatting van het woord, zonder dat iemand hem bereiken kon. Wie toch
zou hem in de diepten der zee durven vervolgen, daar zelfs aan de
oppervlakte alle tegen hem in het werk gestelde pogingen een ijdel
spel bleken te zijn! Welk schip zou weerstand kunnen bieden aan den
schok van dien onderzeeschen monitor? Welke pantsering, hoe dik ook,
zou een stoot van dit vaartuig weerstaan? Geen enkel mensch kon hem
rekenschap vragen van zijne daden; de eenige rechters, welke iets op
hem vermochten, waren God, zoo hij in Hem geloofde en zijn geweten,
indien hij er een had. Deze opmerkingen kwamen mij voor den geest,
terwijl die vreemde man eenige oogenblikken als in zich zelven gekeerd
zweeg. Ik beschouwde hem, waarschijnlijk evenals Oedipus den Sfinx,
met belangstelling en afgrijzen tevens.

Na een vrij lang stilzwijgen nam hij wederom het woord: "Ik heb dus
geaarzeld, maar dacht eindelijk dat mijn belang wellicht overeenstemde
met dat natuurlijke medelijden, waarop elk sterveling recht heeft. Gij
zult bij mij aan boord blijven, omdat het toeval u daar toch heeft
heengevoerd; gij zult er vrij zijn, doch in ruil voor die vrijheid,
welke trouwens zeer betrekkelijk is, leg ik u slechts éene voorwaarde
op; het is mij genoeg als gij mij daarop uw woord geeft."

"Spreek, mijnheer," antwoordde ik, "ik stel mij voor dat dit eene
voorwaarde is, welke elk eerlijk man zal kunnen aannemen."

"Dat is zoo, mijnheer; het is de volgende: het is mogelijk, dat
zekere onvoorziene omstandigheden mij verplichten, om u gedurende
eenige dagen of uren in uwe hutten op te sluiten. Daar ik nimmer
geweld wil gebruiken, verwacht ik van u in dat geval nog meer dan
anders lijdelijke gehoorzaamheid. Door zoo te handelen ontsla ik u
van alle verantwoordelijkheid, want het is mijne zaak om u in de
onmogelijkheid te stellen van datgene te zien, wat gij niet zien
moogt. Neemt gij die voorwaarde aan?"

Er gebeurden dus aan boord op zijn allerminst zonderlinge zaken,
welke niet gezien mochten worden door menschen, die zich nog niet
geheel en al buiten de wetten der maatschappij gesteld hadden. Onder
al de verrassingen, welke de toekomst voor ons opleverde, zou dit
zeker niet de minst belangrijke zijn.

"Wij nemen haar aan," antwoordde ik; "ik verzoek u echter mij, te
vergunnen, mijnheer, u éene enkele vraag te doen."

"Spreek op, mijnheer!"

"Gij hebt gezegd dat wij vrij zouden zijn?"

"Geheel vrij!"

"Daarom vraag ik u wat gij onder die vrijheid verstaat."

"Wel, de vrijheid van te gaan, te komen, te zien en alles na te gaan
wat hier gebeurt, uitgezonderd in eenige zeer enkele gevallen, kortom
de vrijheid, welke mijne makkers en ik zelf genieten."

Het was duidelijk dat wij elkander begrepen.

"Vergeef mij, mijnheer," hernam ik, "maar dat is slechts die vrijheid,
welke elke gevangene heeft om in zijne gevangenis rond te loopen;
dat is voor ons niet genoeg."

"Gij zult u daarmede toch tevreden moeten stellen.".

"Wat? moeten wij dan het denkbeeld laten varen om ooit ons vaderland,
onze vrienden en bloedverwanten terug te zien?"

"Ja mijnheer: maar het is misschien niet zoo moeielijk als gij denkt,
om het onverdraaglijke aardsche juk af te schudden, hetwelk de menschen
meenen dat vrijheid is."

"Welnu komaan," riep Ned Land, "ik zal nooit mijn woord van eer er
op geven, dat ik niet eens beproeven zal om te ontvluchten."

"Ik vraag uw woord van eer niet, meester Land," antwoordde de kapitein
koeltjes.

"Mijnheer," hernam ik, terwijl ik onwillekeurig driftig werd, "gij
maakt misbruik van onzen toestand, dat is wreed."

"Volstrekt niet, mijnheer, dat is goedheid. Gij zijt na den strijd
mijne gevangenen geworden; ik houd u, ofschoon ik u met een enkel
woord weder in zee kon doen werpen. Gij hebt mij aangevallen; gij
hebt een geheim ontdekt, hetwelk geen sterveling ooit mag doorgronden,
want het is het geheim van mijn bestaan; en gij gelooft nog dat ik u
naar de bewoonde aarde zou terug zenden, welke mij niet meer kennen
mag?... Nooit; als ik u hier houd, bewaar ik niet u, maar mij zelven."

Deze woorden duidden genoegzaam aan dat de kapitein eene partij
gekozen had, tegen welke geen praten iets zou vermogen.

"Gij geeft ons dus eenvoudig weg te kiezen tusschen het leven en den
dood?" hernam ik.

"Ja, dood eenvoudig."

"Vrienden," zeide ik, op zulk eene vraag is er niet veel te
antwoorden. Maar ons woord van eer bindt ons niet aan den kapitein
van dit vaartuig."

"Het is zooals gij zegt," antwoordde de onbekende. Daarop vervolgde
hij met zachte stem:

"Laat ik nu verder gaan met hetgeen ik u te zeggen had; ik ken u,
mijnheer Aronnax, gij zult u wellicht niet zoozeer als uwe makkers te
beklagen hebben over het toeval, dat u tot mij heeft gebracht. Gij
zult onder de boeken, welke voor mijne lievelingsstudie dienen, het
werk vinden, hetwelk gij over de diepten der zee hebt uitgegeven. Ik
heb het dikwijls gelezen; gij hebt in dat werk alles medegedeeld,
wat de aardsche wetenschap kent, maar gij weet niet alles, gij hebt
niet alles gezien. Ik zeg u, mijnheer de professor, dat gij u den tijd
niet zult beklagen, welken gij bij mij aan boord doorbrengt; gij zult
eene reis door eene wereld van wonderen doen. Gij zult waarschijnlijk
voortdurend verwonderd, ja zelfs verstomd staan; vermoedelijk zult gij
niet spoedig genoeg hebben van het schouwspel hetwelk u voortdurend
wordt aangeboden. Ik ga op eene nieuwe onderzeesche reis om de aarde,
welke misschien de laatste zal zijn, al datgene nog eens weder
beschouwen, wat ik in die zoo dikwijls bezochte diepten bestudeerd
heb, en gij zult daarin mijn deelgenoot zijn. Van heden af betreedt
gij eene nieuwe wereld; gij zult zien, wat geen mensch nog gezien
heeft, want ik en mijne equipage behooren niet meer tot de menschen,
en onze planeet zal u door mij hare innigste geheimen laten zien."

Ik wil niet ontkennen dat die woorden van den kapitein grooten indruk
op mij maakten; ik was in mijn zwak getast, en ik vergat voor een
oogenblik dat het zien van al die verheven zaken tegen onze verloren
vrijheid toch niet kon opwegen. Overigens rekende ik op de toekomst
om die vraag uit te maken; daarom antwoordde ik: "Indien gij met de
menschheid hebt gebroken, mijnheer, wil ik toch wel gelooven, dat gij
van elk menschelijk gevoel nog geen afstand gedaan hebt. Wij zullen
het niet vergeten dat gij ons arme schipbreukelingen liefderijk aan
boord hebt opgenomen; ik voor mij wil niet ontveinzen, dat als het
belang van de wetenschap het verlangen naar vrijheid kon vernietigen,
al hetgeen gij mij belooft daarvoor ten minste een groote vergoeding
zou aanbieden."

Ik dacht dat de kapitein mij de hand zou toesteken om ons verbond te
bevestigen, doch dit deed hij niet; het speet mij voor hem.

"Eene laatste vraag," zeide ik, op het oogenblik dat dit onverklaarbare
wezen weg scheen te willen gaan.

"Spreek op, mijnheer."

"Hoe moet ik u noemen?"

"Ik ben voor u kapitein Nemo, en gij en uwe metgezellen zijt voor
mij slechts de passagiers van de Nautilus."

De kapitein riep; een hofmeester verscheen, aan wien hij in zijne
vreemde, voor mij onverstaanbare taal eenige bevelen gaf; daarop
wendde hij zich naar Ned Land en Koenraad en zeide: "Een maal wacht
u in uwe hut; volgt dien man slechts."

"Dat weiger ik niet," antwoordde de harpoenier.

Koenraad en hij gingen eindelijk uit de cel, waarin zij meer dan
dertig uur hadden opgesloten gezeten.

"En nu, mijnheer Aronnax, is ons ontbijt ook gereed; ik zal u slechts
voorgaan."

"Gaarne, kapitein."

Ik volgde kapitein Nemo, en zoodra ik over den drempel trad, kwamen
wij in een soort van electrisch verlichten gang; na eenige schreden
voortgegaan te zijn, opende zich eene tweede deur. Ik kwam toen in
eene eetzaal, welke met smaak versierd en gemeubeld was. Aan de beide
uiteinden der zaal stonden hooge eikenhouten buffetten, met ebbenhout
ingelegd, op wier uitgeschulpte planken kostbaar aardewerk, porselein
en glaswerk prijkte. Het servies schittterde onder de lichtstralen,
die naar beneden vielen van eene zoldering, waarvan de zachte kleuren
het scherpe licht eenigszins temperden.

In het midden der zaal stond eene rijk voorziene tafel. Kapitein Nemo
wees mij een stoel aan.

"Neem plaats, mijnheer, en eet als iemand die van den honger sterven
moet."

Het ontbijt bestond uit een aantal schotels, welker inhoud door de
zee geleverd was, en uit eenige gerechten, waarvan ik den aard en de
herkomst niet kende. Ik moet bekennen dat ze goed smaakten, doch zij
hadden allen een bijzonderen smaak, waaraan ik mij slechts langzaam
gewende; die verschillende spijzen schenen phosphorhoudend te zijn,
en ik meende dat zij uit zee afkomstig moesten wezen.

De kapitein keek mij aan; ik vroeg hem niets, maar hij raadde mijne
gedachten, en antwoordde op de vragen, welke ik van verlangen brandde
om tot hem te richten.

"De meesten van deze gerechten," zeide hij, "zijn u onbekend; evenwel
kunt gij er zonder vrees van eten; zij zijn gezond en voedzaam; sedert
lang heb ik afgezien van landvoedsel, en ik bevind mij er niet slecht
bij; de krachtige mannen van mijne equipage voeden zich niets anders
als ik."

"Zijn dus al die spijzen voortbrengselen van de zee?" vroeg ik.

"Ja, mijnheer de professor; de zee voorziet in al mijne behoeften;
dan eens werp ik mijne netten uit en haal ze tot scheurens toe
gevuld op; dan weder ga ik op de jacht in dat element, hetwelk voor
den mensch ongenaakbaar schijnt, en ik jaag het wild op, dat zich
in mijne onderzeesche bosschen schuil houdt. Mijne kudden grazen,
evenals die van den ouden herder van Neptunes, zonder eenige vrees in
de onmetelijke weilanden van den Oceaan. Ik heb daar groote domeinen,
welke ik zelf doorzoek, en waarop 's Heeren hand steeds alle dingen
gezaaid heeft."

Ik keek kapitein Nemo met groote oogen aan, en antwoordde: "Ik begrijp
volkomen, mijnheer, dat uwe netten u voortreffelijken visch bezorgen,
ik begrijp minder goed dat gij het waterwild in uwe onderzeesche
bosschen vervolgt, maar ik begrijp in het geheel niet dat een enkel
stukje vleesch, hoe klein dan ook, op uwe tafel komt."

"Ik gebruik nimmer het vleesch van landdieren," antwoordde de kapitein.

"En dit dan toch?" hernam ik, terwijl ik op een schotel wees, waarop
nog eenige plakken vleesch lagen.

"Wat gij meent dat vleesch is, mijnheer de professor, is niets anders
als een stuk gebraad van een zeeschildpad. Hier zijn bijvoorbeeld
eenige dolfijnenlevers, welke gij misschien voor varkensragout gehouden
hebt. Ik heb een bekwamen kok, die er uitmuntend slag van heeft om deze
verschillende voortbrengselen van den Oceaan toe te bereiden. Proef van
al die gerechten: hier is een gelei van holothuriën, welke een Maleier
onverbeterlijk zou noemen; daar hebt gij room van walvisschenmelk,
en suiker uit het groote zeewier van de Noordzee, en vergun mij
eindelijk u wat gekonfijte zee-anemonen aan te bieden, welke zeker
tegen de sappigste vruchten kunnen opwegen."

En ik proefde meer uit nieuwsgierigheid dan uit honger, terwijl
kapitein Nemo mij aangenaam bezig hield met zijne onwaarschijnlijke
verhalen.

"Maar die zee, mijnheer Aronnax, die zoo wonderbaar en onuitputtelijk
is, voedt mij niet alleen, doch zij verschaft mij ook kleeding. De
stof welke ik draag, wordt geweven uit het bekleedsel van sommige
schelpen; zij wordt geverfd met het purper van de ouden, terwijl
er verschillende tinten op worden gebracht door violet, dat ik uit
eene plant der Middellandsche zee (aplysis) haal. De reukwerken op
uwe toilettafel worden uit zeeplanten getrokken; uw bed bestaat
uit het zachtste zeegras, een walvischbaard zal uwe pen zijn, uw
inkt is het afgescheiden vocht van een weekdier, dat men Spaansche
zeekat noemt. Alles komt uit de zee, zooals het er eens naar zal
terug keeren!"

"Bemint gij de zee, kapitein?"

"Ja, ik heb haar lief! De zee is alles; zij bedekt zeven tienden
van den aardbol; haar adem is zuiver en rein; het is de onmetelijke
woestijn, waar de mensch nimmer alleen is, want hij voelt rondom
zich leven; de zee is slechts het voertuig van een bovennatuurlijk
en wondervol leven; zij is slechts beweging en liefde; zij is 'het
levende oneindige,' zooals een uwer dichters eens zeide. En inderdaad,
mijnheer de professor, de natuur openbaart er zich in het delfstoffen-,
planten- en dierenrijk; dit laatste vooral is rijk vertegenwoordigd
door gelede en schelpdieren, door gewervelde en zoogdieren, door
kruipende dieren en ontelbare scharen van visschen; het is eene
eindelooze rij van dieren, waarin meer dan 13000 soorten worden
aangetroffen, van welke slechts een tiende gedeelte in het zoete
water te huis behoort. De zee is de uitgestrekte vergaderbak der
natuur; het is uit de zee dat de aarde om zoo te zeggen, ontstaan
is, en wie weet of zij niet door haar eindigen zal! Daar heerscht
verheven stilte! De zee behoort niet aan de dwingelanden; op hare
oppervlakte kunnen zij hunne onbillijke rechten nog uitoefenen,
elkander aanvallen en verslinden, en er al de ijselijkheden der aarde
overbrengen; maar tien meter beneden dat oppervlak houdt hun geweld
op, dáar is hun invloed nietig, en verdwijnt hunne macht! O mijnheer,
leef, leef in de diepten der zee! Daar alléén is men onafhankelijk,
daar alléen heeft men geen meester! daar ben ik vrij!"

Kapitein Nemo zweeg plotseling te midden van zijne geestdrift; had
hij zich buiten zijne gewoonte laten medeslepen? Had hij te veel
gezegd? Hij liep gedurende eenige oogenblikken hevig ontroerd heen
en weder; daarop werd hij bedaarder, zijn gelaat hernam de gewone
kalmte, en zich tot mij wendende, zeide hij: "als gij nu de Nautilus
wilt bezoeken, mijnheer de professor, ben ik geheel tot uw dienst."



HOOFDSTUK XI

De Nautilus.

Kapitein Nemo stond op; ik volgde hem. Eene dubbele deur achter in
de zaal opende zich, en ik betrad eene kamer, welke van gelijke
afmetingen was als die, welke wij pas verlaten hadden. Het was
eene bibliotheek. Hooge palissanderhouten kasten met koper ingelegd
bevatten op breede planken een groot aantal gelijk ingebonden boeken;
zij stonden rondom in de zaal en daaronder stonden gemakkelijke met
bruin leder overtrokken rustbanken. Lichte beweegbare lessenaars,
welke men naar willekeur naar zich toe kon draaien of wegschuiven,
waren daarin bevestigd om er de boeken, waarin men las, op neder
te leggen. In het midden stond een groote tafel, met brochures en
eenige oude nieuwsbladen bedekt. Het electrische licht scheen over
het schoone geheel, en viel door drie matte glazen bollen van het
plafond naar beneden. Ik beschouwde deze vernuftig ingerichte zaal
met bewondering, en kon mijne oogen nauwelijks gelooven.

"Kapitein Nemo," zeide ik tot mijn gastheer, die op eene rustbank naast
mij plaats nam, "dit is eene boekerij, welke meer dan éen paleis op
het platteland tot eer zou strekken, en ik ben inderdaad verbaasd dat
gij zulk een boekenschat tot in de diepten der zee met u kunt voeren."

"Waar kan ik beter de eenzaamheid en meer stilte vinden?" antwoordde
de kapitein. "Is uw studeervertrek in het museum zoo rustig?"

"Neen mijnheer, en ik mag er nog wel bijvoegen, dat het in vergelijking
met het uwe er zeer armoedig uitziet. Gij hebt hier zeker 6 of 7000
deelen...."

"12000, mijnheer Aronnax; het is de eenige band, welke mij nog aan de
aarde hecht; de aarde bestaat voor mij niet meer van den dag af dat
ik met mijn Nautilus voor het eerst in zee dook. Dien dag heb ik de
laatste boeken, brochures en dagbladen gekocht; en van dien tijd is
het mij alsof de menschen niet meer gedacht of geschreven hebben. Die
boeken, mijnheer de professor, zijn overigens tot uw dienst; gij kunt
er vrij gebruik van maken."

Ik bedankte kapitein Nemo, en bekeek de bibliotheek eens wat
nauwkeuriger; zij telde overvloed van werken over allerlei
wetenschappen zoowel van zede- als letterkundigen aard, in allerlei
talen; maar ik zag geen enkel werk over staathuishoudkunde; die schenen
streng verbannen te zijn. Zonderling was het, dat al die boeken,
in welke taal ook geschreven, door elkander stonden, en die wanorde
bewees dat de kapitein van de Nautilus alles vlug moest kunnen lezen
wat hem in de hand kwam.

Onder die werken zag ik de meeste stukken van oude en nieuwe
schrijvers, dat is te zeggen, al wat de mensch het schoonst heeft
voortgebracht op het gebied van geschiedenis, dichtkunst en romantiek,
van Homerus tot Victor Hugo, van Xenophon tot Michelet, van Rabelais
tot Dickens. Het grootste deel der boekerij was echter aan allerlei
takken van wetenschap gewijd; het waren werken over werktuig- en
natuurkunde, waterbouw- en weerkunde, aardrijkskunde en natuurlijke
geschiedenis: en ik begreep dat dit de voornaamste studie van den
kapitein was. Ik zag er al de werken van Von Humbolt, Arago, Foucault,
Henri Saint-Claire Deville, Chasles, Milne Edwards, Quatrefages,
Tyndall, Faraday, Berthelot, Petermann, Kaiser, Maury, enz.; de
verslagen van de academie van wetenschappen en van verschillende
aardrijkskundige genootschappen, en op een der beste plaatsen
zelfs de beide deelen, welke mij misschien zulk een goede ontvangst
aan boord hadden doen genieten. Een werk gaf mij zelfs een juiste
tijdsbepaling aan de hand, namelijk een, dat in den loop van 1865
verschenen was, waardoor ik kon opmaken dat de reizen van de Nautilus
tot geen vroeger tijdperk opklommen; derhalve had kapitein Nemo zijn
onderzeesch leven eerst sedert drie jaar begonnen. Overigens hoopte ik
dat nieuwere werken mij dien tijd misschien nog nauwkeuriger zouden
kunnen aanwijzen. Maar ik had den tijd om dit te onderzoeken, en ik
wilde onze wandeling ter bezichtiging der wonderen van de Nautilus
daarvoor niet ophouden.

"Ik dank u, mijnheer," zeide ik tot den kapitein, "dat gij deze
bibliotheek ter mijner beschikking gesteld hebt. Er zijn daar schatten
van wetenschap in verborgen, waarvan ik gebruik hoop te maken."

"Deze zaal dient niet alléen tot boekerij, maar ook tot rookkamer,"
zeide de kapitein.

"Eene rookkamer!" riep ik uit, "wordt er dan aan boord gerookt?"

"Zonder twijfel."

"Dan geloof ik dat gij nog betrekkingen met Havana onderhouden hebt,
kapitein."

"Geenszins," antwoordde Nemo; "neem een van deze sigaren, mijnheer
Aronnax, en hoewel zij niet uit Havana komt, zal u die wel smaken
als gij een kenner zijt."

Ik nam de mij aangeboden sigaar aan; zij had een goudkleurig dekblad;
ik stak haar op aan een klein komfoor op sierlijken bronzen voet,
en deed de eerste trekken met het welgevallen van een liefhebber,
die in geen twee dagen gerookt heeft.

"Zij is voortreffelijk," zeide ik, "maar het is toch geen tabak?"

"Neen," antwoordde de kapitein, "die tabak komt niet uit Havana
of uit Oost-Indië; het is eene soort van nicotine-houdend zeegras,
dat de zee, hoewel vrij schaars, oplevert. Betreurt gij uwe Havana's
nog, mijnheer?"

"Ik laat die van nu af staan, kapitein."

"Rook dan naar hartelust zonder u over de herkomst van deze sigaren
te bekommeren; geene belasting drukt ze, maar daarom zijn zij geloof
ik niet minder goed."

"Integendeel."

Daarna opende kapitein Nemo eene deur tegenover die, waardoor wij de
bibliotheek waren binnengetreden, en ik trad een ruim en schitterend
verlicht salon binnen. Het was een groot vierkant met afgesneden
hoeken, tien meter lang, zes breed, en vijf hoog. Een zacht maar zeer
helder licht viel van een rijk met arabesken beschilderd plafond
op al de wonderen, welke in dit museum opeen waren gestapeld; want
het was waarlijk een museum, waarin eene ervaren en rijke hand al
de schatten van natuur en kunst had bijeengebracht op eene wijze,
welke de kunstmatige verwarring van een schildersatelier kenmerkt.

Een dertigtal meesterstukken hingen in gelijkvormige lijsten langs
de wanden, die met een sierlijk doch deftig behangsel waren bedekt;
daartusschen hingen schitterende wapentropheeën. Ik zag daaronder
schilderijen van de hoogste waarde, welke ik voor het grootste gedeelte
in bijzondere verzamelingen en op tentoonstellingen had bewonderd. De
verschillende scholen der oude meesters waren vertegenwoordigd door
eene madonna van Rafaël, eene moedermaagd van Leonard da Vinci, eene
nimf van Correggio, eene vrouw van Titiaan, eene aanbidding van Paul
Veronese, eene hemelvaart van Murillo, een portret van Holbein, een
monnik van Velasquez, eene kermis van Rubens, een vlaamsch landschap
van Teniers, genrestukjes van Gerard Dou, Metzu en Paulus Potter,
zeestukjes van Bakhuijzen en Vernet; onder de nieuwere schilderijen
merkte ik op van Delacroix, Rosa Bonheur, de Keijser, Ingres, Scheffer,
Meyssonier, enz. Eenige prachtige nabootsingen van de schoonste
modellen der oudheid in marmer of brons, stonden op voetstukken in de
hoeken van dit schoone museum. De verbazing, welke de kapitein van de
Nautilus mij voorspeld had, begon zich reeds van mij meester te maken.

"Mijnheer de professor", zeide die vreemde man, "gij zult de weinige
complimenten, waarmede ik u ontvang, en de wanorde welke hier heerscht,
wel willen verontschuldigen."

"Zonder te willen onderzoeken wij gij zijt, mijnheer," antwoordde ik,
"zou ik wel willen vragen of gij kunstenaar zijt?"

"Op zijn hoogst liefhebber, mijnheer. Ik hield er vroeger veel
van om die kunststukken te verzamelen, welke de menschelijke hand
had voortgebracht; ik zocht ze begeerig en onvermoeid op en heb op
die wijze eenige kostbare stukken bij elkander kunnen krijgen. Het
zijn mijne laatste herinneringen van die aarde, welke dood voor mij
is. In mijne oogen zijn uwe nieuwe artisten reeds zeer oud; bestaan
reeds 2 of 3000 jaar, en ik verwar ze in mijn geest; meesters hebben
geen leeftijd."

"En, die componisten?" vroeg ik, terwijl ik wees op stukken van Weber,
Rossini, Mozart, Beethoven, Haydn, Meyerbeer, Herold, Wagner, Auber,
Gounod en anderen, die op eene serafine van het grootste model,
welke tegen een van de wanden der zaal stond, verspreid lagen.

"Die componisten," antwoordde mij de kapitein, "zijn voor mij
tijdgenooten van Orpheus, want tijdrekenkundig verschil bestaat in de
herinnering der dooden niet, en ik ben dood, mijnheer de professor,
even goed dood als uwe vrienden, die een paar meter diep onder den
grond liggen."

Kapitein Nemo zweeg en scheen in diepe mijmering verzonken. Ik
beschouwde hem met levendige aandoening, terwijl ik in stilte het
vreemde van zijn gelaat trachtte te ontcijferen. Tegen eene kostbare
met mozaïek ingelegde tafel geleund, zag hij mij niet meer, en had hij
mij geheel vergeten. Ik eerbiedigde dit stilzwijgen en beschouwde
verder al de bijzonderheden, welke het salon versierden. Na de
kunstwerken bekleedden zeldzaamheden uit de natuur eene belangrijke
plaats. Zij bestonden voornamelijk uit planten, schelpen of andere
voortbrengselen van den Oceaan, welke de kapitein waarschijnlijk
zelf gevonden had. In het midden van het salon sprong een electrisch
verlichte waterstraal uit eene fontein op, welke uit eene enkele
schelp vervaardigd was. Deze schelp was aan de randen sierlijk
uitgesneden en had een omtrek van zes meter; zij was dus grooter dan
die schoone schelpen welke Frans I van de Venetiaansche republiek
kreeg, en waarvan hij voor de kerk van Saint Sulpice te Parijs twee
reusachtige doopbekkens liet vervaardigen.

Rondom die fontein waren onder sierlijke glazen ramen de
kostbaarste voortbrengselen der zee gerangschikt, welke het oog eens
natuuronderzoekers ooit aanschouwd had; men kan begrijpen hoe opgetogen
ik was. Een conchylioloog (schelpkenner), die wat zenuwachtig was, zou
misschien van verbazing zijn omvergevallen voor andere glazen kastjes,
waarin schelpen waren tentoongesteld. Ik zag er eene verzameling van
onschatbare waarde, waartoe de tijd mij zou ontbreken om die geheel
te beschrijven; genoeg zij het te zeggen, dat zij uit alle oorden der
wereld, uit alle deelen der zee was bijeengebracht; er waren paarlen
onder van allerlei kleur en grootte, zelfs zoo groot als een duivenei,
welke eene waarde van ettelijke millioenen moesten hebben. Het was dus
onmogelijk, om de waarde van deze verzameling te schatten; de kapitein
had millioenen moeten besteden om die kostbaarheden te verwerven,
en ik vroeg mij zelven af, aan welke bron hij putte om aan al die
grillen van een verzamelaar te voldoen, toen ik door deze woorden
uit mijne mijmering werd opgewekt:

Gij beschouwt die schelpen, mijnheer de professor; zij mogen een
natuurkenner belang inboezemen, maar zij hebben voor mij een aangenamer
zijde want ik heb ze allen eigenhandig verzameld, en er is geene zee
op den aardbol, welke ik niet onderzocht heb."

"Ik begrijp het genot, kapitein, om te midden van zulke rijkdommen rond
te wandelen. Gij behoort onder diegenen, die zelven hunne schatten
verzameld hebben. Geen Europeesch museum bevat zulk eene verzameling
van voortbrengselen uit den Oceaan. Maar als ik mijne bewondering
daaraan geheel besteed, wat rest mij dan voor het vaartuig, waarin ze
verborgen zijn. Ik wil niet doordringen in uwe geheimen, maar ik beken
dat die Nautilus mijne nieuwsgierigheid in de hoogste mate opwekt,
om de kracht, welke haar in beweging brengt en het toestel dat haar
bestuurt; ik zie aan den muur van deze zaal instrumenten hangen,
wier bestemming mij onbekend is; zou ik mogen weten...!"

"Mijnheer Aronnax," antwoordde de kapitein, "ik heb u gezegd dat
gij bij mij aan boord vrij zoudt zijn, en daarom is geen deel van de
Nautilus voor u verborgen. Gij kunt het vaartuig in alle bijzonderheden
in oogenschouw nemen, en ik zal het mij tot een genoegen rekenen uw
gids te zijn."

"Ik weet niet hoe u te danken, mijnheer, maar ik zal geen misbruik
maken van uwe goedheid; alleen wensch ik u te vragen waar deze
natuurkundige werktuigen voor dienen?"

"Diezelfde instrumenten bevinden zich in mijne kamer, mijnheer, en
daar zal ik de eer hebben u er het gebruik van te verklaren. Bezie
vooraf echter een oogenblik de hut, welke voor u bestemd is; gij moet
toch weten, hoe gij op de Nautilus zult gehuisvest zijn."

Ik volgde den kapitein, die door eene andere deur mij in een der gangen
van het schip bracht; hij geleidde mij naar het voorste gedeelte,
en daar vond ik niet eene hut, maar eene smaakvolle kamer, met bed,
toilettafel en verschillende andere meubelen. Ik kon mijn gastheer
slechts danken.

"Uwe kamer is naast de mijne," zeide hij, eene deur opendoende,
"en de mijne komt uit in het salon, dat wij zooeven verlaten hebben."

Ik trad de kamer van den kapitein binnen; deze zag er somber, bijna als
eene kloostercel uit; een ijzeren bed, eene werktafel en eenige andere
benoodigheden, alles slechts ten halve verlicht; niets aangenaams,
slechts het strikt noodige. Kapitein Nemo wees mij een stoel, ik ging
zitten en daarop begon hij aldus:


HOOFDSTUK XII

Alles door electriciteit.

"Mijnheer," zeide kapitein Nemo, terwijl hij mij op de instrumenten aan
den wand wees, "dat zijn de voor de vaart van de Nautilus vereischte
werktuigen. Hier en in mijn salon heb ik ze altijd voor oogen;
zij wijzen mij de plaats en de juiste richting in 't midden van den
Oceaan aan. Sommigen zijn u bekend, als de thermometer, welke mij de
temperatuur in de Nautilus aanwijst, de barometer, die de drukking van
de lucht aanduidt, en verandering van weer voorspelt; de hygrometer,
die den graad van droogte van de atmosfeer aanwijst; het stormglas,
waarvan het mengsel mij door zijne veranderingen storm verkondigt,
het kompas, dat mijn weg regelt; de sextant, die mij de breedte
doet kennen; chronometers, welke mij de lengte laten berekenen, en
eindelijk dag- en nachtkijkers, die mij dienen om alle punten van
den gezichteinder te onderzoeken, als de Nautilus op de oppervlakte
der zee drijft."

"Het zijn de gewone zeevaartkundige instrumenten," antwoordde ik;
"ik ken er het gebruik van; maar er zijn nog anderen, welke zonder
twijfel voor de bijzondere inrichting van de Nautilus bestemd zijn. Die
wijzerplaat daar met beweegbare naald, is dat geen manometer?"

"Juist, mijnheer; hij staat in verbinding met het water, welks drukking
hij aanwijst, zoodat ik daardoor weet op welke diepte mijn vaartuig
zich beweegt."

"En die dieplooden van nieuwe soort?"

"Het zijn thermometrische dieplooden, welke mij den warmtegraad van
de verschillende diepten der zee doen kennen."

"En die andere instrumenten, welker gebruik ik zelfs niet kan raden?"

"Thans moet ik u een en ander verklaren, mijnheer de professor,"
zeide kapitein Nemo; "hoor mij dus aan."

Hij bewaarde gedurende eenige oogenblikken het stilzwijgen, en sprak
daarop het volgende:

"Er bestaat eene kracht, welke mij gehoorzaamt, die snel en met
het grootste gemak werkt, welke zich voor allerlei gebruik weet te
schikken, en het meesterschap bij mij aan boord uitoefent; door die
kracht geschiedt alles; zij verlicht en verwarmt mij, en is de ziel
van al mijne werktuigen; die kracht is de electriciteit."

"De electriciteit!" riep ik, ten hoogste verbaasd.

"Ja, mijnheer."

"Maar kapitein, uw vaartuig beweegt zich bijzonder snel, hetgeen
moeielijk te rijmen is met de kracht der electriciteit; hare
beweegkracht is tot heden bijzonder gering geweest, en heeft slechts
weinig kunnen uitwerken!"

"Mijnheer de professor," antwoordde de kapitein, "mijne electriciteit
is niet de gewone, welk elkeen kent; dit is alles wat ik er u van
kan zeggen."

"Ik zal ook niet onbescheiden zijn, kapitein, en ik zal mij vergenoegen
met mijne verbazing over zulk een resultaat te uiten. Eene enkele vraag
evenwel, waarop gij niet behoeft te antwoorden als ik onbescheiden
ben. De elementen, welke gij voor die wonderbare kracht bezigt,
moeten spoedig verbruikt zijn. Hoe bijvoorbeeld vervangt gij het zink,
omdat gij geene gemeenschap meer houdt met het bewoonde land?"

"Uwe vraag zal beantwoord worden," antwoordde kapitein Nemo; "ik zal
beginnen met u te zeggen, dat er op den bodem der zee zink-, ijzer-,
zilver- en goudmijnen bestaan, welker ontginning zeer zeker tot de
mogelijkheden behoort; maar ik gebruik niets van die metalen, en ik
heb aan de zee zelve de middelen ontleend, om mijne electriciteit
voort te brengen."

"Aan de zee?"

"Ja, professor, en de middelen daartoe ontbraken mij niet; ik
zou bijvoorbeeld electriciteit hebben kunnen verkrijgen door de
verschillende temperaturen, welke metaaldraden ondervinden, als ik
ze op verschillende diepten indompel; maar ik heb de voorkeur gegeven
aan een meer practisch middel."

"En welk is dat?"

"Gij kent de samenstelling van het zeewater; op éen kilogram vindt
men 0,965 water, en ongeveer 0,0267 chloorsodium, verder in zeer
geringe hoeveelheid chloorpotassium, chloormagnesium, zwavelzure kalk,
zwavelzure magnesia, broommagnesium en koolzure kalk; gij ziet dus
dat chloorsodium er in merkbare hoeveelheid in voorkomt; dit sodium
haal ik uit het zeewater en ik stel er mijne elementen uit samen."

"Uit sodium."

"Ja mijnheer, met kwik vermengd vormt het een amalgama, dat in de
Bunsensche elementen het zink kan vervangen; het kwik wordt nooit
opgelost; dit is slechts het geval met het sodium, doch dit levert
de zee mij telkens weder op; bovendien moet ik u zeggen, dat de
sodiumzuilen als zeer sterk werkend moeten beschouwd worden en dat hare
electrieke kracht dubbel zoo groot is als die van zuilen van zink."

"Ik begrijp, kapitein, dat het sodium in uwe omstandigheden
voortreffelijke diensten bewijst. Gij vindt het in de zee, goed;
maar gij moet het er uithalen, en hoe doet gij dat? Uwe zuilen
zouden misschien daartoe kunnen dienen, doch als ik mij niet bedrieg,
dan moet het verbruik van sodium in uwe elementen de voortgebrachte
hoeveelheid verre overtreffen."

"Daarom verschaf ik het mij niet op die wijze, mijnheer, en ik gebruik
daarvoor zeer eenvoudig steenkolen."

"Die gij in den grond vindt?" vroeg ik.

"Neen, in zee," antwoordde kapitein Nemo.

"Kunt gij dan uwe onderzeesche kolenmijnen ontginnen?"

"Wacht maar, mijnheer Aronnax, en gij zult ons bezig zien. Ik vraag
u slechts wat geduld, omdat gij daartoe toch den tijd hebt. Herinner
u evenwel voortdurend, dat ik alles aan den Oceaan verschuldigd ben;
de zee verschaft mij electriciteit, en deze geeft aan de Nautilus
warmte, licht, beweging, kortom het leven."

"Maar toch niet de lucht, welke gij inademt?"

"O, ik zou zelfs de noodige lucht kunnen vervaardigen, doch dit
behoeft niet, omdat ik naar de oppervlakte der zee terug keer, als
ik het goed vind. Wanneer de electriciteit mij niet al de noodige
zuivere lucht verschaft, dan brengt zij toch pompen in beweging, welke
de lucht in een vergaarbak te zamen perst, waardoor ik, als ik wil,
mijn verblijf in de diepte kan verlengen."

"Kapitein," antwoordde ik, "ik kan u slechts bewonderen. Gij hebt
zeker de ware kracht der electriciteit uitgevonden, welke de menschen
zonder twijfel later zullen vinden."

"Ik weet niet of zij die wel zullen vinden," antwoordde de kapitein
koel. "Hoe het ook zij, gij kent nu het voornaamste gebruik, hetwelk
ik van deze kracht maak; zij verlicht ons met eene gelijkmatigheid
en een duur, welke het zonlicht niet bezit; ziehier, dit uurwerk,
het is electriek en loopt regelmatiger dan de beste chronometers;
ik heb het op de Italiaansche wijze in vierentwintig uren verdeeld,
want voor mij bestaat geen dag of nacht, geen zon of maan, maar
alleen dit kunstlicht, dat ik tot in de diepten der zee met mij kan
medevoeren. Zie, op dit oogenblik is het tien uur in den morgen."

"Juist."

"Hier is nog eene andere toepassing der electriciteit; deze wijzerplaat
wijst de snelheid van de Nautilus aan. Een electrieke draad stelt haar
in verbinding met de schroef, en deze naald wijst mij dan de juiste
snelheid aan, op dit oogenblik, bij voorbeeld, loopen wij vijftien
kilometer in 't uur."

"Het is verbazend, en ik zie wel, kapitein, dat gij gelijk gehad hebt
om deze kracht te gebruiken, welke wind, water en stoom vervangt."

"Wij hebben nog niet gedaan, mijnheer Aronnax," zeide kapitein
Nemo, terwijl hij opstond; "als gij mij wilt volgen, zullen wij den
achtersteven bezoeken."

Ik kende nu reeds het geheele voorste gedeelte van dit vaartuig,
hetwelk, als men van het midden naar den voorsteven ging, op deze
wijze was ingedeeld: de eetzaal vijf meter lang, van de bibliotheek
gescheiden door een hermetisch beschot, waar het water niet doorheen
kon dringen; de boekerij was vijf meter lang, de groote zaal van tien
meter door een tweede waterdicht beschot gescheiden van de kamer des
kapiteins, welke vijf meter lang was; daarachter lag mijne hut van
twee en een halven meter, en eindelijk eene bergplaats van zeven en
een halven meter, die zich tot aan den voorsteven uitstrekte; dus in
't geheel 35 meter lang. In de ondoordringbare beschotten waren deuren
aangebracht, die door sluitstukken van caoutchouc hermetisch sloten,
waardoor de veiligheid aan boord van de Nautilus gewaarborgd was,
voor het geval, dat het vaartuig een lek bekwam.

Ik volgde den kapitein door de loopgangen aan bakboord, en ik kwam
in het midden van het vaartuig; daar was eene soort van put tusschen
twee ondoordringbare beschotten; eene ijzeren trap aan den wand
vastgeschroefd, leidde naar het bovenste gedeelte; ik vroeg waarvoor
die trap diende.

"Daarlangs bereikt men de sloep," zeide hij.

"Hoe hebt gij dan eene sloep?" vroeg ik, vrij verwonderd.

Zonder twijfel; een uitmuntend licht vaartuigje, dat niet zinken kan,
en voor uitstapjes en voor de vischvangst gebruikt wordt."

"Maar als gij u dan daarop wilt inschepen, moet gij naar de oppervlakte
der zee stijgen?"

"Geenszins; deze sloep zit aan het bovengedeelte van de Nautilus
bevestigd, en wordt bewaard in eene daarvoor geschikte ruimte, zij is
van een dek voorzien, volkomen waterdicht, en met flinke katrollen
vastgemaakt. Deze trap leidt naar een mangat in het buitenste
omkleedsel van de Nautilus, waar een dergelijk gat, dat in de sloep
gemaakt is, juist tegen aansluit; door deze dubbele opening kruip ik in
de boot, dan sluit men de eene in de Nautilus, en ik de andere in de
sloep; ik laat de touwen over de katrollen schieten, en de boot rijst
met eene vervaarlijke snelheid naar de oppervlakte; daar open ik een
luik in het dek, dat tot nog toe zorgvuldig gesloten bleef; ik richt
den mast op, hijsch een zeil of neem de riemen ter hand en ik vaar."

"Maar hoe komt gij aan boord terug?"

"Ik ga niet terug, mijnheer Aronnax, de Nautilus komt naar mij toe."

"Op uw bevel?"

"Op mijn bevel; een electrieke draad verbindt mij met het vaartuig;
ik telegrapheer en dat is genoeg."

"Inderdaad niets is eenvoudiger," zeide ik, duizelend van het hooren
van al die wonderen.

Na het trapgat voorbijgegaan te zijn, waardoor men op het plat kon
komen, zag ik eene hut van twee meter lengte, waar Koenraad en Ned Land
verrukt over het aangeboden maal, bezig waren dit te verorberen. Daarna
opende de kapitein eene deur, welke in eene drie meter lange keuken
uitkwam; deze was tusschen de groote kombuizen gelegen.

In de keuken werd de electriciteit, krachtiger en dienstiger dan het
gas, overal voor gebruikt. De draden onder de fornuizen verhitten
daar aangebrachte stukken platinaspons zeer regelmatig; evenzoo werd
de hitte onderhouden onder distilleerketels, welke door uitdamping
heerlijk drinkwater opleverden. Bij die keuken was de gemakkelijk
ingerichte badkamer, waar twee kranen water naar verkiezing koud of
warm verschaften. Op de keuken volgde het verblijf van de equipage;
maar daarvan bleef de deur gesloten, zoodat ik die inrichting niet
kon zien, waardoor ik anders er achter had kunnen komen, hoeveel man
er voor het besturen van de Nautilus noodig waren.

Een vierde waterdicht beschot scheidde deze ruimte van de
machinekamer. Een deur opende zich, en ik bevond mij in de ruimte
waar kapitein Nemo, zeker een uitstekend ingenieur, zijne toestellen
voor de beweegkracht had geplaatst.

Deze helder verlichte machinekamer was niet minder dan twintig
meter lang. Zij was in twee deelen afgedeeld; het eerste bevatte
de elementen, het tweede de werktuigen, welke de beweging aan de
schroef mededeelden.

Ik was het eerste oogenblik verwonderd over de bijzondere lucht,
welke deze ruimte vervulde; de kapitein bemerkte dit: "het zijn
eenige gasachtige producten," zeide hij, "welke het gevolg zijn
van het gebruik van sodium. Overigens zuiveren wij elken morgen het
geheele vaartuig, door er versche lucht in te laten stroomen."

Ik beschouwde met eene licht te begrijpen belangstelling de machines
van de Nautilus.

"Gij ziet," zeide kapitein Nemo, "dat ik de elementen van Bunsen en
niet die van Ruhmkorff gebruik; de laatsten zouden niet sterk genoeg
geweest zijn. De Bunsensche elementen zijn slechts weinig in getal,
maar sterk en groot, hetwelk de ondervinding mij geleerd heeft dat
beter is. De electrieke stroom wordt naar achteren gevoerd, waar hij
door electro-magneten van groote afmeting inwerkt op een bijzonder
stelsel van hefboomen en raderen, welke de beweging weder overbrengen
op de schroefstang. Deze schroef, welker middellijn zes meter bedraagt,
kan 120 omwentelingen in de seconde doen."

"En gij verkrijgt aldus?"

"Eene snelheid van vijftig kilometer in het uur."

Er was nog iets geheimzinnigs, doch ik drong er niet op aan om het te
weten. Hoe kon de electriciteit met zulk eene kracht werken? Waar nam
die bijna onbegrensde macht haar oorsprong? Was het door buitengemeene
spanning, opgewekt door klossen van eene nieuwe soort? Was het door
overbrenging van krachten in een tot nog toe onbekend stelsel van
hefboomen, dat men dit electriek vermogen tot in het oneindige kon
doen toenemen? Dit kon ik niet begrijpen.

"Kapitein Nemo," zeide ik, "ik zie de resultaten, en ik tracht niet
ze te verklaren. Ik heb de Nautilus voor de Abraham Lincoln zich zien
bewegen, ik weet dus waaraan ik mij ten opzichte harer snelheid kan
houden, maar zich bewegen is niet genoeg; men moet kunnen zien waar
men heengaat; men moet zich rechts en links, naar boven en naar
beneden kunnen bewegen. Hoe bereikt gij zulk eene groote diepte,
waar gij, dunkt mij, een toenemenden weerstand moet ondervinden,
die slechts door honderden atmosferen te meten is? Hoe stijgt gij
weder naar boven? In één woord, hoe blijft gij op de diepte, welke
gij wilt? Ben ik misschien onbescheiden door u dit te vragen?"

"Geenszins, mijnheer de professor," antwoordde de kapitein, na eenige
aarzeling, "omdat gij dit vaartuig nimmer zult verlaten. Kom in het
salon; dat is onze ware studeerkamer, en daar zult gij alles vernemen,
wat gij omtrent de Nautilus weten moet."


HOOFDSTUK XIII

Eenige cijfers.

Een oogenblik daarna zaten wij in het salon met eene sigaar in den
mond. De kapitein legde mij eene teekening voor, waarop het plan van
de Nautilus in opstand en doorsnede was uitgewerkt; toen begon hij
zijn verhaal in deze woorden:

"Hier hebt gij de verschillende afmetingen, mijnheer, van het vaartuig,
waarop gij u bevindt; het is een lange cylinder met kegelvormige
uiteinden; het ziet er zoo ongeveer uit als eene sigaar, een vorm,
welken men te Londen reeds bij verscheidene gelijksoortige constructiën
gebruikt heeft. De lengte van den cylinder, van de eene punt tot
de andere, bedraagt juist 70 meter; de middellijn is op de grootste
breedte acht meter. In mijn vaartuig staat dus niet, zooals in uwe
groote stoomschepen, de breedte tot de lengte als éen tot tien, maar
de zijden en de ronding zijn lang genoeg, om de verplaatste watermassa
geene enkele verhindering in zijne vaart te doen ondervinden.

"Deze twee afmetingen kunnen u door eenvoudige berekening de
oppervlakte en den inhoud van de Nautilus doen vinden; de oppervlakte
bedraagt 1011.45 vierkante meter, de inhoud 1500.2 kubieke meter,
dat wil zeggen, dat als het vaartuig geheel in het water gedompeld is,
er eene watermassa verplaatst wordt, die ongeveer 1500 ton weegt.

"Toen ik mijne plannen maakte voor dit onderzeesche vaartuig, wilde
ik, dat als het in evenwicht op het water lag, het voor negen tienden
daarin zou wegzinken en er slechts een tiende uit zou steken. Daarom
moest het slechts negen tienden van zijn volumen verplaatsen,
derhalve 1350.18 kub. meter, dat is te zeggen een gewicht van een
gelijk aantal tonnen. Ik mocht dus bij mijne constructie dit gewicht
niet te boven gaan.

"De Nautilus heeft een dubbelen romp, welks platen door dwarsijzers
verbonden zijn, welke daaraan eene buitengewone sterkte geven; door
deze inrichting heeft de oppervlakte een weerstandsvermogen, alsof
ze massief was. De naden kunnen niet worden ingedrukt; de ijzeren
pantserplaten zitten vast tegen elkander gedrukt, en door zulk een
bouw is mijn schip in staat om de hevigste zeeën te trotseeren.

"Die beide omkleedsels zijn van stalen platen vervaardigd, welker
dichtheid, in vergelijking met die van het water, 7,8 bedraagt. De huid
is niet minder dan vijf centimeter dik en weegt 364.56 ton; de kiel,
welke slechts 50 centimeter hoog en 25 breed is, weegt alléen 62 ton;
de machine, de ballast, de verschillende voorwerpen en werktuigen, de
tusschenwanden en de binnenste stutten, hebben te zamen een gewicht
van 923.62 ton, hetwelk bij de vroeger opgegeven cijfers gevoegd,
een totaal oplevert van 1350.18 ton. Begrepen?"

"Begrepen," antwoordde ik.

"Als dus de Nautilus drijft," vervolgde de kapitein, "dan steekt zij
voor een tiende deel boven water uit. Wanneer ik dus vergaarbakken
heb aangebracht, welke even groot van inhoud zijn als dit tiende
gedeelte, dat is van 150.02 ton, en als ik die met water vul, dan
zal het vaartuig geheel onder water zijn; dit gebeurt, mijnheer de
professor; die vergaarbakken bestaan in het benedenste deel van de
Nautilus; ik heb de kranen slechts te openen, de ruimte wordt gevuld,
en het schip drijft juist onder de oppervlakte des waters."

"Goed kapitein, maar nu stuiten wij juist op de grootste moeielijkheid;
dat gij juist onder het wateroppervlak drijven kunt, begrijp ik; maar
als gij lager wilt zakken, ontmoet uw vaartuig dan geen drukking van
beneden naar boven van een kilogram op den vierkanten centimeter?"

"Juist, mijnheer."

"Dan begrijp ik niet hoe gij de Nautilus zoo diep kunt doen indompelen
of gij moest haar geheel laten volloopen."

"Gij moet de statica niet met de dynamica verwarren, professor,"
antwoordde kapitein Nemo; "want dan begaat gij grove dwalingen. Er
is slechts weinig arbeidsvermogen noodig om de grootste diepten van
den Oceaan te bereiken, want alle lichamen hebben eene neiging tot
zinken. Volg slechts mijne redeneering."

"Ik ben geheel gehoor, kapitein."

"Toen ik het toenemend gewicht wilde berekenen, dat ik aan de Nautilus
geven moest om haar dieper te doen zinken, behoefde ik slechts acht
te geven op de vermindering in volumen, welke het zeewater ondergaat,
naarmate men dieper in zee daalt."

"Dit is duidelijk," antwoordde ik.

"Welnu, als het water al eenigszins kan worden samengedrukt,
dan bezit het deze hoedanigheid toch slechts in geringe mate; en
inderdaad volgens de laatste berekeningen is de vermindering slechts
436/10000000 per atmosfeer, of op elke tien meter diepte. Wil ik dus
1000 meter diep zinken, dan moet ik berekenen hoeveel het volumen
inkrimpt onder een druk van eene kolom water van 1000 meter hoog,
dat is onder dien van honderd atmosferen. Die vermindering zal dan
436/100000 zijn; ik moet mijn gewicht dus zoodanig vermeerderen,
dat het vaartuig 1506.74 ton weegt in plaats van 1500.2 ton, het is
dus slechts eene vermeerdering van 6.54 ton."

"Slechts?"

"Welzeker, mijnheer Aronnax, en die berekening is gemakkelijk na te
gaan. Nu heb ik nog andere vergaarbakken, welke honderd ton inhoud
hebben. Ik kan mij dus op ontzaglijke diepten laten zinken. Als ik
weder stijgen wil, heb ik het water slechts te verwijderen, en als
ik dan alle vergaarbakken ledig maak, komt de Nautilus weer voor een
tiende deel van hare hoogte boven het watervlak uit."

Tegen zulk eene op cijfers gegronde bewijsvoering had ik niets in
te brengen.

"Ik neem uwe berekeningen aan, kapitein," gaf ik ten antwoord,
"en ik zou zeer onaardig handelen om daarover met u te twisten,
omdat de ondervinding er dagelijks de waarheid van bewijst. Maar ik
voorzie nog eene wezenlijke moeielijkheid."

"Welke, mijnheer?"

"Als gij op duizend meter diepte zijt, dan ondervindt het buitenste
bekleedsel van de Nautilus eene drukking van honderd atmosferen;
als gij dus op dat oogenblik het water uit uwe vergaarbakken wilt
verdrijven om weder te stijgen, dan moeten uwe pompen die drukking
overwinnen, en dat is honderd kilogram op de vierkante centimeter. Gij
hebt dus eene kracht noodig...."

"Welke de electriciteit alléen mij kon geven," viel kapitein Nemo mij
haastig in de rede. "Ik herhaal het u, mijnheer, dat de dynamische
kracht van mijne werktuigen bijna onbegrensd is. De pompen van de
Nautilus hebben eene verbazende kracht; gij hebt dat dunkt mij reeds
moeten ondervinden, toen hare waterstralen zich als een woedende stroom
op het dek van de Abraham Lincoln neerstortten. Overigens bedien ik
mij van mijne hulpvergaarbakken slechts om eene gemiddelde diepte van
1500 tot 2000 meter te bereiken, en dat wel om mijne toestellen te
sparen. Als ik lust heb om den Oceaan op eene diepte van twee of drie
kilometer te bezoeken, dan heb ik veel langere, doch even onfeilbare
bewegingen noodig."

"Welke dan, kapitein?" vroeg ik.

"Daarvoor moet ik u noodzakelijk mededeelen hoe de Nautilus bestuurd
wordt."

"Ik brand van ongeduld om het te vernemen."

"Om het schip naar stuur- of bakboordzijde te wenden, om het te doen
laveeren, kortom om het in horizontale richting te doen bewegen,
daarvoor gebruik ik een gewoon roer, dat met een tandrad in beweging
wordt gebracht; maar ik kan de Nautilus ook van boven naar beneden,
en omgekeerd bewegen in vertikale richting, en dit doe ik door
middel van twee hellende vlakken, welke aan weerszijden midden uit
het schip steken, en die door middel van krachtige hefboomen allerlei
standen kunnen aannemen. Als die vlakken evenwijdig met het vaartuig
gehouden worden, dan gaat dit in horizontale richting voort; worden
zij schuins gehouden, dan daalt de Nautilus volgens de helling der
vlakken en door de werking der schroef naar de diepte, of komt op
dezelfde wijze naar boven, en zelfs als ik spoediger naar boven wil
komen, dan laat ik de schroef stilstaan, en de drukking van het water
doet de Nautilus in vertikale richting even spoedig stijgen, als een
luchtbal, die met waterstofgas gevuld, zich in de lucht verheft."

"Bravo, kapitein!" riep ik uit. "Maar hoe kan de stuurman den weg
volgen, welken gij hem in het midden der zee aanwijst?"

"De stuurman staat in eene glazen kooi, welke boven op de Nautilus
eenigszins uitsteekt, en welke van groote lenzen is voorzien."

"Glazen, die bestand zijn om aan zulk eene drukking weerstand te
bieden?"

"Welzeker. Het kristal dat zoo bros is als er tegen gestooten wordt,
heeft echter een aanzienlijk weerstandsvermogen. Bij proeven, welke
men in 1864 in de Poolzeeën nam om bij electriek licht te visschen,
merkte men op, dat kristalplaten van zeven millimeter dik aan eene
drukking van zestien atmosferen konden weerstand bieden, als men er
slechts warmtestralen door liet vallen, welke haar eene gelijkmatige
warmte mededeelden. En de glazen, waarvan ik mij bedien, zijn in het
middelpunt niet minder dan 21 centimeter dik, dat is dus dertigmaal
zooveel."

"Ik geloof het, kapitein; maar om te zien moet het licht de duisternis
van die diepten toch vervangen, en ik vroeg mijzelven af, hoe het
mogelijk is om onder in zee...."

"Achter het stuurhokje is een krachtige electrieke reflector geplaatst,
welker stralen de zee op een kilometer afstands verlichten."

"Bravo, kapitein! Nu begrijp ik dat lichten van den reusachtigen
eenhoorn, die alle geleerden in spanning heeft gebracht. Het is
natuurlijk dat ik u hierbij vraag, of de botsing tusschen de Nautilus
en de Scotia, waarover zóoveel gepraat is, door eene toevallige
ontmoeting werd veroorzaakt of niet?"

"Geheel toevallig mijnheer; ik voer op twee meter onder water toen
de botsing plaats greep; overigens zag ik dat het geene noodlottige
gevolgen heeft gehad."

"Geene, mijnheer; maar wat uwe ontmoeting met de Abraham Lincoln
aangaat?..."

"Het spijt mij voor een van de beste schepen van die flinke
Amerikaansche Marine, mijnheer, maar men viel mij aan en ik moest mij
verdedigen. Overigens heb ik mij slechts vergenoegd om het fregat
in een toestand te brengen, dat het mij geen schade meer kon doen;
het zal zijne averij in de eerste haven de beste wel hebben kunnen
doen herstellen."

"O kapitein," riep ik geheel overtuigd uit, "uw Nautilus is waarlijk
een wonder!"

"Ja, mijnheer," antwoordde de kapitein met wezenlijke aandoening,
"en ik heb dat schip zoo lief, alsof het mijn vleesch en bloed
ware. Indien op uwe gewone schepen gevaren u omringen, indien men op
zee het allereerst den indruk krijgt van een gevoel dat u naar den
afgrond trekt, zooals Janssen het zoo nauwkeurig gezegd heeft, dan
heeft de mensch in de Nautilus niets te vreezen; geen lek, want de
dubbele huid heeft de sterkte van het ijzer; geen tuig, dat door het
slingeren en stampen van het schip spoedig vernield is; geen zeilen,
welke de wind u voor den neus aan flarden scheurt; geen ketels, die
door de hitte verteerd worden; geen brand, omdat het geheele schip
van ijzer en niet van hout gemaakt is, geen kolen, welke opraken,
omdat electriciteit zijne grootste kracht uitmaakt; geen botsingen te
vreezen, omdat het alleen in de diepten van de zee vaart; geen storm
te weerstaan, omdat het schip eenige meters reeds onder de oppervlakte
eene volkomene stilte vindt! Dat is nu het schip bij uitnemendheid,
mijnheer! En indien het waar is, dat de ingenieur meer vertrouwen in
zijn vaartuig stelt dan de bouwmeester, en de bouwmeester meer dan
de kapitein zelf, dan kunt gij begrijpen met welk een vertrouwen ik
voor mijn Nautilus bezield ben, als ik u zeg, dat ik er de kapitein,
de ingenieur en de bouwmeester van ben."

De kapitein sprak met wegslepende welsprekendheid; het vuur van zijn
blik, het levendige van zijne gebaren, maakten een ander mensch van
hem. Ja, hij had zijn vaartuig lief, als een vader zijn kind. Maar
eene misschien onbescheiden vraag rees nu bij mij op, en ik kon die
ook niet terughouden.

"Zijt gij dan ingenieur, kapitein?" vroeg ik.

"Ja, professor," antwoordde hij, "Ik heb te Londen, te Parijs en te
New-York gestudeerd, toen ik nog op het land woonde."

"Maar hoe hebt gij in het geheim die wondervolle Nautilus kunnen
bouwen?"

"Elk gedeelte er van, mijnheer Aronnax, heb ik onder eene verkeerd
opgegeven bestemming uit verschillende landen laten komen. De kiel
is te Le Creuzot in Frankrijk gesmeed, de schroefstang bij Pen en
Co. te Londen, de ijzeren pantserplaten bij Leard te Liverpool,
de schroef bij Scott te Glasgow. De vergaderbakken zijn bij Cail en
Co. te Parijs gesmeed, de machine bij Krupp te Essen, de spoor in de
werkplaatsen van Motala in Zweden; de juistheidsinstrumenten zijn van
de gebroeders Hart te New-York, enz., en ieder van de leveranciers
kreeg onder verschillende benamingen iets van mijn plan te zien."

"Maar toen die stukken gereed waren, moest gij die toch passen en in
elkander zetten?"

"Ik had mijne werf op een onbewoond eiland midden in den Oceaan. Mijne
werklieden, dat is te zeggen mijne dappere makkers, die ik onderricht
en gevormd heb, hebben dáar de Nautilus onder mijn toezicht gebouwd,
en toen het vaartuig van stapel was geloopen, heeft het vuur elk spoor
van ons verblijf doen verdwijnen; ik geloof zelfs, dat als ik er toe
in staat was geweest, ik het eiland in de lucht had laten springen."

"Ik begin te gelooven dat de kosten voor het bouwen van de Nautilus
buitensporig groot zijn geweest."

"Een ijzeren vaartuig, mijnheer Aronnax, kost 1125 franc per ton;
de Nautilus meet 1500.2 ton: zij kost dus 1.687.725 [2] franken,
dus zoowat vier of vijf millioen met alle kunstwerken en schatten,
welke zij bevat."

"Eene laatste vraag, kapitein."

"Vraag, mijnheer."

"Zijt gij dan zóo rijk?"

"Ongeloofelijk rijk, mijnheer, ik zou zelfs zonder moeite de geheele
nationale schuld van Frankrijk kunnen betalen!"

Ik keek den zonderlingen man, die zóo sprak, strak aan; maakte hij ook
misbruik van mijn vertrouwen? De toekomst zou mij dit raadsel oplossen.



HOOFDSTUK XIV

De zwarte stroom.

Men berekent dat het water op den aardbol eene oppervlakte beslaat
van 3.751.322.76 vierkante myriameter of meer dan 37-1/2 millioen
hectaren. De massa water wordt geschat op eene hoeveelheid, gelijk
aan het water dat alle rivieren der aarde gedurende 40,000 jaar
zouden uitstorten. Gedurende de geologische tijdperken volgde het
tijdperk van het water op dat van het vuur; eerst was er overal zee;
toen verschenen in het Silurische tijdvak langzamerhand bergtoppen;
eilanden kwamen boven, verdwenen soms onder de groote waterstroomen,
kwamen op nieuw boven, vereenigden zich en vormden vaste landen,
zooals wij die nu nog kennen; er was een bewoonbaar vast gedeelte
ontstaan, dat eene oppervlakte had van 132,987,377 vierkante kilometer
of ruim 13,298 millioen hectaren. De vorm van dit land doet ons het
water in vijf groote wereldzeeën verdeelen: de Noordelijke IJszee,
de Zuidelijke IJszee, den Indischen Oceaan, den Atlantischen Oceaan
en de Stille Zuidzee; deze laatste strekt zich van het noorden naar
het zuiden tusschen de beide poolcirkels, en van het westen naar het
oosten tusschen Azië en Amerika uit, over eene lengte van 145°. Het is
de kalmste zee; men vindt er breede en langzame stroomen in; het verval
is middelmatig, en er vallen overvloedige regens in. Zoodanig was de
Oceaan, welke mijn noodlot mij in de vreemdsoortigste omstandigheden
zou doen doorreizen.

"Mijnheer de professor," zeide kapitein Nemo, "als gij wilt, zullen
wij eens poolshoogte van onze ligging nemen, en het punt van vertrek
voor deze reis bepalen; het is kwart voor twaalven, ik zal dus weder
naar de oppervlakte stijgen."

De kapitein drukte driemaal op een electriek klokje; de pompen dreven
het water uit de vergaarbakken; de naald van de manometer wees door
verschil in drukking het stijgen van de Nautilus aan, tot dat alles
stilstond.

"Wij zijn er," zeide de kapitein.

Ik ging naar de middeltrap die tot het plat voerde. Ik besteeg
de metalen treden, en door het geopende luik kwam ik boven op de
Nautilus. Dit plat stak slechts 80 centimeter uit zee; de voor-
en achtersteven van het vaartuig hadden zulk een vorm, dat men het
vrij nauwkeurig met een lange sigaar kan vergelijken. Ik bemerkte
dat de ijzeren platen even over elkander waren geschoven, en eenige
overeenkomst hadden met de schubben van eenig kruipend dier. Ik begreep
dus vrij natuurlijk dat dit schip, niettegenstaande de beste kijkers,
altijd voor een zeemonster gehouden werd.

In het midden van het plat stak de sloep, welke half in het schip
verborgen was, eenigermate uit. Voor en achter bevonden zich twee
kooien van middelmatige hoogte met schuine wanden, en voor een deel
door groote lenzen gesloten; de eene kooi was voor den stuurman, die
de Nautilus stuurde, in de andere schitterde het krachtige electrieke
licht, dat het schip op zijn weg verlichtte.

De zee was kalm en de hemel helder. Het lange vaartuig voelde
nauwelijks iets van de zachte schommelingen van den Oceaan; een licht
oostewindje rimpelde het watervlak; de gezichteinder was zonder nevels
en liet dus de beste opmetingen toe. Er was niets in het gezicht; geen
klip, geen eiland, geen Abraham Lincoln, niets dan de oneindige ruimte.

Kapitein Nemo ging met zijn sextant in de hand de hoogte der zon
opnemen, waardoor hij de breedte leerde kennen; hij wachtte eenige
minuten, totdat de zon hare grootste hoogte bereikt had; terwijl
hij zijne observatiën deed, bewoog zich geen enkele spier van zijn
lichaam, en het instrument zou in de hand van een marmeren beeld niet
onbeweeglijker hebben kunnen zijn.

"Middag," zeide hij.

Ik wierp een laatsten blik op die zee, welke eenigszins geelachtig
gekleurd was door het zand van de Japansche kust, en ik ging weder
naar het salon.

Daar berekende de kapitein de lengte, en zeide toen: "Mijnheer Aronnax,
wij zijn op 137° 15' westerlengte...."

"Van welken meridiaan?" vroeg ik driftig, hopende dat het antwoord
van den kapitein mij misschien zou doen gewaar worden, uit welk land
hij afkomstig was.

"Mijnheer," antwoordde hij; "ik heb verschillende chronometers, die
geregeld zijn naar de meridianen van Parijs, Greenwich en Washington;
maar ter uwer eere zal ik mij van dien van Parijs bedienen."

Dit antwoord liet mij even wijs. Ik boog en de kapitein vervolgde:

"137° 15' westerlengte van Parijs, 30° 7' noorderbreedte, dat is te
zeggen op ongeveer 300 kilometer van de Japansche kust. Het is heden 8
November des middags, dat onze onderzoekingstocht onder water begint."

"God beware ons," zeide ik.

"En nu, mijnheer de professor, laat ik u den tijd voor uwe studiën;
ik heb gelast om O.N.O. te sturen op eene diepte van vijftig
meter. Hier hebt gij kaarten met groote punten, waarop gij onzen
weg kunt volgen. Het salon is ter uwer beschikking, terwijl ik u de
vergunning verzoek om mij te verwijderen."

De kapitein groette mij; ik bleef met mijne gedachten alléén;
ik dacht slechts aan den kapitein van de Nautilus. Zou ik ooit
te weten komen tot welke natie deze vreemdsoortige man behoorde,
die er zich op beroemde tot geene te behooren? Wie had dien haat
bij hem opgewekt, welken hij aan de menschheid gezworen had, en
die hem misschien op vreeslijke wraak bedacht deed zijn? Was het
een van die miskende geleerden, dien men volgens eene uitdrukking
van Koenraad "verdriet had aangedaan," een nieuwerwetsche Galilei,
of een van die wetenschappelijke mannen, zooals de Amerikaan Maury,
wiens loopbaan door staatkundige omwentelingen was afgebroken? Ik
kon het niet zeggen. Hij ontving mij, dien het toeval bij hem aan
boord had gebracht, mij, wiens leven in zijne hand lag, koel, doch
gastvrij; hij had evenwel nimmer mijne hem toegestoken hand aangevat,
of mij de zijne toegestoken.

Ik bleef een uur in gepeins verzonken zitten, en zocht dien voor
mij zoo geheimzinnigen sluier op te lichten. Daarop vestigde ik het
oog op de groote kaart, welke op de tafel lag uitgespreid, en zette
den vinger op de plaats, waar de opgegeven breedte- en lengtegraden
elkander kruisten.

De zee heeft stroomen als het vaste land; het zijn bijzondere
stroomen, kenbaar aan hun warmtegraad, aan hunne kleur, en van welke
de merkwaardigste den naam van Golfstroom draagt. De wetenschap heeft
op den aardbol de richting van vijf hoofdstroomen aangewezen, één in
het noorden en één in het zuiden van den Atlantischen Oceaan, twee
anderen in het noorden en zuiden van de Stille Zuidzee, en een vijfde
in het zuiden van den Indischen Oceaan; zelfs is het waarschijnlijk,
dat er een zesde in het noorden van diezelfde zee bestaan heeft,
toen de Kaspische zee en het meer Aral met de groote Aziatische meren
verbonden, slechts eene groote uitgestrektheid water vormden.

Op de plaats der wereldkaart, waarop ik den vinger hield, vertoonde
zich één van die stroomen, de Kuroskivo der Japanneezen, de Zwarte
stroom, welke, uit de golf van Bengalen komende, door de straat
van Malakka en langs de kust van Azië stroomt, en dan in de Stille
Zuidzee zich met een bocht naar de Aleutische eilanden wendt; hij voert
kamferboonen en andere Indische voortbrengselen met zich, en is door
de helderblauwe kleur van zijn water duidelijk te onderscheiden van de
golven van den Oceaan. Dezen stroom zou de Nautilus volgen; ik volgde
dien met het oog op de kaart, en zag hem zich in den oneindig grooten
Oceaan verliezen, zelfs voelde ik er mij reeds door medeslepen, toen
Ned Land en Koenraad de zaal binnentraden. Mijne wakkere lotgenooten
bleven als versteend staan op het gezicht van zoovele wonderen,
als hier opeen gestapeld lagen.

"Waar zijn wij?"  riep Ned uit; "in het museum te Quebec?"

"Met mijnheers goedvinden zou ik eer zeggen, dat het bij ons in de
Galeries de Zoölogie was," zeide Koenraad.

"Vrienden," antwoordde ik, terwijl ik hen wenkte om binnen te komen,
"gij zijt noch in Canada, noch in Frankrijk, maar aan boord van de
Nautilus, vijftig meter onder het oppervlak der zee."

"Ik moet mijnheer gelooven, omdat hij het verzekert," zeide Koenraad;
"maar op mijn woord, de zaal is zoo schoon, dat zij zelfs een Vlaming
als mij verbaast."

"Verwonder u, mijn vriend, en kijk goed rond, want voor iemand, die
zooveel liefhebberij in het rangschikken en in klassen indeelen heeft
als gij, is hier werk in overvloed...."

Ik behoefde hem niet aan te moedigen; de brave jongen boog zich over
de glazen kasten en mompelde allerlei woorden en namen uit de taal der
natuurkenners: "weekdieren, koppootigen, Gyproea. Madagascariensis,"
enz., alles door elkander.

Gedurende dien tijd vroeg Ned Land, die niets met schelpen ophad,
mij naar mijn onderhoud met den kapitein; of ik ontdekt had wie hij
was, van waar hij kwam, waar hij heenging, naar welke diepte hij
ons medesleepte? Kortom, duizenden vragen, waarop ik zelfs den tijd
niet had een antwoord te geven. Ik vertelde hem al wat ik wist, of
liever wat ik niet wist en ik vroeg hem wat hij van zijn kant gezien
of gehoord had.

"Niets gehoord of gezien," antwoordde hij: "ik heb zelfs niemand van
de equipage gezien; zou die misschien ook electriek zijn?"

"Electriek!"

"Waarachtig, men zou het haast gaan gelooven. Maar gij, mijnheer
Aronnax," vroeg Ned Land, die, zoo het scheen altijd bij zijn denkbeeld
van overrompeling bleef, "zoudt gij niet kunnen zeggen, hoe sterk ze
hier aan boord zijn: tien, twintig, vijftig, honderd?"

"Ik kan u daarop geen antwoord geven. Geloof mij, laat voor het
oogenblik dat denkbeeld varen om u van de Nautilus meester te maken
of te vluchten. Dit vaartuig is een van de grootste meesterstukken
der nieuwere nijverheid, en het zou mij spijten als ik het niet gezien
had. Velen zouden zich in onzen toestand schikken, al ware het alleen
maar om te midden van al die wonderen rond te dolen, houdt u dus stil,
en laat ons trachten te zien, wat rondom ons gebeurt."

"Zien!" riep de harpoenier, "maar men ziet niets, en zal nooit iets
zien in die ijzeren gevangenis; wij varen in den blinde...."

Toen Ned dit zeide, werd het eensklaps donker als de nacht. Het
licht aan de zoldering verdween, en wel zoo snel, dat mijne oogen er
pijnlijk door werden aangedaan, evenals dit geschiedt, wanneer men
van de diepste duisternis plotseling in het schitterendste licht komt.

Wij bleven verstomd staan, en bewogen ons niet, daar wij niet wisten
welke aangename of onaangename verrassing ons wachtte; doch een
schuiven deed zich hooren; men zou gezegd hebben; dat de zijwanden
van de Nautilus in beweging kwamen.

"Dat is nu het einde van alles!", zeide Ned.

"Orde van de Hydromedusen!", mompelde Koen.

Plotseling werd het dag aan weerszijden van de zaal door twee
ovale openingen; het zeewater was helder verlicht door een stroom
electriek licht. Twee dikke glasschijven scheiden ons van de zee;
eerst sidderde ik op de gedachte, dat deze broze wanden konden breken,
maar stevige koperen stangen steunden het glas, en gaven daaraan een
bijna onbeperkt weerstandsvermogen.

De zee was op een kilometer afstands rondom de Nautilus
duidelijk zichtbaar. Welk een schouwspel! Welke pen zou dit
kunnen beschrijven! Wie zou de uitwerking van het licht door deze
doorschijnende massa, en het zachte afnemen en verminderen daarvan
in de diepten boven en beneden ons kunnen afschilderen? Men kent
de doorschijnendheid der zee; men weet dat haar water helderder is
dan bronwater: de minerale en organische bestanddeelen, welke er in
opgelost zijn, vermeerderen die doorschijnendheid. In enkele gedeelten
van den Oceaan, bij de Antillen bijvoorbeeld, kan men op eene diepte
van 145 meter den zandigen bodem met bijzondere nauwkeurigheid zien,
en zelfs schijnen de zonnestralen nog tot op eene diepte van 300 meter
door te dringen. Maar in den stroom, waarin de Nautilus dreef, werd
het electriek licht in de diepte der zee zelve voortgebracht. Het
was geen verlicht water meer, maar een stroom van vloeibaar licht.

Als men de veronderstelling van Erhemberg gelooven wil, dan zou er in
de diepten der zee een phosphoresceerend licht bestaan, waardoor de
natuur aan de bewoners der zee een wonderlijk schouwspel bereid heeft;
ik kon dit een weinig beoordeelen door het duizendvoudige spelen van
he

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/11205