Gutenberg · eo1.org

← catalogue

De Zoon van Dik Trom

by Cornelis Johannes Kieviet · Dutch · Gutenberg #10971 · 296,362 chars · public domain (US)

The Project Gutenberg eBook of De Zoon van Dik Trom
    
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States,
you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

Title: De Zoon van Dik Trom

Author: Cornelis Johannes Kieviet

Illustrator: Joh. Braakensiek


        
Release date: February 1, 2004 [eBook #10971]
                Most recently updated: October 28, 2024

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/10971

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
        Proofreading Team at http://www.pgdp.net/


*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZOON VAN DIK TROM ***

De Zoon van Dik Trom

Door

C. Joh. Kieviet



Twaalfde, Goedkoope Druk
Amersfoort--Valkhoff & Co.






Eerste Hoofdstuk.

    Dik heeft een plan, en zijn vader vindt, dat hij een bizonder
    kind is, en dat is-ie.


't Was met den kruidenierswinkel van den ouden Trom uitstekend
gegaan. Dat was geen wonder, want Vrouw Trom was eene zindelijke
vrouw, die er voor zorgde, dat alles in den winkel er keurig netjes
uitzag. De koperen weegschalen waren zoo prachtig geschuurd, dat zij
haast wel van goud schenen, de toonbanken zagen er brandhelder uit,
en de koopwaren waren van de beste kwaliteit.

Elken morgen spande Dik zijn mooien hit voor den wagen, om de klanten,
die buiten het dorp woonden, te gaan bedienen. Zijn paard was altoos
helder geroskamd, zijn wagen zag er proper uit, en wat hij leverde
was prompt in orde. Nooit vergat hij te doen, wat hij beloofd had, en
tegen wat extra werk zag hij niet op, als hij een van zijne klanten er
mede gerieven kon. Geen wonder dus, dat hij steeds méér verkocht, er
telkens nieuwe klanten bijkreeg en er zelden of nooit een verloor. In
enkele jaren was de winkel van Jan Trom de voornaamste van het dorp
geworden, en 't was een lust te zien, hoe vol het er somtijds wezen
kon. Vooral op Zaterdagavond was het er verbazend druk. Dan stond
de winkel opgepropt met menschen, die inslag voor de volgende week
kwamen doen, en hadden Vader en Moeder Trom, benevens Dik, geen handen
genoeg, om de klanten te bedienen. Maar al moesten dezen wat wachten,
dat hinderde niet erg, want allen luisterden graag naar de vroolijke
grappen van Dik, die zijn praatje steeds klaar had.

De oude Trom deed niet veel. Hij was niet sterk genoeg om lang achter
de toonbank te staan, en als het hem al te druk werd, trok hij zich
op zijn stoeltje in een hoek van den winkel terug en keek met innig
welbehagen de drukte aan. En dan luisterde hij naar de gesprekken der
vrouwtjes, die het wel gezellig vonden, als zij niet dadelijk geholpen
konden worden, omdat zij dan nog een poosje konden babbelen,--maar
het meest genoot hij van de grappen en kwinkslagen van zijn zoon Dik,
dien hij soms langen tijd achtereen met de grootste bewondering kon
zitten aanstaren. En menigmaal, als hij zag, hoe graag de menschen
door Dik geholpen werden, mompelde hij zacht voor zich heen:

"Die Dik,--o, dat is toch een bizonder kind,--en dat is-ie!"

Trom werd er niet sterker op, en meer en meer begon de winkel hem
te zwaar te worden, vooral overdag, als Dik de klanten afreed, en
Moeder het huiswerk verrichtte. Want de winkelschel liet hem bijna
nooit met rust, van den morgen tot den avond.

"Klingelingeling!" ging het, als Trom zijn ontbijt
gebruikte. "Klingelingeling!" als hij 's middags aan tafel
zat. "Klingelingeling!" als hij zijn middagdutje wilde doen, waaraan
zijn zwak lichaam zooveel behoefte had.

Den geheelen dag was het voortdurend: "klingelingeling!" en dat
hield niet op, voordat 's avonds laat de winkeldeur op het nachtslot
werd gedaan.

De oude man beefde soms over al zijn leden van vermoeidheid als hij
eindelijk in zijn bed gestapt was, en van overspanning kon hij dan
dikwijls in geen uren den slaap nog vatten. Eindelijk begrepen Moeder
Griet en Dik beiden, dat het zoo niet langer ging,--dat er verandering
moest komen.

En die verandering kwam.

Het huisje naast den winkel kwam te huur. 't Was een allerliefst
huisje, wel klein, maar keurig net. 't Was een huisje voor een paar
oude menschen, die rustig hun ouden dag wilden doorbrengen.

Zoodra Dik hoorde, dat het te huur was, zei hij op een avond, toen
de winkel op het nachtslot was:

"Hoor eens, Vader en Moeder, weet u, dat het huisje hiernaast te
huur komt?"

"Is 't waar?" vroeg moeder Trom. "Neen, dat weet ik niet."

Trom zei niets. Hij keek Dik aan en streek met zijn hand langs zijn
dunne bakkebaardjes.

"Ja," zei Dik,--"'t is zoo, en nu had ik gedacht, dat het juist een
huisje voor u beiden zou zijn."

"Ja," zei Trom, "dat denk ik ook, en dat doe ik."

"'t Is een lief huis," ging Dik voort. "Niet te groot en erg
gemakkelijk in 't bewonen. En als u mij dan den winkel verhuurde,
zou u een rustigen ouden dag kunnen hebben. 't Wordt Vader toch wel
wat erg zwaar in den winkel."

"Ja, dat doet het--en dat doet het," zei Trom.

"En wou jij dan alleen in den winkel gaan wonen, Dik?" vroeg vrouw
Trom met een glimlachje.

Dik lachte ook.

"Neen Moeder, dat is nu juist mijne bedoeling niet. Als u en Vader het
goedvinden, zou ik wel willen trouwen. Anneke en ik hebben elkander
al gekend van onze vroegste kinderjaren af, en wij houden veel van
mekaar. Dus,--wat dunkt u er van?"

Moeder Trom stond op, sloeg haar armen om Dik's hals, gaf hem een
kus op elke wang, en zei:

"Mijn zegen er op, Dik!"

Trom trok zoo hard aan zijn bakkebaardjes, dat hij er de vlassige
haartjes van in de hand hield, en zei:

"Ja, ja, zoo is het goed, en dat is het. Griet, onze Dik is toch een
bizonder kind,--en dat is-ie!"




Tweede Hoofdstuk.

    De belangrijkste dag uit het leven van Dik Trom.


Het ging al gauw als een loopend vuurtje door het dorp: "Dik Trom
gaat trouwen met Anneke, en zijn ouders gaan het huisje bewonen naast
den winkel." En alle menschen vonden het erg best. "'t Was net een
spannetje, dat bij elkaar hoorde," zei men. "Allebêi zijn ze vroolijk,
allebêi jong, allebêi dik," en dat was waar, want Anneke evenaarde in
gezetheid haar aanstaanden man. Zij zag er door en door gezond uit,
had een paar blozende wangen en keek iedereen altoos vroolijk en
opgeruimd aan. En zij vond het wàt prettig om met Dik te trouwen. Van
hun vroegste jeugd af hadden zij elkander gekend en veel van mekaar
gehouden, en niemand vond het vreemd, dat zij man en vrouw zouden
worden. Eigenlijk hadden de menschen het al lang gedacht.

Op een mooien dag in de maand Juni werd de bruiloft gevierd. Dik was 's
morgens al vroeg opgestaan en den tuin achter zijn huis ingestapt. Het
zonnetje scheen zoo vroolijk, de vogels zongen zoo blijde, de bloemen
in de perkjes geurden zoo heerlijk, en Dik voelde zich zóó gelukkig,
dat hij van louter plezier een liedje begon te zingen. En met zijn
zakmes sneed hij de vroege rozen af en de seringen en de vogelkers,
en bond ze te zamen tot een welriekenden ruiker, dien hij zelf aan
zijne bruid ging brengen. Overal zag hij de vlaggen uitsteken ter
eere van hem en van Anneke. Piet van Dril was de eerste, die zijn vlag
uit het zolderraam stak, en toen volgde Jan Vos, en daarna Van Dijk,
de molenaar, en Vrouw van Aken, en Teun de visscher, en de meester,
en de ontvanger, en de burgemeester. Ja, zelfs uit het huisje van Kee,
de heks van den Achterweg, wapperde een klein, verschoten vlaggetje
uit het boven-zijraampje, want zij hield dolveel van Dik en verheugde
zich in zijn geluk. Weldra was er geen huis meer, waar de vlag niet
uithing, wat wel een bewijs was, dat de bruid en de bruidegom geliefde
personen waren op het dorp.

Dik vond het heerlijk te zien, dat alle menschen hem en Anneke een
blijk van vriendschap wilden geven. Hij had een glimlach van geluk
op de lippen, en zijne oogen tintelden van blijdschap.

De menschen, die hem tegenkwamen, hielden hem staande om hem geluk
te wenschen en de hand te drukken, en Piet van Dril stak zijn zwarte
gezicht buiten de deur van de smederij, toen Dik daar voorbijkwam,
zwaaide met zijn vette, glimmende petje, en riep driemaal:
"Hoezee! Leven Dik en zijne bruid!"

Voor het huis van Anneke wachtte hem eene verrassing, want daar was
een mooie, groote eerepoort opgericht met sparregroen en papieren
bloemen. Bovenin prijkte een schild met de namen van de bruid en
den bruidegom, en er hingen lampions met kaarsen, die 's avonds een
schitterend licht zouden geven.

Dat hadden zijn vrienden en kennissen gedaan onder leiding van Piet
van Dril, zijn boezemvriend.

En onder de poort stond Anneke, die maar niet begrijpen kon, dat die
poort ter harer eere was opgericht, en ze lachte en schreide tegelijk
van blijdschap en zei, dat ze zoo gelukkig was en zooveel eer niet
verdiende. En zij dankte Dik voor zijn mooien ruiker, en wist bijna
niet, wat zij doen zou van vreugde.

Toen ging Dik naar huis terug, om alles voor de bruiloft in orde te
brengen. Er werden in de schuur, die in gewone tijden voor pakhuis
diende, groote tafels en stoelen geplaatst voor de gasten. En hij
versierde de wanden met vlaggedoek, en nog was hij daarmee niet gereed,
toen de deur openging, en Piet van Dril en Jan Vos verschenen, die
een wagen met sparregroen meebrachten en hem hielpen aan de versiering.

De schuur was weldra haast niet meer te herkennen, zoo mooi werd
zij. Vader en moeder Trom konden hun oogen bijna niet gelooven, toen
zij even binnen kwamen om een kijkje te nemen. Zij sloegen de handen
van verbazing in elkaar, en Trom mompelde:

"Wat een feest,--wat een feest! 't Heele dorp vlagt, en dan die
schuur! O, die Dik is een bizonder kind, en dat is-ie!"

Moeder Griet was dat volkomen met hem eens, maar zij gunde zich den
tijd niet om lang te kijken, want zij had het nog meer dan druk om
alles voor het feest in gereedheid te brengen. De beste spullen moesten
uit de kast, en alles werd zorgvuldig geschuierd en opgeknapt. Trom
had het vreeselijk druk met zijn hoogen hoed, denzelfden nog, waarop
Dik was gaan zitten, toen deze nog een kleine jongen was. Trom poetste
de stugge haartjes glad en liefkoosde hem wel honderdmaal met de mouw
van zijne lakensche jas. De man zag er wàt deftig uit, heelemaal in
't zwart en met dien hoogen hoed op. 't Model van zijn costuum was
wel wat ouderwetsch,--want 't was zijn eigen trouwpak nog, dat hij
maar zelden had aangehad,--en  zijn hoed was wel wat hoog van bol en
breed van rand, maar dat hinderde niet.

"Die hoed is nog mooi, en dat is-ie," zei Trom, "en mijn pak kan ook
nog best meê, en dat kan het."

Dik was van top tot teen in 't nieuw. Hij had ook een lakensch pak
laten maken en een hoogen hoed gekocht. Zelf vond hij wel, dat hij er
met den hoed erg gek uitzag, maar Trom zei, dat hij hem deftig stond,
en dat deed-ie. Dik's nieuwe laarzen kraakten bij elken stap, zoodat
men hem in de verte al kon hooren aankomen. Dik had er een hekel aan,
maar zijn vader vond dat ook al erg deftig.

"Alle laarzen van deftige menschen kraken, en dat doen ze," zei
hij wijs.

Eindelijk werd het tijd om naar het huis van de bruid en vervolgens
naar het gemeentehuis te gaan, waar het huwelijk zou worden
voltrokken. Het drietal begaf zich daarom op weg.

Dik zag wel wat tegen de plechtigheid op, en hij voelde zich in zijn
mooie zwarte pak, in zijne krakende laarzen en onder zijn hoogen hoed
verre van lekker. Hij was in het geheel geen mensch voor zooveel moois
en plechtigs. Maar 't moest nu eenmaal gebeuren, en hij besloot daarom
zoo goed mogelijk door den zuren appel heen te bijten.

Vader en moeder Trom keken met gepasten ernst naar al de vlaggen,
die ter eere van hun zoon waren uitgestoken, en vonden zich verbazend
gewichtig. Moeder Griet zag er ook zeer feestelijk uit. Zij had hare
zijden japon aan, waarover een met palmen doorgewerkte omslagdoek,
die haar in den vorm van een gelijkbeenigen driehoek over den rug hing
met de punt naar beneden, een zijden hoedje op met groote keellinten,
en aan haar arm een karbies, welke in sterke mate de aandacht trok
van de kinderen, die den kleinen stoet omringden en steeds in aantal
toenamen. Een van de grootste jongens begon al spoedig te zingen:


"Bruid, bruid, strooi wat uit!"


Maar de anderen legden hem het zwijgen op met de opmerking, dat de
bruid nog niet aanwezig en hij dus met zijn liedje te vroeg was.

De jongens en meisjes zagen er zeer opgewekt uit en het ontbrak hun
niet aan de noodige luidruchtigheid.

Zoo bereikte het drietal de woning van de bruid, waar de gasten,
die voor het feest genoodigd waren, zich reeds verzameld hadden. Met
een krachtigen handdruk werd Dik ontvangen, die onhandig met zijn
hoogen hoed omsprong en voortdurend het vervelende kraken van zijne
laarzen hoorde.

't Was nu hoog tijd om naar het raadhuis te gaan. De stoet stelde zich
dus op. Jan Vos en zijn verloofde openden de rij, daarop volgden Dik
en Anneke, daarachter de wederzijdsche ouders en verdere familieleden,
en eindelijk de vrienden en kennissen, die genoodigd waren. Piet van
Dril en zijn jonge vrouw, want Piet was al sedert een jaar getrouwd,
waren de laatsten van den stoet.

De meisjes en vrouwen hadden allen een groote karbies, tot groote
vreugde van de jongens en meisjes, die zich vol blijde verwachting
voor het huis hadden opgesteld. Nauwelijks waren de bruiloftsgasten
zichtbaar, of daar klonk uit wel honderd kelen:


"Bruid, Bruid,
Strooi wat uit!
Bruid, Bruid,
Strooi wat uit!"


't Was een verschrikkelijk gejoel en lawaai, maar de karbiezen bleven
potdicht. Eerst moest het jonge paar getrouwd zijn; zoolang dat niet
gebeurd was, werd er niet gestrooid.

In lange rij trok de stoet door het dorp en bereikte ongestoord het
raadhuis. Daar werden de groote deuren geopend door den veldwachter,
die bij trouwpartijen dienst deed als concièrge, en men nam plaats
in de trouwzaal, waar vele dorpelingen aanwezig waren om van de
plechtigheid getuige te zijn.

Spoedig verscheen de burgemeester, en nu werden Dik en Anneke in den
echt verbonden. De burgemeester deed nog een hartelijke toespraak en
drukte het bruidspaar de hand.

Pas kwam de stoet weer buiten het raadhuis, of daar galmde het weer,
nu wel uit tweehonderd monden:


"Bruid, Bruid,
Strooi wat uit!
Bruid, Bruid,
Strooi wat uit!"


De lieve straatjeugd drong geweldig op om dicht bij de karbiezen
te komen, die de begeerde lekkernijen bevatten. En thans bestond er
tegen het openen daarvan geen enkele hinderpaal meer.

"Dààr dan, jongens, grabbelt maar!" riep Anneke, die tijdens de
plechtigheid erg bleek had gezien, maar nu hare frissche kleur
langzamerhand terugkreeg, en zij tastte diep in de karbies en strooide
de bruidssuikers onder de menigte. Haar voorbeeld werd door Moeder
Trom en de andere vrouwen en meisjes gevolgd. Het regende als het
ware links en rechts suikergoed, zoodat de jongens op en over elkander
buitelden, om toch maar zooveel mogelijk bijeen te grabbelen. 't Was
een allerdolst schouwspel. De kinderen hadden nergens meer oog voor,
dan voor de uitgestrooide lekkernijen, en zij waren zoo verwoed aan
het grabbelen, dat zij den heelen bruidsstoet uit elkaar duwden. Een
van de jongens kwam vlak voor de voeten te liggen van Vader Trom,
zoodat het weinig scheelde, of deze viel voorover op de straat. Zijn
hooge hoed rolde wel twee meter ver voor hem uit en kwam onder een
paar jongens terecht, die aan het vechten waren om een suikerboon,
waarop zij beiden recht meenden te hebben. De arme hoed kreeg het
kwaad te verantwoorden en leek al spoedig meer op een waterhoozer
uit een lekke roeiboot, dan op een deftigen hoogen hoed.

Piet van Dril gaf den vechtenden jongens een paar klinkende oorvijgen,
die hun met verbazenden spoed het hazenpad deden kiezen. Den hoed
bracht hij zooveel mogelijk weer in zijn fatsoen, en zette hem den
ouden man op het hoofd.

Van het gemeentehuis wandelde de stoet, steeds vergezeld door de
straatjeugd, die met ijzeren volharding het "Bruid, Bruid, strooi
wat uit" galmde, naar de kerk, waar het huwelijk ingezegend werd,
en van daar naar de versierde schuur.

Den geheelen dag heerschte er groote vreugde. Dik rookte uit een
lange Goudsche pijp, die met groen en bloemen was versierd, en de
bruid dronk uit een kopje, waarvan het oortje met een rozeknopje en
een paar rozeblaadjes prijkte.

't Was een heerlijk feest. 's Middags kwamen vele vrienden en kennissen
gelukwenschen, en ook de oude heks van den Achterweg kwam binnen, om
bruid en bruidegom de hand te drukken. En in een klein mandje bracht
zij zes kippeneitjes meê, als een klein blijk van hare vriendschap
en dankbaarheid, want zij was maar een arme, oude vrouw en wilde toch
ook zoo graag wat geven.

Dik kreeg het er bijna te kwaad onder, zoo aardig vond hij dat van
de goede ziel, en hij pakte het oudje beet en danste met haar in
het rond tot groote pret van alle bruiloftsgasten. 's Avonds kwamen
twee muzikanten met violen, en toen konden de jongelui dansen naar
hartelust, wat zij dan ook deden.

't Was al zeer laat in den avond, en nog was er niemand naar huis
gegaan. De oude molenaar was de eerste, die opstond om te vertrekken,
en hij klopte Trom op den rug en zeide:

"Dat was nog eens een echte, mooie bruiloft, niet waar?"

En Trom antwoordde, aan zijne bakkebaardjes plukkende:

"Ja, dat is het,--en dat doet het,--maar Dik is ook een bizonder
kind,--en dat is-ie!"




Derde Hoofdstuk.

    Dik wordt vader, en vrouw Smul begraaft haar neus in een
    roomtaart.


't Bleef met den winkel onder leiding van Dik en Anneke uitstekend
gaan, zoodat men gerust kon voorspellen, dat zij nog eens in goeden
doen zouden komen. Nu, Dik werkte dan ook met den grootsten ijver,
en als hij de boeren afreed met boodschappen, verving Anneke hem
op uitstekende wijze in den winkel. En zij was een zuinig vrouwtje,
naar de meening van Dik haast wel een beetje al te zuinig.

"Hoor eens, Anneke," zei hij meer dan eens, "daar moet je toch
voorzichtig meê wezen. Zuinig is goed, best zelfs, maar àl te zuinig
is verkeerd. Komen de vrouwtjes om een pondje van dit of van dat, dan
moet je niet bang wezen, dat de schaal even doorslaat. 't Is beter
overwicht te geven, dan te klein gewicht. Daar hebben de menschen
een hekel aan, en dan gaan ze al gauw naar een anderen winkel, waar
de maat wat ruimer is. Heusch, een klein toegiftje doet geen schade,
maar voordeel. En komen er kinderen boodschappen halen, geef ze dan
een balletje of een pepermunt, of een stukje zoethout, of een vijg. Dat
hebben ze graag en dan koopen ze liever hier dan bij een ander."

Anneke gaf aan dien raad gehoor, maar zuinig van aard bleef ze toch,
en dat was goed.

In den winkel zag het er keurig netjes uit, en hij was van alle
gemakken voorzien. Daar zorgde vader Trom wel voor. Nu hij niets meer
te doen had, was de oude liefhebberij voor het timmervak weer bij hem
ontwaakt, en liep hij altoos te passen en te meten, te schaven en te
hameren. 't Was dan ook, eer een jaar verloopen was, een pracht van
een winkel geworden, en Trom was daar erg trotsch op. Jammer voor
den braven man, dat hij den laatsten tijd zoo doof werd. Kort na
Dik's bruiloft was het begonnen, en 't nam met den dag toe, zoodat
hij eindelijk bijna niet meer te beschreeuwen was. 't Was voor Griet
een verbazende last, want zij hield erg veel van een praatje.

Een paar jaar na Dik's huwelijk had er eene groote gebeurtenis
plaats. Dik werd namelijk vader van een zoontje, en hij was daar
erg blij om. Toen hij op een avond met paard en kar thuis kwam,
vond hij den kleinen kerel al in de wieg liggen, en grootvader
en grootmoeder Trom zaten er op een stoel naast en keken met de
grootste belangstelling naar hun pasgeboren kleinkind. Grootmoeder
Griet vond het een allerliefst schattig kindje, maar grootvader zei
geen woord. Hij was blijkbaar in gedachten verdiept, en staarde met
open mond den kleinen schreeuwer aan. Want een scheeuwer was het. De
oude Trom had een klein, pasgeboren kindje nog nooit zóó hooren
schreeuwen. Grootvader vond het erg verwonderlijk, en soms sloeg hij
zijne oogen even op en staarde grootmoeder aan met een blik, waarin
zoowel verbazing als bewondering opgesloten lag. 't Was hem aan te
zien, dat hij in het kind iets gewichtigs zag.

"O, o, wat was Dik blij, toen hij zijn zoontje zag. Zijne ouders
feliciteerden hem recht hartelijk, en hij drukte moeder Anneke, die
te bed lag, een kus op elke wang. En toen ging hij weer dadelijk naar
de wieg, om zijn zoontje in oogenschouw te nemen.

"Wel verschrikkelijk, wat schreeuwt dat kind!" zei Dik, die ook in
de grootste verbazing naar het geluid van den nieuwen huisgenoot
luisterde. "Moeder, heb ik ook zoo geschreeuwd, toen ik pas in de
wereld was?"

"Neen," zei grootmoeder Trom, "jij schreeuwde nooit, dan alleen als
je honger hadt."

"Maar dan heeft dat ventje ook honger!" riep Dik met beslistheid
uit. "Hei baker, waar zit je? Geef dat kind wat eten!"

Op zijn geroep kwam de baker uit de keuken te voorschijn 't Was
vrouw Smul, die ook Dik nog gebakerd had. Zij was nu eene oude vrouw
geworden, met bijna geen tand meer in haar mond, en een puntige,
vooruitstekende kin. Dik hield in het geheel niet van haar, maar daar
zij de eenige baker op het dorp was, moest hare hulp wel ingeroepen
worden. Met een vriendelijk lachje feliciteerde zij den gelukkigen
vader, en zij haalde het kleine kereltje uit de wieg, en hield hem
Dik voor, die nu in de gelegenheid kwam, zijn zoon goed te bezien.

Ten tweeden male wekte het ventje zijn groote verbazing, want zoo
dik als hij zelf geweest was, toen hij op de wereld kwam, zoo smal
en dun was de kleine. En schreeuwen, schreeuwen dat het kind deed,
neen maar, 't ging Diks verwachting verre te boven. Ook grootmoeder
en grootvader keken het wichtje met verwondering aan, want zoo dun
en mager hadden zij nog nooit een kind gezien.

Dik sloeg van verbazing de handen ineen, en riep uit:

"Neen maar, wat een wonderlijk mager kind is dat! 't Is veel te dun!"

"Maar 't is toch een erg lief kindje," zei Anneke met moedertrots.

"En wat schreeuwt het!" ging Dik voort, "'t Schreeuwt als een
speenvarken. Toe baker, geef dat kind dadelijk wat te eten, want zulk
geschreeuw is niet uit te houden. Een mensch krijgt er hoofdpijn van."

Grootvader Trom had nog geen woord gesproken, maar eindelijk ging
hij naar zijn vrouw, en driftig aan zijn bakkebaardjes plukkende,
zei hij op gewichtigen toon:

"Griet, 't is een bizonder kind,--ik zeg een bizonder kind,--en
dat is-ie!"

"Ik geloof het ook," zei Dik lachend. "Zoo dun,--en dan dat
geschreeuw. 't Is wél bizonder!"

Inderdaad bleken deze twee eigenschappen van den kleine op den duur
wèl wat bizonder te zijn, want het kind schreide van den morgen tot
den avond, en van den avond tot den morgen. Alleen als hij sliep, was
hij stil. Hij dronk de eene flesch melk na de andere, maar bleef even
dun en mager. En hij schreeuwde om er wanhopig onder te worden. Kreeg
hij geen flesch, dan maakte hij een ijselijk misbaar om de aandacht
op zich te vestigen, en had hij de flesch leeggedronken, dan vond hij
dàt weer een reden om zijne stem te verheffen. Maar hij groeide best,
al was het alleen in de lengte.

Dik vreesde, dat zijn wieg hem gauw te kort zou worden, en hij
ergerde zich den ganschen dag aan de aanwezigheid van de baker. Daar
had hij trouwens zijn goede redenen voor, want in den winkel was
veel te snoepen, en daar hield vrouw Smul van. Telkens zag Dik,
dat zij tersluiks iets in den mond stak, als zij even in den winkel
moest wezen, en dat kon Dik niet uitstaan. Eens zag hij, dat zij bij
de kistjes vijgen stond en er een handjevol uitnam, en hij besloot
haar dat eens en voor goed af te leeren. Baker had hem niet gezien,
en schrok dus niet weinig, toen hij eensklaps achter haar stond. Dik
nam een grooten bak met stroop, dien zij onmogelijk met éen hand kon
vasthouden en zei:

"Toe baker, help me even. Houd dien bak eens vast."

Maar dat kon baker niet doen, want dan zou Dik zien, dat zij een
hand vol vijgen had. Haastig draaide zij zich dus om en stak de
vijgen met eene behendige beweging in haar mond, maar ongelukkig
konden ze daarin haast niet geborgen worden, zooveel had zij er wel
uit het kistje genomen. Zij moest den mond dus stijf dicht houden,
wilde zij zich niet verraden. Toen greep zij den stroopbak met beide
handen aan. Haar mond zat als 't ware volgepropt, tot groot vermaak
van Dik, die een vriendelijk praatje met haar begon.

"Wel baker," vroeg hij, "hoe zou het toch komen, dat de kleine
Jan",--want zijn zoon heette Jan, naar zijn grootvader,--"dat de
kleine Jan altijd zoo schreeuwt? Wat kan daar toch de reden van wezen?"

Maar baker kon niet antwoorden vanwege de vijgen, die zij in
den mond had. En er waren er te veel, dan dat zij ze had kunnen
doorslikken. Kauwen durfde zij ook niet, want dan zou zij zichzelve
dadelijk verraden hebben. Zij verkeerde nog in de heilige overtuiging,
dat Dik niets van hare snoeperij had gemerkt. Zij zeide dus niets,
maar haalde alleen de schouders op, ten teeken dat de reden van
Jantjes geschreeuw haar totaal onbekend was. Doch met dat gebaar was
Dik niet tevreden.

"Neen baker, haal nu de schouders niet op," zei hij op ernstigen toon,
"maar zeg mij liever kort en goed, wat er de oorzaak van is. Hij moet
toch ergens met zooveel volharding om schreeuwen!"

Baker haalde nogmaals de schouders op, en Dik keek haar ernstig aan.

"Scheelt er wat aan, baker? U trekt zoo'n raar gezicht," ging hij
voort. "Heeft u pijn of zoo iets?"

Baker schudde ontkennend met het hoofd, maar het angstzweet brak haar
uit, want de vijgen in haar mond begonnen haar verschrikkelijk zwaar te
liggen, en zij kon haar mond bijna niet meer dicht houden. Zij kneep
de lippen wanhopig stijf op elkander en liet den zwaren stroopbak
haast vallen.

Dik had de grootste pret, en ging plagend voort:

"Heeft u kiespijn, baker?"

Baker schudde alweer van neen.

"Of buikpijn?"

Nogmaals hetzelfde gebaar.

"U lijkt wel stommetje te spelen, baker. Ik geloof, dat ik den dokter
voor u moet halen."

De baker slaakte een diepen zucht, maar wilde blijkbaar niets van
een dokter weten. Zij schudde heftig van neen.

"Maar zèg dan toch wat, baker! Zulk zwijgen is om er tureluursch van
te worden. Of kan u niet spreken?"

De baker zei nog niets, maar keek wanhopig naar den zolder.

"Doe uw mond eens open, baker," ging Dik zonder medelijden voort,
en hij pakte haar kin tusschen vinger en duim. Maar nu werd het baker
te erg, en zij begreep, dat Dik heel goed had gezien, dat zij van de
vijgen gesnoept had. Zij zette den stroopbak haastig neer en verliet in
allerijl den winkel, terwijl Dik het uitschaterde van pret, omdat hij
haar zoo geducht te pakken had gehad. Zij dorst den "baas" den geheelen
dag niet meer aankijken van schaamte, en zij had nog grooter hekel
aan hem dan vroeger, toen hij haar klompen vol water had geschept.

Maar haar snoeplust leerde zij er niet meê af. Die kwaal was bij haar
te veel ingekankerd.

Dat bleek Dik, toen zijn zoontje een dag of acht oud was. In den
winkel, achter een van de toonbanken, was een luik, waaronder zich de
kelder bevond. Dik was in dien kelder, toen de winkelschel ging, maar
de baker wist niet, dat Dik daar was. Zij kwam in den winkel en zag
daar den loopjongen van den banketbakker, die eene heerlijke  roomtaart
kwam brengen, een geschenk van Piet van Dril en diens vrouw. Ha, de
neusvleugels van vrouw Smul trilden van begeerte. Na haastig om zich
heen gekeken te hebben, of zij wel alleen was, lichtte zij behendig
het deksel van de doos en genoot van den heerlijken aanblik, dien de
verrukkelijke taart opleverde.

Dik kwam langzaam en onhoorbaar naderbij. "Als zij gaat snoepen,
zal ik het haar eens en voor altijd afleeren," dacht hij.

En jawel, vrouw Smul moest toch eventjes proeven. Met haar vinger
streek zij er wat room af en stak het in den mond. Wat smaakte dat
heerlijk! Zij smakte met de tong. En wat rook die taart lekker. Wacht,
zij moest ook eventjes ruiken. Zij bracht de doos wat omhoog, haar
neus naar omlaag, en genoot van den heerlijken geur....

Maar Dik was meer dan kwaad, want hij dacht, dat vrouw Smul er van
snoepte. En in zijne boosheid gaf hij een geduchten duw tegen den
bodem van de doos, zoodat neus en kin van de baker in een oogwenk
tot in het hart van de taart doordrongen. En toen vrouw Smul die
lichaamsdeelen weer uit hun ontijdig graf had opgedolven, zaten zij
dik in de room. Zij leken wel roomhorentjes.

Vrouw Smul kon zich in het eerste oogenblik maar niet begrijpen, wat
er gebeurd was, zoo snel was het in zijn werk gegaan, en zij gaf een
gil van den schrik. Doos en taart liet zij op den vloer vallen, en zij
vluchtte op een draf den winkel uit en de huiskamer in, waar Anneke
in een schaterlach uitbarstte, zoo mal zag baker er uit. En zij kon
haast niet tot bedaren komen, toen Dik haar vertelde wat er eigenlijk
gebeurd was, al vond zij het meer dan jammer van de heerlijke taart.

"En wat zullen Piet van Dril en zijne vrouw het akelig vinden, als
zij het hooren," zei Anneke.

"Die zullen het niet hooren," zei Dik. "Ik ga dadelijk een nieuwe
taart bestellen, precies eender als deze, en  wij noodigen Piet
en zijne vrouw een avondje bij ons op de koffie, om haar te helpen
opeten. Dan hooren zij er nooit iets van. Baker zal er haar mond wel
over houden,--en  wij praten er natuurlijk ook niet over."

Zoo geschiedde. Piet en zijn vrouw smulden er heerlijk van en vonden
het prettig, dat de taart Dik en Anneke zoo lekker smaakte, maar zij
hebben nooit geweten, dat het de hunne niet was. De baker wilde den
heelen avond niet binnen komen. Zij bleef stil in de keuken. Maar
Anneke zorgde toch, dat zij haar deel van de lekkernij kreeg.

Want zij paste uitstekend op den kleinen Jan, en dat waardeerde Anneke
bizonder. Een paar dagen later ging de baker voor goed heen.




Vierde Hoofdstuk.

    De eigenschappen van den kleinen Jan en het geduldige busje
    van de orgelvrouw.


De kleine Jan groeide zeer voorspoedig op, dat wil zeggen alleen in
de lengte, want hij bleef broodmager, tot groote verbazing van Dik
en Anneke, die elken dag opnieuw in de gelegenheid werden gesteld om
zijn eetlust te bewonderen.

"Hij is precies een hazewindhond," zei Dik meer dan eens. "Hoeveel
hij ook eet, hij blijft altijd even dun. 't Is verwonderlijk!"

Overigens was de kleine Jan een zeer voorlijk kind. Hij lachte al,
toen hij nog maar enkele dagen oud was, en zijne tandjes kwamen
zeldzaam vroeg. Hij kroop veel gauwer over den vloer, dan nog ooit
eenig kind gedaan had, en kreeg mazelen, kinkhoest en waterpokken,
toen andere kinderen van zijn leeftijd de gedachte daaraan nog niet
in hun hoofd voelden opkomen.

Zijn grootvader hield daarom staande tegenover iedereen die het hooren
wilde, dat de kleine Jan een bizonder kind was, en dat was-ie.

Jan was met zijn grootvader al spoedig goede maatjes. Toen hij nog heel
klein was, wilde hij altoos op diens knieën zitten en paardje-rijden,
zoodra hij hem maar zag, en als Grootvader zijn zin niet dadelijk deed,
zette hij het zoo geweldig op een schreeuwen, dat zelfs Grootvaders
gehoorvliezen er pijn van gingen doen. En dan haastte de oude man zich,
om zijn kleinzoontje tevreden te stellen.

Zoodra Jantje loopen kon, en dat kon hij heel vroeg, liep hij
grootvader overal na. Anneke was daar eerst wel wat ongerust over,
omdat grootvader zoo erg doof was, maar toen haar Jantje altoos weer
gezond en wèl terugkeerde in de ouderlijke woning, begon zij daar
spoedig aan te wennen. Als Jantje zoek was, dacht ze al dadelijk:
"O, hij zal wel weer bij grootvader wezen."

Toen Jantje zag, dat grootvader bijna altoos aan het timmeren was,
schreeuwde hij net zoo lang, tot hij ook een hamer kreeg, en van
dat oogenblik af deed hij niet anders dan hameren. Hij sloeg er meê
tegen de toonbank, dat de weegschalen er van rinkelden, klopte op
de vijgenmand met zooveel kracht, dat de pitjes uit de vruchten te
voorschijn kwamen, hamerde een melkkan aan scherven en sloeg een barst
in de winkelruit. Dat gebeurde alles op één dag, tot grooten schrik
van Anneke, die hem den hamer afnam, toen het te laat was. Grootvader
had er niets van gemerkt, en toen Anneke hem op de verwoesting attent
maakte, keek hij die eenigen tijd in verbazing aan, tot hij eindelijk
mompelde:

"Zie je wel, Anneke, dat Jantje een bizonder kind is?--En  dat is-ie."

Dat bleek ook uit het feit, dat Jantje het geweldig op een schreeuwen
zette, toen Anneke hem den hamer had afgenomen. Hij kon echter zoo hard
niet schreeuwen, dat zijne Moeder hem dien teruggaf. Grootvader was
bezig de stijfsellade te herstellen, die niet meer goed heen en weer
kon schuiven. Jantje zat schreeuwend achter hem op den vloer, tot het
twaalf uur werd en Grootvader naar huis moest om te eten. Grootvader
legde den hamer in den spijkerbak en vertrok. Nauwelijks was hij
verdwenen, of Jantje greep den hamer en zette de werkzaamheden
voort. Hij sloeg draadnagels in de verschillende winkelladen, waar
zij schots en scheef in terecht kwamen, timmerde Grootvaders rooden,
katoenen zakdoek, dien hij vergeten had mede te nemen, als een vlag
aan de toonbank vast, en ging naar het petroleumvat, om ook daar
een paar draadnagels in te slaan. Maar toen viel zijn aandacht op de
kraan, die in het vat zat, en Jantje sloeg er net zoo lang op met zijn
hamer, tot de kraan uit het vat vloog en de petroleum in een breeden
stroom op den vloer en op Jantjes beenen terecht kwam. Ha, dat vond
Jantje pas mooi. Hij hield er den hamer onder, waardoor de stroom een
bizonder mooien vorm kreeg en de droppels hem om de ooren spatten,
en hij keek met innig welbehagen de gevolgen van zijn bemoeiingen
aan. De petroleum bedekte weldra den geheelen vloer, en Jantje was
zoo nat als een gedrenkte spons. Zijne Moeder had er geen erg in, want
zij was in de keuken, tot zij opeens een geweldig geschreeuw vernam,
zóó hevig, dat zij van schrik opsprong en naar den winkel ijlde. Maar
nauwelijks had zij de deur geopend, of zij bleef als verstomd staan en
keek met open mond naar de petroleum, die den geheelen vloer bedekte
tot aan den drempel toe, waarop hare voeten stonden, en naar Jantje,
die uit alle macht schreeuwde en met zijn hamer op het vat sloeg.

De tranen sprongen Anneke in de oogen, en zij was in één woord
radeloos. Zij wist niet, wat ze beginnen moest. Ze kon niet eens bij
haar zoontje komen, zonder door de petroleum te plassen, wat ze op
hare pantoffeltjes onmogelijk doen kon.

En Jantje schreeuwde uit alle macht, niet om hetgeen hij gedaan had,
ook niet omdat hij met de beentjes rechtuit in de petroleum zat,
maar eenvoudig om. het feit, dat er geen petroleum meer uit het vat
stroomde. Hij was er meer dan kwaad om, dat de stroom opgehouden had te
vloeien, en hij meende net zoo lang te schreeuwen, tot het weer begon.

Bedroefd en niet wetende wat zij beginnen moest, snelde Anneke de
achterdeur uit, om Grootvaders hulp in te roepen. Schreiende kwam
zij daar binnen, en zij vertelde onder snikken en tranen, wat Jantje
gedaan had.

"Wat is er?" vroeg Grootmoeder, toen zij Anneke zoo bedroefd zag
staan. Grootvader stond ook van zijn stoel op en vroeg:

"Wat is er, Anneke? Wat scheelt er aan?"

De goede man voelde al naar zijn zakdoek, om haar de tranen van de
wangen te vegen, want hij hield veel van Anneke. Maar hij vond zijn
zakdoek nergens. Hij kon ook niet vermoeden, dat die als een vlag
aan de toonbank wapperde.

"O, o," zei Anneke, "daar heeft Jantje me de kraan uit het petroleumvat
geslagen...."

"Den haan uit het kippenhok doodgeslagen?" vroeg Grootvader
ontsteld. "Hoe komt het kind er bij."

"Neen, neen," zei Anneke met haar mond aan Grootvaders oor, "de
kraan uit het petroleumvat geslagen, en nu is alle petroleum uit
het vat geloopen, en Jantje zit er midden in. Ik weet niet, wat ik
beginnen moet...."

Grootvader had nu goed verstaan. Hij trok zijn klompen aan en
stapte den winkel binnen, waar Jantje nog zijn uiterste best deed,
om petroleum uit het leege vat te laten vloeien. Hij schreeuwde als
't ware moord en brand.

Grootvader keek ook niet weinig verschrikt, evenals een paar vrouwtjes,
die juist kwamen aanloopen om boodschappen te halen.

Trom plaste op zijn klompen door de petroleum en pakte Jantje op,
dien hij regelrecht naar de keuken bracht.

"Hier Griet, kleed hem maar dadelijk uit en stop hem in de tobbe,"
zei hij tegen zijn vrouw, die van schrik bijna niet spreken kon,
toen zij de ramp in oogenschouw nam.

Daarna haalde Grootvader eene tobbe uit het schuurtje, benevens een
paar dweilen, en begon den vloer op te dweilen.

Hij schudde daarbij echter bedenkelijk met het hoofd, want hij begreep
zeer goed, dat de zaak zoo gemakkelijk niet in orde kwam. Jantje
schreeuwde intusschen honderd-uit, want hij werd door Moeder en
Grootmoeder naakt uitgekleed en in een warm bad gestopt. Zijn kleeren
waren onbruikbaar geworden.

Dat laatste was ook het geval met den winkelvloer. Trom besloot dan
ook dadelijk de handen uit de mouwen te steken De geheele vloer werd
opgebroken en door een nieuwen vervangen, wat den ouden man heel wat
werk bezorgde, 't Is te begrijpen, dat Dik verbaasd opkeek, toen hij
's avonds thuis kwam en hem het gebeurde verteld werd.

"Die kleine hazewindhond, hoe krijgt hij 't in zijn hoofd," zei hij
eindelijk. En Grootvader zei:

"Ik zeg, dat hij een bizonder kind is, Dik, net als jij, en dat is-ie."

Sinds dien dag werd het petroleumvat zoo geplaatst, dat Jantje er
niet meer bij kon. En de kleine kerel kreeg van zijn vader een houten
hamertje, waar hij niet veel kwaad mee kon doen. Hij timmerde nu den
geheelen dag en hielp Grootvader op zijn manier bij al diens werk. Hij
liet zich daarbij door niets storen, of het moest door een draaiorgel
zijn. Dat vond hij zoo verrukkelijk mooi, dat hij er zelfs zijn eten
voor liet staan, wat hij anders voor geen geld ter wereld zou doen. En
nog mooier vond hij het busje, waarin de vrouw van den orgeldraaier
het geld ophaalde. De orgeldraaier en zijne vrouw woonden op het dorp
en kwamen vast elken Dinsdag met het orgel rond. Dat was erg lastig
voor Anneke, want die had dan altoos waschdag, en moest toch al elk
oogenblik haar waschgoed in den steek laten, om de klanten in den
winkel te helpen.

Eens op een Dinsdagmorgen had zij het daarmede erg druk gehad, toe
het geluid van het orgel al van verre tot haar doordrong. Ook Jantje
had het gehoord. Hij was toen een jaar of drie en kon dus de deur al
zelf opendoen.

't Geluid van het orgel kwam naderbij, en Jantje was in de voordeur
gaan staan, om van de muziek zooveel mogelijk te genieten. Eindelijk
was het orgel tot voor den winkel gekomen en verscheen Mietje, de
vrouw van den orgeldraaier, die Klaas Touw heette, aan de deur. Jantje
haastte zich naar de keuken, en zei:

"Moedel, daal is Klaas Touw met het olgel." De r kon hij nog niet
zeggen, zoodat hij gemakshalve daar maar een l voor nam.

"Hè, wat een gezeur van morgen," zei Anneke, wie de zweetdroppels
op het voorhoofd parelden van de drukte. "Er ligt wel een cent in de
toonbanklade, Jantje, je weet wel."

"Ja moedel," zei Jan, en weg was hij.

Hij greep een handjevol centen en begaf zich naar Mietje.

Hij legde een cent in het bakje en zag hem met de grootste
belangstelling door de gleuf verdwijnen, want dat vond hij iets zeer
geheimzinnigs. Toen de cent weg was, legde hij er een tweeden in,
die op dezelfde eigenaardige wijze in de diepte verdween. Daarna een
derde, en een vierde, en een vijfde. Dat ging zoo voort tot Jantjes
handje leeg was. Mietje was blijkbaar een heel geduldig vrouwtje en
zij streek Jantje liefkoozend over zijn kopje.

"Wacht even, ik zal del nog meel halen," zei Jantje, en hij voegde
de daad bij het woord. De toonbanklade was nog lang niet uitgeput en
Jantje vond het heel aardig, dat het orgel zoo lang bleef draaien,
en dat de centen zoo mooi in de bus verdwenen.

"Flap," daar viel er weer een naar beneden, tot groote pret van Jantje,
die er hardop om lachen moest. "Flap," weer een, en nog een, en nog
een, tot zijn handje alweer leeg was. En tot zijn groote vreugde
draaide het orgel nog maar steeds door, en bleek Mietje vriendelijk
genoeg om voor zijn plezier nog een poosje te blijven staan.

"Wacht even," zei Jantje, "ik zal del nog meel halen. El zijn del
nog genoeg."

Nu, dat was waar, en hij kwam al spoedig weer met een handjevol terug.

"Flap," ging het alweer, en "flap, flap, flap," volgden de
andere. Anneke was zoo druk aan het wasschen, dat zij het heele
orgel vergeten was. Gelukkig, dat er nu eens een poosje geen klanten
kwamen....

Jantje liep geregeld heen en weer van Mietje naar de lade, en van de
lade naar Mietje, wier geduld onuitputtelijk bleek. Jantje vond haar
erg zoet, dat ze zoo lang blijven wou en dat hij zoo prettig met het
busje mocht spelen.

Maar eindelijk was de voorraad centen uitgeput, en daarom begon
Jantje met de dubbeltjes, die hij in de lade vond. Gelukkig kwam er
juist een meisje den winkel binnen om een half pond suiker te halen
en toen ze zag, wat Jantje deed, zei ze:

"Zeg, stoute jongen, dat mag je niet doen." Zij nam Jantje de
dubbeltjes af, die hij in de hand had, en riep luid:

"Vollek!--Vollek!"

Opeens bleek Mietje haast te krijgen. Zij wenkte Klaas, die
onmiddellijk den slinger van het orgel in rust bracht, en samen
vervolgden zij met meer dan gewonen spoed hun tocht. Zij liepen
zelfs zonder te spelen verscheidene huizen voorbij, en verdwenen in
een achterbuurtje.

Jantje was echter boos en begon luidkeels te schreeuwen. Maar zijn
Moeder was nog boozer, toen zij van het meisje vernam wat er gebeurd
was, en zij gaf Jantje voor zijne broek en zette hem in de woonkamer
met bevel, dat hij daar den geheelen middag blijven moest. Klaas Touw
en Mietje kregen, toen zij weer met het orgel kwamen, een geducht
standje van haar en mochten in geen vol jaar meer aankomen.

"Je hebt wel voor een jaar genoeg gehad," zei Anneke boos, "en 't
is een schande, dat je het geld aangenomen hebt. Als je fatsoenlijke
menschen waart, zou je mij gewaarschuwd hebben."

Of Mietje al zei, dat het zoo erg niet geweest was, en dat Jantje
maar een cent of vijf in het busje had gedaan, 't hielp haar niets.

"Je hebt voor een jaar genoeg gehad, en daarmede is het uit," zei
Anneke beslist. Boos deed ze de deur voor Mietje's neus dicht.




Vijfde Hoofdstuk.

    Jantje en de school.


Jantje bleef zeer voorspoedig opgroeien. De gewone kinderziekten had
hij al lang achter den rug, verkouden was hij nooit, en voor koorts
scheen hij geen aanleg te hebben. Hij was buitengewoon levendig van
natuur, waarvan het gevolg was, dat zijne Moeder hem zelfs met geen
stok in huis kon houden.

Eerst had zij daartoe wel alle middelen, die haar ten dienste stonden,
in 't werk gesteld, maar tevergeefs. Toen hij nog erg klein was, volgde
hij steeds zijn Grootvader als diens schaduw, en dan timmerde hij den
geheelen dag, maar toen hij een jaar of vier werd, vond hij daar niet
veel pleizier meer in. Hij ging toen liever de buurt op, en was bijna
altoos op de smerigste plaatsen te vinden, die er bestonden. Hij zag
er daardoor gewoonlijk ontoonbaar uit. De modder zat hem dikwijls tot
in de haren, zijne broek was bijna altoos hier of daar gescheurd,
en zijn handen zagen zoo zwart als roet. Wel tienmaal op een dag
greep Anneke hem bij den arm, nam hem mêe naar de keuken, en boende
hem met groene zeep schoon, waarbij de kleine patiënt gewoonlijk een
erbarmelijk geschreeuw deed hooren, zoo erg, dat de klanten, die in
den winkel kwamen, soms dachten, dat er iemand vermoord werd. In die
meening werden zij dan nog versterkt door de noodkreten van Jantje,
die op zijn gewonen huilerigen toon niets anders deed, dan schreeuwen:

"Ik wou, dat ik dood was! Ik wou, dat ik dood was! Ik moet ook altijd
maar gewasschen worden!"

Zijn moeder toonde echter niet het minste medelijden en hield niet op,
voordat Jantje vanwege de groene zeep blonk als een spiegeltje.

't Was maar jammer, dat het slechts voor zoo korten tijd hielp. Geen
tien minuten later zat Jantje weer in de modder te baggeren. Zijn
voeten waren meestal kletsnat, want hij bewoog zich graag aan de
slootkanten, om naar de kikkers te kijken en watertorren te vangen.

Toen hij vier jaar oud was, kwam hij voor het eerst met een nat pak
thuis. Hij had kopje-onder in het water gelegen. Dat gaf een schrik
bij Anneke, en zij besloot kort en goed hem voortaan in huis te
houden. Zij sloot hem in den tuin op. Maar dat beviel haar nog veel
minder, want tot haar schrik zag zij hem 's morgens om negen uur al
op de vorsten van het schuurtje zitten, en even later kwam hij naar
beneden tuimelen. Anneke zag het juist gebeuren, en zij dacht, dat
hij wel dood zou zijn. Zij zat als met lamheid geslagen op haar stoel
en was niet bij machte om op te rijzen en Jantje te gaan helpen. Dat
bleek echter ook niet noodig te zijn, want Jantje sprong dadelijk
overeind en klom weer tegen het schuurtje op. Een poosje later zat
hij weer op de vorsten. Eerst was hij wel een beetje bleek van den
schrik, maar dat werd spoedig beter.

Anneke besloot hem niet meer op te sluiten, zoodat Jantje 's middags
weer in de buurt rondwandelde.

Toen Dik het 's avonds hoorde, moest hij er braaf om lachen, en
hij zei:

"Wel, wel, kan die hazewindhond zóó klimmen? Kijk Anneke, dat is nu
iets, wat ik in mijn jeugd nooit heb kunnen doen, omdat ik zoo dik
was. Ik vind het wel aardig."

Anneke vond het dat niet, en zij klaagde zóó over de zorg, die zij van
den vroegen morgen tot den laten avond over Jantje had, dat Dik besloot
hem voortaan, als het goed weer was, maar meê te nemen op den wagen.

Dat was een kolfje naar Jantjes hand. Ha, wat vond hij het prettig
om naast Vader op den bok van den wagen te zitten. Soms mocht hij
de leidsels vasthouden of met de zweep klappen. Van slaan was geen
sprake; dat wilde Dik volstrekt niet hebben. Zelf deed hij het ook
alleen in bizondere omstandigheden. Het was dan ook werkelijk niet
noodig, want de hit van Dik kon verbazend hard loopen. Dat beweerde
Dik niet alleen, maar alle menschen op het dorp zeiden het. Die hit
was eigenlijk een harddraver en Dik kende geen hit, uren in den omtrek,
die zoo hard loopen kon als de zijne. Eén ding was maar jammer. De hit
had namelijk wel eens koppige buien, eene kwaal, die ook andere hitten
wel met hem gemeen hebben. Als hij in zoo'n booze bui was, bleef hij
vierkant op den weg staan met de pooten wijd uit elkander. Dan was
er geen beweging in hem te krijgen. Eerst had Dik zijne toevlucht
wel eens genomen tot de zweep, hoewel hij daar een geduchten hekel
aan had, maar 't had hem totaal niets geholpen. Eindelijk was Dik op
't idée gekomen om hem een klontje suiker voor den bek te houden, en
als de hit het pakken wilde, hield hij het weer een eindje verder. Dat
hielp goed, want de hit hield veel van klontjes, en liep zijn meester
dan dadelijk na. En onder het smullen vergat hij zijn koppige bui,
zoodat Dik weer op den bok kon gaan zitten. Als de hit weer eens
niet voort wilde, nam Dik dadelijk een klontje suiker, en dan was de
zaak in orde. Maar de hit was slim, en telkens als hij trek kreeg in
een klontje, bleef hij midden op den weg staan en ging niet verder,
vóór hij zijn zin gekregen had. Dat gebeurde spoedig wel al een keer
of tien op een dag, zoodat Dik begreep, dat het niet langer ging. Hij
gaf den hit geen enkel klontje meer, al bleef hij ook een half uur op
den weg staan. Zoo leerde het beest langzamerhand zijn snoeplust weer
af. Maar de koppige buien kwamen telkens terug. Wel niet dikwijls,
maar toch te veel naar Dik's zin. 't Was overigens een prachtige hit,
die zijns gelijke niet had in het loopen. Dik hield dan ook bizonder
veel van hem, en Jantje vond het wát heerlijk, als het lieve paardje
zoo lustig voor den wagen draafde.

En Dik vond het prettig, als de kleine Jan naast hem op den bok
zat. Als 't mooi weer was, mocht Jantje altoos met hem mee, en dat
gaf Anneke heel wat rust. Deze had het trouwens al druk genoeg met
den winkel.

Eindelijk werd Jantje vijf jaar en toen moest hij naar school. Maar
daar had hij in 't geheel geen zin in. Het vrije leventje en de
toertjes met zijn vader bevielen hem veel te goed, en hij hield stijf
en strak vol, dat hij nooit en nooit naar school wilde.

Toch moest het gebeuren, en Dik bracht hem er zelf heen.

Och, och, wat schreeuwde de kleine baas, en wat deed hij eene moeite
om los te komen. Maar dat lukte hem niet, want zijn vader hield hem
stevig vast.

Hij schreeuwde nog, toen hij door de Juffrouw in ontvangst werd
genomen, en hoeveel moeite zij ook deed om hem tot bedaren te brengen,
't hielp haar niets. De andere nieuwelingen keken hem met de grootste
verbazing aan. Zulk schreeuwen hadden zij blijkbaar nog nooit gehoord.

De Juffrouw werd er zenuwachtig van, en wist eindelijk geen raad
meer met het kereltje. 't Was haar onmogelijk iets te beginnen,
want Jantje overschreeuwde haar stem wel tienmaal, zoodat niemand
haar kon verstaan.

Maar opeens kwam hij tot bedaren, tot groote verwondering  en even
groote blijdschap van de Juffrouw. Hij veegde zijne oogen af met de
mouwen van zijn jasje, en stak toen parmantig den vinger op.

De Juffrouw lachte hem vriendelijk toe, en vroeg:

"Wel kleine man, wat is er?"

"Juffrouw, wanneer begint de groote vacantie?" vroeg Jantje.

De Juffrouw schoot in een lach, en zei:

"O hé, dat duurt nog een heelen tijd, Jantje. Dat duurt nog wel eene
maand of drie."

"Vandaag nog niet?" vroeg Jantje, wiens lippen weer zenuwachtig
begonnen te beven.

"Neen, vandaag nog niet, Jan. Maar dat hindert niet. 't Is hier in
de school ook wel prettig."

Jantje was dit echter in 't geheel niet met haar eens, wat duidelijk
bleek uit het feit, dat hij het weer verschrikkelijk op een schreeuwen
zette. Er kwam geen einde aan.

Jantje kreeg zelfs al spoedig gezelschap, want een paar andere
nieuwelingen werden door zijn verdriet dermate aangestoken, dat zij ook
hunne stem verhieven, en met Jantje om 't hardst schreeuwden. Jantje
keek even om, ten einde te zien, waar die nieuwe geluiden vandaan
kwamen, en zette daarna de zaak op den ouden voet voort. 't Was
eindelijk langer niet uit te houden, en de Juffrouw besloot hare
toevlucht tot krachtige maatregelen te nemen. Zij stapte op Jantje af,
greep hem bij den arm, en zette hem in den hoek. Maar Jantje schreeuwde
daardoor niet harder of zachter. De zaak liet hem volkomen koud.

Daarom zette de juffrouw hem in een klein kamertje, dat als boekenkast
gebruikt werd, en zij deed de deur achter hem dicht. Eerst had zij
geducht op hem gebromd.

"Dáár dan, stoute jongen," had ze gezegd. "Als jij niet naar verbieden
wilt luisteren, moet je maar heelemaal alleen in de boekenkast
zitten. Daar mag je schreeuwen, zoo hard je maar wilt."

Jantje volgde dat bevel echter in 't geheel niet op. Hij vond het in
die boekenkast heel vreemd, want zóoveel boeken had hij nog nooit
bij elkaar gezien. En in den achtermuur was een raampje, dat bij
mooi weer opengezet werd, omdat er anders zoo'n vunzige lucht in de
kast kwam. Toen Jantje de boeken bekeken had, wat niet lang duurde,
deed hij het raampje open en klom behendig naar buiten.

Ha, daar in de vrije natuur vond hij het pas heerlijk. Hij veegde de
laatste tranen van zijn gezicht, stak zijn handen in de broekzakken,
en zakte zingende op huis af.

Anneke keek wát gek op, toen zij hem om half elf binnen zag komen.

"Mocht jij naar huis toe, Jan?" vroeg ze.

"Ja, Moeder," zei Jan, "de Juffrouw bracht me zelf in een kamertje,
waar een raam was om er uit te kruipen. O Moeder, dat was zoo'n mooi
kamertje, allemaal boeken, wel honderd millioen drie honderd duizend
en nog veel meer."

"In een kamertje met boeken, en een raam, waar je door moest
kruipen? Dat begrijp ik niet, kind," zei Anneke. "Enfin, 't is al
half elf. Blijf nu maar thuis."

Dat deed Jantje met het meeste genoegen.

Maar de juffrouw, die na eenige minuten wachtens merkte, dat er geen
geluid meer uit de boekenkast kwam en daarom besloot Jantje maar weer
in de klasse te halen, schrikte geducht, toen zij de kast ledig vond.

"Als het kind maar geen ongeluk gekregen heeft!" zuchtte ze. En ze
stuurde dadelijk een jongen uit de hoogste klasse naar zijn huis,
om te vragen, of hij daar was.

"Ja, hier ben ik," zei Jantje, nog voordat zijn Moeder gelegenheid
had gehad iets te antwoorden. "En ik wil nooit meer naar school.--Vast
niet!"

Juist op dit oogenblik kwam Dik binnen, die even naar de smederij
van Piet van Dril was geweest, om zijn hit te laten beslaan.

"Wat is er aan de hand, Anneke?" vroeg hij.

En nauwelijks had hij gehoord, wat Jantje gedaan had, of hij pakte
hem bij zijn arm en bracht hem weer naar school, waar Jantje onder
een vervaarlijk geschreeuw zijn intocht deed.

"Juffrouw," zei Dik, "als hij niet ophoudt met schreeuwen, mag hij
nooit meer mee uit rijden. Dat zèg ik en dat méén ik."

Die bedreiging hielp dadelijk. Jantje deed zijn mond dicht en gaf
geen kik meer, tot groote vreugde van de Juffrouw. Voor Jantje was
er geen zwaardere straf te bedenken dan dat hij niet meer met zijn
vader uit rijden mocht.

Toen hij eenmaal tot bedaren gekomen was, zette hij zich met ijver
aan de studie, en het bleek weldra, dat hij de vlugste van de geheele
klasse was. Hij kende de letters al, als hij ze nog maar eenmaal
gezien had, hij schreef het mooist, en hij rekende beter dan iemand
anders. De Juffrouw vond hem bepaald een vluggertje. Maar omdat hij
altoos 't eerst met zijn werk gereed was, had hij ook steeds tijd
over, en dan werd hij ondeugend. 't Duurde dan ook maar kort, of de
Juffrouw zei altoos, als ze van hem sprak:

"De jongen heeft drie bijzondere eigenschappen: hij is de vlugste,
de ondeugendste en de magerste jongen van de geheele school."

En dat was ook zoo. Hij deed altoos kattekwaad, als hij zijn werk
afhad. Naast hem zat Karel van Dril, de zoon van den smid. Jan kende
hem al lang voor hij naar school ging, omdat hunne ouders zeer bevriend
waren en dikwijls bij elkaar op visite kwamen.

Karel kon vrij goed leeren, maar met het rekenen had hij het eerste
jaar nog al moeite. Hij verwarde altijd de 3 met de 8 en de 6 met
de 9, waardoor de uitkomst natuurlijk niet goed kwam. Ook gelukte
het hem maar zelden, om een leesbare 5 te schrijven. Als Jantje zijn
werk al afhad, was Karel nog niet op de helft. En toch deed hij erg
zijn best. Hij hoorde dan niet eens, wat Jantje hem toefluisterde,
en eigenlijk hoorde hij zelfs niet, dat er wat tegen hem gezegd werd,
zoo verdiept was hij dan in zijn werk. Die rekensommen kostten hem
menigen zweetdroppel, en hij kon er bij zuchten als een stoommachine.

Jantje was dan niet in de mogelijkheid om een gesprek met hem aan te
knoopen, en moest zich dus op andere wijze zien te vermaken. In den
knikkertijd speelde hij met zijn knikkers, die hij dan zoo dikwijls
telde, tot ze eindelijk met groot lawaai op den grond terecht
kwamen. Dan was Holland in last. Hij raakte zijne knikkers kwijt en
kreeg nog straf op den koop toe.

Eens in den toltijd had hij zijne tollen zitten bekijken, die hij
onder de tafel in de handen hield. Eindelijk haalde hij zijn tolsnoer
te voorschijn en ging er op zijn manier mee zitten hengelen. Dan
verbeeldde hij zich, dat hij tuk kreeg, en als hij dan ophaalde,
zag hij er snoeken of karpers aan. Toen hij visch genoeg gevangen
had naar zijn zin, bedacht hij een ander spelletje. Hij slingerde het
touw om zijn rechterbeen en om het linkerbeen van Karel, die zoo in
zijne sommen verdiept zat, dat hij er niets van merkte. En Jantje bond
de beenen stijf aan elkander. Toen diepte hij zijne tollen weer op,
om ze voor de honderdste maal nog eens te bekijken. De Juffrouw zag,
dat hij zat te spelen, en verbood het hem, maar zij was zoo druk
bezig met hier en daar een achterlijk kind voort te helpen, dat zij
niet veel aandacht aan Jantje kon wijden. Maar inwendig was zij toch
wel boos op hem, want zijne lei was al eens met een harden smak op
den grond gevallen, en nu kwamen plotseling weer al zijn tollen op
den vloer terecht, tot groot vermaak van de andere jongens, waarvan
er eenige hardop begonnen te lachen.

Nu werd de wanorde de Juffrouw toch wel wat al te groot. Met forsche
schreden stapte zij op Jantje toe, greep hem driftig bij den arm en
wilde hem de bank uittrekken.

"Allo, ondeugende jongen, vóór de klasse! Direct!" En zij trok zoo
hard, dat Jantje wel mee moest. Maar o wee, zijn rechterbeen zat aan
het linker van Karel vast, zoodat Kareltje óók mee moest,--tot zijn
groote verbazing.

"O Juffrouw! Mijn been! Mijn been!" schreeuwde Karel.

"Houd jij je mond!" riep de Juffrouw boos, en zij trok nog harder
aan Jantjes arm. Jantje viel half de bank uit, en Kareltje volgde
zijn voorbeeld.

"O Juffrouw, mijn been!--Mijn been zit vast!"

"'t Kan me niets schelen,--vooruit bengel!" riep de Juffrouw.

Maar Jantje kon niet verder. Het blok aan zijn been was te zwaar,
en de Juffrouw begon eindelijk te begrijpen, wat er aan de hand
was. Toen werd zij nog veel boozer, vooral toen de andere kinderen
hun lachen niet konden inhouden. Zij nam haar zakmesje en sneed
het touw in verscheidene stukken. Jantje werd in den eenen hoek
gezet, en Kareltje, die dood-onschuldig was aan 't geheele zaakje,
in den anderen. Maar Karel protesteerde. Hij wou geen straf hebben,
omdat hij niets gedaan had, en toen de Juffrouw eindelijk goed op
de hoogte kwam van het gebeurde, vond zij ook, dat hij geen straf
had verdiend. Hij mocht dus weer gaan rekenen, maar Jantje moest
schoolblijven, was zijn tolsnoer kwijt, en zag ook zijne tollen,
die de Juffrouw hem afgenomen had, in de kast verdwijnen.

Toen hij 's middags om half een verlof kreeg om naar huis te gaan,
vroeg hij met een deemoedig gezicht, of hij asjeblieft zijn tollen
terug mocht hebben. Maar daar was geen denken aan.

"Met Nieuwjaar!" zei de Juffrouw kortaf. En daar was de zaak meê
afgeloopen. Jantje had niet erg veel plezier van de grap, want nu
kon hij 's avonds niet meer met de andere jongens meedoen, als zij
potje-tolden. En dat deed hij juist zoo graag. Hij was trouwens een
liefhebber van alle mogelijke spelletjes. Was het in den toltijd,
dan vond hij dat het prettigste spel van de wereld, was het in den
knikkertijd, dan vond hij dát weer 't mooist. En zoo ging het met alle
spelen, die door de jongens werden gedaan. Maar 't állerprettigst
vond hij toch den sneeuwtijd. Iets heerlijkers was er volgens hem
niet te bedenken.

Zijn grootvader had voor hem een slee gemaakt, en daar gleed hij elk
vrij uurtje mede van een hoogen dijk af. Ha, wat ging dat echt. En
zoo vlug! 't Was net of hij naar beneden viel, maar 't liep altoos
erg best af. Hij moest wel oppassen, dat hij in zijne vaart niet in
een sloot terecht kwam, die langs den dijk liep, maar Jantje wist zich
met zijne klompen zoo netjes te sturen, dat hij altoos vlak langs de
sloot zijn draai kon nemen. Dat mislukte hem nooit.

Op de speelplaats van de school vermaakte hij zich met het gooien
van sneeuwballen. Ieder, dien hij maar raken kon, kreeg er een tegen
zijn muts of in zijn hals, en dan had Jantje de grootste pret. Maar
dan kreeg hij ook rijkelijk zijn portie terug, want de andere jongens
lieten zich niet ongestraft bekogelen.

Toch hadden zij het tegen Jantje altijd kwaad te verantwoorden, want
hij was zeldzaam vlug in zijne bewegingen en kon best mikken. Bovendien
zorgde hij er steeds voor, een goeden voorraad sneeuwballen in zijn
broekzakken te hebben, zoodat hij ze, als de nood aan den man kwam,
maar voor het grijpen had. Dan vlogen de kogels den jongens als het
ware om de ooren, en meestal eindigde het gevecht met een smadelijke
vlucht van zijne tegenstanders. Eens op een avond echter, om vier
uur, toen hij uit de school naar huis ging, kreeg hij onverwachts
met zooveel kracht een sneeuwbal achter in zijn nek, dat hij niet kon
nalaten au te roepen. 't Deed hem dan ook geducht pijn, want 't was
een verbazend harde sneeuwbal geweest, veel harder, dan hij ze ooit
gooide. 't Was eigenlijk een valsche streek, en toen hij omkeek, zag
hij dat een jongen uit de buurt de dader was. Die jongen heette Klaas
Zwart, en stond niet al te gunstig onder zijne kameraadjes bekend.

Jan zag, hoe Klaas er om lachte, dat hij hem zoo geducht geraakt had,
en hij werd er erg boos om.

"Dat is valsch, leelijkerd," riep hij Klaas toe. "Jij gooit met
sneeuwballen, waar een steen in zit. Maar ik zal het je betaald zetten,
wacht maar!"

"'t Is nietes!" riep Klaas terug, zich op een eerbiedigen afstand
houdende, "er zat geen steen in."

"Kom op als je durft!" schreeuwde Jantje hem toe, wiens nek prikkelde
van de pijn. Het koude water liep hem langs zijn ruggestreng.

Maar Klaas durfde niet. Hij bleef op eenigen afstand staan, gereed
om te vluchten.

"Lafaard!" riep Jantje. "Kom op, als je durft.--Je durft niet, hè,
daar ben je te bang voor! Leelijke gluiperd!"

Hij keerde zich verontwaardigd om en liep naar huis.

Maar den volgenden morgen ging hij vroeg naar de speelplaats, maakte
een flinken voorraad sneeuwballen, die hij als kogels op elkander
stapelde, en stopte toen ook nog zijn broekzakken vol sneeuwballen
voor het geval, dat Klaas op de vlucht mocht slaan, en hij hem dus
achtervolgen moest. Zoo gewapend wachtte hij de komst van zijn vijand
af. Zijne broekzakken puilden wijd uit van de sneeuwkogels, en hij
kon er veel in zijn zakken bergen, want hij had wijde broekspijpen,
en zijne dunne beentjes namen niet veel plaats in.

Eindelijk verscheen Klaas op de speelplaats.

Maar hij was op zijn hoede, want hij vertrouwde Jantje niet erg. Hij
kreeg hem dan ook al spoedig in het oog, en meende hem door een
vriendelijk praatje wat zachter te stemmen. Er waren nu al verscheidene
jongens op het plein.

"Zoo Jan," riep hij zijn vijand toe, "ga je van middag mee op mijn
slee?"

"Op je gezicht kun-je krijgen," riep Jantje terug. "Kom op, als je
durft, dan zullen wij sleden!"

"Hij durft niet!" riepen de andere jongens lachend, toen zij zagen,
dat Klaas bleef staan. "Hè, wat een bangerd! Kijk hem nu eens staan,
zoo'n hufter!"

"Toe dan, Klaas, kom op!" tartte Jantje. Hij nam een sneeuwbal van
zijn stapel, en wierp hem Klaas vlak in 't gezicht. Zijn neus zat
dik onder de sneeuw, en Klaas kreeg er sterretjes van voor zijne oogen.

"Lekker zoo! Goed zoo!" riepen de jongens. "Geef hem zijn portie, Jan!"

"Flap!"

Daar kreeg Klaas den tweeden, ditmaal tegen zijne muts, die hem van
het hoofd vloog, tot groote pret van de jongens, die in het rond
sprongen van pleizier. Want zij hielden niet erg van Klaas.

Maar Klaas werd nu toch woedend, en hij vergat zijne vrees.

Vlug bukte hij zich om een sneeuwbal te maken, doch voordat hij
daarmede gereed was, kreeg hij er een van Jan tegen zijn linkeroor.

Toen wierp Klaas er Jan een tegen zijn schouder, maar hij kreeg er
dadelijk wel drie voor terug.

"Houd-je goed, Jan, toe maar!" schreeuwden de jongens.

't Werd een verwoed gevecht, en Klaas verweerde zich dapper, maar
hij verkeerde in veel ongunstiger omstandigheden dan Jantje, daar
deze de ballen al gereed had liggen.

Jantje nam er een stuk of vier in zijne hand, en vloog op Klaas
af. Maar dat was Klaas te veel, en hij zette het op een loopen.

Jan hem achterna.

"Daar gaat hij loopen!" schreeuwden de jongens. "Houd-je goed, Jan!"

Klaas liep, wat hij loopen kon, en Jan volgde hem op de hielen.

Telkens voelde Klaas een sneeuwbal tegen zijn achterhoofd of in zijn
nek terechtkomen, en 't huilen stond hem nader dan het lachen.

Tot opeens Jantje misgooide, en zijn sneeuwbal in een ruit van de
school terecht kwam. De scherven vielen rinkelend naar beneden,
en op 't zelfde oogenblik kwam de hoofdonderwijzer naar buiten, die
Jantje bij zijn kraag pakte en hem in een hoek van de school zette,
niet ver van de kachel.

"Jij blijft om twaalf uur wachten, hoor baasje!" zei de meester. "Ik
moet je dan eens vragen, hoeveel geld je wel in je spaarpot hebt. 't
Is er nu te laat voor, want de school gaat aan."

Inderdaad werden de deuren geopend en de kinderen binnengeroepen.

De Juffrouw kwam naar Jantje toe en bromde ook op hem.

"Stoute jongen," zei ze, "moet jij hier de glazen ingooien? Je bent
niet bij je moeder thuis."

"Daar mag ik het ook niet doen, Juffrouw," zei Jan op deemoedigen toon,
en de Juffrouw begreep, dat zij zich niet al te juist had uitgedrukt.

"Houd je mond, brutale jongen," zei ze.

Ze ging voor de klasse staan en begon met hare werkzaamheden.

Jantje vond het niet prettig in dien warmen hoek bij de kachel, want
hij leerde veel liever met de andere leerlingen mêe, en bovendien
was hij al erg warm van het sneeuwballen zoodat hij het bij de heete
kachel bijna niet kon uithouden. Deze stond dan ook rondom gloeiend,
want ze was nog niet lang geleden aangelegd, en het lokaal moest
eerst door en door verwarmd worden. Jantjes handen begonnen al gauw te
tintelen, zoo erg, dat hij er bleek van werd. Maar dat ging spoedig
over, en Jantje voelde zich al weer wat lekkerder worden, toen hij
opeens een onaangenaam gevoel langs zijne beenen kreeg. 't Was net,
of er een straaltje koud water langs liep.

Eerst begreep hij niet, wat dat wezen kon, maar toch voelde hij het
duidelijk. 't Liep langs zijne dijen, passeerde zijne knieën en kwam
eindelijk in zijne kousen terecht.

Al spoedig snapte hij, wat er aan de hand was. 't Waren de
sneeuwballen, waarmede hij zijne broekzakken had gevuld, die bij
de heete kachel langzaam begonnen te smelten. Hij voelde, dat zijne
kousen nat werden, en hij begreep, dat het zaakje leelijk voor hem
kon afloopen. Hij hoopte echter, dat de sneeuwballen niet zóóveel
water zouden geven, dat het de aandacht van de Juffrouw zou trekken.

Doch onophoudelijk liepen kleine straaltjes water langs zijne dunne
beentjes naar beneden, en toen hij zijne voeten even verzette, merkte
hij, dat zijne kousen al kletsnat waren.

Angstvallig hield hij zijn blik op zijne voeten gericht. En waarlijk,
daar zag hij tot zijn grooten schrik, dat er zich rondom zijne voeten
een klein meertje begon te vormen, dat langzaam maar zeker grooter
werd. 't Nam steeds in omvang toe, zoodat Jantje zich hoe langer hoe
minder op zijn gemak voelde.

Gelukkig was de Juffrouw met zooveel ijver aan het werk, dat zij Jan
geheel vergeten was.

Eindelijk was de plas rondom Jan zóó groot geworden, dat hij de
aandacht trok van Klaas Zwart, wiens haren nog druipnat waren van de
sneeuwballen, waarop Jan hem had getracteerd. Nauwelijks had hij hem
gezien, of hij stak met veel bombarie zijn vinger op, en riep:

"Juffrouw! Juffrouw! Jan Trom heeft wat op den grond gedaan!"

Die tijding gaf eene heele opschudding in de klasse. De kinderen
gingen half in de banken staan en rekten de halzen, om goed te
kunnen kijken. En de Juffrouw keerde zich om en keek heel vies naar
de plaats, waar Jantje stond met beschaamde kaken. Hij zag rood tot
achter zijne ooren.

"Vieze jongen!" riep de Juffrouw hem toe. "Waarom heb je me niet
gewaarschuwd?"

"'t Is niet waar, Juffrouw!" riep Jan, huilend van verontwaardiging
"Ik had sneeuwballen in mijn zak, en die  zijn bij de heete kachel
gesmolten."

En om te bewijzen, dat hij de waarheid sprak, stak hij zijn handen
in de zakken, en dolf er de half gesmolten kogels uit op.

De Juffrouw schoot in een geweldige lachbui, en de kinderen moesten
ook zoo lachen, dat zij bijna niet tot bedaren konden komen.

Jantje mocht naar huis om droge kleeren aan te trekken.

Zijn vader keek hem eerst heel boos aan, toen hij hem zoo tusschentijds
zag binnenkomen, maar toen hij hoorde, wat er gebeurd was, moest hij
er ook smakelijk om lachen, en hij vertelde het aan alle klanten,
die dien dag in den winkel kwamen.

Toen Jan 's middags weer naar school ging, gaf zijn vader hem de
opdracht om eerst naar den glazenmaker te gaan en hem te verzoeken,
de gebroken ruit door een andere te vervangen. Zoo liep dat zaakje
voor Jantje nog al goed af. Maar op Klaas Zwart was hij meer dan boos,
want hij vond hem een valschen jongen en een laffen klikspaan.




Zesde Hoofdstuk.

    Jantje wordt jarig en krijgt mooie cadeaux.


Jantje zou voor den achtsten keer jarig worden. Zijn vader had hem
beloofd, dat hij den volgenden morgen een prachtig cadeau van hem
zou krijgen, maar van die belofte had hij later erg veel spijt, want
Jantje wilde met alle geweld weten, welk cadeau dat was, en hij hield
niet op met zeuren.

Zijn Vader wilde het echter niet zeggen.

"Morgenochtend zul-je het wel zien," zei Dik.

"Is het mooi?" vroeg Jantje.

"Erg mooi," was het antwoord.

"Erg prachtig mooi?" hield Jantje vol, wiens oogen schitterden van
nieuwsgierigheid.

"Ja," lachte zijn Vader, "erg prachtig mooi. Zóó mooi, zóó mooi,
dat er niets mooiers op de wereld te bedenken is."

"Waar lijkt het op?" vroeg Jan polsend.

"Op onzen hit," zei zijn vader.

"O, zeker een paardje op wieletjes?" zei Jantje met een opgetrokken
neus. "Dát is niet mooi, Vader, veel te kinderachtig. Toe Moeder,
zegt u me maar, wat het is.--Toe."

"Neen Janneman, dat zeg ik niet," zei zijne moe. "Morgenochtend zul je
't wel zien."

Jantje zeurde nog geruimen tijd door, maar toen hij zag, dat hij
zijn doel daarmede niet bereikte, zette hij het op een schreeuwen op
eene geweldige manier. De ondervinding had hem geleerd, dat dit een
beproefd middel was.

Maar dezen keer hielp het hem van den wal in de sloot, want het
begon zijn vader al spoedig te vervelen. Hij pakte Jantje bij zijn
kraag, deed het kelderluik in den winkelvloer open, en stopte Jantje
doodbedaard onder den grond.

"Zie zoo, kereltje," zei Dik, "daar mag je schreeuwen, zoo lang en
zoo hard je maar kunt. Ga je gang maar."

Jantje vond het een afdoend geneesmiddel, en jammerde:

"Ik wil naar bed! Ik wil naar bed!"

"'t Is nog maar half zes!" zei zijn vader.

"'t Doet er niet toe, 'k wil tóch naar bed, dan is het veel gauwer
morgenochtend!" schreeuwde Jantje.

"Ook al goed!" zei Dik.

Vijf minuten later lag Jan onder de dekens, en een kwartier later
sliep hij als eene roos.

Om elf uur gingen Dik en Anneke naar bed, maar zij hadden pas den
slaap te pakken, of Jantje werd wakker en dacht direct aan zijn cadeau.

"Vader!" riep hij zoo hard hij kon,--"Vader, wat krijg ik nu van
u? Ik ben jarig!"

"Een pak voor je broek, als je niet dadelijk je mond houdt," zei Dik,
die het lang niet prettig vond, dat hij wakker gemaakt werd. "De
nacht begint pas. Ga maar weer slapen."

Met een zucht kneep Jantje zijne oogen weer dicht, en hij sliep ook
waarlijk in, maar 't duurde slechts kort. 't Was nog vóór twaalven,
toen hij opnieuw wakker werd. Nu zou het stellig toch wel morgen wezen,
dacht hij.

Hij liet zich vlug van zijn bed glijden, ging naar het bed, waar zijn
ouders sliepen, en trok zijn vader aan zijn neus.

"Hei, ho, wat is dat?" riep Dik verschrikt uit, want hij vond het
een vreemde manier om gewekt te worden.

"Vader, ik ben jarig!" riep Jantje hem toe. "Welk cadeau krijg ik
nou van u?"

Maar zijn vader werd terdege boos.

"Ga naar je bed, deugniet, en als ik vannacht je geluid weer hoor,
krijg je morgen niets, hoor je, heelemaal niets! Allo, pak je weg,
naar je bed. En je geeft geen kik meer, versta-je?"

Jantje maakte aanstalten om weer te gaan schreeuwen, maar Dik zei
knorrig:

"Wou je liever in den kelder onder den winkelvloer?"

Neen, dat kon Jantje in 't geheel niet bekoren, en hij maakte gauw,
dat hij weer in zijn bed kwam.

Maar den slaap kon hij niet meer vatten; hij was dan ook veel te
vroeg naar zijn bed gegaan. Hij deed niet anders dan zuchten, en vond,
dat de nacht vreeselijk lang duurde.

"Er komt nooit een einde aan," mompelde hij zacht. "Weet je wat, ik
ga tot duizend tellen. Karel van Dril zegt, dat je dan altijd vanzelf
in slaap valt. Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen,
tien, ik ben toch nog wakker. Bij mij helpt het niet. Zeventien,
achttien, negentien, twintig, wat zou het toch voor een cadeautje
wezen? Ik denk van een bromtol, zeven en tachtig, acht en tachtig,
negen en tachtig, of een zak met knikkers, negen en negentig, honderd
hè, hè, nu ben ik al aan honderd, en ik slaap nog niet. Honderd en
een, honderd en twee, hè, ik wou dat ik een zak met tachtig knikkers
kreeg, een en tachtig, twee en tachtig, drie en tachtig, hò, dat is
fout, want nu ben ik nog maar aan drie en tachtig, en een heele poos
geleden was ik al bij honderd,--dan maar van voren af: een, twee,
drie, knikkers, knikkers, een, twee, bromtol, knikkers, zes, drie,
zeven, ... twee, jarig, zes..."

Jantjes oogen vielen dicht en hij sliep weer. En hij droomde, dat hij
een mooien bromtol kreeg, die prachtige muziek kon maken. Hij nam een
touwtje, wond den tol op, en trok hem af. Hà, wat stond hij prachtig,
en er kwam muziek uit, precies als uit het orgel in de kerk of het
draaiorgel van Klaas Touw. En opeens nam hij een sprongetje en ging
bovenop den kop van den tol zitten, en draaide uit alle macht in de
rondte. Jongen, wat ging dat mooi, 't werd hem geel en groen voor de
oogen, en de tol wist niet van ophouden, leek het wel. Maar eindelijk
begon hij toch langzamer te draaien, toen waggelde hij eenige keeren,
zoodat Jantje zijn evenwicht bijna niet bewaren kon, en plof, daar
viel de tol om, en Jantje tuimelde op den grond....

Met een kreet van schrik werd hij weer wakker, en tot zijn spijt
voelde hij, dat hij nog in zijn bed lag, dat zijn tol verdwenen was,
en dat het nog al geen dag werd.

Maar dat laatste kon hij toch niet gelooven.

"Neen," zei hij zacht, "'t is bepaald al lang dag, en 't is hier
alleen zoo donker, omdat de luiken dicht zijn. Vader verslaapt zich
zeker. Weet je wat, ik zal heel stilletjes de luiken opendoen,
zóó stil, dat vader en moeder het niet hooren. En als dan de zon
naar binnen schijnt, zal ik Vader roepen, en wat zal hij dan vreemd
opkijken."

Zoo gezegd, zoo gedaan.

Jantje kroop stil zijn bed uit, liep op zijn bloote voeten naar het
raam, en stootte zijn kleinen teen zoo hard tegen den poot van de
tafel, dat de tranen hem in de oogen sprongen.

"Au!" riep hij binnensmonds, en zijn vader werd er half wakker
van. Deze draaide zich in zijn bed om.

Jantje liet zich daardoor echter niet afschrikken.

Hij ging verder en kwam bij het raam. Daar zocht hij naar het luik,
en duwde het open. Maar 't bleef donker in de kamer; het was tot zijne
groote spijt blijkbaar nog nacht. Hij besloot, onder het slaken van
een diepen zucht, maar weer naar zijn bed terug te keeren, doch op
den terugtocht schoof hij zijn vaders glazen aschbak van de tafel,
zoodat dit voorwerp met veel lawaai op den grond terecht kwam, en in
scherven uit elkander spatte.

Jantje bleef van schrik stokstijf staan, en zijn ouders, die niet
begrepen wat dit geraas midden in den nacht beteekenen moest, vlogen
in hun bed overeind.

Met een wip stond Dik op den vloer, waar hij bijna over Jantje
struikelde, die het hazenpad wilde kiezen en vlak voor zijn vaders
beenen liep. Toen begreep Dik, wat er eigenlijk aan de hand was. Hij
greep op goed geluk rondom zich, om Jantje te pakken, en riep:

"Jongen, ben je nu alwéer uit je bed?" Maar Jantje had zich zoo vlug
als hij kon uit de voeten gemaakt, en lag alweer onder de dekens.

"Neen Vader," zei hij, "ik ben hier."

Toen moest Dik wel lachen, of hij wilde of niet.

"Ja, nú ben je weer in je bed, maar zoo pas liep je nog hier in de
kamer. Ga toch slapen, en houd ons niet den heelen nacht wakker. Als
ik je wéér hoor, eet ik het cadeau zelf op, en dan krijg je niemendal!"

"Opeten, Vader?" vroeg Jantje verschrikt. "Kan het dan opgegeten
worden?"

"O ja," zei Dik, terwijl hij weer in zijn bed stapte, "'t Smaakt wat
lekker, en als ik je weer hoor, krijg je er niets van."

"En 't lijkt op een hit?" zei Jan spijtig. "Dat heeft u  zelf gezegd."

"Nu jongen, een hit kun-je toch ook opeten!" riep Dik terug. "Maar
ga nu slapen, en laat je geluid niet meer hooren."

Jantje zweeg. Hij was verdrietig, omdat hij geen mooien tol kreeg,
of een zak met knikkers.

"Iets lekkers, bah, wat heb-je daar nu aan?" dacht hij.

De koele nachtlucht had hem huiverig gemaakt, en de warmte van het
bed deed hem behaaglijk aan. Hij stopte zich lekker toe, en sliep
werkelijk na een poosje weer in. Maar om vier uur werd hij weer wakker.

Hij stak zijn hoofd buiten de gordijnen, om te kijken of het licht
al door de half openstaande luiken drong, en hij zag, dat het nog
altijd nacht was.

"Moe,--Moeder!" riep hij zacht.

Maar er volgde geen antwoord.

"Moeder!--Moeder!" klonk het wat harder.

Moeder sliep door.

"Moeder!--Moeder!--Is het nóg nacht," riep Jantje met luider stem.

Zijne ouders werden er wakker van, en Dik maakte zich boos.

"Daar heb je dien drommelschen jongen alweer!" riep hij uit. "Wat
wil je toch?"

"De nacht duurt zoo lang!" huilde Jantje. "Wil u de luiken vast
openzetten? 't Is al lang dag, geloof ik. De klok gaat achter."

"En de zon zeker ook," zei Dik. "Ga lekker slapen, jongen, dan is het
morgen vóór je het weet. Wel te rusten, Jan, en je mond houden, hoor."

"Wel te rusten," zei Jantje met een snik en een zucht.

Nu kon hij echter den slaap in 't geheel niet meer vatten, en hij
verveelde zich schrikkelijk. Wel tienmaal begon hij tot duizend te
tellen, maar telkens raakte hij in de war, en eindelijk gaf hij het
op. Hij ging voor tijdverdrijf spelletjes doen. Eerst stak hij zijn
voeten zoo hoog mogelijk in de lucht, met de dekens er overheen.

"Nu is het een hooge berg," dacht hij. "Wacht ik zal er een man boven
op zetten, dan kan hij ver zien."

Hij liet zijn voeten zakken, en legde zijn kussen er op. Toen stak
hij het heele gevalletje voorzichtig in de hoogte, maar de man viel
telkens van den hoogen berg af, en kwam hem eenmaal precies op zijn
hoofd te liggen.

Eens bleef de man boven op den berg, en toen liet Jan den berg
instorten, zoodat de man geheel bedolven werd.

"Nu is hij morsdood," zei Jan. "Wacht, ik zal stil een stoel in mijn
bed halen. Dat is veel leuker."

Hij kroop voorzichtig uit zijn bed, greep een stoel, en klom er weer
heel zacht in. Zijn ouders hadden er niets van gemerkt. Hij legde
den stoel voorover, en ging er op zitten.

"Huup hit," zei hij. "Nu draven, zoo hard je kunt."

Hij hobbelde met den stoel op en neer, en hij verbeeldde zich, dat
hij op den hit van zijn Vader zat, en dat hij aan het harddraven was.

Soms gaf hij hem van achteren met zijn vlakke hand een harden klap
op de sporten.

"Au," zei Jantje, want het deed hem pijn, en hij likte zijne hand af,
omdat de pijn daardoor gauwer beter werd.

Toen zette de hit het op een loopen.

Met twee handen had Jantje de leuning te pakken, en hij hobbelde op
en neer. In zijne gedachten reed hij in vliegenden galop langs den
weg, en telkens gaf hij zijn harddraver een klap op de sporten. De
hit vloog hoe langer hoe harder, maar opeens begon hij te steigeren.

"Ha," mompelde Jantje, "hij krijgt weer eene koppige bui! Wacht,
ik zal hem leeren!"

Hij sloeg met beide handen op de houten ribben van zijn harddraver,
greep daarna de leuning, en trok den stoel daaraan in de hoogte.

O, o, wat steigerde dat beest woest!

"Huupla," schreeuwde Jantje opeens, want hij verkeerde in hevige
geestvervoering. Zijn vader draaide zich onrustig om in zijn bed. Hij
werd er half wakker van.

Jantje trok de leuning nog meer in de hoogte. De hit stond toen als het
ware loodrecht op zijn achterste pooten, en Jantje verbeeldde zich,
dat hij hem kwaadaardig hoorde brieschen. De hit nam een geweldigen
sprong, en bommerdebom,  daar viel Jantje met hit en al uit zijn bed
op den grond. Dat gaf een lawaai!

"Heeremenschen!" gilde Anneke, die verschrikt opvloog. "Daar valt
het huis in! Dik, Dik, het huis valt in. Jantje ligt er onder. Hoor
me dat kind eens gillen!"

Dik was ook verschrikt, en hij haastte zich op te staan. Vlug schraapte
hij een lucifer aan en stak de lamp op. En wat zag hij?

Jantje lag op den vloer met een stoel half over zich heen, en daarop
lag het kussen, dat den hit in zijn val gevolgd was.

En Jantje schreeuwde moord en brand, zoowel van schrik als van angst,
want hij was erg bang, dat zijn vader hem nu wel voor zijn broek zou
geven. Hij twijfelde daar zelfs niet aan.

Maar Dik kon onmogelijk boos blijven op zijn zoontje, en hij moest
er braaf om lachen, toen hij hem daar zag liggen.

"Wat voer je toch uit, jongen?" vroeg hij. "Je doet niet anders dan
spoken, en houdt ons den heelen nacht wakker."

"O Vader," schreeuwde Jantje, want hij vreesde altoos nog een beetje,
dat zijn Vader hem straffen zou, "ik was aan 't paardje-rijden op
onzen hit, en toen steigerde hij zoo,--o, o, o, en toen vielen we
alle twee het bed uit."

Toen moest Dik nog meer lachen, en Anneke lachte van den weeromstuit
meê. Dik pakte zijn zoontje op, en legde hem in bed.

"Zie zoo, nu ga je maar weer slapen, hoor. Ik zal je wel roepen,
als het dag wordt. Wel te rusten."

"Wel te rusten," zei Jantje. "Maar dit weet ik wel, dat een nacht
véél en véél langer duurt, dan een dag."

Een half uurtje later werd Dik alweer wakker gemaakt.

"Vader!--Vader!" hoorde hij roepen.

"Jongen, wat verveel je me vannacht," was zijn antwoord. "Wat is er
nu weer?"

"Vader, komt de zon vast elken morgen weer op?" vroeg Jantje met iets
twijfelmoedigs in zijne stem.

"Wel ja, Jan, vast en zeker, hoor! Als je maar geduld hebt."

"Maar Vader, is-ie nog nooit eens weggebleven?"

"Neen, nog nooit," zei Dik met een zucht. "Kijk maar door het raam. 't
Wordt nu ook al wat lichter. Als je nog een uurtje geslapen hebt,
is de nacht om, en dan ben je jarig. Over een uur zal ik je roepen."

"Ja Vader," zei Jan, en hij begon nog maar eens tot duizend
te tellen. Maar 't hielp hem niets, hij kon den slaap niet meer
vatten. Och, och, wat duurde dat uur hem lang. Hij luisterde naar het
tikken van de hangklok, tot hij opeens meende, dat zij stilstond. Hoe
hij ook luisterde, hij merkte het eentonige getik niet meer op. Toch
ging de klok nog wel, want een poosje later hoorde hij het weer.

Eindelijk was het uur om, en sprong hij uit bed.

"Vader," riep hij luid, "nu ben ik eindelijk dan toch echt jarig. Toe
Vader, wat krijg ik nu van u?"

"Ja jongen, je hebt me van nacht schrikkelijk verveeld, maar nu ben
je echt jarig, en ik feliciteer je wèl."

Dik stond op en nam Jantje in zijn armen, en kuste hem op allebei
zijn wangen. En toen gaf hij hem aan Anneke, die hem niet minder
hartelijk pakte.

Dik kleedde zich spoedig aan, en zei:

"Kom meê, Jan, dan krijg je je cadeau. Ik hoop maar, dat het je
bevallen zal."

Jan beefde van blijdschap en nieuwsgierigheid.

"Kan ik het echt opeten?" vroeg hij.

"Neen, dat was maar gekheid," zei Dik, terwijl hij Jantje bij de hand
pakte en hem meenam naar den stal. Hij opende de deur, en stapte met
zijn zoontje binnen.

En wat zag Jan daar?

Hij kon zijne oogen niet gelooven, want daar, vlak naast den hit,
stond een prachtige, bonte bok, met twee groote horens op zijn kop
en een lange sik aan zijn kin.

"Die bok!" riep Jantje verrukt uit. "Is die bok voor mij?"

"Ja, die bok is voor jou," zei Dik lachend, en hij zag met innige
blijdschap, hoe gelukkig dit geschenk zijn zoontje maakte.

Jan sprong als een kleine dolleman in 't rond, en hij klapte in
de handen.

"O, dank u, dank u!" riep hij uit. "O, o, wat een mooie bok is
dat. Kijk eens, hij heeft prachtige horens!"

"Ja, hè?" zei Dik.

"En een sik!" ging Jan voort.

"Bè, bè, bè-è-è-è!" blaatte de bok.

Jantje's vreugde kende geen grenzen.

"O, hoor eens, hij kan schreeuwen ook. O, wat eene mooie stem,"
riep Jan opgetogen.

In de vreugde zijns harten liep hij op den bok toe en wilde hem zijne
armen om den nek slaan, maar de bok scheen daar niet van gediend,
want hij ging op zijne achterpooten staan, stak den kop omlaag en
drukte zijn groote, kromme horens zoo stevig tegen Jans smalle buikje,
dat Jantje achterover tegen het houten beschot terecht kwam.

"O, dat mag hij wel doen," zei Jantje, die in zijn bok allerminst
eenige kwade eigenschap wilde ontdekken. Maar toch kroop hij schielijk
overeind en maakte zich uit de voeten.

"Toe Vader, mag hij eens uit den stal komen?" vroeg hij, want dáár
kon de bok hem niet tegen een muur stooten.

"Wel zeker," zei Dik, die het wel grappig gevonden had, toen de bok
zijn zoontje zoo onvriendelijk ontving.

Hij maakte den bok los en bracht hem in den tuin. Eigenlijk was de
tuin alleen bleekveld. Hij was rondom door schuren omringd, behalve
aan den achterkant, waar zich een breede sloot bevond. Jantje mocht
daar soms wel eens graag hengelen.

Toen de bok den stal verlaten had en rondom zich het welige gras
ontdekte, begon hij dadelijk te grazen. Jantje ging bij hem staan,
en streelde hem met zijne hand langs den nek.

Hij was méér dan blij met zijn verjaargeschenk; hij had wel kunnen
gieren van blijdschap. De bok liet hem stilletjes begaan, ook toen
Jan hem zijn arm om den hals sloeg.

"Wat is hij mak, Vader," zei hij.

"Ja, daar heb ik hem ook op gekocht," zei Dik. "'t Moet een mak beest
zijn, en een flink looper."

"Hè ja, nu moest ik ook nog een wagen hebben," zei Jantje
begeerig. "Wat zou ik rijden."

Vol teederheid liet hij zijn beide handen langs het lichaam van zijn
bok glijden, en hij streelde het korte staartje. De bok scheen het in
't geheel niet onpleizierig te vinden, en deed niet anders dan eten.

"Zou ik er zoo ook op kunnen rijden?" vroeg Jantje.

"Wel ja, ik denk het wel," zei Dik. "Hij is sterk genoeg, en zal niet
in tweeën breken."

Dat vond Jantje heerlijk, en met een wip sprong hij op den bok. Maar
deze vond het allesbehalve prettig. Hij sprong met zijn achterpooten
in de hoogte, om Jantje van zijn rug af te gooien, en toen dat niet
hielp, sprong hij met de voorpooten omhoog.

Vader Dik schaterde het uit van de pret.

"Houd je goed, Jantje", riep hij zijn zoontje toe. "Laat je niet van
de vliegen steken!"

"Be, bè, bè-è-è-è!" schreeuwde de bok nijdig. Het beest was meer dan
kwaad. Opeens nam hij een grooten sprong, zoodat Jantje toch haast van
zijn rug afviel, en zette het op een loopen. Met echte bokkesprongen
holde hij het bleekveld over. 't Ging vliegensvlug, en Jantje vond
't razend prettig. Zijn Vader ook. Die moest er onbedaarlijk om lachen.

De bok was echter op een hem onbekend terrein, en daar hij te kwaad
was om goed uit zijn oogen te kijken, sprong hij opeens pardoes in
de sloot. Dat gaf een plons van belang, en voor een oogenblik waren
èn bok èn berijder onder 't water verdwenen.

Toen lachte Dik niet meer. Integendeel, een hevige schrik maakte
zich van hem meester, en hij ijlde naar den slootkant. Maar daar zag
hij niets.

Ja toch, er verscheen een hoofd boven water....

Helaas, 't was de kop van den bok. 't Kroos zat hem aan de groote
kromme horens.

"B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!" blaatte hij angstig.

"Jantje! Jantje!" schreeuwde Dik.

Daar verscheen ook Jantje's hoofd boven de oppervlakte.

"Vader, ... help, ... ik ... hik, hik, ... ik, hik verdrink!"

Dik bukte zich en greep Jantje bij de haren.

"B-è-è-è-è! B-è-è-è-è!" schreeuwde de bok.

Dik trok zijn zoontje op den wal. Daar stond het kereltje, druipend
van het water.

"O Vader, m'n bok! M'n bok!" jammerde Jantje.

Dik boog zich nogmaals, en greep met beide handen de horens van den
bok. 't Kostte hem echter vrij wat moeite om het beest op den wal te
krijgen, doch het gelukte hem toch.

Jantje werd naar binnen gestuurd, om droge kleeren aan te trekken,
en de bok moest in den stal.

Moeder Anneke was ook niet weinig geschrokken, want zij had het
angstgeschreeuw duidelijk gehoord. Zij stond op,--want dat alles
gebeurde zeer vroeg in den morgen--en  hielp Jantje aan droge kleeren.

De kleine vent stond te bibberen van de koû, maar hij was toch erg
blij met zijn bok.

"B-b-b-b-b--wat een b-b-b-b--mooie b-b bok, Moeder," zei hij opgetogen,
terwijl de rillingen hem langs zijn mageren rug gingen. En zijn
spillebeentjes trilden zoo erg, dat Jantje er haast niet op staan kon.

"Dat was me daar 'n mooie geschiedenis!" zei Dik
binnenstappende. "Jantje ging op den bok zitten, en daar sprong me
dat beest pardoes in de sloot. 't Was een bespottelijk gezicht."

"Leeft hij b-b-b-b-b-nog, Vader?" vroeg Jantje.

"Of hij!" zei Dik.

"Zou hij b-b-b-b--niet dood--b-b-b-b gaan?" vroeg Jantje, niet zonder
eenigen angst, dat het koude bad zijn mooien bok kwaad kon hebben
gedaan. En hij vervolgde:

"Hè b-b-b-b, dat hemd is b-b-b-b-lekker warm, Moeder. Brrr, wat ben
ik koud."

"Ja, dat wil ik wel gelooven," zei Dik, "Je gaat ook direct weer naar
je bed, om goed warm te worden, door en door warm."

Jantje had daar wel niet veel ooren naar, maar het gebeurde
toch. Enkele minuten later lag hij weer diep onder de wol. Daar werd
hij al spoedig lekker warm, want zijn moeder had er nog een paar
dekens extra bijgedaan.

Lang hield Jantje het er echter niet uit. Een half uur later kreeg
hij zijn Zondagsche pak aan en stapte hij naar buiten, om weer naar
zijn bok te gaan kijken. Deze stond heel rustig bij den hit gemaaid
gras te eten, en hij keek Jantje aan of hij zeggen wou:

"Dat was een rare geschiedenis, hè Jan?"

Jan kon zijn bok niet genoeg aankijken, zoo mooi vond hij hem.

"He," dacht hij, "als ik nu een wagentje had en een tuig, dan was ik
heelemaal klaar. Wat zou ik dan heerlijk rijden. Had ik vast maar een
wagentje, dan zou ik zelf wel een tuig maken. Karel van Dril zal er me
wel aan helpen.--Wacht, daar hoor ik Grootvader in zijn tuintje. Ik
ga gauw naar hem toe, om het te vertellen, dat ik zoo'n mooien bok
heb gekregen."

Vlug begaf hij zich naar de woning van zijne grootouders. Zijn
Grootmoeder kwam hem al tegemoet, en féliciteerde hem met zijn
verjaardag. En ze zei:

"Ga maar gauw mee naar Grootvader in den tuin."

"En o, Grootmoê," zei Jan, "ik heb zoo'n prachtigen bok gekregen van
Vader en Moeder, toch zòò mooi, o zoo mooi!"

Grootmoeder sloeg van verbazing de handen in elkaar.

"Een bok?" riep zij opgetogen uit. "Een echte, levende bok?"

"Ja, ja, een echte levende bok, en we hebben samen al in de sloot
gelegen ook. Ik zat boven op zijn rug, en toen vloog hij van kwaadheid
de sloot in. Vind u het niet heerlijk, Grootmoe?"

"Dat je in de sloot gelegen hebt?"

"Neen, dat ik een bok heb," lachte Jantje. Samen gingen ze den tuin
in, naar Grootvader.

Deze kwam hem vroolijk lachend tegemoet.

"Dag Jan, wèl geféliciteerd met je verjaardag."

"Dank u, Grootvader!" schreeuwde Jantje, die wel wist, dat Grootvader
hem anders niet verstond. "Ik heb een bok gekregen! O, zoo mooi. Gaat
u mee kijken?"

"Wat moet jij met eene klok doen, kind?" vroeg Grootvader, die zich
hield, of hij hem niet verstaan had.

"Neen, neen, geen klok, maar een bok!" schreeuwde Jantje.

"Een bok? Wat heb je aan een bok, als je geen wagentje hebt?" ging
Grootvader plagend voort. "Ik zou hem maar aan den slager verkoopen!"

Jantje keek zijn Grootvader diep verontwaardigd aan.

"Dat nooit!--Nooit, hoor Grootvader!" riep hij uit.

Grootvader scheen hem echter niet te hooren. Hij stond in gedachten
verdiept, en streek met zijn wijsvinger peinzend langs zijn
neus. Eindelijk zei hij:

"Wacht eens, Jan. Ik geloof, dat ik nog wat ouden rommel heb, waar
misschien wel een wagentje van gemaakt kan worden. Ga maar eens mee
naar 't schuurtje."

"Dat zou mooi wezen, Grootvader," zei Jantje blij.

De schuur werd geopend, en daar stond me zoo waar een prachtige
bokkewagen kant en klaar. Grootvader had hem zelf getimmerd, heel
stilletjes, zoodat Jantje er niets van gemerkt had. O, o, wat lachten
Grootvader en Grootmoeder ondeugend.

"Wel, hoe lijkt je dat, Jan? Vind je dat wagentje mooi?"

Jantje werd beurtelings bleek en rood, want hij begreep wel, dat het
wagentje voor hem was, en toch durfde hij het haast niet te gelooven.

"Of ik het mooi vind?" stamelde hij met bevende lippen, "'t Is prachtig
mooi, Grootvader, prachtig, prachtig mooi!"

En meteen vloog hij Grootvader om den hals en kuste hem, dat het
klapte, en toen kreeg Grootmoeder eene beurt. Zij bezweek er bijna
onder.

Jantjes vreugde kende geen grenzen. Hij nam het lemoen op, en trok
het wagentje naar zijn huis, waar Vader en Moeder het dadelijk
moesten zien.

"Had ik nu nog maar een tuig," zei Jantje, "dan was ik heelemaal
klaar. Ha, wat zou ik rijden!"

"In de hangkast liggen nog wel een paar oude riemen," zei z'n
moeder. "Daar is misschien, als Grootvader of Vader je helpen wil,
nog wel een goed tuigje van te maken."

"Oude riemen?" zei Jantje, "hebben wij nog oude riemen? Die zouden
mij goed te pas komen."

Hij deed de deur open. Zijne ouders stonden lachend naar hem te kijken.

In plaats van een paar oude riemen zag Jantje tot zijne groote
verrassing een prachtig bokketuig hangen, als een geschenk van
zijne moeder.

Hij slaakte een kreet van vreugde, nam het tuig uit de kast, en begon
als een dolle door de kamer te springen.

"Rinkinkeleking! Ringeling! Rinkinkeling-king!" klonk het. Dat kwam
van de bellen, die met twee mooie pluimen op het tuig bevestigd waren.

"Hoor eens! Hoor eens!" riep Jantje verrukt. "O, o wat mooi. O, ik
weet zelf niet, hoe mooi het is. Nu den bok inspannen, Vader! Laten
we hem dadelijk inspannen!"

Dat gebeurde. De bok werd uit den stal gehaald en voor den wagen
gezet. De tuigen werden hem omgehangen, en Jantje stapte in.

"Waar is mijn zweep?" vroeg hij.

"Hier," zei Dik. "Maar één ding mag je nooit vergeten: sla den bok
niet, als het niet noodig is."

"Slaan, Vader?" vroeg Jantje. "O neen, mijn bok sla ik niet. De zweep
is alleen maar voor 't mooi. Huup bok! Allo!"

Daar ging de bok, tot groote vreugde van Jantje, die in het wagentje
zat als een kleine prins. Zijn ouders en grootouders keken hem lachend
na, want zij vonden het bijna even prettig als Jantje zelf.

"Als hij maar niet in de sloot rijdt!" zei zijne moeder, die wel een
beetje bezorgd was.

"Laat hem maar begaan," zei Dik met vadertrots. "Hij is mans genoeg,
de kleine baas. Wat is 't een mooi stelletje, hè?"

En grootvader zei:

"Wil ik je eens wat zeggen, Dik? Jantje is ook een bizonder kind,--en
dat is-ie."

"Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou," lachte Dik.




Zevende Hoofdstuk.

    Hoe Jantje uit rijden ging, en bij slot van rekening een
    dwaze vertooning maakte.


Wat reed Jantje heerlijk. Zijn bok stapte parmantig over den weg,
met den kop fier opgeheven, en Jantje hield de leidsels in de eene en
de zweep in de andere hand. De pluimen op den rug van den bok wuifden
sierlijk heen en weer, en de bellen rinkelden zoo mooi, dat het een
lust was om te hooren.

Eerst reed Jantje natuurlijk naar zijn vriendje Karel van Dril, en die
keek zijne oogen uit naar 't mooie spannetje. Hij was er jaloersch op,
maar hij gunde het Jantje toch wel. En zijn vader, de smid Piet van
Dril, kwam ook naar buiten, om het mooie span te bewonderen.

"Dat is een prachtig stelletje, Jan!" zei hij, nadat hij Jantje
gefeliciteerd had. "De bok is mooi, de wagen is  mooi, het tuig is
mooi, en het koetsiertje is ook mooi."

"Alleen een beetje mager," zei Jan Vos, de metselaar, die juist
voorbij liep.

"Mag ik met je meerijden?" vroeg Karel. "Toe zeg, schik een eindje om,
dan kom ik naast je zitten."

Dat gebeurde, en de twee vrienden reden verder.

Al spoedig hadden zij heel wat jongens om hen heen, die het allen een
mooi gerij vonden. En allen vroegen om de gunst, of zij ook eens een
eindje mochten rijden.

"Toe Jan, mag ik ook eens?" vroeg de een.

"Neen zeg, laat mij dan liever," zei een ander. Jan antwoordde niet
veel, want hij wist wel, dat daar geen beginnen aan was. Hij kon alle
jongens van het dorp toch niet bij zich in het karretje nemen.

Maar de jongens werden er niet boos om. Zij begrepen zelf wel, dat
het niet ging, en vonden het al prettig met den bok mee te loopen.

"Huup sik! Huup sik!" riepen de jongens. Maar de bok had zijn eigen
willetje en liet zich niet voortjagen. Hij stapte met krachtigen tred
verder, zonder zich aan het roepen van de jongens te storen.

Dicht bij de school kwamen zij Klaas Zwart tegen met diens vriendje
Frans Thor. De jongens hielden niet van hen en gingen liever niet
met hen om, want 't waren twee vervelende jongens.

Zij hadden altoos ontzaglijk veel praats, konden niemand ongemoeid
passeeren, wierpen winkeldeuren open, trokken onnoodig bij de menschen
aan de schel, en plaagden, waar zij maar plagen konden. Aan Klaas
Zwart had Jantje al een hekel gehad, zoolang hij hem kende, omdat hij
een klikspaan was. Frans Thor was later op het dorp komen wonen. Hij
was een verwaarloosde ruwe jongen, die geen moeder had en met zijn
vader samen in een huisje woonde. Zijn vader was soldaat in Indië
geweest, en leefde van een pensioentje. Hij deed zijn huishouden zelf,
veegde zelf den vloer, kookte zijn eigen potje, en maakte zelf de
bedden op. Om de opvoeding van Frans bekommerde hij zich bizonder
weinig. Algemeen stond hij bekend als een pochhans, die wel heel
veel wist te vertellen van zijn heldendaden in Indië, maar die er
zooveel bij jokte, dat hij door niemand werd geloofd. En Frans jokte
ook niet zoo'n beetje. Al spoedig had hij op het dorp geen vriendje
meer kunnen krijgen, en daar Klaas Zwart in hetzelfde geval verkeerde,
liepen ze meestal samen. En ze deden gewoonlijk niet veel goeds.

Zoodra zij den bok van Jan in 't oog kregen, kwamen zij haastig
toeloopen, elk met een stok in de hand.

"Wel heb ik van m'n leven!" riep Frans uit. "Kijk Jan Trom eens
geuren! Huup Sik, allo, vooruit!"

Maar de bok stoorde zich aan dat bevel niet, en bleef kalmpjes
doorstappen. Hij hief den kop eventjes op, en keek Frans aan.

"'t Is het bokje wèl!" ging Frans voort. "Hij loopt niet harder dan
een slak. Zeg Jan, je moet hem eens met de zweep kietelen, dan zal
hij wel beter voortmaken."

"Hij loopt hard genoeg," zei Jan. "Toe bok, vooruit!"

"'t Is een oud, afgeleefd beest!" zei Klaas Zwart smalend. "Hij heeft
de rumathiek in zijn pooten."

"Als jij maar niet de rumathiek hebt," gaf Jan beleedigd ten
antwoord. "Hij kan harder loopen dan jij."

"Ha, ha!" lachte Klaas. "Zoo'n stijve huut. Je moet hem smeren met
machine-olie; zijne botten zijn wat stijf."

"Met stok-olie!" zei Frans Thor grinnekend, terwijl hij den bok een
klap met zijn stok op den rug gaf.

De bok ging op zijn achterpooten staan.

Jan werd wit van kwaadheid, en Karel van Dril zei:

"Wil jij met dien stok wel eens van hem afblijven, of ik zal je met
datzelfde houtje je portie geven."

Die bedreiging hielp voor een poosje. Maar nu gingen Frans en Klaas
van achteren tegen het karretje duwen, zoodat de bok gedwongen werd
op een draf te loopen. De andere jongens hielden zich een beetje op
een afstand, want ze waren bang voor de twee plaaggeesten, vooral
voor Frans Thor, die een paar jaar ouder was.

Jan hief zijn zweep op, en wilde de jongens dwingen de kar los te
laten. Maar Frans greep de zweep onverwachts aan, en rukte haar Jan
uit de handen.

"Wat denk jij wel, magere sprinkhaan," zei hij sarrend. "Denk je soms,
dat ik bang voor je ben? Voor geen tien zulke kereltjes als jij. Ho,
bok, ho!"

De bok liep echter door, en daarom hielden Frans en Klaas de kar zoo
hard zij konden tegen.

Jan keerde zich driftig om.

"Laat je de kar los!" riep hij hun toe. "Laat los, zeg ik je, of ik
sla er op!"

De twee plaaggeesten lachten hem smakelijk uit. Karel van Dril was
zijn drift ook niet langer meester, en wilde van de kar stappen. Maar
Jan hield hem tegen.

"Hier," zei hij, "houd jij de leidsels even vast."

Vlug sprong hij uit de kar, en nog voor Frans er op verdacht was, vloog
Jan op hem aan. Deze zag wit van kwaadheid. Met eene vlugge beweging
rukte hij hem de zweep uit de hand, en in 't volgende oogenblik had
Frans een geduchten striem dwars over zijn gelaat te pakken.

Klaas Zwart zag, dat het ernst werd en maakte, dat hij op een
eerbiedigen afstand kwam, want hij was laf van aard. Maar Frans
niet. Deze was de grootste en sterkste, en de zweepslag had
hem vreeselijk nijdig gemaakt. Hij kon een kreet van pijn niet
onderdrukken, en de tranen sprongen hem in de oogen. Woest viel hij
op Jan aan, die de zweep alweer opgeheven had, om hem een tweeden
striem te geven.

"Laat de kar los, zeg ik je!" riep hij Frans toe.

"Dat zal ik," antwoordde Frans, en hij greep Jan met beide handen
aan. Jan liet zijne zweep op den grond vallen, om zich beter te
kunnen verweren.

"Geef hem zijn portie, Frans!" schreeuwde Klaas Zwart uit de
verte. "Als je 't alleen niet afkunt, zal ik je wel komen helpen."

"Daar moest je 't hart eens toe hebben," riep Karel van Dril
terug. "Dan krijg je 't met mij te doen."

De twee jongens waren geducht met elkaar aan 't worstelen, en iedereen
dacht, dat Frans het gemakkelijk winnen kon, omdat hij zooveel ouder
en sterker was, maar Jantje was de vlugste. Hij wist al spoedig
tusschen Frans' armen door te glippen, liet zich vliegensvlug op
zijne knieën vallen, greep Frans bij de beenen, en liet hem in een
ommezien een buiteling maken. Daar lag Frans lang-uit op den grond,
tot groot vermaak van de jongens, die hem zijne smadelijke nederlaag
van harte gunden.

"Ha, ha, daar ligt de praatsmaker!" riepen ze juichend. "Waar blijf
je nu met je praats?"

Jan nam den stok van Frans en gaf hem een geducht pak slaag, veel
te hard naar den zin van Frans, die schielijk overeind kroop, en
beenen maakte.

Wat werd hij uitgelachen! En wat hadden de andere jongens een pret.

Maar Klaas Zwart en Frans Thor lachten niet, en Frans was niet van
plan den strijd op te geven.

Jan stapte weltevreden over de behaalde overwinning weer in zijn
karretje, nam de leidsels van Karel over, en zei:

"Huup bok! Vooruit maar weer.--Dat viel Frans Thor niet meê, hè
Karel? Wat heeft hij gehad!"

"En wat buitelde hij lekker over den grond," grinnikte Karel
vroolijk. "Zij zullen wel niet spoedig terugkeeren."

Dat had hij echter mis.

Frans en Klaas stonden eerst van uit de verte een poosje te schelden.

"Magere sprinkhaan!" schreeuwde Frans.

"Panlat!" smaalde Klaas.

Maar langzamerhand kwamen zij naderbij. Zij liepen al scheldend een
eindje voor den bok uit.

"Hij is zoo oud als je grootvader!" schreeuwde Klaas.

"Verkoop hem aan den slager!" zei Frans. "Die kan misschien nog worst
van hem hakken."

"Niets terugroepen, Jan," raadde Karel aan. "Dan hebben zij er het
minste pleizier van."

De afstand tusschen den bok en de twee scheldende jongens werd
voortdurend kleiner. De bok stapte flink, de pluimen op zijn rug
wapperden prachtig, en de bellen rinkelden helder en luid. Jantje
genoot méér, dan hij zeggen kon. 't Verveelde hem echter geducht,
dat die twee akelige jongens vlak voor zijn bok bleven loopen. Dat
vergalde zijn genoegen. En zij hielden niet op, den gek met zijn bok
te steken, wat hem erg griefde.

Klaas Zwart ging eindelijk vlak voor den bok loopen. Dan liep hij
erg kreupel en met kromme beenen, en riep voortdurend:

"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!"

De bok lichtte zijn kop op en keek den jongen nijdig aan. 't Scheen
wel, of hij begreep, dat die jongen hem voor den gek hield.

"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è! schreeuwde Klaas plagend. "O, wat heb ik 'n
rumathiek in mijn pooten. Bè-è-è-è!"

De bok schudde den kop, en riep ook:

"Bè-è-è-è! Bè-è-è-è!"

"Zie je wel, hij is het met mij eens!" grinnikte Klaas, die met kromme
beenen en in een gebogen houding voor den bok uitliep.

Plotseling schoot de bok op een drafje vooruit, wat zoo overwachts
gebeurde, dat Jan en Karel bijna achterover uit de kar sloegen. Daarop
sprong de bok op zijn achterpooten overeind, en gaf Klaas zoo'n
geduchten stomp in zijn rug, dat deze voorover op den weg tuimelde.

"Au, au, au, o, wat is dat!" schreeuwde Klaas.

"Bom!" daar drukte de bok hem nog eens met kracht zijne horens in
den rug.

"Au, au, o, o, au!" jammerde Klaas.

Op handen en voeten poogde hij zich te redden.

"Bom!"

De bok drukte hem nogmaals plat op den grond.

Klaas zag doodsbleek van den schrik. Hij spartelde met armen en beenen,
en schreeuwde moord en brand.

Jan en Karel vielen haast uit de kar van het lachen, 't Was dan ook
een bespottelijk gezicht.

Klaas wist geen raad van angst en pijn.

"Help!" riep hij. "Frans, help,--help! Hij maakt me dood!"

Hulp was echter niet meer noodig, want de bok hield uit eigen beweging
met zijn afstraffing op. Hij dacht zeker, dat Klaas het er zóó wel
meê doen kon. Zonder zich aan de leidsels te storen, keerde hij om,
en stapte bedaard verder in de richting van Jan's huis. Dat was
maar goed ook, want het werd tijd, dat Jantje naar huis ging om te
ontbijten. 't Was al over achten, en om negen uur begon de school.

Jan en Karel schoten telkens nog in een lach, als zij aan het malle
figuur van Klaas dachten.

"Hij zal nu wel ondervonden hebben, dat de bok niet rumathiekerig is,
en dat hij nog kracht in zijne horens heeft," meende Jantje, en dat
was Karel volkomen met hem eens.

En wat Vader Dik lachen moest, toen hij het hoorde.

"'t Is bepaald een verstandige bok," zei hij tegen Jan. "Hij begreep
wel, dat die jongen hem voor den gek hield. Maar voortaan zal Klaas
Zwart hem wel uit de voeten blijven."

"Dat denk ik ook," zei Jan.

Den geheelen dag op school moest hij, of hij wilde of niet, aan zijn
mooien bok denken, en aan het leuke karretje, dat zijn grootvader
voor hem getimmerd had, en aan het prachtige tuig met de pluimen en
de rinkelbellen, en de meester had een onoplettenden leerling aan hem,
wat hij niet van hem gewoon was. 't Scheelde dan ook maar een beetje,
of hij had zoowel 's morgens als 's middags school moeten blijven. Bij
't rekenen maakte hij meer dan de helft van de sommen fout, en bij
't lezen wist hij niet, waar hij beginnen moest.

De meester werd eindelijk knorrig op hem.

"Jij moest beter opletten, Jantje, anders worden wij kwade vrienden."

Jan zat toevallig naast Klaas Zwart, en hij kon den jongen, niet
aankijken, zonder te lachen.

"Heb je nog pijn in je rug?" vroeg hij fluisterend.

Klaas keek hem aan als een nijdige spin.

"Zou het misschien rumathiek kunnen wezen?" plaagde Jantje.

"Magere sprinkhaan! Panlat!" siste Klaas tusschen de tanden, en
telkens voelde hij aan z'n rug, die geducht pijn deed.

"Stilte daar!" gebood de meester. "Ik geloof, dat er een paar jongens
zijn, die graag willen nablijven."

Zoover kwam het echter niet, en om vier uur mocht Jantje naar
huis. Karel holde met hem meê, dat spreekt van zelf. Kwart over vieren
stond de bok alweer voor de kar. De beide vrienden namen plaats, en
daar ging het heen. De bok stapte weer even deftig als 's morgens,
en hij keek eigenwijs om zich heen, de bellen rinkelden en de pluimen
wapperden. De jongens vonden het prachtig, en zij reden het heele dorp
door. 't Bleek een prettig dier te zijn. Als de jongens even uit de kar
stapten, om naar een vink te zoeken, die zij hoorden fluiten in het
riet aan den kant van het kanaal, bleef hij geduldig wachten. Alleen
ging hij een weinigje zijwaarts, om op den berm wat gras te eten.

Een eindje voorbij de Roomsche kerk, die aan het einde van het dorp
stond, was de timmerwinkel van baas Meijer, bij wien Jans grootvader
vroeger gewerkt had. Naast den winkel stond een kleine houtzaagmolen,
want Meijer zaagde zijn hout zooveel mogelijk zelf. Er lag dan ook
altoos vóór dien molen in het kanaal een vlot balken in voorraad,
en op die balken gingen de jongens dikwijls spelen. Menigeen had
daar al een paar natte voeten gehaald, en sommigen zelfs een nat
pak. Want die balken waren maar losjes aan elkander verbonden, en
het gebeurde dikwijls, dat zij omkantelden, als de jongens er over
liepen. Er behoorde dan ook heel wat behendigheid toe, om geheel
droog te blijven, als zij er op speelden.

Toen de jongens de houtzagerij bereikt hadden, zei Karel:

"Zeg Jan, willen we eventjes balkje-loopen? Dat is zoo lekker."

Daar had Jantje wel zin in.

"Zou de bok blijven staan?"

"Wel ja,--de bok loopt niet weg. En al was dat zoo, dan kunnen we
hem toch gemakkelijk genoeg inhalen."

"Dat is zoo," zei Jan.

De jongens stapten uit de kar. Jan keerde den bok om en bracht hem
op een plaatsje, waar veel gras en klaver groeide.

"Daar staat hij heerlijk!" zei hij.

Toen gingen de jongens op het vlot, en wipten van den eenen balk op
den anderen. Soms stonden zij met de armen om elkaars hals geslagen
op het einde van een balk, die dan door hun zwaarte langzaam onder
water zonk. Maar vóórdat het water hun voeten bereikte, sprongen zij
vlug naar het hooger gelegen deel van den balk.

En dan lachten zij luidkeels van de pret.

Dat deden zij ook, als een van de balken onder hunne voeten omkantelde,
want dan moesten zij zich door vlugge sprongen redden.

Jantje was een echte waaghals. Dat kwam, omdat hij verbazend lenig
was en nog nooit een ongeluk had gehad.

"Ik moet een beetje voorzichtig wezen," zei hij wijs tegen Karel.

"Waarom?" vroeg deze.

"Wel, ik heb mijn Zondagsche pak aan, doordat ik van morgen vroeg
kopje-onder in de sloot gelegen heb. En als ik nu met mijn mooie
pak weer in 't water viel, zou Moeder me zien aankomen, dat begrijp
je. Jongen, wat zou ik er van lusten!"

"Nou, dat snap ik," zei Karel.

En nauwelijks had hij dat gezegd, of hij merkte, dat zijn paal
omkantelde en dat hij dus veel kans had, naar beneden te rollen. Met
een vlugge beweging sprong hij op den balk, waarop Jan stond, maar
door den schok kantelde deze ook.

Plomp! Daar zakte Jantje tot aan zijn middel in het kanaal. Karel
viel achterover op het vlot, zoodat hij vrij droog bleef.

"O wee!" schreeuwde Jantje, met groote oogen van schrik en angst. Hij
had zijn arm nog om den paal geslagen.

Vlug als hij was, hief hij zich met kracht in de hoogte, en in 't
volgende oogenblik stond hij weer op het vlot. 't Water droop hem
uit zijne Zondagsche broek langs zijne dunne beentjes naar beneden.

Karel schaterde het intusschen uit van pret.

Maar Jantje lachte in 't geheel niet. Hij stapte zonder een woord
te spreken van het vlot af op den kant, en keek zwijgend naar zijn
natte broek.

Karel kwam bij hem.

"Wat zat je daar koddig met je hoofd boven dien paal uit!" zei hij
lachend. "Ik wou, dat je het gezien hadt."

"Ik vind het heelemaal niet koddig!" zei Jantje. "Ik kan me niet
begrijpen, dat je dit nou zoo grappig vindt. Zeg Karel, ik durf zoo
niet naar huis toe, hoor."

"O, ik weet wel raad," zei Karel. "Trek allebêi je broeken uit en je
kousen. Dan neem jij het eene einde en ik het andere, en we draaien
in tegengestelde richting. Op die manier wringen wij al het water er
uit, en dan is het dadelijk droog."

"Is het waar?" vroeg Jantje, met een flikkering van hoop in zijn oogen.

"Stellig!" zei Karel. "Vader heeft wel eens verteld, dat hij het ook
deed, toen hij nog een jongen was. Trek maar uit."

Dat deed Jantje, en al spoedig stond hij met bloote beenen in
het gras. Toen gingen de twee jongens aan het wringen. Eerst de
onderbroek. Karel nam het bovengedeelte en Jantje de pijpen. Karel
draaide van rechts naar links, en Jantje van links naar rechts. En
zij waren zoo in die bezigheid verdiept, dat zij niet zagen, dat
Frans Thor en Klaas Zwart naderden, ieder weer met een stok in de
hand en niet veel goeds in den zin.

Deze twee hadden gezien, wat er gebeurd was, en daar zij nog boos
waren over de nederlaag, die zij 's morgens hadden geleden, besloten
zij wraak te nemen.

Aan den anderen kant van den weg slopen zij zooveel mogelijk ongemerkt
nader, en kwamen meer en meer bij de plaats, waar de bok rustig stond
te grazen.

Juist waren Jan en Karel met de onderbroek klaar gekomen, die zij
op het gras uitspreidden om te drogen, toen de twee vijanden met
een woesten kreet opsprongen, vlak achter den bok, die er geweldig
van schrikte. En dat werd nog erger, toen de jongens hem met hunne
stokken hard op den rug sloegen, en schreeuwden:

"Huup bok, huup bok! Allo! koesssss!"

De bok zette het verschrikt op een loopen, het dorp in. Hij holde
voort, zoo hard hij kon. Van bokkendeftigheid was bij hem geen sprake
meer, hij holde voort als een wild paard.

"Koesssss! Koesssss!" schreeuwden Frans en Klaas hem na.

"Dát is gemeen!" riep Jan verschrikt en verontwaardigd uit, en zonder
te bedenken, dat hij geen broek aan had, sprong hij op, en ijlde zijn
bok na.

Maar deze was hem een geducht eind voor, en rende al midden in het
dorp. Jantje liep wat hij loopen kon, om hem in te halen.

De menschen bleven lachend staan, om de twee hardloopers na te
kijken. 't Was dan ook een dwaas gezicht, dien bok te zien hollen,
met de rinkelende bellen en de wapperende pluimen op zijn rug, terwijl
de leidsels langs de kar zwierden, maar nog veel maller was het Jantje
te zien, die zonder broek zijn bok naholde.

Jantje met zijne dunne beentjes liep het hardst. De keisteentjes deden
wel pijn aan zijne bloote voeten, maar hij voelde het niet, en dat de
menschen om hem lachten, merkte hij evenmin. Hij dacht maar alleen aan
zijn mooien bok. Tot zijn vreugde bemerkte hij, dat hij op hem won, en
dat hij hem misschien nog kon inhalen, voordat hij de brug had bereikt.

Plotseling echter zag hij, dat de bok gegrepen werd. Iemand met
een mandje aan den arm sprong op den weg, en greep den bok bij den
teugel. Daar was Jantje blij om, tot hij opeens zag, dat die man zijn
vader was.

"Hei, hei, wat is dat voor een malle vertooning?" riep Dik zijn
zoontje toe, die hijgend bij den bok stond.

"De jongens hebben hem op hol gejaagd, Vader," zei Jantje, die zijn
vader een beetje uit de voeten bleef.

"Maar hoe komt het, dat jij hier zonder broek langs den weg rent?" ging
Dik voort.

Jantje zweeg.

"Allo, spreek op, mannetje. Waar zijn je broeken, en je kousen en
je klompen?"

"O Vader, ik had ... ik ... ik was ... ik ... had ... ik ..."

"Ik had en ik was en ik was en ik had!" viel zijn Vader in. "Ik was
een ondeugende jongen en ik had een pak slaag verdiend, wil je zeker
zeggen, hè?"

Jantje deed een paar stappen achteruit.

"Spreek op, Jantje, wat is er gebeurd?"

"Ik was in 't kanaal gevallen, Vader, en omdat ik mijn Zondagsche
broek aan had, dorst ik niet thuis te komen, en toen..."

"En toen?"

"Toen hebben Karel en ik mijn broek uitgewrongen, maar toen hebben
Frans Thor en Klaas Zwart den bok op hol gejaagd..."

"En toen ben jij den bok achterna gehold?" vroeg Dik, en opeens
begon hij er smakelijk om te lachen, want hij vond het een koddige
geschiedenis.

"Dat is tweemaal vandaag, Jantje!" zei hij. "Pas maar op, dat je er
niet voor den derden keer invalt. Vooruit, stap in de kar en haal je
kleeren. En ik zou dat wringen verder maar aan Moeder overlaten. Je
gaat direct naar huis, hoor."

"Ja Vader," zei Jantje, die blij was, dat het zoo goed afliep. "Maar
van Frans en Klaas is het een gemeene streek."

"Dat is het," zei Dik.

Jantje stapte in de kar en reed naar het vlot terug, waar Karel op de
natte plunje paste. Jan kleedde zich weer behoorlijk aan, en reed naar
huis terug. Zijn Moeder vond de geschiedenis lang zoo grappig niet als
Vader Dik, maar omdat Jantje jarig was, liep alles nog al goed voor
hem af. Hij kon zijn daagsche pakje weer aantrekken, dat intusschen
gedroogd was, maar met den bok mocht hij dien avond niet meer rijden.





Achtste Hoofdstuk.

    Jantje krijgt het met Flipsen te kwaad, en dankt aan zijne
    magere leden zijne redding uit een dreigend gevaar.


Hoe ouder Jantje werd, des te meer gingen zijne kameraden van hem
houden. Dat was volstrekt geen wonder, want hij was een aardige
jongen met een goed hart. Van alles wat slecht en leelijk was,
had hij een afkeer, en als sommige jongens nog wel eens iets deden,
waarvan groote menschen last of schade ondervonden, deed hij nooit
meê. Eénmaal had hij appelen gestolen in den tuin van Wobbe, waar de
jongens dikwijls heengingen om vruchten weg te nemen, want Wobbe had
een grooten boomgaard, waarin heel veel lekkers groeide. Jantje had
er nog nooit aan meêgedaan, maar eindelijk liet hij zich overhalen
om ook meê te gaan. 't Was op een herfstavond en ruw weer. De jongens
slopen stilletjes naar de boerderij van Wobbe, die een eindje buiten
het dorp lag, en sprongen na elkander over de sloot. Zoo kwamen zij
in den boomgaard.

Maar Wobbe had zich met een paar knechts verdekt opgesteld, want
dat appelen stelen begon hem geducht te vervelen. Hij had Flipsen,
den veldwachter, wel gewaarschuwd, maar die werd een dagje ouder en
maakte er niet veel werk van.

"Als je een van de dieven snapt, breng je hem maar bij me, dan zal ik
hem wel mores leeren," had hij gezegd. En hij had er aan toegevoegd:
"zelf zal ik ook wel een oogje in 't zeil houden."

Wobbe was daarom besloten, zelf de handen uit de mouwen te steken,
en had zich met zijne knechts op verschillende plaatsen in den
boomgaard verscholen.

Zij hadden er nog niet lang gezeten, toen zij de jongens hoorden
komen. Zij merkten duidelijk, hoewel zij nog niemand zagen, dat
de jongens over de sloot sprongen. Wobbe en zijne knechts bleven,
waar zij waren. Hunne afspraak was, de jongens tot midden in den
boomgaard te laten komen, en hen dan plotseling van drie kanten
tegelijk te bespringen.

Jantje voelde zich in 't geheel niet op zijn gemak, en toen alle
jongens al over de sloot waren, stond hij nog weifelend op den weg.

"Pssst! Pssst!" hoorde hij zacht roepen, 't Was de stem van Karel
van Dril. "Kom maar hier, Jan, alles is veilig."

"O ja," zei een ander, "kom maar gerust. Bij Wobbe brandt het licht
in de huiskamer. Er is niet het minste gevaar."

Jan kwam nader en sprong ook over de sloot.

De jongens gingen behoedzaam verder den boomgaard in.

"Hier!" riep er een. "Kijk eens, wat een prachtige appelen! De boom
zit propvol!"

"Hier ook," riep Karel van Dril een eindje verder. "Kom hier, Jan,
hier zijn peren."

Eerst waren de jongens bang en keken schuw rond, of er geen gevaar
dreigde, maar toen alles stil bleef, steeg hun moed, en liepen zij
brutaal tot midden in den boomgaard.

Frans Thor en Klaas Zwart waren de brutaalsten. De jongens gingen
weinig of nooit met hen om, maar soms sloot het tweetal zich ongevraagd
bij hen aan, en dan waren zij moeilijk te weren.

Frans had een stok bij zich en sloeg er mede tegen de takken. De
appelen vielen naar beneden.

Maar hij kreeg geen tijd om ze op te rapen, want opeens werden zij
van drie kanten tegelijk besprongen.

"Voorwaarts! Grijpt de dieven!" klonk de stem van Wobbe. Deze was
een groote, sterke boer met harde handen.

Verschrikt vlogen de jongens uit elkaar. De een ijlde hier-, de ander
daarheen. Klaas Zwart haastte zich zoo, dat hij in de sloot viel. Tot
aan zijn hals toe zakte hij in het water. Karel van Dril sprong over
de sloot, Frans Thor ook, Gerrit Kikke en Piet Vos kwamen er met
natte voeten af, maar Jantje, die eerst niet wist, wat er gebeurde,
liep den verkeerden kant op, en vloog precies boer Wobbe in de armen.

"Loopen! Loopen, jongens!" riep Frans Thor.

Een van de knechts sprong over de sloot, en riep:

"Wij zullen eens zien, wie 't hardst kan loopen, kereltje!"

En hij liep Frans zoo hard hij kon achterna.

Dat werd een wedren van belang, want Frans was vlug ter been, maar de
knecht nam veel grootere stappen. Frans hoorde zijne stappen hoe langer
hoe dichter achter zich. Eindelijk voelde hij zich bij den kraag van
zijn jas grijpen. Hu, wat kneep die knecht. Frans werd bijna geworgd
maar toch wrong hij zich nog als een aal, om los te komen. Dat gelukte
hem echter niet. De knecht gaf hem een geducht pak slaag, en joeg hem
voor zich uit, terug naar de boerderij. Daar beleefde Jantje intusschen
ook geen prettige oogenblikken, want Wobbe trok hem aan zijne ooren
in de hoogte, tot zijn gezicht vlak voor dat van den boer gekomen was.

Jantje gierde van de pijn!

"Ha zoo, kereltje, wat ben jij licht!" zei de boer met een boozen
lach. "Jij bent te dun om appelen te eten, manneke. Hoe heet jij?"

"Au, au!" schreeuwde Jantje, die spartelde als een mager varken.

"Heet jij au-au?" lachte de boer. "Magere langbeenige mug!"

"Au! Au!" huilde Jantje.

"Heet jij au-au?" herhaalde de boer driftig.

"Neen, au neen, ik heet Jan Trom! Au, au, laat me los asjeblieft!"

"Zoo, heet jij Jan Trom," zei de boer. Hij liet Jantje weer zakken,
tot hij op den grond stond, legde hem toen over zijne knie, en gaf
hem een geducht pak voor zijn broek.

't Werd een warme geschiedenis voor Jantje, want de handen van den
boer waren nog veel harder, dan hij ze zich voorgesteld had. Zoo'n
pak slaag had hij nog nooit van zijn leven gehad, en hij vreesde,
dat er geen stuk van hem heel zou blijven.

Eindelijk liet Wobbe hem los.

"En maak nu, dat je wegkomt!" bulderde Wobbe hem toe, "of ik breng
je nog bij Nero in het hondenhok. Die houdt wel van kluifjes, al zijn
ze mager."

Dat liet Jantje zich geen tweemaal zeggen. Hij liep wat hij loopen
kon, en 't viel hem meê, dat het nog zoo goed ging, want hij dacht
niet anders, of de boer had hem zijne beenderen stuk geslagen. Hij
haastte zich zoo om over de sloot te komen, dat het maar zus of zoo
scheelde, of hij kwam in het water terecht. Maar dat liep gelukkig
nog goed af. En toen vloog hij naar het dorp terug. Zijn rooftocht
was hem bitter slecht bevallen.

Even later hoorde hij de noodkreten van Frans Thor, die door den boer
en zijn knecht onderhanden werd genomen. Jantje liep dientengevolge
nog harder.

"Hij lust er ook van!" mompelde Jantje, die in ijlende vaart
voortholde, "hu, wat slaat die boer hard. Hoor Frans eens schreeuwen."

Na een poosje haalde hij Klaas Zwart in, die zoo hard niet loopen kon,
omdat hij tot aan zijn hals toe in de sloot gezeten had. Klaas huilde,
want hij stelde zich de ontvangst thuis ook niet erg vriendelijk voor.

Jantje ging regelrecht naar huis met het stellige voornemen nooit
meer appelen of peren te stelen. En 's avonds wreef hij meermalen
over zijn broek, omdat hij zoo'n pijn had.

De zaak was echter nog niet uit, want Wobbe vertelde den volgenden
dag aan Flipsen, den veldwachter, welk eene gelukkige vangst hij
had gehad, en gaf hem de namen der schuldigen op. Zoo kwam het, dat
Flipsen den winkel van Trom binnenstapte, waar Dik juist bezig was
een paar klanten te helpen.

Flipsen had altoos nog een kijkje op Dik, want hij was nog niet
vergeten, wat Dik in zijn jeugd voor streken had uitgehaald.

"Goeden avond, Dik!" zei hij.

"Dag Flipsen," was het antwoord. "Wat is er van je dienst?"

"Niet veel moois, man. Ik kom je waarschuwen, dat je wel wat beter
op je zoontje mag passen, want 't is erg, zooals hij op het dorp
huishoudt."

"Zoo, zoo," zei Dik verwonderd en ook een beetje ongeloovig want hij
had nog nooit gemerkt, dat Jantje veel kwaad deed. "Is het zóó erg,
Flipsen? Wat heeft hij uitgevoerd! Jantje is anders zoo kwaad niet."

Dik werd wel een beetje boos over den lompen uitval van Flipsen.

"Dat zeggen alle vaders en moeders van hunne kinderen," hernam
Flipsen. "Van hun eigen kinderen kunnen zij nooit kwaad hooren,
vooral wanneer ze zelf ook nooit gedeugd hebben."

Dik werd nu erg boos.

"Wou je zeggen, dat _ik_ nooit gedeugd heb?" vroeg hij driftig,
en hij zwaaide zoo heftig met den strooplepel,--want  hij was juist
bezig een vrouwtje aan een pond stroop te helpen,--dat Flipsen een
flinken lik van dat goedje op de mouw van zijn jas kreeg.

"O, neem me niet kwalijk, dat is bij ongeluk," zei Dik.

"Bij ongeluk! Bij ongeluk!" schreeuwde Flipsen verontwaardigd. "'t
Is een schandaal! En ik zal proces-verbaal tegen je opmaken, wegens
beleediging van een politieman in dienst!"

Hij haalde zijn zakdoek te voorschijn om de stroop weg te vegen, en
maakte de zaak daardoor nog veel erger. De stroop kwam nu bijna over de
geheele mouw. En Flipsen was altijd zoo keurig netjes op zijn uniform.

"Asjeblieft, juffrouw," zei Dik. "Wenscht u nog iets?"

"Neen," zei de vrouw, die haar lachen haast niet kon houden.

"Ik zeg," schreeuwde Flipsen, "dat je wel wat op je lieve Jantje mag
passen, of hij raakt nog in 't hok. Gisterenavond heeft hij appelen
en peren gestolen in den boomgaard van Wobbe, en dat zal wel niet
de eerste keer geweest zijn, denk ik.--Die akelige, ellendige stroop
zit er zoo vast op, dat mijn heele jas bedorven is. 't Is meer..."

"Alleen de mouw maar," zei Dik. "Ik dank je voor de boodschap,
Flipsen. Ik zal er mijn zoontje over onderhouden."

"Zoo vader, zoo zoon," zei Flipsen nijdig, want hij dacht, dat Dik
hem voor den gek hield. Met groote stappen liep hij den winkel uit.

Toch waren die woorden Dik ernst geweest.

Hij herinnerde zich nog best, hoe hij in zijne jeugd ook vruchten
gestolen had, en hoe hij tot inkeer gekomen was.

's Avonds vertelde hij aan Jan, wat er in zijn kinderjaren gebeurd was,
en hoeveel spijt hij er later over had gehad.

En Jantje beloofde hem, dat hij het nooit, nooit weer doen zou. Dik
was er blij om toen hij hoorde, dat het Jantje's eerste strooptocht
geweest was, en hij vertrouwde er stellig op, dat het ook de laatste
zou geweest zijn.

Na dien dag keek Flipsen den zoon van Dik Trom nooit meer vriendelijk
aan. Hij had een hekel aan Dik gehad, zoolang hij hem had gekend, en
dat sloeg nu op Jantje over. Dat kon deze zeer goed merken. Als hij
met zijn bok uit rijden was en hier of daar even uitstapte, wat nog
al dikwijls gebeurde, zoodat zijn bok gelegenheid kreeg om wat gras
of klaver van den berm te eten, kwam Flipsen, zoodra hij dat zag,
op hem af, en gaf een geducht standje.

"Die bok màg daar niet loopen, en nog veel minder van dat gras
eten. Dat gras is immers niet van jou? Of heeft je vader misschien
den berm gepacht?"

"Neen Flipsen, dat geloof ik niet."

"Ik weet het zeker. Dat gras is van Geurs, en je bok moet er
afblijven. Als ik het weer zie gebeuren, zal ik er proces-verbaal van
opmaken, hoor je. Denk jij, dat je maar doen moogt, wat je wilt? Ik
zal je dat wel anders leeren. 't Is gewoon diefstal, maar daar storen
jullie je niet aan, hè? Jij niet,--en je vader niet! Pas op je tellen,
mannetje, of je loopt er nog eens geducht tegen."

Zijn vader lachte er om, toen Jan het hem vertelde.

"Gekheid, jongen, maak je maar niet ongerust. Als je geen grooter
kwaad doet, is het nog al zoo erg niet, en zal Flipsen je wel met
rust laten. 't Is een nijdige kerel, die het allen menschen lastig
maakt. 't Is ook al erg, dat die bok daar een mondje gras of klaver
eet. Dat doet mijn hit immers elken dag ook? En de menschen, die het
gras van de publieke wegen pachten, weten immers vooruit, dat zulke
dingen niet te keeren zijn. Daarom betalen zij ook minder pacht. 't
Is te gek om er van te praten, Jan, en maak je maar niet ongerust. 't
Zal zoo'n vaart niet loopen."

Na dien tijd liet Jan zijn bok gewoon z'n gang gaan, of Flipsen het
zag of niet. Dat begon Flipsen geducht te vervelen, en eindelijk
maakte hij er werkelijk proces-verbaal van op.

"Jij heet Jan Trom, hè?" zei hij, zijn zakboekje te voorschijn halende.

"Ja," zei Jan.

"Hoe oud ben je?"

"Tien jaar," zei Jan.

"Zoon van Dik Trom, hè?"

"Ja wel."

"En je erkent, dat je bok hier gras en klaver van den berm eet?"

"Ja," zei Jan, "dat kan ik niet ontkennen."

"Mooi zoo," zei Flipsen, die zijn boekje met een flap dichtsloeg,
"daar zal je wel meer van hooren, manneke. Jullie doet maar, of er
geen overheid bestaat. Maar 't zal je berouwen."

Toen Jan het aan zijn vader vertelde, haalde deze glimlachend de
schouders op.

"Wat bezielt dien man toch," zei hij. "Maak je maar niet ongerust,
't is een storm in een glas water. We hooren er hoogstwaarschijnlijk
nooit meer iets van."

Dat was ook zoo. Toen Flipsen met zijn proces-verbaal bij den
burgemeester kwam, lachte deze den veldwachter hartelijk uit.

"Ben je dwaas, Flipsen," zei hij. "Denk je, dat we met zulke nesterijen
bij den Officier van Justitie kunnen komen?"

"Maar burgemeester, 't is toch diefstal?" zei Flipsen knorrig.

"Dat beschouw ik niet als diefstal," was het antwoord. "Op die manier
zou een jongen zelfs geen konijntje meer kunnen houden, als hij niet
een beetje gras van den berm mag snijden. 't Is te mal om er van
te praten."

Hiermede kon Flipsen vertrekken, maar Jantje keek hij nooit meer
vriendelijk aan. En dat zou nog erger worden, geheel buiten Jan's
schuld.

Op een avond waren Jan en Karel met nog een paar andere jongens aan
het spelen op de markt, toen zij opeens een eigenaardig puffend geluid
hoorden. Verwonderd keken zij in het rond, om te zien, waar dat geluid
vandaan kwam. En tot hun groote verbazing ontdekten zij een wagen
zonder paard er voor, die met groote snelheid langs den weg vloog.

"Boe!--Boe!--Boe!" klonk het geluid van een grooten horen. In den wagen
zaten heeren en dames, die zich vreeselijk mal toegetakeld hadden. Zij
droegen groote stofbrillen voor de oogen, en zagen er uit als ijsberen.

't Vreemde rijtuig was een automobiel, en wel de eerste automobiel,
die het dorp, waar Jan woonde, met een bezoek vereerde.

"Kijk, kijk!" riepen de jongens, "wat een gekke wagen!"

"Zij lijken wel van den Noordpool te komen," merkte Jan op. "'t Is
een wagen vol ijsberen. Kijk, daar houdt hij stil voor de herberg
van De Vries. Gaan jullie mee kijken?"

De jongens liepen, wat zij loopen konden, om bij het vreemde voertuig
te komen.

"'t Is eene automobiel!" zei Karel van Dril. "'k Weet zeker, dat het
eene automobiel is!"

"Gaat die door stoom?" vroeg Jan.

"Neen, ze stoken er benzine in, zei Vader. O, ze kunnen zoo hard
rijden, wel zoo hard als een sneltrein."

De jongens hadden den wagen spoedig bereikt, en bekeken hem aan
alle kanten. De reizigers waren het café binnengegaan, om iets te
gebruiken. En al spoedig stonden er heel wat menschen om het vreemde
voertuig, want velen hadden wel al van automobiles gehoord of gelezen,
maar nog slechts weinigen hadden er een gezien.

"Ik noem het een mooi ding!" merkte Jan wijs op. "Ik zou er mijn
bokkewagen wel voor willen ruilen."

"Wat je zegt!" zei Karel lachend. "Kijk, hij staat nog te trillen en
te zuchten, of het een levend wezen is."

"Hij is moê," lachte Jan. "Hij staat uit te blazen. Die twee groote
lantaarns voorop zijn net een paar oogen.--Zeg Karel, zoo'n automobiel
ga ik ook maken."

"Je doet wat!" lachte Karel een beetje spottend. "'t Is maar geen
kleinigheid. Je begrijpt toch, dat er een heele machinerie binnenin
zit?"

"O ja natuurlijk," zei Jan. "Ik bedoel ook niet, dat ik een echte ga
maken, want dat zou jou vader nog niet eens kunnen, en die kan haast
alles,--maar ik maak toch net een wagen als dit ding, wat ik je zeg."

Op dit oogenblik kwamen de reizigers weer naar buiten en namen
in de auto plaats. De chauffeur greep het stuurrad deed een paar
geheimzinnige grepen in den wagen, en er kwam leven in het monster. Het
trillen en schokken werd heviger, en opeens schoot het gevaarte met
kracht vooruit.

"Poe! Poe! Poe!" toeterde de reusachtige horen.

De omstanders sprongen verschrikt op zijde, en een oogenblik later
was de wagen uit het gezicht verdwenen. Hij vloog als het ware langs
den weg, de menschen in een wolk van stof achterlatende.

Jan stond het vreemde voertuig met open mond na te staren. En toen
hij het niet meer kon zien, riep hij zijn makkers toe:

"Dag!--Ik ga naar huis!"

Op een drafje liep hij weg. De auto had een overweldigenden indruk op
hem gemaakt, en hij was besloten niet te rusten, voor hij er ook een
had. Wel een week lang bleef hij voor zijne kameraden onzichtbaar,
behalve op school natuurlijk. Daar mòèst hij wel heen. Maar al zijn
vrijen tijd besteedde hij aan het vervaardigen van zijne automobiel,
en dat was geen gemakkelijk werkje. Hij schoot er vlug mede op,
en was verbazend trotsch op het product van zijne handen.

De kinderwagen, waarin zijne Moeder hem gereden had, toen hij nog een
klein kereltje was, had hij van het bovenstel ontdaan, zoodat alleen
de wielen overbleven. Zijn Moeder had hem daartoe hare toestemming
gegeven, omdat de wagen oud en versleten en dientengevolge geen
dubbeltje meer waard was.

Toen had hij van zijn vader een paar pakkisten gevraagd, die hem
graag werden afgestaan.

"Wat moet je er meê uitvoeren, Jan?" had zijn Vader gevraagd.

"Ik maak er een automobiel van," zei Jan, en toen vond zijn Vader het
goed. Die kisten gaf hij precies het model van de auto, en bevestigde
ze daarna op het onderstel van den kinderwagen. Keurig netjes timmerde
hij er twee bankjes in, een voor- en een achterbankje. Gelukkig
mocht hij het gereedschap van zijn grootvader gebruiken, en deze gaf
meermalen goeden raad.

Maar nu kwam het moeilijkste nog aan, want hij wilde zijn wagen van een
toestel voorzien, waarmede hij hem in beweging kon brengen, zonder dat
het noodig was hem te duwen of te trekken. Het duurde lang, eer hij
daar iets op gevonden had, en toen hij wist, hoe het worden moest,
kon hij het onmogelijk zonder hulp van een smid uitvoeren. Hij ging
daarom met zijn wagen naar Piet van Dril, den smid, en legde hem uit,
wat er gedaan moest worden.

"Kijk, Van Dril," zei hij, "zooals het nu is, is het niet goed. De
as van mijn wagen deugt er niet voor. Ik zou naast mijn voorbankje
een wiel willen hebben met een tandrad precies als aan een fiets. Als
nu aan den as van den wagen ook zoo'n rad bevestigd werd, kon er een
fietsketting omgelegd worden, zoodat ik maar aan het wiel te draaien
heb om de kar in beweging te brengen. Aan dat wiel moet natuurlijk
een handvat komen, precies als aan het wiel van een draaiorgel."

Piet van Dril keek hem een poosje peinzend aan, en krabde zich in
gedachten achter het oor. Eindelijk gaf hij Jan een geduchten klap
op diens smalle schoudertje, zoodat de beentjes ervan haast kraakten,
en zeide:

"Dat heb je al wonder knap bedacht, Jan. Wonder knap, zeg ik! Je kon
wel ingenieur of zoo iets worden. Maar hoe moet je aan zoo'n wiel
met een handvat komen? Ik heb er geen."

"Wij wèl, Van Dril," zei Jan. "In de schuur ligt die oude koffiemolen
nog van ons, u weet wel, die oude afgedankte uit den winkel. En daar
zit een groot wiel aan met een handvat."

"Juist!--Ja, juist," zei Van Dril. "Wel jongen, ik vind, dat je
het zóó knap bedacht hebt, dat ik je nu eens voor pleizier aan die
kamraderen helpen wil. Haal dat wiel maar hier."

Wat was Jantje blij. Hij liep als een haas naar huis om het wiel
te halen en was den geheelen avond niet uit de smederij weg te
krijgen. Geen wonder waarlijk, want Van Dril hield woord. Hij smeedde
de kamraderen aan den vooras van den wagen en aan het wiel van den
koffiemolen, maakte een oude fietsketting pasklaar, en zette alles
netjes en flink in elkander.

Jan stond er verrukt naar te kijken, en Karel niet minder.

"Nu moet ik nog een horen hebben!" zei Jan, zich de handen wrijvende
van genot.

Ja, en nog twee lantaarns," zei Karel. "Je weet wel, dat zijn de oogen
van het beest. Een paar oude fietslantaarns konden er best dienst
voor doen. Vader, hebben wij nog niet een paar van zulke oudjes?"

"O, ja wel," zei Van Dril. "Hier heb je er twee."

In een kwartiertje had Jan ze voor aan de auto bevestigd. Toen nam
hij nog een veerkrachtig metalen plaatje, en timmerde dat aan den
linkerkant van den wagen, er voor zorgende, dat de spaken van het
voorwiel er beurtelings tegen aan tikten, als de wagen in beweging
kwam. Daardoor werd een geluid veroorzaakt, dat precies het tuffen
van een auto nabootste.

Nu was de wagen klaar. Jan en Karel brachten hem naar buiten, waar
Jan op het voorbankje ging zitten, en Karel op de achterbank. Jan
nam het handvat en draaide het wiel rond. Ha, wat reed het karretje
prachtig. De twee jongens konden hun lachen niet houden van
pleizier. 't Was precies een auto, en hij maakte een aardig gangetje.

't Was maar jammer, dat de voorwielen niet om een spil konden draaien,
want nu kon de wagen alleen vooruit en achteruit, maar van sturen
was geen sprake.

Elken avond gingen de jongens er meê spelen en zij hadden niet weinig
bekijks. Maar Jan raakte er door in volslagen vijandschap met Flipsen,
en toch was het geheel buiten zijne schuld. Dat kwam zoo.

Karel van Dril moest eene boodschap voor zijn vader doen, en daarom
besloot Jan maar alleen met zijn auto te gaan rijden. Eerst tufte
hij een paar malen het dorp door, en ging toen naar het fort even
voorbij het kerkhof, dat aan het einde van 't dorp lag. Daar werd een
fort aangelegd waarlangs een hooge kluft liep. Jantje besloot van die
kluft af te tuffen. Jongen, wat zou hij dan een snelle vaart krijgen!

Nu, dat was ook zoo. Hij duwde zijne auto tegen de hoogte op, ging er
toen in zitten, en reed vliegensvlug naar beneden. Ha, nu leek het
precies een echte automobile. Hij toeterde, dat het een lust was om
te hooren, en het stof dwarrelde achter hem omhoog. 't Was verbazend
te zien, hoever zijn kar nog voortreed, als hij den vlakken weg reeds
had bereikt.

Jan vond het spelletje zoo mooi, dat hij aan geen ophouden
dacht. Zoodra was hij niet beneden gekomen, of hij duwde de kar
opnieuw naar boven, en liet zich dan weer vliegensvlug gaan.

Toen hij eens weer op het hoogste punt aangekomen was en gereed stond
om in te stappen, kwam van den anderen kant juist Flipsen aan. De man
was bepaald in eene erg knorrige bui, want hij keek verschrikkelijk
boos. Zoodra hij Jan zag, bleef hij staan en zeide:

"Zoo,--wat voer jij hier in je eentje uit? Zeker niet veel goeds, hè?"

"Ik doe in het geheel geen kwaad, Flipsen," zei Jan. "Ik rijd alleen
maar met mijn auto van de hoogte af, omdat het zoo lekker gaat."

"Ja, ja," zei Flipsen, "jij hebt je woordjes wel klaar, maar ik
vertrouw je niet verder, dan ik je zie. Pas op, manneke, ik waarschuw
je, dat je geen verkeerde dingen doet, want ik heb je al lang in
de gaten."

Flipsen vervolgde zijn tocht langs de kluft naar beneden.

Jan besloot nog een poosje te wachten, want hij zag zeer goed, dat
Flipsen om de een of andere reden uit zijn humeur was, en dat het maar
het veiligst was hem uit den weg te blijven. Hij nam plaats op het
voorbankje en was van plan zoo lang te wachten, tot Flipsen weg was.

Dat duurde geruimen tijd, want het was eene lange kluft, en Flipsen
kuierde op zijn gemak naar het dorp.

Opeens voelde Jan, dat er beweging in zijne auto kwam. Deze werd met
kracht vooruit geduwd. Hij keek om en zag, dat Frans Tor achter de
kar liep. Lachend zei deze:

"Ik zal je een zetje geven, Jan, dan ga je vliegensvlug naar beneden."

"Niet doen,--niet doen, Frans!" riep Jan hem waarschuwend toe. "Ginder
loopt Flipsen, en ik wou hem liever niet voorbij rijden."

"Gekheid! Wat kan jou Flipsen schelen!" riep Frans terug. Met alle
kracht en zoo snel hij loopen kon, duwde deze de kar naar beneden.

Opeens liet hij haar los, en voort vloog Jantje, in ijlende vaart
de helling af. Angstvallig hield hij de oogen gericht op Flipsen,
want hij vreesde niet zonder reden, dat er veel kans bestond om hem
onderst-boven te rijden.

"O jé!" dacht Jan met een zucht van ontsteltenis, "als dat maar goed
afloopt! Ik vlieg regelrecht op hem aan. Had ik maar een stuur aan
mijn auto, dan kon ik langs hem heen rijden, of een rem, om den wagen
tot stilstand te brengen.--Poe,--ik geloof, dat ik hem regelrecht
tegen de beenen vlieg!"

Jantje begon op zijn horen te toeteren, dat het wel vijf minuten ver
te hooren was, maar Flipsen keek niet op of om. Jan zag dat tot zijn
grooten schrik. Hij zag ook, dat Flipsen recht-uit, recht-aan verder
liep, zonder ook maar een stap op zijde te gaan.

"Zou hij me niet hooren?" dacht Jan, en hij toeterde zoo hard, dat
zijn horen er van berstte, en in 't geheel geen geluid meer gaf.

Jan was ten einde raad, want hij naderde Flipsen met groote snelheid,
en 't leed geen twijfel, of bij dezen voortgang reed hij hem pardoes
tegen de beenen.

Hij probeerde de kar op zijde te rukken, maar tevergeefs.

"Hei, hei daar, hola Flipsen!" riep hij in doodsangst den boozen
veldwachter toe, want hij was hem bijna genaderd.

Maar Flipsen verkoos geen stap op zij te gaan.

"Dat moet er nog bijkomen, dat ik, een regeeringspersoon, voor een
kwâjongen uit den weg moet gaan. Dank je hartelijk. Hij moet voor
mij uitwijken, en niet ik voor hem. 't Zou me wat moois worden op
die ma..."

"Bom!"

Daar voelde hij een geduchten smak tegen zijn kuiten, en op 't zelfde
oogenblik sloeg hij met kracht achterover in de auto van Jantje. En
voort vloog de kar. Flipsen lag met zijn beenen omhoog in den wagen,
en hij zag geen kans om overeind te komen.

"Satansche jongen," schreeuwde hij, toen hij zijn eersten schrik te
boven was. "Brutale vlegel,--ik zal je leeren!"

't Was een bespottelijk gezicht hem te zien liggen. Vader Dik,
die er juist op aan kwam loopen, wist eerst niet goed, wat hij zag,
maar een oogenblik later barstte hij in een onbedaarlijk lachen uit.

"Wat nu, Flipsen," riep hij den veldwachter toe, "ga je in het karretje
van mijn Jan rijden?"

Flipsen richtte zich op uit zijne moeielijke positie, en bracht met
zijne beenen de kar tot staan. Maar waar was Jan? Er was tot verbazing
zoowel van Dik als van Flipsen, geen spoor van hem te zien.

Flipsen was woest van kwaadheid, en met gebalde vuist kwam hij op
Dik af.

"'t Is eene schande, eene schande!" schreeuwde hij Dik toe. "Ik zeg,
't is eene schande om je zoontje zoo tegen mij op te zetten, en hem
te leeren mij te bespotten. Maar ik zal hem krijgen,--ik zal hem
krijgen,--ik zal..."

Flipsen wist van kwaadheid niet, wat hij zeggen moest, en met toornige
blikken keek hij van Dik naar de auto, die verlaten aan den kant van
den weg stond, en van de auto naar Dik. Maar deze deed niet anders
dan lachen, want het was hem onmogelijk zich te bedwingen.

"Bedaar toch, Flipsen, bedaar toch!" riep hij tusschen de buiën door
den veldwachter toe.

"Bedaren?" schreeuwde Flipsen. "Bedaar jij met je gelach, dat zou
je fatsoenlijker staan. Foei man, ik zou me schamen, om mijn kind
zoo'n opvoeding te geven. Maar ik zal hem wel krijgen, den rakker,
wacht maar!"

Met groote schreden vervolgde Flipsen zijn weg, zonder Dik of de auto
met een enkelen blik te verwaardigen.

Dik lachte nòg!

"Wat was dat een bespottelijk gezicht!" zei hij binnensmonds. "Maar
waar mag Jan toch zitten? 't Is zijn auto, dat weet ik zeker. De
jongen zal toch geen ongeluk gekregen hebben..."

Dik werd ernstiger, en hij wierp een blik langs de kluft om te zien,
of Jan zich daar bevond.

Opeens hoorde hij echter diens welbekende stem.

"Pssst, Vader,--is hij weg?" werd hem half fluisterend toegeroepen. 't
Geluid kwam uit de auto.

Dik draaide zich om, en waarlijk, daar kwam Jantje's smalle hoofdje
van tusschen het voor- en het achterbankje te voorschijn. Snel keek
Jan om zich heen.

Ha, de veldwachter verwijderde zich met groote schreden. Dik kwam
naderbij.

"Hoe zit jij daar zoo tusschen die banken gewrongen, kind?" vroeg hij
lachend, want de heele geschiedenis maakte op hem een onweerstaanbaar
lachwekkenden indruk. "En wat is er eigenlijk gebeurd?"

Jan kroop nu uit den wagen en zeide:

"O, Flipsen was erg boos, waarom weet ik niet. Ik stond met mijne auto
ginds op de hoogte, en was juist van plan om naar beneden te rijden,
toen Flipsen mij een standje gaf, omdat ik--ja, ik weet echt niet
waarom, want ik deed in 't geheel niets. En toen ging Flipsen verder,
en omdat hij zoo boos was, meende ik te wachten, tot ik hem niet meer
kon inhalen. Maar Frans Thor kwam onverwachts achter me en gaf me
een harden duw, zoodat ik naar beneden vloog, regelrecht op Flipsen
aan.--Wat zat ik in de benauwdheid, Vader. Ik toeterde zoo hard ik kon,
en toen nòg harder, zoodat de horen er van gebarsten is. Hoor maar,
hij geeft geen geluid meer. Maar Flipsen deed net of hij doof was,
en keek niet op of om, tot ik eindelijk zag, dat ik hem niet meer
ontwijken kon. Ik kroop vlug tusschen het voor- en het achterbankje
en maakte mij zoo klein mogelijk, en op 't volgende oogenblik vloog de
kar Flipsen van achteren tegen de beenen, zoodat hij achterover op de
kar viel. Zoo reden we samen verder, tot u kwam. Wat zat ik in angst,
Vader. Ik zweet nog, als ik er aan denk."

Dik kreeg opnieuw een lachbui, waar haast geen einde aan kwam, zoo
mal vond hij het.

"Dus je magere leden hebben je gered!" riep hij eindelijk uit. "Als
je zoo mager niet was geweest, had je je onmogelijk op zoo'n klein
plaatsje kunnen opvouwen. 't Is merkwaardig. Ga maar gauw naar huis,
en blijf Flipsen zoo ver mogelijk uit de voeten, want hij is meer
dan kwaad op je."

"Maar Vader, ik kon er toch niets aan doen."

"Ja jongen, dat weten _wij_ wel, maar _hij_ gelooft het niet. Blijf
van avond verder maar stilletjes thuis."

Jan beloofde dat, maar hij ging toch even naar de smederij, om het
geval aan Karel Van Dril en diens vader te vertellen, die er ook niet
weinig om lachen moesten.

Jan evenwel verzonk in diep gepeins, want de kar beviel hem zoo niet
meer. Hij nam zich vast voor niet te rusten, voordat hij de voorwielen
aan een beweegbaren as verbonden had, zoodat hij de auto sturen kon,
en dan nog wilde hij er een rem aan hebben.

Toen Dik 's avonds het geval aan Jan's Grootvader vertelde, moest
deze er ook braaf om lachen, en hij kwam tot de conclusie, dat Jan
ook een bizonder kind was--en dat was-ie!




Negende Hoofdstuk.

    Jan omarmt den schoorsteenveger met groote innigheid.


Flipsen wàs en blèèf erg boos op Jan Trom. Misschien zou die boosheid
langzamerhand wel wat afgezakt zijn, als het malle figuur, dat hij
gemaakt had, niet door het geheele dorp bekend geraakt was, maar dat
gebeurde wèl. Frans Thor was daar de schuld van. Toen hij Jan met
zijne auto zoo'n geduchte vaart gegeven had, bleef hij lachend staan
kijken, hoe de zaak zou afloopen, en zoo had hij alles gezien, wat er
gebeurd was. Hij gierde het uit van de pret, en hij vertelde het aan
iedereen, die het maar hooren wilde. En wat nog erger was: hij hield
Flipsen telkens voor den gek, als hij hem op straat tegenkwam. Dat zou
Jan Trom in geen geval gedaan hebben, want hij vond het geval voor
Flipsen al erg genoeg, maar Frans deed het wèl en Klaas Zwart hield
hem daarbij trouw gezelschap. Telkens als zij Flipsen ontmoetten,
begonnen zij te tuffen als eene auto, zonder Flipsen aan te kijken.

"Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!" zei dan Frans.

"Tuf-tuf-tuf-tuf-tuf!" zei dan ook Klaas, en dan tuften zij om het
hardst. Eerst had Flipsen er geen erg in gehad, maar toen het telkens
gebeurde, als die jongens in zijne nabijheid waren, begon hij lont
te ruiken. Hij keek ze aan met een paar oogen, of hij hen verscheuren
wilde, maar dat deed hij toch niet.

Doch toen hij hen later weer tegenkwam, en zij opnieuw begonnen
te tuffen, sprong hij plotseling op hen af, en gaf hun ieder een
klinkenden draai om de ooren. Dat gebeurde zóó snel en onverwachts,
dat de twee jongens eerst niet eens goed begrepen, wat er gebeurde.

"Au!" riep Frans.

"Au!" riep Klaas.

En beiden grepen zij naar hun ooren, waar zij een stekende pijn
voelden.

Flipsen lachte, en gaf hun een tweeden.

"Daar!" zei hij. "Ik zal je leeren tuffen! Hard gaat-ie, hè?"

Ze gingen allebei hard, want vóór Flipsen gelegenheid kreeg hun
nog een derden oorveeg toe te dienen, zetten zij het op een loopen,
zoo hard zij konden. En na dien tijd tuften zij niet meer, als zij
Flipsen tegenkwamen. Zij gingen hem zelfs eerbiedig uit den weg.

Op Jan Trom bleef Flipsen erg boos, dat kon Jan duidelijk
opmerken. Flipsen groette hem nooit terug, als hij hem tegenkwam,
en keek hem altoos aan met een blik, die hem niet veel goeds
voorspelde. Jan trok er zich echter niets van aan, want hij voelde
zich volkomen onschuldig.

"Ik heb het niet met voordacht gedaan," dacht hij, "en als ik het
had kunnen vermijden, zou het in 't geheel niet gebeurd zijn. Flipsen
zal dat ook wel begrijpen, als hij er kalm over nadenkt."

En zijn vader zei ook:

"'t Zal van zelf wel weer beter worden, als jij Flipsen maar met rust
laat en hem zooveel mogelijk uit de voeten blijft. Hij zal dan zelf
wel begrijpen, dat hij zich vergist heeft.

En zoo was het ook. Toen Flipsen opmerkte, dat Jan hem altoos even
beleefd bleef groeten en hem nooit voor den gek hield, bedaarde zijne
boosheid meer en meer, en eindelijk groette hij Jan zelfs terug.

Jan peinsde voortdurend op een middel, om eene herhaling van het
gebeurde te voorkomen. Hij was vast besloten niet te rusten, voor
hij zijne auto bestuurbaar had gemaakt. En eindelijk meende hij het
gevonden te hebben. Hij had er een spil voor noodig, met aan het
boveneinde een stuurrad, precies als aan eene echte auto. Die spil
moest van onderen bevestigd worden aan den vooras, welke beweegbaar
moest zijn. Als hij dan in zijn auto zat, kon hij hem gemakkelijk
door middel van het stuurrad heen en weer bewegen, waardoor hij den
wagen geheel in zijne macht kreeg.

Nauwelijks waren zijne plannen tot rijpheid gekomen, of hij begaf
zich na schooltijd op weg naar Van Dril, zonder wiens hulp hij
geen kans zag een en ander ten uitvoer te brengen. Er zou echter
dien avond niet veel van komen. Hij was nog maar pas zijn huis uit,
of hij kwam Dries Klomp tegen, den jongsten knecht van Jan Vos. Deze
had een emmertje in de hand, en een bezem, een bosje stroo en een
touw onder den arm. Hij werd op het dorp meestal bij zijn voornaam
genoemd en stond bekend als een grappenmaker.

"Dag Dries!" riep Jan hem toe.

"Zoo Jantje," zei Dries. "Jongen, jongen, wat word je toch dik in den
laatsten tijd. Als je niet oppast, kun je weldra met de konijntjes
door de tralies van het hok meê-eten."

"Is het waar?" vroeg Jan lachend, want hij kon wel tegen een klein
plagerijtje. "Dan zal ik de koolstronkjes voor jou laten liggen. Is
dat goed?"

"Graag,--asjeblief. Ga je mee naar den molenaar? Dan kun-je me helpen
aan 't vegen van de schoorsteenen. Dat is een mooi werkje voor je."

"Dank je hartelijk, om zoo zwart als roet thuis te komen," zei Jan. "'t
Is je van harte gegund, Dries."

"Geen lust? Even goede vrienden, hoor. Dag Jan."

"Dag Dries."

Jan vervolgde zijn weg, tot hij onderweg een schilder bezig zag met het
verven van een der lantarenpalen, die aan den weg stonden. Hij mocht
dat graag zien, en bleef er dus een poos naar kijken. De schilder
bevond zich op een ladder, om het bovengedeelte te verven. Op den
grond stond ook een pot met verf, met een kwast er in. Nauwelijks
had Jan dat gezien, of hij greep de kwast en vroeg, of hij ook eens
schilderen mocht.

"Jawel, Jan," was het antwoord. "Maar niet met de verf morsen."

Ha, dat vond hij prettig, en hij smeerde er lustig op los.

"Niet zoo dik, Jan," zei de schilder. "Je moet de verf meer
uitsmeren. Zooals jij het doet, is de paal de volgende week nog
niet droog."

"En zooals u het doet?" vroeg Jan.

"Morgen, denk ik," was het antwoord.

Jan bleef bij den schilder tot de geheele lantarenpaal klaar was, maar
toen ging hij ook direct naar den smid, om aan zijn wagen te werken.

Van Dril had juist een oude fiets van iemand overgenomen, en zijn
zoontje Karel stond te zeuren, of hij er op mocht leeren rijden.

"Hè toe, Vader," zei Karel, "laat mij er maar op rijden. 't Is toch
al een oudje.--Toe maar."

Van Dril zei niets, maar hij lachte eventjes, wat Karel moed gaf,
dat hij de gewenschte toestemming verwerven zou.

"Mag ik, Vader?" vroeg hij nog eens.

"Als je dan maar voorzichtig bent," zei Van Dril. "Breek geen armen
of beenen, en de fiets ook niet."

Dat liet Karel zich geen twee keer zeggen.

"Ga je meê, Jan?" vroeg hij met eene kleur van blijdschap "Dan gaan
we leeren fietsen."

Dat was een kolfje naar Jan's hand. Hij vergat zijn heele machinerie
en ging met Karel naar buiten. Samen hielden zij de fiets vast.

"Ik het eerst, Jan," zei Karel.

"Natuurlijk," was het antwoord.

"Zeg, hij ziet er nog mooi uit, al is het een oudje, hè?"

"Dat geloof ik," zei Jan. "'k wou, dat het de mijne was. Toe,
hier kunnen we wel beginnen. Stap jij er maar op, dan zal ik hem
vasthouden." Karel probeerde op het zadel te wippen, maar op 't zelfde
oogenblik lag hij al op den grond. "Je moet hem beter vasthouden,
Jan," zei hij. "Zóó kan ik er niet op komen."

"Ik hield hem goed vast, maar jij zat veel te scheef!" zei Jan. "Als
je zoo scheef zit, kan ik je niet houden."

Karel stapte nog eens op. Nu ging het beter, en Jan duwde hem vooruit.

"Trappen, jongen, trappen!" riep Jan hem toe. Karel durfde niet. Hij
was bang, dat hij vallen zou. "Trap dan toch! Als je niet trapt,
leer je het nooit!"

Karel drukte zijn rechtervoet naar beneden. Voort ging de fiets,
met het gevolg, dat Jan haar alweer niet houden kon, en Kareltje op
den weg terecht kwam.

"Au!" zei hij. "Dat kwam wel een beetje hard aan."

"Hindert niet!" riep Jan. "Stap maar weer op, maar niet zoo schuin
hangen. Dan ben je me veel te zwaar!"

Wip! Met een vlugge beweging stapte Karel weer op de fiets.

Hij durfde nu al een beetje beter, en drukte de trappers met kracht
naar beneden. 't Was hem echter onmogelijk zijn stuur goed te houden,
zoodat de fiets over den weg slingerde als een dronken man. En als
de fiets naar rechts ging, hing Karel schuin naar links, en ging zij
naar links, dan hing Karel naar rechts.

"Bom!" Daar tuimelde Karel weer over de straat.

Hij gaf echter den moed niet op, en Jan evenmin.

"Je leert het al aardig," zei Jan, toen het Karel inderdaad gelukt
was, eenige seconden op de fiets te blijven zitten. "Trappen, zeg,
hoe harder je trapt, hoe beter ik je houden kan."

Karel trapte uit alle macht, en Jan draafde achter hem aan, als een
hazewindhond achter zijn meester.

Na een half uurtje durfde Jan het zadel even los te laten, en Karel
reed werkelijk al eenige meters zonder te vallen. Toen zei hij:

"Nu is het jouw beurt Jan. Jij hebt het mij geleerd, nu zal ik het
jou leeren."

"O, ik wed, dat ik het al dadelijk kan," pochte Jan. "Houd hem maar
vast, dan zul-je eens zien, hoe ik er van door ga. Je zult er van
staan te kijken."

Karel lachte. Hij wist wel beter, want in het laatste half uur had
hij de moeilijkheden pas goed leeren kennen.

"Je hebt praats genoeg," zei hij. "Stap er maar op, dan zul je eens
zien, hoe gauw je tegen den grond ligt. Zóó gemakkelijk gaat het niet."

Jan stapte op, en Karel hield het zadel vast.

"Vooruit, Jan, trappen.--O, wat hang je schuin--nog veel erger dan
ik.--Ik kan je niet--"

"Bom!"

Daar lag Jan onder de fiets, maar hij sprong dadelijk overeind en
stapte opnieuw op.

"Je moet me beter vasthouden, Karel,--je laat me ook maar dadelijk
vallen."

Daar ging het weer. Jan trapte nu uit alle macht, want hij was in
't geheel niet bang uitgevallen, en inderdaad ging het een eindje goed.

"Zie je wel?" riep hij Karel triomfantelijk toe. "Zóó moet je ook
rijden! Ha, wat gaat dat lek..."

"Flap!" Weer lag Jan op den grond, en hij bezeerde zijn been erger,
dan hem lief was. Maar hij stoorde er zich niet veel aan, en zat in
't volgende oogenblik weer op de fiets.

Werkelijk had hij er spoedig den slag van beet. Karel kon hem soms al
een heel poosje aan zijn lot overlaten. Jan slingerde dan wel van den
eenen kant van den weg naar den anderen, en soms dreigde hij pardoes
in het kanaal te rijden, dat langs den weg liep, maar hij reed toch,
en dat was de hoofdzaak. Hij was er wàt trotsch op.

Even later was Karel weer aan de beurt. Het duurde niet lang, of hij
kon ook al eenige meters los rijden, en daar was hij verrukt over. Hij
trapte als een dolleman, want hij had gemerkt, dat hij dadelijk viel,
als hij langzaam trapte. En Jan draafde achter hem aan zoo hard hij
kon, om hem dadelijk te kunnen grijpen, als hij dreigde om te slaan.

Eindelijk werd Jan zóó moê, dat hij niet meer kon.

"Ik moet rusten, Karel," zei hij. "Ik ben zoo moê als een hond. Maar
je kunt het nu wel alleen. Probeer het maar gerust; je zult zien,
dat het gaat."

Hij hielp Karel nog even bij het opstappen, en toen reed deze heen. Ha,
wat slingerde hij! Jan stond hem na te kijken, nieuwsgierig op welke
plaats Karel zou omvallen, want dat dit gebeuren moest, betwijfelde hij
geen oogenblik. Een vijftig meters ging het vrij goed, al slingerde
hij ook beangstigend, maar opeens gaf Jan een schreeuw van schrik,
want Karel begon geweldig te slingeren, en reed toen regelrecht op
het kanaal aan. Nog een oogenblik, en hij tuimelde bij den hoogen
kant neer....

Jan ijlde naar de plaats des onheils, en bemerkte tot zijn genoegen,
dat hij zich voor niets bang had gemaakt, want Karels hoofd verscheen
alweer boven den walkant. Hij was wel tot vlak bij het water geweest,
maar hij was er toch niet ingevallen.

"Hè-hè, dat scheelde een beetje!" zei hij vergenoegd, nu het zoo goed
afgeloopen was. "Ik had geen duim verder moeten belanden,--dan was
ik kopje-onder gegaan."

"Ik zag het," zei Jan. "Hè, wat schrok ik! Ik dacht stellig, dat je
te water ging."

"Gelukkig niet;--zeg, help je even de fiets naar boven trekken?"

Met vereende krachten brachten zij de fiets op den weg.

"Zou hij nog heel wezen?" vroeg Karel.

Dat bleek gelukkig het geval te zijn.

"Nu is 't mijn beurt weer," zei Jan. "Is 't goed?"

"Best," zei Karel. "Bij mij zit de schrik er wel een beetje in. Ga
je gang maar."

Jan sprong op de fiets, en nu draafde Karel er achter. Eerst ging het
langzaam, want Jan durfde niet goed, maar spoedig overwon hij zijne
vrees, en nu moest Karel achter de fiets draven.

"'t Gaat goed zoo,--best,--erg best!" riep hij Jan bemoedigend toe. "Je
rijdt nog beter dan ik."

"Laat me maar gerust los!" riep Jan hem toe.

"Ik heb je niet vast!" hijgde Karel achter hem, moê van het draven. Ha,
wat trapte Jan lustig voort. Hij zwierde wel links en rechts, maar
dat hinderde niet; hij wist toch op den weg te blijven.

O jé, ginds zag hij een grooten steen liggen, midden op den weg.

"Als ik maar niet over dien steen ga," dacht Jan met eenige zorg. "Ik
moet hem zien te ontwijken."

Angstvallig hield hij zijn blik op het gevreesde voorwerp gericht,
met het gevolg, dat hij er juist op aanreed.

"O, die steen!" schreeuwde hij. Plof! Daar reed hij er overheen,
wat een geduchten schok gaf, maar hij bleef zitten. Slingerend reed
hij verder.

"Dat scheelde een beetje!" riep Karel.

"Of het! Wat gaat het al goed."

Met krommen rug, den stuurstang krampachtig in de handen geklemd,
trapte Jan voort. Hij vond, dat het al prachtig ging. Ha, daar zag
hij den lantaarnpaal al, dien hij had helpen verven. Dien paal moest
hij ook zien te ontwijken, want hij was natuurlijk nog nat. Maar tot
zijne verbazing en ook tot zijn schrik bemerkte hij, dat hij er alweer
regelrecht op aanreed.

"Gek toch," mompelde hij. "Zoo'n fiets brengt je juist, waar je niet
wezen wilt. Maar ik zal hem wel mis zien te rijden."

Hij naderde den lantaarnpaal meer en meer, hoewel hij alle moeite
deed om de fiets eene andere richting te geven. Dat wilde hem echter
niet gelukken.

"Pas op, die lantaarn daar!" schreeuwde hij in angst Karel toe.

Maar Karel kwam enkele meters achter hem aan, want Jan had hard
gereden, en hij was erg moê geworden. Karel verkeerde dus in de
onmogelijkheid om zijn vriend te helpen.

"Grijp me dan toch!" schreeuwde Jan in grooten angst, want hij zag, dat
hij regelrecht koers hield naar den pas geverfden paal. Op 't volgende
oogenblik schaafde zijn wiel er tegen aan, en om niet te vallen greep
Jan, zonder er bij te denken, den paal met beide handen aan. O wee,
hij voelde het kleven van de verf. Daarom liet hij den paal dadelijk
weer los, maar merkte, dat hij ging vallen. Hij breidde daarom de
armen uit en klemde den groenen paal teeder aan zijn borst. Zelfs
zijn linker wang kwam er mede in aanraking.

"Dat loopt best af!" riep Karel hem toe. Deze was hem spoedig genaderd,
trok de fiets een beetje achteruit, en riep:

"Vooruit maar weer, Jan. 't Gaat opperbest. Nog tot jullie huis,
en dan mag ik terug weer."

Hij wist niet, dat de paal geverfd was, en voordat Jan iets in 't
midden kon brengen, voelde deze zich alweer vooruit duwen. Met zijn
geverfde handen greep hij de handvatten van het stuur, en voort ging
het weer.

En 't ging weer goed ook. Jan trapte als een dolleman.

"Straks zal ik de handvatten wel afvegen," dacht hij. "Ik denk,
dat mijn kleeren ook wel vol verf zullen zitten. Die akelige paal
ook. Hoe kan de fiets er nu juist tegen aanrijden."

O, wat slingerde Jan langs den weg. Soms reed hij haast tegen een
boom op, een oogenblik later scheelde het maar zus of zoo, of hij
reed in het kanaal. Maar toch bleef hij op den weg. De menschen,
die hij tegenkwam, maakten zich uit de voeten, en bleven hem dan
lachend nakijken.

"Houd je roer recht, schipper!" riep de een hem toe.

"Je lijkt wel dronken, jongen!" merkte een ander op.

Jan lachte maar. Hij vond het verrukkelijk op de fiets, en had geen
oogen voor iets anders. Hij keek niemand aan, en staarde maar recht
voor zich uit op den weg.

"Jongen, jongen, wat gaat dat echt," dacht Jan bij zichzelven. "Als
mij nu maar weer niet iets in den weg komt."

Zwaaiende en zwierende fietste Jan verder.

Toen hij even zijne oogleden ophief, om te kijken, of de weg vrij
bleef, zag hij in de verte iemand naderen.

"Wacht," dacht hij, "nu zal ik toch eens zien, of ik hem niet kan
passeeren, zonder tegen hem aan te bommen. Maar die akelige fietsen
lijken wel altoos juist den verkeerden kant op te gaan."

Weer hief hij eventjes de oogleden op.

De man was al een heel stukje naderbij gekomen.

"Nu zal het er op aankomen," dacht Jan.

Hij omklemde de handvatten van het stuur nog krampachtiger dan te
voren en trapte wat hij kon. Voortdurend hield hij den man in het
vizier, tot hij opeens tot zijn schrik zag, dat het Dries was, die
van het schoorsteenvegen bij den molenaar terugkeerde. Wat was Dries
veranderd, en niet in zijn voordeel, want hij zag zoo zwart als een
neger en zijn kleeren zaten vol roet.

"Hu, wat een roetmop," dacht Jan. "Maar ik zal hem wel
misrijden,--wacht maar. Ik begin het sturen al aardig te leeren.--Hola,
wat een zwier maakte ik daar!--O  jé, het kanaal,--daar ga ik!"

Maar neen, met inspanning van al zijn krachten wierp hij het stuur om,
en het gevaar was geweken. Jantje reed verder.

Dries stond midden op den weg lachend naar hem te kijken.

"Wil je een nat pak halen, Jan?" riep hij hem plagend toe. "Aanstonds
ga je kopje-onder het kanaal in."

"Uit den weg! Ga uit den weg!" schreeuwde Jan, die tot zijn schrik
bemerkte, dat hij regelrecht op Dries aanhield.

"Berg je, menschen, berg je!" spotte Dries. Maar hij ging toch een
beetje op zijde, om Jan te laten passeeren.

't Hielp echter niet.

Nauwelijks was Dries van plaats veranderd, of Jan merkte, dat de fiets
daar rekening meê hield en weer regelrecht koers hield naar Dries.

"Op zij! Op zij!" schreeuwde Jan.

Maar op 't volgende oogenblik bonsde hij tegen Dries aan. Jan sloeg
hem in de verwarring de armen om den hals, en klemde zich krampachtig
aan den zwarten schoorsteenveger vast. Zij wang kwam tegen de wang
van Dries terecht, die dadelijk iets kleverigs voelde. Dat was de
verf van den lantaarnpaal, die Jan op zijn gezicht had.

O, wat lachte Dries.

"Wel, wel, houd je zooveel van me, dat je me omarmen wilt?" vroeg
hij. "Dan zal ik je wel een handje helpen."

En hij wreef met zijn zwarte gezicht tegen de wangen van Jan, precies
als eene moeder doet, die haar kindje knuffelt.

"Daar dan! Is het zoo goed?" vroeg Dries, die schaterlachte van
de pret.

De fiets was op den grond gevallen, en Jan hing nog aan den hals van
zijn plaaggeest.

Karel trok de fiets weg en Jan liet zich op de grond zakken. Maar wat
zag hij er uit. Hij was zoo zwart als een moriaan, en 't leek wel,
of hij al de schoorsteenen van het dorp had geveegd.

Hij werd braaf uitgelachen, en ging zoo spoedig mogelijk naar huis
om zich te wasschen.

En zijn vader plaagde hem ook niet zoo'n beetje.





Tiende Hoofdstuk.

    Hoe Flipsen zocht.


Frans Thor en Klaas Zwart hadden zich van lieverlede zeer nauw bij
elkander aangesloten, en waren boezemvrienden geworden. Eindelijk
waren zij samen een handeltje begonnen. Steeds kon men hen in elkanders
gezelschap vinden met een mand tusschen hen in, of ieder met een zak
op den arm of over den schouder. Dan trokken zij er op uit om vodden
en beenen te zoeken, die langs de wegkanten, bij huizen en schuren,
of in weilanden en boschjes verspreid lagen. En 't was inderdaad niet
weinig, wat zij vonden. Elken avond keerden zij met een goed gevulden
zak huiswaarts, en als de voorraad groot genoeg was, verkochten zij
dien aan den pottenschipper.

De pottenschipper was een man, die eenzaam in een zolderschuit
leefde. Hij had vrouw noch kind op de wereld, en ging met niemand
om. De menschen hielden ook niet veel van hem, want het was bekend,
dat hij geen gunstig verleden achter zich had. En in elk geval had
hij een zeer ongunstig uiterlijk. Hij leefde van zijn handel in potten
en pannen, en ook kocht hij vodden en beenen op.

Alles, wat Klaas Zwart en Frans Thor vonden, brachten zij bij den
pottenschipper, zooals hij algemeen werd genoemd. En zij ontvingen
er menig centje voor. Soms verkochten zij wel voor dertig à vijftig
centen in eene week, en al dat geld versnoepten zij. Of zij kochten
er sigaren voor, en rookten die op.

Maar langzamerhand begon hun vondst kleiner te worden, want ze
hadden het geheele dorp al meermalen afgezocht. En eindelijk raakte
de voorraad uitgeput.

Dat merkte de pottenschipper, en hij zei:

"Wat hebben jullie een beetje, jongens. Ik geef voor dit zoodje niet
meer dan vijf centen. Je bent een paar groote domkoppen, dat moet
ik zeggen."

"Domkoppen?" vroeg Frans. "Wij kunnen er toch niets aan doen, dat we
maar zoo weinig hebben? 't Heele dorp hebben we al meermalen afgezocht,
en er is eenvoudig niet meer. Ik zie niet in, dat wij daarom domkoppen
moeten zijn."

"Neen," zei Klaas Zwart, "ik ook niet."

De pottenschipper lachte slim.

"Toch is het zoo," zei hij. "Toen ik nog een jongen was, wist ik
altijd wel aan een zakduitje te komen. Vond ik geen vodden en beenen,
dan wist ik wel wat anders te bemachtigen. Ha, ha,--als je maar slim
bent en zorgt, dat de menschen 't niet zien."

Frans en Klaas keken hem vragend aan.

De pottenschipper legde zijn wijsvinger tegen den neus, en knipoogde
tegen de jongens.

"Och wat," zei hij, "als je 't slim weet te overleggen, is er nog
genoeg te vinden. Je behoeft me juist geen vodden te brengen,
jongens. Ik kan wel hemden, broeken, borstrokken en andere
kleedingstukken ook gebruiken. Er zijn menschen genoeg, die hun wasch
den geheelen nacht buiten laten liggen.--Ha, ha, ik zeg, als je maar
slim bent en er voor zorgt, dat de menschen je niet zien..."

"Maar dat is stelen," zei Klaas Zwart.

"Ja," zei Frans, "dat is stelen."

De pottenschipper richtte zich op.

"Zooals ik zeg, jongens, ik geef voor dit zoodje niet meer dan
vijf centen. 't Is maar een rommeltje. Voor goede kleedingstukken,
die nog gedragen kunnen worden, geef ik natuurlijk heel wat meer,
en voor ijzer, zink, lood en wat dies meer zij, wil ik je zelfs wel
guldens betalen in plaats van centen."

"Ja, maar dat hebben we niet," zei Frans.

"Als je wilt, is er genoeg te vinden," lachte de schipper weer. "Bij
den smid, bij den loodgieter, bij den timmerman, overal is wel wat
te snorren, als je maar goed uit je oogen kijkt en voorzichtig te
werk gaat."

"Maar," herhaalden de jongens, die eerst niet goed begrepen, wat de
pottenschipper bedoelde, "dat is stelen..."

"Ik zeg niet, dat je 't stelen moet," zei de schipper weer met een
listig knipoogje, "je moet die dingen vinden, jongens, je moet ze
eerlijk vinden. Alles wat je vindt, al is het ook nog zoo gek, wil
ik wel van je opkoopen. Als je er maar eerlijk aankomt..."

De jongens gingen heen.

Maar na dien tijd vermisten de menschen op het dorp telkens
kleinigheden. Van Dril raakte op voor hem onbegrijpelijke wijze
een nijptang kwijt, de loodgieter een soldeerbout, de timmerman
een hamer en een zaag, en vele huismoeders vermisten verschillende
kleedingstukken. Van de een waren kousen zoek, van een ander een hemd,
van een derde een nachtjapon, en zoo verder.

Toch dacht men eerst niet aan diefstal. Van Dril vertelde het verlies
van zijn nijptang niet aan anderen, om de eenvoudige reden, dat hij
wel eens meer een of ander stuk gereedschap kwijtraakte.

"Zeker hier of daar laten liggen," dacht hij. En spoedig was zijn
verlies vergeten. De knechts gingen wel eens meer slordig met het
gereedschap te werk, niet allen natuurlijk, maar enkelen. Op dezelfde
wijze dachten ook de andere menschen er over, die het een of ander
vermisten.

Maar toen het winter werd en er lange, donkere avonden kwamen,
verdwenen er op geheimzinnige wijze allerlei voorwerpen uit
werkplaatsen en huizen, en 't werd zoo erg, dat de menschen er onder
elkander over spraken.

"Er wordt bepaald gestolen," was de algemeene opinie. En menigeen
sloot 's avonds de deuren van huis en werkplaats zorgvuldiger dan
vroeger. De ondervinding leerde, dat wat men 's nachts buiten liet
staan, den volgenden morgen gewoonlijk verdwenen was. En niemand kon
er eenig vermoeden van krijgen, wie de dief was en waar de gestolen
voorwerpen belandden.

Van Dril pruttelde tegen zijn knechts, als er weer 't een of ander
spoorloos verdwenen was, maar dezen verklaarden,  dat zij het vermiste
voorwerp niet hadden laten slingeren. 't Was op geheimzinnige wijze
verdwenen.

Eindelijk kwam een en ander den burgemeester ter oore, en hij liet
Flipsen bij zich komen.

"Zeg Flipsen, heb je ook gehoord, dat er den laatsten tijd op 't dorp
gestolen wordt? Telkens worden kleinigheden van meer of minder waarde
vermist, en het waschgoed van de huismoeders ligt niet meer veilig
op de bleek."

"Ja burgemeester, ik heb er ook van gehoord," zei Flipsen.

"En heb je al eens hier en daar gesurveilleerd?" vroeg de burgemeester.

"O ja, al meermalen, maar tot nog toe is het mij niet gelukt, den
dader op 't spoor te komen."

"Zoo, 't is een gek geval. Ik begrijp ook niet, wie de dief zou
kunnen zijn. Voor zoover ik weet, wonen er enkel knappe menschen op
het dorp. Waar zouden die gestolen voorwerpen toch allemaal blijven?"

"Ik denk in de stad, burgemeester. Daar wonen wel menschen, die
gestolen goederen opkoopen. Ik vermoed, dat zij in den nacht naar
Amsterdam worden vervoerd..."

"Dan zou ik eens een oog in 't zeil houden, wie bij nacht of
ontijd daarheen gaat, Flipsen. 't Is best mogelijk, dat je gelijk
hebt. In elk geval is het hoog tijd, dat de dief gesnapt wordt. De
menschen dienen in 't rustige bezit te kunnen blijven van 't geen
hun eigendom is. Zoolang ik hier burgemeester ben, is er van geen
dieverij sprake geweest, en wij moeten het kwaad zoo spoedig mogelijk
den kop indrukken."

Flipsen sloeg op militaire wijze aan, en zeide:

"Ik zal m'n best doen, burgemeester. 't Zal aan mij niet liggen,
als de dief niet gesnapt wordt."

"Dat is goed, en daar vertrouw ik ook op."

Met eene handbeweging gaf de burgemeester Flipsen zijn afscheid,
en deze was vastbesloten zijn uiterste best te doen, om den dief te
ontdekken. Maar dat het moeilijk zou gaan, stond bij hem vast.

Den geheelen avond liep hij buiten het dorp te loeren, of ook iemand
zich verwijderde in de richting van Amsterdam,--maar  tevergeefs. Alles
was en bleef rustig op het dorp. 't Was dan ook een koude, gure avond,
en de menschen bleven liever bij de warme kachel. Flipsen zag den
geheelen avond geen levende ziel buiten, en hij liep te bibberen van
de koû. 't Was al haast elf uur geworden, en nog stond hij trouw op
zijn post. Eindelijk hoorde hij in de verte iets naderen.

"Wacht," dacht hij, "nu zal het komen."

Hij verschool zich achter een boom.

't Geluid kwam nader. Duidelijk hoorde hij, dat het een wagen was.

"'t Is een hondenkar," prevelde Flipsen. "Ik denk, dat ik den dief op
het spoor ben. De gestolen voorwerpen worden zeker met een hondenkar
naar Amsterdam gebracht."

"Halt!" riep hij plotseling, want het voertuig was hem nu genaderd.

De man, die op de kar zat, schrok er niet weinig van, en sprong
dadelijk van den wagen. Maar zijn stok hield hij opgeheven, want hij
dacht niet anders, of hij had met een aanrander te doen.

Flipsen sprong van achter zijn boom te voorschijn.

"Wie ben je,--en waarheen ga je?" vroeg hij op bevelenden toon.

"O, Flipsen, ben jij het?" vroeg de man van de hondenkar. "Kerel,
is me dat laten schrikken. Ik dacht waarlijk met..."

"'t Doet er niet toe, wat jij denkt," viel Flipsen norsch in. "Ik
vraag, wie je bent,--maar dat zie ik nu al,--en  waar je heengaat."

"Wel, ik ben Dirk Kroeze, de slager, en ik ga naar Amsterdam. Daar
steekt toch niets achter, zou ik zeggen?"

"Juist, Kroeze, de slager. Wat heb je in dien wagen?"

"Twee doode schapen, anders niet," was het antwoord. "Ik ga ze
naar Amsterdam brengen, waar ze met een dood schaap altijd wel raad
weten. Nu er zoo'n strenge keuring is op het vleesch, worden doode
beesten altijd 's nachts de stad ingevoerd. Vroeger gebeurde dat
overdag. Zie je, dat is het eenige verschil..."

Kroeze was een derderangs-slager. Hij kocht bij de boeren de doode
beesten op, die andere slagers niet hebben wilden, en wist daarmede het
brood te verdienen voor zich en zijn gezin. En de kroegbazen kregen
er ook rijkelijk hun deel van, want Kroeze maakte veel misbruik van
sterken drank. Hij was dikwijls dronken.

Flipsen was den wagen genaderd en bekeek den inhoud.

"Denk je soms, dat ik een dief ben?" vroeg Kroeze een beetje
beleedigd. "Ik verdien op eerlijke manier mijn brood, man, en ik heb
mijn vingers nog nooit uitgestoken naar een andermans goed. Of weet
jij iemand te noemen, die iets op Kroeze te zeggen heeft?"

"Neen," zei Flipsen. "Maar er wordt tegenwoordig gestolen op 't dorp,
en 't is meer dan tijd, dat wij den dief vinden."

"Ach zoo, is dàt de zaak?" zei Kroeze. "Dan is het goed, hoor, en
kijk mijn wagen maar na. Je hebt gelijk, er wordt tegenwoordig meer
gestolen, dan mij lief is. Verleden week ben ik mijn beste mes uit
de slagerij kwijt geraakt, en nog een zwaren vleeschhaak op den koop
toe. Ik heb m'n hoofd gek gezocht om ze terug te vinden, maar jawel,
ze zijn weg en ze blijven weg. En ik zal ze wel nooit terugzien,
vrees ik."

"Dat vrees ik ook," zei Flipsen. "Je kunt wel verder gaan, Kroeze,
ik heb er het mijne van gezien. Goeden avond."

"Ook goeden avond," zei Kroeze. Hij duwde de kar voort, en riep:

"Allo, honden, kssssss, kssssss! Vooruit zeg 'k! Allo!"

Hij sloeg met zijn stok tegen den wagen.

De honden, die tijdens het onderzoek op den weg waren gaan liggen,
richtten zich met tegenzin op, en trokken den wagen voort. Maar 't ging
Kroeze niet hard genoeg. Hij maakte veel lawaai met zijn stok, en riep:

"Ksssss! Ksssss! Allo, Allo! Vooruit honden. Kssssss!"

Een oogenblik later sprong hij op den wagen, en weldra was hij in de
duisternis verdwenen.

"Dat was mis!" mompelde Flipsen, huiverend van de koude. Hij trok
den kraag van zijn jas en zijne schouders omhoog, en bleef geduldig
wachten. Maar toen er na een uur nog niemand gekomen was, besloot
hij naar huis te gaan.

Den volgenden avond was hij echter weer op zijn post, want hij
was iemand, die zijne plichten trouw nakwam. Als hij zich eenmaal
voorgenomen had, dit of dat te doen, was hem geen moeite te veel,
en stoorde hij zich aan koude noch warmte.

Maar hoe hij zich ook inspande, het gelukte hem niet, den dief
te snappen. Daarom besloot hij de wacht te houden op den weg, die
naar Haarlem voerde. Avond aan avond verschool hij zich op eenigen
afstand buiten het dorp, maar alweer tevergeefs. Hij vond van den
dief geen spoor.

"Dan zal ik gedurende enkele avonden in het dorp zelf eens goed
uitkijken. Wie weet betrap ik den dief dan niet op heeterdaad,"
dacht hij.

En zoo deed hij ook.

Zoodra het donker geworden was en in de huizen overal de lichten
opgestoken waren, verliet Flipsen zijn woning, om over de
veiligheid van zijne medeburgers te waken. Eerst begaf hij zich
naar verschillende werkplaatsen, van welke het hem bekend was, dat
er al meermalen voorwerpen vermist waren. Hij vond ze echter alle
zorgvuldig gesloten. De menschen waren, door de ondervinding geleerd,
al voorzichtiger geworden.

Eindelijk bemerkte hij, dat er achter het huis van de weduwe Butter
eenig waschgoed op een bleekveldje lag.

"Wacht," dacht hij. "Hier zal ik mij ergens verschuilen. Waschgoed
is den laatsten tijd ook dikwijls ontvreemd."

Achter het schuurtje stond, naast het bleekveld, een groote ton, waarin
het regenwater, dat van het schuurtje in de goot kwam, opgevangen
werd. Achter die ton maakte Flipsen zich zoo klein mogelijk. Geduldig
wachtte hij, of de dief komen zou.

Dat gebeurde echter niet. Toen hij een half uur in zijne gebogen
houding had doorgebracht, kon hij bijna niet blijven zitten van de
pijn, die hij in zijne beenen kreeg. Voorzichtig richtte hij zich
een weinigje op.

Alles bleef stil in den omtrek.

Flipsen gaf echter den moed nog niet verloren.

En waarlijk, eer er een tweede half uur voorbijgegaan was, hoorde
hij eenig gerucht.

Hij richtte zich op en keek over de ton.

Ha, daar zag hij een gestalte, die haastig naar het bleekveld ging
en vliegensvlug enkele kleedingstukken bij elkaar greep.

Met een vluggen sprong kwam Flipsen op de gestalte af.

"Ha, dief, daar heb ik je!" schreeuwde hij in de vreugde zijns harten,
nu hij eindelijk in zijn pogingen geslaagd was.

Een hevige gil was het antwoord. Flipsen hoorde, dat het een
vrouwenstem was, hetgeen hem verwonderde.

Met groote snelheid liep hij op de gestalte af, en greep haar bij
den schouder. De onbekende sloeg de armen ten hemel en slaakte een
tweeden, hartverscheurenden gil.

"Wie ben jij?" beet Flipsen haar toe.

Er kwam geen antwoord. De schrik verlamde als het ware haar tong.

"Hoor je me niet? Wie ben jij?" herhaalde Flipsen.

"O,--ik ben--ik ben Trijntje--de meid.--O, wat een schrik!"

"Trijntje--de meid?" vroeg Flipsen spijtig. "Ik dacht, dat jij de
dief was. Waarom laat je dat waschgoed ook buiten liggen?"

"Ik--de dief!" riep het meisje uit, half schreiende van schrik en
half lachende van blijdschap, nu zij bemerkte, dat zij met geen
spoken te doen had. Want Trijntje geloofde nog aan spoken. "Ja,--dat
zei de juffrouw ook, dat ik het waschgoed niet mocht laten liggen,
en daarom ging ik het nog maar gauw eventjes halen. Hè--hè--ik beef
over mijn heele lijf van den schrik..."

Flipsen ging zonder groeten heen. Het speet hem, dat hij zich ten
tweeden male vergist had.

Maar het meest speet het hem, dat hij den volgenden dag moest
vernemen van den burgemeester, dat er bij den molenaar tien meelzakken
gestolen waren en dat er bij Legels, een herbergier, een mandje met
ledige flesschen verdwenen was. Flipsen begreep daaruit, dat hij in
een geheel verkeerde richting had gezocht. Hij wist er, zooals men
dat wel noemt, geen touw meer aan vast te knoopen, en hij verdiepte
zich in gissingen, wie toch wel de brutale dief kon zijn. Het trok
zijn opmerkzaamheid, dat het altijd kleinigheden waren, die gestolen
werden, en dat er nooit sprake was van inbraak. Langzamerhand vestigde
zich de overtuiging bij hem, dat de dief geen man, maar een jongen
moest zijn. En hij besloot voortaan in die richting te zoeken.

Jan Trom merkte op, dat Flipsen hem telkens onderzoekend aankeek,
als hij hem tegenkwam. Eens, toen hij met zijn bokkenwagen bij Van
Dril vandaan kwam, schoot plotseling Flipsen op hem af, en vroeg hem:

"Waar kom jij vandaan?"

"Van Van Dril," zei Jan.

"Zoo,--wat heb je daar gedaan?"

"Eventjes in de smederij gekeken," was het antwoord.

"Stap eens uit je wagen!" gebood Flipsen.

Jan gehoorzaamde dadelijk, niet weinig verwonderd, wat dit alles wel
te beduiden had.

Flipsen doorsnuffelde het geheele karretje. Het bankje bestond uit een
bak met een plankje er op als deksel. Flipsen lichtte dat plankje op
en keek, wat er zich in den bak bevond. Maar hij zag niets verdachts.

"'t Is goed," zeide hij. "Je kunt wel weer gaan." En Jan ging.

Dienzelfden middag kwam Flipsen Frans Thor en Klaas Zwart tegen. Hij
zag ze uit het schoolboschje komen. De school werd door drie boschjes
elzenhout omringd, die te zamen altoos het schoolbosch werden
genoemd. Tusschen die boschjes in lagen vrije strooken gronds, die
tot speelplaats dienden.

Frans en Klaas droegen een mand tusschen zich in. Elk hield een
oor vast.

"Daar is Flipsen," zei Klaas Zwart. Hij voelde zich nooit bizonder
op zijn gemak, als hij den politiedienaar zag. Geen wonder trouwens,
want hij en zijn makker hadden al menig diefstalletje op hun geweten.

"Ja, dat zie ik," zei Frans. "'t Hindert niet; laat hem komen."

Zoodra Flipsen deze jongens zag, schoot hem dadelijk de gedachte
door het hoofd, dat zij wel eens de schuldigen konden zijn, want zij
liepen altoos overal te "schuimen," zooals Flipsen dat noemde. En
't verwonderde hem, dat hij al niet eerder aan deze twee knapen had
gedacht. Met groote schreden liep hij op hen af, en 't scheen wel,
of zijne scherpe oogen hen wilden doorboren.

Klaas Zwart werd er bang van en keek een anderen kant op, wat Flipsen
niet ontging.

"Waar komen jullie vandaan?" vroeg hij barsch. Hij boog zich voorover
en hield zijn blik stijf op Klaas Zwart gericht. Klaas werd er bleek
van, en zijne stem hokte hem in de keel.

"Uit het boschje," zei Frans, die niet zoo bang was als Klaas.

"En wat deed je daar?"

"Wij zoeken beenen en vodden," gaf Frans ten antwoord. En hij hield de
mand een weinig naar voren, om er Flipsen in te laten kijken. Deze
wierp er een blik in en zag, dat er inderdaad enkele beenderen
in lagen.

"Vind-je die in het schoolboschje?" vroeg Flipsen verwonderd. "Hoe
komen die daar dan?"

"Misschien door de honden, die er daar aan kluiven, omdat het er
een rustig plekje is," zei Frans. "Wij vinden er daar maar zelden
een. Eigenlijk is er op het geheele dorp bijna geen beentje meer te
vinden, want wij hebben alles al meermalen afgezocht."

"Zoo," zei Flipsen. "Ja, aan alles komt een einde. En aan wien verkoop
je dien rommel?"

"Och," zei Frans, "aan voddenkoopers..."

"En aan den pot..." zei Klaas. Maar Frans viel hem in de rede:

"Aan voddenkoopers uit Haarlem, die hier wel met hondenwagens komen."

"Ja, ja," zei Flipsen. "Houd jij je mond nu maar eens. Wat wou jij
straks zeggen, Klaas Zwart? Aan den pot..."

"Dat heb ik niet gezegd," loog Klaas. "U heeft me verkeerd verstaan. Ik
zei: aan de vod.... Maar toen viel Frans mij in de rede."

"Juist,--juist," zei Flipsen met een onmerkbaar lachje om zijne
lippen. "Nu jongens, zoekt maar goed. Er zal hier of daar nog wel
wat te vinden zijn."

Hij liet de jongens staan en ging naar huis. Maar hij lachte inwendig
van pret, want hij twijfelde niet, of hij was thans de daders wel
degelijk op het spoor.

"De pottenschipper," mompelde hij tusschen de tanden. "Ja, ja, die
jongen verklapte het leelijk: de pottenschipper is de opkooper. Wacht
maar, zij zullen mij niet ontsnappen..."

Frans en Klaas gingen zwijgend verder. Het korte onderhoud met den
veldwachter had hun eenigen schrik aangejaagd. Na een poosje zei Frans:

"Stommerd!--Jij had de heele zaak daar bijna verklapt."

"Ja," zei Klaas angstig. "Maar ik geloof niet, dat hij het verstaan
heeft. Zou je denken, dat hij me verstond?"

"Dat weet ik niet," zei Frans, "'k Geloof haast van niet, maar toch
moeten wij voorzichtig zijn. We dienen ons een poos althans rustig
te houden. Ik vertrouw Flipsen niet."

"Ik ook niet," zei Klaas met een zucht. "Als hij me maar niet verstaan
heeft. _Pot_ lijkt erg veel op _vod_. Zeg Frans, ik ga naar huis;
ik heb geen zin meer in het zoeken."

"Ga dan," zei Frans.

Zoo scheidden de jongens.

Flipsen lette na dien dag zorgvuldig op de zolderschuit van den
pottenschipper. Hij twijfelde er niet aan, of den een of anderen dag
zou het raadsel nu wel worden opgelost.

Maar dagen en zelfs enkele weken gingen voorbij, en Flipsen bleef
even wijs, als hij was. De pottenschipper leefde even eenzaam en
verlaten in zijn schuit als altoos, en Frans en Klaas zag Flipsen er
nooit heengaan.

Doch,--en dit trok zijne opmerkzaamheid, er werd niet meer gestolen
ook op het dorp. En dat was hem een troost.




Elfde Hoofdstuk.

    De bestorming van het sneeuwkasteel, en eene heldendaad
    van Jan.


't Was in het begin van December. De winter was vroeg ingevallen,
en het vroor, dat het kraakte. Eerst had het geducht gesneeuwd,
tot groot vermaak van Jan Trom en zijne makkers. Ha, wat hadden zij
gesneeuwbald! De kogels vlogen de jongens om de ooren. Toen hadden zij
bedacht op het marktplein een fort op te werpen. Dat was een heel werk
voor hen, want zij waren maar niet tevreden met een opgeworpen hoogte
van sneeuw, neen, zij wilden een mooi fort hebben met schuin afloopende
kanten, met torens op de hoeken en kanteelen daartusschen. 't Leek,
toen het klaar was, veel meer op een kasteel dan op een fort. De
jongens vonden het prachtig, en zij werkten er aan met een ijver en
toewijding, zooals die alleen bij jongens gevonden kan worden.

Eindelijk was het kasteel klaar, en nu besloten zij, zich in twee
gelijke troepen te verdeelen. De eene helft zou het kasteel aanvallen,
de andere zou het verdedigen.

Aan de twee vrienden Jan Trom en Karel van Dril viel eene groote
onderscheiding ten deel. Jan Trom werd namelijk verkozen tot
bevelhebber van het sneeuwslot, en Karel tot aanvoerder van de
vijanden.

"Eventjes wachten, jongens!" riep Jan zijn makkers toe. "We moeten
twee vlaggen hebben, voor elke troep één."

"Ja, best!" zei Karel. "Maar weet je, wat het ergste is? Alle vlaggen
zijn rood, wit en blauw, en 't is niet aardig, als onze vlaggen
hetzelfde zijn."

"O, daar weet ik wel raad op. 't Kasteel is een Hollandsch slot,
dus daar zetten we de nationale vlag op, dat spreekt vanzelf. Als
jij nu je vlag onderst-boven aan den stok bindt, lijkt hij heel veel
op de Duitsche vlag. Jullie stelt dan het Duitsche leger voor, dat
een inval doet op Hollandsch grondgebied. Zeg jongens, dat kan leuk
worden, zou ik meenen."

Dit voorstel vond algemeen goedkeuring, en Jan en Karel haastten
zich naar huis, om eene vlag te halen. Binnen tien minuten waren zij
terug. De Hollandsche vlag werd op den hoogsten toren van het kasteel
geplant, en Karel benoemde een van zijne soldaten tot vaandrig. Jan
en zijne krijgers maakten een ontzaglijken voorraad sneeuwballen,
die achter de kanteelen werden opgestapeld, maar ook de Duitsche
veldheer maakte zich zijn tijd ten nutte. Eindelijk waren beide
partijen slagvaardig.

De Duitschers omringden het fort aan alle kanten, en wachtten op het
sein om aan te vallen. Karel, als bevelhebber,  ging met den vaandrig
aan zijn zijde naar het fort, en riep de bezetting toe:

"Hallo! Hei daar!"

"Werda!" antwoordde Jan Trom, wiens bovenlijf boven den gekanteelden
muur verscheen. "Wat is er van uw begeeren."

"In naam van mijn meester, den Keizer van Duitschland, eisch ik dit
kasteel op," was het antwoord van Karel. "Mijn soldaten omringen het
van alle kanten, geef u dus goedschiks over, dan beloof ik vrijen
uittocht aan de manschappen. Zoo niet, wacht u dan voor de gevolgen."

"Die komen voor mijne verantwoording. Dit slot behoort aan Koningin
Wilhelmina der Nederlanden, en zoolang ik leef, zal geen Duitscher
het binnenkomen. Dat is mijn antwoord. Leve de Koningin!"

"Leve de Koningin!" juichten Jan's volgelingen.

"Leve de Keizer!" riep Karel van Dril, en zijn krijgers herhaalden:

"Leve de Keizer!"

"Dan is het oorlog!" riep Karel zijn vriend Jan nog toe, terwijl hij
zich met zijn vaandrig verwijderde.

"Oorlog op leven of dood!" schreeuwde Jan.

Weldra vloog de eerste sneeuwbal over de muren van het kasteel,
en de belegerden keken hem lachend na.

"Je moet beter mikken, mannetje!" riep Willem Kroeze, de zoon van
den slager. "Op deze manier!"

En hij wierp den Duitschen bevelhebber heel netjes zijne pet van het
hoofd, tot groot vermaak van de andere Hollanders.

Maar toen kwam er een regen van kogels op het kasteel af. De Hollanders
moesten zich zelfs achter de kanteelen verbergen, want de Duitschers
ontzagen hen niet. Zij wierpen uit alle macht, en de ballen kwamen
hard aan, als zij raakten.

"Hoera, zij worden bang!" riep Karel zijne mannen toe. "Allo, allo,
beklimt de muren, en werpt den vijand naar beneden."

't Werd een geweldige bestorming. Van alle kanten schoten de vijanden
toe, en behendig klauterden zij tegen de hoogte op.

Maar Jan zag het gevaar.

"Zij wagen eene bestorming, jongens! Geeft ze de volle laag!" riep
hij. Zijn bevel werd uitgevoerd, en de Duitschers werden haast
onder de sneeuw bedolven. Sommigen kregen oogen, mond en neus vol,
zoodat zij hoestend en proestend het hazenpad moesten kiezen, en
anderen kregen een flinken voorraad tusschen den kraag van hun jas,
zoodat het water hun over den rug liep. Weldra was de storm met glans
afgeslagen. De Duitschers trokken zich terug. De vaandrig liep zelfs
wel wat erg hard voor 't mooi. Hij viel met vaandel en al voorover
in eene greppel, tot groot vermaak van de Hollanders.

"Het Duitsche vaandel valt!" riepen zij lachend. "Dat is een goed
voorteeken. Hoera! Leve de Koningin!"

"Kijk ze eens loopen!" riep Jan, wiens oogen schitterden van
opgewondenheid. "Die storm is afgeslagen, jongens, en tot een tweeden
zullen zij zoo spoedig wel niet overgaan."

Dat was ook zoo. Er werd zelfs geen bal meer gegooid. Karel hield
met zijn makkers krijgsraad, want het was hem gebleken, dat het niet
gemakkelijk zou gaan het fort te veroveren.

"Wat dunkt je, jongens," zei hij, "als we met ons allen eens
op één punt een zóó geweldig vuur openden, dat de kanteelen in
puin vallen? Dan zijn de belegerden ongedekt en vinden nergens
beschutting. Als we ze dan de volle laag geven, kunnen zij het
onmogelijk uithouden."

"Ja, ja, dat is goed. De kanteelen moeten we wegkogelen," zei de
vaandrig, "en dan wil ik wel eens zien, of ze 't volhouden."

"Afgesproken!" zei Karel. "Hierheen, jongens, aan dezen kant hebben we
de sneeuw maar voor 't grijpen. Zeg, weet je, wat we in ons voordeel
hebben?"

"Wat dan?"

"Wel,--wij kunnen zooveel sneeuwballen maken, als we willen, maar
hun voorraad raakt eenmaal uitgeput. En dan kunnen zij niets meer
beginnen."

"Dat is waar, ha ja, dat is waar!" lachten de Duitschers.

Op 't volgende oogenblik openden zij een zoo geweldig bombardement
op de kanteelen, dat deze het werkelijk kwaad te verantwoorden
kregen. Hier en daar begonnen zij al spoedig af te brokkelen en
in te storten, tot groote vreugde van de vijanden, die soms even
ophielden om hunne vingers in den mond te steken,--want die werden
erg koud,--en dan maakten zij tevens van de gelegenheid gebruik,
om een oorverdoovend gejuich aan te heffen. Onder 't sneeuwballen
gunden zij zich daar den tijd niet toe.

Inderdaad kreeg de bezetting het kwaad te verantwoorden.

Maar Jan toonde zich iemand van groote veldheerstalenten. Hij zag
niet alleen het gevaar, dat hem dreigde, maar hij doorzag ook de
bedoeling van zijne vijanden.

"Jongens," riep hij zijne soldaten toe, "als we de kanteelen niet
behouden, zijn we verloren. Neemt de schoppen en werpt op elke bres
een nieuwen muur op. Maar slaat de sneeuw stevig in elkander, zoodat
de kogels er geen vat op hebben. Weest echter voorzichtig, want als
je een bal tegen je gezicht krijgt, dan ben je--zuur!"

De soldaten lachten smakelijk om deze laatste uitdrukking, maar zij
begrepen de bedoeling van hun aanvoerder toch zeer goed, en gingen
dadelijk met ijver aan 't werk. Een deel van hen wierp de bressen
dicht, en zij zorgden er voor, dat de sneeuw goed in elkaar geslagen
werd, zoodat zij een harde koek vormde,--een ander deel maakte nieuwe
sneeuwballen, waarvoor zij het fort als het ware onder hunne voeten
moesten afbreken, en de rest bekogelde den vijand.

Al spoedig verstomde daar het gejuich, want 't was duidelijk, dat de
pogingen om de gekanteelde muren te vernietigen, schipbreuk zouden
lijden. Zoodra was het den Duitschers niet gelukt een bres in den
muur te schieten, of op 't volgende oogenblik waren wel tien handen
gereed om het gat weer te stoppen. De vijanden waren verder van de
overwinning dan ooit, en zij werden er moedeloos onder. Hun ijver
verflauwde, het bombardement werd minder hevig, en eindelijk trokken
zij af om opnieuw krijgsraad te beleggen.

Wat de Hollanders juichten!

Zij zwaaiden met hunne mutsen, en riepen:

"Hoezee! Leve de Koningin! Hoezee!"

Zij waren echter wel blij, dat zij nu ook een poosje rust kregen,
want de strijd was hevig geweest, en zij waren erg vermoeid.

"Ik kan haast niet meer," zei Willem Kroeze.

"Ik ook niet," zuchtte Jacob Boors. "En wat zijn mijne vingers
koud. Ze tintelen!"

Hij kreeg haast tranen in de oogen van de pijn, die ze hem deden.

"Steek ze een poosje in je mond, en blaas dan hard. Dan worden ze
wel weer warm," zei Jan Trom. "Zeg jongens, wat hebben we ons goed
gehouden, hè? Als we oppassen, krijgen zij ons fort nooit. Kijk ze
't eens druk hebben. Ze houden zeker weer krijgsraad."

"Laat ze maar!" zei Tines Wobbe. "We zullen ze ontvangen, zooals het
behoort. Weg met de Duitschers!"

"Weg met de Duitschers!" riepen ze allen, en weer zwaaiden ze met
hunne hoofddeksels.

"En leve de Koningin!" juichte Jan Trom.

"Ja, ja, leve de Koningin!" riepen allen.

Na een paar minuten werd de krijg hervat. De vijanden waren tot
het besluit gekomen, eene nieuwe bestorming te wagen. In gesloten
rijen liepen zij op het fort toe, en opnieuw probeerden zij tegen
den schuinen kant op te klauteren. Maar weer werden zij lang niet
malsch ontvangen.

Een hagelbui van sneeuwballen begroette hen, en de verdedigers wierpen
schoppen vol losse sneeuw over hunne hoofden uit.

Maar Karel wilde niet opnieuw wijken.

"Sterven of overwinnen!" riep hij zijne volgelingen toe, en hij
klauterde moedig omhoog, zich niet storende aan de projectielen
der belegerden.

Zijne soldaten, aangevuurd door zijn geestdrift, volgden hem met
mannenmoed. Ha, daar had Karel den gekanteelden muur bereikt, en
reeds richtte hij zich op om victorie te roepen, toen Jan plotseling
op hem toesprong, en hem pardoes achterover naar beneden wierp.

"Weg met de Duitschers!" schreeuwde hij.

Karel was veel gauwer beneden, dan hij boven gekomen was. Eerst keek
hij een oogenblik beteuterd rond, maar toen hij zag, dat zijne soldaten
voet bij stuk hielden, bestormde hij de vesting opnieuw. 't Was een
verwoede aanval, en de belegerden konden niet dan met de uiterste
inspanning stand houden. Met ongebreidelde geestdrift drongen de
Duitschers op hen in, maar de een na den ander werd van de borstwering
afgeduwd en naar beneden geworpen. Daar werden zij haast onder de
sneeuw bedolven, die hun bij schoppenvol nageworpen werd.

Eindelijk deinsden de Duitschers af. Zij waren opnieuw afgeslagen. Maar
het fort verkeerde in een deerniswaardigen toestand, want om zich te
verdedigen waren de Hollanders genoodzaakt geweest, zich den grond
onder de voeten weg te spitten. De torens helden dientengevolge sterk
over naar den binnenkant van het slot, en dreigden elk oogenblik in
te storten. Ook de muren geleken wel bouwvallen. Maar nog wapperde
de Hollandsche vlag fier van den hoofdtoren. Jan was daar trotsch op,
en hij prees zijne soldaten om den betoonden moed.

"Maar mijne vingers vallen haast af van de kou!" zei Tines.

"Dat doet er niet toe!" riep Jan hem toe. "Zoolang de vlag nog van
den toren wappert, is er niets verloren, al hadden wij geen van allen
meer een vinger over! Leve de Koningin!"

"Leve de Koningin, en weg met de Duitschers!" schreeuwden zij om
het hardst.

"Dat is niet om uit te staan!" riep Karel zijne soldaten toe. "Komt
jongens, opnieuw aangevallen, en niet gerust, voordat het fort ons is!"

De vijanden bestormden den burcht opnieuw, en de aanval was zoo
mogelijk nog verwoeder dan de vorige.

"Nu of nooit!" schreeuwde Karel, die zich op en top krijgsman voelde.

"Sterven of overwinnen!" antwoordde Jan Trom, en de jongens vochten
van weerskanten als leeuwen.

Eindelijk gelukte het Karel ten tweeden male op het fort te komen,
vlak bij den hoofdtoren. Maar Jan en zijne soldaten wierpen zooveel
sneeuw tegen zijn hoofd en schouders, dat hij zijn evenwicht verloor
en tegen den toren viel. Deze was echter al zoo bouwvallig, dat hij
den schok niet meer kon weerstaan en instortte. De vlag der Hollanders
verdween van hare hooge standplaats.

"De toren stort in!" riep Willem Kroeze.

"De vlag duikt!" schreeuwden de Duitschers.

"Hoera! Hoera!"

Karel lag te spartelen onder de sneeuw in het fort, want de toren
had hem half bedolven. De Hollanders sprongen op hem aan en grepen hem.

"Een gevangene! Een gevangene!" juichten zij. "De bevelhebber is
gevangen! Weg met de Duitschers! Leve de Koningin!"

De Duitschers, ontsteld door het gevangennemen van hun Commandant,
deinsden af, maar spoedig kwamen zij terug met het stellige voornemen,
hun hoofdman te verlossen.

Het kasteel was nu een puinhoop geworden. De torens waren ingestort,
en van de gekanteelde muren was geen spoor meer overgebleven. De
belegerden waren thans geheel ongedekt aan het vuur der vijanden
blootgesteld, en het maken van nieuwe sneeuwballen, of zooals zij
zeiden het gieten van nieuwe kogels was hun zoo goed als onmogelijk
geworden, omdat de sneeuw, waarop zij stonden, door de soldaten als
het ware tot een harden koek was vastgestampt. Met hunne schoppen
moesten zij de sneeuw omspitten om kogels te kunnen gieten.

En toen kwam een nieuwe storm. De vijanden klauterden als katten
tegen den muur op, en de belegerden hadden geen middelen meer om
hen te keeren. Zij vochten nog wel als leeuwen en wierpen menigen
Duitscher naar beneden, maar tevergeefs. Het fort was verloren. Voor
en na verschenen de vijanden op de hoogte, en eindelijk moest Jan
zich overgeven.

"Hoera! Hoera!" riepen Karel en zijn mannen. "Het kasteel is ons! Leve
de Keizer!"

De Hollandsche vlag, waarvan de stok gewoon in de sneeuw gestoken
was, daar de torens totaal verdwenen waren, werd omvergeworpen,
en de vijandelijke vlag kwam er voor in de plaats.

"Leve de Keizer!" juichten de Duitschers, en zij zwaaiden met hunne
mutsen.

"Goed, goed!" zei Jan. "Maar wat heb je nu? Wat is er van het kasteel
overgeschoten? Een puinhoop, meer niet. Veel pleizier er mede."

"Ja, ja, dat is waar!" zei Karel. "Jelui hebt je kolossaal goed
gehouden, dat moet ik zeggen.--Hè, hè, jongens, dat was een mooi
spelletje!--'t Is nu tijd om naar huis te gaan. Doen we het morgen
weer?"

"Ja, ja!" werd er van alle kanten geroepen. "Dat is afgesproken."

Zingende verlieten vriend en vijand het marktplein, om naar huis te
gaan. Zij hadden heerlijk gespeeld en dachten er nog lang daarna met
pleizier aan. Zij waren vast besloten,  den volgenden dag een nieuw
kasteel te bouwen en den strijd te hervatten.

Maar den volgenden morgen merkten zij al dadelijk, dat het niet
kon. 't Had namelijk dien nacht verbazend hard gevroren, en 't
was daardoor onmogelijk geworden sneeuwballen te maken. De sneeuw
wilde niet pakken. Zij vonden dat wel erg jammer, maar daarentegen
verheugden zij er zich weer in, dat het zoo hard gevroren had, en
zij hoopten, dat het ijs spoedig sterk zou worden. De twee kanalen,
die in het hart van het dorp elkander kruisten, lagen al dicht. De
jongens wierpen er steentjes op, om te zien, of zij er doorheen konden
gooien, maar dat konden zij niet. Alleen klinkers gingen er ongeveer
voor de helft doorheen.

Zij vermaakten zich nu met glijbanen te maken en daar in lange risten
overheen te glijden. De grond werd hier en daar spiegelglad. Opeens
bedachten zij, dat het nu prachtig zou glijden langs de helling
buiten het dorp, bij het fort, waar Jan met zijn automobile den
veldwachter bij ongeluk van de been gereden had. En nauwelijks hadden
zij dat bedacht, of zij snelden er heen. Ha ja, ze hadden zich niet
bedrogen. De helling was er prachtig voor geschikt, en er lag dik
sneeuw. Spoedig was het er zoo glad, dat men er haast niet op de beenen
kon blijven staan, en als de jongens eenmaal op de helling waren,
mòèsten zij verder, of zij wilden of niet. Zij vonden het meer dan
verrukkelijk, en wisten van geen ophouden. 't Was een koddig gezicht,
als een van hen het ongeluk had te vallen. Dan buitelden allen, die
achter hem kwamen aanglijden, hals over kop over hem heen, en werd
het een levende berg van jongens.

Menigeen riep dan au, au! en sommigen kwamen erg in de verdrukking,
maar daarom werd niet getreurd. Een volgend oogenblik gleed de geheele
rij weer met statie verder, en 't ging vliegensvlug.

't Was al laat, eer de jongens thuiskwamen, en voordat zij de deur
instapten, wierpen zij eerst nog een blik op het hemelgewelf om
te zien, of de lucht naar vorst stond. En dat deed ze gelukkig. De
sterretjes fonkelden aan den hemel, en er was geen wolkje aan te zien.

Dien nacht vroor het kolossaal! Toen Jan 's morgens zijn neus buiten
de bedgordijnen stak, zag hij al dadelijk, dat de bloemen dik op de
ruiten stonden.

"De pomp is bevroren!" riep zijn vader van uit de keuken. "Jongen,
jongen, wat een vorst. 't Is buitengewoon! Zeg Jan, nog één nachtje
zoo, en we kunnen schaatsenrijden. Dan is het kanaal sterk genoeg. Maar
vandaag nog voorzichtig wezen, hoor, 't kan nog niet vertrouwd zijn."

"Ja Vader," zei Jan.

Hij was van nature geen waaghals. Niet, dat hij bang was, in het
geheel niet, maar hij vond het dwaasheid zijn leven roekeloos in
gevaar te stellen. Toch waren er wel jongens, die zich al op het kanaal
waagden. Voorzichtig, voetje voor voetje, liepen zij het ijs op, dat
door een sterk gekraak waarschuwde om terug te gaan. De waaghalzen
hoorden het wel, en als het heel erg kraakte, bleven zij even
stilstaan, maar spoedig gingen zij weer verder. Tines Wobbe bereikte
zelfs de overzijde van het kanaal, waar hij niet weinig trotsch op was.

's Middags na schooltijd liep Jan met zijn vriend Karel van Dril het

Showing first 200,000 characters. Full text: gutenberg.org/ebooks/10971