Max Havelaar
by Multatuli · Dutch · Gutenberg #11024 · 777,334 chars · public domain (US)
The Project Gutenberg eBook of Max Havelaar
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Max Havelaar
Author: Multatuli
Release date: February 1, 2004 [eBook #11024]
Most recently updated: October 28, 2024
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/11024
Credits: Produced by Marc D'Hooghe
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MAX HAVELAAR ***
MAX HAVELAAR
OF DE
KOFFIVEILINGEN
DER
NEDERLANDSCHE HANDELMAATSCHAPPY
DOOR
MULTATULI
AAN DE
DIEP VEREERDE NAGEDACHTENIS
VAN
EVERDINE HUBERTE BARONESSE VAN WYNBERGEN
DER
TROUWE GADE
DER
HELDHAFTIGE LIEFDEVOLLE MOEDER
DER
EDELE VROUW
"J'ai souvent entendu plaindre les femmes de poëte, et sans doute,
pour tenir dignement dans la vie ce difficile emploi, aucune qualité
n'est de trop. Le plus rare ensemble de mérites n'est que le strict
nécessaire, et ne suffit même pas toujours au commun bonheur. Voir
sans cesse la muse en tiers dans vos plus familiers entretiens,
--recueiller dans ses bras et soigner ce poëte qui est votre mari,
quand il vous revient meurtri par les déceptions de sa tâche;--ou bien
le voir s'envoler à la poursuite de sa chimère ... voilà l'ordinaire
de l'existence pour une femme de poëte. Oui, mais aussi il y a le
chapître des compensations, l'heure des lauriers qu'il a gagnés à la
sueur de son génie, et qu'il dépose pieusement aux pieds de la femme
légitimement aimée, aux genoux de l'Antigone qui sert de guide en ce
monde à cet "aveugle errant;"--
Car, ne vous-y-trompez pas: presque tous les petits-fils d'Homère
sont plus ou moins aveugles à leur façon;--ils voient ce que nous ne
voyons pas; leurs regards pénètrent plus haut et plus au fond que les
nôtres; mais ils ne savent pas voir droit devant eux leur petit
bonhomme de chemin, et ils seraient capables de trébucher et de se
casser le nez sur le moindre caillou, s'il leur fallait cheminer sans
soutien, dans ces vallées de prose où demeure la vie."
(HENRY DE PÈNE)
GERECHTSDIENAAR. Mynheer de rechter, daar is de man die _Barbertje_
vermoord heeft.
RECHTER. Die man moet hangen. Hoe heeft hy dat aangelegd?
GERECHTSDIENAAR. Hy heeft haar in kleine stukjes gesneden, en
ingezouten.
RECHTER. Daaraan heeft hy zeer verkeerd gedaan. Hy moet hangen.
LOTHARIO. Rechter, ik heb _Barbertje_ niet vermoord! Ik heb haar gevoed
en gekleed en verzorgd. Er zyn getuigen die verklaren zullen dat ik 'n
goed mensch ben, en geen moordenaar.
RECHTER. Man, ge moet hangen! Ge verzwaart uw misdaad door eigenwaan.
Het past niet aan iemand die ... van iets beschuldigd is, zich voor 'n
goed mensch te houden.
LOTHARIO. Maar, rechter, er zyn getuigen die het zullen bevestigen. En
daar ik nu beschuldigd ben van moord ...
RECHTER. Ge moet hangen! Ge hebt _Barbertje_ stukgesneden, ingezouten,
en zyt ingenomen met uzelf ... drie kapitale delikten! Wie zyt
ge, vrouwtje?
VROUWTJE. Ik ben _Barbertje_.
LOTHARIO. Goddank! Rechter, ge ziet dat ik haar niet vermoord heb!
RECHTER. Hm ... ja ... zoo! Maar het inzouten?
BARBERTJE. Neen, rechter, hy heeft me niet ingezouten. Hy heeft my
integendeel veel goeds gedaan. Hy is 'n edel mensch!
LOTHARIO. Ge hoort het, rechter, ze zegt dat ik 'n goed mensch ben.
RECHTER. Hm ... het _derde_ punt blyft dus bestaan. Gerechtsdienaar,
voer dien man weg, hy moet hangen. Hy is schuldig aan eigenwaan.
Griffier, citeer in de praemissen de jurisprudentie van _Lessing's_
patriarch.
_(Onuitgegeven Tooneelspel)_
EERSTE HOOFDSTUK[1]
Ik ben makelaar in koffi, en woon op de Lauriergracht, N° 37. Het is myn
gewoonte niet, romans te schryven, of zulke dingen, en het heeft dan ook
lang geduurd, voor ik er toe overging een paar riem papier extra te
bestellen, en het werk aantevangen, dat gy, lieve lezer, zoo-even in de
hand hebt genomen, en dat ge lezen moet als ge makelaar in koffi zyt, of
als ge wat anders zyt. Niet alleen dat ik nooit iets schreef wat naar
een roman geleek, maar ik houd er zelfs niet van, iets dergelyks te lezen,
omdat ik een man van zaken ben. Sedert jaren vraag ik my af, waartoe zulke
dingen dienen, en ik sta verbaasd over de onbeschaamdheid, waarmede een
dichter of romanverteller u iets op de mouw durft spelden, dat nooit
gebeurd is, en meestal niet gebeuren kan. Als ik in _myn_ vak--ik ben
makelaar in koffi, en woon op de Lauriergracht N° 37--aan een principaal
--een principaal is iemand die koffi verkoopt--een opgave deed, waarin
maar een klein gedeelte der onwaarheden voorkwam, die in gedichten en
romans de hoofdzaak uitmaken, zou hy terstond Busselinck & Waterman nemen.
Dat zyn ook makelaars in koffi, doch hun adres behoeft ge niet te weten.
Ik pas er dus wel op, dat ik geen romans schryf, of andere valsche opgaven
doe. Ik heb dan ook altyd opgemerkt dat menschen die zich met zoo-iets
inlaten, gewoonlyk slecht wegkomen. Ik ben drie en veertig jaren oud,
bezoek sedert twintig jaren de beurs, en kan dus voor den dag treden, als
men iemand roept die ondervinding heeft. Ik heb al wat huizen zien vallen!
En gewoonlyk, wanneer ik de oorzaken naging, kwam het me voor, dat die
moesten gezocht worden in de verkeerde richting die aan de meesten gegeven
was in hun jeugd.
Ik zeg: _waarheid en gezond verstand_, en hier blyf ik by. Voor de
_Schrift_ maak ik natuurlyk een uitzondering. De fout begint al van
Van Alphen af, en wel terstond by den eersten regel over die "_lieve
wichtjes_." Wat drommel kon dien ouden heer bewegen, zich uittegeven
voor een aanbidder van myn zusje Truitje die zeere oogen had, of van myn
broêr Gerrit die altyd met zyn neus speelde? En toch, hy zegt: "dat hy
die versjes zong, door _liefde_ gedrongen." Ik dacht dikwyls als kind:
"man, ik wilde u graag eens ontmoeten, en als ge my de marmerknikkers
weigerde, die ik u vragen zou, of myn naam voluit in banket--ik heet
_Batavus_--dan houd ik u voor een leugenaar. Maar ik heb Van Alphen
nooit gezien. Hy was al dood, geloof ik, toen hy ons vertelde dat myn
vader myn beste vrind was--ik hield meer van Pauweltje Winser, die
naast ons woonde in de Batavierstraat--en dat myn kleine hond zoo
dankbaar was. We hielden geen honden, omdat ze zoo onzindelyk zyn.
Alles leugens! Zoo gaat dan de opvoeding voort. Het nieuwe zusjen is van
de groenvrouw gekomen in een groote kool. Alle Hollanders zyn dapper en
edelmoedig. De Romeinen waren bly dat de Batavieren hen lieten leven.
De Bey van Tunis kreeg een kolyk als hy het wapperen hoorde van de
nederlandsche vlag. De hertog van Alva was een ondier. De eb, in 1672
geloof ik, duurde wat langer dan gewoonlyk, expres om Nederland te
beschermen. Leugens! Nederland is _Nederland_ gebleven, omdat onze oude
luî goed op hun zaken pasten, en omdat ze het ware geloof hadden. Dàt
is de zaak!
En dan komen later weer andere leugens. Een meisjen is een engel. Wie
dit het eerst ontdekte, heeft nooit zusters gehad. Liefde is een
zaligheid. Men vlucht met het een of ander voorwerp naar het einde der
aarde. De aarde heeft geen einden, en die liefde is ook gekheid. Niemand
kan zeggen dat ik niet goed leef met myn vrouw--zy is een dochter van
Last & Co, makelaars in koffi--niemand kan iets op ons huwelyk aanmerken.
Ik ben lid van _Artis_, zy heeft een sjaallong van twee-en-negentig
gulden, en van zulk een malle liefde die volstrekt aan het einde der
aarde wil wonen, is toch tusschen ons nooit spraak geweest. Toen we
getrouwd zyn, hebben wy een toertje naar den Haag gemaakt--ze heeft daar
flanel gekocht, waarvan ik nog borstrokken draag--en verder heeft ons de
liefde nooit de wereld ingejaagd. Dus: alles gekheid en leugens!
En zou _myn_ huwelyk nu minder gelukkig wezen, dan van de menschen die
zich uit liefde de tering op den hals haalden, of de haren uit het
hoofd? Of denkt ge dat myn huishouden iets minder wel geregeld is, dan
het wezen zou als ik voor zeventien jaar myn meisjen in _verzen_ gezegd
had dat ik haar trouwen wilde? Gekheid! Ik had dit toch even goed kunnen
doen als ieder ander, want verzenmaken is een ambacht, zeker minder
moeielyk dan ivoordraaien. Hoe zouden anders de ulevellen met deviezen
zoo goedkoop wezen?--Frits zegt: "_Uhlefeldjes_" ik weet niet, waarom?
--En vraag eens naar den prys van een stel billardballen!
Ik heb niets tegen verzen op-zichzelf. Wil men de woorden in gelid
't zetten, goed! Maar zeg niets wat niet waar is. "_De lucht is guur,
en 't is vier uur_." Dit laat ik gelden, als het werkelijk _guur_ en
_vier uur_ is. Maar als 't kwartier voor drieën is, kan ik, die myn
woorden niet in 't gelid zet, zeggen: "_de lucht is guur, en 't is
kwartier voor drieën_." De verzenmaker is door de _guurheid_ van den
eersten regel aan een vol uur gebonden. Het moet voor hem juist _een,
twee_ uur, enz. wezen, of de lucht mag niet guur zyn. _Zeven_ en _negen_
is verboden door de maat. Daar gaat hy dan aan 't knoeien! Of het weêr
moet veranderd, òf de tyd. Eén van beiden is dan gelogen.
En niet alleen die verzen lokken de jeugd tot onwaarheid. Ga eens in den
schouwburg, en luister dáár wat er voor leugens aan den man worden
gebracht. De held van 't stuk wordt uit het water gehaald door iemand
die op 't punt staat bankroet te maken. Dan geeft hy hem zyn halve
vermogen. Dat kan niet waar zyn. Toen onlangs op de Prinsengracht myn
hoed te-water woei--Frits zegt: _waaide_--heb ik den man die hem my
terugbracht, een dubbeltje gegeven; en hy was tevreden. Ik weet wel dat
ik iets meer had moeten geven als hy myzelf er uit gehaald had, maar
zeker myn halve vermogen niet. 't Is immers duidelyk dat men op die wys
maar tweemaal in 't water hoeft te vallen om doodarm te wezen. Wat het
ergste is by zulke vertooningen op het tooneel, het publiek gewent zich
zóó aan al die onwaarheden, dat het ze mooi vindt en toejuicht. Ik had
weleens lust zoo'n heel parterre in 't water te gooien, om te zien wie
dat toe juichen gemeend had. Ik, die van waarheid houd, waarschuw ieder
dat ik voor 't opvisschen van myn persoon geen zoo hoog bergloon betalen
wil. Wie met minder niet tevreden is, mag me laten liggen. Alleen Zondags
zou ik iets meer geven, omdat ik dan myn kantilje ketting draag, en een
anderen rok.
Ja, dat tooneel bederft velen, meer nog dan de romans. Het is zoo
aanschouwelyk! Met wat klatergoud en wat kant van uitgeslagen papier,
ziet er dat alles zoo aanlokkelyk uit. Voor kinderen, meen ik, en voor
menschen die niet in zaken zyn. Zelfs als die tooneelmenschen armoede
willen voorstellen, is hun voorstelling altyd leugenachtig. Een meisje
wier vader bankroet maakte, werkt om de familie te onderhouden. Heel
goed. Daar zit ze dan te naaien, te breien of te borduren. Maar tel nu
eens de steken die ze doet gedurende het heele bedryf. Ze praat, ze
zucht, ze loopt naar 't venster, maar werken doet ze niet. De familie
die van dezen arbeid leven kan, heeft weinig noodig. Zoo'n meisjen is
natuurlyk de heldin. Ze heeft eenige verleiders de trappen afgeworpen,
ze roept gedurig: "o myne moeder, o, myne moeder!" en stelt dus de deugd
voor. Wat is dat voor een deugd, die een vol jaar noodig heeft voor een
paar wollen kousen? Geeft dit alles niet valsche denkbeelden van deugd,
en "_werken voor den kost?_" Alles gekheid en leugens!
Dan komt haar eerste minnaar--die vroeger klerk was aan 't kopieboek,
maar nu schatryk--op-eens terug, en trouwt haar. Ook weer leugens. Wie
geld heeft, trouwt geen meisjen uit een gefailleerd huis. En als ge
meent, dat dit op het tooneel er dóór kan als uitzondering, blyft toch
myn aanmerking bestaan, dat men den zin voor waarheid bederft by het
volk, dat de uitzondering als regel aanneemt, en dat men de publieke
zedelykheid ondermynt, door het te gewennen iets toetejuichen op het
_tooneel_, wat door elk fatsoenlyk makelaar of koopman voor een
bespottelyke krankzinnigheid wordt gehouden in de _wereld_. Toen _ik_
trouwde, waren wy op 't kantoor van myn schoonvader--Last & Co--met ons
dertienen, en er ging wat om!
En nog meer leugens op het tooneel. Als de held met zyn styven komediestap
weggaat om 't verdrukte vaderland te redden, waarom gaat dan de dubbele
achterdeur altyd vanzelf open? En verder, hoe kan de persoon die in verzen
spreekt, voorzien wat de ander te antwoorden heeft, om hem 't rym gemakkelyk
te maken? Als de veldheer tot de prinses Zegt: "_mevrouw, het is te laat,
de poorten zyn gesloten_" hoe kan hy dan vooruit weten, dat zy zeggen wil:
"_welaan dan, onversaagd, men doe het zwaard ontblooten?_" Want als zy nu
eens, hoorende dat de poort toe was, antwoordde dat ze dan wat wachten zou
tot er geopend werd, of dat zy een andermaal eens terug zou komen, waar
bleef dan maat en rym? Is het dus niet een pure leugen, als de veldheer de
prinses vragend aanziet, om te weten wat ze doen wil na 't poortsluiten?
Nog-eens: als 't mensch nu eens lust had gehad te gaan slapen, in plaats
van iets te ontblooten? Alles leugens!
En dan die beloonde deugd! O, o, o! Ik ben sedert zeventien jaren
makelaar in koffi--Lauriergracht, N° 37--en heb dus al zoo-iets
bygewoond, maar het stuit my altyd vreeselyk, als ik de goede lieve
waarheid zóó zie verdraaien. Beloonde deugd? Is 't niet om van de deugd
een handelsartikel te maken? Het _is_ zoo niet in de wereld, en 't is
_goed_ dat het niet zoo is. Want waar bleef de verdienste, als de deugd
beloond werd? Waartoe dus die infame leugens altyd voorgewend?
Daar is by-voorbeeld Lukas, onze pakhuisknecht, die reeds by den vader
van Last & Co heeft gewerkt--de firma was toen Last & Meyer, maar de
Meyers zyn er lang uit--dàt was dan toch wel een deugdzaam man. Geen
boon kwam er ooit te-kort, hy ging stipt naar de kerk, en drinken deed
hy niet. Als myn schoonvader te Driebergen was, bewaarde hy het huis, en
de kas, en alles. Eens heeft hy aan de Bank zeventien gulden te veel
ontvangen, en, hy bracht ze terug. Hy is nu oud en jichtig, en kan niet
meer dienen. Nu heeft hy niets, want er gaat veel by ons om, en we
hebben jong volk noodig. Welnu, ik houd dien Lukas voor zeer deugdzaam,
maar wordt hy nu beloond? Komt er een prins die hem diamanten geeft, of
een fee die hem boterhammen smeert? Waarachtig niet! Hy is arm, en blyft
arm, en dit moet ook zoo wezen. _Ik_ kan hem niet helpen--want we hebben
jong volk noodig, omdat er zooveel by ons omgaat--maar al _kon_ ik, waar
bleef zyn verdienste, als hy nu op zyn ouden dag een gemakkelyk leven
leiden kon? Dan zouden alle pakhuisknechts wel deugdzaam worden, en
iedereen, hetgeen Gods bedoeling niet wezen kan, omdat er dan geen
byzondere belooning voor de braven overbleef hier-namaals. Maar op een
tooneel verdraaien ze dat ... alles leugens!
_Ik_ ben ook deugdzaam, maar vraag ik hiervoor belooning? Als myn zaken
goed gaan--en dit doen ze--als myn vrouw en kinderen gezond zyn, zoodat
ik geen gemaal heb met dokter en apteker ... als ik jaar-in jaar-uit een
sommetje kan ter-zy leggen voor den ouden dag ... als Frits knap opgroeit,
om later in myn plaats te komen als ik naar Driebergen ga ... zie, dan
ben ik heel tevreden. Maar dit alles is een natuurlyk gevolg van de
omstandigheden, en omdat ik op de zaken pas. Voor myn deugd eisch ik niets.
En dat ik toch deugdzaam bèn, blykt uit myn liefde voor de waarheid.
Deze is, na myn gehechtheid aan het geloof, myn hoofdneiging. En ik
wenschte dat ge hiervan overtuigd waart, lezer, omdat het de
verontschuldiging is voor 't schryven van dit boek.
Een tweede neiging, die my even sterk als waarheidsliefde beheerscht, is
de hartstocht voor myn vak. Ik ben namelyk makelaar in koffi, Lauriergracht
N° 37. Welnu, lezer, aan myn onkreukbare liefde voor de waarheid, en aan
myn yver voor de zaken, hebt gy te danken dat deze bladen geschreven zyn.
Ik zal u vertellen hoe dit is toegegaan. Daar ik nu voor 't oogenblik
afscheid van u neem--ik moet naar de beurs--noodig ik u straks op een
tweede hoofdstuk. Tot weerziens dus!
Eilieve, steek het by u ...'t is een kleine moeite ... het kan te-pas
komen ... ei zie, daar is het: een adreskaartje! Die Co ben ik, sedert
de _Meyers_ er uit zyn ... de oude Last is myn schoonvader.
_______________________________
| |
| LAST & Co |
| |
| MAKELAARS IN KOFFI |
| |
| Lauriergracht, N° 37 |
|_______________________________|
TWEEDE HOOFDSTUK
Het was slap op de beurs, maar de voorjaarsveiling zal 't wel goed maken.
Denk niet dat er niets by ons omgaat. By Busselinck & Waterman is 't nog
slapper. Een vreemde wereld! Men woont zoo iets by, als men zoo'n twintig
jaren de beurs bezoekt. Verbeeld u dat ze daar getracht hebben--Busselinck
& Waterman, meen ik--my Ludwig Stern aftenemen. Daar ik niet weet of gy
aan de beurs bekend zyt, wil ik u even zeggen dat Stern een eerst huis
is in koffi te Hamburg, dat altyd door Last & Co is bediend geworden.
Heel toevallig kwam ik daar achter ... ik meen achter de knoeiery van
Busselinck & Waterman. Zy zouden een kwart procent van de courtage laten
vallen--onderkruipers zyn het, anders niet!--en zie nu eens wat ik gedaan
heb om dien slag afteweren. Een ander in myn plaats had misschien aan
Ludwig Stern geschreven dat hy ook wat zou laten vallen, dat hy hoopte op
konsideratie om de langdurige diensten van Last & Co ... ik heb uitgerekend
dat de firma, sedert ruim vyftig jaren, vier ton aan Stern verdiend heeft.
Die konnexie dateert van 't kontinentaal stelsel, toen wy dekoloniale waren
insmokkelden van Helgoland. Ja, wie weet wat 'n ander al zoo zou geschreven
hebben. Maar neen, onderkruipen doe ik niet. Ik ben naar _Polen_ gegaan[2]
liet me pen en papier geven, en schreef:
_Dat de groote uitbreiding die onze zaken den laatsten tyd genomen
hadden, vooral door de vele geëerde orders uit Noord-Duitschland_ ...
't Is de zuivere waarheid!
..._dat die uitbreiding eenige vermeerdering van ons personeel
noodzakelyk maakte_.
't Is de waarheid! Gister-avend nog was de boekhouder na elven op
't kantoor, om zyn bril te zoeken.
_Dat vooral zich de behoefte deed gevoelen aan fatsoenlyke,
welopgevoede jongelieden, voor de korrespondentie in het duitsch.
Dat wel-is-waar veel duitsche jongelingen, in Amsterdam aanwezig,
hiertoe de vereischte bekwaamheden bezaten, maar dat een huis dat
zich respekteert_ ...
't Is de zuivere waarheid!
..._by de toenemende ligtzinnigheid en onzedelykheid onder de jeugd,
by het dagelyks aangroeien van het getal fortuinzoekers, en met het
oog op de noodzakelykheid om soliditeit van gedrag, hand-aan-hand te
doen gaan met soliditeit in de uitvoering, van de gegeven orders_ ...
't Is, waarachtig, alles de zuivere waarheid!
..._dat zulk een huis_--ik bedoel Last & Co, makelaars in koffi,
Lauriergracht N°. 37--_niet omzichtig genoeg wezen kon met het
engageeren van sujetten_.
Dit alles is de zuivere waarheid, lezer! Weet ge wel, dat de jonge
Duitscher, die op de beurs by pilaar 17 stond, weggeloopen is met de
dochter van Busselinck & Waterman? Onze Marie wordt ook al dertien in
September.
..._dat ik de eer had gehad van den heer Saffeler te vernemen_
--Saffeler reist voor Stern--_dat de geachte chef der firma, de heer
Ludwig Stern, een zoon had, den heer Ernest Stern, die ter volmaking
zyner kommercieele kennis, eenigen tyd in een hollandsch huis
wenschte geëmploieerd te zyn. Dat ik met het oog op_ ...
Hier herhaalde ik weer al die onzedelykheid, en vertelde de geschiedenis
der dochter van Busselinck & Waterman. Niet om iemand zwart te maken ...
neen, bekladden ligt nu juist heelemaal niet in myn manier! Maar ... het
kan nooit kwaad dat ze 't weten, dunkt me.
..._dat ik met het oog dáárop, niets liever wenschte dan den heer
Ernest Stern belast te zien met de duitsche korrespondentie van ons
huis_.
Uit kiesheid vermeed ik alle toespeling op honorarium of salaris. Maar ik
voegde er by:
_Dat, indien de heer Ernest Stern het verblyf ten onzen huize
--Lauriergracht N° 37--wilde voor lief nemen, myn vrouw zich bereid
verklaarde als een moeder voor hem te zorgen, en dat zyn linnengoed
in huis zou versteld worden_.
Dit is de zuivere waarheid, want Marie stopt en maast heel lief. En
ten-slotte:
_Dat by ons de Heer gediend werd_.[3]
Die kan hy in zyn zak steken, want de Sterns zyn Luthersch. En ik
verzond myn brief. Ge begrypt dat de oude Stern niet goedschiks by
Busselinck & Waterman kan overgaan, als de jonge by ons aan 't kantoor
is. Ik ben zeer benieuwd naar het antwoord.
Om nu terug te komen op myn boek. Voor eenigen tyd kom ik 's avends door
de Kalverstraat, en bleef staan kyken naar den winkel van een kruienier,
die zich bezighield met het sorteeren van een partytje _Java, ordinair,
mooi-geel, Cheribonaard, iets gebroken, met veegsel_, dat me zeer
interesseerde, want ik let altyd op alles. Daar viel my op-eenmaal een
heer in 't oog, die daarnaast voor een boekwinkel stond en me bekend
voorkwam. Hy scheen ook my te herkennen, want onze blikken ontmoetten
elkander gedurig. Ik moet betuigen dat ik te verdiept was in 't veegsel,
om terstond optemerken, wat ik namelyk later zag, dat hy vry kaal in de
kleeren stak. Anders had ik de zaak daarby gelaten. Maar op-eens schoot
my de gedachte in, dat hy misschien reiziger was van een duitsch huis,
die een solieden makelaar zocht. Hy had dan ook wel iets van een
Duitscher, en van een reiziger ook. Hy was zeer blond, had blauwe oogen,
en in houding en kleeding iets dat den vreemdeling verraadde. In-plaats
van een behoorlyken winterjas, hing hem een soort van sjaal over den
schouder--Frits zegt "shawl" maar dit doe ik niet--alsof hy zoo van de
reis kwam. Ik meende een klant te zien, en gaf hem een adreskaartje:
_Last & Co, makelaars in koffi, Lauriergracht N° 37_. Hy hield het by
de gasvlam, en zeide: "ik dank u, maar ik heb me vergist. Ik dacht het
genoegen te hebben een ouden schoolkameraad voor me te zien, maar ...
_Last_? Dit is de naam niet."
--Pardon, zei ik--want ik ben altyd beleefd--ik ben m'nheer Droogstoppel,
Batavus Droogstoppel. _Last en Co_ is de firma, makelaars in koffi,
Lauriergr ...
--Wel, Droogstoppel, kent ge my niet meer? Zie my eens goed aan.
Hoe meer ik hem aanzag, hoe meer ik my herinnerde hem meer gezien te
hebben. Maar, zonderling, zyn gelaat deed my de uitwerking alsof ik
vreemde parfumerien rook. Lach hier niet om, lezer, straks zult ge zien
hoe dit kwam. Ik ben verzekerd dat hy geen drup reukwerk by zich droeg,
en toch rook ik iets aangenaams, iets sterks, iets wat me herinnerde aan
... daar had ik het!
--Zyt gy het, riep ik, die my van den Griek hebt verlost?
--Wel zeker, zeide hy, dat was _ik_. En hoe gaat het _U_?
Ik vertelde dat we met ons dertienen op 't kantoor waren, en dat er
zooveel by ons omging. En toen vroeg ik hoe het hèm ging, wat me later
speet, want hy scheen niet in goede omstandigheden te verkeeren, en ik
houd niet van arme menschen, omdat er gewoonlyk eigen schuld onder loopt,
daar de Heer niet iemand verlaten zou, die hem trouw gediend had. Had ik
eenvoudig gezegd, "we zyn met ons dertienen, en ... goeien avend verder!"
dan was ik van hem af geweest. Maar door dat vragen en antwoorden werd
het hoe langer hoe moeielyker--Frits zegt: _hoe langs zoo_ moeielyker,
maar dit doe ik niet--_hoe_ moeielyker dus, om van hem verlost te worden.
Aan den anderen kant moet ik ook weer erkennen dat ge dan dit boek niet
hadt te lezen gekregen, want het is een gevolg van die ontmoeting. Ik
houd er van, het goede optemerken, en wie dit niet doen, zyn ontevreden
menschen die ik niet lyden kan.
Ja, ja, hy was het, die my uit de handen van den Griek had verlost! Denk
nu niet dat ik ooit door zeeroovers ben genomen geweest, of dat ik twist
heb gehad in den Levant. Ik heb u reeds gezegd dat _ik_ na myn trouwen,
met myn vrouw naar den Haag ben gegaan. Daar hebben wy het Mauritshuis
gezien, en flanel gekocht in de Veenestraat. Dit is het eenige uitstapje
dat de zaken my ooit hebben veroorloofd, omdat er zooveel by ons omgaat.
Neen, in Amsterdam zelf had hy om-mynentwil een Griek den neus aan 't
bloeden geslagen. Want hy bemoeide zich altyd met dingen die hem niet
aangingen.
Het was in drie of vier en dertig, geloof ik, en in September, want er
was kermis te Amsterdam. Daar myn oude luî van voornemen waren een
predikant van my te maken, leerde ik latyn. Later heb ik myzelf dikwyls
afgevraagd, waarom men latyn moet verstaan, om in 't hollandsch te
zeggen: "God is goed?" Genoeg, ik was op de latynsche school--nu zeggen
ze _gymnasium_--en daar was kermis ... in Amsterdam, meen ik. Op de
Westermarkt stonden kramen, en als ge een Amsterdammer zyt, lezer, en
nagenoeg van myn leeftyd, zult ge u herinneren hoe daaronder één was,
die uitmuntte door de zwarte oogen en de lange vlechten van een meisje,
dat als een Griekin gekleed was. Ook haar vader was een Griek, of
althans hy zag er uit als een Griek. Ze verkochten allerlei reukgoed.
Ik was juist oud genoeg om het meisje mooi te vinden, zonder evenwel den
moed te hebben haar aantespreken. Dit zou my ook weinig gebaat hebben,
want meisjes van achttien jaren beschouwen een jongen van zestien, als
een kind. En hierin hebben ze groot gelyk. Toch kwamen wy, jongens van
_quarta_, altyd 's avends op de Westermarkt om dat meisje te zien.
Nu was hy die daar voor me stond met zyn sjaal, eens daarby, schoon hy
een paar jaren jonger was dan de anderen, en dus nog te kinderachtig om
naar de Griekin te kyken. Maar hy was de _primus_ van onze klasse--want
knap was hy, dit moet ik erkennen--en hy hield veel van spelen, stoeien
en vechten. Dáárom was hy by ons. Terwyl we dus--we waren wel met ons
tienen--vry ver van de kraam af, naar die Griekin stonden te kyken, en
beraadslaagden hoe wy 't moesten aanleggen om kennis met haar te maken,
werd er besloten geld by-een te leggen om iets in die kraam te koopen.
Maar toen was de goede raad duur, om te weten wie de stoute schoenen zou
aantrekken om het meisjen aantespreken. Ieder wilde, maar niemand durfde.
Er werd geloot, en het lot viel op my. Nu erken ik, dat ik niet gaarne
gevaren trotseer. Ik ben man en vader, en houd ieder die het gevaar zoekt,
voor een gek, wat ook in de Schrift staat. Het is my inderdaad aangenaam
optemerken hoe ik my in myn denkbeelden over gevaar en zulke dingen, gelyk
ben gebleven, daar ik thans over zoo-iets nog juist dezelfde meening
koester, als dien avend toen ik daar by de kraam van den Griek stond, met
de twaalf stuivers die we saamgelegd hadden, in de hand. Maar zie, uit
valsche schaamte durfde ik niet zeggen dat ik niet durfde, en bovendien,
ik moest wel vooruit, want myn makkers drongen me, en weldra stond ik voor
de kraam.
Het meisje zag ik niet: ik zag niets! Alles werd me groen en geel voor de
oogen. Ik stamelde een _aoristus primus_ van ik weet niet welk werkwoord ...
--_Plaît-il?_ zeide zy.
Ik herstelde my eenigszins, en ging voort:
--_Meenin aeide thea_, en ... dat Egypte een geschenk van den Nyl was.
Ik ben overtuigd dat ik in de kennismaking zou geslaagd zyn, indien niet
op dat oogenblik een myner makkers uit kinderachtige baldadigheid my een
zoo harden stoot in den rug had gegeven, dat ik heel onzacht tegen de
uitstalkast aanvloog, die op halvemanshoogte de voorzy van de kraam
afsloot. Ik voelde een greep in myn nek ... een tweeden greep veel lager
... ik zweefde een oogenblik ... en vóór ik recht begreep hoe de zaken
stonden, was ik in de kraam van den Griek, die in verstaanbaar fransch
zei dat ik een _gamin_ was, en dat hy de policie roepen zou. Nu was ik
wel dicht by het meisje, maar genoegen deed het me niet. Ik schreide, en
bad om genade, want ik zat vreeselyk in angst. Maar het baatte niet. De
Griek hield me by den arm, en schopte my. Ik zocht naar myn makkers--we
hadden juist dien morgen veel over Scaevola te doen gehad, die zyn hand
in 't vuur stak, en in hun latynsche opstellen hadden ze dit zoo heel
mooi gevonden--jawel! Niemand was daar gebleven om voor _my_ een hand in
't vuur te steken ...
Zóó meende ik. Maar zie, daar vloog op-eens myn Sjaalman door de
achterdeur de kraam in. Hy was niet groot of sterk, en pas een jaar of
dertien oud, maar hy was een vlug en dapper mannetje. Nog zie 'k zyn
oogen flikkeren--anders zagen ze flauw--hy gaf den Griek een vuistslag,
en ik was gered. Later heb ik gehoord dat de Griek hem duchtig geslagen
heeft, maar omdat ik een vast principe heb, me nooit te bemoeien met
dingen die me niet aangaan, ben ik terstond weggeloopen. Ik heb het dus
niet gezien.
Ziedaar de reden waarom zyn trekken me zoo aan reukwerk herinnerden, en
hoe men in Amsterdam twist kan krygen met een Griek. Als op latere
kermissen die man weer met zyn kraam op de Westermarkt stond, ging ik my
altyd elders vermaken.
Daar ik veel van wysgeerige opmerkingen houd, moet ik u toch even zeggen,
lezer, hoe wonderbaar de zaken dezer wereld aan elkander hangen. Als de
oogen van dat meisje minder zwart waren geweest, als ze korter vlechten
had gehad, of als men my niet tegen die winkelkast had aangeworpen, zoudt
ge nu dit boek niet lezen. Wees dus dankbaar dat dit zoo gebeurd is.
Geloof me, alles in de wereld is goed, zóó als het is, en ontevreden
menschen die altyd klagen, zyn myn vrienden niet. Daar hebt ge Busselinck
& Waterman ... maar ik moet voortgaan, want myn boek moet af voor de
voorjaarsveiling.
Ronduit gezegd--want ik houd van de waarheid--was my het weerzien van
dien persoon niet aangenaam. Ik bemerkte terstond dat het geen soliede
konnexie was. Hy zag zeer bleek, en toen ik hem vroeg hoe laat het was,
wist hy 't niet. Dit zyn dingen, waar een mensch op let, die zoo'n
twintig jaar de beurs bezocht heeft, en zooveel heeft bygewoond. Ik heb
al wat huizen zien vallen!
Ik meende dat hy rechts zou gaan, en zei dat ik links moest. Doch zie,
hy ging ook links, en ik kon dus niet vermyden in gesprek te treden.
Maar ik bedacht gedurig dat hy niet wist hoe laat het was, en bespeurde
bovendien dat zyn jasje tot aan de kin was dichtgeknoopt--dat een zeer
slecht merk is--zoodat ik den toon van ons onderhoud wat flauw blyven
liet. Hy verhaalde my dat hy in Indie was geweest, dat hy getrouwd was,
dat hy kinderen had. Ik had daar niets tegen, maar vond er niets
belangryks in. By de Kapelsteeg--ik ga anders nooit door die steeg,
omdat het voor een fatsoenlyk man niet staat, vind ik--maar ditmaal
wilde ik by de Kapelsteeg rechts-af-slaan. Ik wachtte tot wy dat
straatje byna voorby waren, om goed te doen blyken dat zyn weg rechtuit
leidde, en toen zei ik zeer beleefd ... want beleefd ben ik altyd, men
kan nooit weten hoe men later iemand noodig heeft:
--Het was me byzonder aangenaam u weer te zien, m'nheer ... _r_ ... _r_!
En ... èn ... èn ... ik rekommandeer me! Ik moet hierin.
Toen keek hy me heel gek aan, en zuchtte, en vatte opeens een knoop van
myn jas ...
--Beste Droogstoppel, zeide hy, ik heb u iets te vragen.
Er ging my een rilling door de leden. Hy wist niet hoe laat het was, en
wilde my iets vragen! Natuurlyk antwoordde ik dat ik geen tyd had, en
naar de beurs moest, schoon het avend was. Maar als men zoo'n twintig
jaren de beurs heeft bezocht ... en iemand wil u iets vragen, zonder te
weten hoe laat het is ...
Ik maakte myn knoop los, groette heel beleefd--want beleefd ben ik altyd
--en ging de Kapelsteeg in, wat ik anders nooit doe, omdat het niet
fatsoenlyk is, en fatsoen gaat my boven alles. Ik hoop dat niemand het
gezien heeft.
DERDE HOOFDSTUK
Toen ik een dag daarna van de beurs kwam, zei Frits dat er iemand
geweest was om my te spreken. Naar de beschryving was het de
Sjaalman. Hoe hy me gevonden had ... nu ja, 't adreskaartje! Ik
dacht er over, myn kinderen van school te nemen, want het is
lastig, nog twintig, dertig jaren later te worden nagezeten door
een schoolkameraad die een sjaal draagt in plaats van een jas, en
die niet weet hoe laat het is. Ook heb ik Frits verboden naar de
Westermarkt te gaan, als er kramen staan.
Den volgenden dag ontving ik een brief met een groot pak. Ik zal
u den brief laten lezen:
_Waarde Droogstoppel!_
Ik vind dat hy wel had kunnen zeggen: _Weledele Heer Droogstoppel_,
omdat ik makelaar ben.
_Ik ben gisteren ten-uwent geweest met het doel u een verzoek te
doen. Ik geloof dat gy in goede omstandigheden verkeert_ ...
Dit is waar: we zyn met ons dertienen op 't kantoor.
..._en ik wenschte gebruik te maken van uw krediet, om een zaak
tot-stand te brengen, die voor my van groot gewicht is_.
Zou men niet denken dat het om een order op de voorjaarsveiling te doen
was?
_Door velerlei omstandigheden ben ik op 't oogenblik eenigszins om
geld verlegen_.
Eenigszins? Hy had geen hemd aan. Dat noemt hy _eenigszins_!
_Ik kan myn lieve vrouw niet alles geven wat tot veraangenaming des
levens noodig is, en ook de opvoeding myner kinderen is, uit een
geldelyk oog, niet zooals ik wenschen zou_.
Veraangenaming des levens? Opvoeding van de kinderen? Meent ge dat hy
voor zyn vrouw een loge in de Opera huren wilde, en zyn kinderen op een
instituut doen te Genève? 't Was najaar, en vry koud ... welnu, hy
woonde op een vliering, zonder vuur. Toen ik dien brief ontving, wist ik
dit niet, maar later ben ik by hem geweest, en thans nog ben ik verstoord
over den zotten toon van zyn geschryf. Wat drommel, wie arm is, kan zeggen
dat hy arm is! Armen moeten er zyn, dit is noodig in de maatschappy, en 't
is Gods wil. Als hy maar geen aalmoes vraagt, en niemand lastig valt, heb
ik er volstrekt niet tegen dat hy arm is, maar die opsiering van de zaak
komt niet te-pas. Luister verder:
_Daar op my de verplichting rust, in de behoeften der mynen te
voorzien, heb ik besloten een talent aantewenden, dat, naar ik
geloof, my gegeven is. Ik ben dichter_ ...
Poeh! Ge weet, lezer, hoe ik en alle verstandige menschen daarover denken.
... _en schryver. Sedert myn kindsheid drukte ik myn aandoeningen in
verzen uit, en ook later schreef ik dagelyks neder wat er omging in
myn ziel. Ik geloof dat er onder dat alles eenige opstellen zyn, die
waarde hebben, en ik zoek daarvoor een uitgever. Maar dit is juist
het moeielyke. Het publiek kent my niet, en de uitgevers beoordeelen
de werken meer naar den gevestigden naam van den schryver, dan naar
den inhoud_.
Juist zooals wy de koffi naar de renommee van de merken. Wel zeker! Hoe
anders?
_Als ik dus mag aannemen dat myn werk niet geheel zonder verdienste
is, zou dat toch eerst na de uitgave blyken, en de boekhandelaars
vragen de betaling van drukloon, enz. vooruit_ ...
Daar hebben ze groot gelyk in.
... _wat my op die oogenblik niet gelegen komt. Daar ik evenwel
overtuigd ben dat myn arbeid de kosten dekken zou, en gerust daarop
myn woord durf verpanden, ben ik, aangemoedigd door onze ontmoeting
van voorgisteren_....
Dat noemt hy aanmoedigen!
... _tot het besluit gekomen u te vragen of ge voor my by een
boekhandelaar zoudt willen borg-staan voor de kosten eener eerste
uitgave, al ware het slechts van een klein boekdeeltje. Ik laat de
keus van die eerste proeve geheel aan u over. In het pak dat
hiernevens gaat, zult ge vele handschriften vinden, en daaruit zien
dat ik veel gedacht, gewerkt en bygewoond heb_ ...
Ik heb nooit gehoord dat hy zaken deed.
... _en als de gaaf van wèl zeggen me niet geheel-en-al ontbreekt, is
het gewis niet door gebrek aan_ indrukken, _dat ik niet slagen zou_.
_In afwachting van een vriendelyk antwoord, noem ik my uw ouden
schoolmakker_ ...
En zyn naam stond er onder. Maar dien verzwyg ik, omdat ik er niet van
houd, iemand in opspraak te brengen.
Waarde lezer, ge begrypt hoe gek ik stond te kyken, toen men my daar zoo
op-eens wilde verheffen tot makelaar in verzen. Ik ben zeker dat die
Sjaalman--zoo zal ik hem maar blyven noemen--als de man me by-dag had
gezien, zich met zulk een verzoek niet tot my zou gewend hebben. Want
deftigheid en fatsoen laten zich niet verbergen. Maar 't was avend, en
ik trek het me dus niet aan.
Het spreekt vanzelf dat ik van die gekheid niets weten wilde. Ik zou het
pak door Frits hebben laten terugbrengen, maar ik wist zyn adres niet,
en hy liet niets van zich hooren. Ik dacht dat hy ziek was, of dood,
of zoo-iets.
De vorige week was er krans by de Rosemeyers, die in suiker doen. Frits
was voor het eerst meegegaan. Hy is zestien jaar, en ik vind het goed
dat een jong mensch in de wereld komt. Anders loopt hy naar de
Westermarkt of zulke dingen. De meisjes hadden piano gespeeld en
gezongen, en by 't dessert plaagden ze elkaar met iets dat in de
voorkamer scheen gebeurd te zyn, terwyl wy achter aan 't _gentsch
whisten_ waren, iets waarin Frits betrokken scheen. "Ja, ja, Louise,
riep Betsy Rosemeyer, geschreid heb je! Papa, Frits heeft Louise aan
't schreien gemaakt."
Myn vrouw zei hierop dat Frits dan voortaan niet meer mee zou naar den
krans. Ze dacht dat hy Louise geknepen had, of zoo-iets wat niet te-pas
komt, en ook ik maakte my gereed er een hartig woordje bytevoegen, toen
Louise riep:
--Neen, neen, Frits is heel lief geweest! Ik wou dat hy 't nog-eens
deed!
Wàt dàn? Hy had haar niet geknepen, hy had gereciteerd, daar hebt ge 't.
Natuurlyk ziet de vrouw van 't huis gaarne dat er aan het dessert een
aardigheidje plaats heeft. Dat vult. Mevrouw Rosemeyer--de Rosemeyers
laten zich _mevrouw_ noemen, omdat ze in suiker doen, en aandeel in een
schip hebben--mevrouw Rosemeyer begreep dat wat Louise aan 't schreien
had gemaakt, ook òns vermaken zou, en vroeg een dacapo aan Frits, die
zoo rood zag als een kalkoen. Ik begreep óm de wereld niet, wàt hy dan
toch opgesneden had, want ik kende zyn repertoire op een haar. Dat was:
de _godenbruiloft, de boeken van het Oude-Testament op rym, en een
epizode uit de bruiloft van Kamacho_, dat de jongens altyd zoo aardig
vinden, omdat er iets van een "brillekiek" in komt. Wat er onder dit
alles wezen kon dat tranen uitlokte, was my een raadsel. 't Is waar,
zoo'n meisje schreit gauw.
"Toe, Frits! Och ja, Frits! Kom, Frits!" Zoo ging het, en Frits begon.
Daar ik niet houd van dat bestudeerd spannen van des lezers
nieuwsgierigheid, zal ik maar terstond zeggen dat ze te-huis het pak
van Sjaalman hadden opengemaakt, en daaruit hadden Frits en Marie een
neuswysheid en een sentimentaliteit geput, die me later veel last in
huis gehaald hebben. Toch moet ik erkennen, lezer, dat dit boek ook uit
dat pak komt, en ik zal me naderhand hierop behoorlyk verantwoorden,
want ik hecht er aan, dat men my beschouwe als iemand die de waarheid
lief heeft, en die goed voor zyn zaken is. Onze firma is _Last & Co,
Makelaars in koffi, Lauriergracht, N° 37_.
Toen reciteerde Frits een ding dat van nonsens aan-één hing. Neen 't
hing niet aan-een. Een jong mensch schreef aan zyn moeder, dat hy
verliefd was geweest, en dat zyn meisje met een ander getrouwd
was--waarin ze groot gelyk had, vind ik--dat hy echter, in weerwil
hiervan, altyd veel van zyn moeder hield. Zyn deze laatste drie regels
duidelyk of niet? Vindt ge dat er veel omslag noodig is, om dat te
zeggen? Welnu, ik heb een broodje met kaas gegeten, daarna twee peren
geschild, en ik was ruim half gereed met het orberen van de derde, voor
Frits klaar was met die vertelling. Maar Louise schreide weer, en de
dames zeiden dat het heel mooi was. Toen vertelde Frits, die, geloof ik,
meende dat hy een groot stuk had uitgevoerd, dat hy 't ding in dat pak
had gevonden van den man die een sjaal droeg, en ik legde aan de heeren
uit, hoe dat in myn huis kwam. Maar van de Griekin sprak ik niet, omdat
Frits er by was, en ook zeide ik niets van de Kapelsteeg. Ieder vond dat
ik heel goed had gehandeld, me van dien man aftehelpen. Straks zult ge
zien dat er ook andere dingen in dat pak waren van meer solieden aard,
en daarvan komt een-en-ander in dit boek, omdat de _Koffiveilingen van
de Handelmaatschappy_ er mee in verband staan. Want ik leef voor myn vak.
Later vroeg my de uitgever of ik hier niet by voegen wilde, wat Frits
gereciteerd had. Ik wil 't wel doen, mits men wete dat ik me niet ophoud
met zulke dingen.[4] Alles leugens en gekheid! Ik houd myn aanmerkingen
terug, anders wordt myn boek te dik. Ik wil hier alleen byzeggen, dat
die vertelling zoo omstreeks 1843 in de buurt van Padang geschreven is,
en dat dit een inferieur merk is. De koffi, meen ik.
Moeder, 'k ben wel ver van 't land
Waar me 't leven werd geschonken,
Waar myn eerste tranen blonken,
Waar ik opwies aan uw hand...
Waar uw moedertrouw der ziel
Van den knaap haar zorgen wydde,
En hem liefdryk stond ter-zyde,
En hem ophief als hy viel...
Schynbaar scheurde 't lot de banden
Die ons bonden, wreed van-een..
'k Sta hier wel aan vreemde stranden
Met myzelf en God, alleen...
Maar toch, moeder, wat me griefde,
Wat me vreugd gaf of verdriet,
Moeder, twyfel aan de liefde,
Aan het hart uws zoons toch niet!
't Is nog nauwlyks twee paar jaren
Toen ik 't laatst op gindschen grond
Zwygend aan den oever stond
Om de toekomst in te staren...
Toen ik 't schoone tot my riep
Dat ik van de toekomst wachtte,
En het heden stout verachtte,
En my paradyzen schiep...
Toen, door alle stoornis heen
Die zich opdeed voor myn schreên,
't Hart zich koen een uitweg baande,
En zich droomend zalig waande...
Maar die tyd, sints 't laatst vaarwel
Hoe gezwind ook ons onttogen,
Onbevatbaar bliksemsnel,
Als een schim voorbygevlogen...
O, hy liet in 't voorwaarts gaan,
Diepe, diepe sporen staan!
'k Proefde vreugde en smart met-één,
'k Heb gedacht en 'k heb gestreden,
'k Heb gejuicht en 'k heb gebeden:
't Is me als vlogen eeuwen heen!
'k Heb naar levensheil gestreefd,
'k Heb gevonden en verloren,
En, een kind nog kort te-voren,
Jaren in één uur doorleefd!
Maar toch, moeder! wil 't gelooven,
By den Hemel die my ziet,
Moeder! wil het toch gelooven,
Neen, uw kind vergat u niet!
'k Minde een meisje. Heel myn leven
Scheen my door die liefde schoon.
'k Zag in haar een eerekroon,
Als een eindloon van myn streven,
My door God ten doel gegeven.
Zalig door den reinen schat
Die Zyn zorg my toegewogen,
Die Zyn gunst geschonken had,
Dankte ik met een traan in de oogen.
Liefde was met godsdienst één...
En 't gemoed dat opgetogen,
Dankend opsteeg tot den Hoogen,
Dankte en bad voor haar alleen!
Zorgen baarde my die liefde,
Onrust kwelde my het hart,
En ondraaglyk was de smart
Die my 't week gemoed doorgriefde.
'k Heb slechts angst en leed gegaard,
Waar ik 't hoogst genot verwachtte,
En voor 't heil waarnaar ik trachtte,
Was me gif en wee bewaard...
'k Vond genot in 't lydend zwygen!
'k Stond standvastig hopend daar,
Onspoed deed den prys my stygen:
'k Droeg en leed zoo graag voor haar!
'k Telde ramp noch onspoedsslagen,
Vreugde schiep ik in verdriet,
Alles, alles wilde ik dragen...
Roofde 't lot my haar slechts niet!
En dàt beeld, _my_ 't schoonste op aarde,
Dat ik omdroeg in 't gemoed
Als een onwaardeerbaar goed,
En zoo trouw in 't hart bewaarde...
_Vreemd_ was 't eenmaal aan myn zinnen!
En al houdt die liefde stand
Tot de laatste snik van 't leven
Me in een beter vaderland
Eind'lyk haar zal wedergeven...
'k Had _begonnen_ haar te minnen!
Wat is min die eens _begon_,
By de liefde _mèt_ het leven
't Kind door God in 't hart gedreven
Toen het nog niet staam'len kon?
Toen het aan de moederborst,
Nauw den moederschoot onttogen,
't Eerste vocht vond voor den dorst,
't Eerste licht in moederoogen?
Neen, geen band die vaster bindt,
Vaster harten houdt omsloten,
Dan de band, door God gesloten
Tusschen 't moederhart en 't kind!
En een hart, dat zóó zich hechtte
Aan het schoon dat even blonk,
Dat me niets dan doornen schonk,
En geen enkel bloempje vlechtte...
Zou datzelfde hart de trouw
Van het moederhart vergeten?
En de liefde van de vrouw
Die myn eerste kinderkreten
Opving in 't bezorgd gemoed?
Die my, als ik weende, suste,
Traantjes van de wangen kuste,
Die my voedde met haar bloed?
Moeder! wil het niet gelooven,
By den hemel die my ziet,
Moeder! wil het niet gelooven,
Neen, uw kind vergat u niet!
'k Ben hier vèr van wat het leven
Ginds ons zoets en schoons kan geven
En 't genot van de eerste jeugd,
Vaak geroemd en hoog geprezen,
Kan wel hier myn deel niet wezen:
't Eenzaam harte kent geen vreugd.
Steil en doornig zyn myn paden,
Onspoed drukt me diep ter-neer,
En de last my opgeladen
Knelt me, en doet het hart me zeer...
Laat het slechts myn tranen tuigen,
Als zoo menig moed'loos uur
Me in den boezem der Natuur,
't Hoofd zoo treurig neer doet buigen...
Vaak, als my de moed ontzonk,
Is de zucht me schier ontvloden:
"Vader! schenk me by de dooden,
"Wat het leven my niet schonk!
"Vader! geef me aan gene zyde,
"Als de mond des doods my kust,
"Vader! geef me aan gene zyde
"Wat ik hier niet smaakte... _Rust_!"
Maar, bestervend op myn lippen,
Steeg de beê niet tot den Heer...
'k Boog wel beî myn knieën neer,
'k Voelde wel een zucht me ontglippen,
Maar het was: "_nog niet, o Heer!
"Geef my eerst myn moeder weer!_"
VIERDE HOOFDSTUK
Voor ik verder ga, moet ik u zeggen dat de jonge Stern gekomen is. Het
is een aardig ventje. Hy schynt vlug en bekwaam, maar ik geloof dat hy
_schwärmt_. Marie is dertien jaar. Zyn uitzet is heel netjes. Ik heb hem
aan 't kopyboek gezet, om zich te oefenen in den hollandschen styl. Ik
ben benieuwd of er spoedig orders van Ludwig Stern zullen komen. Marie
zal een paar pantoffels voor hem borduren ... voor den jongen Stern,
meen ik. Busselinck & Waterman hebben achter 't net gevischt. Een
fatsoenlyk makelaar onderkruipt niet, dat zeg _ik_!
Den dag na dat kransje by de Rosemeyers, die in suiker doen, riep ik
Frits, en gelastte hem my dat pak van Sjaalman te brengen. Ge moet
weten, lezer, dat ik in myn gezin zeer stipt ben op godsdienst en
zedelykheid. Welnu, den vorigen avend, juist toen ik myn eerste peer had
geschild, las ik op het gelaat van een der meisjes, dat er iets in dat
vers voorkwam, dat niet pluis was. Ikzelf had niet naar 't ding
geluisterd, maar ik had bemerkt dat Betsy haar broodje verkruimelde, en
dit was my genoeg. Ge zult inzien, lezer, met iemand te doen te hebben,
die weet wat er in de wereld omgaat. Ik liet me dus door Frits dat
fraaie stuk van den laatsten avend voorleggen, en ik vond heel spoedig
den regel die Betsy's broodje verkruimeld had. Er wordt daar gesproken
van een kind dat aan de borst van de moeder ligt--dit kan er dóór--maar:
"dat ter-nauwer-nood aan den moederlyken schoot onttogen is" zie, dit
vond ik niet goed--om daarover te _spreken_, meen ik--en myn vrouw ook
niet. Marie is dertien jaar. Van _kool_ of _ooievaars_ wordt by ons aan
huis niet gesproken, ook niet van den _Volewyk_, maar zóó de zaken by
den naam te noemen, vind ik onbehoorlyk, omdat ik zoo op zedelykheid
gesteld ben. Ik deed Frits, die dat ding nu eenmaal "uitwendig wist"
zooals Stern dit noemt, beloven dat hy 't nooit weer opzeggen zou
--althans niet voor hy lid van _Doctrina_ wezen zal, omdat daar geen
jonge meisjes komen--en toen borg ik het in myn lessenaar, het vers
meen ik. Maar ik moest weten of er niet meer in dat pak was, dat
aanstoot geven kon. Daar ging ik aan 't zoeken en bladeren. Alles lezen
kon ik niet, want ik vond er talen in, die ik niet verstond, maar zie,
daar viel myn oog op een bundel: "_Verslag over de Koffikultuur in de
Residentie Menado_."
Myn hart sprong op, omdat ik makelaar in koffi ben--_Lauriergracht, N°
37_--en _Menado_ is een goed merk. Dus die Sjaalman, die zulke
onzedelyke verzen maakte, had ook in koffi gewerkt. Ik zag nu 't pak met
een heel ander oog aan, en vond er stukken in, die ik wel niet alle
begreep, maar die werkelyk kennis van zaken aantoonden. Er waren staten,
opgaven, berekeningen met cyfers, waaraan geen rym te bekennen was, en
alles was met zulk een zorg en nauwkeurigheid bewerkt, dat ik, ronduit
gezegd--want ik houd van de waarheid--op het denkbeeld kwam dat die
Sjaalman, als de derde klerk eens uitviel--wat gebeuren kan, daar hy oud
en stuntelig wordt--heel goed diens plaats zou kunnen innemen. Het
spreekt vanzelf dat ik eerst informatiën nemen zou naar eerlykheid,
geloof en fatsoen, want ik neem niemand op 't kantoor, voor ik dáárvan
zeker ben. Dit is een vast principe van me. Gy hebt het gezien uit myn
brief aan Ludwig Stern.
Ik wilde voor Frits niet weten dat ik eenig belang begon te stellen in
den inhoud van dat pak, en stuurde hem daarom weg. 't Werd my inderdaad
duizelig, toen ik zoo den eenen bundel vóór, den anderen na, opnam, en
de opschriften las. Het is waar, er waren veel verzen onder, maar ik
vond veel nuttigs ook, en ik stond verbaasd over de verscheidenheid der
behandelde onderwerpen. Ik erken--want ik houd van de waarheid--dat ik,
die altyd in koffi gedaan heb, niet in staat ben de waarde van alles te
beoordeelen, maar, ook zonder deze beoordeeling, de lyst der opschriften
alleen was reeds kurieus. Daar ik u de geschiedenis van den Griek verteld
heb, weet ge reeds dat ik in myn jeugd eenigszins ben gelatinizeerd
geworden, en hoezeer ik my in korrespondentie onthoud van alle citaten
--wat op een makelaars kantoor ook niet te-pas komen zou--dacht ik echter
by het zien van dat alles: _multa, non multum_. Of: _de omnibus aliquid,
de toto nihil_.
Maar dit was eigenlyk meer uit een soort van wrevel, en uit zekeren
aandrang om de geleerdheid die voor my lag, in 't latyn aantespreken,
dan wel omdat ik het precies meende. Want, waar ik 't een of ander stuk
wat langer inzag, moest ik erkennen dat de schryver me toescheen wel op
de hoogte van zyn taak te staan, en zelfs dat hy een groote soliditeit
in zyn redeneeringen aan den dag legde.
Ik vond daar verhandelingen en opstellen:
_Over het_ SANSKRIT, _als moeder van de germaansche taaltakken_.
_Over de strafbepalingen op kindermoord_.
_Over den oorsprong van den adel_.
_Over het verschil tusschen de begrippen_: ONEINDIGE TYD _en_:
EEUWIGHEID.
_Over de kansrekening_.
_Over het boek van_ JOB. (Ik vond nog iets over _Job_, maar dat waren
verzen.)
_Over proteïne in de athmospherische lucht_.
_Over de staatkunde van Rusland_.
_Over de klinkletters_.
_Over cellulaire gevangenissen_.
_Over de oude stellingen omtrent het_: HORROR VACUI.
_Over de wenschelykheid der afschaffing van strafbepalingen op
laster_.
_Over de oorzaken van den opstand der Nederlanders tegen Spanje_,
NIET _liggende in de begeerte naar godsdienstige of
staatkundige vryheid_.
_Over het_ PERPETUUM MOBILE, _de cirkelkwadratuur en den wortel van
wortellooze getallen_.
_Over de zwaarte van het licht_.
_Over den achteruitgang der beschaving sedert het ontstaan des
Christendoms_. (Hè?)
_Over de yslandsche Mythologie_.
_Over den_ EMILE _van_ ROUSSEAU.
_Over de Civiele Rechtsvordering, in zaken van koophandel_.
_Over_ SIRIUS _als middelpunt van een zonnestelsel_.
_Over Inkomende-Rechten als ondoeltreffend, onkiesch, onrechtvaardig,
en onzedelyk_. (Daarvan had ik nooit iets gehoord.)
_Over verzen als oudste taal_. (Dat geloof ik niet.)
_Over witte mieren_.
_Over het tegennatuurlyke van School-Inrichtingen_.
_Over de prostitutie in het huwelyk_. (Dat is een schandelyk stuk.)
_Over hydraulische onderwerpen in verband met de rystkultuur_.
_Over het schynbaar overwicht der westersche beschaving_.
_Over kadaster, registratie en zegel_.
_Over kinderboekjes, fabels en sprookjes_. (Dit wil ik wel eens
lezen, omdat hy op waarheid aandringt.)
_Over bemiddeling, in den handel_. (Dit bevalt me volstrekt niet. Ik
geloof dat hy de makelaars wil afschaffen. Maar ik heb het toch
ter-zyde gelegd, omdat er een-en-ander in voorkomt, dat ik gebruiken
kan voor myn boek.)
_Over successierecht, een der beste belastingen_.
_Over de uitvinding der kuisheid_. (Dit begryp ik niet.)
_Over vermenigvuldiging_. (Deze titel klinkt heel eenvoudig, maar er
staat veel in dit stuk, waaraan ik vroeger niet gedacht had.)
_Over zeker soort van geest der Franschen, een gevolg der armoede van
hun taal_. (Dit laat ik gelden. Geestigheid en armoede ... hy kan
het weten.)
_Over het verband tusschen de romans_ van AUGUST LAFONTAINE _en de
tering_. (Dit wil ik eens lezen, omdat er van dien _Lafontaine_
boeken op zolder liggen. Maar hy zegt, dat de invloed zich eerst
openbaart in het tweede geslacht. Myn grootvader las niet.)
_Over de macht der Engelschen buiten Europa_.
_Over het Godsgericht in de middeleeuwen, en thans_.
_Over de rekenkunde by de Romeinen_.
_Over armoede aan poëzie by toonzetters_.
_Over pietistery, biologie en tafeldans_.
_Over besmettelyke ziekten_.
_Over den moorschen bouwtrant_.
_Over de kracht der vooroordeelen, blijkbaar uit ziekten die door
tocht veroorzaakt heeten te zyn_. (Heb ik het niet gezegd, dat de
lyst kurieus was?)
_Over de duitsche eenheid_.
_Over de lengte op zee_. (Ik denk dat op zee alles wel even lang zal
wezen als op 't land.)
_Over de plichten van de Regeering omtrent publieke
vermakelijkheden_.
_Over de overeenstemming tusschen de schotsche en friesche talen_.
_Over prozodie_.
_Over de schoonheid der vrouwen te Nîmes en te Arles, met een
onderzoek naar het stelsel van kolonisatie der Phoeniciërs_.
_Over landbouwkontrakten op Java_.
_Over het zuigvermogen van een nieuw-modelpomp_.
_Over legitimiteit van dynastien_.
_Over de volksletterkunde in Javaansche rhapsoden_.
_Over de nieuwe wyze van reven_.
_Over de perkussie, toegepast op handgranaten_. (Dit stuk dateert van
1847, dus van vóór Orsini.)
_Over het begrip van eer_.
_Over de apokriefe boeken_.
_Over de wetten van_ SOLON, LYKURGUS, ZOROASTER _en_ CONFUCIUS.
_Over de ouderlyke macht_.
_Over_ SHAKESPEARE _als geschiedschryver_.
_Over de slaverny in Europa_. (Wat hy hiermee bedoelt, begryp ik
niet. Nu, zoo is er meer!)
_Over schroefwatermolens_.
_Over het souverein recht van gratie_.
_Over de chemische bestanddeelen der ceylonsche kaneel_.
_Over de tucht op koopvaardyschepen_.
_Over de opiumpacht op Java_.
_Over de bepalingen omtrent het verkopen van gif_.
_Over het doorgraven der landengten van Suez, en de gevolgen
daarvan_.
_Over de betaling, van landrenten in naturâ_.
_Over de koffikultuur te Menado_. (Dit heb ik al genoemd.)
_Over de scheuring van het romeinsche ryk_.
_Over de_ GEMÜTHLICHKEIT _der Duitschers_.
_Over de skandinavische_ EDDA.
_Over den plicht van Frankryk, om in den indischen Archipel zich een
tegenwicht tegen Engeland te verschaffen_. (Dit was in 't fransch, ik
weet niet waarom?)
_Over het azyn maken_.
_Over de vereering van_ SCHILLER _en_ GÖTHE _in den duitschen
middenstand_.
_Over de aanspraken van den mensch op geluk_.
_Over het recht van opstand by onderdrukking_. (Dit was in 't
javaansch. Ik ben dien titel eerst later te weten gekomen.)
_Over ministerieele verantwoordelykheid_.
_Over eenige punten in de krimineele rechtsvordering_.
_Over het recht van een volk, te eischen dat de opgebrachte belasting
ten-zynen-behoeve worde aangewend_. (Dat was weer in 't javaansch.)
_Over de dubbele_ A _en de grieksche_ ETA.
_Over het bestaan van een onpersoonlyken God in de harten der
menschen_. (Een infame leugen!)
_Over den styl_.
_Over een konstitutie voor het Ryk INSULINDE_. (Ik heb nooit van dat
Ryk gehoord.)
_Over het gebrek aan ephelkustiek in onze taalregels_.
_Over pedanterie_. (Ik geloof dat dit stuk met veel kennis van zaken
geschreven is.)
_Over de verplichting van Europa aan de Portugezen_.
_Over boschgeluiden_.
_Over brandbaarheid van water_. (Ik denk dat hy sterk water bedoelt.)
_Over de melkzee_. (Ik heb daarvan nooit gehoord. Het schynt iets in
de nabyheid van Banda te zyn.)
_Over zieners en profeten_.
_Over elektriciteit als beweegkracht, zonder week yzer_.
_Over ebbe en vloed der beschaving_.
_Over epidemisch bederf in staathuishoudingen_.
_Over bevoorrechte Handelmaatschappyen_. (Hierin komt een-en-ander
voor, dat ik noodig heb voor myn boek.)
_Over etymologie als hulpbron by ethnologische studien_.
_Over de vogelnestklippen aan de javasche Zuidkust_.
_Over de plaats waar de dag aanvangt_. (Dit begryp ik niet.)
_Over persoonlyke begrippen als maatstaf der verantwoordelykheid in
de zedelyke wereld_. (Bespottelyk! Hy zegt dat ieder zyn eigen
rechter moet wezen. Waar zou dat heen?)
_Over galanterie_.
_Over den versbouw der Hebreën_.
_Over de_ CENTURY OF INVENTIONS _van den Markies van Worcester_.
_Over de niet-etende bevolking van het eiland Rotti by Timor_. (Het
moet daar goedkoop leven zyn.)
_Over het menschen-eten der Battah's, en het koppensnellen der
Alfoeren_.
_Over het wantrouwen op de publieke zedelykheid_. (Hy wil, geloof ik,
de slotenmakers afschaffen. Ik ben er tegen.)
_Over_ "het recht" _en de_ "rechten."
_Over_ BÉRANGER _als wysgeer_. (Dit begryp ik weer niet)
_Over den afkeer der Maleiers van den Javaan_.
_Over de onwaarde van het onderwys op de zoogenaamde hoogescholen_.
_Over den liefdeloozen geest onzer voorouders, blykbaar uit hun
begrippen omtrent God_. (Alweer een goddeloos stuk!)
_Over den samenhang der zintuigen_. ('t Is waar, toen ik hem zag,
rook ik rozenolie.)
_Over den puntwortel van den koffiboom_. (Dit heb ik ter-zy gelegd
voor myn boek.)
_Over gevoel, gevoeligheid_, SENSIBLERIE, EMPFINDELEI, _enz_.
_Over het verwarren van Mythologie en Godsdienst_.
_Over de saguweer in de Molukken_.
_Over de toekomst van den nederlandschen handel_. (Dit is eigenlyk 't
stuk dat me bewogen heeft, myn boek te schryven. Hy zegt dat er niet
altyd zulke groote koffiveilingen zullen gehouden worden, en ik leef
voor myn vak.)
_Over Genesis_. (Een infaam stuk!)
_Over de geheime genootschappen der Chinezen_.
_Over het teekenen als natuurlyk schrift_. (Hy zegt dat een
pasgeboren kind teekenen kan!)
_Over waarheid in poëzie_. (Wel zeker!)
_Over de impopulariteit der ryst pelmolens op Java_.
_Over het verband tusschen Poëzie en mathematische wetenschappen_.
_Over de Wajangs der Chinezen_.
_Over den prys van de Java-koffi_. (Dit heb ik ter-zy gelegd.)
_Over een europeesch muntstelsel_.
_Over besproejing van gemeene velden_.
_Over den invloed van de vermenging, van rassen op den geest_.
_Over evenwicht in den handel_. (Hy spreekt daarin van wisselagio. Ik
heb het ter-zy gelegd voor myn boek.)
_Over het standhouden van aziatische gewoonten_ (Hy beweert dat _Jezus_
een tulband droeg.)
_Over de denkbeelden van_ MALTHUS _omtrent het cyfer der bevolking,
in verband met de onderhoudsmiddelen_.
_Over de oorspronkelyke bevolking van Amerika_.
_Over de havenhoofden te Batavia, Samarang en Soerabaja_.
_Over bouwkunde, als uitdrukking van denkbeelden_.
_Over de verhouding der europesche ambtenaren tot de Regenten op
Java_. (Hiervan komt een-en-ander in myn boek.)
_Over het wonen in kelders, te Amsterdam_.
_Over de kracht der dwaling_.
_Over de werkeloosheid van een Opperwezen, by volmaakte
natuurwetten_.
_Over het zoutmonopolie op Java_.
_Over de wormen in den sagopalm_. (Die worden, zegt hy, gegeten ...
bah!)
_Over de Spreuken, den Prediker, het Hooglied, en de_ PANTOENS _der
Javanen_.
_Over het_ JUS PRIMI OCCUPANTIS.
_Over de armoede der schilderkunst_.
_Over de onzedelykheid van het hengelen_. (Wie heeft ooit daarvan
gehoord?)
_Over de misdaden der Europeërs buiten Europa_.
_Over de wapenen der zwakkere diersoorten_.
_Over het_ JUS TALIONIS. (Alweer een infaam stuk! Daarin kwam een
gedicht voor, dat ik zeker allerschandelykst zou gevonden hebben, als
ik 't uitgelezen had.)[5]
En dit was nog niet alles! Ik vond, om van de verzen niet te spreken--er
waren er in velerlei talen--een aantal bundeltjes waaraan het opschrift
ontbrak, romancen in het maleisch[6] krygszangen in het javaansch, en
wat niet al! Ook vond ik brieven, waarvan velen in talen die ik niet
verstond. Sommigen waren aan hem geschreven, of liever het waren slechts
afschriften, doch hy scheen daarmee zeker plan te hebben, want alles was
door andere personen geteekend voor: _gelykluidend met het oorspronkelyke_.
[7] Dan vond ik nog uittreksels uit dagboeken, aanteekeningen en losse
gedachten ... sommigen werkelyk heel los.
Ik had, zooals ik reeds zeide, eenige stukken ter-zy gelegd, omdat ze my
toeschenen in myn vak te-pas te komen, en voor myn vak leef ik. Maar ik
moet erkennen dat ik met de rest verlegen was. Hem het pak terugzenden,
kon ik niet, want ik wist niet waar hy woonde. Het was nu eenmaal open.
Ik kon niet loochenen dat ik 't had ingezien, en dit zou ik ook niet
gedaan hebben, omdat ik zoo van de waarheid houd. Ook gelukte 't me niet
het weer zóó te sluiten dat er van 't openen niets blyken kon. Bovendien
mag ik niet ontveinzen dat eenige stukken die over koffi handelden, my
belang inboezemden, en dat ik gaarne daarvan gebruik maken zou. Ik las
dagelyks hier-en-daar eenige bladzyden, en ik kwam hoe langer hoe
meer--Frits zegt: "_hoe langs zoo meer_" maar dit doe ik niet--_hoe_
meer, zeg ik, tot de overtuiging dat men makelaar in koffi moet wezen,
om zóó juist te weten te komen wat er in de wereld omgaat. Ik ben
overtuigd dat de Rosemeyers, die in suiker doen, nooit zoo-iets onder
de oogen hebben gehad.
Nu vreesde ik dat die Sjaalman op-eens weer voor me zou staan, en dat hy
me weer iets te zeggen hebben zou. Het begon me nu te spyten dat ik dien
avend de Kapelsteeg was ingegaan, en ik zag in, dat men nooit den
fatsoenlyken weg verlaten moet. Natuurlyk had hy my om geld gevraagd, en
van zyn pak gesproken. Ik had hem misschien iets gegeven, en als hy my
dan den volgenden dag die massa schryvery had toegezonden, ware het myn
wettig eigendom geweest.[8] Ik zou dan de tarwe hebben kunnen scheiden
van het kaf, ik had er de nummers uitgehouden, die ik noodig had voor
myn boek, en de rest verbrand, of in de papiermand geworpen, hetgeen ik
nu niet doen kon. Want als hy terugkwam, zou ik het moeten leveren, en
hy, ziende dat ik belang stelde in een paar stukken van zyn hand, zou
zeker te veel daarvoor vorderen. Niets geeft den verkooper meer
overwicht, dan de ontdekking dat de kooper om zyn waar verlegen is. Zulk
een pozitie wordt dan ook door een koopman die zyn vak verstaat, zooveel
mogelyk vermeden.
Een ander denkbeeld--ik sprak er reeds van--dat bewyzen moge hoe
ontvankelyk het bezoeken van de beurs iemand laten kan voor
menschlievende indrukken, was dit. Bastiaans--dit is de derde bediende
die zoo oud en stuntelig wordt--was den laatsten tyd, van de dertig
dagen zeker geen vyf-en-twintig binnen geweest, en àls hy aan 't kantoor
komt, doet hy nog dikwyls zyn werk slecht. Als eerlyk man ben ik
tegenover de firma--_Last & Co_, sedert de Meyers er uit zyn--verplicht
te zorgen dat ieder zyn werk doe, en ik mag niet uit verkeerd begrepen
medelyden of overgevoeligheid, het geld van de firma wegwerpen. Zóó is
myn principe. Ik geef liever dien Bastiaans uit myn eigen zak een
driegulden, dan dat ik voortga hem de zevenhonderd gulden 's jaars
uittebetalen die hy niet meer verdient. Ik heb uitgerekend dat die man
sedert vier-en-dertig jaren, aan inkomen--zoo van _Last & Co_, als
vroeger van _Last & Meyer_, maar de Meyers zyn er uit--de som van byna
vyftien duizend gulden genoten heeft, en dit is voor een burgerman een
aardig sommetje. Er zyn er weinig in dien stand, die zooveel bezitten.
Recht tot klagen heeft hy dus niet. Ik ben op deze berekening gekomen
door dat stuk van Sjaalman over de multiplikatie.
Die Sjaalman schryft een goede hand, dacht ik. Bovendien, hy zag er
armoedig uit, en wist niet hoe laat het was ... hoe zou 't wezen, dacht
ik, als ik hem de plaats van Bastiaans gaf? Ik zou hem in dat geval
zeggen dat hy my "m'nheer" moest noemen, maar dit zou hyzelf wel
begrypen, want een bediende kan toch zyn patroon niet by den naam
aanspreken, en hy ware misschien voor zyn leven geholpen. Hy zou kunnen
beginnen met vier- of vyfhonderd gulden--onze Bastiaans heeft ook lang
gewerkt voor hy tot zevenhonderd opklom--en ik had een goede daad
gedaan. Ja, met driehonderd gulden zou hy wel kunnen beginnen, want daar
hy nooit in zaken geweest is, zou hy de eerste jaren als leertyd kunnen
beschouwen, wat dan ook billyk is, want hy kan zich niet gelyk-stellen
met menschen die veel gewerkt hebben. Ik ben zeker dat hy met tweehonderd
gulden tevreden zou zyn. Maar ik was niet gerust over zyn gedrag ... hy
had een sjaal om. En bovendien, ik wist niet waar hy woonde.
Een paar dagen daarna, waren de jonge Stern en Frits te zamen op een
boekverkooping geweest in _het Wapen van Bern_.[9] Ik had Frits verboden
iets te koopen, maar Stern, die ruim zakgeld heeft, kwam met eenige
prullen t'huis. Dit is zyn zaak. Doch zie, daar vertelde Frits dat hy
Sjaalman gezien had, die by de verkooping geëmploieerd scheen. Hy had de
boeken uit de kasten genomen, en die op de lange tafel voortgeschoven
naar den afslager. Frits zei dat hy zeer bleek zag, en dat een heer die
daar het opzicht scheen te hebben, hem bekeven had, omdat hy een paar
jaargangen van de _Aglaia_ had laten vallen, wat ik dan ook zeer onhandig
vind, want dit is een allerliefste verzameling van dames handwerken. Marie
heeft het samen met de Rosemeyers, die in suiker doen. Ze knoopt er uit ...
uit de _Aglaia_ meen ik. Maar onder dat kyven had Frits gehoord dat hy
vyftien stuivers daags verdiende. "Denk je dat ik van plan ben vyftien
stuivers daags aan jou weg te gooien?" had die heer gezegd. Ik rekende uit,
dat vyftien stuivers daags--ik denk dat de zon-en feestdagen niet meetellen,
anders had hy een maand of jaargeld genoemd--tweehonderd vyf-en-twintig
gulden 's jaars uitmaken. Ik ben snel in myn besluiten--als men zoo lang
in zaken is, weet men altyd terstond wat men te doen heeft--en den volgenden
morgen vroeg was ik by Gaafzuiger. Zoo heet de boekhandelaar die de
verkooping gehouden had. Ik vroeg naar den man die de _Aglaia_ had laten
vallen.
--Die heeft zyn congé, zei Gaafzuiger. Hy was lui, pedant en ziekelyk.
Ik kocht een doosjen ouwels, en besloot terstond het met onzen Bastiaans
nog wat aantezien. Ik kon er niet toe besluiten, een oud man zoo op-straat
te zetten. Streng, maar, waar het wezen kan, zachtmoedig, is altyd myn
principe geweest. Ik verzuim echter nooit, iets te vernemen wat te-pas kan
komen in de zaken, en daarom vroeg ik aan Gaafzuiger waar die Sjaalman
woonde? Hy gaf my 't adres, en ik schreef het op.
Ik peinsde gedurig over myn boek, maar daar ik van waarheid houd, moet
ik ronduit zeggen dat ik niet wist, hoe ik 't daarmee zou aanleggen. Eén
ding staat vast: de bouwstoffen die ik in Sjaalman's pak gevonden had,
waren belangryk voor de makelaars in koffi. De vraag was maar, hoe ik
handelen moest om die bouwstoffen behoorlyk te schiften en by-een te
brengen. Ieder makelaar weet van hoeveel gewicht een goede sorteering
der kavelingen is.
Maar ... schryven--buiten de korrespondentie met de principalen--ligt
zoo niet in myn kring, en toch voelde ik dat ik schryven moest, omdat
misschien de toekomst van 't vak er van afhangt. De inlichtingen die ik
in de bundels van Sjaalman vond, zyn niet van dien aard, dat _Last & Co_
het nut daarvan voor zich alleen kunnen houden. Als dit zoo ware,
begrypt ieder dat ik niet de moeite zou nemen een boek te laten drukken
dat Busselinck & Waterman ook te lezen krygen, want wie een konkurrent
op den weg helpt, is een gek. Dit is een vast principe van me. Neen, ik
zag in dat er een gevaar dreigt, dat de heele koffimarkt bederven zou,
een gevaar dat alleen door de vereende krachten van alle makelaars kan
worden afgeweerd, en zelfs is 't mogelyk dat deze krachten daartoe niet
eens voldoende zyn, en dat ook de suikerraffinadeurs--Frits zegt:
_raffineurs_, maar ik schryf _nadeurs_. Dit doen de Rosemeyers ook, en
die _doen_ in suiker. Ik weet wel dat men zegt: _geraffineerde_ schelm,
en niet: _geraffinadeerde_ schelm, maar dit is omdat ieder die met
schelmen te doen heeft, zich zoo kort mogelyk van de zaak afhelpt--dat
ook de raffinadeurs dan, en de handelaren in indigo er by noodig zullen
wezen.
Als ik zoo al schryvende nadenk, komt het me voor, dat zelfs de
scheepsreederyen er eenigszins in betrokken zyn, en de koopvaardyvloot
... zeker, dit is waar! En de zeilenmakers ook, en de minister van
finantien, en de armbesturen, en de andere ministers, en de pasteibakkers,
en de galanteriekramers, en de vrouwen, en de scheepsbouwmeesters, en de
groothandelaars, en die in 't klein verkoopen, en de huisbewaarders, en
de tuinluî.
En--zonderling toch, hoe de gedachten onder 't schryven in iemand opkomen
--myn boek gaat ook de molenaars aan, en de dominees, en hen die Holloway-
pillen verkoopen, en de likeurstokers, en de pannenbakkers, en de menschen
die van staatsschuld leven, en de pompenmakers, en de touwslagers, en de
wevers, en de slachters, en de klerken op een makelaarskantoor, en de
aandeelhouders van de Nederlandsche Handelmaatschappy, en eigenlyk, wel
beschouwd, alle anderen ook.
En den koning ook ... ja, den Koning vooral!
Myn boek _moet_ de wereld in. Hiertegen is niets te doen! Laat dan
Busselinck & Waterman het ook te lezen krygen ... afgunst is myn zaak
niet. Maar knoeiers en onderkruipers zyn ze, dit zeg _ik_! Ik heb 't
vandaag nog aan den jongen Stern gezegd, toen ik hem in _Artis_
introduceerde. Hy mag 't gerust schryven aan zyn vader.
Zoo zat ik dan voor een paar dagen nog vreeselyk in den brand met myn
boek, en zie, Frits heeft my op den weg geholpen. Ik heb dit hemzelf
niet gezegd, omdat ik niet goed vind, iemand te laten merken dat men
verplichting aan hem heeft--dit is een principe van me--maar wáár is
het. Hy zei dat Stern zoo'n knappe jongen was, dat hy zulke snelle
vorderingen in de taal maakte, en dat hy duitsche verzen van Sjaalman
in 't hollandsch vertaald had. Ge ziet, de verkeerde wereld was in myn
huis: de _Hollander_ had in 't duitsch geschreven, en de _Duitscher_
vertaalde in 't hollandsch. Als ieder zich by zyn eigen taal had
gehouden, zou er moeite gespaard zyn. Maar, dacht ik, als ik myn boek
door dien Stern schryven liet? Als ik er wat by te voegen heb, schryf
ikzelf van-tyd tot-tyd een hoofdstuk. Frits kan ook helpen. Hy heeft een
lystje van woorden die met twee _e_'s geschreven worden, en Marie kan
alles in 't net schryven. Dit is met-één voor den lezer een waarborg
tegen alle onzedelykheid. Want dit begrypt ge toch, dat een fatsoenlyk
makelaar aan zyn dochter niets in handen geven zal, wat niet strookt met
zeden en fatsoen.
Ik heb toen de beide jongens over myn plan gesproken, en ze vonden het
goed. Alleen scheen Stern, die een tint van letterkunde over zich
heeft--zooals veel Duitschers--stem te willen hebben in de wyze van
uitvoering. Dit beviel me nu wel niet zeer, maar omdat de voorjaarsveiling
op-hand is, en ik van Ludwig Stern nog geen orders heb, wilde ik hem niet
te sterk kontrarieeren. Hy zei dat: "als de borst hem gloeide van gevoel
voor het ware en schoone, geen macht ter-wereld hem beletten kon de tonen
aanteslaan, die met zulk een gevoel overeenstemmen, en dat hy veel liever
zweeg, dan zyn woorden omklemd te zien door de onteerende kluisters der
alledaagsheid."--Frits zegt: _scheid_, maar dit doe ik niet. 't Woord is
lang genoeg zoo.--Ik vond dit nu wel heel gek van Stern, maar myn vak gaat
me vóór alles, en de Oude is een goed huis. We stelden dus vast:
1° Dat hy alle weken een paar hoofdstukken zou leveren voor myn boek.
2° Dat ik in zyn geschryf niets zou veranderen.
3° Dat Frits de taalfouten verbeteren zou.
4° Dat ik nu-en-dan een hoofdstuk schryven zou, om aan 't boek een
soliede voorkomen te geven.
5° Dat de titel zou wezen: _de koffiveilingen der Nederlandsche
Handelmaatschappy_.
6° Dat Marie het net afschrift zou maken voor den druk, maar dat men
geduld met haar hebben zou, als de wasch kwam.
7° Dat de afgewerkte hoofdstukken elke week op den krans zouden
worden voorgelezen.
8° Dat alle onzedelykheid zou worden vermeden.
9° Dat myn naam niet op den titel zou staan, omdat ik makelaar ben.
10° Dat Stern een _duitsche_, een _fransche_, en een _engelsche_
vertaling van myn boek zou mogen uitgeven, omdat--zoo beweerde
hy--zulke werken beter in 't buitenland worden begrepen dan by ons.
11° (_Hierop drong, Stern zeer sterk aan_) Dat ik Sjaalman een riem
papier, een gros pennen, en een kruikjen inkt zenden zou.
Ik nam met alles genoegen, want er was groote haast by myn boek. Stern
had den volgenden dag zyn eerste hoofdstuk gereed, en ziedaar, lezer,
de vraag beantwoord, hoe 't komt dat een makelaar in koffi--_Last & Co,
Lauriergracht N° 37_--een boek schryft, dat op een roman gelykt.
Nauwelyks echter was Stern aan zyn werk begonnen, of hy stuitte op
moeielykheden. Buiten de zwarigheid om uit zooveel bouwstoffen het
noodige uittezoeken en te rangschikken, kwamen er gedurig in de
handschriften woorden en uitdrukkingen voor, die hy niet begreep, en die
ook mij vreemd waren. Het was meestal javaansch of maleisch. Ook waren
hier-en-daar verkortingen aangebracht, die moeielyk te ontcyferen waren.
Ik zag in, dat we Sjaalman noodig hadden, en daar ik het voor een jong
mensch niet goed vind, dat hy verkeerde konnexien aanknoopt, wilde ik
noch Stern noch Frits daarheen zenden. Ik nam suikergoed mee, dat
overgebleven was van den laatsten krans-avend--want ik denk altyd aan
alles--en ik zocht hem op. Schitterend was zyn verblyf niet, maar de
gelykheid voor alle menschen, dus ook wat hun woningen aangaat, is een
hersenschim. Hyzelf had dit gezegd in zyn verhandeling over de
aanspraken op geluk. Bovendien, ik houd niet van menschen die altyd
ontevreden zyn.
Het was in de Lange-leidsche-dwarsstraat, op een achterkamer. In 't
onderhuis woonde een uitdrager die allerlei dingen verkocht, kopjes,
schotels, meubels, oude boeken, glaswerk, portretten van Van Speyk, en
zoo al meer. Ik was zeer bang iets te breken, want in zoo'n geval
vorderen de menschen altyd meer geld voor de zaken, dan ze waard zyn.
Een klein meisje zat op de stoep, en kleedde haar pop aan. Ik vroeg of
m'nheer Sjaalman daar woonde? Ze liep weg, en de moeder kwam.
--Ja, die woont hier, meneer. Gaat uwee maar de trap op, na 'et eerste
pertaal, en dan de trap na 'et tweede pertaal, en dan nog 'en trap, en
dan is uwee-d-er, want uwe komt er vanzelf. Myntje, ga 'es eefe segge
datter 'en heer is. Wie kanse segge, dat er is, meneer?
Ik zei dat ik m'nheer Droogstoppel was, makelaar in koffi, van de
Lauriergracht, maar dat ik mezelf wel zou aandienen. Ik klom zoo hoog
als gezegd was, en hoorde in het derde portaal een kinderstem zingen:
_strakjes komt vader, die zoete papa_. Ik klopte, en de deur werd
geopend door een vrouw of dame--ik weet zelf niet recht wat ik van haar
maken moest. Ze zag zeer bleek. Haar trekken droegen sporen van
vermoeidheid, en deden me denken aan myn vrouw als de wasch beredderd
is. Ze was gekleed in een wit lang hemd, of jak zonder schoot, dat haar
tot de knieën hing, en aan de voorzyde met een zwart speldje was
vastgemaakt. In plaats van een behoorlyke japon of rok, droeg ze
daaronder een stuk donker gebloemd lynwaad, dat eenige malen om het lyf
gewikkeld scheen, en hare heupen en knieën vry nauw omsloot. Er was geen
spoor van plooien, wydte of omvang, zooals dit by een vrouw toch
behoort. Ik was bly dat ik Frits niet gezonden had, want haar kleeding
kwam me zeer onkiesch voor, en het vreemde daarvan werd nog verhoogd
door de losheid waarmee ze zich bewoog, als vond ze zich heel goed zoo.
Het mensch scheen volstrekt niet te weten dat ze er niet uitzag als
andere vrouwen. Ook kwam het me voor, dat ze volstrekt niet verlegen was
over myn komst. Ze verborg niets onder de tafel, verschoof de stoelen
niet, en deed niets van wat toch het gebruik is, als er een vreemdeling
komt van een deftig voorkomen.
Ze had, als een Chinesche, de haren achterover gekamd, en die achter het
hoofd in een soort van strik of knoop saamgebonden. Later heb ik
vernomen dat haar kleeding een soort van _indische dracht_ is, die ze
daar-te-lande _sarong_ en _kabaai_ noemen, maar ik vond het heel leelyk.
--Is u juffrouw Sjaalman? vroeg ik.
--Wien heb ik de eer te spreken? zeide zy, en wel op een toon waarin
iets lag, alsof ook ik wat _eer_ had moeten brengen in myn vraag.
Nu, van komplimenten houd ik niet. Met een principaal is dit wat anders,
en ik ben te lang by de zaken, om myn wereld niet te kennen. Maar om
daar veel omslag te verkoopen op een derde verdieping, vond ik niet
noodig. Ik zei dus kort-af, dat ik m'nheer Droogstoppel was, makelaar in
koffi, _Lauriergracht, N° 37_, en dat ik haar man spreken wilde. Wel ja,
waarom zou ik omslag maken?
Ze wees my een matten stoeltjen aan, en nam een klein meisje op den
schoot, dat op den grond zat te spelen. De kleine jongen dien ik had
hooren zingen, zag me strak aan, en bekeek me van 't hoofd tot de
voeten. Die scheen ook volstrekt niet verlegen! Het was een knaapje van
een jaar of zes, ook al vreemd gekleed. Zyn wyd broekje reikte
ter-nauwernood tot de helft van de dy, en de beentjes waren bloot van
daar tot aan den enkel. Heel indecent, vind ik. "Kom je om papa te
spreken?" vroeg hy op-eens, en ik begreep terstond dat de opvoeding van
dat knaapje veel te wenschen overliet, anders had hy: "komt u" gezegd.
Maar omdat ik met myn houding verlegen was, en wel wat praten wilde,
antwoordde ik:
--Ja, kereltje, ik kom om je papa te spreken. Zou hy spoedig komen, denk
je?
--Dat weet ik niet. Hy is uit, en zoekt geld om een verfdoos voor me te
koopen. (Frits zegt: _verwdoos_, maar dit doe ik niet. _Verf_ is _verf_,
en geen _verw_.)
--Stil, myn jongen, zei de vrouw. Speel wat met je prenten of met de
chinesche speeldoos.
--Je weet immers dat die m'nheer gister alles heeft meegenomen.
Ook zyn moeder noemde hy: _je_, en er scheen een "heer" geweest te zijn,
die alles "meegenomen had" ... een vroolyk bezoek! De vrouw scheen ook
niet opgeruimd, want ter-sluik wischte zy haar oog af, terwyl zy 't
kleine meisje by haar broertje bracht. "Dáár, zeide zy, speel wat met
Nonni." Een rare naam. En dit deed hy.
--Wel juffrouw, vroeg ik, verwacht u spoedig uw man?
--Ik kan 't niet bepalen, antwoordde zy.
Daar liet op-eens de kleine jongen, die met zyn zusje _schuitjevaren_
gespeeld had, deze in den steek, en vroeg my:
--M'nheer, waarom zeg je tegen mama: _juffrouw_?
--Hoe dan, kereltje, zei ik, wat moet ik dan zeggen?
--Wel ... zooals andere menschen! De _juffrouw_ is beneden. Ze verkoopt
schotels en priktollen.
Nu ben ik makelaar in koffi--_Last & Co, Lauriergracht, N° 37_--we zyn
met ons dertienen op 't kantoor, en als ik Stern meereken, die geen
salaris ontvangt, zyn er veertien. Welnu, _myn_ vrouw is: _juffrouw_, en
moest ik nu tegen dàt mensch: _mevrouw_ zeggen? Dit ging toch niet!
Ieder moet in zyn stand blyven, en wat meer is, gister hadden de
deurwaarders den boel weggehaald. Ik vond myn: _juffrouw_ dus wèl, en
bleef er by.
Ik vroeg waarom Sjaalman zich niet by my had aangemeld om zyn pak terug
te halen? Ze scheen er van te weten, en zei, dat zy op-reis waren
geweest, en wel naar Brussel. Dat hy daar voor de _Indépendance_ gewerkt
had, maar dat hy er niet had kunnen blyven, omdat zyn artikels oorzaak
waren dat het blad aan de fransche grenzen zoo dikwyls werd afgewezen.
Dat ze sedert eenige dagen in Amsterdam teruggekeerd waren, omdat
Sjaalman hier een betrekking zou krygen ...
--Zeker by Gaafzuiger? vroeg ik.
Ja, dat was het! Maar dit was tegengeloopen, zeide zy. Nu, hiervan wist
ik meer dan zyzelf. Hy had de _Aglaia_ laten vallen, en was lui, pedant
en ziekelyk ... precies, dáárom was hy weggejaagd.
--En, ging ze voort, dat hy zeker dezer dagen by my komen zou, en
misschien wel juist naar my toe was, om antwoord te vragen op 't verzoek
dat hy my gedaan had.
Ik zei dat Sjaalman maar eens komen zou, maar dat hy niet moest schellen,
want dit is zoo lastig voor de meid. Als hy wat wachtte, zei ik, zou de
deur wel eens opengaan, als er iemand uit moest. En toen ging ik heen, en
nam myn bruidsuikers weer mee, want, ronduit gezegd, het beviel me daar
niet. Ik voelde me niet op myn gemak. Een makelaar is toch geen kruier,
dunkt me, en ik beweer dat ik er fatsoenlyk uitzie. Ik had mijn jas met
bont aan, en toch zat ze daar zoo eenvoudig, en praatte zoo kalm met haar
kinderen, alsof ze alleen was. Bovendien ze scheen geschreid te hebben, en
ontevreden menschen kan ik niet verdragen. Ook was 't er koud en ongezellig
--zeker omdat de boel weggehaald was--en ik houd veel van gezelligheid in
een kamer. Onder het naar-huis gaan besloot ik het met Bastiaans nog eens
aantezien, omdat ik niet gaarne iemand op-straat zet.
Nu volgt de eerste week van Stern. Het spreekt vanzelf dat er veel in
voorkomt, dat my niet bevalt. Maar ik moet me houden aan artikel _twee_,
en de Rosemeyers hebben 't goed gevonden. Ik geloof, dat ze Stern in de
hoogte steken, omdat hy een oom heeft te Hamburg die in suiker doet.
Sjaalman was er inderdaad geweest. Hy had Stern gesproken, en aan dezen
eenige woorden en zaken uitgelegd, die hy niet begreep. Die Stern niet
begreep, meen ik. Ik verzoek nu den lezer de volgende hoofdstukken
doortebyten, dan beloof ik naderhand weer iets van meer solieden aard,
van _my_, Batavus Droogstoppel, makelaar in koffi: _Last & Co,
Lauriergracht, N° 37_.
VYFDE HOOFDSTUK
Er was des morgens te tien ure een ongewone beweging op den grooten weg
die de afdeeling _Pandeglang_ verbindt met _Lebak_[10] "Groote weg" is
misschien wat veel gezegd voor 't breed voetpad dat men, uit beleefdheid
en by-gebrek aan beter, de "weg" noemde. Maar als men met een vierspannig
rytuig vertrok van _Serang_, de hoofdplaats der residentie _Bantam_, met
het voornemen zich te begeven naar _Rangkas-Betoeng_, de nieuwe hoofdplaats
van 't _Lebaksche_, kon men nagenoeg zeker zyn, te-eeniger-tyd daar
aantekomen. 't Was dus een weg. Wel bleef men gedurig steken in den modder,
die in de _Bantamsche_ laaglanden zwaar, kleierig en klevend is, wel was
men telkens genoodzaakt de hulp interoepen van de bewoners der naastby
gelegen dorpen--ook al waren ze niet zéér naby, want de dorpen zyn niet
menigvuldig in die streken--maar als men er dan eindelyk in geslaagd was,
een twintigtal landbouwers uit den omtrek by-een te krygen, duurde het
gewoonlyk niet zeer lang, voor men paard en wagen weder op vasten grond
had gebracht. De koetsier klapte met de zweep, de loopers--in Europa zou
men, geloof ik, zeggen "palfreniers" of liever, er bestaat in Europa niets
wat met deze loopers overeenkomt--die onvergelykbare loopers dan, met hun
korte dikke zweepjes, huppelden weer aan de zyde van het vierspan, kreschen
onbeschryfelyke geluiden, en sloegen de paarden ter-aanmoediging onder
den buik. Zóó hoste men dan eenigen tyd voort, tot het verdrietig oogenblik
weer daar was, dat men tot over de assen wegzonk in den modder. Dan begon
het geroep om hulp op-nieuw. Men wachtte geduldig tot die hulp kwam, en ...
sukkelde verder.
Dikwyls, als ik dien weg langs ging, was 't my als zou ik hier of daar
een wagen vinden met reizigers uit de vorige eeuw, die in den modder
gezakt, en vergeten waren. Maar dit is me nooit voorgekomen. Ik
veronderstel dus dat allen die ooit dezen weg langs kwamen, eindelyk zyn
aangeland waar ze wezen wilden.
Men zou zich zeer vergissen, wanneer men zich van den geheelen grooten
weg op Java, een denkbeeld vormde naar den maatstaf van dien weg in
't _Lebaksche_. De eigenlyke heirbaan met zyn vele zytakken, die de
maarschalk Daendels met groote opoffering van volk deed aanleggen[11]
is inderdaad een prachtig stuk werks, en men staat verbaasd over de
geestkracht van den man die, ondanks alle bezwaren welke zyn benyders
en tegenstanders in 't moederland hem in den weg legden, den onwil der
bevolking en de ontevredenheid der hoofden durfde trotsen, om iets
tot-stand te brengen, dat thans nog de bewondering van iederen bezoeker
opwekt en verdient.
Geen paardenpostery dan ook in Europa--zelfs niet in Engeland, Rusland
of Hongarye--kan met die op Java worden gelyk gesteld. Over hooge
bergruggen, langs diepten die u doen yzen, vliegt de zwaar bepakte
reiswagen in één galop voort. De koetsier zit als op den bok genageld,
uren, ja, gansche dagen achtereen, en zwaait de zware zweep met yzeren
arm. Hy weet juist te berekenen waar en hoeveel hy de hollende paarden
moet inhouden, om na vliegend dalen van een berghelling, ginds aan
dien hoek ...
--Myn God, de weg is ... weg! We gaan in een afgrond, gilt de onervaren
reiziger, daar is geen weg ... daar is de diepte!
Ja, zoo schynt het. De weg kromt zich, en juist als één galopsprong
verder, vasten grond zou doen verliezen aan 't voorspan, wenden zich de
paarden, en slingeren het voertuig den hoek om. Ze vliegen de berghoogte
op, die ge een oogenblik vroeger niet zaagt, en ... de afgrond ligt
achter u.
Er zyn, by zulke gelegenheid, oogenblikken dat de wagen alleen rust op
de raderen aan de buitenzyde van den boog dien ge beschryft: de
middelpuntvliedende kracht heeft de binnenwielen van den grond geheven.
Er behoort koelbloedigheid toe, de oogen niet te sluiten, en wie voor
't eerst op Java reist, schryft aan zyn familie in Europa, dat hy in
levensgevaar verkeerd heeft. Maar wie er te-huis behoort, lacht om
dien angst.
Het is myn doel niet, vooral niet in het begin van myn vertelling, den
lezer lang bezig te houden met het beschryven van plaatsen, landschappen
of gebouwen. Ik vrees te zeer hem afteschrikken door wat zweemen zou
naar langdradigheid, en eerst later, als ik gevoel dat hy voor my
gewonnen is, als ik uit blik en houding bemerk dat het lot van de heldin
die ergens van 't balkon eener vierde verdieping springt, hem belang
inboezemt, dan laat ik, met stoute verachting van alle wetten der
zwaartekracht, haar zweven tusschen hemel en aarde, tot ik myn hart heb
lucht gegeven in de nauwkeurige schets der schoonheden van het
landschap, of van 't gebouw dat daar ergens schynt geplaatst te zyn om
een voorwendsel aan de hand te doen tot een veelbladzydig vertoog over
middeleeuwsche architektuur. Al die kasteelen gelyken op elkaar.
Onveranderlyk zyn ze van heterogeene bouworde. Het _corps de logis_
dagteekent altyd van eenige regeeringen vroeger dan de aanhechtsels die
onder dezen of genen lateren koning daarby zyn gevoegd. De torens zyn in
vervallen staat ...
Waarde lezer, er zyn geen torens. Een toren is een denkbeeld, een droom,
een ideaal, een verzinsel, onverdragelyke grootspraak! Er zyn halve
torens, en ... torentjes.
De geestdryvery die torens meende te moeten zetten op de gebouwen die
opgericht werden ter-eere van dezen of genen heilige, duurde niet lang
genoeg om ze te voleinden, en de spits die de geloovigen naar den hemel
moet wyzen, rust, gewoonlyk een paar omgangen te laag, op de massieve
bazis, 'tgeen denken doet aan den man zonder dyen op de kermis. Alleen
_torentjes, kleine naaldjes_ op dorpskerken, zyn afgewerkt.
Het is waarlyk niet vleiend voor de westersche beschaving, dat zelden
het denkbeeld om een groot werk tot-stand te brengen, zich lang genoeg
heeft kunnen staande houden om dat werk voleind te zien. Ik spreek nu
niet van ondernemingen welker afwerking noodig was om de kosten te
dekken. Wie juist weten wil wat ik bedoel, ga den Dom te Keulen zien. Hy
geve zich rekenschap van de grootsche opvatting van dat gebouw, in de
ziel des bouwmeesters Gerhard von Riehl ... van 't geloof in de harten
des volks, dat hem in-staat stelde dat werk aantevangen en voorttezetten
... van den invloed der denkbeelden die zùlk een kolos noodig hadden om
als zichtbare voorstelling te dienen van het ongezien godsdienstig
gevoel ... en hy vergelyke deze overspanning met de richting, die eenige
eeuwen later het oogenblik deed geboren worden, waarop men 't werk staakte.
Er ligt een diepe kloof tusschen Erwin van Steinbach en onze bouwmeesters!
Ik weet dat men sedert jaren bezig is deze kloof te dempen. Ook te Keulen
bouwt men weder aan den Dom. Maar zal men den afgebroken draad weer kunnen
aanhechten? Zal men terugvinden in _onze_ dagen, wat _toen_ de kracht
uitmaakte van kerkvoogd en bouwheer? Ik geloof het niet. Geld zal wel te
bekomen zyn, en hiervoor is steen en kalk te-koop. Men kan den kunstenaar
betalen, die een plan ontwerpt, en den metselaar die de steenen legt. Maar
niet voor geld te-koop is 't verdwaald en toch eerbiedwaardig gevoel dat
in een bouwontwerp een dichtstuk zag, een dichtstuk van graniet, dat luid
sprak tot het volk, een dichtstuk in marmer, dat dáár stond als een
onbewegelyk voortdurend eeuwig gebed.
Op de grens tusschen _Lebak_ en _Pandeglang_ dan, was op zekeren morgen
een ongewone beweging. Honderden gezadelde paarden bedekten den weg, en
duizend menschen voor 't minst--wat veel was voor die plek--liepen in
bedryvig wachten heen-en-weer. Hier zag men de hoofden der dorpen, en
de distriktshoofden uit het _Lebaksche_, allen met hun gevolg, en te
oordeelen naar den schoonen bastert-arabier die in zyn ryk tuig op den
zilveren watertrens knabbelde, was ook een hoofd van hoogeren rang op
deze plaats aanwezig. Dit was dan ook het geval. De Regent van _Lebak_,
_Radhen Adhipatti Karta Natta Negara_[12] had met groot gevolg
_Rangkas-Betoeng_, verlaten, en ondanks zijn hoogen ouderdom de twaalf
of veertien palen afgelegd, die zyn woonplaats scheiden van de grenzen
der naburige afdeeling _Pandeglang_.
Er werd een nieuwe adsistent-resident verwacht, en het gebruik, dat in
Indie meer dan ergens kracht van wet heeft, wil dat de beambte die met
het bestuur eener afdeeling belast is, feestelyk worde ingehaald by zyn
aankomst. Ook de kontroleur, een man van middelbaren leeftyd, die sedert
eenige maanden na den dood van den vorigen adsistent-resident, als
eerstopvolgende in rang het bestuur had waargenomen, was daar tegenwoordig.
Zoodra het tydstip der komst van den nieuwen adsistent-resident bekend
was, had men in-aller-yl een _pendoppo_ doen oprichten, een tafel en
eenige stoelen daarheen gebracht, en eenige ververschingen gereed gezet.
In deze _pendoppo_ wachtte de Regent met den kontroleur de aankomst van
den nieuwen chef af.
Na een hoed met breeden rand, een regenscherm, of een hollen boom, is
een _pendoppo_ zeker de eenvoudigste uitdrukking van het denkbeeld:
_dak_. Verbeeld u vier of zes bamboezen palen in den grond geslagen, die
aan de boveneinden met elkander verbonden zyn door andere bamboes,
waarop een deksel is vastgehecht van de lange bladen van den waterpalm,
die in deze streken _atap_ heet, en ge zult u dusdanige _pendoppo_
kunnen voorstellen. Het is, zooals ge ziet, zoo eenvoudig mogelyk, en
het moest hier dan ook slechts dienen als _pied à terre_ voor de
europesche en inlandsche beambten die daar hun nieuw opperhoofd kwamen
verwelkomen aan de grenzen.
Ik heb me niet volkomen juist uitgedrukt, toen ik den adsistent-resident
het opperhoofd, ook van den Regent, noemde. Een uitweiding over 't
mechanismus van het bestuur in deze landstreken is hier, tot juist begrip
van hetgeen volgen zal, noodzakelyk.[13]
Het dusgenaamd _Nederlandsch Indie_--'t adjektief _nederlandsch_ komt me
eenigszins onnauwkeurig voor, doch 't werd officieel aangenomen[14]--is,
wat de verhouding van het moederland tot de bevolking aangaat, te
splitsen in twee zeer verschillende hoofddeelen. Een gedeelte bestaat
uit stammen welker vorsten en vorstjes de opperheerschappy van Nederland
als _suzerein_ erkend hebben, doch waarby nog altyd het rechtstreeksch
bestuur, in meer of minder mate gebleven is in handen van de ingeboren
Hoofden zelf. Een ander gedeelte, waartoe--met een zeer kleine, wellicht
maar schynbare, uitzondering--geheel Java behoort, is rechtstreeks
onderworpen aan Nederland. Van cyns of schatting of bondgenootschap is
hier geen spraak. De _Javaan_ is _nederlandsch onderdaan_. De Koning van
Nederland is zyn koning. De afstammelingen zyner vorige vorsten en
heeren zyn _nederlandsche_ beambten. Ze worden aangesteld, verplaatst,
bevorderd, door den Gouverneur-generaal die in-naam van den _Koning_
regeert. De misdadiger wordt veroordeeld en gevonnisd naar een wet die
van 's Gravenhage is uitgegaan. De belasting die de Javaan opbrengt,
vloeit in de schatkist van _Nederland_.
Van dit gedeelte slechts der nederlandsche bezittingen, dat alzoo
inderdaad deel uitmaakt van het _Koningryk der Nederlanden_, zal in deze
bladen hoofdzakelyk sprake zyn.
Den Gouverneur-generaal staat een Raad ter-zyde, die echter op zyn
besluiten geen _beslissenden_ invloed heeft. Te Batavia zyn de
onderscheidene bestuurstakken verdeeld in "departementen" aan welker
hoofd Direkteuren geplaatst zyn, die den schakel uitmaken tusschen het
opperbestuur van den Gouverneur-generaal en de Residenten in de
provincien. By behandeling evenwel der zaken van _politieken aard_,
wenden zich deze beambten rechtstreeks tot den Gouverneur-generaal.
De benaming _Resident_ is herkomstig uit den tyd toen Nederland nog
slechts _middelyk_ als _leenheer_ de bevolking beheerschte, en zich
aan de hoven der nog regeerende Vorsten door _Residenten_ liet
vertegenwoordigen. Die Vorsten bestaan niet meer, en de residenten
zyn, als gewestelijke Gouverneurs of _Praefecten_, bestuurders van
landschappen geworden. Hun werkkring is veranderd, doch de naam
is gebleven.
Het zyn deze residenten, die eigenlyk het nederlandsch gezag tegenover
de javaansche bevolking vertegenwoordigen. Het volk kent noch den
Gouverneur-generaal, noch de Raden van Indie, noch, de Direkteuren te
Batavia. Het kent slechts den _Resident_, en de beambten die onder hem
het besturen.
Een dusdanige residentie--er zyn er, die byna een millioen zielen
bevatten--is verdeeld in drie, vier of vyf afdeelingen of
regentschappen, aan welker hoofd _Adsistent-Residenten_ geplaatst zyn.
Onder dezen weder wordt het bestuur uitgeoefend door kontroleurs,
opzieners en een tal van andere beambten die noodig zyn voor de inning
der belastingen, voor het toezicht over den landbouw, voor het oprichten
van gebouwen, voor de waterstaats-werken, voor de policie en voor het
rechtswezen.
In elke afdeeling staat een inlandsch hoofd van hoogen rang met den
titel van _Regent_, den adsistent-resident ter-zyde. Zoodanig Regent,
hoewel zyn verhouding tot het bestuur en zyn werkkring geheel die is van
een _bezoldigd beambte_, behoort altyd tot den hoogen adel des lands, en
dikwyls tot de familie der vorsten die vroeger in dat landschap of in de
nabuurschap onafhankelyk geregeerd hebben. Zeer staatkundig wordt alzoo
gebruik gemaakt van hun alouden feodalen invloed--die in Azie over 't
geheel van groot gewicht is, en by de meeste stammen als punt van
godsdienst wordt aangemerkt--dewyl door het benoemen dezer hoofden tot
beambten, een hierarchie wordt geschapen, aan welker spits het
nederlandsch gezag staat, dat door den Gouverneur-generaal wordt
uitgeoefend.
Er is niets nieuws onder de zon. Werden niet de _Ryks-, Mark-, Gau-_, en
_Burggraven_ van het duitsche Ryk evenzoo door den Keizer aangesteld, en
meestal gekozen uit de Baronnen? Zonder uitweiding over den oorsprong
des adels, die geheel in de natuur ligt, wensch ik toch plaats te geven
aan de opmerking hoe in òns werelddeel en ginds in 't verre Indie,
dezelfde oorzaken dezelfde gevolgen hadden. Een land moet op verren
afstand geregeerd worden, en hiertoe zyn beambten noodig, die 't
centraaal gezag vertegenwoordigen. Onder het stelsel van militaire
willekeur, kozen de Romeinen hiertoe de _Praefecten_, in den aanvang
gewoonlyk de bevelhebbers der legioenen die 't bedoelde land hadden
ten-onder gebracht. Zulke landstreken bleven dan ook: _provincien_, dat
is: _win_gewesten. Maar toen later het centraal gezag des duitschen Ryks
behoefte voelde, eenig ver gelegen volk aan zich te binden op andere
wyze dan door stoffelyk overwicht alleen, zoodra een verwyderde streek
werd beschouwd als door gelykheid in afkomst, taal en gewoonten tot het
Ryk te behooren, deed zich de noodzakelykheid gevoelen, iemand met de
leiding der zaken te belasten, die in dat land te-huis behoorde niet
alleen, maar door zyn stand boven zyn medeburgers in die streken
verheven was, opdat de gehoorzaamheid aan de bevelen des Keizers,
gemakkelyk werde door de samengaande neiging tot onderwerping aan hem
die met de uitvoering dezer bevelen belast was. Hierdoor werden dan
tevens geheel of gedeeltelyk de uitgaven vermeden, voor een staand leger
ten-laste der algemeene staatskas, of, zooals meestal geschiedde,
ten-laste van de gewesten zelf, die door zoodanig leger moesten bewaakt
worden. Zoo werden de eerste Graven gekozen uit de Baronnen des lands,
en strikt genomen is dus 't woord _graaf_ geen adellyke titel, doch
slechts de benaming van een met zeker _ambt_ belasten persoon. Ik geloof
dan ook dat in de middeleeuwen de meening gold, dat de duitsche Keizer
wel 't recht had, graven, d.i. _landschapsbestuurders_, en hertogen,
d.i. _heiraanvoerders_, te benoemen, doch dat de Baronnen beweerden, wat
hun geboorte aangaat, aan den Keizer gelyk te zyn en alleen van God
aftehangen, behoudens de verplichting den Keizer te dienen, voor-zoo-ver
deze met hun toestemming, en uit hun midden gekozen was. Een graaf
bekleedde een _ambt_ waartoe hem de Keizer had geroepen. Een baron
beschouwde zich als baron "_door de genade Gods_." De graven
vertegenwoordigden den Keizer, en voerden als zoodanig _diens_ banier,
d.i. den Standaard van het Ryk. Een baron bracht volk op de been onder
zyn eigen vaan, als _baanderheer_.
De omstandigheid nu, dat graven en hertogen gewoonlyk uit de baronnen
werden gekozen, bracht te-weeg dat zy het gewicht hunner betrekking in
de schaal legden by den invloed dien zy aan hun geboorte ontleenden, en
hieruit schynt later, vooral toen men aan de erfelykheid dezer
betrekkingen was gewoon geraakt, de voorrang ontstaan te zyn, dien deze
titels hadden boven dien van baron. Nog heden-ten-dage zou menige
vryheerlyke familie--zonder keizerlyk of koninklyk patent, dat is een
zoodanige familie, die haren adel afleidt van het ontstaan des lands,
die _altyd_ van adel was _omdat_ ze van adel was--_autochthoon_--een
verheffing tot den gravenstand, als derogeerend afwyzen. Er zyn
voorbeelden van.
De personen die met het bestuur van zoodanig graafschap belast waren,
trachtten natuurlyk van den Keizer te verkrygen dat hun zoons, of,
by-gebreke daarvan, andere bloedverwanten, hen in hun betrekking zouden
opvolgen. Dit geschiedde dan ook gewoonlyk, schoon ik niet geloof dat
ooit het recht op deze opvolging _organisch_ is erkend geworden, althans
wat deze beambten in de _Nederlanden_ aangaat, by-voorbeeld, de graven
van Holland, Zeeland, Henegouwen of Vlaanderen, de hertogen van Brabant,
Gelderland, enz. Het was in den beginne een gunst, weldra een gewoonte,
en ten-slotte een noodzakelykheid, maar nooit werd deze erfelykheid wet.
Nagenoeg op gelyke wyze--wat de keus der personen aangaat, daar hier
geen spraak is van gelykheid in werkkring, hoewel ook in dit opzicht
zekere overeenstemming in 't oog valt--staat aan het hoofd eener
afdeeling op Java, een inlandsch beambte die den hem door het
gouvernement gegeven rang met zijn _autochthoonen_ invloed verbindt,
om aan den europeschen ambtenaar die 't _nederlandsch_ gezag
vertegenwoordigt, het bestuur gemakkelyk te maken. Ook hier is de
erfelykheid, zonder door een wet vastgesteld te zyn, tot een gewoonte
geworden. Reeds by het leven van den Regent is deze zaak meestal
geregeld, en 't geldt als een belooning voor dienstyver en trouw, indien
men hem de toezegging geeft dat hy in zijn betrekking door zyn zoon zal
worden opgevolgd. Er moeten al zeer gewichtige redenen bestaan, voor er
van dezen regel wordt afgeweken, en waar dit het geval wezen mocht,
kiest men toch gewoonlyk den opvolger uit de leden van dezelfde familie.
De verhouding tusschen europesche ambtenaren, en dusdanige hooggeplaatste
javaansche grooten, is van zeer kieschen aard. De adsistent-resident
eener afdeeling is de verantwoordelyke persoon. Hy heeft zyn instruktien,
en wordt verondersteld het hoofd der afdeeling te zyn. Dit belet echter
niet dat de Regent, door plaatselyke kennis, door geboorte, door invloed
op de bevolking, door geldelyke inkomsten en hiermede overeenstemmende
levenswyze, ver boven hem verheven is. Bovendien is de Regent, als
vertegenwoordiger van 't _javaansch element_ eener landstreek, en
verondersteld wordende te spreken uit naam der honderd- of meer duizend
zielen, die zyn regentschap bevolken, ook in de oogen van 't Gouvernement
een veel belangryker persoon, dan de eenvoudige _europesche_ beambte,
wiens ontevredenheid niet behoeft gevreesd te worden, daar men voor hem
vele anderen in de plaats bekomen kan, terwyl de minder goede stemming van
een Regent wellicht de kiem zou kunnen worden van beroering of opstand.
Uit dit alles vloeit dus de vreemde omstandigheid voort, dat eigenlyk de
_mindere_ den _meerdere_ beveelt. De adsistent-resident gelast den
Regent, hem opgaven te doen. Hy gelast hem, volk te zenden tot het
arbeiden aan bruggen en wegen. Hy gelast hem, belastingen te doen innen.
Hy roept hem op, zitting te nemen in den landraad, waarin hy
adsistent-resident voorzit. Hy berispt hem, waar hy schuldig is aan
plichtverzuim. Deze zeer eigenaardige verhouding wordt alleen mogelyk
gemaakt door uiterst beleefde vormen, die evenwel noch hartelykheid,
noch, waar 't noodig blyken mocht, strengheid behoeven uittesluiten en
ik geloof dat de toon die in deze verhouding heerschen moet, vry wel
wordt aangegeven in 't officieel voorschrift dienaangaande: de
_europesche_ ambtenaar hebbe den _inlandschen_ beambte die hem ter-zyde
staat, te behandelen als zyn _jonger broeder_.
Maar hy vergete niet dat deze _jonger broeder_ by de ouders zeer bemind
--of gevreesd--is, en dat, by voorkomend geschil, zyn meerdere jaren
zouden worden in rekening gebracht als beweegreden om hem euvel te nemen
dat hy zyn _jonger broeder_ niet met meer inschikkelykheid of takt
behandelde.
De aangeboren hoffelykheid van den javaanschen groote--zelfs de geringe
Javaan is veel beleefder dan zyn europesche standgenoot--maakt evenwel
deze schynbaar moeielyke verhouding dragelyker dan ze anders wezen zou.
De Europeaan zy wel-opgevoed en kiesch, hy gedrage zich met vriendelyke
waardigheid, en kan dan zeker zyn dat de Regent van zyn kant hem 't
bestuur gemakkelyk maken zal. Het stuitend bevelen, in verzoekenden vorm
geuit, wordt met stiptheid nagekomen. Het verschil in stand, geboorte,
rykdom, wordt uitgewischt door den Regent zelf, die den Europeaan, als
vertegenwoordiger des Konings van Nederland, tot zich opheft, en
ten-slotte is een verhouding die, oppervlakkig beschouwd, botsing moest
te weeg brengen, zeer dikwyls de bron van een aangenaam verkeer.
Ik zeide dat dusdanige Regenten ook door rykdom den voorrang hadden
boven den europeschen ambtenaar, en dit is natuurlyk. De Europeaan, als
hy geroepen wordt tot het besturen eener provincie die in oppervlakte
met vele duitsche hertogdommen gelyk staat, is gewoonlyk iemand van
middelbaren of meer dan middelbaren leeftyd, gehuwd en vader. Hy
bekleedt een ambt _om den broode_. Zyn inkomsten zyn juist voldoende, en
zelfs vaak _niet_ voldoende, om aan de zynen het noodige te verschaffen.
De Regent is: _Tommongong, Adhipatti_, ja zelfs _Pangerang_, d.i.
javaansch prins. De vraag is voor hem niet dat hy leve, hy moet zóó
leven als 't volk gewoon is dit te zien van zyn aristokratie. Waar de
_Europeaan_ een huis bewoont, is dikwyls _zyn_ verblyf een _Kratoon_,
met vele huizen en dorpen daarin. Waar de _Europeaan_ ééne vrouw heeft
met drie, vier kinderen, onderhoudt _hy_ een tal van vrouwen met wat
daarby behoort. Waar de _Europeaan_ uitrydt, gevolgd door eenige
beambten, niet meer dan er by zyn inspektiereis noodig zyn tot het geven
van inlichtingen onder-weg, wordt de Regent vergezeld door de honderden
die tot het gevolg behooren, dat in de oogen des volks onafscheidelyk is
van zyn hoogen rang. De _Europeaan_ leeft burgerlyk, de Regent leeft
--of wordt verondersteld te leven--als een vorst.
Doch dit alles moet _betaald_ worden. Het nederlandsch bestuur dat zich
op den invloed van die Regenten gegrondvest heeft, weet dit, en niets is
dus natuurlyker dan dat het hun inkomsten heeft opgevoerd tot een hoogte
die den _niet_-Indier overdreven zou voorkomen, maar inderdaad zelden
voldoende is ter bestryding van de uitgaven welke aan de levenswyze van
zoodanig inlandsch Hoofd verbonden zyn. Het is niet ongewoon, Regenten
die twee-ja driemaal honderd duizend gulden 's jaars inkomen hebben, in
geldverlegenheid te zien verkeeren. Hiertoe draagt veel by de, als 't
ware vorstelyke, onverschiligheid waarmee zy hun inkomsten verspillen,
hun nalatigheid in 't bewaken hunner ondergeschikten, hun koopziekte, en
_vooral_ het misbruik--dat dikwyls van deze hoedanigheden gemaakt wordt
door Europeanen.
De inkomsten der javaansche Hoofden zou men in vier deelen kunnen
splitsen. Vooreerst, het bepaald maandgeld. Vervolgens, een vaste som
als schadeloosstelling voor afgekochte rechten die overgegaan zyn op 't
nederlandsch bestuur. Ten-derde, een belooning in evenredigheid met de
hoeveelheid der in hun regentschap voortgebrachte produkten, als koffi,
suiker, indigo, kaneel, enz. En eindelyk, de willekeurige beschikking
over den arbeid en de eigendommen hunner onderhoorigen.
De beide laatste bronnen van inkomsten vorderen eenige opheldering. De
Javaan is uit den aard der zaak landbouwer. De grond waarop hy geboren
werd, die veel belooft voor weinig arbeids, lokt hem hiertoe uit, en
vooral is hy met hart en ziel overgegeven aan het bebouwen zyner
rystvelden, waarin hy dan ook zeer bedreven is. Hy groeit op te-midden
zyner _sawah's_ en _gagah's_ en _tipar's_[15] vergezelt reeds op zeer
jeugdigen leeftyd zyn vader naar 't veld, waar hy hem behulpzaam is in
den arbeid met ploeg en spade, aan dammen en aan waterleidingen tot het
bevochtigen zyner akkers. Hy telt zyn jaren by oogsten, hy rekent den
tyd naar de kleur zyner te veld staande halmen, hy voelt zich te-huis
onder de makkers die met hem _padie_ sneden[16] hy zoekt zyn vrouw onder
de meisjes der _dessah_[17] die 's avends onder vroolyk gezang de ryst
stampen om ze te ontdoen van den bolster ... het bezit van een paar
buffels die zyn ploeg zullen trekken, is 't ideaal dat hem aanlacht ...
kortom, de rystbouw is voor den Javaan, wat in de Rynstreken en in het
zuiden van Frankryk, de wynoogst is.
Doch daar kwamen vreemdelingen uit het Westen, die zich heer maakten van
het land. Ze wenschten voordeel te doen met de vruchtbaarheid van den
bodem, en gelastten den bewoner een gedeelte van zyn arbeid en van zyn
tyd toetewyden aan het voortbrengen van andere zaken, die meer winst
zouden afwerpen op de markten van _Europa_. Om den geringen man hiertoe
te bewegen, was niet meer dan een zeer eenvoudige staatkunde noodig. Hy
gehoorzaamt zyn hoofden, men had dus slechts deze hoofden te winnen door
hun een gedeelte van de winst toetezeggen, en ... het gelukte volkomen.
Als men let op de ontzettende massa javasche produkten die in Nederland
worden te-koop geveild, kan men zich overtuigen van het doeltreffende
dezer staatkunde, al vindt men ze niet edel. Want, mocht iemand vragen
of de landbouwer zelf eene met deze uitkomst evenredige belooning
geniet, dan moet ik hierop een ontkennend antwoord geven. De Regeering
verplicht hem op _zyn_ grond aantekweeken wat _haar_ behaagt, ze straft
hem wanneer hy het aldus voortgebrachte verkoopt aan wien het ook zy
buiten háár, en _zyzelf_ bepaalt den prys dien ze hem daarvoor
uitbetaalt. De kosten op den overvoer naar Europa, door bemiddeling van
een bevoorrecht handelslichaam, _zyn_ hoog. De aan de Hoofden toegelegde
aanmoedigingsgelden bezwaren daarentegen den inkoopprys, en ... daar
toch ten-slotte de geheele zaak winst afwerpen _moet_, kan deze winst
niet anders worden gevonden dan door juist zóóveel aan den javaan
uittebetalen, dat hy niet sterve van honger, hetgeen de voortbrengende
kracht der natie verminderen zou.
Ook aan de europesche beambten wordt een belooning uitbetaald in
evenredigheid met de opbrengst.[18]
Wel wordt dus de arme Javaan voorgezweept door dubbel gezag, wel wordt
hy dikwyls afgetrokken van zyn rystvelden, wel is hongersnood vaak 't
gevolg van deze maatregelen, doch ... vroolyk wapperen te Batavia, te
Samarang, te Soerabaja, te Passaroean, te Bezoeki, te Probolingo, te
Patjitan, te Tjilatjap, de vlaggen aan boord der schepen, die beladen
worden met de oogsten die Nederland ryk maken.
_Hongersnood_? Op het ryke vruchtbare gezegende Java, _hongersnood_?
Ja, lezer. Voor weinige jaren zyn geheele distrikten uitgestorven van
honger.[19] Moeders boden hun kinderen te-koop voor spyze. Moeders
hebben hun kinderen gegeten ...
Maar toen heeft zich 't moederland met die zaak bemoeid. In de raadzalen
der volksvertegenwoordiging is men daarover ontevreden geweest, en de
toenmalige Landvoogd heeft bevelen moeten geven, dat men de uitbreiding
der dusgenaamde _europesche-marktprodukten_ voortaan niet weder zou
voortzetten tot hongersnood toe ...
Ik ben daar bitter geworden. Wat zoudt ge denken van iemand die zulke
zaken kon neerschryven _zonder_ bitterheid?
My blyft over te spreken van de laatste en voornaamste soort der
inkomsten van inlandsche hoofden: het willekeurig beschikken over
personen en eigendommen hunner onderhoorigen.
Volgens het algemeen begrip in byna geheel Azie, behoort de onderdaan
met al wat hy bezit, aan den vorst. Dit is ook op Java het geval, en de
afstammelingen of verwanten der vroegere vorsten maken gaarne gebruik
van de onkunde der bevolking, die niet recht begrypt dat haar
_Tommongong_ of _Adhipatti_ of _Pangerang_ thans een _bezoldigd
ambtenaar_ is die zyn eigen en hare rechten voor een bepaald inkomen
verkocht heeft, en dat dus de schraal beloonde arbeid in koffituin of
suikerveld, in de plaats getreden is van de belastingen die vroeger door
de heeren des lands van de opgezetenen gevorderd werden. Niets is dus
gewoner dan dat honderde huisgezinnen van verren afstand worden
opgeroepen om _zonder betaling_ velden te bewerken, die den Regent
toebehooren. Niets is gewoner dan het onbetaald verstrekken van
levensmiddelen ten-behoeve der hofhouding van den Regent. En wanneer
die Regent een gevallig oog mocht slaan op het paard, den buffel, de
dochter, de vrouw, van den geringen man, zou men 't ongehoord vinden,
als deze den onvoorwaardelyken afstand van het begeerd voorwerp weigerde.
Er zyn Regenten, die van zoodanige willekeurige beschikkingen een matig
gebruik maken, en niet meer van den geringen man vorderen, dan tot het
ophouden van hun rang volstrekt noodig is. Anderen gaan iets verder, en
geheel-en-al ontbreekt deze onwettigheid nergens. Het is dan ook moeielyk
ja onmogelyk, zoodanig misbruik _geheel_ uitteroeien, daar het diep
geworteld is in den aard der bevolking zelf die er onder lydt. De Javaan
is gul, vooral waar het te doen is om een bewys te geven van gehechtheid
aan zyn Hoofd, aan den afstammeling van hen wien zyn vaderen gehoorzaamden.
Ja, hy zou meenen te-kort te doen aan den eerbied dien hy aan zyn erfelyken
heer verschuldigd is, wanneer hy zonder geschenken diens _kratoon_ betrad.
Zulke geschenken zyn dan ook dikwyls van zoo weinig waarde, dat het afwyzen
iets vernederends zou in zich sluiten, en vaak is alzoo deze gewoonte
eerder te vergelyken met de hulde van een kind dat zyn liefde tot den vader
tracht te uiten door 't aanbieden van een klein geschenk, dan optevatten
als schatting aan dwingelandsche willekeur.
Maar ... aldus wordt door een _lief gebruik_, de afschaffing van _misbruik_
belemmerd. Indien de _aloen-aloen_[20] voor de woning van den Regent in
verwilderden staat lag, zou de nabywonende bevolking hierover beschaamd
wezen, en er ware veel gezags noodig om haar te _beletten_ dat plein van
onkruid te reinigen, en het te brengen in een staat die met den rang des
Regents overeenstemt. Hiervoor eenige betaling te geven, zou algemeen als
een beleediging worden aangemerkt. Maar naast dien _aloen-aloen_, of elders,
liggen _Sawah's_ die op den ploeg wachten, of op een leiding die het water
daarheen moet voeren, dikwyls van mylen ver ... deze _Sawah's_ behooren den
Regent. Hy roept, om _zyn_ velden te bewerken of te besproeien, de bevolking
van gansche dorpen op, wier eigen _Sawah's_ evenzeer behoefte hebben aan
bearbeiding ... ziedaar het _misbruik_.
Dit is aan de Regeering bekend, en wie de staatsbladen leest, waarin de
wetten, instruktien en handleidingen voor de ambtenaren bevat zyn, juicht
de menschlievendheid toe, die by het ontwerpen daarvan schynt te hebben
voorgezeten. Alom wordt den Europeaan, met gezag in de binnenlanden
bekleed, als een zyner duurste verplichtingen op 't hart gedrukt, de
bevolking te beschermen tegen haar eigen onderworpenheid en de hebzucht
der Hoofden. En, als ware het niet genoeg, deze verplichting voorteschryven
_in 't algemeen_, er wordt nog van de _adsistent-residenten_, by de
aanvaarding van 't bestuur eener afdeeling, een _afzonderlyke eed_
gevorderd, dat zy deze vaderlyke zorg voor de bevolking zullen beschouwen
als een eersten plicht.
Dit is voorzeker een schoone roeping. Rechtvaardigheid voortestaan, den
geringe te beschermen tegen den machtige, den zwakke te beschutten tegen
de overmacht van den sterke, het ooilam van den arme terug te vorderen
uit de stallen des vorstelyken roovers ... zie, 't is om 't hart te doen
gloeien van genot, by 't denkbeeld dat men geroepen is tot iets zóó
schoons! En wie in de javasche binnenlanden soms ontevreden moge zyn met
standplaats of belooning, hy sla het oog op den verheven plicht die op
hem rust, op 't heerlyk genoegen dat de vervulling van _zulk_ een plicht
met zich brengt, en hy zal geen andere belooning begeeren.
Maar ... gemakkelyk is deze plicht niet. Vooreerst hebbe men juist te
beoordeelen, waar het _gebruik_ heeft opgehouden om voor _misbruik_
plaats te maken? En ... waar het misbruik _bestaat_, waar inderdaad roof
of willekeur gepleegd _is_, zyn veelal de slachtoffers zelf hieraan
medeplichtig, hetzy uit te ver gedreven onderwerping, hetzy uit vrees,
hetzy uit wantrouwen op den wil of de macht der persoon die hen
beschermen moet. Ieder weet dat de _europesche_ beambte elk oogenblik
kan geroepen worden tot een andere betrekking, en dat de _Regent, de
machtige Regent_, dáár blyft. Voorts zyn er zoo véél manieren om zich
het eigendom van een arm onnoozel mensch toeteëigenen! Als een
_mantrie_[21] hem zegt dat de Regent zyn paard begeert, met dit gevolg
dat het begeerde dier weldra plaats heeft gekregen in de stallen van den
Regent, bewyst zulks nog volstrekt niet dat deze niet van voornemen
was--o, zeker!--daarvoor een hoogen prys te betalen ... te-eeniger-tyd.
Als honderden arbeiden op de velden van een Hoofd, zonder daarvoor
betaling te ontvangen, volgt hieruit geenszins dat hy dit liet
geschieden ten _zynen_ behoeve. Had niet zyn bedoeling kunnen zyn, hun
den oogst overtelaten uit de menschlievende berekening dat zyn grond
beter gelegen was, vruchtbaarder dan de hunne, en dus hun arbeid milder
beloonen zou?
Bovendien, vanwaar haalt de europesche beambte de getuigen die den moed
hebben een verklaring te doen tegen hun heer, den gevreesden Regent? En,
waagde hy een beschuldiging, _zonder die te kunnen bewyzen_, waar blyft
dan de verhouding van _ouder broeder_, die in zulk geval zyn _jongeren
broeder_ zonder grond zou hebben gekrenkt in zyn eer? Waar blyft de
gunst van de Regeering, die hem brood geeft voor dienst, maar hem dat
brood opzegt, hem ontslaan zou als onbekwaam, wanneer hy een zoo
hooggeplaatst persoon als een _Tommongong, Adhipatti_ of _Pangerang_ had
verdacht of aangeklaagd met ligtvaardigheid?
Neen, neen, gemakkelyk is die plicht niet! Dit blykt reeds hieruit, dat
de neiging der inlandsche Hoofden om de grens van 't geoorloofd
beschikken over arbeid en eigendom hunner onderhoorigen te overschryden,
overal volmondig erkend wordt ... dat alle adsistent-residenten den eed
doen die misdadige hebbelykheid te-keer te gaan, en ... dat toch slechts
_zeer_ zelden een Regent wordt aangeklaagd wegens willekeur of misbruik
van gezag.
Er schynt dus wel een byna-onoverkomelyke moeielykheid te bestaan, om
gevolg te geven aan den eed: "_de inlandsche bevolking te beschermen
tegen uitzuiging, en knevelary_."
ZESDE HOOFDSTUK
De kontroleur Verbrugge was een goed mensch. Als men hem daar zag zitten
in zyn blauw-lakenschen frak, met geborduurde eiken- en oranjetakken op
kraag en mouw-opslagen, was 't moeielyk in hem den type te miskennen die
voorheerscht onder de Hollanders in Indie ... een menschensoort, in 't
voorbygaan gezegd, die zeer onderscheiden is van de Hollanders in Holland.
Traag zoolang er niets te doen viel, en ver van de beredderingzucht die
in Europa voor yver geldt, maar yverig waar bezigheid noodig was ...
eenvoudig maar hartelyk voor wie tot zyn omgeving behoorden ...
mededeelzaam, hulpvaardig en gastvry ... welgemanierd zonder styfheid ...
vatbaar voor goede indrukken ... eerlyk en oprecht, zonder evenwel lust te
voelen de martelaar van deze hoedanigheden te worden ... in 't kort, hy
was een man die, zooals men 't noemt, overal op zyn plaats zou wezen,
zonder dat men echter op 't denkbeeld komen zou de eeuw naar hem te noemen,
wat hy dan ook niet begeerde.
Hy zat in 't midden van de _pendoppo_ by de tafel die met een wit kleed
bedekt, en met spyzen beladen was. Wel eenigszins ongeduldig vroeg hy
van-tyd tot-tyd, met de woorden der zuster van mevrouw Blauwbaard, aan
den _mandoor_-oppasser, dat is het hoofd van de policie- en
bureaudienaren der adsistent-residentie, of er niets in aantocht was?
Dan stond hy eens op, beproefde vergeefs zyn sporen te doen kletteren op
den gestampten kleivloer van de _pendoppo_, stak voor de twintigste maal
zyn sigaar aan, en ging, als te-leurgesteld, weer zitten. Hy sprak weinig.
En toch had hy kùnnen spreken, want hy was niet alleen. Ik bedoel
hiermee nu juist niet dat hy vergezeld was van de twintig of dertig
Javanen, bedienden, _mantries_ en oppassers die op den grond gehurkt in
en buiten de _pendoppo_ zaten, noch van de velen die aanhoudend uit-en
inliepen, noch van 't groot aantal inlanders van verschillenden rang,
dat daar buiten de paarden vasthield, of te-paard rondreed ... neen, de
Regent zelf van Lebak, _Radhen Adhipatti Karta Natta Nagara_, zat
tegenover hem.
Wachten is altyd vervelend. Een kwartier duurt een uur, een uur een
halven dag, en zoo voort. Verbrugge had wel wat spraakzamer mogen zyn.
De Regent van _Lebak_ was een beschaafd oud man, die over veel wist te
spreken met verstand en oordeel. Men had hem slechts aantezien om
overtuigd te wezen dat het meerendeel der Europeanen die met hem in
aanraking kwamen, meer van hem, dan hy van hen te leeren had. Zyn
levendige donkere oogen weerspraken door hun vuur de vermoeidheid der
trekken van zyn gelaat en de grysheid zyner haren. Wat hy zeide, was
gewoonlyk lang overdacht--een eigenaardigheid trouwens die by den
beschaafden Oosterling algemeen is--en wanneer men met hem in gesprek
was, gevoelde men dat men zyn woorden te beschouwen had als brieven,
waarvan hy de minuut in zyn archief had, om zoo noodig daarop te
verwyzen. Dit nu moge onaangenaam schynen voor wie niet gewoon is aan
den omgang met javaansche grooten, 't is niet moeielyk alle onderwerpen
van gesprek die aanstoot geven kunnen, te vermyden, vooral daar zy van
hùn kant nooit op bruske wyze aan den loop van 't onderhoud een andere
richting geven zullen, omdat dit naar oostersche begrippen in-stryd
wezen zou met den goeden toon. Wie dus oorzaak heeft het aanroeren van
een bepaald punt te vermyden, behoeft slechts over onbeduidende zaken te
spreken, en hy kan verzekerd zyn dat een javaansch hoofd hem niet, door
een onbegeerde wending in 't gesprek, zal voeren op een terrein dat hy
liever niet betrad.
Over de beste wijze van omgang met die hoofden, bestaan overigens
verschillende meeningen. Het komt my voor dat eenvoudige oprechtheid,
zonder streven naar diplomatische voorzichtigheid, de voorkeur
verdient.[22]
Hoe dit zy, Verbrugge begon met een banale opmerking over 't weêr en den
regen.
--Ja, mynheer de kontroleur, het is westmoesson.
Dit nu wist Verbrugge wel: men was in Januari.[23] Maar wat _hy_ over
den regen gezegd had, wist de Regent ook. Hierop volgde weder eenig
zwygen. De Regent wenkte met een nauw zichtbare beweging van 't hoofd,
een der bedienden die neergehurkt zaten aan den ingang der _pendoppo_.
Een kleine jongen, allerliefst gevat in een blauw-fluweelen buis, witten
pantalon, met gouden lyfband die zyn kostbaren _sarong_, vasthield om de
lenden, en op 't hoofd den behagelyken _kain kapala_, waaronder zyn
zwarte oogen zoo ondeugend te-voorschyn kwamen, kroop hurkende tot aan
de voeten des Regents, zette de gouden doos neder, die de tabak, de
kalk, de _sirie_, de _pinang_, en de _gambier_ bevatte, maakte den
_slamat_, door beide handen saamgevoegd opteheffen tot aan het diep
neergebogen voorhoofd, en bood daarop zyn heer de kostbare doos aan.[24]
--De weg zal moeielyk zyn na zooveel regen, zei de Regent, als om 't
lang wachten verklaarbaar te maken, terwyl hy een betelblad met kalk
bestreek.
--In 't _Pandeglangsche_ is de weg zoo slecht niet, antwoordde Verbrugge
die, als hy ten-minste niets stuitends wilde aanroeren, dit antwoord wel
wat ondoordacht gaf. Want hy had moeten bedenken dat een Regent van
_Lebak_ niet gaarne de wegen van _Pandeglang_ hoort roemen, al zyn die
dan ook werkelyk beter dan in 't _Lebaksche_.
De _Adhipatti_ beging de fout van een te snel antwoord niet. De kleine
_maas_[25] was reeds al hurkend achterwaarts teruggekropen tot aan den
ingang der _pendoppo_, waar hy onder zyn makkers plaats nam ... de
Regent had reeds zyn lippen en weinige tanden bruinrood geverwd met het
speeksel zyner _sirie_, voor hy zeide:
--Ja, er is veel volk in _Pandeglang_.
Voor wien den Regent en den kontroleur kende, voor wien de toestand van
_Lebak_ geen geheim was, had het duidelyk kunnen blyken dat het gesprek
reeds een stryd was geworden. Een toespeling namelyk op den beteren
staat der wegen in een naburige afdeeling, scheen het vervolg te wezen
op vergeefsche pogingen om ook in _Lebak_ dusdanige betere wegen te doen
aanleggen, of de bestaande beter te onderhouden. Doch hierin had de
Regent gelyk, dat _Pandeglang_ dichter bevolkt was, vooral in verhouding
tot de veel kleinere oppervlakte, en dat dus dáár de arbeid aan de
groote wegen, door vereende krachten ligter viel dan in 't _Lebaksche_,
een afdeeling die op honderde palen oppervlakte, slechts zeventigduizend
inwoners telde.
--Dat is waar, zei Verbrugge, we hebben weinig volk hier, maar ...
De _Adhipatti_ zag hem aan, als wachtte hy een aanval af. Hy wist dat er
na dat "maar" iets volgen kon, dat onaangenaam zou te hooren zyn voor
hem, die sedert dertig jaren Regent van _Lebak_ geweest was. Het scheen
dat Verbrugge op dit oogenblik geen lust had den stryd voorttezetten.
Althans hy brak 't gesprek af, en vroeg weder aan den _mandoor_-oppasser
of hy niets komen zag?
--Ik zie nog niets van den kant van _Pandeglang_, mynheer de kontroleur,
maar daar-ginds aan de andere zyde rydt iemand te-paard ... het is de
_toewan kommendaan_.
--Welzeker, _Dongso_, zei Verbrugge naar buiten starende, dat is de
kommandant! Hy jaagt in deze buurt, en is vanmorgen vroeg reeds
uitgegaan. Hé, Duclari ... Duclari!
--Hy hoort u al, mynheer, hy komt hierheen. Zyn jongen rydt achter hem,
met een _kidang_[26] achter zich over 't paard.
--_Pegang koedahnja toewan kommendaan_[27] gebood Verbrugge aan een der
bedienden die buiten zaten. Bonjour, Duclari! Ben je nat? Wat heb je
geschoten? Kom binnen!
Een krachtig man van dertigjarigen leeftyd en flinke militaire houding,
hoewel van uniform geen spoor was, trad de _pendoppo_ in. Het was de
eerste-luitenant Duclari, kommandant van 't kleine garnizoen te
_Rangkas-Betoeng_. Verbrugge en hy waren bevriend, en hun gemeenzaamheid
was te grooter, daar Duclari sedert eenigen tyd de woning van Verbrugge
betrokken had in afwachting der voltooiing van een nieuw fort. Hy drukte
dezen de hand, groette den Regent beleefd, en ging zitten onder de
vraag: "wel, wat heb je al zoo hier?"
--Wil je thee, Duclari?
--Wel neen, ik ben warm genoeg! Heb je geen klapperwater?[28] Dat is
frisscher.
--Dat laat ik je niet geven. Als men warm is, houd ik klapperwater voor
heel nadeelig. Je wordt er styf en jichtig van. Zie eens de koelies die
zware vrachten over de bergen dragen: zy houden zich vlug en lenig door
heet water te drinken, of _koppi dahoen_. Maar _gemberthee_[29] is nog
beter ...
--Wat? _Koppi dahoen_, thee van koffibladen? Dat heb ik nog nooit
gezien.
--Omdat je niet op Sumatra gediend hebt. Daar is 't de gewoonte.
--Laat me dan maar thee geven ... maar niet van koffibladen, en ook niet
van gember. Ja, je bent op Sumatra geweest ... en de nieuwe
adsistent-resident ook, niet waar?
Dit gesprek werd in 't hollandsch gevoerd, een taal die de Regent niet
verstond. Hetzy Duclari gevoelde dat er iets onbeleefds in lag, hem
hierdoor van 't onderhoud uittesluiten, hetzyd-i hiermee een andere
bedoeling had, op-eenmaal ging hy, zich tot den Regent wendende, in 't
maleisch voort:
--Weet mynheer de _Adhipatti_, dat m'nheer de kontroleur den nieuwen
adsistent-resident kent?
--Wel neen, dát heb niet gezegd, ik heb hem nooit gezien. Hy diende
eenige jaren vóór my op Sumatra. Ik heb je maar gezegd dat ik daar veel
over hem heb hooren spreken, anders niet!
--Nu, dit komt op 'tzelfde neer. Men behoeft iemand juist niet te zien
om hem te kennen. Hoe denkt m'nheer de _Adhipatti_ hierover?
De _Adhipatti_ had juist noodig een bediende te roepen. Er verliep dus
wat tyd voor hy zeggen kon: "dat hy met den heer kommandant instemde,
maar dat het toch dikwyls noodig was iemand te zien voor men hem
beoordeelen kon."
--Over 't geheel genomen is dit misschien waar, ging nu Duclari in 't
hollandsch voort--hetzy omdat deze taal hem gemeenzamer was en hy meende
genoeg gedaan te hebben voor de beleefdheid, hetzy omdat hy alleen door
Verbrugge verstaan wilde worden--dit moge in 't algemeen waar zyn, maar
omtrent Havelaar heeft men waarachtig geen persoonlyke kennismaking
noodig ... hy is een gek!
--Dat heb ik niet gezegd, Duclari!
--Neen, jy hebt dat niet gezegd, maar ik zeg het na al wat je my van hem
verteld hebt. Ik noem iemand die in 't water springt om een hond te
redden van de haaien, een gek.
--Nu ja, verstandig is 't zeker niet. Maar ...
--En, hoor eens, dat versje tegen den generaal Vandamme ... 't kwam niet
te-pas!
--'t Was geestig ...
--Tot je dienst! Maar een jong mensch mag niet geestig zyn tegen een
generaal.
--Je moet in 't oog houden dat hy nog zeer jong was ... het is veertien
jaar geleden. Hy was toen maar twee-en-twintig jaar oud.
--En dan de kalkoen dien hy stal!
--Dat deed hy om den generaal te plagen.
--Juist! Een jong mensch mag geen generaal plagen, die bovendien, als
civiel gouverneur, zyn chef was. Dat andere versje vind ik aardig, maar
... dat eeuwige duelleeren!
--Hy deed het gewoonlyk voor een ander. Hy trok altyd party voor den
zwakste.
--Wel laat ieder voor zichzelf duelleeren, als men het dan volstrekt
doen wil! Ik voor my geloof dat een duel zelden noodig is. Waar 't
onvermydelyk was, zou ook ik een uitdaging aannemen, en in zekere
gevallen zelf uitdagen, maar om daarvan dagelyksch werk te maken ...
dank je! Het is te hopen dat hy veranderd is op dit punt.
--Wel zeker, daar is geen twyfel aan! Hy is nu zooveel ouder, daarby
sedert langen tyd getrouwd, en adsistent-resident. Bovendien, ik heb
altyd gehoord dat zyn hart goed was, en dat hy een warm gevoel had
voor recht.
--Nu, dat zal hem te-pas komen in _Lebak_! Daar is me juist iets
voorgekomen, dat ... zou de Regent ons verstaan?
--Ik geloof 't niet. Maar toon my iets uit je weitasch, dan denkt hy dat
we dáárover spreken.
Duclari nam zyn weitasch, haalde daaruit een paar boschduiven, en die
vogels betastende als sprak hy over de jacht, deelde hy Verbrugge mede
dat hy zoo-even in 't veld was nageloopen door een Javaan, die hem
gevraagd had of hy niet iets doen kon tot verligting van den druk
waaronder de bevolking zuchtte?[30]
--En, ging hy voort, dit is zeer sterk, Verbrugge! Niet dat ik me
verwonder over de zaak zelf. Ik ben lang genoeg in 't Bantamsche om te
weten wat hier voorvalt, maar dat de geringe Javaan, gewoonlyk zoo
omzichtig en terughoudend waar 't zyn hoofden geldt, zoo-iets vraagt
aan iemand die er niets mee te maken heeft, dit bevreemdt my!
--En wat heb je geantwoord, Duclari?
--Wèl, dat het me niet aanging! Dat hy tot u moest gaan, of tot den
nieuwen adsistent-resident, als die zou aangekomen zyn te
_Rangkas-Betoeng_, en dáár zyn klachten uiten.
--_Ienie apa toewan-toewan datang!_ riep op-eenmaal de oppasser
_Dongso_. Ik zie een _mantrie_ die met zyn _toedoeng_ wuift.[31]
Allen stonden op. Duclari, die niet door zyn tegenwoordigheid in de
_pendoppo_ den schyn wilde aannemen als ware ook hy aan de grenzen ter
verwelkoming van den adsistent-resident, die wel zyn meerdere doch niet
zyn chef, en bovendien een gek was, steeg te-paard, en reed door zyn
bediende gevolgd, heen.
De _Adhipatti_ en Verbrugge stelden zich aan den ingang van de
_pendoppo_, en zagen een door vier paarden getrokken reiswagen naderen,
die weldra vry bemodderd by 't bamboezen gebouwtje stilhield.
Het zou moeielyk geweest zyn te raden wat er zich al zoo in dien wagen
bevond, voor _Dongso_, geholpen door de loopers en een tal van bedienden
die tot het gevolg van den Regent behoorden, al de riemen en knoopsels
hadden losgemaakt, die het voertuig hielden ingesloten met een zwart
lederen foedraal dat aan de diskretie herinnerde, waarmee in vroeger
jaren leeuwen en tygers de stad inkwamen, toen de zoölogische tuinen nog
reizende dierenspellen waren. Leeuwen of tygers nu waren er in den wagen
niet. Men had alles maar zoo zorgvuldig gesloten omdat het westmoesson
was, en men dus op regen moest bedacht zyn. Nu is 't uitstappen uit een
reiswagen waarin men lang over den weg gehotst heeft, niet zoo gemakkelyk
als iemand die nooit of weinig gereisd heeft, zich verbeelden zou.
Nagenoeg als de arme _Sauriers_ uit de voorwereld, die door lang wachten
ten-laatste een integreerend deel uitmaken van de klei, waarin ze
aanvankelyk niet gekomen waren met het plan om er te blyven, heeft er ook
by reizigers die wat nauw op-één gedrukt en in gedwongen houding, te lang
in een reiswagen gezeten hebben, iets plaats, wat ik u voorstel
_assimilatie_ te noemen. Men weet eindelyk niet juist meer waar 't
lederen kussen van den wagen ophoudt, en waar de ikheid aanvangt, ja, het
denkbeeld is me niet vreemd dat men in zulk een wagen kiespyn of kramp
hebben kan, die men voor mot in 't laken aanziet, of omgekeerd.
Er zyn weinig omstandigheden in de stoffelyke wereld, die den denkenden
mensch geen aanleiding geven tot het maken van opmerkingen op
verstandelyk gebied, en zoo heb ik myzelf dikwyls afgevraagd of niet
veel dwalingen die onder ons kracht van wet hebben, veel "scheefheden"
die wy voor "recht" houden, hieruit voortvloeien, dat men te lang met
hetzelfde gezelschap in denzelfden reiswagen heeft gezeten? Het been dat
ge daar links uitsteken moest, tusschen de hoededoos en 't mandje met
kersen ... de knie die ge tegen 't portier gedrukt hield, om de dame
tegenover u niet te doen denken dat ge een aanval in den zin hadt op
krinoline of deugd ... de gelikdoornde voet die zoo bang was voor de
hakken van den _commis-voyageur_ naast u ... de hals dien ge zoo lang
links moest wenden, omdat het drupt aan de rechterzyde.. zie, dat worden
zoo alle ten-laatste halzen, en knieën, en voeten, die iets verdraaids
bekomen. Ik houd het voor goed, van tyd tot-tyd eens te wisselen van
wagens, zitplaats en medereizigers. Men kan dan zyn hals eens anders
wenden, men beweegt nu-en-dan zyn knie, en misschien zit er eens een
juffrouw naast ons met dansschoenen, of een jongetje wiens beentjes den
grond niet raken. Men heeft dan meer kans om _recht_ te zien en _recht_
te loopen, zoodra men weer vasten grond onder de voeten krygt.
Of er ook in den wagen, die nu voor de _pendoppo_ stilhield, zich iets
verzette tegen de "oplossing der continuiteit" weet ik niet, maar zeker
is 't dat het lang duurde voor er iets te voorschyn kwam. Er scheen een
stryd van hoffelykheid gevoerd te worden. Men vernam de woorden: "als 't
u belieft, mevrouw!" en "resident!" Hoe dit zy, eindelyk stapte er een
heer uit, die in houding en voorkomen wel iets vertoonde dat denken deed
aan de Sauriers waarvan ik zoo-even gesproken heb. Daar wy hem later
zullen weerzien, wil ik u maar terstond zeggen dat zyn onbewegelykheid
niet uitsluitend moest geweten worden aan de assimilatie met den
reiswagen, want dat hy, ook als er op mylen afstands geen voertuig in de
buurt was, een kalmte, een langzaamheid en een voorzichtigheid aan den
dag leî, die menigen Saurier jaloersch maken zou, en die in de oogen van
velen de kenmerken zyn van deftigheid, bezadigdheid en wysheid. Hy was,
zooals de meeste Europeanen in Indie, zeer bleek, hetgeen echter in die
streken geenszins voor een blyk van minder goede gezondheid wordt
gehouden, en hy had fyne trekken die wel getuigden van verstandelyke
ontwikkeling. Alleen was er iets kouds in zyn blik, iets wat u denken
deed aan een logarithmentafel, en hoewel zyn voorkomen over 't geheel
niet onbehagelyk of terugstootend was, kon men zich toch niet onthouden
van de verdenking dat zyn vry groote magere neus zich op dat gelaat
verveelde, omdat er zoo weinig op voorviel.
Met beleefdheid bood hy zyn hand aan een dame, om haar by het uitstygen
behulpzaam te zyn, en nadat deze van een heer die nog in den wagen zat,
een kind had aangenomen, een klein blond jongetje van een jaar of drie,
traden zy de _pendoppo_ in. Daarop volgde die heer zelf, en wien op Java
bekend was, zou het als een byzonderheid in 't oog gevallen zyn, dat hy
by 't portier wachtte om 't uitstygen gemakkelyk te maken aan een oude
javaansche _baboe_.[32] Een drietal bedienden hadden zichzelf verlost
uit het wasleêren kastje, dat achter den wagen was vastgeplakt als een
jonge oester op den rug van zyn mama.
De heer die het eerst was uitgestegen, had den Regent en den kontroleur
Verbrugge de hand geboden, die zy met eerbied aannamen, en in hun
geheele houding was te bespeuren dat zy gevoelden zich in de
tegenwoordigheid te bevinden van een gewicht persoon. Het was de
resident van _Bantam_, de groote landstreek waarvan _Lebak_ een
afdeeling, een regentschap, of, zooals men officieel zegt, een
_adsistent-residentie_ is.
By 't lezen van verdichte verhalen, heb ik my meermalen geërgerd over
den weinigen eerbied der schryvers voor den smaak van 't publiek, en
vooral was dit het geval, waar zy blyk gaven iets te willen voortbrengen
dat koddig of burlesk heeten moest, om nu niet van _humor_ te spreken,
een eigenaardigheid die byna doorgaande allerjammerlykst wordt verward
met het _komieke_. Men voert een persoon sprekende in, die de taal niet
verstaat of slecht uitspreekt, men laat een franschman zeggen: "ka kauw
na de krote krak" of "krietje kooit keen kare kroente kraak wek."
By-gebrek aan een franschman, neemt men iemand die stamelt, of men
"schept" een persoon die zyn stokpaardje maakt van een paar telkens
wederkeerende woorden. Ik heb een allerzotste vaudeville zien
"réusseeren" omdat daarin iemand voorkwam, die gedurig zeide: "_myn naam
is Meyer_." My komen zulke geestigheden wat goedkoop voor, en, om de
waarheid te zeggen, ik ben boos op u als ge zoo-iets grappig vindt.
Maar nu heb ikzelf u iets dergelyks voortestellen. Ik moet van-tyd
tot-tyd iemand ten-tooneele voeren--ik zal 't zoo weinig mogelyk
doen--die inderdaad een manier van spreken had, welke my doet vreezen
verdacht te worden van een mislukte poging om u te doen lachen, en
hierom moet ik u uitdrukkelyk verzekeren dat het niet _myn_ schuld is,
als de hoogstdeftige resident van Bantam, van wien hier de rede is, iets
zóó eigenaardigs vertoonde in zyn wyze van spreken, dat het me moeielyk
valt dat weertegeven, zonder den schyn op me te laden dat ik effekt van
geestigheid zoek in een _tic_. Hy sprak namelyk op een toon, alsof
achter elk woord een punt stond, of zelfs een lang rustteeken, en ik kan
de ruimte tusschen zyn woorden niet beter vergelyken dan by de stilte
die er volgt op het "amen" na een lang gebed in de kerk, hetwelk zooals
ieder weet, een sein is dat men den tyd heeft tot verzitten, hoesten of
neussnuiten. Wat hy zeide, was gewoonlyk goed overdacht, en wanneer hy
zich die ontydige rustpunten had kunnen afwennen, zouden zyn zinsneden,
uit een redekunstig oogpunt althans, meestal een gezond aanzien gehad
hebben. Maar al dat afbrokkelen, dat stooterige en hobbelige, maakte het
aanhooren lastig. Men viel er dan ook dikwyls over. Want gewoonlyk, als
men begonnen was te antwoorden in de goedige meening dat de zin uit was,
en dat hy de aanvulling van 't ontbrekende aan de scherpzinnigheid van
zyn toehoorder overliet, kwamen de nog ontbrekende woorden als
_trainards_ van een geslagen leger achteraan, en deden u gevoelen dat ge
hem in de rede waart gevallen, wat altyd onaangenaam is. Het publiek der
hoofdplaats _Serang_, voor-zoo-ver men niet in dienst stond van 't
gouvernement--een verhouding die den meesten iets omzichtigs
geeft--noemde zyn gesprekken "slymerig." Ik vind dit woord niet zeer
smaakvol, doch moet erkennen dat het de hoofdeigenschap van des
residents welsprekendheid vry juist uitdrukte.
Ik heb van Max Havelaar en zyn vrouw--want dit waren de beide personen
die na den resident met hun kind en de _baboe_ uit den wagen gekomen
waren--nog niets gezegd, en misschien ware het voldoende, de
kenschetsing van hun voorkomen en karakter aan den loop der
gebeurtenissen en des lezers eigen verbeelding overtelaten. Daar ik
evenwel nu eenmaal aan 't beschryven ben, wil ik u zeggen dat mevrouw
Havelaar niet schoon was, dat zy echter in blik en spraak iets zeer
lieftalligs bezat, en door de gemakkelyke ongedwongenheid van haar
manieren het onmiskenbaar teeken gaf, dat zy in de wereld was geweest,
en in de hoogere klassen der maatschappy te-huis behoorde. Zy had niet
dat styve en onbehagelyke van 't burgerlyk fatsoen dat, om voor
"gedistingeerd" doortegaan, zich en anderen meent te moeten plagen met
_gêne_, en ze hechtte dan ook niet aan veel uiterlyks wat voor sommige
andere vrouwen waarde schynt te hebben. Ook in haar kleeding was zy een
voorbeeld van eenvoudigheid. Een wit _baadjoe_ van moesselien, met
blauwe _cordelière_--ik geloof dat men in Europa zulk een kleedingstuk
_peignoir_ noemen zou--was haar reiskleed. Om den hals had zy een dun
zyden koordje, waaraan twee kleine medaljons, die ge echter niet te zien
kreegt, daar ze verscholen waren in de plooien voor hare borst.
Overigens, de haren _à la chinoise_, en een kransje _melatti_ in den
_kondeh_ ... ziedaar al haar toilet.[33]
Ik zeide dat ze niet schoon was, en toch wilde ik niet gaarne dat ge
haar voor het tegendeel hieldt. Ik hoop dat ge haar schoon vinden zult,
zoodra ik gelegenheid zal hebben haar voortestellen, gloeiend van
verontwaardiging over wat zy de "miskenning van 't genie" noemde, als
haar aangebeden Max in 't spel was, of wanneer haar een denkbeeld
bezielde, dat in-verband stond met het welzyn van haar kind. Te dikwyls
reeds is er gezegd dat het gelaat de spiegel der ziel is, om nog prys te
stellen op de portretwaarde van een onbewegelyk gezicht, dat niets heeft
aftespiegelen omdat er geen ziel in weerschynt. Welnu, _zy_ had een
schoone ziel, en wel moest men blind zyn, om niet ook haar gelaat voor
schoon te houden als die ziel daarop te lezen stond.
Havelaar was een man van vyf-en-dertig jaren. Hy was slank, en vlug in
zyn bewegingen. Buiten zyn korte en bewegelyke bovenlip, en zyn groote
flauw-blauwe oogen die, als hy in kalme stemming was, iets droomerigs
hadden, maar vuur schoten als een groot denkbeeld hem beheerschte, viel
er in zyn voorkomen niets byzonders optemerken. Zyn blonde haren hingen
sluik langs de slapen, en ik begryp zeer goed dat weinigen, hem voor 't
eerst ziende, op het denkbeeld komen zouden iemand voor zich te hebben,
die wat hoofd en hart beide aangaat tot de zeldzaamheden behoorde. Hy
was een "vat vol tegenstrydigheids." Scherp als een vlym, en zacht als
een meisje, voelde hyzelf altyd het eerst de wonde die zyn bittere
woorden geslagen hadden, en hy leed daaronder meer dan de gekwetste. Hy
was vlug van begrip, vatte terstond het hoogste, het ingewikkeldste,
speelde gaarne met de oplossing van moeielyke vragen, had daarvoor alle
moeite, alle studie, alle inspanning veil ... en dikwyls toch begreep hy
de eenvoudigste zaak niet, die een kind hem had kunnen uitleggen. Vol
liefde voor waarheid en recht, verwaarloosde hy menigmaal zyn
eenvoudigste naastbyliggende verplichtingen, om een onrecht te
herstellen dat hooger of verder of dieper lag, en dat door de
vermoedelyk grootere inspanning van den stryd hem meer aanlokte. Hy was
ridderlyk en moedig, maar verspilde, als die andere Don Quichot, zyn
dapperheid dikwyls op een windmolen. Hy gloeide van onverzadelyke
eerzucht die hem alle gewone onderscheiding in 't maatschappelyk leven,
als nietig deed voorkomen, en toch stelde hy zyn grootst geluk in een
kalm huiselyk vergeten leven. Dichter in den hoogsten zin van 't woord,
droomde hy zich zonnestelsels by een vonk, bevolkte die met schepsels
van zyn maaksel, voelde zich heer van een wereld die hyzelf had in 't
leven geroepen ... en kon toch zeer goed terstond daarop zonder de
minste droomery een gesprek voeren over den prys van de ryst, de regels
der taal, of de oekonomische voordeelen eener egyptische hoenderbroeiery.
Geen wetenschap was hem geheel vreemd. Hem _ahnde_ wat hy niet wist, en
hy bezat in hooge mate de gaaf om 't weinige dat hy wist--ieder weet
weinig, en hy, misschien meer wetende dan sommige anderen, maakte op dezen
regel geen uitzondering--om dat weinige aantewenden op een wys die de maat
zyner kennis vermenigvuldigde. Hy was stipt en ordelyk, en daarby
buitengewoon geduldig, doch juist omdat stiptheid, orde en geduld hem
moeielyk vielen, daar zyn geest iets wilds had. Hy was langzaam en
omzichtig in 't beoordeelen van zaken, hoewel dit niet zoo scheen aan wie
hem zoo haastig zyn slotsommen hoorden uiten. Zyn indrukken waren te
levendig, dan dat men ze voor duurzaam houden durfde, en toch bewees hy
dikwyls dat ze duurzaam waren. Al wat groot en verheven was, lokte hem
aan, en tegelyker-tyd was hy onnoozel en naïf als een kind. Hy was eerlyk,
vooral waar eerlykheid in 't grootmoedige overging, en zou honderden die
hy schuldig was, onbetaald laten omdat hy duizenden had weggeschonken.
Hy was geestig en onderhoudend wanneer hy gevoelde dat zyn geest begrepen
werd, maar anders stug en teruggetrokken. Hartelyk voor zyn vrienden,
maakte hy--wat te snel soms--zyn vriend van al wat leed. Hy was gevoelig
voor liefde en aanhankelykheid ... trouw aan zyn gegeven woord ... zwak
in kleinigheden, maar standvastig tot hoofdigheid toe, waar 't hem de
moeite waard scheen karakter te toonen ... nederig en welwillend voor
wie zyn geestelyk overwicht erkenden, doch lastig wanneer men poogde
zich daartegen te verzetten ... rondborstig uit trots, en by vlagen
achterhoudend, waar hy vreesde dat men zyn oprechtheid zou aanzien voor
onverstand ... evenzeer vatbaar voor zinnelyk als voor geestelyk genot
... beschroomd en slecht bespraakt waar hy meende niet begrepen te
worden, maar welsprekend als hy gevoelde dat zyn woorden op willigen
bodem vielen ... traag als hy niet werd aangespoord door eenigen prikkel
die voortkwam uit zyn eigen ziel, maar yverig, vurig, en doortastend
waar dit wel het geval was ... voorts, vriendelyk, beschaafd in zyn
manieren, en onberispelyk van gedrag: ziedaar nagenoeg Havelaar!
Ik zeg: nagenoeg. Want indien reeds alle bepalingen moeyelyk zyn, geldt
dit vooral van de beschryving van een persoon die zeer ver van den
dagelykschen grondvorm afwykt. Het zal dan ook wel hierom wezen, dat
romandichters hun helden gewoonlyk tot duivels of engelen maken. Zwart
of wit laat zich gemakkelyk schilderen, maar moeielyker is 't juist
weergeven van schakeeringen die daartusschen liggen, wanneer men aan
waarheid gebonden is en dus noch te donker noch te licht mag kleuren.
Ik gevoel dat de schets die ik van Havelaar trachtte te geven, hoogst
onvolkomen is. De bouwstoffen die voor me liggen, zyn van zoo
uiteenloopenden aard, dat ze my door overmaat van rykdom in myn oordeel
belemmeren, en ik zal dus wellicht daarop, onder het ontwikkelen der
gebeurtenissen die ik wensch meetedeelen, ter-aanvulling terugkomen.
Dit is zeker, hy was een ongewoon mensch, en wel de moeite van 't
bestudeeren waardig. Ik bemerk nu reeds dat ik verzuimd heb als een
zyner hoofdtrekken optegeven, dat hy de belachelyke en de ernstige zyde
der dingen met dezelfde snelheid en te-gelykertyd opvatte, aan welke
eigenschap zyn wyze van spreken, zonder dat hyzelf dit wist, een soort
van _humor_ ontleende, die zyn toehoorders gedurig in twyfel bracht, of
ze getroffen waren door 't diep gevoel dat in zyn woorden heerschte, of
dat ze te lachen hadden over de koddigheid die op-eenmaal den ernst
daarvan afbrak.
Opmerkelyk was 't dat zyn voorkomen, en zelfs zyn aandoeningen, zoo
weinig sporen droegen van zyn doorgebracht leven. Het roemen op
ondervinding is een belachelyke gemeenplaats geworden. Er zyn lieden die
vyftig of zestig jaren lang meedreven met het stroompje, waarin ze
beweren te zwemmen, en die van al dien tyd weinig anders zouden kunnen
verhalen dan dat ze verhuisd zyn van de A-gracht naar de B-straat. Niets
is gewoner dan op ervaring te hooren bogen, juist door hen die hun gryze
haren zoo gemakkelyk verkregen. Anderen weer meenen hun aanspraken op
ondervinding te mogen gronden op werkelyk ondergane lotwisseling, zonder
dat echter uit iets blykt dat ze door die veranderingen werden
aangegrepen in hun zieleleven. Ik kan me voorstellen dat het bywonen, of
ondergaan zelfs, van gewichtige gebeurtenissen weinig of geen invloed
heeft op zeker soort van gemoederen, die niet zyn toegerust met de
vatbaarheid om indrukken optevangen en te verwerken. Wie hieraan
twyfelt, vrage zich af of men ondervinding zou mogen toekennen aan al de
bewoners van Frankryk, die veertig of vyftig jaren oud waren in 1815? En
zy allen waren toch personen die 't belangryk drama dat in 1789 aanving,
hadden zien opvoeren niet alleen, maar die zelfs in meer of min
gewichtige rol, dat drama hadden meegespeeld.
En, omgekeerd, hoe velen ondergaan een reeks van aandoeningen, zonder
dat de uiterlyke omstandigheden hiertoe schenen aanleiding te geven. Men
denke aan de Crusoë-romans, aan Silvio Pellico's gevangenschap, aan 't
allerliefste _Picciola_ van Saintine, aan den stryd in de borst eener
"oude vryster" die haar geheel leven door, één liefde koesterde, zonder
ooit door een enkel woord te verraden wat er omging in haar hart, aan de
aandoeningen van den menschenvriend die, zonder uiterlyk in den loop der
gebeurtenissen betrokken te zyn, vurig belang stelt in 't welzyn van
medeburger of medemensch. Men stelle zich voor, hoe hy beurtelings hoopt
en vreest, hoe hy elke verandering gadeslaat, zich opwindt voor een
schoon denkbeeld, en gloeit van verontwaardiging, als hy het ziet
wegdringen en vertrappen door de velen die, voor een oogenblik althans,
sterker waren dan schoone denkbeelden. Men denke aan den wysgeer die van
uit zyn cel aan 't volk tracht te leeren wat waarheid is, als hy bemerken
moet dat zyn stem overschreeuwd wordt door piëtistische huichelary of
gewinzoekende kwakzalvers. Men stelle zich Sokrates voor--niet als hy den
gifbeker ledigt, want ik bedoel hier de ondervinding van 't gemoed, en
niet die welke rechtstreeks door uiterlyke omstandigheden veroorzaakt
wordt--hoe bitter bedroefd zyn ziel moet geweest zyn, toen hy die 't goede
en ware zocht, zich hoorde noemen "een bederver der jeugd en een verachter
der goden."
Of beter nog: men denke aan Jezus, waar hy zoo treurig staart op
Jeruzalem, en zich beklaagt "dat het niet gewild heeft."
Zulk een kreet van smart--vóór gifbeker of kruishout--vloeit niet uit
een ongedeerd hart. Dáár moet geleden zyn, veel geleden, daar is
_ondervonden_!
Deze tirade is me ontsnapt ... ze staat er nu eenmaal, en blyve.
Havelaar had veel ondervonden. Wilt ge iets dat opweegt tegen de
verhuizing van de A-gracht! Hy had schipbreuk geleden, meer dan eens. Hy
had brand, oproer, sluikmoord, oorlog, duëllen, weelde, armoede, honger,
cholera, liefde en "liefden" in zyn dagboek staan. Hy had vele landen
bezocht, en omgang gehad met lieden van allerlei ras en stand, zeden,
vooroordelen, godsdienst en gelaatskleur.
Wat dus de levensomstandigheden aangaat, _kon_ hy veel ondervonden
hebben. En dat hy werkelyk veel ondervonden hàd, dat hy 't leven niet
was doorgegaan zonder de indrukken _optevangen_ die 't hem zoo
ruimschoots aanbood, daarvoor moge ons de vlugheid van zyn geest borg
wezen, en de ontvankelykheid van zyn gemoed.
Dit nu wekte verwondering van allen die wisten of gissen konden hoeveel
hy had bygewoond en geleden, dat hiervan zoo weinig op zyn gelaat te
lezen was. Wel sprak er uit zyn trekken iets als vermoeienis, doch dit
deed eer denken aan vroegrype jeugd dan aan naderenden ouderdom. En
naderende ouderdom had het toch moeten zyn, want in Indiën is de man van
vyfendertig jaar niet jong meer.
Ook zyn aandoeningen, zeide ik, waren jong gebleven. Hy kon spelen met
een kind, en als een kind, en meermalen klaagde hy dat "kleine Max" nog
te jong was om vliegers optelaten, omdat hy "de groote Max" daarvan
zoveel hield. Met jongens sprong hy "haasjen-over" en hy teekende heel
gaarne een patroon voor 't borduurwerk van de meisjes. Zelfs nam hy
dezen meermalen de naald uit de hand, en vermaakte zich met dat werk,
ofschoon hy dikwyls zei dat ze wel wat beters konden dan dat "machinale
steken tellen." By jongelieden van achttien jaren was hy een jong
student, die gaarne zyn _Patriam canimus_ zong, of _Gaudeamus igitur_
... ja, ik ben niet geheel zeker, dat hy niet nog zeer kort geleden,
toen hy met verlof te Amsterdam was, een uithangbord heeft afgebroken,
dat hem niet behaagde omdat er een neger op geschilderd was, geboeid aan
de voeten van een Europeaan met een lange pyp in den mond, en waaronder
natuurlyk te lezen stond: _de rookende jonge koopman_.
De _baboe_ die hy uit den wagen had geholpen, geleek op alle baboes in
Indie, als ze oud zyn. Wanneer ge deze soort van bedienden kent, behoef
ik u niet te zeggen hoe zy er uitzag. En als gy ze niet kent, kan ik het
u niet zeggen. Dit alleen onderscheidde haar van andere kindermeiden in
Indie, dat ze zeer weinig te doen had. Want mevrouw Havelaar was een
voorbeeld van zorg voor haar kind, en wat er voor of met de kleine Max
te doen viel, deed zyzelf, tot groote verwondering van veel andere
dames, die niet goedkeurden dat men zich maakte tot "slavin van zyn
kinderen."
ZEVENDE HOOFDSTUK
De resident van _Bantam_ stelde den Regent en den kontroleur aan den
nieuwen adsistent-resident voor. Havelaar begroette beide beambten
hoffelyk. Den kontroleur--er is altyd iets pynlyks in de ontmoeting van
een nieuwen chef--zette hy door eenige vriendelyke woorden op zyn gemak,
als wilde hy terstond reeds een soort van gemeenzaamheid invoeren, die
't verkeer zou gemakkelyk maken. Met den Regent was zyn ontmoeting
zooals dit behoorde met een persoon die den gouden _pajong_ voert[34]
maar die te-gelykertyd zyn "jonger broeder" wezen zou. Met deftige
minzaamheid berispte hy hem over zyn te vurigen dienstyver, die in zùlk
een weder hem tot aan de grenzen zyner afdeeling gevoerd had, 'tgeen dan
ook de Regent, strikt genomen volgens de regelen der etikette, niet had
behoeven te doen.
--Waarlyk, mynheer de _Adhipatti_, ik ben boos op u dat ge u zooveel
moeite gegeven hebt om-mynentwil! Ik dacht u eerst te _Rangkas-Betoeng_
aantetreffen.
--Ik wenschte den heer adsistent-resident zoo spoedig mogelyk te zien om
vriendschap te sluiten, zei de _Adhipatti_.
--Zeker, zeker, ik voel me zeer vereerd! Maar ik zie niet gaarne iemand
van uw rang en uw jaren zich al te veel inspannen. En te-paard nogal!
--Ja, mynheer de adsistent-resident! Waar de dienst me roept, ben ik nog
altyd vlug en sterk.
--Dit is te veel van uzelf gevergd! Niet waar, resident?
--De heer _Adhipatti_. Is. Zeer.
--Goed, maar er is een grens.
--Yverig, sleepte de resident achterna.
--Goed, maar er is een grens, moest Havelaar nogeens zeggen, als om 't
vorige terugteslikken. Als u 't goed vindt, resident, zullen we plaats
in den wagen maken. De _baboe_ kan hier blyven, we zullen haar een
_tandoe_[35] zenden van _Rangkas-Betoeng_. Myn vrouw neemt Max op den
schoot ... niet waar, Tine? En dan is er plaats genoeg.
--Het. Is. My.
--Verbrugge, we zullen ook u passage geven, ik zie niet in ...
--Wèl! zei de resident.
--Ik zie niet in waarom ge zonder noodzaak te-paard door den modder
zoudt klepperen ... er is plaats genoeg voor ons allen. We kunnen dan
met-een terstond kennis maken. Niet waar, Tine, we zullen ons wel
schikken? Hier, Max ... kyk eens, Verbrugge, is dat niet een aardig
kereltje? Dat is myn kleine jongen ... dat is Max!
De resident had met den _Adhipatti_ in de _pendoppo_ plaats genomen.
Havelaar riep Verbrugge om hem te vragen wien die schimmel behoorde met
roode schabrak? En toen Verbrugge naar den ingang van de _pendoppo_
trad, om te zien welk paard hy bedoelde, legde hy dezen de hand op den
schouder, en vroeg:
--Is de Regent altyd zoo dienstyverig?
--'t Is een kras man voor zyn jaren, m'nheer Havelaar, en u begrypt dat
hy gaarne een goeden indruk op u maken zou.
--Ja, dat begryp ik. Ik heb veel goeds van hem gehoord ... hy is
beschaafd, niet waar?
--O ja ... En hy heeft een groote familie?
Verbrugge zag Havelaar aan, als begreep hy dezen overgang niet. Dit was
dan ook, voor wie hem niet kende, dikwyls moeielyk. De vlugheid van zyn
geest deed hem in gesprekken meermalen eenige schakels der redeneering
overslaan, en hoe geleidelyk ook deze overgang plaats vond in _zyn_
gedachten, was het toch iemand die minder vlug was, of niet gewoon aan
zyn vlugheid, niet euvel te duiden wanneer men by zulk een gelegenheid
hem aanstaarde met de onuitgesproken vraag op de lippen: ben je gek ...
of hoe is het?
Zoo-iets lag er dan ook in de trekken van Verbrugge, en Havelaar moest
de vraag herhalen, vóór hy antwoordde:
--Ja, hy heeft een zeer uitgebreide familie.
--En zyn er _Medjiets_ in aanbouw in de afdeeling? ging Havelaar voort,
alweer op een toon die, geheel in tegenspraak met de woorden zelf,
scheen aanteduiden dat er verband bestond tusschen die _moskeën_ en de
"groote familie" van den Regent.
Verbrugge antwoordde dat er werkelyk veel aan moskeën gearbeid werd.
--Ja, ja, dat wist ik wel! riep Havelaar. En zeg me nu eens, of er veel
achterstand is in de betaling van de landrenten?
--Ja, dat kon wel beter zyn ...
--Juist, en vooral in het distrikt _Parang-Koedjang_, zei Havelaar, als
vond hy 't makkelyker zelf te antwoorden. Hoe hoog is de aanslag van dit
jaar? ging hy voort, en bemerkende dat Verbrugge eenigszins weifelde,
als om zich op 't antwoord te bezinnen, voorkwam hem Havelaar, die in
één adem aldus vervolgde:
--Goed, goed, ik weet het al ... zes-en-tachtig duizend en eenige
honderden ... vyftien duizend meer dan in 't vorige jaar ... doch maar
zesduizend boven '45. We zyn sedert '43 maar achtduizend vooruit
gegaan ... en ook de bevolking is zeer schraal ... nu ja, Malthus! In
twaalf jaar zyn we maar elf procent gestegen, en dit is nog de vraag,
want de tellingen waren vroeger zeer onnauwkeurig ... en nog! Van '50 op
'51 is er zelfs een teruggang. Ook de veestapel gaat niet vooruit ...
dat is een slecht teeken, Verbrugge![36] Wat drommel, zie dat paard eens
springen, ik geloof dat het koldert ... kom eens kyken, Max!
Verbrugge bemerkte dat hy den nieuwen adsistent-resident weinig zou te
leeren hebben, en dat er geen kwestie was van overwicht door "lokale
ancienneteit" wat de goede jongen dan ook niet begeerd had.
--Maar 't is natuurlyk, ging Havelaar voort, terwyl hy Max op den arm
nam. In het _Tjikandische_ en _Bolangsche_ zyn ze er heel bly om ... en
de opstandelingen in de _Lampongs_ ook.[37] Ik beveel me zeer aan voor
uw medewerking, m'nheer Verbrugge! De Regent is een man van jaren, en
dus moeten we ... zeg eens, is zyn schoonzoon nog altyd distriktshoofd?
Alles saamgenomen houd ik hem voor een persoon die inschikkelykheid
verdient ... de Regent, meen ik. Ik ben zeer bly dat hier alles zoo
achterlyk en armoedig is, en ... hoop hier lang te blyven.
Hierop reikte hy aan Verbrugge de hand, en deze, met hem terugkeerende
naar de tafel waar de resident, de _Adhipatti_ en mevrouw Havelaar
gezeten waren, voelde reeds iets beter dan vyf minuten vroeger, dat "die
Havelaar zoo gek niet was" als de kommandant meende. Verbrugge was
volstrekt niet misdeeld van verstand, en hy die de afdeeling _Lebak_
kende, nagenoeg zoo goed als een zoo groote landstreek, waar niets
gedrukt wordt, door één persoon gekend worden kàn, begon intezien dat er
toch verband was tusschen de schynbaar niet samenhangende vragen van
Havelaar, en tevens dat de nieuwe adsistent-resident, hoezeer hy nooit
de afdeeling betreden had, iets wist van wat er omging. Wel begreep hy
nog altyd die vreugde niet over de armoede in _Lebak_, maar hy drong
zich op, die uitdrukking verkeerd verstaan te hebben. Later evenwel,
toen Havelaar hem meermalen hetzelfde zeide, zag hy in hoeveel groots en
edels er was in die vreugde.
Havelaar en Verbrugge namen plaats by de tafel, en onder 't gebruiken
van thee over onbeduidende dingen sprekende, wachtte men tot Dongso den
resident kwam berichten dat de versche paarden waren voorgespannen. Men
pakte zich zoo goed mogelyk in den wagen, en reed heen. Door 't hotsen
en stooten viel 't spreken moeielyk. Kleine Max werd rustig gehouden met
_pisang_[38] en zyn moeder die hem op den schoot had, wilde volstrekt
niet bekennen dat ze vermoeid was, als Havelaar aanbood haar van den
zwaren jongen te ontlasten. In een oogenblik van gedwongen rust in een
moddergat, vroeg Verbrugge den resident, of hy met den nieuwen
adsistent-resident reeds gesproken had over mevrouw Slotering?
--M'nheer. Havelaar. Heeft. Gezegd.
--Welzeker, Verbrugge, waarom niet? Die dame kan by ons blyven. Ik zou
niet gaarne ...
--Dat. Het. Goed. Was. sleepte de resident er met veel moeite by.
--Ik zou niet gaarne myn huis ontzeggen aan een dame in háár
omstandigheden! Zoo-iets spreekt vanzelf ... niet waar, Tine?
Ook Tine meende dat het vanzelf sprak.
--U heeft twee huizen te _Rangkas-Betoeng_, zei Verbrugge. Er is ruimte
in overvloed voor twee familien.
--Maar, al was dit zoo niet.
--Ik. Durfde. Het. Haar.
--Wel, resident, riep mevrouw Havelaar, er is geen twyfel aan!
--Niet. Toezeggen. Want. Het. Is.
--Al waren ze met hun tienen, als ze 't maar voor lief nemen by ons.
--Een. Groote. Last. En. Zy. Is.
--Maar het reizen in haar pozitie is onmogelyk, resident!
Een hevige schok van den wagen die ontmodderd werd, zette een
uitroepingsteeken achter Tine's verklaring dat het reizen onmogelyk was
voor mevrouw Slotering. Ieder had het gebruikelyke _hè_! geroepen, dat
op zulk een stoot volgt, Max had in den schoot zyner moeder de _pisang_
weergevonden, die hy door den schok verloor, en reeds was men een heel
eind nader aan de modderdiepte die straks komen zou, voor de resident
besluiten kon zyn zinsnede te voleinden, door er bytevoegen:
--Een. Inlandsche. Vrouw.
--O, dit is volkomen hetzelfde, trachtte mevrouw Havelaar verstaanbaar
te maken. De resident knikte, als vond hy het goed dat die zaak dus
geregeld was, en daar het spreken zoo moeielyk viel, brak men 't
gesprek af.
Die Mevrouw Slotering was de weduw van Havelaars voorganger die twee
maanden geleden gestorven was. Verbrugge, daarop voorloopig belast met
het ambt van adsistent-resident, zou 't recht gehad hebben, gedurende
dien tyd de ruime woning te betrekken, die te _Rangkas-Betoeng_, zooals
in elke afdeeling, van-landswege voor 't hoofd van het gewestelyk
bestuur is opgericht. Hy had dit echter niet gedaan, gedeeltelyk
misschien uit vrees dat hy te spoedig op-nieuw zou moeten verhuizen,
gedeeltelyk om 't gebruik daarvan aan die dame met haar kinderen
overtelaten. Er ware anders ruimte genoeg geweest, want behalve de vry
groote adsistent-residentswoning zelf, stond daarneven op 'tzelfde "erf"
nog een ander huis dat vroeger daartoe gediend had, en in-weerwil van
den eenigszins bouwvalligen staat, nog altyd zeer geschikt was ter
bewoning.
Mevrouw Slotering had den resident verzocht haar voorspraak te zyn by
den opvolger van haar echtgenoot, om de vergunning dat oude huis te
bewonen tot na haar verlossing, die zy over eenige maanden te-gemoet
zag. Het was dit verzoek dat door Havelaar en zyn vrouw zoo gereedelyk
was toegestaan, iets dat geheel in hun aard lag, want gastvry en
hulpvaardig waren zy in de hoogste mate.
We hoorden den resident zeggen dat mevrouw Slotering een "inlandsche
vrouw" was. Dit vereischt voor niet-indische lezers eenige opheldering,
daar men al licht tot de onjuiste meening geraken zou hier met een
eigenlyk-javaansche te doen te hebben.
De europesche maatschappy in Nederlandsch Indiën is vry scherp in twee
deelen gesplitst: de eigenlyke Europeanen, en dezulken die--hoezeer
wettelyk in geheel denzelfden rechtstoestand verkeerende--niet in
Europa geboren zyn, en min of meer inlandsch bloed in de aderen hebben.
Ter-eere der begrippen van menschelykheid in Indie, haast ik me hier
bytevoegen dat, hoe scherp ook de lyn zy, die in 't maatschappelyk
verkeer wordt getrokken tusschen de twee soorten van individuën, welke
tegenover den inlander gelykelyk den naam van _Hollander_[39] dragen,
deze afscheiding evenwel geenszins 't barbaarsch karakter vertoont, dat
in Amerika by de standsplitsing wordt waargenomen. Ik ontken niet dat er
nog altyd veel onrechtvaardigs en stuitends in deze verhouding blyft
bestaan, en dat het woord _liplap_ my meermalen in de ooren klonk als
een bewys hoe ver de niet-liplap, de blanke, dikwerf van ware beschaving
verwyderd is. Het is waar dat de liplap niet dan by-uitzondering in
gezelschappen wordt toegelaten, en dat hy gewoonlyk, als ik me hier van
een zeer gemeenzame uitdrukking bedienen mag: "niet voor vol wordt
aangezien" maar zelden zal men zulke uitsluiting of geringschatting
hooren voorstellen en verdedigen als een _grondbeginsel_. Het staat
natuurlyk ieder vry, zyn eigen omgeving en gezelschap te kiezen, en men
mag het den eigenlyken Europeaan niet euvel duiden, wanneer hy den
omgang met lieden van zyn landaard voortrekt boven 't verkeer met
personen die--hun meer of minder zedelyke en verstandelyke waarde in
't midden gelaten--zyn indrukken en denkbeelden niet deelen, of--en dit
is misschien by vermeend verschil van _beschaving_, zeer dikwyls de
hoofdzaak--wier _vooroordeelen een andere richting hebben genomen_ dan
de zyne.[40]
Een _liplap_--om den term te bezigen die voor beleefder wordt gehouden,
zou ik moeten zeggen een "_dusgenaamd inlandsch kind_" maar ik vraag
vergunning my te houden aan 't spraakgebruik dat uit allitteratie
geboren schynt, zonder dat ik met die uitdrukking iets beleedigends
bedoel, en wat beteekent het woord dan ook?--een liplap heeft veel
goeds. Ook de Europeaan heeft veel goeds. Beiden hebben veel verkeerds,
en ook hierin alzoo gelyken zy op elkaar. Maar 't goede en 't verkeerde
dat aan beiden eigen is loopt te veel uit elkander, dan dat hun
verkeering over 't algemeen tot wederzydsch genoegen kan strekken.
Bovendien--en hieraan heeft de Regeering veel schuld--is de liplap
dikwyls slecht onderwezen. De vraag is nu niet hoe de Europeaan wezen
zou, als hy zoo van der jeugd af ware belemmerd geworden in zyn
ontwikkeling, maar zeker is het dat de geringe wetenschappelyke
ontwikkeling van den liplap _in 't algemeen_ zyn gelykstelling met den
Europeaan in den weg staat, ook dáár waar hy _als individu_ in
beschaving, wetenschap of kunst, misschien den voorrang boven een
bepaalden europeschen persoon verdienen zou.
Ook hieraan is weder niets nieuws. Het lag ook, byv. in de staatkunde
van Willem den Veroveraar, om den minstbeduidenden Normandier te
verheffen boven den beschaafdsten Sakser, en elke Normandier beriep zich
gaarne op 't overwicht der Normandiers _in het algemeen_, om zyn persoon
ook dáár te doen gelden, waar hy de minste zou geweest zyn _zonder_ den
invloed zyner stamgenooten als bovenliggende party.
Uit zoo-iets wordt natuurlyk in 't verkeer zekere gedwongenheid geboren.
die niet zou weg te nemen zyn dan door wysgeerige onbekrompen inzichten
en maatregelen van het bestuur.[41]
Dat de Europeaan, die in zulke verhouding aan den winnenden kant is,
zich in dit kunstmatig overwicht zeer gemakkelyk schikt, spreekt
vanzelf. Maar dikwyls is 't koddig, iemand die zyn beschaving en taal
grootendeels opdeed in de rotterdamsche _Zandstraat_, den liplap te
hooren uitlachen omdat deze een _glas water_ en 't _gouvernement_,
mannelyk-, of _zon_ en _maan_ onzydig maakt.
Een liplap moge beschaafd, goed onderwezen zyn, of geleerd--er zyn er
zoo!--zoodra de Europeaan, die zich ziek hield om achterteblyven van 't
schip waarop hy borden waschte, en die zyn aanspraken op beleefdheid
bazeert op "uwee" en "verexkuseer" aan het hoofd staat van de
handelsonderneming die zoo "enorm" gewonnen heeft op de indigo in 1800
zooveel ... neen, lang vóór hy de "_toko_" bezat, waarin hy hammen en
jachtgeweren verkoopt--wanneer zoo'n Europeaan opmerkt dat de
beschaafdste liplap moeite heeft de _h_ en de _g_, uit elkaar te houden,
lacht hy over de domheid van den man die niet weet dat er onderscheid is
tusschen een _gouden hek_ en een _houten gek_.
Maar om hierover niet te lachen, had hy moeten weten dat in het arabisch
en maleisch de _cha_ en de _hha_ door één karakter worden uitgedrukt,
dat _Hieronymus_ viâ _Geronimo_ in _Jérôme_ overgaat, dat we van
_huano_, _guano_ maken, dat een _want_ een _handschoen_ is, dat _kous_
van _hose_ afstamt, en dat we voor _Guild Heaume_ in 't hollandsch
_Huillem_ of _Willem_ zeggen. Zooveel eruditie is te veel gevergd van
iemand die zyn fortuin maakte "in" de indigo, en z'n beschaving haalde
uit het welgelukken van dobbelary ... of erger!
En zulk een Europeaan kan toch niet omgaan met zulk een liplap!
Ik begryp hoe _Willem_ van _Guillaume_ komt, en moet erkennen dat ik,
vooral in de Molukken, zeer dikwyls "liplappen" heb leeren kennen, die
me deden verbaasd staan over den omvang hunner kennis, en die my op 't
denkbeeld brachten dat wy Europeanen, hoeveel hulpmiddelen ons ook
ten-dienste stonden, dikwyls--en niet vergelykender-wyze alleen--verre
ten-achteren staan by de arme pariah's die van de wieg af hadden te
stryden met kunstmatig-onbillyke terugzetting en 't zot vooroordeel
tegen hun kleur.
Maar mevrouw Slotering was eens-voor-al gevrywaard voor fouten in 't
hollandsch, omdat ze nooit anders dan maleisch sprak. We zullen haar
later te zien krygen, als we met Havelaar, Tine en kleinen Max
thee-drinken in de voorgalery der adsistent-residents-woning te
_Rangkas-Betoeng_, waar ons reisgezelschap, na lang hotsen en stooten,
eindelyk behouden aankwam.
De resident, die slechts was meegekomen om den nieuwen adsistent-resident
in zyn ambt te bevestigen, gaf den wensch te kennen nog dienzelfden dag
naar _Serang_ terugtekeeren:
--Omdat. Hy.
Havelaar betuigde insgelyks bereid te zyn tot allen spoed ...
--Het. Zoo. Druk. Had.
...en de afspraak werd gemaakt, dat men daartoe over een half uur in de
groote voorgalery der woning van den Regent zou by-eenkomen. Verbrugge,
hierop voorbereid, had reeds voor vele dagen aan de Distriktshoofden,
den _Patteh_, den _Kliwon_, den _Djaksa_[42] den belasting-kollekteur,
eenige _mantries_, en voorts aan alle inlandsche beambten die deze
plechtigheid moesten bywonen, last gegeven zich op de hoofdplaats te
verzamelen.
De _Adhipatti_ nam afscheid, en reed naar zyn huis. Mevrouw Havelaar
bezag haar nieuwe woning, en was er zeer mee ingenomen, vooral omdat de
tuin groot was, 'tgeen haar zoo goed voorkwam voor kleinen Max die veel
in de lucht moest. De resident en Havelaar waren naar hun kamers gegaan
om zich te verkleeden, want by de plechtigheid die er plaats hebben zou,
scheen het officieel voorgescheven kostuum een vereischte te wezen.
Rondom het huis stonden honderden menschen, die of te-paard den wagen
van den resident hadden begeleid, of tot het gevolg der saamgeroepen
Hoofden behoorden. De policie- en bureau-oppassers liepen bedryvig
heen-en-weer. Kortom, alles toonde aan dat de eentonigheid op dat
vergeten plekje gronds in den javaschen Westhoek, voor een oogenblik
werd afgebroken door wat leven.
Weldra reed de fraaie wagen van den _Adhipatti_ 't voorplein op. De
resident en Havelaar, schitterend van goud en zilver, maar ietwat
struikelend over hun degens, stapten er in, en begaven zich naar de
woning van den Regent, waar ze met muziek van _gongs_ en _gamlangs_
ontvangen werden.[43] Ook Verbrugge, die zich van zyn bemodderd kostuum
had ontdaan, was reeds daar aangekomen. De mindere Hoofden zaten in een
grooten kring, naar oostersche wyze op matten op den grond, en aan 't
eind van de lange galery stond een tafel, waaraan de resident, de
_Adhipatti_, de adsistent-resident, de kontroleur en een zestal Hoofden
plaats namen. Men diende thee met gebak rond, en de eenvoudige
plechtigheid begon.
De resident stond op, en las het besluit van den Gouverneur-generaal voor,
waarby Max Havelaar was aangesteld tot adsistent-resident van de afdeeling
_Bantan-Kidoel_ of Zuid-Bantam, zooals _Lebak_ door de inlanders genoemd
wordt. Hy nam daarna 't staatsblad waarin de eed stond die tot de
aanvaarding van bedieningen in 't algemeen voorgeschreven is, en houdende:
"_dat men om tot het ambt van ***** te worden benoemd of bevorderd, niemand
iets beloofd of gegeven heeft, beloven of geven zal; dat men gehouw en
getrouw zal zijn aan zijne Majesteit den Koning der Nederlanden; gehoorzaam
aan zijner Majesteits vertegenwoordiger in de Indische gewesten; dat men
stiptelijk zal opvolgen en doen opvolgen de wetten en bepalingen, die
gegeven zijn of gegeven zullen worden, en dat men zich in alles zal
gedragen gelijk een goed_ ... (hier: adsistent-resident) _betaamt_."
Hierop volgde natuurlyk het sakramenteele: "_zoo waarlijk helpe mij God
Almachtig_."
Havelaar sprak de voorgelezen woorden na. Als in dezen eed begrepen, had
eigenlyk moeten worden beschouwd de belofte: _de inlandsche bevolking,
te zullen beschermen tegen uitzuiging, en onderdrukking_. Want, zwerende
dat men de bestaande wetten en bepalingen zou handhaven, behoefde men
slechts het oog te slaan op de talryke voorschriften dienaangaande, om
intezien dat eigenlyk een byzondere eed hieromtrent niet te-pas kwam.
Maar de wetgever schynt gemeend te hebben dat overvloed van goed niet
schaden kan, althans men vordert van de adsistent-residenten een
afzonderlyken eed, waarby die verplichting omtrent den geringen man
nogeens uitdrukkelyk vermeld wordt. Havelaar moest dus andermaal "God
Almachtig" tot getuige nemen by de belofte: dat hy de "_inlandsche
bevolking, beschermen zou tegen onderdrukking, mishandeling en
knevelarij_."
Voor een fynen opmerker zou 't de moeite waard zyn geweest, het
onderscheid gadeteslaan tusschen houding en toon van den resident en van
Havelaar by deze gelegenheid. Beiden hadden zy dusdanige plechtigheid
meermalen bygewoond. Het onderscheid dat ik bedoel, lag dus niet in 't
meer of min getroffen zyn door het nieuwe en ongewone, doch werd alleen
veroorzaakt door 't uiteenloopende der karakters en begrippen van deze
beide personen. De resident sprak wel iets sneller dan gewoonlyk, daar
hy 't besluit en de eeden slechts behoefde vóórtelezen, 'tgeen hem de
moeite bespaarde naar zyn slotwoorden te zoeken, maar toch geschiedde
van zyn kant alles, met een deftigheid en een ernst, die den
oppervlakkigen beschouwer een zeer hoog denkbeeld moesten inboezemen van
't gewicht dat hy aan de zaak hechtte. Havelaar integendeel, toen hy met
opgeheven vinger de eeden nasprak, had iets in gelaat, stem en houding,
alsof hy zeggen wilde: "dat spreekt vanzelf, ook _zonder God Almachtig_,
zou ik dat doen" en wie menschkunde bezat, zou meer vertrouwd hebben op
zyn ongedwongenheid en schynbare onverschilligheid, dan op de ambtelyke
deftigheid van den resident.
Is 't niet inderdaad bespottelyk, te meenen dat de man die geroepen is
recht te spreken, de man aan wien het wel of wee van duizenden is in
handen gegeven, zich zou gebonden achten door een paar uitgesproken
klanken, wanneer hy niet, ook zonder die klanken, zich daartoe gedrongen
voelt door zyn eigen hart?
Wy gelooven van Havelaar, dat hy de armen en onderdrukten, waar hy die
mocht aantreffen, zou beschermd hebben, al had hy by "God Almachtig" het
tegendeel beloofd.
Daarop volgde een toespraak van den resident tot de Hoofden, waarop hy
hun den adsistent-resident als opperhoofd der Afdeeling voorstelde, hen
uitnoodigde hem te gehoorzamen, hun verplichtingen stipt natekomen, en
dergelyke gemeenplaatsen meer. De hoofden werden daarop één-voor-één by
name aan Havelaar voorgesteld. Hy reikte ieder de hand, en de
"installatie" was afgeloopen.
Men gebruikte ten-huize van den _Adhipatti_ 't middagmaal, waartoe ook
de kommandant Duclari genoodigd was. Terstond na afloop daarvan, stapte
de resident die gaarne nog dien avend te _Serang_ wilde terug zyn:
--Omdat. Hy. Het. Zoo. Byzonder. Druk. Had.
...weder in zyn reiswagen, en zoo keerde _Rangkas-Betoeng_ weldra terug
tot een stilte, als te verwachten is van een javasche binnenpost die
door slechts weinig Europeanen bewoond werd en daarenboven niet aan den
grooten weg gelegen was.
De kennismaking tusschen Duclari en Havelaar was spoedig op een
gemakkelyken voet gebracht. De _Adhipatti_ gaf blyken van ingenomenheid
met zyn nieuwen "ouder broeder" en Verbrugge verhaalde later dat ook de
resident, dien hy op zyn terugreis naar Serang een eind wegs-uitgeleide
had gedaan, zich zeer gunstig over de familie Havelaar, die op haar
doortocht naar Lebak eenige dagen ten-zynen-huize vertoefde, had
uitgelaten. Ook zeide hy dat Havelaar, by de Regeering goed aangeteekend
staande, hoogstwaarschynIyk spoedig tot een hooger ambt bevorderd, of
althans naar een meer "voordeelige" afdeeling verplaatst worden zou.
Max en "zyn Tine" waren eerst onlangs van een reis naar Europa
teruggekeerd, en gevoelden zich vermoeid van wat ik eens zeer
eigenaardig een koffertjes-leven heb hooren noemen. Zy achtten zich dus
gelukkig, na veel omzwervens eindelyk weder eens een plek te bewonen
waar zy zouden te-huis behooren. Vóór hun reis naar Europa, was Havelaar
adsistent-resident van Amboina geweest, waar hy met veel moeielykheden
had te stryden gehad, omdat de bevolking van dat eiland in een gistenden
en oproerigen toestand verkeerde ten-gevolge van de vele verkeerde
maatregelen die in den laatsten tyd genomen waren.
Niet zonder veerkracht had hy dezen geest van verzet weten te
onderdrukken, doch uit verdriet over de weinige hulp die men hem hierin
van-hoogerhand verleende, en uit ergernis over 't ellendig bestuur dat
sedert eeuwen de heerlyke streken der Molukken ontvolkt en bederft ...
De belangstellende lezer trachte te lezen te krygen wat over dit
onderwerp reeds in 1825 door den baron Van der Capellen geschreven werd,
en kan de Publikatien van dezen menschenvriend vinden in het Indische
Staatsblad van dat jaar. De toestand is er sedert dien tyd niet beter
op geworden!
Hoe dit zy, Havelaar deed te Amboina wat hy mocht en kon, maar uit
ergernis over gebrek aan medewerking van hen die in de eerste plaats
geroepen waren zyn pogingen te steunen, was hy ziek geworden, en dit had
hem bewogen naar Europa te vertrekken.[44] Strikt genomen had hy by
wederplaatsing aanspraak gehad op beter keuze dan de arme geenszins
welvarende afdeeling _Lebak_, daar zyn werkkring te Amboina van grooter
gewicht was, en hy dáár, zonder resident boven zich, geheel op zichzelf
gestaan had. Bovendien was er, reeds voor hy naar Amboina vertrok,
spraak van geweest hem tot resident te verheffen, en het bevreemdde dus
sommigen dat hem thans het bestuur eener Afdeeling werd opgedragen, die
aan kultuur-emolumenten zoo weinig opbracht, dewyl velen het belang
eener bediening naar de daaraan verbonden inkomsten afmeten. Hyzelf
echter beklaagde zich hierover volstrekt niet, want zyn eerzucht was
geenszins van dien aard, dat hy bedelen zou om hoogeren rang of meer
gewin.[45]
En dit laatste ware hem toch goed te-stade gekomen! Want op zyn reizen
in Europa had hy het weinige uitgegeven, dat hy in vorige jaren had
overgegaard. Zelfs had hy daar schulden achtergelaten, en hy was dus, in
één woord, arm. Doch nooit had hy zyn ambt beschouwd als een geldwinning,
en by zyn benoeming naar _Lebak_ nam hy zich met tevredenheid voor, het
achterstallige door zuinigheid intehalen, in welk voornemen zyn vrouw
die zoo eenvoudig was in smaak en behoeften, hem met groot genoegen
ondersteunen zou.
Maar zuinigheid viel Havelaar moeielyk. Hy voor zichzelf kon zich tot
het strikt-noodige bepalen. Ja, zonder de minste inspanning kon hy
binnen de grens daarvan blyven, doch waar anderen hulp behoefden, was
hem 't helpen, het geven, een ware hartstocht. Hyzelf zag dit zwak in,
beredeneerde met al 't gezond verstand dat hem gegeven was, hoe
_onrecht_ hy deed, iemand te ondersteunen, waar hyzelf meer aanspraak
zou gehad hebben op zyn eigen hulp ... gevoelde dit onrecht nog
levendiger, wanneer ook "zyn Tine" en Max, die hy beiden zoo lief had,
te lyden hadden onder de gevolgen zyner vrygevigheid ... hy verweet zich
zyn goedhartigheid als zwakte, als ydelheid, als zucht om voor een
verkleeden prins doortegaan ... hy beloofde zich beterschap, en toch ...
telkens als deze of gene zich aan hem wist voortedoen als 't slachtoffer
van tegenspoed, vergat hy alles om te helpen. En dit in-weerwil der
bittere ondervinding van de gevolgen dezer door overdryving tot fout
geworden deugd. Acht dagen vóór de geboorte van zyn kleinen Max, bezat
hy 't noodige niet om 't yzeren wiegje te koopen waarin zyn lieveling
rusten zou, en weinig tyds te-voren nog had hy de weinige versierselen
zyner vrouw opgeofferd, om iemand bytestaan, die gewis in beter
omstandigheden verkeerde dan hyzelf.
Maar dit alles lag al weer ver achter hen toen zy waren aangekomen te
_Lebak_! Met vroolyke kalmte hadden zy bezit genomen van het huis: "waar
ze nu toch eenigen tyd hoopten te blyven." Met een eigenaardig genot
hadden zy te Batavia de meubelen besteld, die alles zoo _comfortable_ en
gezellig maken zouden. Zy toonden elkaar de plekken waar ze zouden
ontbyten, waar kleine Max spelen zou, waar de bibliotheek zou staan,
waar hy 's avends haar zou voorlezen wat hy dien dag geschreven had,
want hy was altyd bezig met het ontwikkelen zyner denkbeelden op 't
papier ... en: "eens zou dat gedrukt worden, meende Tine, en dan zou men
zien wie haar Max was!" Maar nooit had hy iets ter-perse laten leggen
van wat er in zyn hoofd omging, omdat zekere schroom hem bezielde, die
wel iets zweemde naar eerbaarheid. Hyzelf althans wist dezen schroom
niet beter te beschryven, dan door aan wie hem aanspoorden tot
publiciteit, te vragen: "zoudt _gy_ uw dochter op-straat laten loopen
zonder hemd?"
Dit was dan weer een van de vele _boutades_, die zyn omgeving deden
zeggen dat "die Havelaar toch een zonderling mensch was, en ik beweer
het tegendeel niet. Maar als men de moeite nam zyn ongewone wyze van
spreken te vertalen, zou men in die vreemde vraag over het toilet van
een meisje, wellicht den tekst gevonden hebben voor een verhandeling
over de kuisheid van den geest, die schuw is voor de blikken van den
lompen voorbyganger, en zich terugtrekt in een hulsel van maagdelyke
schroomvalligheid.[46]
Ja, ze zouden gelukkig zyn te _Rangkas-Betoeng_, Havelaar en zyn Tine!
De eenige zorg die hen drukte, waren de schulden die zy in Europa hadden
achtergelaten, verhoogd met de nog onbetaalde kosten der terugreis naar
Indie, en met de uitgaven voor 't meubelen hunner woning. Maar nood was
er niet. Ze zouden immers leven van de helft, van een derde zyner
inkomsten? Misschien ook, ja waarschynlyk, zou hy spoedig resident
worden, en dan werd alles makkelyk geregeld in weinig tyds ...
--Hoewel 't my erg spyten zou, Tine, _Lebak_ te verlaten, want er is
hier veel te doen. Je moet heel zuinig wezen, beste, dan kunnen wy
misschien alles afdoen, ook zonder bevordering ... en dan hoop ik lang
hier te blyven, heel lang!
Een aansporing tot zuinigheid nu, behoefte hy tot háár niet te richten.
_Zy_ had er waarlyk geen schuld aan, dat spaarzaamheid noodig was
geworden, doch ze had zich zoo vereenzelvigd met haar Max, dat ze die
aansporing geenszins opvatte als een verwyt, wat het dan ook niet was.
Want Havelaar wist zeer goed dat _hy_ alleen gefaald had door zyn te ver
gedreven vrygevigheid, en dat _haar_ fout--àls er dan een fout bestond
aan hare zyde--alleen hierin had gelegen, dat ze uit liefde voor Max
altyd alles had goedgekeurd wat hy deed.
Ja, _zy_ had het goed gevonden, toen hy die beide arme vrouwen uit de
_Nieuwstraat_, die nooit Amsterdam hadden verlaten, en nooit waren
"uitgeweest" rondleidde op de Haarlemmer kermis, onder 't koddig
voorwendsel dat de Koning hem belast had met: "het amuzeeren van oude
vrouwtjes die zich zoo goed gedragen hadden". _Zy_ vond het goed dat hy
de weeskinderen uit alle gestichten te Amsterdam op koek en amandelmelk
onthaalde, en ze overlaadde met speelgoed. _Zy_ begreep volkomen dat hy
de logementsrekening van de familie arme zangers betaalde, die terug
wilden naar hun land, maar niet gaarne de have achterlieten, waartoe de
harp behoorde, en de viool, en de bas, die zy zoo noodig hadden voor hun
schamel bedryf. _Zy_ kon het niet afkeuren dat hy 't meisje tot haar
bracht, dat 'savends op de straat hem had aangesproken ... dat hy haar
te eten gaf en herbergde, en 't àl te goedkoop "ga heen, en zondig niet
meer!" niet uitsprak, voor hy haar dat "niet zondigen" had mogelyk
gemaakt. _Zy_ vond het zeer schoon in haar Max, dat hy 't klavier liet
terugbrengen in de voorkamer van den huisvader, dien hy had hooren
zeggen hoe leed het hem deed dat de meisjes verstoken waren van muziek
"na dat bankroet." _Zy_ begreep zeer goed dat haar Max de slavenfamilie
vrykocht te Menado, die zoo bitter bedroefd was te moeten stygen op de
tafel des afslagers. _Zy_ vond het natuurlyk dat Max paarden weergaf aan
de Alfoeren in de _Minahassa_, wier paarden waren doodgereden door de
officieren van de _Bayonnaise_. _Zy_ had er niet tegen dat hy te Menado
en te Amboina de schipbreukelingen der amerikaansche _whalers_ by zich
riep en verzorgde, en zich te _grand seigneur_ achtte om een
herbergiersrekening voorteleggen aan 't amerikaansch Gouvernement. [47]
_Zy_ begreep volkomen waarom de officieren van byna elk aangekomen
oorlogschip grootendeels by Max logeerden, en dat zyn huis hun geliefd
_pied-à-terre_ was.
Was hy niet háár Max? Was het niet te klein, te nietig, was 't niet
ongerymd, hem die zoo vorstelyk dacht, te willen binden aan de regels
van spaarzaamheid en huishoudelykheid die voor anderen gelden? En
bovendien, al mocht er dan soms voor 't oogenblik iets onevenredigs
wezen tusschen inkomsten en uitgaven, was Max, háár Max, niet bestemd
voor een schitterende loopbaan? Moest hy niet weldra in omstandigheden
verkeeren, die hem zouden in-staat stellen zonder overschryding zyner
inkomsten den vryen loop te laten aan zyn groothartige neigingen? Moest
háár Max niet Gouverneur-generaal worden van dat lieve Indie, of ... een
koning? Wast 't niet vreemd zelfs, dat hy niet reeds koning wàs?
Als er een fout by haar kon gevonden worden, dan was haar ingenomenheid
met Havelaar schuld daaraan, en zoo ooit, dan zou 't hier gelden: dat
men veel vergeven moet aan wie veel heeft lief gehad!
Doch men had haar niets te vergeven. Zonder nu te deelen in de
overdreven begrippen die zy van haren Max koesterde, mag men toch
aannemen dat hy een goede loopbaan voor zich had, en wanneer dit gegrond
uitzicht zich had verwezenlykt, zouden inderdaad de onaangename gevolgen
zyner vrygevigheid weldra uit den weg te ruimen geweest zyn. Maar nog
een reden van geheel anderen aard verontschuldigde hare en zyne
schynbare zorgeloosheid.
Ze had zeer jong haar beide ouders verloren, en was by hare familie
opgevoed. Toen ze huwde, deelde men haar mede dat zy een klein vermogen
bezat, 'tgeen dan ook werd uitbetaald, doch Havelaar ontdekte uit enkele
brieven van vroeger tyd, en uit eenige losse aanteekeningen die zy in
een van haar moeder afkomstige kassette bewaarde, dat haar familie zoo
van vaders- als van moeders-zyde zeer ryk was geweest, zonder dat hem
evenwel duidelyk worden kon, wáár, waardoor of wanneer die rykdom was
verloren gegaan. Zyzelf, die nooit belang gesteld had in zaken van
geldelyken aard, wist weinig of niets te antwoorden, toen Havelaar by
haar aandrong op eenige inlichtingen aangaande de vorige bezittingen van
haar verwanten. Haar grootvader, de baron Van W., was met Willem den
vyfden naar Engeland uitgeweken en ridmeester geweest by 't leger des
hertogs van York. Hy scheen met de uitgeweken leden der stadhouderlyke
familie een vroolyk leven geleid te hebben, wat dan ook door velen werd
opgegeven als oorzaak van den ondergang zyner fortuin. Later, by
Waterloo, sneuvelde hy in een charge onder de huzaren van Boreel.
Aandoenlyk was het, de brieven te lezen van haar vader--toen een
jongeling van achttien jaren, die als luitenant by dat korps in dezelfde
charge een sabelhouw op 't hoofd bekwam, aan welks gevolgen hy acht
jaren later krankzinnig sterven zou--brieven aan zyn moeder, waarin hy
zich beklaagde hoe hy vruchteloos op het slagveld naar 't lyk zyns
vaders had gezocht.[48]
Wat haar afkomst van moederszyde aangaat, herinnerde zy zich dat haar
grootvader op zeer aanzienlyken voet geleefd had, en uit sommige
papieren bleek dat deze in het bezit was geweest van de posteryen in
Zwitserland, op de wyze zooals thans nog in een groot gedeelte van
Duitschland en Italie, die tak van inkomst de _apanage_ uitmaakt der
vorsten van _Turn en Taxis_.[49] Dit deed een groot vermogen
veronderstellen, maar ook hiervan was door geheel onbekende oorzaken
niets, of zeer weinig althans, overgegaan op het tweede geslacht.
Havelaar vernam 't weinige dat daarvan te vernemen was, eerst na zyn
huwelyk, en by zyn nasporingen wekte het zyn verwondering dat de
kassette waarvan ik zoo-even sprak--met den inhoud uit een gevoel van
_pieteit_ bewaarde, zonder te gissen dat daarin misschien stukken waren,
die belang hadden uit een geldelyk oogpunt--op onbegrypelyke wyze was
verloren gegaan. Hoe onbaatzuchtig ook, hy bouwde op deze en vele andere
omstandigheden de meening dat hierachter een _roman intime_ verscholen
lag, en men mag 't hem niet euvel duiden dat hy, die voor zyn duren
inborst veel behoefde, met vreugde dien roman een bly einde had zien
nemen. Hoe 't nu wezen moog met het bestaan van dien roman, en of er al
dan niet _spoliatie_ had plaats gehad, zeker is 't dat er in Havelaars
verbeelding iets geboren werd, wat men een _rêve aux millions_ zou
kunnen noemen.[50]
Doch alweer was 't eigenaardig dat hy die zoo nauwkeurig en scherp het
recht van een ander--hoe diep ook begraven onder stoffige akten en
dikwebbige _chicanes_--zou hebben nagespoord en verdedigd, dat hy hier
waar zyn eigen belang in 't spel was, met slordigheid het oogenblik
verwaarloosde, waarin misschien de zaak had moeten worden aangevat. Hy
scheen iets als schaamte te gevoelen omdat het hier zyn eigen voordeel
gold, en ik geloof zeker wanneer "zyn Tine" gehuwd ware geweest met een
ander, met iemand die zich tot hem had gewend met het verzoek de spinrag
te verbreken waarin haar voorouderlyk fortuin was blyven hangen, dat hy
geslaagd zou zyn "de interessante wees" in 't bezit te stellen van het
vermogen dat haar behoorde. Maar nu was die interessante wees _zyn_
vrouw, háár vermogen was het _zyne_, hy vond er dus iets koopmansachtigs
in, iets derogeerends, in haar naam te vragen: "zyt ge my niet nog iets
schuldig?"
En toch kon hy dien millioenendroom niet van zich schudden, al ware het
dan ook slechts om een verontschuldiging by de hand te hebben, by het
dikwyls voorkomend zelfverwyt dat hy te veel geld uitgaf.
Eerst kort voor het terugkeeren naar Java, toen hy reeds veel geleden
had onder den druk van geldgebrek, toen hy zyn fier hoofd had moeten
buigen onder de _furca caudina_ van menigen schuldeischer, had hy zyn
traagheid of zyn schroom kunnen overwinnen om werk te maken van de
millioenen die hy meende nog te-goed te hebben. En men antwoordde hem
met eene oude rekening-courant ... een argument, zooals men weet,
waartegen niets valt intebrengen.
Maar ze zouden zoo spaarzaam wezen te _Lebak_! En waarom ook niet? Er
dwalen in zoo'n onbeschaafd land, op den laten avend geen meisjes over
straat, die een weinig eer te verkoopen hebben voor een weinig
voedsel.[51] Er zwerven daar zoo geen menschen rond, die van
problematische beroepen leven. Daar valt het niet voor, dat een gezin
op-eens te-gronde gaat door wisseling van fortuin ... en van zoodanigen
aard toch waren gewoonlyk de klippen waarop de goede voornemens van
Havelaar strandden. Het getal Europeanen in die Afdeeling was zoo gering
dat het niet in aanmerking komen kon, en de javaan te _Lebak_ te arm
om--by welke lotwisseling ook--belangwekkend te worden door nog grooter
armoede. Dit alles overdacht Tine zoo niet--hiertoe toch had zy zich,
juister dan zy uit liefde voor Max doen wilde, rekenschap moeten geven
van de oorzaken hunner min gunstige omstandigheden--maar er lag in hun
nieuwe omgeving iets dat kalmte ademde, en afwezen van alle aanleidingen
--met meer of min valsch-romanesken tint dan--die vroeger Havelaar zoo
dikwyls hadden doen zeggen:
--Niet waar, Tine, dàt is nu toch een geval waaraan ik me niet onttrekken
kan?
En waarop zy altyd geantwoord had:
--Wel neen, Max, dááraan kanje je niet onttrekken!
We zullen zien hoe't eenvoudige, schynbaar onbewogen _Lebak_ Havelaar
meer kostte dan alle vorige uitspattingen van zyn hart te-zamen genomen.
Maar dit wisten zy niet! Zy zagen de toekomst met vertrouwen te-gemoet,
en voelden zich zoo gelukkig in hun liefde en in 't bezit van hun
kind ...
--Wat al rozen in den tuin, riep Tine, en ziedaar ook _rampeh_ en
_tjempaka_, en zooveel _melati_, en zie eens al die schoone lelien ...
En, kinderen als ze waren, vermaakten zy zich met hun nieuw huis. En
toen 's avends Duclari en Verbrugge, na een bezoek by Havelaar,
terugkeerden naar hun gemeenschappelyke woning, spraken zy veel over de
kinderlyke vroolykheid van de nieuw aangekomen familie.
Havelaar begaf zich naar zyn kantoor, en bleef daar den nacht door, tot
den volgenden morgen.
ACHTSTE HOOFDSTUK
Havelaar had den kontroleur verzocht, de hoofden die te _Rangkas-Betoeng_,
aanwezig waren, uittenoodigen daar tot den volgenden dag te vertoeven om
de _Sebah_[52] bytewonen, die hy beleggen wilde. Zulk een vergadering had
gewoonlyk eens in de maand plaats, doch hetzyd-i aan sommige Hoofden die
wat ver van de hoofdplaats woonden--want de Afdeeling _Lebak_ is zeer
uitgestrekt--het onnoodig heen-en weerreizen wilde besparen, hetzyd-i
wenschte, terstond en zonder den vastgestelden dag aftewachten, hen op
plechtige wyze toetespreken, hy had den eersten _Sebah_-dag op den
volgenden morgen bepaald.
Links voor zyn woning, doch op 'tzelfde "erf" en tegenover 't huis dat
mevrouw Slotering bewoonde, stond een gebouw dat gedeeltelyk de bureaux
der adsistent-residentie bevatte, waartoe tevens de landskas behoorde,
en gedeeltelyk bestond in een vry ruime open galery, die een zeer goede
gelegenheid tot zulk een vergadering aanbood. Daar waren dan ook den
volgenden morgen de Hoofden vroegtydig vereenigd. Havelaar trad binnen,
groette, en nam plaats. Hy ontving de geschreven maandelyksche berichten
over landbouw, veestapel, politie, en justitie, en legde die tot nader
onderzoek ter-zyde.
Ieder verwachtte hierop een toespraak als die welke de resident op den
vorigen dag had gehouden, en het is niet geheel-en-al zeker dat Havelaar
zelf van voornemen was iets anders te zeggen, doch men moest hem by
zulke gelegenheden gehoord en gezien hebben om zich voortestellen hoe
hy, by toespraken als deze, zich opwond en door zyn eigenaardige wyze
van spreken aan de bekendste zaken een nieuwe kleur meedeelde, hoe zich
dan zyn houding oprichtte, hoe zyn blik vuur schoot, hoe zyn stem van 't
vleiend zachte in 't vlymend scherpe overging, hoe de beelden van zyn
lippen vloeiden als strooide hy iets kostbaars om zich heen dat toch hèm
niets kostte, en hoe, als hy ophield, ieder hem aanstaarde met open mond
als om te vragen: "myn God, wie zyt ge?"
Het is waar dat hyzelf, die by zulke gelegenheid sprak als een apostel,
als een ziener, later niet juist wist hoe hy gesproken had, en zyn
welsprekendheid had dan ook meer de eigenschap van te verbazen en te
treffen, dan door bondigheid van redeneering te overtuigen. Hy zou den
krygslust der Atheners, zoodra tot den oorlog tegen Philippus besloten
was, tot dolzinnigheid hebben kunnen aanvuren, maar minder goed
waarschynlyk zou hy geslaagd zyn, als zyn taak geweest ware hen door
redeneering tot dien oorlog te bewegen. Zyn aanspraak tot de _Lebaksche_
hoofden was natuurlyk in 't maleisch, en ontleende hieraan een
eigenaardigheid temeer, daar de eenvoudigheid der oostersche talen aan
veel uitdrukkingen een kracht verleent, die in ònze idiomen door
litterarische gekunsteldheid is verloren gegaan, terwyl aan den anderen
kant het zoetvloeiende van 't maleisch moeielyk in eenige andere taal is
weertegeven. Men bedenke bovendien, dat het meerendeel zyner hoorders
uit eenvoudige, doch geenszins domme menschen bestond, en tevens dat het
Oosterlingen waren, wier indrukken zeer verschillen van de onze.
Havelaar moet nagenoeg aldus gesproken hebben:
Mynheer de _Radhen Adhipatti_, Regent van _Bantan-Kidoel_, en gy,
_Radhens Dhemang_ die Hoofden zyt der distrikten in deze Afdeeling,
en gy, _Radhen Djaksa_ die de justitie tot uw ambt hebt, en ook gy,
_Radhen Kliwon_ die gezag voert op de hoofdplaats, en gy _Radhens_,
_Mantries_, en allen die Hoofden zyt in de afdeeling _Bantan-Kidoel_,
ik groet u![53]
En ik zeg u dat ik vreugde voel in myn hart, nu ik hier u allen
vergaderd zie, luisterende naar de woorden van myn mond.
Ik weet dat er onder u lieden zyn, die uitsteken in kennis en in
braafheid van hart: ik hoop myn kennis door de uwe te vermeerderen,
want zy is niet zoo groot als ik wenschte. En ik heb wel de braafheid
lief, maar dikwyls bespeur ik dat er in myn gemoed fouten zyn, die de
braafheid overschaduwen en daaraan den groei benemen ... gy allen
weet hoe de groote boom den kleinen verdringt en doodt. Daarom zal ik
letten op degenen onder u, die uitstekend zyn in deugd, om te
trachten beter te worden dan ik ben.
Ik groet u allen zeer.
Toen de Gouverneur-generaal my gelastte tot u te gaan om
adsistent-resident te zyn in deze afdeeling, was myn hart verheugd.
Het kan u bekend zyn dat ik nooit _Bantan-Kidoel_ had betreden. Ik
liet my dus geschriften geven, die over uwe afdeeling handelen, en
heb gezien dat er veel goeds is in _Bantan-Kidoel_. Uw volk bezit
rystvelden in de dalen, en er zyn rystvelden op de bergen. En ge
wenscht in vrede te leven, en ge begeert niet te wonen in de
landstreken die bewoond worden door anderen. Ja, ik weet dat er veel
goeds is in _Bantan-Kidoel_!
Maar niet hierom alleen was myn hart verheugd. Want ook in andere
streken zou ik veel goeds gevonden hebben.
Doch ik ontwaarde dat uwe bevolking arm is, en hierover was ik blyde
in het binnenste myner ziel.
Want ik weet dat Allah den arme liefheeft, en dat Hy rykdom geeft aan
wien hy beproeven wil. Maar tot de armen zendt Hy wie zyn woord
spreekt, opdat zy zich oprichten in hun ellende.
Geeft Hy niet regen waar de halm verdort, en een dauwdrup in den
bloemkelk die dorst heeft?
En is het niet schoon, te worden uitgezonden om de vermoeiden te
zoeken, die achterbleven na den arbeid en neerzonken langs den weg,
daar hun knieën niet sterk meer waren om optegaan naar de plaats van
het loon? Zou ik niet verheugd wezen de hand te mogen reiken aan wie
in de groeve viel, en een staf te geven aan wien de bergen beklimt?
Zou niet myn hart opspringen als het ziet gekozen te zyn onder velen,
om van klagen een gebed te maken en dankzegging van geween?
Ja, ik ben zeer blyde geroepen te zyn in _Bantan-Kidoel_!
Ik heb gezegd tot de vrouw die myne zorgen deelt en myn geluk grooter
maakt: "verheug u, want ik zie dat Allah zegen geeft op het hoofd van
ons kind! Hy heeft my gezonden naar een oord waar niet alle arbeid is
afgeloopen, en Hy keurde my waardig daar te zyn vóór den tyd van den
oogst. Want niet in het snyden der _padie_ is de vreugde: de vreugde
is in het snyden der _padie_ die men geplant heeft. En de ziel des
menschen groeit niet van het loon, maar van den arbeid die het loon
verdient. En ik zeide tot haar: Allah heeft ons een kind gegeven, dat
eenmaal zeggen zal: "weet ge dat ik zyn zoon ben?" En dan zullen er
wezen in het land, die hem groeten met liefde, en die de hand zullen
leggen op zyn hoofd, en zeggen zullen: "zet u neder aan ons maal, en
bewoon ons huis, en neem uw deel aan wat wy hebben, want ik heb uwen
vader gekend."
Hoofden van _Lebak_, er is veel te arbeiden in uwe landstreek!
Zegt my, is niet de landman arm? Rypt niet uw _padie_ dikwerf ter
voeding van wie niet geplant hebben? Zyn er niet vele verkeerdheden
in uw land? Is niet het aantal uwer kinderen gering?
Is er niet schaamte in uwe zielen, als de bewoner van _Bandoeng_[54]
dat daar ten-oosten ligt, uwe streken bezoekt, en vraagt: "waar zyn
de dorpen, en waar de landbouwers? En waarom hoor ik den _gamlang_
niet, die blydschap spreekt met koperen mond, noch het gestamp der
_padie_ uwer dochters?"
Is het u niet bitter, te reizen van hier tot de Zuidkust, en de
bergen te zien die geen water dragen op hunne zyden, of de vlakten
waar nooit een buffel den ploeg trok?
Ja, ja, ik zeg u dat uw en myn ziel daarover bedroefd is! En daarom
juist zyn wy Allah dankbaar dat hy ons macht heeft gegeven om hier
te arbeiden.
Want wy hebben in dit land akkers voor velen, schoon de bewoners
weinig zyn. En het is niet de regen die ontbreekt, want de toppen der
Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/11024